Posts tonen met het label literatuurkritiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuurkritiek. Alle posts tonen

woensdag 9 april 2014

Clichétaal - deze woorden durft u nooit meer te gebruiken

Voor de grote cliché-special van de Volkskrant selecteerde de redactie op het gebied van Mode, Uitgaan, Muziek, Kunst en Literatuur de woorden en zinsneden die zo cliché zijn dat u ze na het lezen van deze lijstjes nooit meer durft te gebruiken.


Foto © Isabeli Fontana
Clichétaal A - Mode
To die for, preppy, bling (bling), über, fashionista, edgy, comfy, casual chic, boho chic, heroin chic, boyfriend, faux pas, pièce de resistance, bon ton, killer heels, het nieuwe zwart, classic (of iets anders) with a twist, hand picked, urban, look & feel, mix & match, on heels, must have, do's, don'ts, no-no, it-bag, shopaholic, shop till you drop, dress to kill, dress to impress, zó + jaartal.





Foto © Gotti Almonte
Clichétaal B - Uitgaan
Skills, dikke line-up, dikke set, dikke track, harde track, line-up om je vingers bij af te likken, festivalkriebels, ging los, ging uit zijn dak, was keihard aan, moves doen, in de groove, de break, de drop, tot de nok toe gevuld, spoorboekje (timetable), de grote plas oversteken, lekker gaan, support, de scene, vuistjes pompen, voetjes van de vloer, handjes in de lucht, heupen losmaken, hardstyle-elementen (of andere elementen), (pure) magie, rammen, shinen, vlammen, technoliefhebbers kunnen hun hart ophalen, staat garant voor een feestje, in stijl afsluiten, marathonsessie, crowd, afpompen, afknallen, afglijden, het dak eraf draaien, bangers, superheld, eindbaas, held, grootheid, knalteam, een topper, moeilijk veel zin in iets hebben, knallen, het zwarte goud (vinyl), early bird, volledige chillmodus.



Foto © Farida Merville
Clichétaal C - Muziek
Vuig, gruizig, volwassen geworden, back to basic, met een randje, het experiment zoeken, oerdegelijk, rockchick, onontkoombaar, industrieel, een symmetrische plaat, bak herrie, sferisch, rauw, morsig, dampend, iets wat je niet meer loslaat, pareltje, juweeltje, vertelkunst, gitaarmuur, wat een strot, urgent, mist urgentie, vernieuwende sound, hervonden spelplezier, geeft pas na meerdere draaibeurten zijn geheimen prijs, vocalisten (in plaats van zangers), gierende gitaarsolo's, tussendoortje (voor een soloproject van een bandlid), de vlam sloeg in de pan, dat ging erin als spreekwoordelijke koek, om door een ringetje te halen, loepzuiver, charismatisch, enigmatisch, registers bespelen/opentrekken, voor de liefhebber.


Clichétaal D - Kunst
Dicht op de huid, kruipt onder de huid, grijpt je bij de strot, slaat je knock-out, legt de vinger op de zere plek, roept vragen op, laat de blik kantelen, gaat prettig in tegen de tijdgeest, trapt de tijdgeest handig op de staart, toont een ontluisterende blik op de werkelijkheid, speelt een spel met fictie en werkelijkheid, verbeeldt de condition humaine, wijst de kijker op de onontkoombare realiteit van het menselijk bestaan, onderzoekt de grens tussen elitaire en populaire cultuur, een indringende ervaring, uit innerlijke noodzaak.


Clichétaal E - Literatuur
Geen woord te veel, droomdebuut, unputdownable, messcherpe stijl, een belangrijk boek, een noodzakelijk boek, het boek dat geschreven moest worden, aangrijpend verslag, hartverwarmende roman, vlijmscherpe roman, meeslepende roman, adembenemende roman, onmisbare roman, beklemmende roman

Vandaag in de Volkskrant: de cliché-special. 'Eerlijke mayonaise. Stoere boterhammen. Echt vers. Sexy pastries.'


[van de Volkskrant.nl, 9 april 2014]

zondag 15 december 2013

Tip Marugg en de literatuur: “Ik schrijf om te overleven”

Tip Marugg zou op vrijdag 14 december 2013 90 jaar geworden zijn.
Tip Marugg


Recensenten: de critici, de boekbesprekers, de boekjourna­listen, de boekbabbels, de luizen van de literatuur (Tip Marugg: Amigoe, 26 maart 1977)


De “funeste positieve discriminatie die in bepaalde kringen zowel hier als in het noordoostelijk deel van het koninkrijk wordt bedreven door elk Antilliaans geschrift dat op een rood-wit-blauwe maandag in druk verschijnt, met triomfbogen en luid hoerageroep  binnen te halen” is wel een van de bekendste en meest geciteerde uitspraken van Tip Marugg als criticus.

Silvio Alberto Marugg was niet alleen creatief auteur van de drie bekende romans Weekendpelgrimage (1957), In de straten van Tepalka (1967) en De morgen loeit weer aan (1988) en een relatief klein aantal veel minder bekende want moeilijk interpreteerbare gedichten, maar ook op enkele ver uiteen liggende momenten van zijn leven een kritische criticus van recente publicaties: eind jaren veertig in Today, in La Prensa, een enkele keer in de Beurs- en Nieuwsberichten, en in de jaren zeventig in de Amigoe. In zijn recensies besprak hij zowel lokaal als internationaal werk. Het hiervoor gegeven citaat komt voor in zijn bespreking van Norman de Palm: Onderweg / Na kaminda, een dichtbundel die in 1977 verscheen.

Hoewel Marugg zich wel eens badinerend uitliet over recensenten - de critici, de boekbesprekers, de boekjourna­listen, de boekbabbels, de luizen van de literatuur - (VW 2009: 499) nam hij dat werk persoonlijk echter wel serieus. Waarover schreef Tip Marugg, voor welke auteurs en werken interesseerde hij zich en wat was zijn opvatting over wat goede literatuur naar aard en functie diende te vertegenwoordigen?

                                        [De Nederlandse auteur] Van
                                        het Reve en ik schelen
                                        nauwelijks veertig uur
                                       van elkaar in geboorte-uur.
                                       De Heer moet wel erg
                                       toornig zijn geweest in
                                       de maand december van
                                       dat verschrikkelijke jaar.
                                       (Beurs- en Nieuwsberichten,
                                       21 juni 1979)

Het literaire terrein waarop hij zich bewoog was zo breed en internationaal georiënteerd dat het bijvoorbeeld besprekingen van lokale tijdschriften als De Stoep (1940-1951), het Mikvé Israëls Rosh Hashana-nummer (1949) en het dikke gedenkboek Oranje en de zes Caraïbische parelen (1948) omvatte, maar ook een regionale auteur als de Surinamer T.J Arkieman (Tjark Rudolf Petzoldt), de Nederlandse Adriaan Hulshoff  (Jo van Ammers-Küller), de Noord-Amerikaanse kunstenares Helen Frank en de romanciers Philip Roth en Erica Jong, de Engelse Virginia Woolf  en de Russische schrijver Ljev Nikolajevitsj Tolstoj. Tip Marugg was zowel een creatief schrijver van kaliber, maar ook een erudiete veellezer van heel divers werk.

Wat waren zijn opvattingen over literatuur? Wat vond hij in het werk van anderen belangrijk? Wat bracht hem er toe het werk van collega schrijvers te kritiseren? Tip Marugg was in de Tweede Wereldoorlog in militaire dienst, waar hij onder meer René de Rooy en Luis Daal ontmoette, met wie hij veel over literatuur sprak. Het zal Luis Daal geweest zijn die hem na de oorlog tot het recenseren in diens blad La Prensa heeft aangezet: “De essayist Luis Daal en de dichter Marcel de Bruin: de een stijfkoppig, ietsje hoogmoedig en met een ergerlijk gevoel voor zindelijkheid, de ander Surinaams-verwaand en continu in vuur gerakend, maar allebei van een grote liefde voor de bellettrie be­zeten, die al hun overige zielsgebreken vergeeflijk maakte. (VW 2009: 450)

Twee perioden
Het recensiewerk valt grofweg gezien uiteen in twee, niet minder dan bijna dertig jaar uiteen liggende perioden, maar vertoont desalniettemin een opvallende consequentie van opvatting. In zijn recensies toont Marugg zich een nauwkeurig intrinsiek lezer die de tekst zoveel mogelijk recht wil doen. Van tijd tot tijd lardeert hij deze vorm van recenseren met persoonlijke opmerkingen over wat in zijn ogen aard en functie van literatuur dient te zijn en te bevatten. Hij pleit onveranderlijk voor serieus werk en heeft een hekel aan alles wat zich als ten dienste van de commercie voordoet. Zo wijst hij gemakkelijke sensatie resoluut af bij Adriaan Hulshoff’s ‘Curaçaose’ roman Dorstig Paradijs (1948), want hierin “treffen wij noch sympathie noch antipathie aan, doch hetgeen erger is, een geroutineerde sensatiezucht. (La Prensa, 26 augustus 1949)
Ook het erotiserende werk van Erica Jong moet het ontgelden, niet om het erotische maar om het commerciële ervan: “Haar tweede als afrodisiacum verpakte roman is een vervolg op de eerste sexistentialistische drievuldigheid.” (Amigoe, 8 oktober 1977)

In een van zijn vroege beschouwingen pleit hij daarom voor ruimte die de maatschappij een kunstenaar dient te verschaffen, waar tegenover staat dat “elke ware kunstenaar (…) weet dat erkenning hoort af te hangen van de diepte van zijn schepping …” (La Prensa, 30 mei 1949) De ‘diepte van zijn schepping’ niet het oppervlakkige de lezer naar de ogen zien.
In dezelfde lijn ligt een op het eerste oog hiermee tegenstrijdige opmerking als “Een boekhandel is ook een commerciële instelling en is verplicht ook Mickey Spillanelectuur en zelfs Toon Hermansnonsens te verkopen. (Beurs- en Nieuwsberichten, 24 september 1953) Waarmee een zelfde oordeel tegen gemakkelijke en zelfs gemakzuchtige oppervlakkigheid wordt uitgesproken.
Daartegenover vindt veellezer Tip Marugg dat de Zuid-Amerikaanse literatuur een enorm potentieel heeft, want “geen enkele literatuur ter wereld is zo uitgesproken doordrenkt van en verwant met politiek en natuur, en dan natuurlijk de overwinning van de mens op de politiek en natuur. Ik ken geen literatuur waarin een zo duidelijke plaats is ingeruimd voor de onderdrukte mens en het medeleven met hem.” (VW 2009: 633)

Consciëntieus
In zijn recensiewerk was Tip Marugg zeer consciëntieus. Hij weidt uit over het leven van een auteur (Virginia Woolf, Kurt Vonnegut) maar leest ook alles van zijn te bespreken auteurs vooraf. Voor hij aan zijn recensie over Philip Roth’s negende roman begint geeft hij eerst een korte karakteristiek van de acht voorafgaande. Hij bewondert de natuurbeschrijvingen van de Surinamer Arkieman en duikt in de zieleroerselen van Tolstoj.
Zijn twee bijdragen over het lokale tijdschrift De Stoep getuigen van een brede kennis van de plaatselijke literatuur, als hij schrijft over Luc Tournier (dokter Chris Engels) die een “huzarenstukje uit­haalde door een eind te maken aan de Spaansgerichtheid van een al of niet bestaande Antilliaanse literatuur. Pierre Lauffer publiceerde daarin gedichten die mij destijds levend en louterend leken, maar later sentimen­teel voorkwamen; Charles Corsen ontleedde zijn onthutste ziel in wilde surrealistische kreten; Oda Blinder schreef wenend-zangerige verzen over de meest reine liefde, de onbeantwoorde; zelf ontpopte ik mij ook als verssmeder en Cola Debrot brandmerkte prompt mijn prijsprodukten als ‘Gehirnpoesie’.” (VW 2009: 453)

Taalgebruik
Evenals in zijn creatieve werk getuigen zijn recensies van een origineel taalgebruik en een verbluffende kennis van de Nederlandse woordenschat. Daarom heb ik hem ooit een Van Dale woordenboek uit 1884 cadeau gedaan.
Het is verleidelijk uit zijn recensies te gaan citeren en stijlvondsten aan te halen, maar daarvoor kan de lezer ook terecht bij Pim Heuvels artikel ‘Van aanloeien tot zielstuimel’ in de verzamelbundel Drie Curçaose schrijvers (1991: 358-366). Deze geeft een hele waslijst van taalparticularismen.

                                          Op Curaçao leest niemand.
                                          Iemand die schrijft vinden
                                          ze hier gek, niet normaal.
                                          Dat is natuurlijk ook zo,
                                          ze hebben gelijk. Een
                                          normale man schrijft
                                          geen boeken, die werkt
                                          op het land of in de fabriek.
                                          (Tip Marugg: De Volkskrant,
                                          20 mei 1988)

Naast het oordeel over het werk van anderen was Marugg zich ook sterk bewust van eigen creatief schrijverschap. Hij onderging na het succes van Weekendpelgrimage ook “het traditionele lot van zovele tweede boeken van schrijvers met een opzien­barend debuut”, hij wist dat het oppassen was “wanneer een schrijver, elke schrijver, het over zichzelf heeft”, maar was ook overtuigd van nut en macht van het schrijverschap: “wat heeft een schrijver anders dan zijn pen, voor crea­tief werk in de eerste plaats, maar ook als defensief en aanvalswapen als dat moet.” Hij zag zijn beperkingen als auteur ten opzichte van de lezer, wegens “de discrepantie tussen schrijversintentie en de interpretatie die lezers uit een bepaalde hoek aan zijn werk willen geven.” (Amigoe, 26 maart 1977)



Nog persoonlijker wordt hij wanneer hij zich over het eigenlijke schrijfproces bezint: “Ik moet in de ik-vorm schrijven, heel persoonlijk. Mijn taalgebruik is wat archaïsch. (…) Wanneer ik in het Nederlands schrijf, ben ik een absoluut ander mens dan wanneer ik in het Papiamento schrijf, ook al hebben die twee werelden nog zoveel met elkaar van doen.” (VW 2009: 653; 661)

Tip Marugg: De hemel is van korte duur. Verzameld werk 1945-1995.
Amsterdam: De Bezige Bij 2009

[uit Maritza Coomans-Eustatia, Wim Rutgers en Henny Coomans: Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud. Boeli van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus Arion.
Zutphen: De Walburg Pers 1991: 277-403.]



zaterdag 25 mei 2013

Expertmeeting Schrijven over poëzie

Michael Slory. Foto @ Annelies Verhelst
Na een korte bloeiperiode van literatuurkritiek  in  kranten en weekbladen, een periode die grofweg begin jaren zeventig begon (eerste Cultureel Supplement  bij NRC verscheen in 1970, Vrij Nederlandsboekenbijlage in 1972) en tot begin deze eeuw duurde, lijkt de aandacht voor literatuur in de traditionele media  steeds meer te verflauwen. Van de besproken boeken is het merendeel non-fictie, daarna volgen romans. De poëzie bungelt onder aan de lijst van aan literatuur gewijde woorden. Literaire tijdschriften besteden al sinds jaar en dag aandacht aan  recent verschenen literatuur en schrijven ook los van de actualiteit veel en vaak over literatuur, ook over poëzie. Maar deze tijdschriften worden steeds minder gelezen, het aantal loopt terug en de tijdschriften die er nog zijn concentreren zich veelal op primaire teksten.

Tegelijkertijd is sinds eind jaren negentig een enorme ruimte ontstaan voor het maken van websites die zich richten op teksten en kritieken over poëzie. En die ruimte wordt ook flink benut.
Er is dus wellicht niet minder aandacht voor het schrijven over poëzie maar de verschijningsvormen van dat soort teksten zijn wel veranderd. Geldt dat ook voor de toon, de kwaliteit, de aandacht, de diepgang, het bereik, de bedoeling en de belangstelling? In de expertmeeting ‘Schrijven over poëzie’  proberen we licht op deze zaak te werpen, vanuit het standpunt van de dichter, de journalist, de criticus, de wetenschapper en de lezer.

Hierbij staat een aantal vragen centraal:
(1) waarover moeten we schrijven als we over poëzie schrijven?
(2) vragen de alomtegenwoordigheid van internet en de daarbij behorende publicatievormen(websites, blogs, sociale media) om een andere manier van schrijven over poëzie?
(3) is er in het buitenland een praktijk van schrijven over poëzie (in traditionele of nieuwe media) aan te wijzen die als voorbeeld kan dienen voor Nederland en België?

Elis Juliana. Foto @ Michiel van Kempen

Rond deze onderwerpen vragen we enkele critici, wetenschappers, essayisten en dichters  om met elkaar in debat te gaan en aan de hand van vragen en stellingen of op basis van een kort betoog het gesprek te openen waarna de deelnemers aan de bijeenkomst zich in het gesprek kunnen mengen.
Zo proberen we in ongeveer 2 uur tijd in de buurt van een antwoord op deze vragen te komen. We hebben het liefst stevige, onwrikbare antwoorden, maar zoals een definitief antwoord op de vraag wat poëzie nu is (of zou moeten zijn) ook niet te geven is, zo zal ook het antwoord op de vraag hoe over poëzie te schrijven evenmin definitief worden gegeven.

De expertmeeting Schrijven over poëzie is een initiatief van Poetry International Rotterdam en de Werkgroep poëzie van de Vereniging van Letterkundigen (VVL) en vindt plaats tijdens het komende Poetry International Festival.

Datum: donderdag 13 juni 2013
Tijd: 13:00 – 15:30
Plaats: Rotterdam, Schouwburg

De meeting is vrij toegankelijk voor leden van de VVL.
Aanmelden via expertmeeting@poetry.nl is noodzakelijk. Er is een beperkt aantal plaatsen beschikbaar. Meld u dus snel aan!

woensdag 22 mei 2013

Laudatio Miep Diekmann

Zondag 12 mei verleende de Haagse Kunstkring het erelidmaatschap aan de jeugd- en kinderboeken schrijfster Miep Diekmann (geb. 1925). In een feestelijk programma werd de schrijfster en haar werk geprezen, vooral haar betrokkenheid bij de Benedenwindse eilanden kreeg aandacht. De bevriende collegaschrijver Dolf Verroen sprak de lofrede - de laudatio - uit, die wij hierbij afdrukken.

Illustratie van Dick de Wilde in Diekmanns Marijn bij de lorredraaiers (1965)


door Dolf Verroen

In de vijftiger jaren waren kinderen geen mensen maar wezentjes die je van bovenaf moest toespreken. Ouders waren zo ongeveer volmaakt en zeker in kinderboeken mocht je dat niet in twijfel trekken. Miep Diekmann heeft daar meteen een eind aan gemaakt. Ze ging niet op haar hurken zitten, maar trok kinderen overeind. ‘Zo,’ zei ze. ‘Nu zijn we in evenwicht.’

KENAU / Miep behoort tot het soort mensen dat gevraagd of ongevraagd altijd haar mening geeft. Het duurde dan ook niet lang of Annie Schmidt noemde haar: ‘De Kenau Simonsz Hasselaar van de kinderliteratuur.’
Miep schreef, zat in jury’s en commissies, hield lezingen en schreef artikelen om schrijvers en lezers er van te overtuigen dat er geen verschil is tussen kinder- en grotemensenboeken. Er is alleen verschil in kwaliteit. Een slecht kinderboek is hetzelfde als een slechte roman.
Misschien komt het door haar jeugd op Curaçao, dat weet ik niet, maar een bijzondere eigenschap van haar is dat ze altijd geprobeerd heeft werelden bij elkaar te brengen. Niet alleen in haar kinderboeken over Curaçao en in haar jeugdromans, maar ook door het coachen van Caribische schrijvers, door de Tsjechische literatuur naar Nederland te halen en door het opleiden en enthousiast maken van jonge talenten. Ze kon als een Kenau haar zaak verdedigen, liet zich door niemand in een hoek drukken en nam het tegen iedereen op, maar wie meent dat ze dat op een respectloze manier deed, vergist zich.

Miep Diekmann en Dolf Verroen © Foto Paul Combrink


RESPECT/ Ik herinner me nog dat ik iets van haar geleerd heb, dat ik nog steeds bijzonder vind. ‘Als je een lezing houdt voor kinderen, kleed je dan zo mooi mogelijk. Dan zien kinderen dat je respect voor ze hebt.’ Het is geen bigot respect waar ze over spreekt. We moesten een keer samen optreden in een klas van een Middelbare Handelsschool of zoiets. Zo’n dertig opgeschoten jongens met weinig belangstelling voor boeken. Miep verscheen als een diva in een prachtig roodleren pak.
De jongens konden geen oog van haar afhouden en luisterden met overgave. Behalve één. Zo’n ziekerd die niet ophield. Wat Miep ook deed, hij bleef zijn koperen duit in het zakje doen. Tot Miep zei: ‘Weet je waarom hij zo’n grote bek heeft? Omdat hij zo’n klein piemeltje heeft.’
Ik hoef het effect waarschijnlijk niet te beschrijven. ‘Miep,’ zei ik naderhand. ‘Daar komt hij nooit meer overheen.’
‘Gelukkig niet,’ zei ze. ‘Zijn piemel wordt nooit groter, maar zijn bek wel kleiner.’

Leo Hamer overhandigt oorkonde aan Miep Diekmann © foto Paul Combrink


MAATPAK / Even rigoureus was Miep toen ze mij in 1976 voorstelde samen naar Suriname te gaan. Natuurlijk wilde ik niet. Mijn toenmalige man was ziek, mijn boek moest af. Er waren talloze hindernissen. Miep probeerde ze allemaal weg te werken. ‘Als je geen geld hebt, leen ik het je,’ zei ze. ‘Als je het niet terug kunt betalen, zal ik je niet lastig vallen. Maar GA, ieder mens moet één keer in de tropen zijn geweest.’
Ik liet me niet overtuigen tot ze zei: ‘Blijf maar lekker thuis.. Denk maar dat de wereld bij jouw voordeur ophoudt.’ Dan ga je natuurlijk wél. Die reis was overweldigend, onbeschrijfelijk eigenlijk. Miep en ik samen in een prauw varend door de binnenlanden, begeleid door de tamtam die onze komst aankondigde. Miep die heel veel upper class bleek te kennen, waardoor wij overal werden uitgenodigd. Elke familie wilde om strijd een partij voor haar organiseren. Miep die met mij naar de Hindostaanse kleermaker ging - ik MOEST een pak laten maken - en tegen die arme man, die het al zo erg vond dat ze in de paskamer kwam, op haar Miepmanier zei: ‘En niet zo’n ruime gulp hè, er moet wat te zien zijn.’

Miep Diekmann met John Leerdam en Roos Leerdam-Bulo


ZIJDE / Wij maakten ook een busreisje met overnachting. Haar kamergenote zei: ‘O mevrouw Diekmann, ik slaap zo slecht, ik hoop niet dat u last van mij heeft.’
‘Ik ook niet,’ zei Miep. ‘Want ik gooi je zo het ravijn in.’ De andere ochtend kwam ze gebroken aan het ontbijt. ‘Ik heb geen oog dicht gedaan. Mevrouw Diekmann heeft de hele nacht lopen spoken.’
En dan alle winkels die we afliepen om Thaise zij te kopen, die in geen jaren meer te krijgen was. ‘Weet ik,’ zei Miep. ‘Maar zo kan ik tenminste kijken wat ze wél hebben.’ En daardoor leerde ik een andere Miep kennen. Iemand die uren bezig was om cadeautjes te zoeken voor haar kinderen, neefjes en nichtjes. Voor iedereen van wie ze hield. Ik zag toen voor het eerst dat de betrokkenheid bij haar naasten, haar familie en vrienden, even groot was als haar betrokkenheid bij de literatuur.

Miep is trouw tot in de dood. Ze is een royale Kenau, ook in liefheid. Je weet hoe leuk een lid is, Miep, maar een erelid is beter. Het komt je toe. Je verdient een standbeeld.

[Ontleend aan Antilliaans Dagblad, 22 mei 2013.]

donderdag 9 augustus 2012

Waar! Waar zijn de dichters gebleven?


door Els Moor

Schrijver Rappa ( Robby Parabirsing) hield op 27 juni een inleiding over nieuwe ontwikkelingen in de Surinaamse dichtkunst.  Hij begon met een gedicht van de jonge dichter Gianni Wip, waarvan de eerste regel de titel van Rappa’s  inleiding en ook van dit artikel is: ‘Waar! Waar zijn de dichters gebleven?’[zie de integrale tekst van Rappa's lezing hieronder - red. CU]
Marlon Tjung Agnie, illustratie uit Rappa's Fromoe Archie (1984)

Rappa begint met terug te kijken. Vanaf de zestiger jaren tot de periode rond de onafhankelijkheid, srefidensi’  bloeide de eigen poëzie in Suriname. De dichtkunst maakte deel uit van  de bewustwording van de eigenheid van Suriname wat betreft cultuur en kunst. De beweging ‘Wie Eegie Sanie’ is daar een duidelijk voorbeeld van. In 1970 verscheen de eerste druk van de door Shrinivasi samengestelde bundel  Wortoe d’e tan abra, waarin gedichten van zeventien dichters, geschreven vanaf 1957,  in het Sranan en in het Nederlands, staan. Als ik de bundel nu weer doorblader, begrijp ik de regel van  Gianni Wip steeds beter: ‘Waar! Waar zijn de dichters gebleven?’ In deze bundel staan veel  gedichten van hoge kwaliteit, die ‘klassiek’geworden zijn in de loop van de tijd, vooral ook in het Sranan. Iedereen kent toch ‘bro’ van Trefossa, ‘wan’ van Dobru, of  ‘orfeu negro’ (‘mi sa singi/a son/ opo kon) van Michael Slory? Eind jaren zeventig  behoorde de bundel tot het lesmateriaal van de kweekschool, het SPI. Wekelijks las ik een gedicht met de studenten en we spraken erover: wat is er zo bijzonder aan dit gedicht? Wat spreekt ons erin aan? Sommige studenten kenden al gauw gedichten uit het hoofd en droegen die voor. Dan genoten we van de mooie klankeffecten, vooral in het Sranan.

Rappa heeft het niet over over de kwaliteit van deze gedichten. Hij geeft aan hoe het verdergaat met de poëzie in Suriname tot en met de vele literaire festivals van de laatste jaren, waar  gedichten van nieuwe Surinaamse dichters, ook veel vrouwen,  klonken en  in bundels werden aangeboden, ook in het Engels. Suriname is dan deel geworden van  het Caraïbisch gebied, ook op het gebied van literatuur.

Domburg aan de Surinamerivier


Rappa stelt een belangrijke vraag als hij het heeft over de vaak tijdgebonden ‘producten van dichtenden’ uit de jaren tachtig: konden die wel allemaal gerekend worden tot ‘poëzie’? Wat valt daar wel of niet onder? En de rijmpjes uit onze kleuter- en lagere schooltijd? Waar moet een dichter allemaal rekening mee houden? Is een dichter wel vrij? Dit houdt hem kennelijk bezig. In 2010 stelde hij een boekje samen met: 41 spontane reacties op het gedicht “Recreëren te Domburg” van  Alphons Levens. Individuele meningen komen erin voor over het gedicht van Levens en veel reacties van de inzenders op elkaars stukken.  Het is interessant om het boekje weer te lezen. Wat eruit naar voren komt is dat Levens gedichten maakt die een beeld geven van de maatschappij van alledag, informatieve poëzie dus, gericht op een algemeen publiek, vooral van krantenlezers. ‘Prozaïsche poëzie’, lezen we in een van de reacties. Het gedicht  heeft wel degelijk kenmerken van poëzie, zoals de vorm in strofen,  maar experimenten met klank, symboliek en woordkeus ontbreken, kenmerken van die poëzie die onder ‘literaire kunst’ valt.  De realistische inhoud  maakt de gedichten van Levens wel herkenbaar voor een groot leespubliek. 

Dat brengt ons bij een belangrijk punt: een gedicht wordt geschreven met een bepaald doel en voor een bepaald publiek. Daarnee hangen taal en vorm dan samen. Versjes voor jonge kinderen moeten aansluiten bij hun leefwereld, en speels en creatief zijn. ‘Een blie  bla  bloe blawki / zat op een tie ta toe takje/ dat tie ta toe takje/ brie bra broe brak […]’. Het staat in de bundel Popki Patu1 van  Orlando Emanuels en niet alleen kleine, maar ook grotere kinderen vinden het een leuk, ‘spel met de taal’, en ze zingen het en dansen erop. Een andere doelgroep kan het personeel en de relaties van een grote firma zijn in verband met  een jubileumboek, waarin ook een gedicht staat dat de oprichter, of directeur, eert. Zo’n gedicht zal niet spottend zijn, maar liefdevol en in keurige bewoordingen. 

Gedichten kunnen ook kunst zijn, literaire kunst. Literaire kunst en beeldende kunst zijn vergelijkbaar, maar beeldende kunst zie je echt voor je en literaire kunst moet je lezen en dan maar afwachten of de woorden beelden worden, hun materiaal is de taal en dat  is voor velen heel moeilijk. Dat is minder het geval met de mooie gedichten in het Sranan uit Wortoe d'e tan abra. Maar wat maakt een werk tot ‘kunst'? 

Soekri Irodikromo - Wayang, verbeelding I, acryl op doek, 70 x 70 cm


‘Maskers’ heet een schilderij van Soeki Irodikromo uit 1992 dat afgedrukt staat in Talent; Uit de kunstcollectie van de Centrale Bank van Suriname (2007). Steve Ammersingh schrijft erbij: ‘De maskers staan voor het beeld dat mensen voor elkaar plegen op te houden, iets anders dan het ware gezicht. Mooie maskers om te bekoren, te verlokken, te verbloemen. Lelijke maskers om te intimideren, af  te schrikken, onverschillige maskers om te verhullen, te verbergen.’ In de wirwar van kleuren komen de maskers met zo verschillende uitdrukkingen helder over. Je kijkt ernaar, je geniet, je ontdekt de symboliek. Je kijkt er vaker naar en steeds ontdek je weer iets in de combinatie van vormen, kleuren en voorstelling. Het werk is gemaakt vanuit de javaanse cultuur, maar het is voor iedereen op de wereld, het is universeel. Dat is kunst.

Ron Flu - De Kwaadspreeksters


‘De kwaadspreeksters’ van Ron Flu is ook kunst. Geen ‘mooie’kunst, maar kunst die spot met een negatief aspect van iedere samenleving (waar ook ter wereld!). Het werk van Ron Flu groeide langzaam naar een geheel eigen stijl toe: sociale onrechtvaardigheden en  misstanden beeldt hij uit met een spottende humor  die je niet gauw vergeet. Het spel van vorm, kleur en uitbeelding van het thema maakt dit werk tot een meesterwerk. Mocht een dichter bij dit beeldend kunstwerk een gedicht willen maken, dan zal de taal fel moeten zijn, kwaadaardig en beslist niet fatsoenlijk, een gedicht met veel spot en een schokkend klankenspel. Een dichter hoeft, vooral als hij over de samenleving schrijft beslist niet altijd ‘netjes’ te zijn. Zo is de realiteit ook niet. Als ie er maar mee speelt!   

Hetzelfde spel; dat met beelden in specifieke vormen en kleuren gespeeld wordt in de beeldende kunst  maakt ook gedichten tot kunst. Dan  zit er altijd meer in het gedicht  dan je bij eerste lezing denkt, het heeft diepte, door de creatieve  samenhang van inhoud vorm en taal, van beelden en werkelijkheid, van raadsel en herkenbaarheid.  Met goede poëzie blijf je bezig. Steeds weer nieuwe ontdekkingen! 

Waar zijn de dichters gebleven?


door Rappa

Rappa aan het woord, naast Abdelkader Benali. Caraïbische Letterendag, Amsterdam 2009
[Op woensdag 27 juni 2012 hield Rappa [ps. van Robby Parabirsing], neerlandicus, schrijver, voordrachtskunstenaar, uitgever en bibliotheekhouderin het kader van het Jaar van de Poëzie tijdens de reguliere laatste-woensdag-van-de-maandavond van de Schrijversgroep ’77 in Tori Oso (deze avond in samenwerking met de Henry Frans de Zielstichting en het Directoraat Cultuur), een inleiding over nieuwe ontwikkelingen in de Surinaamse dichtkunst. Hieronder de volledige tekst, die bij het uitspreken enigszins was bekort.]


Waar zijn de dichters gebleven? Dit vraagt een van onze jonge dichters, Gianni Wip, zich af. Een stukje uit zijn gelijknamig gedicht:

         [...]
           Waar!! Zijn de dichters gebleven
           Want de schrijvers, die schrijven
           Jij weet het, ik weet het, iedereen Weet…
           Hoe duur…de…suiker…is
          
           En daar is iets mis mee
           Misschien niets mis mee
           Punt is
           Ik voel een gemis
           En dat gemis….
           Het maakt me ziek
           Waar??
           Waar?!
 
           Waar!! Zijn de dichters gebleven…

Gianni Wip
Gianni Wip is 24 jaar, is studerende en is in zijn gedichten meestal op zoek naar paradigma’s oftewel het gemeenschappelijke gedachtegoed van de samenleving. Hij vindt dat de Surinaamse poëzie teveel wordt gebruikt als een hamer om mee te slaan. Met een hamer kan je ook ‘dingens uit dingens’ trekken; hij probeert niet tegen, maar vóór iets te zijn. Gianni deed mee aan de Schrijfwedstrijd van Write Now, waaraan Suriname dit jaar voor het eerst  meedeed, en eindigde tijdens de voorronde in Paramaribo op de vierde plaats met een minibundeltje, getiteld Panodrama.

Ja, waar zijn die dichters gebleven? Na de poëtische opleving in de zestiger jaren tot de climax rond onze staatkundige onafhankelijkheid, onze srefidensi (een woordvinding van onze grote dichter Trefossa) leek het inderdaad dat onze dichters verdwenen waren. Zie de indrukwekkende rij van poëten in de klassiek geworden bloemlezing samengesteld door Shrinivasi Wortoe d’e tan abra waarin gedichten vanaf 1957 tot 1973 (bij de verruimde derde druk) zijn verzameld. 

Dichters uit de ‘Wortoe-groep’ zijn o.a. Trefossa (Henri de Ziel), Eugène Rellum, Corly Verlooghen (Rudy Bedacht), Ashantenu Sangodare (Michael Slory), Bhai (James Ramlall), Bernardo Ashetu (H.G. van Ommeren), Johanna Schouten-Elsenhout, Shrinivasi (Martinus Lutchman), R. Dobru (Robin Ewald Raveles), Jozef Slagveer, Frits Wols (Eugène Wong Loi Sing), Orlando Emanuels, Edgar Cairo, Kwame Dandilo (George -Pieter- Polanen), Trudi Guda, Zamani (Astrid Roemer), Paul  Marlee (Paul Nijbroek), Thea Doelwijt, Glenn Sluisdom, Gerrit Barron en Afanti (John Doornkamp)1). De dichters uit de ‘Wortoe-groep’ debuteerden voor het merendeel aan het eind van de jaren ’50 en aan het begin van de jaren ’60, publiceerden vooral tussen 1965 en 1974 in Suriname, in Nederland en op de Nederlandse Antillen in bladen als Tongoni, Soela en Moetete en hadden bijdragen in het (Surinaams-) Nederlands, het Sranan en het Sarnami.

Toen kwam de onafhankelijkheid en daarmee ook het scheiden van de markt. Om met Hans Breeveld mee te zingen:”Wie gaat weg en wie blijft hier, dat is de vraag van de kruidenier…” Vijf jaar na de staatkundige onafhankelijkheid volgde de militaire machtsovername, de coup. Beide gebeurtenissen inspireerden een grote groep dichtenden, maar konden hun producten, vaak zeer tijdgebonden, wel allemaal tot poëzie gerekend worden? Wat valt überhaupt nou wel of niet onder poëzie? Vallen daar ook de rijmpjes en gedichtjes uit onze kleuter- en lagere schooltijd onder die zó een belangrijk deel van onze taalverwerving vormen dat we die tot op hoge leeftijd foutloos kunnen opzeggen of zingen?
Het is wel opvallend dat de dichter dankzij die beroemde ‘dichterlijke vrijheid’ in feite alles op papier kan zetten en het predikaat ‘gedicht’ kan meegeven. Dat moet de schrijver, de prozaïst, maar eens durven! Is het misschien daarom dat vele creatief schrijvenden in ons land zich eerder tot de poëzie wenden als uitingsvorm (want daar mag toch alles), dan dat zij proza produceren, want daar moet je je aan allerlei conventies (spelling, zinsbouw, woordbetekenissen, perspectief, plot, thematiek, verhaaldraad, tijdstructuur, karakteruitbeelding, enz.) houden. Maar in de praktijk blijkt maar al te vaak dat dichters echt zo vrij niet zijn. Zij worden publiekelijk maar al te vaak aangesproken als zij zich niet houden aan bepaalde conventies. Zie bijvoorbeeld een aantal van 41 reacties die loskwamen naar aanleiding van het gedicht van Alphons Levens, getiteld Recreëren te Domburg. [Zie deze blogspot, 25 november 2010.]2 Zijn gedichten ‘…zouden meer lijken op proza, hij moest zich toch wat meer inspannen om in dichterlijke taal te schrijven en minder aan de oppervlakte te blijven. Poëzie gaat toch graag de diepte in, kent gevoel en noopt vaak tot nadenken?’ Een aantal van de reacties was gestoeld op de schoolse zienswijze op poëzie, maar er waren ook nuttige wenken, eigen ervaringen en zeer bruikbare achtergrondinformatie bij. 
   
Alphons Levens publiceerde zijn eerste bundel (Bezinning en strijd) in 1971 in Nederland en is vanaf toen een van onze productiefste dichters. In 1996 verscheen de bundel Mogelijk, in 1998 …want nooit wordt alles gezegd en in 2002 Wee het volk dat niet meer denkt. Regelmatig staan er gedichten van hem in de Ware Tijd (zie het bericht hieronder). In zijn werken staat de Mens (met hoofdletter) altijd centraal; niet alleen de Surinaamse mens, maar ook die totale mens, die bewoner van de planeet Aarde. Alphons Levens probeert zijn lezers aan het denken te zetten, aan het dóórdenken.

De vraag is nu: komt de beperking van die dichterlijke vrijheid, of misschien beter: wordt de aanmoediging dat dichters zich toch aan bepaalde conventies houden misschien niet door het traditionele poëzie-onderwijs veroorzaakt, dan wel sterk beïnvloed? Gelukkig is in de literatuurmethode voor het VWO Fa yu e tron leisibakru uit 19983) (volgens Surinaamse leerboekennormen nog vrij nieuw) wat meer ruimte aan de dichterlijke vrijheid en de typisch Surinaamse poëzievormen gegeven. Want poëzie moet toch in de eerste plaats een herkenbare gemoedsuitstorting zijn, al of niet rekening houdend met vormaspecten? Poëzie is toch niet eerst vorm dan inhoud, of spelen vorm en inhoud zowat gelijktijdig een rol bij het produceren van poëzie? De vraag is nu of er, gezien het huidige, zeer terechte streven van het MINOV om vooral de VOJ- en VOS-leermethoden voor de exacte vakken en leervakken te vernieuwen, ook een herziene tweede druk van Leisibakru komt, of als men weer overgaat op een poëzie- of literatuurmethode uit Nederland.

Maar om op dat poëzie-onderwijs terug te komen: in de leerfase waar die vernieuwing het hardst nodig is, op het VOJ (voorheen het MULO), worden poëziestencils uit de jaren zestig uit de hoofdakteperiode van de toentertijdse leerkrachten vaak nog steeds braaf ongewijzigd gekopieerd, waardoor vele leerlingen juist op dit aanvankelijk niveau een verouderd en achterhaald beeld van poëzie voorgeschoteld krijgen. De eigen creativiteit wordt daarbij nauwelijks geprikkeld. Is het dan geen wonder dat vele VOJ-jongeren vaak afkicken op de literatuurlessen poëzie? Terwijl zij juist met dit uitingsmiddel hun gevoelens beter kunnen uiten; iets waar velen in deze leeftijdsgroep hard behoefte aan hebben. En poëzie is tegenwoordig juist weer springlevend, mede als gevolg van de opmars van de raps. In hoeverre zijn raps erkend en opgenomen in vooral het aanvankelijk poëzie-onderwijs? 

Hoe dan ook, we kunnen er niet onderuit: ondanks die dichterlijke vrijheid gelden in de poëzie toch zeker conventies, denk maar bijvoorbeeld aan het rijm, de beeldspraak en de strofe-indeling. Zie ook de strenge eisen waaraan een sonnet moet voldoen. Trefossa heeft getoond dat hij in het Sranan ook sonnetten kon schrijven. Maar heeft hij op dit punt navolging gehad? Zo nee, waarom niet? Is het omdat deze vorm van poëzie bij de onzen niet als iets eigens wordt ervaren? Of is er hier sprake van gemakzucht, ‘het is wer’ede’, teveel gekunsteld, dus dan maar niet?

Terug naar de vraag van Gianni: Waar zijn de dichters gebleven? In 1983 verschijnt de eerste aflevering van het literaire tijdschrift Bro4), waarin ook poëziebijdragen van eigen bodem en van overzee zijn opgenomen. Uit de “Wortoe-groep” zien we terug in Bro: Dobru, Orlando Emanuels, Gerrit Barron en S. Sombra (Stanley Slijngard). Het tweede en laatste nummer van Bro verschijnt in 1990. Gerrit en S. Sombra komen terug en we zien een paar nieuwe namen zoals Dorothee Wong Loi Sing en Hans Breeveld5). Dan wordt het wat stil; van 1990 tot zeker 2000 maken we de periode van hyperinflatie mee en dat is een hoogst ongunstig klimaat voor de productie en verkoop van gedichtenbundels, die normaliter al moeilijk verkopen.

In het nieuwe millennium gaan we richting Caricom: deden we sinds de jaren ‘70 al mee met de Carifesta’s met onze Dobru als voortrekker en zijn  gedicht Wan als ons boegbeeld, nu worden we volwaardig lid van de Caricom. Voor schrijvers en dichters is dat een nieuwe uitdaging, namelijk: publiceren in het Engels om een markt binnen de Caricom te veroveren. Dit heeft zeker meegespeeld bij de verschijning van de bundel Considerations6)  in 2003, volledig in het Engels, waaraan deelnamen Brigitte Brown, Arlette Codfried, Farah-L (Lorraine Gallant), Andy Fernandes, Roway James (Roué Hupsel) en Deborah Pinas als nieuwe namen en als gevestigden Alphons Levens en Albert Mungroo. Uit deze bundel blijkt ook de opmars van de vrouwelijk dichters: Waren dat in de Wortoe-groep 4 van de 28, in de Bro-groep 8 van de 27; in Considerations waren dat 4 van de 8, dus 50%. Deze opmars bleek ook uit het feit dat Brigitte, Arlette en Lorraine deel uitmaakten van het bestuur van de Schrijversgroep ’77 dat in 2003 onder voorzitterschap van Ismene Krishnadath aantrad. Daar zijn de dichters gebleven! 

Annemarie Sanches
Dan breekt de periode van de internationale literaire festivals in Suriname aan; de rij wordt in 1997 geopend met de Conferentie Schrijverschap 2000, nationaal of internationaal die in Ons Erf werd gehouden, maar waar proza en geen poëzie aan de orde kwam. Het eerste internationaal literair festival waarbij poëzie ook aan de orde komt, vindt eind 2002 plaats in Paramaribo en in Nieuw-Nickerie onder de naam Woud der Verwachting. De gevestigde dichters Shrinivasi en Michael Slory doen hieraan mee; nog geen nieuwe poëten van eigen bodem. In 2004 volgt het festival 1001 Identiteiten en opvallend is het dat 5 van de 8 leden van de Considerations-groep hieraan meedoen, namelijk Arlette, Brigitte, Alphons, Lorraine en Albert. Van de gevestigde dichters zien we terug S. Sombra en Frits Wols en als nieuwelingen: Annemarie Sanches (vooral bekend om haar zaterdagochtend radioprogramma The Happy Family Show7a)) en Mireille Pinas.  

Jeffrey Quartier
Tijdens het Literair festival Werelden in Ontmoeting in 2006 komt er een nieuwe poëet naar voren, namelijk Jeffery Quartier. In 2003 deed Jeffrey Quartier mee aan een internationale gedichten-conventie van the International Society of Poets in Washington. Zijn gedichten verschenen in The Colours of Life en in een bloemlezing van IAERN. Intussen heeft hij twee gedichtenbundels in eigen beheer uitgebracht en dit jaar doet hij voor de derde keer mee aan het Suripop-componistenfestival, deze keer met de songtekst Hor’ pasensi (Heb geduld). (De tekst van deze compositie is hieronder als afzonderlijk bericht te lezen.) In zijn  gedichten laat Quartier zich vrijwel door alles en iedereen om zich heen inspireren. Hij dicht vooral in het Engels, maar ook in het Nederlands en Sranan over de liefde, de politiek, over uitdagingen en hij filosofeert graag. Hij ervaart de samenleving als zorgwekkend en hoopvol tegelijkertijd. Zorgwekkend vanwege de steeds grotere verzakelijking en het steeds weer inleveren van principes binnen die samenleving. Hoopvol, omdat er nog velen zijn die zich daartegen verzetten en hoopvol vanwege de toenemende mogelijkheden die de technologie ons biedt.

Tijdens het literair festival Diversity is Power, dat van 1 tot en met 9 augustus 2007 in Paramaribo werd gehouden, zien we dat naast de gevestigde dichters (Sombra, Dorus Vrede, Shrinivasi, Frits Wols en Alphons Levens)  de nieuwe poëten (zoals Jeff Quartier en Arlette Codfried) hun activiteiten uitbouwen. Enkele nieuwe poëten die in de bundel Diversity is power opduiken, zijn Kurt Nahar (beeldend kunstenaar), Tolin Alexander (podiumkunstenaar) en Soecy Gummels (ook schrijfster van romantisch proza in het Engels)7b) . Enkele schrijvers en poëten uit de Diversity-1 groep besluiten met anderen met Surinaamse roots uit Nederland mee te doen aan de publicatie8) rond het tegenbezoek aan Zuid-Afrika in het kader van uitwisselingsprogramma Writers in Exchange. Nieuwe poëten in deze bundel zijn Sherida Asinga die in 2006 als dichter debuteerde en in haar gedichten vooral zichzelf zoekt, en Karin Lachmising.

Karin Lachmising
Karin, van huis uit communicatie-deskundige, stelt dat poëzie het vinden van de vorm is om het pure te vervatten, om de kern uit de werkelijkheid te halen, die los te weken en zichtbaar te maken en die de vrijheid te geven. Karin dicht over de echte dingen in het leven, ontdaan van alle labels en vooroordelen. Ze vindt dat er nog te weinig Surinaamse dichters zijn die de grote menselijke emoties duidelijk een plek geven, maar dat is een proces: eerst het losworstelen van die knellende banden en dan het naar binnen kijken. Zij produceerde ook de documentaire van ons bezoek aan Zuid-Afrika in 2008. [Zie haar gedicht 'Gekunsteld' op deze blogspot, op 6 augustus 2012.]

Tijdens het internationaal literair confest Zoveel zinnen, zoveel talen; wan tru powema na wan skreki sani , dat van 1 – 5 november 2010 in ons land werd gehouden doen behalve de gevestigde dichters zoals Dorus Vrede, Alphons Levens en S. Sombra, ook Arlette, Jeff, Karin en Tolin Alexander mee. Het gedicht van Tolin, opgenomen in de publicatie9)  rond dit confest, valt op door de meertaligheid. 

Rose-Marie Maître
En tot slot: onder de inzendingen van de eerder dit jaar gehouden schrijfwedstrijd Write now! zijn zeker twee jonge dichters opgevallen: de eerder genoemde Gianni Wip en de nummer twee Rose-Marie Maître, die in Haïti is geboren en op tweejarige leeftijd naar Suriname kwam. Ze is bezig haar journalistieke opleiding af te ronden. In haar gedichten verwerkt ze graag zaken die niet zo goed te begrijpen zijn, zoals bepaalde gedragingen en gevoelens bij mensen om haar heen of bij zichzelf. Schrijven, dichten is voor haar ontdekken en doen ontdekken. Ze ziet onze samenleving als vrij tolerant en vriendelijk, maar nog in een ontwikkelingsproces naar volwassenheid: bepaalde zaken moeten nog bediscussieerd en geaccepteerd worden.10)

Aan het eind wil ik een lofwoord uitbrengen aan de dichters Alphons Levens en S. Sombra, die onverdroten aan de weg timmeren en zeer zeker op poëziegebied tot onze rolmodellen mogen worden gerekend, vooral brada S. Sombra die er vanaf de Wortoegroep en het begin van de Schrijversgroep bij is en nog steeds zijn bijdragen op velerlei gebied levert. Mag ik besluiten met zijn  typische zelftypering, afgedrukt op de achterflap van zijn jongste uitgave 11):

                                 Hij is de prins van Totness,
                                 Keizer van Friendship
                                 Beheerder van Coronie en
                                 Allochtoon in Paramaribo.

Ik dank u voor uw aandacht.
                                                                                       
S. Sombra; portret gemaakt in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren door Nicolaas Porter


[In de discussie die na bovenstaande voordracht volgde, werd vooral ingegaan op de noodzaak en wens van de dichters om zich meer te kunnen exposen. Een literair televisieprogramma werd als een goede mogelijkheid genoemd. Verder wenste men ook ondersteuning van de overheid voor scholenbezoeken. De avond werd opgeluisterd door poëtische voordrachten van Alphons Levens, Karin Lachmising, Jeffrey Quartier, S. Sombra, Rose-Marie Maitre, Evelien Brown, Arlette Codfried, Kadi Kartokromo en Ismene Krishnadath en een creatieve samenvatting van Hilde Neus over het gepresenteerde. Gianni Wip kon vanwege college niet aanwezig zijn. Hij diende op de valreep wel een gedicht voor de avond in dat hieronder als bijlage 3) is opgenomen.]


 
1) Shrinivasi [ps. van M. Lutchman](samenst.) Wortoe d’e tan abra; bloemlezing uit  de Surinaamse poëzie vanaf 1957, Paramaribo, Bureau Volkslectuur, 3e uitgebr. dr. 1974; 120 blz. Het is hoog tijd dat Wortoe… een vierde, aangevulde druk ingaat, waarbij tot zeker 2010 kan worden gegaan. Of is hier geen geld en deskundigheid voor, zoals vaak vanuit de beleidsmakers als dooddoener wordt gebruikt?


2) Rappa [ps. van R. Parabirsing] (samenst.) 41 spontane reacties op het gedicht “Recreëren te Domburg, Paramaribo, 2011; Ralicon, 71 blz.Zie Caraïbisch Uitzicht van 25 november 2010.

3) Moor, E., J. Vaseur-Rellum en J. Brunings. Fa yu e tron leisibakru; literatuurmethode voor het Voortgezet Onderwijs op Seniorenniveau; 1e dr. Paramaribo. MINOV/OC en W, 1998. 204 blz. afbn.
Uit de discussie na bovenstaande inleiding bleek dat het niet in de bedoeling lag deze goed bruikbare eigen literatuurmethode na eventuele aanpassingen te herdrukken. Moet dan weer overgestapt worden naar een of andere oubollige Nederlandse poëziemethode, vol met theorie en voorbeeldgedichten die onze jongeren niet aanspreken, zoals een aantal jaren terug een verlopen taalmethode uit Nederland, bedoeld voor allochtone kindertjes aldaar, hier werd gedumpt, omdat dat goedkoper en sneller zou zijn, dan om een eigen taalmethode voor het VOJ samen te stellen. Daar zouden geen financiële middelen en eigen deskundigen voor zijn. Over gemakzucht, miskenning van het eigene en over neo-koloniale tendensen gesproken…

4) Bro; tijdschrift voor literatuur; onder redactie van  G. Barron en C. Lont. Paramaribo, Sorava, 1983, jrg. 1. no 1, 79 blz. afbn. Helaas was Bro na het tweede nummer hetzelfde lot beschoren als al onze literaire bladen daarvoor. Het zou een onderzoek waard zijn om na te gaan waarom dit lot onze literaire bladen (zoals Moetete) tot nu toe beschoren is.

5) Dit was niet Hans’ debuut. Zijn eerste publicatie was Overwinnen ondanks donkere wolken uit 1990, gevolgd door Meneer de voorzitter … mag het volk ook wat zeggen (1990), Wissele Mammie … (1992), Sap (1993) en Voorzitter, ik heb geen keus (1996), waarin gedichten afgewisseld met essays, vaak geïnspireerd op de actualiteit van dat moment.

6) Brown, B., A. Codfried en Farah-L (ps. van L. Gallant) e.a. Considerations; poems and short stories from Suriname.
Paramaribo, The Authors, 2003, 72 blz. Arlettes debuut als dichter was niet in Considerations, maar in de bundel Overpeinzingen, waarin ook verhalen zijn gepubliceerd. Een gedicht uit deze bundel vindt u op deze blogspot, 7 augustus 2012. De vraag is of naast de buitenlandse gedichten in het Engels, gedichten uit Considerations vooral op VOJ-niveau bij het vak Engels worden gebruikt. De kans is groot dat vele vakdocenten niet eens van het bestaan van deze bundel op de hoogte zijn. Moeten wij hiervoor misschien niet de hand in eigen boezem (Arlette Codfried maakte ervan:…in eigen bobi) steken? Aan de andere kant weet Alphons Levens te vertellen dat een bibjuf van een middelbare school Considerations niet bij hem wilde kopen voor de schoolbib, omdat een paar docenten haar dit hadden afgeraden. Het zou erg interessant zijn om na te gaan op grond van welke criteria dit advies is gegeven. Ook zou het verhelderend kunnen werken om na te gaan hoeveel titels van Surinaamse schrijvers en dichters in de schoolbibliotheken  (tegenwoordig is het mode om van mediatheken te spreken, misschien omdat er een computer in de ruimte staat en een paar plaatjes aan de muur hangen en waarbij de het boek en de leesbevordering vaak niet meer centraal staan) te vinden zijn en langs welke lijnen en op grond van welke criteria de inkoop geschiedt.

7a) Van juni 2011 biedt Anne-Marie (naast Sriefman taki, het reguliere radioprogramma van de Schrijversgroep ’77 via de SRS) op regelmatige basis onze eigen schrijvers en dichters een dankbaar podium in haar dichtbeluisterd programma op radio Apintie, waarlijk een lichtend voorbeeld voor presentatoren van andere media.

7b) Neus, H. (editor/samenst.), Diversity is power. Anthology of Poetry, Short Stories, Columns en Works of Art published to commemorate the 5th International Literature Festival Suriname.
1e dr. Paramaribo, Schrijversgroep ’77, 2007. 131 blz. Bevat kleurenfoto’s. Nagegaan mag worden of deze unieke literaire uitgave met prachtige kleurenfoto’s gebruikt wordt bij de literatuurlessen Engels op VOS-niveau. Gelukkig beginnen enkele VOJ-leerkrachten Engelse werken van Soecy Gummels op de literatuurlijsten toe te staan. Over het waarderen en uitdragen, ook binnen de Caricom, van de eigen cultuuruitingen gesproken… Waar is die gebleven?

8) Dido, EKM (editor), Diversity is Power. 1e dr. z.pl., Writers in Exchange, 2008. 300 blz.

9) Neus, H. (red.) en I. Krishnadath (samenst.), Zoveel zinnen zoveel talen; meertaligheid, bekeken vanuit de optiek van schrijvers, bijeen tijdens het confest WAN TRU POEWEMA NA WAN SKREKI SANI/TAAL EN LEVEN, 1-5 november 2010. 1e dr. Paramaribo, Schrijversgroep ’77, 2011. 58 blz. Bevat kleurenfoto’s. Het valt op dat gaandeweg de jaren steeds meer poëten (en ook schrijvers) van eigen bodem (ook) in het Engels publiceren, zoals Arlette Codfried, Jeffery Quartier, Soecy Gummels, Ismene Krishnadath, Karin Lachmising en Gianni Wip.

10) Het gedicht dat Rosemarie Maître die avond voordroeg, is op deze blogspot op 8 augustus 2012 geplaatst

11) S. Sombra [ps. van Stanley Slijngard]. Boskopuspikri Boodschappenspiegel; gedichten in het Sranan met Nederlandse vertaling. 1e dr. Paramaribo, Slijngard, 2009. 44 blz. Sombra vroeg zich tijdens de discussie af, waarom Surinaamse schrijvers en dichters niet vanwege het MINOV langs de scholen kunnen gaan om voor te dragen. Zij moeten dat op eigen initiatief doen, uit eigen zak bekostigen en op en neer lopen voor allerlei toestemmingsbriefjes. Hij noemde een hooggeplaatste MINOV-functionaris (nu gepensioneerd) die hem ronduit had gezegd het nut van poëzie als vak op de scholen niet in te zien.

donderdag 7 juni 2012

Gasbommen, lemmetjes en rijst zetten (2)

Nut en noodzaak van taalverbastering in de literatuur

door Karin Amatmoekrim


Clark begreep precies waar het wrong.

Kleine ingrepen, zoals het vervangen van Surinaamse uitdrukkingen voor de Nederlandse variant, zoals gasbom (voor gasfles), lemmetje (voor limoen) en het veelvuldig gebruikte zetten (voor plaatsen, neerleggen, opscheppen – ‘zet een beetje rijst voor me’), waren in essentie niet klein. Het was een statement; met het vervangen van Surinaams-Nederlandse taalelementen wordt gesuggereerd dat het een minderwaardige want afwijkende versie van onze taal is. Het Algemeen Beschaafd Nederlands geldt daarbij als ijkpunt, en dat wat ervan afwijkt behoeft correctie.
Dat Clark in deze discussie weinig wederhoor vond, ook niet altijd van mij, heeft te maken met de staat van de postkoloniale literatuur in Nederland, of je kan ook zeggen; het ontbreken van een doorontwikkelde postkoloniale literatuur in Nederland.

Vanavond zal ik uitleggen waarom het belangrijk is dat er een discours plaats vindt over deze bijzondere situatie in het Nederlandstalige gebied, en wat de bijdrage van Clark Accords oeuvre daaraan is.

Laat me eerst helder krijgen wat ik bedoel met een postkoloniale literatuur.

Het postkolonialisme is een stroming in de literatuur die zich verzet tegen het westerse kolonialisme en de overblijfselen daarvan. Daartoe breekt het de oude discussies af en vervangt deze door een meer pluriform systeem, waarbij er gezocht wordt naar alternatieve benaderingen. Een postkoloniale literatuurbenadering maakt zichtbaar hoe eurocentrisch de gangbare literaire opvattingen zijn, en dat er ongelijke krachten van culturele representatie werkzaam zijn. Het dwingt herkenning af van de meer complexe culturele en politieke grenzen waarbinnen de literatuur gevangen zit.

Anders gezegd; de postkoloniale literatuur biedt een ander beeld van de wereld die we kennen, of denken te kennen. Het is hetzelfde verhaal, verteld vanuit een ander perspectief. Bijvoorbeeld de geschiedenis van de kolonie, verteld vanuit het gezichtspunt van de gekoloniseerde.

De postkoloniale kritiek beslaat verschillende disciplines zoals de filosofie, economie, antropologie, sociologie, en dus ook de literatuurwetenschap. Het verbindende postkoloniale element zijn de thema’s en de onderwerpen. In de postkoloniale kritiek wordt allereerst de dominante, westerse benadering afgewezen. De machtsverhoudingen die hieruit voort zijn gekomen zorgen ervoor dat de zienswijze van de gekoloniseerde gemarginaliseerd wordt, en dat de eigen cultuur en identiteit als inferieur wordt gezien. Een postkoloniale kritiek heeft deels ten doel om dit in die mate te veranderen dat de eigen identiteit, de eigen culturele uitingen en kunstvormen niet langer als minderwaardig maar juist als verrijkend gezien worden.
Chinua Achebe
Nederland is uiteraard niet het enige westerse land met een koloniaal verleden. Maar terwijl de postkoloniale literatuur in bijvoorbeeld de Engelse en Franse taalgebieden al jarenlang onderwerp van discussie is, kraait er in Nederland zelden een haan naar. De Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe, bijvoorbeeld, verkocht van zijn debuut Things Fall Apart meer dan tien miljoen exemplaren en wordt gezien als een van de belangrijkste schrijvers ter wereld. In 1975 gooide hij hardhandig een knuppel in het hoenderhok toen hij Joseph Conrad, die geldt als een instituut in de Engelse literatuur, “a bloody racist” noemde. Achebe’s  essay  over Conrad is daarmee een van de beslissende momenten in de postkoloniale literatuurkritiek.

Beelden van slavernij en exotisme vormen het object van de postkoloniale cultuurkritiek

Een paar jaar later publiceerde de Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Saïd zijn beroemde boek over het Orientalisme, waarmee hij de westerse benadering van het Midden Oosten veroordeelde. Dat boek werd een van de meest invloedrijke werken in het postkolonialisme. Kritiek op Saïd kwam er in de vorm van de Indiase literatuurwetenschapper Homi Bhaba, die stelde dat er geen sprake is van vaststaande stereotiepen, zoals Saïd beschreef, maar juist van een constant spanningsveld tussen kolonisator en voormalig gekoloniseerde.

[vervolg, deel 3 klik hier]