Posts tonen met het label Paasman Bert. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paasman Bert. Alle posts tonen

zondag 13 april 2014

Ashetu in Indië

door Klaas de Groot


Onlangs verscheen bij uitgeverij Rubinstein in Amsterdam  een forse en mooi uitgevoerde bloemlezing: Album van de Indische poëzie. De samenstellers Bert Paasman en Peter van Zonneveld hebben daarin heel wat ‘Oost-Indische’ liedjes en gedichten bij elkaar gebracht en verdeeld over tien rubrieken. Gelukkig is ook Nederlandstalig Indonesisch werk opgenomen. De makers van al deze  verzen komen uit diverse windstreken, dat spreekt vanzelf.

Één van de auteurs komt zelfs uit West-Indië. Cola Debrot is aanwezig met het sonnet ‘Indisch meisje’, dat is vermoedelijk uit 1936. Debrot zelf bundelde het nooit. Oversteegen nam het wel op in deel 2 van het Verzameld werk.

Indisch meisje

Het innig beeld van haar mij bijgebleven
heeft zich vermengd met laatre werklijkheden.
Tot mijn geluk. Want anders was mijn heden
zeer vaal, o, niet zo glinsterend doorweven.

Ik immers ben geland op vele reden
waar eerst de palmen uit de verte wuiven.
Men ziet daarna de grote stofwolk stuiven
tussen de mensen, wrang en ontevreden.

Zij was zo jong. Zij had zulk lieve handen.
Zij kwam uit Padang en sprak van Indië
met de verschrikte ogen van een hinde
alsof zij in het ver groen land belandde
waar zij steeds mij, ook ik steeds haar beminde…
Dit land is, wreed verwoest, niet meer te vinden.

De samenstellers van de bloemlezing hebben dit gedicht in de tiende rubriek ‘Waar is mijn lief Batavia gebleven?’ ondergebracht. Zij hadden het net zo goed in de zesde rubriek kunnen plaatsen. Die behelst het materiaal over ‘Liefde, erotiek en seks’. Oversteegen schrijft namelijk in het eerst deel van zijn biografie  over Debrot dat het gedicht is geënt op een Nijmeegse jeugdliefde. Het meisje moet Amy geheten hebben.

Het mooie van bloemlezingen is dat iedere lezer altijd nog wel iets weet dat er ‘gemakkelijk’ bij gekund had. Paasman en Van Zonneveld  vragen gelukkig  ook expliciet in hun ‘Woord vooraf’ om aanvullingen. Een passend gedicht lijkt mij ‘Baleh-baleh’ van Bernardo Ashetu, ook een West-Indisch dichter.  Een groot dichter, maar helaas: verborgenheid kleeft hem aan. Het vers staat in de bundel Yanacuna van 1962. Een bundel die onder redactie van Cola Debrot verscheen in de reeks Antilliaanse Cahiers.


Baleh-baleh

Och, dat ik rijk ware
dat ik water had
en land
en wolken,
dat ik rijk ware
en de macht had
om zon en duister,
bloed en adem
te zetten naar mijn wil –
Och, dat ik rijk ware
en het beter had
alleen maar om lang te rusten
om lang en zoet en lang
te rusten een baleh-baleh
met klamboe van rode zijde

Dit gedicht past niet alleen vanwege de titel in het Album, maar vooral ook omdat Ashetu werkt met een wending van Multatuli. In diens Max Havelaar staat de bekende parabel ‘De Japanse steenhouwer’ met daarin de volgende zinnen:
‘Hij zuchtte omdat zijn arbeid zwaar was, en hij riep: och dat ik rijk ware om te rusten op eene “baleh-baleh” met “klamboe” van roode zijde.
En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: U zij gelijk gij gezegd hebt.
En hij was rijk. En hij rustte op eene baleh-baleh en de klamboe was van roode zijde’.
(Geciteerd naar de editie van Stuiveling, Amsterdam 1966 / 7, Van Oorschot).


De verbeelding van Ashetu zal misschien wel aangestoken zijn door één van zijn lievelingswoorden: rood. Maar is meer. De ik in het gedicht van Ashetu wil meer hebben dan de steenhouwer, voordat hij rust neemt. Opvallend is dat in het gedicht niet staat ‘rusten op een baleh-baleh’. Zoals Multatuli wel schrijft, en wat in de context past . Misschien zit daar het idee achter dat bij Ashetu de ik ook de rustplek wil zijn en de rust zelf, niet alleen de rustzoeker. Dus  alles wil. Waarmee Ashetu Multatuli naar zich toe haalt en hem gebruikt om de eigen stem te laten horen. Het geeft niet onder welke palmen, Surinaamse of Indische.

zaterdag 12 april 2014

Ellen Ombres Wie goed bedoelt en andere reisverslagen

door Jerry Dewnarain

De Surinaamse auteur Ellen Ombre (Paramaribo, 1948) heeft de verhalenbundels Maalstroom (1992), Vrouwvreemd (1994) en Valse Verlangens (2000) geschreven. In 1996 schreef zij een autobiografisch reisverslag Wie goed bedoelt (2de uitgebreide druk 2007) en in 2004 verscheen haar debuutroman Negerjood in moederland. In het oeuvre van Ombre staan centraal de verlangens en teleurstellingen van migranten in Nederland. Maar een ander belangrijk thema is ook zelfbeeld. Haar autobiografisch boek Wie goed bedoelt vind ik Ombres mooiste boek. Het is een reisverslag en hiervoor heeft ze ook nog wat onderzoek gedaan. Het verhaal wordt onderbroken door lange flashbacks en literatuurverwijzingen die ook hun nut hebben. Ze gebruikt verschillende stijlen en daarom is het voor mij een reisverslag. Door haar manier van verslag doen, goed gedocumenteerd, krachtig van observatie, en opgesmukt met een veelheid aan ontluisterende details weet Ellen Ombre de lezer veel duidelijk te maken omtrent haarzelf. Ze voert de lezer mee naar een zeereis op een vrachtschip met alleen maar mannen. Als sterke en zelfbewuste vrouw bereikt ze haar bestemming: Benin.
Ombre kent het gebied van een vorige keer. Ze verbleef er enkele maanden tijdens haar bezoek aan een bevriende Nederlandse arts die zich daar tijdelijk samen met haar man had gevestigd. Ombre veegt de vloer aan met tal van even goedbedoelde als mislukte ontwikkelingsprojecten, analyseert de moeizame verhoudingen tussen Afrikanen en westerse hulpverleners, toont de treurigheid van zwarte Amerikanen op zoek naar hun Afrikaanse roots en beschrijft - mede aan de hand van herinneringen aan haar jeugd in Suriname - een deel van haar eigen (familie)geschiedenis.

Voodoo-danser in trance in Quidah, Benin. Foto © Kwekudee


In totaal was Ombre drie maanden weg. Eerst tien dagen op zee. De reis per schip ervoer ze als heel prettig. Ze kon zich langzaam voorbereiden op waar ze heen ging. Bovendien werd ze verzorgd; de maaltijden kreeg ze op tijd en dat voortdurende heen en weer wiegen was voor haar heel behaaglijk. ‘Het is alsof je niet gek bent en toch bent opgenomen in een rusthuis. Ik was de enige passagier op een groot vrachtschip. Daardoor kon ik redelijk anoniem blijven, want de andere mensen aan boord moesten gewoon hun werk doen en dat geeft een enorme afstand, die ik overigens zeer waardeer. Als passagier kun je bijvoorbeeld samen met de officieren eten, maar ik wilde dat niet. Ik vind gezamenlijk eten nogal intiem, het ligt heel dicht bij andere vormen van intimiteit en dat wilde ik vermijden. Die boot bleek volgeladen met allerlei rotzooi. Oude auto's, oude computers tot en met koelkasten die vol zaten met cfk’s. Ik had weleens horen mompelen dat Afrika de chemische dumpplaats van Europa was, maar ik had niet verwacht daar zo direct mee geconfronteerd te worden. Dat ik in Benin en dus aan de Slavenkust terechtkwam, was echt toeval. Als die kennis van mij die ik jaren geleden heb opgezocht niet naar Benin maar naar Kenya was uitgezonden, was ik waarschijnlijk daarheen gegaan’, vertelt Ombre aan verslaggever Marja Vuijsje in april 1996. (http://www.opzij.nl)

Voodoo-markt Abomey, Benin. Foto © Kwekudee

Wat Ombre in eerste instantie bezighield was ontwikkelingssamenwerking. Ze was geboeid door het feit dat er al zolang Nederlandse hulpverleners naar Benin gingen. In een voorlichtingsboekje las zij dat er een directe relatie was tussen die ontwikkelingshulp en het feit dat Benin na de treinkapingen in de jaren zeventig een aantal Molukse nationalisten had opgenomen. Dus wilde zij onderzoeken wat er van die hulp terechtkwam. Maar deze interesse kwam ook vanwege Suriname natuurlijk. Hier maakte ze zelf mee hoe een land van het ene vijfjarenplan naar het volgende tienjarenplan voortsukkelde. Haar bezoek aan Quidah was dus niet zozeer bedoeld de plek te zien waar vandaan misschien ook een aantal van haar voorouders naar Suriname werd gebracht.

Reisverslagen zijn sinds de koloniale expedities en ontdekkingsreizen in de zestiende eeuw onlosmakelijk verbonden met een autobiografische ik-verteller die zich op onbekend terrein begeeft. Deze ik-verteller en hoofdpersoon is heldhaftig en avontuurlijk en de hoofdpersoon krijgt als het ware ‘mannelijke’ eigenschappen. De onbekende oorden waarheen gereisd wordt, worden vaak beschreven als van verlangen in klassiek vrouwelijke termen zoals schoonheid. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben feministische literatuurwetenschappers in Amerika en in Engeland een groot aantal reisteksten met vrouwelijke ik-verteller/reiziger belicht. Vergeten negentiende-eeuwse reisteksten van vrouwen werden herontdekt en uitgegeven. Voor Suriname is bijvoorbeeld belangrijk het reisverslag van Elisabeth van der Woude (1657-1698). In haar Memorije van ’t geen bij mijn tijt is voorgevallen beschreef Elisabeth van der Woude haar reis naar Guyana, de Wilde Kust, in 1676 en 1677. Als 19-jarige verliet zij het vaderland om samen met haar vader, broer, zus en honderden anderen een kolonie te stichten aan de rivier de Oyapoc in het huidige Frans-Guyana. Een expeditie die al snel op een mislukking uitliep. Een half jaar na aankomst keerde Elisabeth alweer terug in haar geboortedorp Nieuwe Niedorp. Haar vader en zus waren overleden, haar broer was achtergebleven in de West. Zelf werd Elisabeth op haar thuisreis enige tijd gevangen gehouden door de beruchte Duinkerkse kaperkapitein Jean Bart. Het opmerkelijke en intrigerende verslag is onderdeel van een kroniek die zeventig jaar beslaat. In een boekje in zakformaat beschreef Elisabeth van der Woude familieaangelegenheden, plaatselijk nieuws, maar ook (inter)nationale gebeurtenissen.

Kim Isolde Muller studeerde af op de Memorije van Elisabeth van der Woude. Haar speurtocht naar de historische context leverde interessante informatie op. Niet alleen Elisabeth en haar familie kregen zo meer gestalte, ook over de reis naar Guyana werd bijzonder materiaal gevonden wat voor Surinaamse literatuurwetenschappers en historici heel belangrijk kan zijn. (http://www.dbnl.org)
Gravure uit Posts Reinhart

Een ander voorbeeld van een bijzonder reisverslag is van Maria Elisabeth Post (1755-1812). Zij schreef onder andere De negerslaaf als goede wilde en Reinhart, of natuur en godsdienst.
Reinhart of natuur en godsdienst (Amsterdam, 1791-92), een roman, is gedeeltelijk een bestrijding van de slavernij, gedeeltelijk echter ook een verdediging van de goede slavenmeester. In het levensverhaal van Violet, de eerste slaaf van haar held Reinhart, treffen wij het klassieke beeld van de goede wilde aan. De roman Reinhart werd geschreven naar aanleiding van het verblijf van haar broer H.H. Post in Guiana. Hij bezat waarschijnlijk een plantage in Demerara. (Zie H.D. Benjamins, ‘Oude verdichte verhalen over Guiana’, in de ‘West-Indische Gids’, jrg. VII (1925/26), pp. 17-30, [en zie potverdrie vooral het proefschrift van Bert Paasman – red. CU].) Reinhart beschrijft met afschuw de slavenhandel en slavernij op de plantage, tijdens een reis in het binnenland geeft hij nauwgezet het leven van de Indianen weer, enigszins geïdealiseerd in de geest van de goede-wilde-traditie. Opvallend is het hoe de woeste, tropische natuur en het landschap, met flora en fauna, tot leven gewekt wordt. Vanuit haar stad Arnhem vertoefde de auteur in haar verbeelding in het moerassige Wildekustgebied, de savannen en de door de rivieren doorsneden oerwouden - haar geheel onbekend.

De verhalen van ontdekkingsreizigers en missionarissen wekten grote beroering onder de Europese geleerden. Daarin werd verhaald van onbeschaafde, heidense wilden, die een veel gelukkiger leven leidden dan de beschaafde, christelijke Europeaan. Men trok in de 18de eeuw de voor de hand liggende conclusie: de beschaving is de bron van alle kwaad, retournons à la nature. Dit bracht grote veranderingen in leven en streven van het 18de-eeuwse Europa. Ook in de literatuur: de belangstelling der schrijvers werd gericht op de primitieve mens in het tropische decor. Eerst vooral op de Indianen. Langzamerhand was het onvermijdelijk, dat ook de neger en dus de negerslaaf deel kreeg aan de Europese mythe van de goede wilde. Een vroeg voorbeeld is de bekende 17de-eeuwse roman van Aphra Behn: Oroonoko, or The royal slave, waarin de held een Surinaamse slaaf is. Het spreekt vanzelf dat men moeilijk in de slavernij kan blijven geloven, wanneer de slaaf als goede wilde (als voorbeeld voor de verdorven Europeaan) beschouwd wordt. Dit verhaal vormt dan ook tevens een kroniek van de vroegste geschriften tegen de slavernij.

zaterdag 15 maart 2014

Album van de Indische poëzie


= GEEN KAARTEN MEER BESCHIKBAAR =

Over Indië zijn in de loop der eeuwen vele honderden gedichten geschreven. Van matrozenliedjes uit de VOC-tijd tot cabaretteksten van Diederik van Vleuten en light verse van Drs. P. Van gecanoniseerde literatuur tot kindergedichten. Alle grote Nederlandse dichters schreven over Indië: van Vondel en Bilderdijk tot Slauerhoff en Lucebert. De genres lopen uiteen van plechtige lofdichten tot smartlappen.

Op 16 maart is er een feestelijke presentatie van deze bundel met een aantal prominente gasten, onder wie Willem Nijholt, Ernst Jansz, Wieteke van Dort, Marion Bloem, Piet Schreuders (vormgever van het album) en Patty Scholten. Aafke de Jong zal Indische dansen uitvoeren op twee gedichten van Han Resink. Peter Zonneveld presenteert de middag.
Bert Paasman

Organisatie in samenwerking met Uitgeverij Rubinstein
Zondag 16 maart 2014, 15 uur, Theater van ’t Woord, OBA, Amsterdam 

Toegang gratis,


zondag 6 oktober 2013

Try-out De man van veel van Karin Amatmoekrim

door Stuart Rahan

Paramaribo - De officiële presentatie is pas op 19 oktober in Hotel Torarica maar donderdag werd alvast het eerste exemplaar uitgereikt van het nieuwste boek van Karin Amatmoekrim, De man van veel. Uitgever Mai Spijkers van Prometheus noemde het een try-out voorafgaande aan een grootse presentatie in Paramaribo.


De met lof sprekende [bedoeld is: lofprijzende - red.] emeritus hoogleraar Bert Paasman (r) kreeg het eerste exemplaar van de vijfde roman De man van veel van Karin Amatmoekrim (l) uitgereikt. De kinderen Soemi en Lee waren haar getuigen. Foto: Stuart Rahan.

Emeritus hoogleraar Bert Paasman, die volgens Karin Amatmoekrim haar de liefde voor het schrijven aanwakkerde, kreeg het eerste exemplaar uitgereikt. "Hij heeft niet alleen de liefde voor het vak aangewakkerd, maar was ook degene die meer dan wie dan ook mij heeft doordrongen van de nuances die naast elkaar kunnen bestaan in de literatuur. De verschillen in perceptie en het gegeven dat er niet één waarheid is en dat er niet zoiets bestaat als een absolute kraakheldere blik", roemde de schrijfster haar gewezen professor.

Autoriteiten aanspreken

De man van veel gaat over de Surinaamse verzetsheld Anton de Kom die kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog tijdelijk gedwongen wordt opgenomen in een Haags gesticht. Het is een periode uit zijn leven waar behalve de tijdelijke opname verder niks over bekend is. Vanaf dat moment kruipt Amatmoekrim in de psyche van Anton de Kom met dit nieuwe boek en haar vijfde roman als resultaat. Bert Paasman mocht meelezen maar hield er na een paar pagina's mee op. "Ik werd gegrepen door de scène aan de voordeur en gezogen in het verhaal. Toen zei ik: stop. Dit boek is te goed om van het scherm af te lezen. Ik wacht hier op", zwaaiend met het resultaat van zijn geduld. In zijn dankwoord deed Paasman ook een beroep op de in zijn ogen 'piepjonge schrijver' om bij de aanstaande presentatie in Suriname een beroep te doen de autoriteiten om iets te doen aan het bijna ingestorte huis waarin Anton de Kom bijna een maand verbleef. De Kom werd door het toenmalige koninkrijksgezag gevangen gezet en daarna uit zijn geboorteland verbannen. "Dat huis is een ruïne en dat past niet", vindt Paasman.

Naakt
Karin Amatmoekrim

Paasman was ook de enige professor die Karin Amatmoekrim aan het huilen bracht in de collegezaal. De schrijfster vertelt daarover. "Literatuur is doordrongen van geschiedenis. Het is veel dieper en veel gelaagder dan we doorgaans beseffen. Slavernijgeschiedenis, ontworteling, emancipatiestrijd van Surinamers is nog te vers en te jong. Generaties nu en na mij dragen het nog steeds met zich mee. De geschiedenis leeft in ons. Om dat te horen uit de mond van een blanke man in het huis van de wetenschap, dat was een openbaring. Het was alsof ik daar naakt was in de collegezaal en het leek alsof iedereen kon zien waar mijn kwetsbaarheid zat. Een ervaring van waarheid, schoonheid en groei die ik nooit zal vergeten." Daarop hoopte Bert Paasman dat de verhalen uit haar eerste jaar uit de as van de open haard zullen verrijzen. "Karin is goed. Genadeloos goed. Zij kan helder, sterk en scherp formuleren en dat hebben wij gezien in Het Gym." Van Het Gym, dat twee jaar geleden verscheen, zijn al tienduizend exemplaren verkocht.


[uit de Ware Tijd, 05/10/2013]

vrijdag 4 oktober 2013

Een boekopdracht van Karin Amatmoekrim


Gistermiddag werd bij uitgeverij Prometheus, Keizersgracht 540 in Amsterdam, de nieuwe roman van Karin Amatmoekrim, De man van veel, ten doop gehouden. Uitgever Mai Spijkers voerde het woord, Anton de Kom - kleinzoon van Anton de Kom over wie de roman gaat - las een lang gedicht voor en prof. Bert Paasman, Karins oude leermeester, kreeg het eerste exemplaar aangeboden. En toen was het signeren. Hierboven is te zien wat Karin Amatmoekrim schreef in het exemplaar voor de vriend van haar klein zusje.

Op zaterdag 19 oktober wordt het boek gepresenteerd in hotel Torarica in Paramaribo.

zaterdag 21 september 2013

De toekomst van de studie van de (post)koloniale Nederlandse literatuur

Aan de Universiteit van Amsterdam vond op vrijdagmiddag 20 september 2013 een debatbijenkomst plaats, georganiseerd door de hoogleraren Thomas Vaessens en Michiel van Kempen, over de toekomst van de studie van de (post)koloniale literatuurstudie in Nederland. Wetenschappers van verschillende universiteiten bogen zich over vragen naar de status en richting van dit veld van literatuurwetenschap. Hieronder de inleiding die Michiel van Kempen gaf ter opening van de bijeenkomst.

door Michiel van Kempen
Michiel van Kempen en Adriaan van Dis

Het veld van de studie van de postkoloniale literatuur van Nederland is enorm in beweging. Het lijkt alsof er een wisseling van de wacht gaande is. Academici die zich bezig hielden met (post)koloniale literatuur concentreerden zich 25 jaar geleden voornamelijk rond de Werkgroep Indische Letteren.  Vooral in Leiden werd de Oost een speerpunt van onderzoek, terwijl aan de UvA na het terugtreden van Bert Paasman in 2004 een bijzondere leerstoel voor de Indische letteren werd gecreëerd. Aandacht voor de West was veel minder breed en kwam er pas later met de Werkgroep Caraïbische Letteren en een leerstoel in Amsterdam vanaf 2006. De studie van de Zuid-Afrikaanse literatuur, vroeger gedoceerd aan verschillende universiteiten, concentreert zich in recente jaren enkel nog rond de bijzondere leerstoel Afrikaans aan de UvA.

De Indische Letteren hebben altijd een breed publiek aan zich weten te verbinden, maar dat publiek is sterk vergrijzend, en de academici van 25 jaar geleden maken plaats voor een jongere generatie (de bestaande universitaire posten lijken overigens snel te verdwijnen). Met die verandering van de wacht, lijkt zich ook een paradigmaverschuiving voor te doen. De academici rond Indische Letteren waren de mensen van de literatuurgeschiedenis van de realia, van de smakelijke, anekdotische literatuurgeschiedenis, verpakt in goed vertelde verhalen. Dat was ook wat hen altijd verbond met een breed publiek. De expansie van de – vooral Angelsaksische, in mindere mate Francofone – postkoloniale literatuurwetenschap lijkt aan deze generatie geheel voorbij te zijn gegaan.

Een nieuwe generatie literatuurwetenschappers heeft wel weet van die postkoloniale literatuurwetenschap, en maakt (mogelijk vanuit die wetenschap aangestuurd) andere keuzes dan die van de traditionele literatuurgeschiedenis en tekstanalyse. Zij zoekt nadrukkelijk de raakvlakken op met cultural studies, plaatst literaire verschijnselen in een sterk cultuurhistorische context, in een discours-analytisch denkkader of analyseert met middelen die zijn aangereikt door de mediastudies, of vanuit gender- en diversiteitsperspectief.

Bij mijn weten bestaat er op dit moment enkel aan de Open Universiteit  een masterprogramma over koloniale cultuur en literatuur; er zijn daar ook plannen om postkoloniale studies nog meer te integreren in het interdiscplinaire onderwijs- en onderzoeksprogramma van de faculteit Cultuurwetenschappen.

In Utrecht is er een Postcolonial Studies Initiative. Dat is geen onderzoeksinstituut maar samenwerkingsverband van onderzoekers van zeer divers pluimage en geaffilieerd met universiteiten in binnen- en buitenland. Van de circa 40 aangesloten onderzoekers vermelden er 4 dat zij ook bezig zijn met Nederlandse postkoloniale literatuur. De Universiteit Utrecht kent ook een Engelstalige minor Postcolonial Studies waar studenten worden ingewijd in de theoretische en methodogische  aspecten van postcolonial studies.

Leiden heeft een Platform for Postcolonial Readings (Isabel Hoving, Sarah de Mul), dat enigszins met dat van Utrecht te vergelijken is, zij het dat het veel bescheidener is naar omvang.

Het KITLV kent een jaarlijkse brede multidisciplinaire cursus Caraïbistiek; één college daarvan is gewijd aan Caraïbische literatuur.

In Antwerpen is er The Postcolonial Literatures Research Group at the University of Antwerp, maar richt zich sterk tot de literatuur die in verband staat met de Franstalige koloniën.



Enkele uitgangspunten

Dit overziende wil ik graag met u nadenken over enkele uitgangspunten die ik hier bij wijze van aanzetten tot discussie formuleer over wat de Nederlandse (post)koloniale literatuurstudie zou moeten of zou kunnen inhouden.

Belangrijkste uitgangspunt zal moeten zijn dat de postkoloniale literatuurstudie haar terrein duidelijk afbakent en een unieke plek opeist. De literatuur van Oost, West en Zuid is breed en complex naar te bestuderen tijd, talen en culturen, en heeft een onuitwisbaar stempel gedrukt op de Nederlandse literatuurgeschiedenis met belangwekkende auteurs als Multatuli, Daum, Couperus, Dermout, Helman, Debrot, Haasse, Van Dis, Cairo, Roemer, Ramdas. Het gaat allerminst om een quantité négligeable, maar om een corpus auteurs en teksten dat vanuit de neerlandistiek gespecialiseerde aandacht verdient, al was het alleen maar omdat die literatuur ook een belangrijke doorwerking heeft in de multiculturele literatuur van het Nederland van nu. De studie van de postkoloniale literaturen van Nederland zal zich duidelijk moeten realiseren dat zij niet de overlap zal moeten maken met het veld van andere disciplines waarmee zij wel raakvlakken heeft. Niemand zit te wachten op neerlandici die de literatuur geschreven in het Frans, Engels, Spaans enz. analyseren (tenzij vanuit comparatistisch oogpunt). Niemand wacht erop tot neerlandici zich begeven op het terrein van de Black Studies, de global studies, van de Angelsaksische postcolonial criticism, van de slavernijstudie zoals die door historici aan verschillende universiteiten nu aandacht krijgt, van de antropologische verhaalanalyse. Wel zal zij met al deze disciplines voeling moeten houden, en ook het multidisciplinaire onderzoek mee vorm moeten geven. Goede samenwerking met universiteiten elders in de wereld en vooral ook met instellingen in de voormalige Nederlandse koloniën kan de positie van het vakgebied alleen maar versterken.
Karin Amatmoekrim en Hafid Bouazza

Een ander uitgangspunt is dat de postkoloniale Nederlandse literatuurwetenschap niet gaat in de richting van wat in de voormalige koloniën zelf prioriteit heeft of verdient:  de wording van de nationale literaturen, maar dat zij de focus legt op die verschijnselen die een directe band met Nederland hebben, en die ook een zekere mate van urgentie hebben voor de multiculturele samenleving van dit moment. Vanzelfsprekend behoort de wijze waarop de Nederlandse samenleving in beeld komt bij tweede en derde generatie Indische, Surinaamse en Antilliaanse auteurs (Marion Bloem, Alfred Birney, Ellen Ombre, Karin Amatmoekrim) tot het aandachtsveld. En natuurlijk zal er ook aandacht moeten zijn voor die andere culturen van de multiculturele samenleving die niet direct gelieerd zijn aan de voormalige koloniën: die van schrijvers met een link naar de Marokkaanse wereld (Benali, Bouazza, Stitou, Boudou, El Bezaz,  Laroui, Benzakour) en die van auteurs met wortels in andere landen als Kader Abdolah, Yasmine Allas, Özkan Akyol enz.). Tenslotte zal de verbeelding van de multiculturele samenleving door witte schrijvers als Joost Zwagerman, Robert Vuijsje, Stephan Sanders, Diederik Samwel evenzeer interessant zijn vanuit postkoloniaal perspectief; die andere framing zal onvermijdelijk waardevolle nieuwe interpretaties van hun werk opleveren.

Literatuurwetenschappers bijeen in Berkeley, California, september 2011


Te bediscussiëren kwesties

Vanuit deze ideeën zouden onze gedachten moeten gaan over een aantal kwesties
Inhoudelijk
-          Hoe kan de postkoloniale literatuurwetenschap haar bestaansrecht bewijzen en vanuit welk paradigma of welke paradigmata kan daar het beste invulling aan worden gegeven, zonder te vervallen in het eindeloze methodenpluralisme waarin de postcolonial studies zijn terechtgekomen? Hoe wordt het veld afgebakend? Wat is er Nederlands aan die neerlandistiek? In welke mate heeft de inmiddels al traditioneel geworden (structurele) tekstanalyse daarin (nog) een plaats? En in hoeverre blijven de traditionele geografische grenzen intact, of kunnen die/moeten die geïncorporeerd worden binnen een groter verband.
De drie Amsterdamse bijzonder hoogleraren
 postkoloniale literatuurwetenschap bijeen op
 Curaçao, waar gewerkt werd aan de opzet
 van een Masters Literatuurwetenschap aan de UNA,
 januari 2009. V.l.n.r. Pamela Pattynama,
 Ena Jansen en Michiel van Kempen 

Inbedding
-          Hoe kunnen vanuit een stevig theoretisch fundament researchresultaten zo worden gepubliceerd dat zij een redelijke mate van publieksvriendelijkheid behouden, en zo ook een ruim publiek betrekken bij het vak? Bij welke gremia van de samenleving  moet de postkoloniale literatuurstudie allereerst aansluiting zoeken? Wat kunnen die gremia betekenen voor het maatschappelijke en universitaire draagvlak van het vak? Hoe kan het beste worden ingegaan tegen de tendens van afbraak van postkoloniale instellingen als gevolg van de bezuinigingen van de laatste jaren (Moluks Museum, KIT, KITLV, NiNsee, MC Theater enz.)?

Internationale inbedding
-          Hoe kunnen er structurele verbanden gelegd worden met onderzoeksinstellingen in de voormalige koloniën (Indonesië, Suriname, de voormalige Antillen, Zuid-Afrika)? Hoe kan die internationale samenwerking en uitwisseling het best gestalte krijgen?

Institutionele vormgeving

-          Wat is nu de beste institutionele omgeving waarbinnen de postkoloniale literatuurstudie kan floreren? Moet er een paraplu gecreëerd worden die de verschillende deelvelden overhuift? Moet dat dan een gewoon hoogleraarschap zijn of een andere vorm krijgen? Is een gewoon hoogleraarschap haalbaar, hoe ligt dit politiek in de academische wereld, en waar kan het  draagvlak daarvoor (ook materieel) met de meeste kans van slagen gevonden worden?

vrijdag 31 mei 2013

Kraspoekol – aanklacht tegen slavernij in Oost-Indië

Dirk van Hogendorp

Indië was amper een kolonie, of ze liet zich gelden in het Haagse literaire leven. Op 20 maart 1801 ging Kraspoekol in première in de schouwburg, geschreven door Dirk van Hogendorp, voormalig resident in Indië en oudere broer van Gijsbert Karel die zo’n belangrijke rol zou spelen bij het ontstaan van het Koninkrijk in 1813.
Het stuk is gebaseerd op de novelle uit 1780 door zijn vader Willem van Hogendorp, Kraspoekol, of de droevige gevolgen van eene te verregaande strengheid jegens de Slaaven. Het klaagt de slavernij aan, die op dat moment nog in Indië bestond. De opvoering werd verstoord, maar de tekst van het stuk was in Den Haag een groot verkoopsucces.

Op verzoek van Stichting Tong Tong zal Bert Paasman op zondag 2 juni in het Haags Historisch Museum meer vertellen over Dirk van Hogendorp en Kraspoekol. Paasman is emeritus hoogleraar Koloniale en Postkoloniale Cultuur- en Literatuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In het museum is dan de tentoonstellingIndië in Den Haag, een eeuwenoude band te bezoeken.

zaterdag 25 mei 2013

Waar blijft een monument ter nagedachtenis aan de slavernij in Oost-Indië?


door Tanja Fraai
Bert Paasman. Foto © Lilian van de Kamp

Tijdens de Tong Tong Fair, beter bekend als de Haagse Pasar Malam, vraagt Bert Paasman  aandacht voor de afschaffing van de slavernij in ander perspectief. Nu eens niet met ‘De West’ als centrum waar de slavernij plaatsvond, maar ‘De Oost’; Oost-Indië. Paasman is emeritus hoogleraar koloniale en postkoloniale Cultuur- en Literatuurgeschiedenis (UVA) en kent beide werelden goed..

150 jaar
Waarom was er in 2010, toen de slavernij in Oost-Indië precies 150 jaar geleden werd afgeschaft geen aandacht voor dit feit, vraagt Paasman zich af. Vooral omdat er dit uitgebreid stil gestaan wordt bij 1863, het jaar dat de slavernij in Suriname en de voormalige Antillen werd afgeschaft.
Mardijkers, vrijgemaakte slaven in Oost-Indië, afbeelding uit 1704

Aantal
Slavernij was er wel degelijk en zelfs op dezelfde schaal als in West-indië; er werden zo’n 600.000 mensen slaaf gemaakt in Oost-Indië. Vanuit India, Ceylon, Bali, Celebes (het huidige Sulawesi) werden de slaven vervoerd naar Java. “Dat waren vaak minder zeewaardige schepen, mensen stierven aan boord.”  illustreert Paasman.

Huisslaven
Anders dan in de West waren er vrijwel geen plantages dus ook geen plantageslaven die zwaar werk in de brandende zon moesten doen. De Oost-Indische slaaf was een huis-tuin-en keukenslaaf die op het erf aan het werk werd gezet. “Eigenlijk de voorloper van de baboe en de kokki dus het huispersoneel,” voegt Paasman toe. Bij aanleg van steden en forten en in de havens van de VOC verrichtten de slaven echter wel degelijk zware lichamelijk arbeid.

Verhoudingen
Relaties tussen witte mannen en donkere slavinnen kwamen veelvuldig voor en werden geaccepteerd. De slavinnen moesten Nederlands leren en Protestant worden als ze gingen trouwen. Omgekeerd was een verhouding tussen een witte vrouw en een donkere slaaf uit den boze. Voor de slaaf in kwestie restte de doodstraf als de relatie aan het licht kwam.

Aandacht
Paasman besluit zijn lezing met een antwoord op de vraag waarom er zoveel minder aandacht is voor die slavernij in de Oost. Om te beginnen is er veel minder onderzoek naar gedaan dan in het West-Indisch gebied. Ook is de oude slavenbevolking geassimileerd met de Indonesische bevolking; nazaten zijn dus nauwelijks meer aan hun uiterlijk herkenbaar. Een derde reden is het ontbreken van wat Paasman noemt pressure groups  dus afstammelingen van nazaten die aandacht vragen.

De lezing werd gehouden op donderdag 23 mei 2013 op de Tong Tong Fair in Den Haag.

woensdag 26 september 2012

Promovendi Surinamistiek & Antilleanistiek bijeen

De Vereniging Ons Suriname bood gastvrijheid tijdens het vijfde promovendiweekend van de leerstoel West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam, op zaterdag 22 en zondag 23 september j.l. Uit alle windstreken waren de promovendi weer bij elkaar gekomen om op zaterdag te luisteren naar PHD-colleges van specialisten op terreinen die voor de post-koloniale literatuur van belang zijn. Op zondag kwamen de promovendi zelf met publieke presentaties. Daarvan hierboven een verslag. Hier een foto-impressie van de besloten bijeenkomst op zaterdag door Michiel van Kempen.

Hersenkraken: Carl Haarnack

In de schaduw op een zonnige zaterdag

V.l.n.r. Ellen de Vriies, Maarten De Pourcq, Joe Fortin, Jos de Roo, Anja en Paul Hollanders

Prof. Ieme van der Poel (UvA) sprak over waarom "creolisering" niet geldt voor Noord-Afrika

Diner in restaurant De Ponteneur

Dr Maarten de Pourcq (RUNijmegen) sprak over intertekstualiteit

Jos de Roo en Mieke Groen naast hun promotor prof. Michiel van Kempen

Radjin Gena en Bert Paasman in gesprek met Mieke Groen

Prof. Susan Legêne (Vrije Universiteit) sprak over gematerialiseerde geschiedenis

Prof. em. Bert Paasman (UvA) hield de slotrede over zijn onderzoek in Guyana naar Elisabeth Maria Post. Tim de Wolf luistert.

donderdag 9 februari 2012

Het pijnlijke Nederlandse slavernijdebat, nu en toen

Lezing door Bert Paasman in het KIT

De activiteiten van nakomelingen van Surinaamse en Antilliaanse slaven hebben de discussie over de Nederlandse rol in slavenhandel en slavernij volop in de publieke belangstelling geplaatst. In 2013 is het 150 jaar geleden dat de slavernij in de West-Indische koloniën werd afgeschaft. Heeft Nederland een slecht geweten en een ereschuld? Waarom is het huidige debat zo uitzichtloos en hoe kan daar verandering in komen?

Bert Paasman stelt, na een inleiding over het Nederlands aandeel in slavernij en slavenhandel, dit slavernijdiscours in heden en verleden aan de orde, probeert misverstanden recht te zetten, taboes aan te snijden en gaat de discussie aan met het publiek.


Illustratie uit: Voyage à Surinam van P.J. Benoit, 1839.


Programma
16.30 uur Inloop met koffie & thee
17.00 uur Lezing door Bert Paasman
18.15 uur Einde en afsluiting met een drankje

Prof. dr. Bert Paasman is emeritus hoogleraar Koloniale en Postkoloniale Cultuur- en Literatuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde over de Verlichting, de Oost- en West-Indische letteren, over Nederlandstalige literatuur van Zuid-Afrika en over moderne migranten-literatuur. Zijn dissertatie was gewijd aan het Nederlandse slavernijdebat.

Datum en tijd: donderdag 15 maart 2012, aanvang lezing 17.00 uur
Locatie: Leeszaal KIT Bibliotheek, Mauritskade 63, Amsterdam
Toegang: € 7,50 (KIT-leden en studenten € 5,-)
Reserveren is noodzakelijk: Tel. (020) 568 8462 of via: library@kit.nl

dinsdag 18 oktober 2011

Biografie van Dobru onder grote belangstelling gepresenteerd

Links: Cynthia Abrahams en Noraly Beyer


door Chantal Cooper


Er was geen stoel meer vrij bij de presentatie van de biografie van dichter/schrijver/politicus Robin Raveles welke werd gehouden in de zaal van de Vereniging Ons Suriname op 25 september 2010. Op deze biografie promoveerde Cynthia Abrahams op 24 november 2010 aan de Universiteit van Amsterdam. Zij was hiermee de eerste Surinaamse letterkundige die aan een Nederlandse universiteit een proefschrift schreef over een Surinaams onderwerp. Abrahams was tevens de eerste die afstudeerde onder de bijzondere leerstoel West-Indische letteren. Promotor Michiel van Kempen was jammer genoeg verhinderd door zijn bijdrage aan 'The 2011 Berkeley Conference in Dutch Literature'. Onder de aanwezigen was wel co-promotor Bert Paasman. Ook de familie van de schrijver was goed vertegenwoordigd.


Thea Doelwijt en Cynthia Abrahams


De middag werd geopend met de vertoning van de dvd van het project Someni Tongo van beeldend kunstenaar Arnold Schalks. Onder drumbegeleiding zeiden 43 Surinamers uit alle bevolkingsgroepen het nationale gedicht ‘Wan bon’ op. Hierna volgde een interview dat Abrahams werd afgenomen door Noraly Beyer. De achtergrond was een gigantische poster van de omslag van het boek met daarop een portret van de dichter geschilderd door Erwin de Vries.
Het gesprek gaf inzicht in de tijd waarin Raveles opgroeide en zich ontwikkelde tot de persoon die hij was. Hoewel het interview langer duurde dan het programma aangaf, verslapte de aandacht van het publiek geen moment. Het interview werd gelardeerd met mooie beelden van Raveles, die o.a. de gedichten ‘Pina’ en ‘Ik wil geen strand zijn’ bracht. De zaal reageerde enthousiast op de authentieke beelden.

Kunstenaar Michael Wong Loi Sing schilderde voor deze boekpresentatie belangeloos het doek ‘Wan bon’ dat die middag werd geveild. De opbrengst is bestemd voor het bejaardenhuis Fatima-Oord in Paramaribo. Abrahams zal de opbrengst binnenkort aan de directie van Fatima-Oord overhandigen.

Het eerste exemplaar van de biografie werd overhandigd aan Dobru’s oudste dochter Rashida Natsja (afgeleid van nationalisme) Raveles, die haar emoties maar nauwelijks kon bedwingen. In haar dankwoord benadrukte zij dat het belangrijk was dat deze informatie nu was vastgelegd. Ook aan schrijfster Thea Doelwijt werd een exemplaar uitgereikt vanwege de rol die zij heeft gespeeld in het literaire leven van Suriname en haar nauwe samenwerking met Dobru in de literaire groep Moetete. Voorts werd aan Eva Essed en Prof. Bert Paasman een exemplaar aangeboden.

De middag werd vervolgd met een optreden van Denise Jannah die een gezongen versie van het gedicht ‘Wan bon’ bracht met gitaarbegeleiding door Benny Alwart. Deze versie had zij eerder vertolkt in o.a. het toneelstuk De tranen van Den Uijl van Hugo Pos. Het publiek werd aangemoedigd de koortjes mee te zingen. Samen met alle aanwezigen zong zij tot slot het bekende ‘Mi kondre tru’, waarbij zij versterking kreeg van Gerda Havertong, die vertelde dat zij van Dobru toestemming had gekregen deze versie van ‘Wan Bon’ ten gehore te brengen tijdens Carifesta 1976.

Er heerste een gemoedelijke sfeer tijdens het informeel samen zijn waarbij het publiek de mogelijkheid had een boek te laten signeren.

Foto's: @ Frank Consen en Janos Beyer

vrijdag 24 december 2010

De postkoloniale zwijnenstal


In NOS-Eén Vandaag van 23 december 2010 beklaagde emeritus hoogleraar koloniale en postkoloniale literatuur Bert Paasman zich over de wilde zwijnen die over het lage hek van zijn tuin in het Veluwse Putten springen en zijn gazon en bloemperken omploegen. Hij heeft gelijk, een nieuw paradigma is daarmee geboren: de postkoloniale zwijnenstal.

donderdag 25 november 2010

Laudatio bij de promotie van Cynthia Abrahams

door Michiel van Kempen & Bert Paasman


Laudatio uitgesproken bij de promotie van Cynthia Helga Abrahams-Devid tot doctor in de geesteswetenschappen, aan de Universiteit van Amsterdam, 24 november 2010
Door promotor: prof. Michiel van Kempen (1) en copromotor prof. Bert Paasman (2)


(1)
Beste Cynthia, Zeergeleerde mevrouw Abrahams-Devid,

In verschillende opzichten is dit een bijzondere dag. Natuurlijk in de eerste plaats omdat je een intensief onderzoekstraject vandaag beloond ziet met de hoogste academische graad, die van doctor in de letteren. Ik wil je daarmee ˗ mede namens copromotor Bert Paasman die zodadelijk nog het woord tot je zal richten ˗ van harte feliciteren, en ik betrek in die felicitaties ook graag je twee dochters, Raquel en Merrill, die je hebben bijgestaan als paranimfen, en je moeder die zolang naar deze dag heeft uitgekeken, die me nog in maart in Paramaribo aan mijn mouw trok en vroeg of je toch niet binnen drie maanden kon promoveren. Welnu, het werden geen drie maanden, maar toch ook weer niet zo verschrikkelijk veel langer. Het is voor ons allen ook een eer dat de weduwe van Dobru, mevr. Yvonne Raveles-Resida, en Dobru’s zuster, Nadia, speciaal voor deze dag zijn overgekomen om bij deze plechtigheid aanwezig te zijn.

Het is voor mij persoonlijk ook een bijzondere dag, omdat jij de allereerste bent die een proefschrift verdedigt onder de bijzondere leerstoel West-Indische Letteren, die door het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek in 2006 is ingesteld. Nu zijn er al eerder enkele proefschriften geschreven over onderwerpen binnen de Surinaamse literatuur, maar dat gebeurde altijd door mensen uit andere disciplines – de antropologie of de taalkunde bijvoorbeeld ˗ of, zoals in mijn eigen geval ˗ door iemand die niet van Surinaamse afkomst was. Ik ben eens aandachtig langs mijn boekenkasten gelopen en ik stel vast dat jij de allereerste Surinaamse letterkundige bent die ooit in Nederland promoveert op een Surinaams onderwerp. Dat je daarbij juist R. Dobru tot object van onderzoek koos, is een schot in de roos geweest, want hij is de enige dichter van wie zowat alle Surinamers een gedicht uit het hoofd kennen, hij is de dichter die de meeste Surinamers in hun hart hebben gesloten. Waarom dat zo is, maak je gedetailleerd duidelijk in je dissertatie. Het mooie van je studie is dat je Dobru allereerst in zijn eigen omgeving neerzet, en dat je ook zoveel bladzijden hebt gewijd aan Dobru in zijn contacten binnen het Caraïbisch gebied. Zo geef je invulling aan wat Jack Corzani bepleitte voor de Caraïbische literatuurwetenschap: de recentrage, het terugbrengen van het centrum van aandacht naar de regio zelf en het van binnenuit bezien van de eigen cultuur.

Jij hebt de eerste grote studie geschreven over Dobru. Dat levert niet een radicaal andere Dobru op dan die we kennen, maar geeft ons wel een veel genuanceerder beeld van zijn leven en werk. Je hebt een ontzagwekkende verzameling empirische data weten bijeen te brengen – waaronder ook een pracht van een primaire bibliografie – en het zijn die harde feiten waar de literatuurwetenschappers na jou hun voordeel mee kunnen doen. Bovendien lever je een interessante bijdrage aan de literatuurgeschiedenis met tal van onbekende teksten van Dobru en fragmenten uit correspondentie. Je hebt je nauwelijks gewaagd aan literaire analyse, en je bent ook – in tegenstelling tot je promotor ˗ extreem terughoudend geweest met waardeoordelen over het literaire werk. Ik heb je herhaaldelijk geprobeerd uit je tent te lokken, maar het is me niet gelukt. Maar die aanpak van jou kan juist ook een impuls wezen tot veel studie door latere onderzoekers.

Cynthia, ik heb je de laatste jaren leren kennen als een zeer toegewijd en hardwerkend onderzoekster. In die jaren is nog enorm veel gebeurd. Maar ere wie ere toekomt, de basis van je onderzoek heb je gelegd samen met mijn copromotor Bert Paasman, die de lange eerste en moeilijkste fase van begeleiding op zich heeft genomen. Ik wil de rector daarom verzoeken om hem nu het woord te verlenen.

(2)
Beste, hoewel Zeergeleerde Cynthia,

Je bent nu doctor, en was al huismoeder, grootmoeder, bibliothecaresse, personeelsmanager, docent Engels en Caraïbistiek, bestuurder, juryvoorzitter, festival-presentatrice, toneelspeelster, zangeres etc., je staat van dienst is indrukwekkend! Hoe vond je nog tijd om aan een proefschrift te werken?! Niettemin, in juni 2002 tijdens de receptie na de promotie van jouw huidige promotor, Michiel van Kempen, vertrouwde je me toe dat je ook wilde promoveren, en uit volgende gesprekken bleek dat je de Surinaamse dichter en politicus Raveles/Dobru de plaats wilde geven die hem in de literatuur- en cultuurgeschiedenis van Suriname en het Caraïbisch gebied toekomt. Daarna volgden jaren van hard werken. Dankzij jouw Surinaamse banden bleek je in staat het vertrouwen te winnen van de weduwe Raveles en kon je het kostbare familiearchief doorwerken, waarin je vele schatten aantrof. We mogen mevrouw Yvonne Raveles-Resida en verdere familie daarvoor dankbaar zijn. Verder interviewde je vrijwel iedere Surinamer in Suriname en Nederland die Dobru nog gekend had en dat onderzoek breidde je uit naar het gehele Caraïbische gebied, en zelfs naar de Verenigde Staten. Dat leverde prachtig, onbekend materiaal op.

Zoals ieder van ons had je ook wel eens tegenslagen in je leven, maar je bleef Dobru trouw. Ook het schrijven ging niet altijd van een leien dakje, ‘schrijven doet van au’, formuleringen, vormgeving en verantwoordingen letten nauw. Bovendien, had je niet als de huidige AIO’s een begeleide werkplek op de universiteit en ontving je geen cursussen en instructieweekenden. Je was nog een ‘zondagpromovendus’ die heel veel zelf moest uitvinden – en dat met grote volharding deed. Wij hebben daar grote waardering voor!

Je nam mij mee naar sommige van je optredens, zo herinner ik me jouw lezing voor de Surinaamse sociëteit De Waterkant in Den Haag, daar zaten onder je gehoor maar liefst een stuk of vijf mensen die nog bij Raveles in de klas hadden gezeten en je met spannende informatie bestookten. Ik werd er bovendien professor genoemd, iets wat je aan de Universiteit van Amsterdam niet zo gauw zal overkomen... Ook sleurde je me mee naar het toneel, waar onder bezielende leiding van de schrijfster-historica Cynthia Mc Leod, de Surinaamse geschiedenis in taferelen werd uitgebeeld, met bijzondere artiesten als Gerda Havertong, Denise Jennah en Jetty Mathurin. Jouw dochter Merrell en schoonzoon Jeroen deden mee als de ‘mooie mulattin Joanna’ en kapitein John Gabriel Stedman. Jij was baronnesse Van Heeckeren, eegade van de gouverneur, je liet de toren op het Stadhuis, later Departement van Financiën bouwen (nou ja, in het toneelstuk dan). Die aristocratische rol lag je opvallend goed! Ik werd uitverkoren tot koning Willem III, een frivool heerschap dat evenwel zijn handtekening onder de emancipatiewet gezet had en daarom nu nog in Sranan-liedjes herdacht wordt. Vervolgens zorgde jij ervoor dat ik na afloop publiekelijk verkocht werd (dan voelt een bakra ook eens wat dat is) en eigenlijk bracht ik nog heel wat op, maar na mij werd televisiejournaliste Hennah Draaibaar verkocht en ja, daar kon ik niet tegen op... Een fraaie foto toont de baronnes en de koning tezamen (‘our own people’). Baronnesse Cynthia, de wegen naar een promotie zijn aldus soms ook ondoorgrondelijk en wonderbaarlijk.

Zo werkten we op verschillende fronten samen; na mijn vertrek uit de Faculteit dakloos geworden in Amsterdam, steeds vaker met besprekingen in stationsrestauraties. Vorig jaar moest ik wegens het bereiken van een (naar universitaire normen kennelijk) gevaarlijk hoge leeftijd, het promotorschap overdragen, dat was een moeilijk moment, maar gelukkig kon en wilde mijn opvolger voor West-Indië, Michiel van Kempen, de promotiebegeleiding overnemen en afronden. Je had daarmee meteen de beste Surinamist uit ons vakgebied te pakken, een zeer voordelige wissel! Ik wil mijn collega daarvoor ook van harte bedanken en hem met zijn eerste promotie gelukwensen!

En nu is het zover, het hora est heeft geklonken en het grote feestvieren kan beginnen – en daarna, mogen we hopen, begint de voorbereiding van de editie van de verzamelde gedichten en verhalen van ‘Wan Bon Dobru’!

Dr. Cynthia, Ouders en Kinderen van Cynthia, met dit alles bijzonder veel geluk gewenst!


Foto's: Ben Eliazer