Posts tonen met het label Para Theo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Para Theo. Alle posts tonen

dinsdag 11 februari 2014

Als de dichter reist op de vleugels van de liefde

door Theo Para

Antoine de Kom. Foto © Rogier Maaskant
Vanuit een luie houding op de dubbelzit stoelen vlakbij de ingang van het treinstel,  keek ik even boven mijn openslagen boek uit naar de jonge, blonde vrouw die net was ingestapt. Terwijl ze haar blik langzaam van mij afwendde en aan de andere zijde van het gangpad ging zitten, glimlachte ze betrapt en ondeugend tegelijk. Pas enige momenten daarna besefte ik dat ze de geelgroen afgedrukte titel op de groene kaft van het voor mijn gezicht gehouden boek had gelezen. Ritmisch zonder string. Toen voelde ík mij betrapt. Wat zou ze wel niet denken? Er was maar één die schuldig was aan dit woordenloze gevoelstafereel in het openbaar vervoer: de dichter Antoine de Kom (1956) die het aan de kwajongen in zichzelf had overlaten de titel te verzinnen voor zijn dichtbundel die tot de beste van Nederland zou worden bekroond.  De jury van de VSB-poëzieprijs 2014, de meest prestigieuze dichtersprijs van Nederland, was unaniem.  De prijs van 25.000 euro en nog meer moois ging naar de dichter van Ritmisch zonder string. Het voelde zo ongeveer als toen mr. Gerard Spong door zijn collega’s tot beste strafpleiter van Nederland werd uitgeroepen. Voor het eerst stond nu een dichter met Surinaamse strings op de hoogste plek van het erepodium. De Kom maakte geen geheim van het emancipatoire momentum. Hij zei in het NRC Handelsblad dat de Nederlandse poëzie wit was. Hij was wars van ‘bekentenispoëzie’, hij wist het verschil tussen gedicht en pamflet. Maar hij had ook geen valse schaamte over zijn onmiskenbare engagement. Ook op de achterflap van zijn dichtbundel liet deze dichter-psychiater het nadrukkelijk weten, hij is ‘een kleinzoon van de Surinaamse nationalist en verzetsstrijder Anton de Kom’. In dezelfde alinea vertelde hij de lezer dat hij is gehuwd ‘met de mensenrechtenactiviste Lilian Gonçalves- Ho Kang You’. Ritmisch zonder strings  begon voor lilian met het liefdesgedicht haar vele.

je sprak hoewel het schieten alweer opgehouden was.
de kinderen staan zwijgend aan de kant.
dan is er weer de regen
zijn er weer bladeren waar je uit tevoorschijn stapt.
je denkt waarschijnlijk weer aan alles
als je uit het brandpunt zuchtend heel dicht
naast me komt

Het bleef niet daarbij. In de duizelingwekkende poëtische waaier van reiservaringen in Fes, Kaapstad, Paramaribo, Istanbul, Menorca, Filipijnen, Sahara, Den Haag, New Orleans,  Damascus, Honduras, Sint Petersburg enzovoort, ademde overal de liefde, veelal verhuld als receptieve,  zinderende, esthetische vitaliteit.

De reiziger De Kom liet Fes prachtige dichtregels.

in luwte van dadelpalmen dommelen tot
citroen en cipres als munt en vijg zichzelf overslaan
in de smalle stegen waar bedelaars hun dag ontdenken

In het land van Nelson Mandela bleef hij wars van blinde adoratie.

zilverkleurige auto’s en zwarte mannen van de veiligheidsdienst.
wij hebben de grenzen verkend en wij zijn verder verdwenen
achter de mascara die zuid-afrika heet

 In Suriname herinnerde hij in laos plots ronald venetiaan.

opeens
miste je de president
je ziet hem nóg
over de rode loper in zijn paleis links afslaan
en dan de trap af dalen.
er hangt een ruisdael aan de muur.

Terwijl hij stil hield bij ‘het fort van uitermate weinig woorden’.

falend geheugen vriend voel
worden van alles wat met hitte
& Gods wil ons verleden vol
drankflessen witgoed bloedbad en boeien was.
boeien in diverse maten voor enkels
of handen of handen of hals. Nog te zien
in het fort van uitermate weinig woorden
waarde allerhoogste ziel en geest om zijn troon heeft verzameld
en aangeeft dat zijn positie
onhoudbaar is

In het nationale morele conflict van Suriname blijkt de kleinzoon van Anton de Kom begiftigd met de principevastheid van opa. In zijn interview in het NRC Handelsblad naar aanleiding van zijn prijs was hij helder:

‘Mijn poëzie heeft veel met Suriname te maken, met een president die weigert zich voor de rechter te verantwoorden voor de meest verschrikkelijke misdaden.’

Mij deed de leeservaring met Ritmisch zonder string denken aan een formidabel Caribisch salsa-orkest waar trompetten, zangers, timbales, conga’s, gitaren, piano’s elk hun virtuoze improvisaties lanceren, zo individueel, anders, origineel en toch samengebonden door het tak-tak-tak-taktak van het meest simpele instrument: de twee stokjes, de claves. Wie het ritme van de claves kwijtraakt wordt overweldigd door het muzikale geweld. Dat overkwam een enkele Nederlandse recensent tijdens het lezen van Ritmisch zonder string. Hij schreef over ‘poëzie bedolven onder veel tropisch gekleurd taalgeweld’ en raakte zelfs de spelling van de bundeltitel kwijt, het werd bij hem Zonder string. Hij was de claves, het Ritmisch, kwijt.

En de dichter had in graszee niet aanraken nog zo een heldere leesinstructie gegeven.

. nergens is het beter dichten dan op aanrollende golven. Men neme een stevige regel en houde zich daaraan vast. De golven breken op. De regel wordt schuimend gedicht en als de golf op het punt van omslaan komt is de bladzij altijd sneller. Dichten is zulk omslaan golven zijn al brekend en ontrollen dan pas echt hun poëzie.

[uit de Ware Tijd, 8 februari 2014]



zondag 26 mei 2013

Theo Para schrijft zaterdags essay in de Ware Tijd

Theo Para
Theo Para is op zaterdag 25 mei in, het in Suriname verschijnende, dagblad de Ware Tijd zijn wekelijkse rubriek Essay op Zaterdag begonnen ( http://www.dwtonline.com/de-ware-tijd/2013/05/25/recht-voor-een-geen-recht-voor-allen/). Para schreef een viertal essaybundels over zijn geboorteland Suriname. Zijn laatste essaybundel De schreeuw van Bastion Veere, om de rechtsorde in Suriname (1999) verscheen bij Uitgeverij Van Gennep. In zijn voorwoord schreef strafpleiter Gerard Spong: 'Theo Para is niet alleen een uitmuntend essayist, maar ook een essayist van onschatbare waarde voor Suriname.'

dinsdag 19 maart 2013

'Onafhankelijk onder een mensenrechtenschender'

Desi Bouterse
Op vrijdag 22 maart organiseert de Vereniging Antilliaans Netwerk een bijeenkomst met Theo Para, pseudoniem van de arts Henry Does. Para, vanaf het begin criticus van de militaire dictatuur (1980-1987) in Suriname, verliet zijn geboorteland na de standrechtelijke executie van vijftien prominente voorvechters van de democratie op 8 december 1982 in Bastion Veere van Fort Zeelandia (Paramaribo), de zogeheten decembermoorden. Para zette zijn publicistische opstand tegen de dictatuur en straffeloosheid in Suriname voort in Aruba en Nederland.

Tijdens de bijeenkomst zal Theo Para in zijn lezing de situatie in zijn geboorteland, ruim 30 jaren na de decembermoorden, met nu de hoofdverdachte als president, bespreken. Hij doet dat met een knipoog naar de Caribische eilanden van het Koninkrijk en de  'lessons to be learned'. Daarbij krijgt u de gelegenheid tot het stellen van vragen.

Als moderator zal tijdens deze bijeenkomst Romeo Hoost, programmamaker, ex vakbondsman en lid van de vereniging Antilliaans Netwerk optreden.

Locatie: De Balie, Kleine Gartmanplantsoen 10, 1017 RR Amsterdam

Aanvang:  20:00 uur. Inloop vanaf 19:15 uur
Entree:  Leden gratis, niet leden 12,50 euro p.p., studenten 5 euro (op vertoon van collegekaart)
Vooruit betalen kost €10.
Storten kan op bankrekening 58.58.50.321 t.n.v. Vereniging Antilliaans Netwerk onder vermelding van naam, emailadres en telefoonnummer
Aanmelden:  Via info@antilliaansnetwerk.nl onder vermelding van uw naam

vrijdag 14 december 2012

30 jaren onwrikbaar

door Theo Para

Een van de markante resultaten van de Surinaamse strijd voor gerechtigheid is de traditie dat op 8 december de decembermoordenaars en hun politieke pajongwaaiers er het zwijgen toe doen. Zij ontberen al drie decennia existentieel het gevoel van eerlijkheid. Een gevoel dat innerlijk harmoniseert, sociaal verbindt en mensen verantwoordelijk en moedig maakt; een gevoel dat de nabestaanden en solidaire vrienden in binnen- en buitenland inspireert tot het beste in zichzelf. Ook nu in tijden van beschaamd vertrouwen, ontluistering en frustratie.

Wijdenboschbrug, Paramaribo


Misdrijven tegen de menselijkheid
De geïntimideerde  Krijgsraad heeft in zijn schorsvonnis van 11 mei geconcludeerd dat de decembermoorden geen misdrijven tegen de menselijkheid waren. Misdrijven tegen de menselijkheid zijn internationale misdaden. Daarom moest dat delict  ook in de zelfamnestiewet worden uitgesloten van amnestie. De Krijgsraad heeft zijn conclusie getrokken zonder poging tot motivatie. Hij heeft haar wettelijke plicht dat hij zijn beslissingen met redenen moet omkleden verzaakt en daarmee de grenzen van zijn bevoegdheid overschreden. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan willekeur. Geen van de leden van de Krijgsraad was bovendien deskundig op het gebied van het internationaal strafrecht. Het Gerechtshof Amsterdam pakte het in 2000 anders aan. Het moest zich in verband met de vraag of ex-dictator D.D.B. in Nederland kon worden berecht voor de decembermoorden, ook buigen over de vraag of de decembermoorden kwalificeerden als misdrijven tegen de menselijkheid. Het Amsterdams Gerechtshof waakte, anders dan de Krijgsraad, tegen dilettantisme en schakelde een amicus curiae, een expert op het gebied van het internationaal recht in. De gerenommeerde Zuid-Afrikaanse professor John Dugard, vooraanstaand rechtsgeleerde in de strijd tegen de apartheid, was in zijn grondig onderbouwde advies aan het Gerechtshof Amsterdam helder genoeg: ‘ De folteringen en moorden in Paramaribo in 1982 lijken te vallen binnen de definitie van misdrijven tegen de menselijkheid. Ze werden gepleegd door militaire autoriteiten in Suriname (staatsactoren) tegen een groep burgers die tot doelwit werden, niet vanwege hun individuele eigenschappen maar vanwege hun status als leiders van de Surinaamse intellectuele elite.

Desi Bouterse. Screenshot uit 1987.

Bovendien, zij werden gepleegd op een systematische manier als onderdeel van een georganiseerd plan, met gebruikmaking van publieke middelen, gericht op vernietiging van potentiële opponenten van de militaire autoriteiten.’ Om te benadrukken dat het op 8 december 1982 niet om een geïsoleerde gebeurtenis ging heeft prof. Dugard in zijn advies betoogd dat ook na die datum in Suriname ernstige schendingen van de mensenrechten plaatsvonden. Het meest dramatische was de slachting door de militaire dictatuur  onder tientallen dorpelingen van Moiwana. In feite begon de lange nacht van brandstichtingen, intimidaties, mishandelingen, politieke vervolging, ontrechting, verdwijningen, folteringen en moorden al op 25 februari 1980. De militaire dictatuur (1980-1987) in Suriname maakte verhoudingsgewijs meer dodelijke slachtoffers dan de militaire dictatuur in Brazilië, die meer dan twee keer zo lang duurde (1964-1980). Het advies van prof. Dugard maakte deel uit van het volkenrechtelijk toetsingskader. De Krijgsraad had naar de professioneel ethische standaard nooit aan dit toetsingskader voorbij mogen gaan.

Brokopondostuwmeer. Foto: Teranique Impressions

Internationale beklaagdenbank
De folteringen en moorden van 8 december 1982 begrijpen als misdrijven tegen de menselijkheid maakt veel meer dan de beperktere delictomschrijving moord het systemische  karakter van de verschrikkingen duidelijk. Doordrenkt van een destructief superioriteitsdenken van de daders en hun medeplichtigen manifesteerde de Surinaamse staat zich niet als beschermer van haar burgers maar als criminogene organisatie, die recht en menselijke waardigheid vertrapte, folterde en moordde. Dat surrealistische disfunctioneren echode na de moorden voort in de gedaante van de cultuur van de straffeloosheid.  Na de schendingen van het recht op fysieke en psychische integriteit en het recht op leven van de vijftien slachtoffers, werden door de straffeloosheid de grondrechten van hun nabestaanden op een eerlijk proces en menswaardige behandeling drie decennia lang geschonden. Hun moreel lijden werd schaamteloos voortgezet, met het 8 december strafproces als placebo. Een zittende en staande magistratuur die voor hun beveiliging direct afhankelijk zijn van de president-hoofdverdachte zijn materieel niet onafhankelijk. Bovendien, van Krijgsraad tot Consitutioneel Hof, de president-hoofdverdachte benoemt de leden. De Krijgsraad concludeerde ondeugdelijk gemotiveerd dat de zelfamnestiewet niet in strijd was met het internationaal recht en de constitutionele grondrechten. Van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens tot de Internationale Commissie van Juristen, van de Europese Unie tot Amnesty International, van Human Rights Watch tot de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, zonder uitzondering verwezen zij de zelfamnestiewet naar de prullenbak van het internationaal recht. Suriname verkwanselde met de zelfamnestiewet, een wet ad hominem, zijn geloofwaardigheid. Weer zit de republiek in de beklaagdenbank van het internationale geweten.



Leven in de leugen
Suriname leeft nu, om met Vaclav Havel te spreken, in de leugen. De indirecte verkiezing van een putschist, drugsveroordeelde en hoofdverdachte van massamoord tot president - materieel in strijd met artikel artikel 92 lid 1 van de grondwet - vormde het levende bewijs van de corrumpering van het parlement. In de verkiezingen had de partij van de daders beloofd dat de onafhankelijke rechtsgang in het 8 december strafproces zou worden gerespecteerd. De zelfamnestiewet was dan ook kiezersbedrog. De lakeien van de president van ‘op de vlucht neergeschoten’ stemden in de grootste morele kwestie van het land voor hun privé belang. De zelfamnestiewet was onbedoeld een schuldbekentenis. Zij markeerde de formele proclamatie van een dadersregime. Het recht aan de galg van de wet. In een rechtsstaat word je voor onschuldig gehouden tot het tegendeel is bewezen. In de machtsstaat is de machthebber altijd onschuldig want boven de wet verheven. De rule of law is een papieren tijger. Het risico op recidief is levensgroot. Redresseren van misdrijven tegen de menselijkheid vraagt naast gerechtigheid doortastende rechtsstatelijke hervormingen met als oogmerk een daadwerkelijk onafhankelijke rechterlijke macht, wettelijke en feitelijke openbaarheid van bestuur, effectief toezicht en controle, bestuurlijke integriteit, ontbinding van de presidentiële Counter-Terror Unit, afschaffing van de mistige dubbele bestuurslaag, depolitisering van leger en inlichtingendiensten en last but not least  geen andere dat integere bestuurders en ambtenaren. Een presidentschap besmeurd door een incontinent verleden van misdrijven tegen de menselijkheid is onacceptabel voor een republiek die in haar volkslied bezingt dat recht en waarheid vrij maken.

Onafhankelijkheidsplein Paramaribo. Foto R. Lugard


88, 163, 165
Vanzelfsprekend waren in de ogen van de president-hoofdverdachte de duizenden Surinamers die in Paramaribo de straat op gingen tegen de zelfamnestiewet ‘volksvijanden’ en ‘staatsvijanden’. Dat waren de vijftien critici die werden gefolterd en vermoord ook. Het is de mantra van de meer dan 30 jaar oude tactiek van de dief die roept ‘Houdt de dief!’ Het staatkundige leven in de leugen heeft, om met Marx te spreken, als economische onderbouw de corruptie.  Onder de militaire dictatuur was de Rekenkamer volledig uitgeschakeld. Ernie Brunings, voormalig hoofd van het wetenschappelijk bureau van de NDP, vertelde, nadat hij de NDP had verlaten, dat in die tijd ‘ politieke macht in economische macht werd vertaald’.* ‘Wie een activiteit wilde ontplooien moest eerst bij hem (Bouterse) langs. En dan eist hij zijn deel. In ruil daarvoor gaf hij vergunningen en goedkope dollars. Hij was regeringsleider, hij had zeer gemakkelijk toegang tot de bronnen’ (idem). De decembermoorden waren roofmoorden, onderdeel van een totalitaire machtsgreep met geen ander doel dan zelfverrijking van een kliek die zich bediende van revolutionaire demagogie. Het huidige dadersregime kent ondanks de andere regeringsvorm dezelfde onderbouw. De president schuift zijn gezinsleden schaamteloos hoge overheidssalarissen toe en bedient zijn entourage met gunsten. Zonder deugdelijke financiële  verantwoording en in strijd met de grondwettelijke staatsinrichting heeft hij van zijn Kabinet een staat in een staat gemaakt, zonder mogelijkheid van reële parlementaire controle. De democratische oppositie verklaarde onlangs dat ook nu weer de Rekenkamer wordt ondergraven. Suriname daalde dit jaar dan ook naar de 88ste plaats op de Corruption Perception Index van Transparancy International. Het land wordt met een dikke onvoldoende internationaal als corrupt land beschouwd. Dat de zogeheten presidentiële diplomatie de intiemste bondgenoten zoekt in Equatoriaal Guinee en Venezuela, respectievelijk nummer 163 en 165 op de corruptie index spreekt boekdelen over haar morele referentie. Er zijn in de wereld geen mensenrechtenschenders bekend die integer omgaan met de publieke middelen. Ook in de strijd tegen corruptie geldt het adagium zoals Huguette Labelle, voorzitter van Transparancy International, dat onlangs verwoordde: ‘Nee tegen straffeloosheid!’

Foto @ Christophe Andrades

Waarden
Noch in de staat, noch in goud, olie of hout, ligt de toekomstbestendigheid van de Surinaamse natie besloten. De toekomst die de generaties nalaten is gelegen in hun waarden, niet in de beleden, maar in de voorgeleefde waarden. Respect voor feiten en waarheid, voor leven en samenleving, voor vrijheid en recht, voor non-discriminatie en verdraagzaamheid,  voor vrijheid van meningsuiting en drukpers, voor vrijheid van vereniging en demonstratie, van argument en geweten, voor pluriformiteit en dialoog. Dat zijn de waarden die de vijftien helden van 18 december 1982 ons nalieten. Dat zijn de waarden die vandaag met bloemen bij het Nationaal Monument Bastion Veere – 8 december 1982 worden gememoreerd en gewaardeerd. En het zijn die waarden die door 30 jaren onwrikbare strijd voor gerechtigheid zijn versterkt en overgedragen aan weer een nieuwe, levenslustige generatie. Geen kogelbrief kan aan die onontkomelijke estafette van de menselijke waardigheid een eind maken. Hoe meer mensen in Suriname durven en weten te leven in de waarheid en zelfwaardering vinden in het gevoel van eerlijkheid, hoe meer Surinamers de kortzichtige gemakzucht van capitulatie en collaboratie weten te weerstaan, hoe sneller een eind zal komen aan deze vergankelijke periode van leeg gebral en zelfingenomen potsierlijkheid, de episode van morele en rechtsstatelijke stagnatie en verloedering. Op de gemeenschappelijke vergadering van ACP-EU parlementsleden in Paramaribo was de president-hoofdverdachte zelfs in eigen land niet welkom. De mensenrechtenbeweging, vakbeweging en democratische oppositie in Suriname weten zich gesteund door de democratische krachten in de wereld en de regio. Ondanks deze tijdelijke setback in de strijd voor gerechtigheid en herstel van de democratische rechtsstaat is er alle reden de overtuiging te schragen dat de vrijheidsidealen van de vijftien helden van 8 december 1982 de toekomst hebben.

*Gerard van Westerloo, De laatste dagen van een kolonel, Surinaamse notities, 1993.

Pastel van Gerrit Steenbreker

donderdag 31 mei 2012

Rapperdepapper de pappappap…


Wat bedoelt Rappa nu eigenlijk met zijn commentaar op de brandbrief van Michiel van Kempen en Theo Para? "Ze" fulmineren dan wel, “maar wij wonen en werken hier, wij vangen die klappen het eerste op”. Wat voor klappen heeft Rappa ooit opgevangen? Hij babbelt wekelijks een eind weg in zijn volledig gratuite column op StarNieuws en in plaats van daar te fulmineren op alles wat Bouterse en die companen van hem misdoen, praat hij ze alleen maar naar de mond, bang om anders boomrijp te zijn voor een nieuw 8 december. Maar nee, dat wil hij vooral voorkomen! En ook als lid van de Schrijversgroep ’77 heeft hij niet de moed kunnen opbrengen om dat clubje een ferm standpunt te laten innemen inzake de annexatie van Fort Zeelandia-complex. Dit is geen zelfbeschikkingsrecht, dit is over je heen laten lopen, anderen over je laten beschikken!

Dan durft hij ook nog te besluiten met een verwijzing naar de reactie van een van de meest dubieuze figuren rond Bouterse, Eugène van der San, op StarNieuws van maandag als bewijs dat “het echt wel goed komt”. Op zo’n wijze loopt het Fort echt wel weg, te beginnen met “Devil”.

StarNieuws is niet echt gezegend met columnisten als Hira en Rappa!

Reactie Rappa op de Open Brandbrief over Zeelandia

Open reactie terug aan onze terecht bezorgde broeders en zusters.

28 mei 2012
Rustig aan, jongens, rustig aan. Niet met zo een blinde jodenhaat steeds inhakken op alles wat Bouterse en die companen van’em doen, rustig mang! Jullie zitten daar lekkertjes vaak terecht te fulmineren op dat o zo gehate monster, maar wij wonen en werken hier, wij vangen die klappen het eerst op, niet jullie. Dus, niet te hard van stapel lopen, we wassen dit varkentje ook wel. Als we jullie ondersteuning nodig hebben, zullen we daar beslist om vragen, liever niet andersom. Dat is nou eenmaal het zelfbeschikkingsrecht dat wij als Surinamers op 25 november 1975 toch hebben gehad? Wel nu. Lieb’oen doe oen egi tori, oen n’e kong troeb’oen fasi f’wroko. En zie de reactie van Van der San vandaag, maandag, het komt wel goed, echt wel. We willen niet nog een keer 8 en 9 december hebben. Jullie toch ook niet? Wel nu, rustig aan, rustig aan, dat fort loopt echt niet weg.

Rappa

Paramaribo, Het presidentieel paleis gezien vanuit het complex Fort Zeelandia




Beste Rappa,

Er lijkt sprake van misverstand, wij in Nederland zijn slechts de kruiwagens van een verzet tegen de annexatie van het Fort Zeeandia door 'het gehate monster' dat in Suriname zelf begon. Dat zal ook blijken uit de ondertekening, die een mooie synthese laat zien van patriottisme en internationale solidariteit. Het is mij ook bekend dat E. van der San een geschrokken terugtrek beweging maakte ('het is slechts een plan'), ze zijn geschrokken van de 'heisa'. Ik wil er verder op wijzen dat 8 december 1982 (9 december was een misleiding van de macht) niet het gevolg was van het assertief gebruik van het recht op vrije meningsuiting door de slachtoffers en anderen, maar van het aangematigd recht van de daders te kunnen bepalen wie al dan niet mag leven of wie menswaardig mag leven. De opzet was de vestiging van de totalitaire staat, die zij ook vestigden. Het is als bij de verkrachting, niet het minirokje van het slachtoffer, maar het crimineel gedrag van de dader staat terecht. Zwijgen heeft nooit geholpen mensenrechtenschenders halt te doen houden!

Odi,

Henry Does

woensdag 30 mei 2012

Open brandbrief: 'Handen af van Fort Zeelandia'




Uitgenodigd door schrijver Michiel van Kempen en essayist Theo Para hebben binnen enkele dagen 123 mensen in Suriname, Nederland, Curaçao en Aruba de Open Brandbrief ‘Handen af van Fort Zeelandia’ ondertekend. De brief is een protest tegen de plannen van het Kabinet van de President om het Fort Zeelandia Complex onder zijn controle te brengen.

De tekst van de brief luidt:




Vanuit het Kabinet van President Bouterse zijn het Surinaams Museum en andere gebruikers van het Fort Zeelandia Complex in de vorm van ‘een plan’ te kennen gegeven dat uiterlijk 1 september 2012 het Fort Zeelandia moet zijn ontruimd. Dit om 'een nieuwe culturele invulling te geven aan het Complex die past bij de inzichten van het beleidscentrum.' Het Surinaams Museum heeft echter sinds vele jaren op uitstekende wijze culturele invulling gegeven aan het Fort Zeelandia. Er zijn tal van culturele manifestaties geweest, er zijn belangwekkende exposities georganiseerd en de ruimten van het complex bieden onderdak aan vooraanstaande culturele instellingen. Er is geen andere instelling in Suriname die zoveel Surinaams historisch-cultureel erfgoed beheert als het Surinaams Museum. Het doet dat zonder politiek oogmerk, zonder winstoogmerk en met als enig doel het conserveren en uitdragen van alle culturen die Suriname rijk is.

Het heeft voor de renovatie van het Fort Zeelandia substantiële ondersteuning gehad van Nederland. Die hulp aan het conserveren van het culturele erfgoed vond plaats in de geest van de culturele paragraaf van het Raamverdrag voor Vriendschap en Nauwere Samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname. In die zin kan het gerenoveerde Fort Zeelandia worden beschouwd als een cultureel project van vriendschap tussen de volkeren van Suriname en die van het Koninkrijk der Nederlanden.

Overgaan tot het ontruimen van het Fort Zeelandia Complex is een schoffering van alle bijzondere inspanningen die op het complex gedurende jaren zijn geleverd. De geest van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur verdraagt zich niet met het willekeurig terzijde schuiven van gewekte verwachtingen.

Een bijzondere plaats in het Fort Zeelandia wordt ingenomen door het Nationaal Monument Bastion Veere - 8 december 1982, dat op 8 december 2009 met de onthulling van de plaquette door president-dichter Ronald Venetiaan officieel werd opgericht. De vijftien slachtoffers van de decembermoorden waren daarmee officieel gerehabiliteerd. Naast de plaquette bestaat het monument uit de muren van het Bastion waarin de kogelinslagen van de standrechtelijke executies zijn geconserveerd. Met het monument kregen nabestaanden en sympathisanten eindelijk een plek waar zij de gevallenen gezamenlijk kunnen herdenken en er bloemen kunnen leggen. Het monument ligt achter in het Fort Zeelandia en de toegankelijkheid en het beheer zijn slechts gegarandeerd door het Surinaams Museum. Als het Surinaams Museum moet verdwijnen uit het Fort betekent dat ook het eind van het Nationaal Monument Bastion Veere - 8 december 1982. Het is immers onbestaanbaar dat die hulde aan de vijftien voormannen van democratie en recht in Suriname past binnen 'een culturele invulling' van het 'beleidscentrum' van de hoofdverdachte.

Wij roepen allen op deze aanslag op de museale cultuur, de human rights memorial beweging en de Surinaams-Nederlandse vriendschap met klem af te wijzen.

[einde tekst]



Hieronder in alfabetische volgorde de namen van de ondertekenaars van de Open Brandbrief:



Natascha Adama, politicoloog

Willy Alberga, journalist

Marijke Amatdjais, Sociaal Juridisch Dienstverlener

Henna Asin, bestuurslid mensenrechtenorganisatie OGV/gepensioneerd leerkracht

Wim Bakker, muziekauteur

Kees de Bakker, uitgever Conserve

Rochitas Baldew, gepensioneerde

Shyam Baldew ,supervisor

Sylvia Baldew-Tilakdharie , OGV, gepensioneerde

Henri Behr

Noraly Beyer, journalist

Hans Blom, voorzitter bestuur Verzetsmuseum Amsterdam

P.B.M. Bolwerk, Oud waarnemend Directeur Surinaams Museum in Paramaribo/Oud museum consulent in de Provincie Gelderland/Oud Streekconservator in de Gemeente Ede/Oud directeur Nederlands Tegelmuseum

Ronald Bos, intercultureel letterenconsultant

Sharlene Bosk, Line Producer bij The Backlot

F. Brewster-Liesdek, gepensioneerd docente

Helga Burnet

John H. de Bye, chirurg

Ernestine Comvalius, Directeur Bijlmer Parktheater

Carmen Daal, namens nabestaanden van Cyrill Daal, Erven Daal

Eddy C. Dawson, bioloog/ondernemer

Gust De Weerdt, radiologisch laborant, gepensioneerd

Koenti De Weerdt-Baldew, radiologisch laborant, gepensioneerd

Jane Dijk

J.E. Dijkstra, leraar

John Djojo, ontwerper, beeldhouwer, schilder

Albert Doelwijt, tandarts

Thea Doelwijt, schrijfster/theatermaakster

Ida Does, documentaire filmmaker

Michel R. Doortmont, UHD internationale betrekkingen en Afrika studies/voorzitter Nederlandse Vereniging van Afrika Studies/lid ICOMOS Scientific Committee on Shared Built Heritage

Hans Dorrestijn, cabaretier/schrijver

Dolf Douglas

Olga Douglas-Jie A Looi
Bob Dwarka, secretaris VHP Nederland


Alfred Edelstein, directeur Joodse Omroep

H. van Eer

W.A. Egger, jurist

Lydia Emanuels, journaliste/radiomaakster

Andree van Es, wethouder te Amsterdam

Eva Essed-Fruin, voormalig directeur Instituut voor de Opleiding van Leraren, voormalig voorzitter Stichting Surinaams Museum

Maurice Ferrier, chirurg

Gerda Ferrier-Ho Kang You

Hermina G.B. Gaikhorst, vertaalster Spaans en Portugees

Ko van Geemert, publicist

Marijke van Geest, neerlandica

Carolyn Gerling, consultant

Monique Geux, facilitair coördinator

Janis Goede, project Manager

Jennifer Goede, socioloog

Jolanda Goede, thuisbegeleider Vierstroom

Betty Goede - Jong-A-Lim, voorzitter Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede

Rie Goede-Koster

Chequita Goedschalk, coördinator Archief en Kerkelijk Museum

Vanessa Goedschalk

Patty D. Gomes, historica

L.Y. Gonçalves – Ho Kang You, Staatsraad

Valérie Gonçalves, zelfstandig ondernemer
Carel de Haseth, schrijver

Martha Haverkamp,

Martha Hering

Jeroen Heuvel, docent Papiamentu, storyteller en theatermaker

Dorine E.G. van Hinte-Rustwijk, Frankrijk/Nederland

A.E. (Eurlien) Hira, registratiemedewerker

Rosemarijn Hoefte, historicus KITLV

Romeo Hoost, voorzitter schaduwbestuur Moederbond, in 1982, voorzitter Comité Herdenking Slachtoffers Suriname

Liesbeth van der Horst, directeur Verzetsmuseum Amsterdam

Isabel Hoving, literatuurwetenschapper

Mike Jacobs, socioloog

Rihana Jamaludin, schrijfster

Denise Jannah, zangeres/zangpedagoge/componiste/actrice

John Jansen van Galen, journalist

Els Jap-A-Joe

Karina Jap a Joe, chemisch technoloog

Sherman de Jesus, cineast

D.C.Jones-Overdulve, lid Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede

Jongeren Tegen Amnestie

Joke Kardux, universitair docent

Michiel van Kempen, schrijver/ bijzonder hoogleraar Caribische literatuur

Vanda Kernizon, social marketeer

Geert Koefoed, taal- en letterkundige

Ada Korbee, kunst- en cultuurmanagement

Sanne Landvreugd, saxofoniste

John Leerdam, politicus en theatermaker

Roos Leerdam-Bulo, informatiemanager

Enver Lieuw, software engineer

Helen Lionarons, psychotherapeut

Wilfred Lionarons, journalist

K.R. Lo Fo Wong, officier KL/SKM/KL b.d.

Ken Mangroelal, filosoof/schrijver

Jetty Mathurin, theatermaker

Ronald May, intercultureel psychiater

May Ling Thio, adviseur/onderzoeker

W.H. Metz, voorziter Stichting MoWic en gastonderzoeker Amsterdam Archeologisch Centrum, UVA

Agnes M. de Miranda-Tjon A Meeuw, sociaalwerkster/pro deo

Els H.P. Moor, redacteur de Ware Tijd Literair/redacteur van vele kinderboeken

Fred Muskiet, kinderarts

Kurt Nahar, beeldend kunstenaar in Suriname

Marianne Nga Yien Elias-Chan, jurist

Carol Nijbroek, MPA-Administrator

Gerard Nijkamp, directie-assistent bij CKC, 1971 tot 1975

Marjo Nijkamp-Treffers, diëtiste in het Diakonessen Ziekenhuis, 1971 tot 1974

Gert Oostindie, directeur KITLV/hoogleraar Caribische geschiedenis Universiteit Leiden

André R.M. Pakosie, natuurgeneeskundige/dichter/schrijver

Theo Para, essayist

Jetty Polanen, onderwijsdeskundige

Milton Ponson, Stichting Rainbow Warriors Core, internationaal activist voor duurzame ontwikkeling en mensenrechten

Ruth del Prado, gepensioneerd leerkracht

Pepijn Reeser, historicus

Gerard Reteig, journalist

Rita Rahman, schrijver, Nederlands Ambassadeur in Santo Domingo

Yasser Riedewald, ondernemer

Gino de Robles, contractadviseur Rijkswaterstaat

Jos de Roo, publicist

G. C. van Roozendaal, UD Internationale Betrekkingen en International Organisatie, Universiteit Groningen

M. Rozenblad, lerares

Wim Rutgers, buitengewoon hoogleraar Literatuurwetenschap en Literatuurgeschiedenis aan de UNA, visiting professor IOL

Yvonne Samson, moeder van de drie jongste kinderen van Cyrill Daal

Ruth San A Jong, schrijver en directeur van de Schrijversvakschool te Paramaribo),
José H. Schmitz, juriste

Tammo Schringa, beeldend kunstenaar

Paulette Smit, actrice

Willy Smits, gepensioneerd Bankemployee RBTT Suriname

Janice Sohansingh, dochter van Robby Sohansingh, Operations/Projectmanagement

Harold Sohansingh, namens de familie Sohansingh

Ravi(jay) Sohansingh, ondernemer

Rob Spong, huisarts te Curaçao

Adriaan van der Staay, cultuursocioloog

Dineke Stam, Intercultural museum and heritage projects

Karel van der Sterren, praktijktrainer en personal coach

Alex van Stipriaan Luïscius, hoogleraar Zuid-Amerikaanse geschiedenis, conservator KIT

Frits Terborg, boekhandelaar te Paramaribo

Anne-Marie Tjin-A-Tsoi, apotheker te Curaçao

P.P.A.M. van Thiel, internist, infectious diseases physician

Ronald Tjoe Ny, gepensioneerde

Ellen Tjon A Meeuw, freelance creative producer

Pieter van der Torn, arts

Owen Venloo, politiek en juridisch adviseur

Hebe Verrest, sociaal-geograaf

Karel de Vey Mestdagh, juridisch adviseur Buitenlandse Zaken/schrijver

Annette de Vries, auteur

Hein Vruggink, auteur Surinaams-Javaans woordenboek

Robert Vuijsje, schrijver

Carlos Weeber, voorzitter bestuur Curaçaosch Museum

Gloria Wekker, hoogleraar gender en diversiteit Universiteit Utrecht

Tanya Wijngaarde, redacteur

Ieteke Witteveen, ex-president Museum Association of the Caribbean

Eddy Wijngaarde, producent

Annet Zondervan, Directeur Centrum Beeldende Kunst Zuidoost, Amsterdam.

dinsdag 29 mei 2012

Sandew Hira, de afgewezen minnaar van Suriname



In zijn wekelijkse column op StarNieuws heeft Sandew Hira gister weer eens zijn monomane dekolonisatie-stokpaardje van stal gehaald, kennelijk heeft hij met zijn boek Decolonizing the Mind onvoldoende bereik gehad. Het nationale drama, de annexatie  van het Fort Zeelandia complex, grijpt hij daarom aan tot meerdere eer en glorie van zichzelf en de auteurs van zijn uitgeverij Amrit, Radjinder Bhagwanbali, De werving en selectie van arbeidskrachten onder het indentured laboursysteem uit India voor de kolonie Suriname, 1873-1916, en Armand Zunder, Herstelbetalingen, en hernieuwde verspreiding van zijn idee van dekolonisatie.
November 1975, het einde van een tijdperk, het standbeeld van Koningin Wilhelmina moet plaats maken voor het Onafhankelijkheidsplein, foto Surinaams Museum

Nu heeft Fort Zeelandia natuurlijk alles te maken met kolonisatie, maar het is niet zinnig, onkies, welhaast onethisch, om opnieuw de dekolonisatie-strijd op te pakken op het moment dat het hele complex geannexeerd wordt om de geschiedenis geweld aan te doen ten behoeve van de hoofdverdachte in het 8-december-proces. Daarbij gebruikt Hira ook nog valse argumenten: “Maar deze plek is in de loop der tijd verworden tot een folkloristisch museum dat die vier eeuwen durende geschiedenis van pijn en ontmenselijking bagatelliseert en zich beperkt tot 8 december. Het museale gedeelte heeft weinig te maken met de geschiedenis van onderdrukking en uitbuiting en de misdaad tegen de menselijkheid die daar begaan is. Het is een nietszeggend verhaal over cultuur- geschiedenis. Het hele concept van de misdaad tegen de menselijkheid is afwezig. Alleen het verhaal van de Decembermoorden springt eruit terwijl dit verhaal verbonden had moeten worden met het verhaal van pijn en verdriet door de eeuwen heen.”

Hier tegenover staat de perceptie van Theo Para en Michiel van Kempen in hun ingezonden brief in de Ware Tijd van vandaag: “Het Surinaams Museum heeft echter sinds vele jaren op uitstekende wijze culturele invulling gegeven aan het Fort Zeelandia. Er zijn tal van culturele manifestaties geweest, er zijn belangwekkende exposities georganiseerd en de ruimten van het complex bieden onderdak aan vooraanstaande culturele instellingen. Er is geen andere instelling in Suriname die zoveel Surinaams historisch-cultureel erfgoed beheert als het Surinaams Museum. Het doet dat zonder politiek oogmerk, zonder winstoogmerk en met als enig doel het conserveren en uitdragen van alle culturen die Suriname rijk is.”

Hira  is totaal verblind door “die vier eeuwen durende geschiedenis van pijn en ontmenselijking bagatelliseert en zich beperkt tot 8 december. Het museale gedeelte heeft weinig te maken met de geschiedenis van onderdrukking en uitbuiting en de misdaad tegen de menselijkheid die daar begaan is.” Het enige wat Hira ziet en wat voor hem telt is de kolonisatie, of dekolonisatie, al naar gelang. Hij ziet zijn kans schoon om de gedachte van Armand Zunder aan de man te brengen: “Het eeuwenoude fort zou ter nagedachtenis en eerbetoon aan de voorouders van de huidige Surinamers die in Fort Zeelandia zijn vernederd, gemarteld en ook het leven hebben gelaten kunnen worden omgedoopt van Fort Zeelandia in Fort Buku. Liefhebbers van historische namen zouden zich mogelijk kunnen troosten met de gedachte, dat de eerste naam van dit fort, Fort Willoughby was. De sporen van deze naam zijn echter uitgewist. Dit moet niet met de benaming Fort Zeelandia gebeuren. Omdat juist aan deze locatie het afschuwelijke verleden tussen Nederland en Suriname is verbonden moet er een plakkaat komen die uitlegt wat de naam Fort Zeelandia heeft betekend in de historie en verbonden is met het afschuwelijke verleden dat in herinnering moet blijven. Het fort wordt nu als een normaal historisch symbool geprojecteerd, terwijl de historie van de voorouders van vele Surinamers bewust of onbewust in presentaties in het fort wordt verdraaid.
Theo Para

We stellen voor", aldus nog steeds Zunder, "om de naam Fort Zeelandia te veranderen in Fort Buku, omdat Fort Buku de naam van het Fort is van waaruit de Surinaamse vrijheidsstrijder Boni opereerde. De naamsverandering zou moeten worden gezien als een overwinning van het goede op het kwade. Tegelijk met de naamsverandering zou er in dit fort een mausoleum kunnen worden geplaatst. Het mausoleum dient 24 uur per dag, 7 dagen per week, 365 dagen per jaar door militairen van het Nationaal Leger te worden bewaakt als eerbetoon aan de voorouders van de huidige Surinamers.” Alleen dit laatste zal (de militair) Bouterse aanspreken. Maar ook Zunder doet de werkelijkheid geweld aan door te stellen: ”Het fort wordt nu als een normaal historisch symbool geprojecteerd, terwijl de historie van de voorouders van vele Surinamers bewust of onbewust in presentaties in het fort wordt verdraaid.”
Michiel van Kempen

Hira sluit af met te zeggen: “Het huidige museum in Fort Zeelandia is een Nederlands koloniaal museum. Suriname heeft ook behoefte aan een nationaal museum. Ieder land heeft zo’n instituut. Het wordt tijd dat Suriname dat ook krijgt.” Waarschijnlijk is dit hele verhaal van Hira een ordinaire wraakactie, lees maar: “Het museum wordt ook beheerd vanuit een koloniale visie. Ik heb vorig jaar geprobeerd te filmen in het museum, maar kreeg geen toestemming hiervoor. De wachter aan de poort, een oude vriend van me, zei dat hij opdracht van hogerhand hand had om me niet toe te laten. Ik was daar met Armand Zunder voor een televisie-serie over de geschiedenis van Suriname. We mochten niet naar binnen. Een toestemming die niet onthouden werd aan de Nederlandse makers van de beschamende televisieserie getiteld ‘De Slavernij’. Die mochten zonder problemen filmen.”
Sandew Hira, de afgewezen minnaar van Suriname.

P.S.: Het was verwachtbaar, maar zó snel?!  Lees de reactie van Eugène van der San, de waakhond van Bouterse, op StarNieuws.

P.S. 2: Graag wil ik verwijzen naar een open brief van Stichting  het Surinaams Museum op StarNieuws van woensdag 30 mei, waarin de 'heren' Hira, Van der San en Doekhie beleefd doch krachtig op hun vingers worden getikt.

donderdag 10 mei 2012

Het heengaan van broer Anil

door Theo Para

Foto rechts: Ramdas met Leonoor Wagenaar, toenmalig hoofdredacteur van Parbode

Journalist, programmamaker en schrijver Anil Ramdas (16 februari 1958 –16 februari 2012) was te onhebbelijk, te origineel en te individueel om te kooien in links-rechts- of zwart-witsjablonen, zelfs de natuurlijke gang des levens kreeg hem niet in de greep. Sterker, hij kreeg zichzelf niet in de greep. Wie het aandurft in de zoektocht naar het ware en schone, de conventies van ideologie, religie en politiek uit te dagen, betaalt veelal de prijs van eenzaamheid. Dat valt niet mee, we zijn sociale wezens, afhankelijk van de bevestiging en waardering van anderen. Suriname, het land van zijn jeugd, en Nederland, het land van zijn academische vorming, waren de landen waar Ramdas emotioneel het meest bij betrokken was. Hij typeerde de Decembermoorden als ‘moord op het intellect’. Diep teleurgesteld was hij in het Suriname dat een moordenaar als president had gebaard. Bitter was hij over de lankmoedigheid van politiek, media en rechtsstaat jegens de cultuur van intolerantie en ontkenning van discriminatie in Nederland.

Wilders-regime
De cum laude afgestudeerde sociaal-geograaf Ramdas, die promotieonderzoek deed naar de asielprocedure in Nederland, noemde Kambiz Rostayi, de Iraanse asielzoeker die zichzelf in brand stak op de Dam, het ‘eerste slachtoffer van het Wilders-regime.’* Hij sprak bewust over regime: ‘Je noemt iets een regime wanneer je de legaliteit ervan betwijfelt. Ik betwijfel de legaliteit van een gedoogconstructie door een partij die geen verantwoordelijkheid draagt. Er is bewust gekozen voor een semi-legaal kabinet en daarom mag je spreken van een regime.’ Met de overdrijving van de columnist nam hij provocatief en niet gespeend van humor de white trash, zoals hij de PVV-aanhang naar een historische analogie typeerde, op de korrel.
Hij kreeg polemist Joost Zwagerman, die als het gaat om de PVV-aanhang grossiert in kleffe empathie, op zijn dak. In de populaire TV-talkshow Pauw en Witteman kreeg Zwagerman alle gelegenheid Ramdas moreel te diskwalificeren, terwijl Ramdas het recht op wederhoor werd onthouden. Dat in Pauw en Witteman nog geen seconde aandacht was voor het overlijden van Ramdas, leek een echo van die partijdigheid. Ramdas zag in de intellectuele aanvallen op de multiculturele samenleving een gevaar voor de rechtsgelijkheid van migranten in Nederland: ‘Paul Scheffer heeft in 2000 met zijn essay Het multiculturele drama het verkeerde drama gedefinieerd. Voor hem was het drama dat de onderklasse te lijden kreeg van de immigranten. We moeten erkennen dat die klasse nu aan de macht is en de tolerantie jegens migranten heeft vernietigd.’ Durf kon Ramdas niet worden ontzegd. Politiek incorrect keek hij midden in het integratiedebat naar ’40-‘45. ‘Het is nu eenmaal een pijnlijk feit dat Nederlanders hebben moeten erkennen dat ze als klein en verwaarloosbaar landje relatief het grootste aantal joden hebben laten deporteren.’

essay2.jpgessay3.jpg

Persoonlijk falen
Sprekend over zijn romanpersonage Badal zei hij, ook verwijzend naar zichzelf: ‘Ik ben de associaties met Menno ter Braak en Eddy du Perron, hun Comité van Waakzaamheid tegen het fascisme en hun dood op de dag dat Nederland capituleerde voor de nazi’s niet uit de weg gegaan.’ Een opmerkelijke associatie vanuit de wetenschap nu dat Ramdas zelf een eind maakte aan zijn leven. Menno ter Braak, een van Nederlands grootste essayisten, stierf zelfgekozen op de dag van de Nederlandse capitulatie voor de Duitse nazistische bezetter. Ramdas zag in het aan de macht komen van het ‘Wilders-regime’ een persoonlijk falen, hij en zijn medecritici zouden onvoldoende hebben gedaan het gevaar te keren. Wellicht zag hij onvoldoende het onvermogen van het etno-populisme om een geloofwaardig perspectief van samenleven en internationaal samenwerken te bieden. Een ideologie die contraproductief is vanuit het gezichtspunt van de behoeften en belangen van de mensheid zal vroeg of laat gemarginaliseerd raken, soms door er eerst een grote puinhoop van te maken, soms door een potsierlijke implosie.

Drankzucht
Ramdas raakte intellectueel ontheemd, een vreemde in de culturen van herkomst en aankomst. Drankzucht, zoals hij zijn demon zelf noemde, maakt een mens vaak ook tot een vreemde in zijn persoonlijke leven. In isolement verschrompelen betekenis en hoop.
Politiek-culturele teleurstelling en alcoholisme zijn contextuele factoren bij het tragische einde van Ramdas. Wat precies de aanleiding was, in welke staat hij was, wat zijn concrete motieven op het fatale moment waren, dat weet ik niet en hoort tot zijn persoonlijke levenssfeer. Ik heb geschreven over wat uit zijn publieke optreden bekend is. Op het internet verscheen ook een enkele boze reactie over de zelfdoding. Een initiatief in Nederland tot permanent eerbetoon aan het intellectuele nalatenschap van Ramdas zou volgens die reactie niet gepast zijn. Laten we langs onze grootste talenten niet de inhumane maat van de perfectie leggen: niets menselijks was Anil vreemd. Hij heeft nooit gepretendeerd ons qua gezonde leefstijl en stressmanagement tot voorbeeld te dienen, hij was niet trots op zijn zelfdestructieve rook- en drinkgedrag. Anil kon bovenal mooi en erudiet schrijven. Hij was onze grootste essayist die ons prachtige beschouwingen, mooie verhalen en vele boeiende interviews, radio- en televisieprogramma’s naliet. Zijn pretentie was ons literair, journalistiek en emancipatoir tot voorbeeld te strekken en daarin is hij ruimschoots geslaagd.

Strijder
Zoals onze beste voetballers de eredivisie betraden, zo deed Anil ondanks het glazen plafond succesvol zijn intrede in de eredivisie van het intellectuele en culturele leven in Nederland. Hij werd redacteur van het vooraanstaande culturele tijdschrift De Groene Amsterdammer, essayist, columnist en India-correspondent bij de kwaliteitskrant NRC Handelsblad. Hij maakte spraakmakende televisie van hoog niveau bij de VPRO en publiceerde bij de grootste Nederlandse literaire uitgever De Bezige Bij. Voor zijn bijdrage aan de cultuur in Nederland en het bevorderen van een goede verstandhouding tussen de verschillende bevolkingsgroepen kreeg hij de E. du Perron prijs. Er zijn tot nu toe geen Surinamers die hem dat hebben nagedaan of voorgedaan. Toen ik bij de presentatie van zijn boek Paramaribo, de vrolijkste stad in de jungle als forumlid sprak over zijn Naipaulse schijfstijl glimlachte hij met zijn blik omlaag. Ik stond daarna in de lange rij wachtenden met mijn boekexemplaar voor signering. Onze ontmoeting was hartelijk. Hij schreef als opdracht: mijn grootste strijder. Het was onze derde en laatste ontmoeting. Toen ik nog op het eiland Aruba woonde, had hij mij tweemaal naar Nederland gehaald om in zijn VPRO-programma te komen spreken over Suriname.


essay4.jpg
Albert Helman
beeld: Rudhi Relyveld
Verheffing
Ik voelde, ondanks het bij eigenwijzen soms onvermijdelijke verschil van mening, een bijzondere verwantschap met Anil. Dat kwam vooral door Lou Lichtveld, alias Albert Helman, onze grootste schrijver, die in Anil en mij zijn twee schrijverszonen zag. In de jaren negentig ondertekenden wij drieën met andere intellectuelen een oproep tot nauwere Surinaams-Nederlandse samenwerking. Anil kreeg van Helman zijn Mexicaanse halsketting, ik zijn Suriname-bibliotheek. Anil schreef prachtig over Helman, over zijn werk en zijn anti-dictatoriale strijd en over Lichtveld’s oprichting van de Algemene Middelbare School (AMS) in Suriname. Anil roemde deze oprichting, want zijn recept voor de oplossing van maatschappelijke problemen was onderwijs. Dat was ook het recept dat hij de achterban van de PVV voorhield. Anil geloofde in de geestelijke verheffing, in wetenschap en cultuur. De literatuur en andere kunsten, geschiedenis en sociale wetenschappen: het was zijn vaste overtuiging dat het beter zou gaan met de mensen als allen mochten delen in het geestelijk erfgoed van de mensheid. In onwetendheid zag hij de grote boosdoener. Wellicht dat hij in zijn weerzin daartegen soms doorschoot in wat sommigen ‘intellectuele arrogantie’ noemden, maar zijn drijfveer was niet elitair. Hij stelde niet de intellectueel boven de gewone man, maar kennis en cultuur boven onwetendheid en barbarij.
Broer Anil is nu heen. Ik zal evenals velen, lezend in zijn eerste en laatste roman Badal aan hem denken. In veel commentaren is Badal een autobiografie genoemd, Anil heeft dat nadrukkelijk ontkend. Anil was een kampioen van de relativering, hij kende het spel van de ondeugende dubbelzinnigheid, van het zijn en tegelijkertijd niet zijn. Ik vermoed dat hij met zijn roman ons een discussie nalaat, waar het laatste woord niet gezegd kan worden, hij was immers in het diepst van zijn wezen een schrijver, geloofde niet in het bestaan van het laatste woord en bleef zich verwonderen over het raadsel van het leven.

* Deze en andere aanhalingen zijn afkomstig uit de volgende interviews: ‘Anil Ramdas: we zijn allemaal expats’, interview door Mischa Cohen in Vrij Nederland (18 mei 2011) en ‘Ik wou dat we gevaarlijk waren’, interview door Elsbeth Etty (juli 2011) in NRC Handelsblad dat op 17 februari 2012, een dag na zijn dood, weer werd gepubliceerd.

[uit Parbode, 1 april 2012]

zondag 1 april 2012

Negationisme à la Simons


door Theo Para

DNA-voorzitter Jennifer Geerlings-Simons heeft in Starnieuws de politici die tegen de Amnestiewet 2012 zijn, ervan beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor het feit dat de mensenrechtenschendingen van de jaren tachtig ‘na 1987’, tot nu toe niet zijn onderzocht. Met de amnestiewet 2012 is het de huidige coalitie die nu eens eindelijk ‘voorgoed’ de decembermoorden en andere schendingen van de mensenrechten ‘oplost’. En met een ‘waarheidscommissie’ zal dan de ‘echte waarheid’ naar voren komen. Evenals haar partijgenoot-president, de hoofdverdachte van de decembermoorden en zelfverklaard verantwoordelijke voor de massaslachting te Moiwana, hanteert de partijdige DNA-voorzitter de tactiek van ‘de dief die roept: “houdt de dief” ‘.

De politici die zich, evenals de nabestaanden, maatschappelijk en religieuze organisaties keren tegen de Amnestiewet ‘12, willen juist dat het 8 decemberstrafproces wordt afgerond. Zij hebben sinds 2000 tot en met 2010 de infrastructurele voorwaarden en de veiligheidssituatie geschapen voor het gerechtelijke onderzoek, de vervolging en berechting van de decembermoorden. Sinds Simons de hoofdverdachte van de decembermoorden de presidentsketen heeft omhangen, nam de ondergraving van de voorwaarden van het 8 decemberstrafproces een aanvang. Te beginnen bij het plaatsen van de beveiliging van rechterlijke macht in handen van de veiligheidsdienst van de president-hoofdverdachte.

Medeplichtig
Het zijn juist de pro-Amnestiewet ’12 politici die de afronding van het strafproces - het eind is nabij! - willen belemmeren. Het merkwaardige is dat Simons dit een ‘oplossing’ noemt. Het kenmerkende van de Amnestiewet 2012 is dat zij daders van zeer ernstige schendingen van de mensenrechten, zonder enige vorm van het afleggen van verantwoording, vrijstelt van strafvervolging. Gezien die extreme eenzijdigheid is de typering daderswet dan ook passend. Dat de indieners van het omstreden wetsvoorstel ook nog de (president-)hoofdverdachte van de decembermoorden die wet willen laten bekrachtigen, is illustratief voor de belangenverstrengeling. Omdat daders jouw partij- of coalitiegenoten zijn, mogen zij rekenen op straffeloosheid. Leve de willekeur van de barbarij!

Dat daarbij ook nog tegen de grondwet en internationale verdragen in de onafhankelijke rechtsgang wordt belemmerd, maakt de DNA-leden die de Amnestiewet 2012 helpen aannemen, inclusief de partijdige DNA-voorzitter, tot medeplichtigen van de daders; ongeacht de drogredeneringen die zij aanvoeren om dat te vergoelijken. Wat Paul Somohardjo demagogisch ‘vergeven’ noemt, is niets anders dan het in ruil voor posities en privileges (Romeo en Julia in Jakarta), de grondrechten van de slachtoffers en nabestaanden verkwanselen ten gunste van moordenaars en folteraars, die in hun hunkering naar (internationale) acceptatie kennelijk amnestie behoeven.

Straffeloosheid
Omdat Simons de criminaliteit in de politiek (massamoord) verdedigt door strafvervolging te ondermijnen, moet zij in haar doodsstrijd om geloofwaardigheid woorden van hun betekenis beroven. Terwijl elk verstandig mens, nationaal en internationaal, in de Amnestiewet ’12 een probleem ziet, noemt zij het een ‘oplossing’. Jawel, een oplossing voor de daders, maar een megaprobleem voor de nabestaanden, de samenleving en de rechtsorde. Want wat de Amnestiewet ’12 doet is het wettelijk sanctioneren van de cultuur van de straffeloosheid, die sinds 1980 de Surinaamse samenleving verdeelt en belemmert in haar vrije ontwikkeling.

De oorzaak van deze langdurige straffeloosheid ligt in het gegeven dat de daders tot de tanden gewapend bleven en forse invloed bleven behouden in politiek en staat (leger). De democratische politici die omzichtig met die situatie omgingen, deden dat omdat zij, in de woorden van ex-president Venetiaan, een ‘shoot out’ wilden voorkomen. Zij zochten naar wegen de cultuur van de straffeloosheid te beëindigen, zonder dat het moeizaam op gang gekomen democratiseringsproces zou stagneren of terugvallen. Misschien waren ze daarin te voorzichtig en soms tranga ede (Amnestiewet ’92). Maar toen door het initiatief van nabestaanden en sympathiserende maatschappelijke organisaties het Hof van Justitie in 2000 besloot dat de decembermoorden moesten worden vervolgd en berecht, gingen de democratische politici aan de slag. Anders was het met de inzet van Simons, die sinds de jaren tachtig het tot haar levenswerk heeft gemaakt politieke invloed en staatsmacht te verwerven in kritiekloze kameraadschap met de verantwoordelijken van ernstige schendingen van de rechten van de mens. In de verkiezingen deed zij evenals Melvin Bouva en André Misiekaba haar kiezers nog geloven dat zij de onafhankelijke rechtsgang ongemoeid zou laten. Maar dat blijkt nu onmiskenbaar kiezersbedrog. Zij is persoonlijk medeverantwoordelijk te achten voor het ontstaan en voortduren van de cultuur van straffeloosheid in Suriname. Haar verdediging van de Amnestiewet ’12 vormt van die inzet de apotheose.

Negationisme
Simons gunt met de Amnestiewet ’12 de Krijgsraad niet eens het recht om na ruim vier jaren onderzoek, waaronder forensisch onderzoek en het horen van verdachten, getuigen, advocaten en aanklagers, te vertellen wat haar onderzoeksbevindingen zijn en wat haar conclusies. Laat staan dat zij de Krijgsraad de ruimte laat tot het uitspreken van een vonnis. Nee, zij weet zeker, nog voordat iets bekend is over vorm, inhoud en samenstelling van een post-amnestie ‘waarheidscommissie’, dat die zal vertellen wat de ‘echte waarheid’ is. Wat een arrogantie en zelfingenomenheid! Haar opvattingen zijn verontrustend, omdat die ‘echte waarheid’ gezien haar politieke lijn van de straffeloosheid, niets anders kan betekenen dan negationisme. Dat is een vorm van herschrijven van de geschiedenis die de ernstige misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en/of genocide ontkent, minimaliseert of vertekent, alles met het doel de dadersbelangen te beschermen.

Internationaal bekende vormen van negationisme, door sommigen ook historisch revisionisme genoemd, zijn de ontkenning van de Holocaust en de Armeense genocide. De psychologie van de straffeloosheid is ontkenning. Zo kon Bouva met de stelligheid van de aanhanger roepen: ‘In onze partij zijn geen moordenaars!’ Waarom dan de Krijgsraad het zwijgen opleggen? Feiten die de ‘echte waarheid’ voor de voeten lopen zijn ongewenst, de boodschappers van die feiten moet de mond worden gesnoerd.

[ook in Starnieuws, 31 maart 2012]
Foto: @ Nicolaas Porter

woensdag 28 december 2011

Theo Para schrijft voor Parbode

Essayist Theo Para schrijft vanaf de december-editie van Parbode maandelijks een essay in dit in Suriname en Nederland verschijnende maandblad. Zijn eerste essay heet 'De liegmacht'.


Theo Para (links) overhandigt De schreeuw van bastion Veere aan Wilfred Lionarons


Theo Para, vanaf het allereerste begin criticus van het militaire bewind, verliet Suriname na de decembermoorden. Zijn vriend en collega/publicist Bram Behr was een van de vijftien slachtoffers. Para is nu essayist bij De Groene Amsterdammer. Hij schreef vier essaybundels. Zijn laatste bundel De schreeuw van Bastion Veere, om de rechtsorde in Suriname is in tweede druk verschenen bij Uitgeverij Van Gennep. Het bundelt zijn langdurige publicistische opstand tegen de (post)dictatoriale straffeloosheid in zijn geboorteland. In het voorwoord van zijn eerste bundel In de schaduw van de mamabon (1993) schreef Albert Helman:
‘ Eigenlijk zou ik Theo Para’s analyse zelf geschreven hebben, maar ik miste er de tijd, de begaafdheid en de levenskracht toe. Des te meer verheugt het mij te mogen meemaken dat de pen in langjarige dienst van het droombeeld “Suriname” nu door een veel jongere hand is overgenomen.’
In de januari-editie van Parbode verschijnt Para’s essay 'Het Plafond van Telting'.

donderdag 22 december 2011

Suriname & ik


door Alex van Stipriaan

In het verlengde van een vergelijkbaar boek over de Antillen En Ik (2008) vroegen de beiden uit (deels) Surinaamse ouders geboren bekende Antilliaanse Nederlanders John Leerdam en Noraly Beyer 55 mensen hun relatie met Suriname te beschrijven. De ondertitel, dat het hier de persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland betreft, is overigens enigszins misleidend. Zo zou het voor velen passender zijn hen als Surinaamse Nederlanders te omschrijven gezien het feit dat ze al het grootste deel van hun leven aan deze kant van de oceaan wonen of zelfs hier geboren zijn (onder andere Antoine de Kom, Ricardo Burgzorg, Ernestine Comvalius, Gerard Reteig (afb. links), Hans Pos, Clayde Menso). Daarnaast is zeker eenvijfde van de auteurs nou niet direct een bekende Surinamer. Althans, ik denk niet dat een aantal in Nederland geboren en getogen onderzoekers en journalisten zonder Surinaamse voorouders zichzelf zo zou omschrijven (onder andere Gert Oostindie, Wim Hoogbergen, Bonno Thoden van Velsen, Dirk Kruijt, Peter Meel, Hans Buddingh', John Jansen van Galen, Gerard van Westerloo). Dat geeft natuurlijk direct ook de problematiek van dit soort bundels weer: wie vraag je om een bijdrage en waarom? Waarom bijvoorbeeld wel ex-minister Roger van Boxtel (‘Wat is een bezoek aan Paramaribo zonder een Parbobiertje bij ’t Vat’) en niet Jurgen Raymann, Def Rhymz, of Umberto Tan? Waarom wel Hans Pos, wiens grootvader uit Suriname kwam en er zelf pas in 2010 voor het eerst is geweest en niet Jetty Mathurin of een van de tientallen beroemde voetballers met een Surinaamse achtergrond? Waarom wel zoveel schrijvers (onder andere Anil Ramdas, Thea Doelwijt, Usha Marhé (foto rechts), Henna Goudzand, Jenny Mijnhijmer, Michiel van Kempen, Henry Does) en bijvoorbeeld geen enkele beeldend kunstenaar zoals Remy Jungerman, Patrica Kaersenhout, Gillion Grantsaan, Natasha Kensmil, of een succesvolle ondernemer, of een geslaagde crimineel, of.... ? Jammer genoeg ondernemen de samenstellers ook geen poging daar in de inleiding – alleen door Leerdam geschreven − enige opheldering over te geven. Het gaat hen om personen ‘die Suriname een warm hart toedragen’ en ‘een platform te bieden aan individuele verhalen over de relatie met Suriname, belevenissen in dat land en ervaringen in Nederland afgezet tegen de Surinaamse achtergrond.’

Natuurlijk levert dat een onevenwichtig boek op, al was het maar omdat de een echt kan schrijven en een pareltje van een short story bijdraagt (Michiel van Kempen) en de ander niet meer dan een korte opsomming van het eigen cv inleverde (Elvira Sweet). Waarschijnlijk de twee meest voorkomende zelfstandig naamwoorden in dit boek zijn 'afscheid' en 'vliegtuig', meer dan eens in combinatie met elkaar. Er wordt wat afscheid genomen en er wordt wat afgemijmerd op weg naar, in en na het vliegtuig. Dat geeft tegelijk een van de nadelen van zo'n bundel weer: dezelfde soort emoties en metaforen blijven niet boeien.

De meest voorkomende naam in het boek, al of niet expliciet genoemd, is die van Bouterse. Voor velen overschaduwt hij, en alles waarvoor hij staat, de herinnering aan, en persoonlijke banden met Suriname. Na meerdere van zulke bespiegelingen (onder andere Noraly Beyer, Joanna Werners, Mirto Murray, Sandew Hira, Theo Para, Gerard Spong), die door de rauwere emotie dan die van 'afscheid' wel blijven boeien, vraag je je (opnieuw) af hoe het kan dat Suriname deze man tot president heeft gekozen. 'Journalist Hans Buddingh' probeert daarop een antwoord te vinden door een oud-premier aan te halen die de huidige president vergelijkt met de aantrekkingskracht van Anansi die steeds iedereen te slim af is: een mengeling van vrees en bewondering. Dat er nauwelijks protest te horen is verklaart de oud-premier met de woorden: ‘huwelijken hebben van recente vijanden wederzijdse schoonouders gemaakt en wederzijdse families [...] nader tot elkaar gebracht’. Oftewel, zegt Buddingh', ‘de kleinschaligheid van de Surinaamse samenleving lijkt begrippen als schuld en boete te vertroebelen.’ Ook anderen houden zich met deze kwestie bezig. Zo laat Gerard van Westerloo een neuroloog in Suriname uitleggen dat Surinamers schizoïde zijn en in verschillende werkelijkheden tegelijk kunnen leven, terwijl Gloria Wekker min of meer de Anansi verklaring onderschrijft met haar verwijzingen naar het 'big man'-syndroom en de populariteit van wakaman koni.

Naast dit soort tamelijk fundamentele thema's komen er, logischerwijs, veel persoonlijke herinneringen aan bod. Bij sommigen is dat aan iemand die vormend is geweest voor de eigen ontwikkeling, zoals ouders, een familielid of een leermeester (onder andere George Khemradj, Adjiedj Bakas, Hugo Fernandes Mendes, Chan Choenni). Anderen vertellen over hun jeugd en/of de oude buurt waarin ze zijn opgegroeid (onder andere Ernestine Comvalius, Gerda Havertong, Rabin Baldewsingh, André Pakosie). Die soms ‘paradijselijke’ jeugd geeft tegelijk echter ook het – vaak impliciete – dilemma van velen aan: door Suriname ben ik geworden wie ik nu ben, daarvoor zal ik het altijd in mijn hart meedragen, maar ik pas er niet meer (Manoushka Zeegelaar Breeveld, Tanja Jadnanansing). Impliciet blijkt dat ook uit de stukken die, soms letterlijk (Ronald Snijders), ‘het Surinaams gevoel’ proberen te beschrijven, maar dan wel vanuit Nederland (Mireille Kroonenberg, Denise Jannah).

Een laatste thema dat onlosmakelijk verbonden is aan een bundel als deze is natuurlijk: de eerste keer, of breder: de buitenstaander, of hilarischer: bakra in Suriname. Dat varieert van de teleurstelling dat het Suriname uit de familieverhalen iets was ‘dat elk familiefeest [in Nederland] van hand tot hand ging en elke keer iets meer werd opgepoetst’ (Jörgen Tjon A Fong) tot en met de humor van Suriname die uitmondt in de grap: ‘Raymann is briljant, maar bij Bouta gaan de mensen dood van het lachen.’(Guus Pengel).

John Leerdam en Noraly Beyer, Suriname en ik; Persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland. Amsterdam: Meulenhoff, 2010. 286 p., ISBN 9789029087193, prijs € 19,95.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

dinsdag 12 juli 2011

Horb is vermoord

door Theo Para

Roy Horb, de in ongenade gevallen tweede man van het toenmalige Militaire Gezag, is vermoord. De lezing van het militaire regime dat Horb (foto rechts) zich op 2 februari 1983 in zijn cel in Fort Zeelandia ‘met het koord van zijn onderbroek aan een spijker’ had verhangen blijkt gelogen. Horb zou eerst met behulp van ‘een arts’ om het leven zijn gebracht, daarna hingen zijn moordenaars hem met een koord op aan een spijker in de muur van zijn cel.

De getuigenis van oud-politieofficier Herman Doorson liet er geen misverstand over bestaan. De voormalig politieman verscheen op 8 juli als getuige à décharge voor de Krijgsraad in het 8 december strafproces. Dat Doorson (foto links) als ‘vriend van Bouterse’ deze onthullende verklaring aflegde draagt bij aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van zijn versie van de noodlottige epiloog van de decembermoorden van 1982. Bouterse en zijn groep wilden met de brandstichtingen, folteringen, decembermoorden, mediaverboden en afschaffing van verkiezingen niet alleen afrekenen met de democratische volksbeweging, zij wilden ook andersdenkenden binnen hun regime liquideren. In het boek Decembermoorden in Suriname. Verslag van een ooggetuige (1983) liet Horb zijn getuigenis optekenen door ex-minister Jan Sariman. Hij vertelt daarin dat hij door Bouterse ‘werd gedwongen’ mee te doen aan de moorden op 8 december 1982. De ‘Leider van de Revolutie’ wilde van hem af omdat hij zich niet kon vinden in de koers richting een ‘linkse’ totalitaire staat in Suriname. Om hem te compromitteren liet Bevel, Horb op de televisie met de aangeslagen journalist Jozef Slagveer verschijnen.

Roy Horb en Jozef Slagveer

Slagveer las onder geweldsdreiging een valse zelfbeschuldigende verklaring voor waarin de gearresteerden van 8 december 1982 van een staatsgreep en samenzwering met buitenlandse machten werden beschuldigd. Ook André Kamperveen, een ander 8 decemberslachtoffer, moest zo een valse verklaring voorlezen. Hij verscheen niet op de televisie, slechts op de radio was zijn gebroken stem te horen. Pas veel later, in een zitting van het 8 december strafproces, zouden filmbeelden van zijn verklaring worden vertoond. Op die beelden, die op 8 december 1982 in het Fort Zeelandia waren geschoten, was ook zijn verhoorder te zien: Desi Bouterse. Voor de goede verstaander was daarmee de hoofdverdachte op heterdaad betrapt, hij was wel in het Fort tijdens de folteringen en moorden. Toen de VN rapporteur voor de mensenrechten mr. Amos Wako verhaal kwam halen bij de legerleiding was het duidelijk in welke schoenen de schuld zou worden geschoven. Sgt. Majoor Zeeuw, toenmalig ondercommandant van de Militaire Politie en vertrouweling van Bouterse, vertelde volgens de rapportage van Wako het volstrekt ongeloofwaardige verhaal dat ‘een soldaat’ met een ‘Bren gun’ plots begon te schieten op de ‘gevangenen’, omdat hij ‘waarschijnlijk ten onrechte dacht dat ze zouden vluchten’. Op de vraag wie de soldaat dan wel niet was, zei hij dat het een ‘dienstplichtig soldaat’ betrof ‘die alleen majoor Horb kende’. Zowel naar verklaringen van Zeeuw, kapt. Graanoogst, als lt. Gorré was alleen (!) Horb in Fort Zeelandia. En Horb was er niet meer. Maar Horb was voorzienig en liet deze getuigenis optekenen: ‘Als ik mocht doodgaan bij een verkeersongeluk, door verdrinking of wat dan ook, weet één ding: ik ben vermoord. Vermoord door Desi en zijn bende.’

Foto uit De Decembermoorden in Suriname. Bijschrift: Legerleider Bouterse met op zijn arm een kind van Cyrill Daal, de man die hij eigenhandig ontmande en ombracht.

Meineed als ‘geheugenverlies’

Irwin Kanhai, advocaat van de hoofdverdachte, was als PALU-kaderlid in 1982 militant van de ‘revolutie’, lees de militaire dictatuur. Hij verdedigt met de hoofdverdachte ook zijn eigen politieke biografie. De ethische gedragscode van advocaten vraagt om onafhankelijkheid van de advocaat in relatie tot zijn cliënt en diens belangen. Bij Kanhai lijkt die onafhankelijkheid zoek, niet alleen vanwege zijn politieke affiliatie met de hoofdverdachte, maar ook vanwege zijn meer politiek-ideologische, dan juridische strategie in de rechtszaal. Kanhai (foto rechts) tracht met juridische middelen de desinformatie en lastercampagne van het toenmalige militaire regime tegen zijn slachtoffers en de laffe, valse alibiverhalen van de hoofdverdachte legitimiteit te verschaffen. Hij tracht de leugen dat de decembermoorden het antwoord waren op een dreigende invasie en staatsgreep, waaraan de slachtoffers zouden hebben deelgenomen, kredietwaardigheid te verschaffen. Maar de decembermoorden waren geen antwoord op een dreigende invasie, zij waren als volkenrechtelijk misdrijf tegen de menselijkheid juist aanleiding tot overwegen van een buitenlandse humanitaire interventie. Kanhai poogt slachtoffers en daders met elkaar te verwarren. Maar het is zoals de OAS in haar rapport over de decembermoorden stelde: ook al waren de slachtoffers voornemens een staatsgreep te plegen, dan nog rechtvaardigt niets het martelen en zonder vorm van proces executeren van ongewapende mensen. Soerendre Rambocus en Jiwan Sheombar werden zelfs uit hun gevangeniscellen in Santo Boma gehaald om hen op Bastion Veere dood te schieten. Wat Kanhai tracht te verhullen is dat de decembermoorden onderdeel waren van een totalitaire machtsgreep, waarvan hij en zijn politieke partij ruimschoots hebben geprofiteerd. Uit de kruitdampen van 8 december 1982 verscheen splinterpartij PALU in de totalitaire regering van 1983 als partij met de meeste ministersposten en het premierschap. Met Doorson trachtte onze politieke advocaat weer het invasiefabeltje iets van geloofwaardigheid te verschaffen. Hij had daarbij, ongetwijfeld tot zijn ergernis, niet alles in de hand. Want naast de ontboezeming over de moord op Horb, verklaarde deze ‘vriend van Bouterse’ ook nog dat oud vakbondsleider Fred Derby, anders dan Bouterse beweerde, geen ‘mol’ van het militaire bewind was en dat het ‘op de vlucht neergeschoten’ verhaal van bevelhebber Bouterse niet waar was. Deze toenmalige politieofficier was gedetacheerd bij Procureur Generaal R.Reeder, die hem na de decembermoorden vroeg gegevens te verzamelen omdat mogelijk strafbare daden waren gepleegd. Er werden geen mensen verhoord. Bovendien kreeg hij na de dood van Horb van de PG te horen dat hij ook met dat gegevens-verzamelen moest stoppen. Doorson zei nadrukkelijk dat het niet om een onderzoek en zeker geen strafrechtelijk onderzoek ging. De bewering van Bouterse, veel later, dat er onder zijn bewind na 8 december 1982 onderzoek was verricht, maar dat het was kwijtgeraakt, was dus de zoveelste leugen. Ook in het rapport (1985) van Wako vinden we daarvan de bevestiging. De VN rapporteur schreef dat ‘Lt.Kol. Bouterse’ tegenover hem had verklaard dat ‘er geen poging is ondernomen om een onderzoek naar de gebeurtenissen in te stellen.’ Doorson maakte van zijn verzamelde gegevens een dossier in drievoud. Twee exemplaren bewaarde hij op het kantoor van de PG en een gaf hij vertrouwelijk – ‘een vriendendienst’ – via toenmalig directeur Jozef Brahim in bewaring bij De Surinaamsche Bank. Ter zitting bleek dat alle drie exemplaren waren verdwenen. ‘Een groot raadsel’ zei getuige Jozef Brahim (foto rechts), die vertelde dat in 1993, toen hij met pensioen ging, het bankexemplaar er nog was. Toen de rechters aan getuige Doorson vroegen wat hij zich kon herinneren van zijn gegevens, zei hij dat hij zich had aangeleerd na een ‘zware zaak’ de gegevens uit zijn geheugen ‘te wissen’, want ‘anders word je gek’. Voor een ieder met enige kennis van de werking van het menselijke geheugen is die bewering lariekoek. De hersenen zijn geen computer. Treffend gebruikte auditeur-militair Roy Elgin het begrip ‘delete’ voor de ongeloofwaardige pretentie van de getuige. Maar het delete-knopje van Doorson werkte selectief. Want hij wist wel zich te herinneren dat in het dossier ‘90% harde informatie was dat Nederland Suriname zou binnenvallen’. Derby zou dat aan Horb gezegd hebben. Nee, hij herinnerde zich geen details, ook wist hij geen namen, geen gebeurtenissen, geen feiten, alleen van-horen-zeggen. Horb en Derby zijn er niet meer, het dossier is foetsie, we moeten het dus alleen doen met het delete-geheugen van de ‘vriend van Bouterse’. Dat deze getuige buiten zijn rol ging van vertolker onder ede van wat hij heeft waargenomen, bleek uit zijn verdachtmaking (www.caribiana.nl) dat het exemplaar uit de kluis van de bank mogelijk is weggehaald door de Nederlandse ambassade of door Ilse Labadie, voorzitster van de Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede, die toen bij de bank werkte. Zowel Nederland als de nabestaanden zouden er baat bij hebben dat informatie over de ‘invasieplannen’ niet naar buiten zouden komen. De getuige verraadde hiermee niet alleen zijn partijdigheid, hij laadde ook de verdenking op zich de dief te zijn die roept ‘houdt de dief’. Want behalve Jozef Brahim en Herman Doorson wist niemand anders van het exemplaar in de bankkluis en de afspraak was dat alleen als de laatste erom vroeg het uit de kluis zou worden gehaald. En waarom heeft Doorson, toen midden jaren negentig bleek dat het exemplaar uit de bankkluis was verdwenen, geen onderzoek naar de verdwijning laten instellen?! In 1997 werd hij door het regime Bouterse-Wijdenbosch benoemd tot hoofd van de Centrale Inlichtingen Dienst (CID). Zijn ‘vriend’ en naar het unanieme verhaal van alle ooggetuigen de opdrachtgever van de decembermoorden, had alle belang bij de verdwijning van het dossier en waarom zou de gecompromitteerde Doorson zijn Baas daarbij niet van dienst zijn?! Als het gaat om zijn getuigenissen à décharge marcheert Doorson in de parade van pro-Bouterse-getuigen die meineed vermommen als ‘geheugenverlies’. Maar ook om andere reden is Doorson - die terloops, in lijn met de leugens van Bouterse en Kanhai, alle schuld in de schoenen van de nu overleden Paul Bhagwandas (foto links) tracht te schuiven – als getuige à décharge onbetrouwbaar. Het NRC Handelsblad van 17 mei 1997 citeerde uit een vertrouwelijk proces-verbaal van de Haagse regionale criminele inlichtingendienst dat ‘H.C.E. Doorson, die in het dagelijks leven bij het korps politie Suriname werkt als inspecteur een cocaïnelijn heeft opgezet. Doorson zou een koelvrieshuis hebben in het bedrijf NV Doroe in Suriname alwaar cocaïne geprepareerd zou worden in bevroren vis, bestemd voor Nederland. Doorson heeft zakelijke belangen met Lowes en Bouterse.’

Heropening onderzoek

De justitiële autoriteiten in Suriname moeten op straffe van verlies van geloofwaardigheid onmiddellijk het onderzoek naar de dood van Roy Horb heropenen. Doorson moet worden verhoord, terwijl ook de ‘arts’ die mogelijk op flagrante wijze zijn medische eed en de mensenrechten heeft geschonden flink aan de tand moet worden gevoeld. Gezien de huidige ongunstige politieke omstandigheden, waarbij de hoofdverdachte president is, is internationale betrokkenheid bij het onderzoek belangrijk voor borging van procedural justice en de geloofwaardigheid van de onderzoeksresultaten. De Surinaamse staat is deze inzet tot waarheidsvinding verplicht aan de Surinamers en de collega’s, vrienden en nabestaanden van Roy Horb.

10-07-2011