Posts tonen met het label Heuvel Jeroen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Heuvel Jeroen. Alle posts tonen

vrijdag 16 mei 2014

De slaaf is weggevlogen, maar…

Beeldvorming van de Nederlandse slavernijgeschiedenis

door Jeroen Heuvel

Wat is de waarheid? Abel zal op deze vraag iets anders antwoorden dan Kaïn of dan Eva. Wat in het politiebericht staat, zal voor dader en slachtoffer feitelijk zijn, maar wat de een heeft bewogen en wat de ander heeft beleefd, en of de dader zich misschien eigenlijk als slachtoffer ziet en het slachtoffer als dader – “ja, maar hij is begonnen” – zal discutabel zijn want wie spreekt de waarheid? Omdat de beleving in de ziel voor iedereen anders is, omdat het verhaal van ieder individu een andere kleur heeft, omdat helden schurken kunnen zijn, lijkt het onmogelijk dat iedereen het eens is over de motieven van gebeurtenissen. Ook zijn er mensen die de gebeurtenis betwijfelen.
De slaaf vliegt weg, verbeelding van Elis Juliana, 
siert de kaft van het boek


In december 2013 is er bij LM Publishers in Nederland een boek gepubliceerd, De slaaf vliegt weg, beeldvorming over slavernij in de kunsten. Het is een bundeling van tot essays bewerkte lezingen van een in 2009 gehouden internationaal symposium over de verhouding tussen historische romans en de beeldvorming van de Nederlandse slavernijgeschiedenis en enkele (fragmenten van) literaire teksten die gerelateerd zijn aan de slavernij in het Caraïbisch gebied. Het betreft een inleiding plus elf essays, zeven literaire teksten – van bijvoorbeeld Ini Statia, Ina Césaire en Fausten Charles – en verschillende afbeeldingen van kunstwerken, van Remy Jungerman, Ras Ishi Butcher, Letitia Brunst en anderen. Het boek is samengesteld door Lucia Nankoe en Jules Rijssen.

Het onderwerp van het symposium is erg belangrijk en interessant. Het bewustzijn over het gezamenlijk verleden is nog veel te sluimerend en moet, willen we vooruit komen, door ons worden gewekt; het gesprek over de slavernij, de rassendiscriminatie, de koloniale uitbuiting, blijft nodig zolang er niet een geschiedenisboek kan worden geschreven waarover partijen het allemaal eens zijn. Met andere woorden moeten we achteruit blijven kijken totdat het duidelijk is waar we naar toe willen, want uiteindelijk moeten we toch vooruit.

In de inleiding stellen de redacteuren dat romanschrijvers en verhalenvertellers met collega-schrijvers, vakwetenschappers en lezers debatteerden over het bovengenoemde thema. De vraag kan gesteld worden of historische romans een rol vervullen in de beeldvorming over het slavernijverleden, en zo ja welke. “Juist omdat het om een mentaal proces gaat, is het moeilijk precies aan te geven hoe het ons gedrag beïnvloedt. Maar die beïnvloeding vindt wel plaats.”

Sprekers waren naast de redacteuren onder meer Michiel van Kempen, Ernest Pépin, Quito Nicolaas, Cynthia Mc Leod, Rihana Jamaludin en Fausten Charles. De lezing van Michiel van Kempen moest van de redactie zo drastisch worden ingekort, dat de auteur zijn inhoud op onaanvaardbare manier zag worden aangetast en hij trok zijn stuk in.

In het essay van mederedacteur Jules Rijssen worden enige redeneerpatronen uit de debatten over de slavernij geanalyseerd. Als informatiebron golden artikelen uit vier kranten: de VolkskrantHet ParoolTrouw en NRC Handelsblad. Kranten uit de Nederlandse maatschappij en dus, op het gevaar af me op glad ijs te gaan begeven, bastions van witte bolwerken, “De interesse voor de redeneerpatronen kwam toen uit de analyse bleek dat journalisten vaak kozen voor het model om nazaten aan het woord te laten in combinatie met citaten en interviews met witte deskundigen uit voornamelijk de (internationale) universitaire en de museale kringen en de schrijverswereld.” Ik denk dat het interessanter zou zijn geweest om tijdschriften en dergelijke te hebben genomen bestierd door mensen die bewust station Huidskleur achter zich hebben gelaten. Rijssen noemt de worstelingredenering, die vooral de nazaten van de slaven gebruiken, de ‘slechte maatschappelijke positie’-redenering om de schuld van de huidige zwakke maatschappelijke positie aan het verleden te wijten, al dan niet met de eis om financiële genoegdoening. Witte mensen gebruiken de ‘het is al lang geleden’-redenering al dan niet met de ‘ver weg of ik was er niet bij’-variant of die van de ‘ontwikkelingshulp als compensatie’.

Schwarzkopf van Natasja Kensmil

De titel van de bundel is gebaseerd op een afbeelding van Elis Juliana, geïnspireerd op het verhaal, de overtuiging, dat een in Afrika geboren mens, tot slaaf gemaakt, naar Curaçao getransporteerd, terug kon vliegen naar zijn moederland, mits hij geen zout had aangeraakt. Afgezien van de vraag of iemand kan vliegen, hetzij fysiek, hetzij mentaal, moet worden stilgestaan bij het woord ‘slaaf’.
‘Slaaf’ is een label, niet een kwaliteit; het is een door de maatschappij, ofwel door de medemens gemaakte definitie, niet inherent aan het wezenlijke van de mens die zo genoemd wordt. – Dat de mens zich wel kan gedragen naar die definitie wordt hier niet betwist. – Het is een label zoals er zoveel anderen bestaan, zonder het te willen bagatelliseren, president, boef, loverboy, professor. Mandela, bijvoorbeeld, is in de eerste plaats de mens die voor gelijke rechten en respect heeft gestreden, de maatschappij heeft hem tot gevangene gemaakt, tot president, maar die labels zijn toestanden.

Het verhaal Twelve years a slave laat zien hoe een mens, een vrij mens, Solomon Northup, door anderen tot slaaf wordt gelabeld. En hoewel de tijd die de mens Nortup – wat een afgrijselijke ironie, die naam – in slavernij heeft moeten overleven schier onbeschrijfelijk onmenselijk is geweest en vernederend en van onuitwisbare invloed op de rest van zijn vrije leven en dat van zijn naasten, net als het leven van iedere slaaf, voor hem of haar dat op zijn of haar leven is of is geweest, op het moment dat je slaaf af of president af bent, ben je in wezen geen slaaf meer op filosofisch en spiritueel gebied, hoezeer psychologen en artiesten terecht kunnen verdedigen dat een ex-president nog heel veel invloed kan ondervinden van diens voormalige toestand, omdat de maatschappij die ex als dusdanig beschouwt en behandelt.

In hoeverre kan een label verlammend werken. In hoeverre is een gevangene nog een gevangene als hij zijn straf heeft uitgezeten en vrij is? De kans is groot dat hij niet gemakkelijk een werkgever gaat vinden, als die naar zijn cv vraagt. De kans is groot dat de maatschappij hem met de nek aankijkt. Maar misschien wordt hij een zelfstandige ondernemer, of gaat hij ergens wonen waar niemand van zijn verleden op de hoogte is. En in hoeverre ondergaan (klein)kinderen van een vrij verklaarde gevangene de invloed van diens gevangenschap? Geen mens kan zijn verleden veranderen, maar een ieder kan wel invloed hebben op zijn toekomst. Deze zienswijze spreekt niet uit de hier besproken bundel.
Guillermo Rosario - Mi nigrita

 “Sinds de slavernij wordt de zwarte mens beoordeeld op zijn huidskleur”, zo luidt de titel van de bijdrage van Glenn Helberg. Waarom wordt deze zwarte (no offence, geen ironie bedoeld) bladzijde uit de geschiedenis, of liever gezegd dit zwarte hoofdstuk, nog steeds aan huidskleur gerelateerd? Maakt die huidskleur ook uit in een land waar geen witte, rode of gele mensen wonen, maar alleen bruine? Is er in zo’n land geen onrecht, uitbuiting of enige vorm van moderne slavernij? Ik denk van wel, net zoals er in een land waar slechts witte mensen wonen veel misdaad tegen de mensheid is en onrecht onuitroeibaar lijkt te zijn. Wie huidskleur of ras als motief of reden gebruikt, is, van welke kant je het ook bekijkt, feitelijk een racist.
Ons slavernijverleden is een heel gevoelig thema, dat was in de discussie over de historische betrouwbaarheid in de film Tula, the revolt duidelijk. De makers hadden de objectieve waarheid geweld aangedaan door als uitgangspunt in de film te veronderstellen dat het niet mogelijk is geweest om van het kleine eiland Curaçao te ontsnappen of te vluchten, terwijl het een feit is dat er bijvoorbeeld in Coro mensen, tot slaaf gemaakte mensen, gevlucht uit Curaçao waren die daar leiders van opstanden zijn geweest. En het subjectieve beeld dat regisseur Jeroen Leinders en producent Dolph van Stapele van Tula hebben gegeven werd door de kijkers heel verschillend beoordeeld. Door de ogen van de auteurs Pierre Lauffer, Elis Juliana en Guillermo Rosario en toneelschrijver en regisseur Pacheco Domacassé lijkt het wel alsof er meerdere Tula’s zijn geweest, zo verschillend heeft iedereen deze nationale held verbeeld. Andere voorbeelden van controversiële films zijn Django, unchained en Lincoln. In de Verenigde Staten lopen de gemoederen meer dan 150 jaar na dato nog steeds hoog op als het over John Brown gaat, abolitionist en held volgens de een maar terrorist en verrader volgens de ander.

In De slaaf vliegt weg zijn de bijdragen nogal voorspelbaar van karakter. Het had beter “De slavernij is niet gevlogen” als titel meegekregen.

zaterdag 8 februari 2014

Avontuur rond Joodse schat op Curaçao

Echtpaar herschrijft roman zeven keer

door Jeroen Heuvel

Hoe schrijven twee mensen samen een boek en wat beweegt dit echtpaar uit New Hampshire een boek dat zich afspeelt op Curaçao te gaan schrijven? David en Cheryl Monahan, in het dagelijks leven werkend als reclameschrijvers en als fictieauteurs schrijvend onder de naam D. C. Monahan, vertellen er over. Hij (ram, 1949) kwam voor zaken voor het eerst naar Curaçao in 1996, het jaar dat Andrew Jones bij Atlanta Braves ging spelen, met het overweldigende succes dat bij iedere honkballiefhebber bekend is. Hij was meteen weg van het eiland. Toch duurde het nog tien jaar voordat hij zijn echtgenote, Cheryl (vissen, 1950) hiernaar op vakantie meenam. Ook zij was snel om. Ze reden in een huurauto wat rond in Bándabou, waar een huis te koop stond dat ze, hoewel ze het als broodschrijvers niet breed hadden, binnen vier dagen hadden gekocht, omdat ze er zich door de harde wind zo thuis voelden. Ze hadden in New Hampshire hun eigen huis gebouwd, hij als meubelmaker en zij als binnenhuisarchitect. De inboedel voor hun pied-à-terre heeft hij zoveel mogelijk zelf gemaakt, in Amerika, en meegenomen in pakketjes die in het vliegtuig als bagage mochten. Tot aan een futton inclusief ombouw toe.
De schrijver(s)
Ze hebben elkaar leren kennen tijdens de repetities van een toneelstuk in hun studententijd, Look back in anger van John Osborne. ‘De hoofdpersonages moesten elkaar ergens in het stuk zoenen. We vonden dat dat niet zo goed ging, dus hebben we dat vaak geoefend en dat beviel steeds beter. Het publiek vond die scene erg ingeleefd en overtuigend gespeeld, dus zijn we bij elkaar gebleven.’ Sindsdien doen ze alles samen, ze hebben hun eigen reclamebureau en ze zitten naast elkaar te schrijven aan dezelfde opdrachten. Ze voelen en vullen elkaar uitstekend aan. Ze hebben ook meer dan tien scenario’s geschreven, maar die zijn nog niet door producenten aangekocht. Daarnaast zijn ze fervente sporters, Cheryl organiseert veel jeugdoefenkampen en David heeft ooit meegedaan aan het Duitse Lacrosse team.
Uit het huwelijk zijn twee kinderen voortgekomen, Griffin en Dustin, aan wie deze roman is opgedragen. Het gaat hier om The navigator’s treasure, dat als ondertitel heeft meegekregen Curaçao & the quest for Columbus’ lost gold. (Zie de lovende recensie van Wim Rutgers in het Antilliaans Dagblad van 18 januari.)
Waarom gekozen voor Curaçao als locatie voor een verhaal? Ze waren zo verkikkerd op het eiland dat ze vaak vrienden uit Amerika meenamen. Die hadden allemaal wel eens van zustereiland Aruba gehoord, maar niet van Curaçao. Cheryl vond dat daar verandering in aangebracht moest worden en kwam op het idee om een spannend boek te schrijven dat zich op Curaçao zou afspelen, misschien in de trant van Pirates in the Caribbean. Een boek dat toeristen op het Curaçaose strand willen lezen of Noord-Amerikanen die tijdens weer een winter willen dromen over een exotisch eiland. Ze zouden de stranden en bijzondere plekjes zoals Knipbaai, Shete Boka, Watamula en de Handelskade uit de eerste hand kunnen beschrijven.
Oefenen voor de looptocht naar Santiago de Compostella
Een andere hobby van de Monahans is wandelen. Ze vatten het plan op om vanuit Zuid Frankrijk naar Santiago de Compostella te lopen, een lang kronkelig pad, geliefd bij veel pelgrims en meditatief ingestelde lui. Om die tocht voor te bereiden liepen ze in New Hampshire wekenlang elke dag twee a drie uur. Tijdens deze oefenmars vertelden ze elkaar ideeën en stukken van het verhaal. De volgende dag schreven ze dat afzonderlijk van elkaar op, lieten het elkaar lezen en kregen daardoor inspiratie voor een vervolg.
Bij een volgend verblijf op Curaçao gingen ze naar de likeurfabriek op Chobolobo, om meer te weten te komen over de beroemde Curaçao likeur. Daar kreeg Cheryl tot haar verrassing te horen dat een voorouder van haar dezelfde achternaam had gedragen als de Joodse bedenker van de likeur, Senior. Die opa van haar moeder sprak vloeiend Spaans en zat in de importhandel. Zou het kunnen, vroeg Cheryl zich af, dat sommige van haar voorouders op Curaçao hadden gewoond. Terwijl de auteurs zich dit probeerden voor te stellen, sponnen meer avontuurlijke lijnen zich samen tot een geheel, de geschiedenis van Curaçao, de piraterij en de eeuwenoude legende dat Columbus (de Navigator uit de titel) op Jamaica een heleboel goud had gevonden dat hij uit de handen van de Spaanse koningen wilde houden en daarom deze schat op een ‘nutteloos eiland’ zou hebben verborgen.
Kopie van grafzerk
De auteur weet niet of er Joods bloed door hun aderen stroomt. David zijn voorouders zijn Iers en ‘Native Americans’, die van Cheryl Engels, Duits en Italiaans. Omdat ze niemand voor het hoofd hebben willen stoten, hebben ze, toen het boek in een eerste versie klaar was om de reactie van proeflezers te weten te komen, het aan verschillende mensen op Curaçao laten lezen. Myrna Moreno van het Joods cultureel historisch museum en Rene Levy Maduro, voorzitter van de Mikve-Israel Emanuel Synagoge hadden geen enkel bezwaar, sterker nog, zij spoorden de auteur aan om, na het verwerken van enkele opmerkingen, het boek zeker uit te geven. Ook de mensen van het Mongui Maduro museum waren enthousiast, die hebben alle medewerking verleend bij het zoeken naar illustratiemateriaal voor de kaft van het boek. Dat is een historische kaart van het eiland Kurassau geworden. Een bevriende Joodse arts moedigde de auteur ook aan om met het project door te gaan. ‘En Mimi Frank van de Jewish Book Council in New York raadde ons aan om het boek mee te laten dingen naar zowel de prijs voor debuut als die voor beste titel in de categorie Sefardische boeken.
Nadat het echtpaar verschillende versies van het boek had afgekeurd, waren Cheryl en David uiteindelijk tevreden met de zevende versie. Ruim anderhalf jaar na de oefenwandeltochten voor Santiago de Compostella kon het boek in eigen beheer worden uitgegeven. De auteur hoopt dat er een nationale uitgever in geïnteresseerd raakt en daarna misschien wel een Nederlandse uitgever die het in vertaling wil uitbrengen. Hoe dan ook, er zijn nu al ruim vierhonderd exemplaren van het boek over de toonbank gegaan en het volgende boek, The Breda Madonna, dat dit jaar gaat uitkomen, belooft minstens ook zo’n spannend en goed geschreven avontuur te zullen worden.

Deze kaart van Curaçao uit het archief van het Mongui Maduro Museum
siert de kaft van The navigator's treasure
Hier volgen twee fragmenten:

Grainne slipped on a pair of examination gloves and began turning each page. She read slowly – not because her Spanish was less than perfect, but because each word, each phrase took something out of her. This was no cursory record, but a confession of a life so wracked with guilt and pain, the writer’s escape in death was not only welcomed by him, but a relief to Grainne.
For days she didn’t leave the apartment. She ate little and slept less, reading the diary again and again. (…)
Now, as she showed her ticket to the gate attendant at Schiphol Airport, the centuries-old volume she’d entitles the Antwerp Codex rested inconspicuously in her briefcase. The queue of vacation-bound passengers were completely unaware of the secrets it held as they filed past to their seats in coach for the ten and a half hour flight to Curaçao.
Grainne was taking the dairy with her to the island that had been the Caribbean hub of Jewish activity for four centuries. Not only because Benjamin David Abravanel had destroyed the ‘myth’ of Columbus’ gold with his death-bed confession – that, as Benicio Suarez, he’d been part of a mutinous cadre of Columbus’ men that had buried a vast treasure on the island. But because his final words made the myth real, and came as close as she could have hoped to telling her exactly where to sink her spade.
This trip to Curaçao would change her life in ways she could not yet imagine… it would bring her everything she’d ever wanted or dreamed of achieving. Halfway down the runway, the enormity of it all hit her as she finally gave in to sleep. (pp 67,68)

He didn’t blame himself for letting his mind wander elsewhere when he should be focusing completely on repairing the antique lectern so precious to his friend and his flock. Despite living all his life on a Caribbean island that had once been a haven for pirates – and contrary to the beach-read mystery novels collecting sand beside loungers - unearthing hidden treasures was not typical. It would be redundant to call their discovery mysterious, for what was any hidden treasure, especially one buried in an anonymous cave whose sentinels had abandoned their flesh centuries before.
Absentmindedly, he worked the reclamation piece, a small length so precisely taper-cut and finely finished, he was confident it would fit exactly and the repair would never be noticed. Even so, he ran a sheet of quad-ought paper back and forth a thousand times.
Bending over to sight along the grain of the piece, he reached out with his free hand, which fell upon the yarmulke his friend had left behind. Jerome picked up the ceremonial skullcap and looked for somewhere else to put it, given that the bench and every surface nearby were showered in a mist of fine sawdust. He blew the dust from it, considered his pocket, looked around again, then simply chose his own head and went back to his work.

A few minutes later, lost in the mantra of repetitive labor, Jerome turned as, out of nowhere, a mass of black cloth was thrown over his head and shoulders. He fought against the arms that clenched his in a viselike grip – for an instant believing he’d be able to free himself – until a sharp pain and a bright flash turned everything white before it went dark. (pp 249,250)


[Eerder verschenen in het Antilliaans Dagblad, 6 februari 2014]

zaterdag 11 januari 2014

Omgaan met familiegeheimen

Over De rode appel, roman van Giselle Ecury

door Jeroen Heuvel


De kaft met het door de auteur
gemaakte schilderij: Gebroken rood
Een prachtige roman over een opgroeiend meisje, een jonge dame, die zich als au pair ontwikkelt, het leven leert ontdekken en daar later als volwassen vrouw door het verhaal van een vriend die heeft ontdekt dat hij een buitenechtelijk kind van zijn moeder is, naar terugkijkt en meer ontdekt dan ze toen kon vermoeden. Het boek doet soms denken aan Parzival, door sommige critici de eerste ontwikkelingsroman van de Duitse literatuur genoemd. Met De rode appel, haar derde roman, heeft Giselle Ecury zich stevig van een topplaats in de literatuur van Nederland en Aruba en Curaçao verzekerd.
Het hoofdthema van De rode appel is de problematiek die zich kan voordoen tussen ouders en kinderen. “Wat máákt iemand in wezen tot een vader, een moeder? Het feit dat je het kind verwekt, dat je het draagt en baart, of is het opvoeden belangrijker?” (p 431). Wat is het verschil tussen een eigen kind en een adoptiekind, een buiten- en een binnenechtelijk kind, een weeskind en een zoogkind? Zijn die verschillen groter dan de individuele verschillen die inherent tussen alle kinderen bestaan? Aan het eind van deze ontwikkelingsroman is over het proces dat leven heet en dat vanuit de werkkamer van de hoofdfiguur op pagina 20 in gang was gezet, nagedacht, is er vrede gevonden.

Waarom heeft het boek deze titel meegekregen? De rode appel. In het volgende fragment wordt er een genoemd, maar dat vind ik niet afdoende.

Het jongetje Nicki [de ik-figuur in deel 4] gaat af en toe met zijn moeder op Curaçao een rondje rijden. Dan stoppen ze bij de glanzende slee van die aardige meneer De Groot, de buitenechtelijke vader van de niets vermoedende Nicki. “Wil jij iets lekkers van mij hebben?” vroeg hij. “Heb jij dat verdiend, Nicki, stoere kerel?” Ik knikte overtuigend en als bij toverslag haalde hij vanachter zijn rug een grote blozende appel tevoorschijn, die hij voor me ophield in zijn hand met die flonkerende pink. Het is me altijd bijgebleven: die glanzende, mooi gevormde rode appel, die er als bij toverwoord voor mij was, voor mij alleen.” (p 316)
Niet afdoende omdat Nicki niet de belangrijkste hoofdpersoon van het boek is, hij komt op de tweede plaats. Nee, de appel staat voor het bewustzijn dat wij mensen hebben gekregen dankzij Eva. Zij heeft ervoor gezorgd dat de mens uit de droomwereld kon stappen de echte wereld in, door de eerste mens, Adam, te laten eten van de boom van de kennis, waardoor zijn ogen open gingen en hij de wereld voor het eerst zag. De echte hoofdpersoon, Elisabeth – zie verderop wat haar naam betekent – , kan door het verhaal van de appel van Nicki een kardinaal deel van haar ontwikkeling verklaren. Ecury heeft de rollen van man en vrouw uit het verhaal van de Hof van Eden speels want bijna ongemerkt omgedraaid. Het personage van de vrouw is in deze roman eerder geschapen dan de man en de man biedt de vrouw de appel aan. “Ik vind het ongelooflijk hoe het menselijk brein werkt, of de psyche, de ziel – het maakt niet uit hoe je het noemt. Dat ik jarenlang een heleboel verdrongen heb, en dus manieren vond om met al die ballast te leven, zou ik nooit vermoed hebben,” denkt Elisabeth (p 432).
De kleur van de appel staat voor de liefde, het bloed c.q. de levenslust. Het motto van het boek luidt ‘Kann denn Liebe Sünde sein?’ uit een lied van Zarah Leander.
De ogen van het fragment van een portret geplakt op het schilderij van een rode appel, zowel de buitenkant als de binnenkant zie je en door de schil heen is het klokhuis zichtbaar, een schilderij, getiteld ‘gebroken rood’, van de hand van Giselle zelf, onder de speelse schuilnaam Akriel, kijken vanaf de kaft de lezer aan, kwetsbaar en tegelijk uitnodigend, vol vertrouwen en toch op de hoede. Het zou een jeugdfoto van Elisabeth kunnen zijn.
Tijdens de autoreis met haar vader naar het zuiden van Frankrijk, deel 2, leert Liesel, zoals hij haar noemt, van hem bij voorbeeld om andere mensen niet te veroordelen en om dankbaar te zijn (p 136). Dat ze deze deugd heeft geleerd zien we aan het eind van het boek terug. “Een intens gevoel van dankbaarheid overvalt me, omdat ik ontkomen ben aan deze last.” (p 432). Zie voor die dankbaarheid ook hieronderaan het bijschrift bij de foto van het beeldhouwwerk van Rodin.
Aruba

Solide compositie
Ecury heeft het boek solide gecomponeerd. Ze is zowel dichter, die levensraadsels compact in woorden tracht te vatten, als romanschrijver die als het ware die gedichten deels gaat duiden, of liever de lezer op weg helpt naar mogelijke duidingen, zoals er in het leven meerdere waarheden, of meerdere aspecten van de waarheid zijn. In de proloog komt de kinderwens ter sprake, een thema uit haar eerste roman Erfdeel (2006), en een motief voor de hoofdpersoon om als au pair te gaan werken; deel 1 begint met een verwijzing naar het telefoongesprek met Nick dat eigenlijk pas weer in de laatste twee delen van het boek aan bod komt. De titel is De rode appel, het laatste deel is wat de kern van de appel is, of wat ervan overblijft als je het verhaal hebt opgegeten, het klokhuis, al slikt Nicki die ook door. In de proloog en deel 1 en 3 en het laatste deel, wat als een epiloog functioneert, is de auteur in de huid van de hoofdpersoon gekropen, is Elisabeth de ik-figuur; in deel 2 is de alwetende Ecury buiten Elisabeth getreden en beschrijft haar in de derde persoon. In deel 4 is Nick de ik-figuur. De mooi gesloten compositie zit hem ook in opmerkingen en gedachten die soms quasi terloops – zoals Sinterklaas op p 17 en p 422, maar vooral het te abrupt beëindigde telefoongesprek op 17 en 435 – worden aangedragen en aan het eind of terugkeren of worden beantwoord of verklaard. Ecury laat zien dat het leven zelf de beste scholingsweg is voor wie meer wil doen dan alleen maar te leven, voor wie zich afvraagt wat de zin van alles is. De krachten in de wereld zijn die van vernietiging en opbouw, van ontstaan en vergaan. Probeer moreel zuiver te blijven en goed te zijn, beschouw het leven wel, maar veroordeel niet. Als je innerlijke rust en stilte kan vinden kan je ieder individu in zijn waarde laten en wat in iemand is als heilig herkennen. Raak niet ontmoedigd door een mislukking, blijf moedig vertrouwen hebben in de goede machten van het bestaan. Dit soort spirituele waarheden en deugden voeden Ecury ook dit keer in haar werk.

Een auteur doopt haar personages met bepaalde namen, al dan niet bewust. Elisabeth betekent gewijd aan God. Nick is voor overwinnende mensen, Marie-Cécile, de reden waarom Elisabeth als au pair naar Marseille gaat, betekent verbitterd en blind. Tot zover verzint Ecury niets nieuws. Als ze een ander personage, de man van Marie-Cécile, Bas noemt, dan doet ze dat vernuftig; Bas, op wie het au pairmeisje heel erg verliefd raakt, is in de normale namenkunde ‘aanbeden’ en omdat hij in Frankrijk woont, betekent zijn naam in dit geval ook vuig.

Nog iets over een ander motief in het werk van Giselle, het hondse in haar romans. Haar eerste boek, Erfdeel, opent met deze zin: “Zoals Clara van Schoonhoven haar hond riep, zo heb ik nog nooit iemand zijn hond horen roepen.” Het is niet de woordenboekbetekenis van ‘honds’ maar het trouwe karakter van de hond, ook wel de grootste vriend van de mens genoemd dat Ecury verkiest. De hond vertedert, maakt vrolijk, geeft energie. In De rode appel is de hond, het hondse, niet meer een viervoeter naast, buiten, de ik-figuur maar is die verinnerlijkt. Aan het slot van deel 1 komt het opzetten. Elisabeth voelt dat haar hart ergens tegenaan hikt ‘De daar veilig opgeborgen hond voelt (…)’ (p 127) en de laatste drie zinnen van dat deel: “De slapende hond is aan het wakker worden. Gerustgesteld. Waakzaam.’ (p 128) In het laatste deel nog eens: “ik heb mezelf nooit meer toegestaan mijn hart zó weg te geven. Pas hier, aan boord van deze trein (…), ervaar ik hoe de hond eruit bevrijd is en dartelend opspringt in mijn lijf. Geen bastaard. Een rashond.” (p 432)
Giselle Ecury

Giselle houdt van letters, woorden, zinnen, taal. Voor heilige momenten in een leven zoals trouwceremonies schrijft en houdt ze sfeerlezingen, als het tenminste klikt tussen het toekomstig paar en haar, ze is bewust geen beëdigd trouwambtenaar, ze is geen broodschrijver. Haar plezier in taal, haar taalspel werkt aanstekelijk op de lezer. De romans zijn in lagen opgebouwd en op verschillende niveaus te genieten, als liefdesroman, avonturen of filosofische tot literaire roman, haar werk biedt volop materiaal voor een dissertatie, zonder afbreuk te willen doen aan de lezer die voor de ontspanning haar boeken leest, want die komt zeker ook aan zijn trekken. Zie bijvoorbeeld de tekst in het kader bij dit artikel. Of liever: lees alle boeken van deze waardevolle auteur.

Giselle Ecury, De rode appel. 2013. Haarlem, Uitgeverij In de Knipscheer. ISBN 978 90 6265 817 6

[Uit: Antilliaans Dagblad, 14 januari 2014]

'Op weg naar de uitgang struikel ik
haast langs La main de Dieu ou la Création.
Hier zijn op buiitengewone manier twee
lichamen ontstaan uit een brok marmer.
Ze liggen ineengestrengeld in een hand,
zoals je die ophoudt wanneer er iets in
ligt wat je aandachtig wilt bekijken. Zag
de schepper hier, wat hij op zijn
geweten had? Deze grootse kunstenaars mij
een eeuwigheid later duidelijk gemaakt, wat
ik vroeger niet begreep, wat nooit in me
was opgekomen: het verschil tussen liefde
en lust. dankbaarheid voor dit inzicht over-
valt me.' (p 57-59)

De hoofdpersoon, Elisabeth, staat voor het beeld van Rodin, La main de Dieu ou la Création. “Mon Dieu, flitst het door me heen. Bekijk het vandaag de dag eens van dichtbij en verbaas je. Zie erop toe, miljoenen malen. Neem het gehele aardrijk onder de loep, door de eeuwen heen. Verbaas je erover, God, dat jouw schepping van Adam en Eva verworden is tot wat zij is. Ondanks de ‘uitvinding’ van huwelijk en trouw, of dankzij het bestaan van voorbehoedmiddelen, de verworven vrijheden. Die niet te temmen drang. Je kunt het niet stoppen, het niet meer tegengaan. Is dat het, God, laat je jouw machteloosheid zien? (…) Of zien wij, dolende zielen sinds die appel door Eva geplukt werd om Adam te verleiden, de belangrijkste details over het hoofd? (…) Je wéét dat het de man is die het voortouw neemt en het onschuldige meisje plukt voordat ze gerijpt is? Vertel me niet dat zij degene is die van nature verleidt. Met evenveel gemak breng ik daar tegen in dat juist híj het is, hij die haar de facto zou moeten beschermen. Waarom heb je anders de vrouw zo gecreëerd, dat zij op zekere leeftijd in het algemeen heeft afgedaan voor mannen? Ligt dat aan die vrouwen zelf? (…)” (p. 57)

zaterdag 21 december 2013

Literaire wandelingen in Punda en Otrobanda

Gesprokkelde herinneringen en heimwee

door Jeroen Heuvel

Dushi Willemstad is een boek anekdotes uit allerlei bronnen bijeengesprokkeld en aan elkaar geschreven door Ko van Geemert, een passant die van Curaçao houdt. Het boek van 270 bladzijden bestaat voor de helft uit twee literaire wandelingen door de stad, een in Punda en een door Otrobanda. Dan volgen 70 bladzijden Curaçaose thema’s, zoals Campo Alegre, carnaval, landhuizen, loterij, Papiamentu, Sinterklaas en Kerst, Peter Stuyvesant en Tula. Daarnaast hebben Nic Møller, Jan Brokken, Lucille Berry Haseth, Carel de Haseth en Wim Rutgers bijdragen geleverd variërend van 3 tot 13 bladzijden, over verschillende letterkundige of aan literatuur gelieerde onderwerpen.

Tijdens de wandelingen worden veel prozafragmenten en gedichten aangehaald. ‘Daarbij is zeker geen volledigheid nagestreefd; het geheel vormt geen literatuurgeschiedenis, maar moet worden gezien als een toegankelijke introductie tot de literatuur die op en over Curaçao is geschreven,’ schrijft Van Geemert in zijn inleiding. Deze verzamelaar heeft met zoveel interesse gegrasduind en gespit rond de Annabaai en in de door Aart Broek en Wim Rutgers drooggelegde bronnen, dat de slotzin van de inleiding waarin hij schrijft dat hij hoopt dat de lezer in de gaten krijgt dat Willemstad en het hele eiland er omheen meer te bieden heeft dan de lezer vermoedt, niet alleen voor de toerist maar ook voor de inwoner is bedoeld.

Miss Curaçao Monalisa Jansen voor het Riffort

Dushi Willemstad is een boek uit de Het Oog in ’t Zeil Stedenreeks van uitgeverij Bas Lubberhuizen, een reeks over literaire steden, met inmiddels 17 titels waaronder O Lissabon, mijn huis, Oxbridge blues, Gent, de dubbelzinnige, Ongenaakbaar Madrid, Ascon, bezield paradijs en Paramaribo brasa! Het eclectische karakter van dit boek, met veel zwart-wit foto’s, maakt het onmogelijk om een fragment te kiezen dat een treffende indruk van het geheel geeft. Omdat de auteur onmogelijk kritisch alle bronnen kan beoordelen, neemt hij af en toe halve waarheden, hardnekkige onwaarheden en omstreden oorsprongen over. In steekproeven kom ik tegen dat de slavenhandel pas in 1863 verboden werd (p 8) terwijl Nederland de slavenhandel in 1814 heeft afgeschaft, en de slavernij in 1863. Op dezelfde bladzijde staat over de olieraffinaderij ‘in sommige delen van Willemstad waait je een onaangename geur tegemoet, vooral als de wind verkeerd staat,’ zonder te vermelden dat in Wishi, Marchena, Habaai, Sta Helena, Charo en Domi en bij alle scholen aan de voet van de brug in Otrobanda constant roet, fijnstof en dergelijke raffinagetroep wordt uitgestrooid. Hardnekkig blijft de fout herhaald dat de reeks artikelen van Henri E. Marquand over John Brown, die in het Papiaments in de Civilisadó van 1873 en 1874 zijn gepubliceerd, uit het Engels vertaald zou zijn, terwijl die uit het Frans zijn vertaald en naar mijn weten nooit in het Engels zijn gepubliceerd. Er staat dat er een Papiaments woordenboek geschreven zou zijn door Marta Dijkhoff. Deze taalkundige heeft weliswaar gepubliceerd onder andere over de grammatica van het Papiaments, maar het bedoelde woordenboek is door Mario Dijkhoff, een neef van haar, gemaakt. Het is een beetje verwarrend om in de Otrobandaroute van de wandelingen een gedicht op te nemen dat zich afspeelt op het Wilhelminaplein (Alameda), dat in Punda ligt, en de volksetymologie van de term Kabe’i boto (en niet zoals in het boek staat Kabe’i di boto) is in ieder geval door een kenner van het Papiaments als Antoine Maduro bestreden.

Misschien zitten er meer missers in dit uitgelezen boek. Maar dat neemt niet weg dat er een heleboel in staat dat wel de moeite van het weten waard is.

Handzame kennismaking in boekvorm met Curaçao

door Jeroen Heuvel

Het Engelstalige boek Contemporary Curaçao, met hoogglanzend papier en in een stevige kaft, uitgegeven door Caribpublishing, is een goed geschreven handboek voor toeristen die de sociaal-culturele historie en economie van ons eiland in beknopte vorm willen leren kennen en voor bewoners die geïnteresseerd zijn in aspecten van onze samenleving die ze wellicht nog niet of niet zo goed kennen.
Op initiatief van de Fundashon Kultura i Desaroyo hebben de drie redacteuren – Ieteke Witteveen, Wim Kamps en Guido Rojer, Jr. – 25 artikelen verzameld, geschreven door lokale specialisten en academici, die het hedendaagse Curaçao als een Caribische gemeenschap hebben geschetst. De meeste bijdragen betreffen een soort samenvatting van wat de auteurs eerder in uitgebreide studies of essays hebben gepubliceerd. Om het cachet van het boek te onderstrepen heeft de rector magnificus van de University of Curaçao, Dr. Francis de Lanoy het voorwoord geschreven.
Vanwege de verscheidenheid van de bijdragen, is de beste manier om een indruk van de inhoud te krijgen de titels van de bijdragen te vermelden die over ongeveer 165 bladzijden staan verspreid. Van Nolda Römer-Kenepa staan er twee artikelen in over de geschiedenis en de grootse slavenopstand van 1795, van Rose Mary Allen ook twee over de antropologie en over het naar elkaar toegroeien van religies, van Ieteke Witteveen drie artikelen, over de archeologie, de musea en de muzikale identiteit, Menno ter Bals schreef over de demografie, Louis Philippe Römer over 30 mei 1969, Suzy Römer over de staatsinrichtingen, M. A. Newton en G. J. M. Gehlen over de monumentenstatus die de Unesco aan Willemstad heeft verleend, Guido Rojer, Jr. over de economie, Frank Kunneman over de wetgeving, Sygmund Montesant over het onderwijs, Oscar van Dam over de pers, Luisette Sambo en Wernher Suares over het Papiaments, Natasha Maritza van der Dijs over de etniciteit van de bevolking, Stella Pieters Kwiers over de hedendaagse vrouw, Zaida Lake over vrouwen op de arbeidsmarkt, Wim Rutgers over de literatuur, Jennifer Smit over de beeldende kunst, Ronald Gill over de architectuur, Lloyd Narain over de duurzaamheid, Sharo Bikker over het drinkwater en John A. De Freitas over de flora en de fauna boven de zee.
Dit alles gelardeerd met afbeeldingen van schilderijen van Ria Houwen, beeldende kunst van Tony Monsanto, Ellen Spijkstra, Ariadne Faries, Nel Simon, Yubi Kirindongo, Nelson Carrilho, Herman van Bergen, Hortence Brown, Tirzo Martha, Maximiliano Nepomuceno en veel foto’s van onder andere Prince Victor.

Een gepast cadeautje onder de kerstboom en een mooi boek voor op de salontafel.

donderdag 24 oktober 2013

Memoires van tropenarts Sjouke Bakker

door Jeroen Heuvel

‘Het gaat uiteindelijk om je medemens, voor wie je op deze wereld bent, en ik ben blij dat ik in mijn vak iets kon betekenen voor de onfortuinlijke Afrikaan en voor de patiënt in het algemeen. Ik heb met plezier gewerkt en genoten van mijn leven.’ Zo eindigt Sjouke Bakker, in 1964 vier maanden huisarts op Statia, `(op p 253) zijn memoires. Zeer interessant om er hier aandacht aan te besteden, want deze arts is sinds 1983 weer op Statia woonachtig.

De auteur komt uit een gereformeerd gezin. Maar hij heeft al lang een punt gezet achter dit strikte geloof. Zijn vader was streng: geen kerstboom in huis, geen kaartspel omdat dat duivelse prenten zijn. Het was verboden op zondag iets leuks te doen. ‘Ik herinner me dat een zoon van een gereformeerde broeder op een zondag met zijn niet-gereformeerde vrienden in de rivier ging baden en hij verdronk. Dat was volgens de leden der kerk de straf van God. Als kind had ik daar veel moeite mee.’ (p 22)

De auteur is in 1932 in Kollum geboren, hij is de jongste zoon van het gezin. Als de scholen vanwege de oorlog in 1945 nog gesloten zijn, heeft hij een pedofiele onderwijzer voor privélessen. Deze anekdote wordt in de eerste memoire verteld. ‘Zo ziet u maar weer: het waren niet alleen de rooms-katholieke priesters die jonge knapen in het donker knepen. Ook de protestanten hebben hun seksuele aberraties!’ (p 13)
Het boek heeft als titel Ibia van Eket, een honorary chieftain titel die hem werd verleend in 1982 bij zijn afscheid van de Eket gemeenschap en van zijn hospitaal en van Afrika. ‘Dit was een grote eer voor een expatriate.’ Bakker, die in verreweg de meeste verhalen zelf een rol speelt, heeft geprobeerd waarheidsgetrouw zijn ervaringen weer te geven. ‘Ik heb me af en toe wel dichterlijke vrijheden veroorloofd.’ (p 11)

Het boek was oorspronkelijk bedoeld voor vrienden, kennissen en andere belangstellenden. De respons was zo positief dat het Bakker verwonderde, omdat zijn ervaring hem had geleerd ‘dat belangstelling voor andermans verhalen meestal slechts van korte duur is. Men is vaak meer geïnteresseerd in zijn eigen doen en laten. (…) Toch ging mijn belangstelling oorspronkelijk uit naar degenen, die duidelijk hebben laten blijken dat ze met je meeleven en meer diepgang vertonen dan alleen het oppervlakkig geleuter, het uitwisselen van beleefdheden en dan overgaan tot de orde van de dag. Gelukkig zijn er op deze aardbodem nog mensen waarbij je van een werkelijke belangstelling kunt spreken’ schrijft hij in de introductie.

Sjouke Bakker krijgt de titel Ibia van Eket
Eenendertig herinneringen staan er in het boek beschreven, gelardeerd met foto’s en illustraties, afgerond met een epiloog. Het is bijzonder goed leesbaar. De dokter is een echte causeur. Voor ons in de Cariben is het extra leuk dat het derde en vierde verhaal over Statia gaan, waar Bakker in 1964 gedurende bijna vier maanden waarnemend huisarts is geweest. Zijn eerste keer in de tropen en weg van het koude Nederland. ‘Als jonge arts besefte ik niet helemaal wat het betekende huisarts te zijn voor de ongeveer elfhonderd bewoners van het rustige Statia. Ik had weinig ervaring als huisarts, kwam vers uit militaire dienst en werd verondersteld de verantwoordelijkheid te dragen voor de geneeskundige diensten op het eiland. Ik was de enige arts en kon niet even een collega laten komen om een second opinion te geven.’ In de eerste nacht op het eiland was er prematuur een kindje geboren. Om vijf uur in de ochtend werd hij om advies gewekt door de vroedvrouw. ‘Het zag er niet goed uit, het kind was zijn laatste adem aan het uitblazen, gasping zoals de Engelsen dat noemen. Ik zag het kindje sterven. Ik kon niets zinnigs meer doen, alleen de moeder troostend toespreken. Geen couveuse, geen zuurstof, geen mogelijkheid om het kind alsnog snel naar St. Maarten te sturen. Al met al een zeer droevige situatie. Dat was mijn eerste patiënt op St. Eustatius. Een niet erg bemoedigend begin. Ik ben het nooit vergeten en wanneer ik de moeder op straat tegenkom, denk ik nog steeds aan die vroege ochtend in 1964 in het Prinses Beatrix Hospitaal.’(p 31-32)
De nieuwe Chief Ibia van Eket wordt uit-
geleide gedaan door twee Chiefs van de
'Council of Traditional Rulers'.
Hij waagde zich op Statia ook aan de tandheelkunde. ‘Er was geen tandarts en die kwam ook nooit. Dat was duidelijk te zien aan de gebitten van jong en oud. Kerkhoven!’ Hij heeft kiezen en tanden die door cariës reddeloos waren aangetast getrokken ‘voor een bescheiden bedrag van vijf gulden. Een welkome aanvulling op het toch al niet zo riante salaris.’ (p 37) De mensen die hij in 1964 op Statia aantrof waren uiterst vriendelijk en begrijpend. ‘Als je goede intenties toonde maar het probleem niet direct kon oplossen, werd dat niet gezien als een schande.’
Bakker kan ook meedogenloos eerlijk zijn in zijn observeringen. Dat maakt het zo’n heerlijk boek, je hebt te maken met een mens die zich inzet voor anderen, het hart op de juiste plaats, met gevoel voor humor, schijnheiligheid ontmaskerend en, ook niet onbelangrijk, eindelijk eens een Nederlands boek waarin voor de seks geen prominente rol is toebedacht.
In het tweede verhaal in Statia, gaat het over een Hollandse huisarts van adel, die zich arrogant gedroeg. Het verhaal eindigt met de conclusie ‘Het komt nogal eens voor dat ‘deskundigen’ uit Nederland naar dit eiland komen met een vooropgestelde mening het wel even te zullen klaren, niet beseffend dat de mensen op St. Eustatius ook een mening hebben en de omstandigheden ter plaatse beter kunnen inschatten dan de arrogante en kritische ambtenaar van het moederland, de goede adviseurs niet te na gesproken.’ (p 45) Het is tegenwoordig – helaas – niet meer het alleenrecht van buitenlanders om zich arrogant te gedragen.

Droevige gebeurtenissen, spannende avonturen, grappige herinneringen, Bakker beschrijft veel emoties en doet dat zeer geloofwaardig. Ook als het smeuïg wordt blijft het, naast het vaak verrassende aspect, zeer herkenbaar. Als hij als dokter net zo vaardig zijn instrumenten heeft gehanteerd als als auteur zijn pen of toetsenbord, dan zou ik me als me wat lichamelijks mankeerde zeker aan zijn kundigheid hebben toevertrouwd.
Het verblijf in 1964 op Statia heeft zo’n goede indruk op hem gemaakt dat hij zich heeft voorgenomen om zich op latere leeftijd op dit eiland te vestigen en er zijn carrière af te bouwen. In 1983 vestigt deze vrijgezel zich voorgoed op het dan nog op een na kleinste eiland van de Nederlandse Antillen waar hij als arts en hoofd van de GGD en directeur van het Queen Beatrix Medical Center tot zijn pensioen in 2000 heeft gewerkt. De laatste drie memoires gaan dan ook weer over Statia.

Op een receptie in de residentie van de gezaghebber
van St Eustatius in 1992 vraagt Koningin Beatrix naar
de trainingsmogelijkheden voor de verpleegsters van
het naar haar vernoemde Medisch Centrum
Het grootste deel van het boek gaat over zijn belevenissen in Afrika. In 1965 vertrekt Bakker naar Nigeria, verblijft daar zeventien jaar en maakt daar onder andere de Biafra-oorlog (1967-1970) mee. In 1970 deed hij mee aan twee missies voor het Internationale Rode Kruis in de Amazonen, Brazilië en Libanon. Van 1971 tot 1982 had hij de leiding van een missiehospitaal in Eket, Nigeria.
‘In het begin van mijn verblijf in Afrika was ik erg sceptisch over native medicine, maar ik besefte later dat deze goede native doctors een fundamentele rol speelden in het leven van de Afrikaan. Ze vervulden zo ongeveer de rol van een psycholoog. Ik sluit de kwakzalvers uit, die de patiënt uitbuitten en vaak een schuldige aanwezen die de ziekte van de patiënt op zijn geweten zou hebben. (…) Ik heb wel patiënten naar de ‘goede’ native doctor verwezen, want ik had geen antwoord op de vraag van de patiënt: waarom gebeurt mij dit? Ik had later op Statia een schilderijtje uit Haïti op mijn spreekkamer dat een voodoo happening voorstelde en wees heel af en toe een patiënt, bij wie ik de wanhoop nabij was, op het ju-ju gebeuren op het schilderijtje, om daar zijn geluk te beproeven.’ (p 214-215)
‘Een Afrikaan zal je, in de rural areas althans, zelden vragen: “Welke ziekte heb ik?” De enige ziekte die populair is onder de mensen is malaria, of zoals sommigen zeggen: yellow fever. Een diagnose is niet zo belangrijk voor een Afrikaan. Hij zal je eerder vragen: “Waarom is de harmonie in mijn leven verstoord? Er moet een diepere oorzaak voor zijn dat ik ziek ben.” Daar heeft de witte, westerse dokter vaak geen antwoord op (…).’ (p 213)
Waarom moest Sjouke Bakker uit een Fries dorp, waar bijvoorbeeld ook de bekende kinderboekenschrijver Anton Hildebrand was geboren, zo nodig naar Afrika? De huisartsenpraktijk in Nederland sprak hem niet erg aan. ‘In de jaren van mijn jeugd had ik belangstelling ontwikkeld voor Afrika (…) Ik las vrij veel over deze landen en de behoefte aan medische hulp in de binnenlanden. Ik las alles over Albert Schweitzer en zijn ziekenhuis in Lambarene, Gabon. Het onbekende lonkte mij, maar ik had geen notie van wat mij werkelijk te wachten stond.’ (p 28)

Veel verhalen die zich in Afrika afspelen hebben te maken met de dood. ‘Het verschijnsel dood is in Afrika nauw verweven met het dagelijks leven. (…) De dood wordt niet weggemoffeld, het is een oog in oog confrontatie met de werkelijkheid en wordt geaccepteerd als een noodzakelijke vanzelfsprekendheid. In Afrika hoort de dood bij het leven. Ik was hier erg van onder de indruk.’ (p 11)

In 1993 heeft Bakker een Koninklijke onderscheiding ontvangen voor zijn veelzijdig werk in Afrika en op Statia. Hij is tot op heden nog actief als voorzitter van het bestuur van het Auxiliary Home, een verpleeghuis en bejaardentehuis op Statia, waar hij samen met zijn twee Dobermanns geniet van het leven.

Bakker, Sjouke: Ibia van Eket, Memoires van een tropenarts. 2012. Leeuwarden, Uitgeverij Elikser. ISBN 978 90 8954 442 1

vrijdag 11 oktober 2013

Lezingen over Luis Daal

Luis Daal. Foto @ Nicolaas Porter
Ter gelegenheid van de officiële overdracht door de familie Daal van de collectie Luis H. Daal aan de Library and Museum S.A.L. (Mongui) Maduro Foundation, organiseert de Algemene Faculteit van de UNA met steun van het Prins Bernhard Cultuurfonds Nederlandse Antillen en Aruba, een drietal lezingen waarbij het leven en werk van deze veelzijdige lokale schrijver en dichter centraal wordt gesteld:

Prof. dr. Wim Rutgers: Leven en werk Luis H. Daal (19.30-20.15 uur)

Jeroen Heuvel MEd: Luis H. Daal su afan pa periodismo papiamentu na nivel (20.30-21.00 uur)

dr. Liesbeth Echteld: Luis H. Daal en toneeladaptaties (21.10-21.40 uur)

De lezingencyclus wordt afgesloten met enkele voordrachten.



Datum: 11 oktober 2013
Tijd: 19.30 tot 22.00 uur
Voertaal: Nederlands en Papiaments
Plaats: Aula van de UNA
Toegang: gratis

zondag 6 oktober 2013

Korte biografie van Luis H. Daal

Bij de overhandiging van het geschreven nalatenschap van Luis H. Daal aan museum Mongui Maduro (Curaçao) op 5 oktober 2013, werd onderstaande korte biografie van deze auteur voorgelezen door Jeroen Heuvel.
 Biografia kòrtiku di Luis ‘Yei’ Henrique Plácido Daal

Luis a nase dia 5 di òktober 1919 na Kòrsou. Su mama Angélica ‘Leka’ Angelista a duna lus na seis yu. Luis tabata esun di kuater. Awe Luis lo a kumpli 94 aña.
Di 1939 te 1942 e tabata sectie-commandant Transport-colonne van het Rode Kruis, di 1942 te 1945 el a sirbi komo sergeant der infanterie den servisio militar.
Ora e yònkuman tabatin 22 aña el a drenta den servisio di Firma Troost, anto na 1946 el a bira hefe di e departamento ‘claims and forwarding’na S.E.L. Maduro & Sons.
Huntu ku su amigu Otrobandista Guillermo Rosario, Luis tabata redaktor di e mensual Edifiquemos, di e klup deportivo Independiente. E promé edishon a sali na novèmber 1941, e último seis luna despues na mei 1942. Esaki ta durante Di Dos Guera Mundial. Despues Daal a bira redaktor di e semanario Sportkoerier, ‘algemeen sportblad voor het gebiedsdeel Curaçao’, ku a sali pa promé biaha dia 5 di mei 1944. Daal a remplasá redaktor Otto H. Zalm dia 22 di yüli 1944. E último edishon tabata na komienso di 1945. Sportkoerier a publiká artíkulo na Hulandes, Papiamentu i Spañó.
Na 1947 el a bira redaktor deportivo na La Prensa, despues redaktor hefe di e diario na Spañó  akí i asta direktor komersial.
Na 1950 el a bai Spaña unda el a studia entre otro periodismo, filosofia i Spañó. Na 1962 el a bira lèktòr na Universidat di Madrit unda el a duna Nederlandse Taal en Letteren i Historia kultural di Hulanda i Bélgika.
Na 1968 el a muda pa Hulanda unda el a bira koordinadó di Centraal Bureau Toezicht Curaçaose Bursalen. Na 1975 el a bira Hefe di Departamento di Culturele Zaken van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen.
E ta konosí komo poeta di tomo manera Kosecha di Maloa (1963) i Sinfonia di Speransa (1975).
El a skirbi biografia di entre otro Carlos Manuel Piar (1970).
El a skirbi 13 edishon di e radionovela Lorna, mi yu ku mi, ku a pasa na Curom na aña 1961.
Ademas e tabata papiamentista te den su igra. Na 1961 el a ofresé gobièrnu un relato di e komishon ku el a enkabesá pa yega na un ortografia di papiamentu, titulá: ‘Fo'i hopi un so’.
E ta konosí komo traduktor literario na tres lenga. Na Papiamentu por ehèmpel A Christmas Carol (Charles Dickens), na Spañó entre otro Bekentenis in Toledo (Colá Debrot) i na Hulandes diferente buki, manera e piesa di teater brasileño As mâos de Eurídice (Pedro Bloch).
Banda di tur esaki e tabata kinólogo, i miembro di hurado na kompetensia di kachó di rasa. For di 1958 e ta publiká regularmente den e revista hulandes De Hondenwereld.


Na 1984 el a risibí e premio bienal di Fundashon Pierre Lauffer
Chapi di Plata.
El a risibí kondekorashon di Ridder in de Orde van Oranje Nassau, Cruz de Caballero de la Orden de Isabel la Católica (Spaña), Ridderkruis in de Kroonorde van België i Comendador en la Orden de Andrés Bello (Venezuela)
Póstumamente a otorgá Daal e premio Tapushi Heraclio Henriquez 1997. Na e aña ei Luis Daal lo a bin duna un kurso di periodismo na Kòrsou, den koperashon ku Instituto Kultural Independensha, di Joceline Clemencia (di felis memoria), pero 16 aña pasá Luis Daal a troka bida dia 15 di aprel 1997 na Den Haag, unda a krem’é.
Ma grásias na su obra skirbí, awendia ainda e ta sprinchi.

donderdag 8 augustus 2013

Een relaas van handelswaar

door Jeroen Heuvel

Kan een blanke persoon de gevoelens weergeven die een donkere persoon heeft ondergaan, honderden jaren geleden? Dit vroeg Herman Piso zich af en besloot het te proberen door een boek te schrijven over slavernij. Kanaä, zal ik haar ooit nog terugzien? is onlangs gepubliceerd door Caribpublishing.

MKatula, een niet nader gespecificeerde inwoner van het continent Afrika, is door overvallers van een naburige bevolkingsgroep gevangen genomen. Hij is een herder met een jagersinstinct, van denk ik iets jonger dan 20 jaar. Hij is in gedachten nog bij Kanaä, zijn liefste toen vijf mannen dreigend op hem waren afgekomen. Hij is de bescherming van het dichte donkere oerwoud ingedoken en hoopt dat de rovers zijn liefste ongemoeid laten. In vijftien hoofdstukken, verdeeld over een kleine honderd bladzijden, peinst hij dat wat de titel van het boek is geworden.
Herman Piso naast het schilderij, gemaakt door
Joke Piso, dat de kaft van zijn boek siert.
De mensenhandel komt onder meer door ruzies over het grondgebied tussen stammen. Als een stam besluit om zijn leefgebied te vergroten ten koste van een naburige stam. De gevechten die volgen zijn meedogenloos. De dreiging van vechtende stammen zorgt voor een gespannen sfeer in het hele gebied. Hier volgt een proeve van de schrijfstijl van Piso:
‘Zij die tijdens de gevechten gevangen genomen zijn, worden meegenomen. De krijger die zich heeft onderscheiden in heldhaftigheid, mag zijn gevangenen zelf houden en als slaaf gebruiken. Daar het hebben van slaven een statussymbool is, is er na elke succesvolle strijd een levendige handel in gevangengenomen krijgers. Deze worden veelal geruild voor vee.
Als de slaaf zich jarenlang als een volwaardig lid van de stam heeft gedragen, krijgt hij rechten, wordt hem een hut toegewezen en is het hem toegestaan officieel een vrouw te hebben. Als hij na verloop van tijd een bescheiden vermogen heeft kunnen opbouwen, kan hij zichzelf vrijkopen en zelf ook slaven aanschaffen. Het is bij sommige stammen ook niet ongewoon een kind te ruilen of te verkopen om een schuld af te lossen of hiervoor een paar koeien te kopen om de veestapel wat meer aanzien te geven. Het is een voldongen feit dat niemand, hoe machtig en rijk hij ook is, de zekerheid heeft dat hij nooit als slaaf zal eindigen. Daarvoor zijn er te veel oorlogen en lopen er altijd bandieten rond die je overmeesteren en doorverkopen.
Zowel de mannen als de vrouwen zijn opgeleid in het oorlogvoeren. Bij de geringste tekenen van onraad worden de wapens opgenomen en staat men klaar om een aanval af te slaan. Of men nu op het land aan het werk is of het vee staat te hoeden, iedereen heeft zijn speer of pijl en boog bij zich.’ (p 16)
Het motto van het boek luidt: ‘In het oerwoud heeft het leven enkel waarde, zolang een ander het niet nodig heeft.’ Zo staat het begrijpelijk op pagina 50. Begrijpelijk, want vooraan in het boek staat het raadselachtig geformuleerd: ‘In het oerwoud heeft een leven enkele waarde voor degene die het op dat moment niet nodig heeft.’
Het boek is denk ik geschreven voor adolescenten in de leeftijd van de hoofdpersoon en volwassenen. In de eerste tien hoofdstukken volgen we de tot slaaf gemaakte MKatula voortgesleept door verschillende leefgebieden of landen in Afrika, hoofdstuk 11 is een nachtmerrie, in hoofdstuk 12 ziet de ik-figuur voor het eerst witte mannen, die hij voor duivels houdt en de zee, in hoofdstuk 13 volgt de inscheping en in het laatste hoofdstuk komt het slavenschip aan in Curaçao.
Slavernij lijkt een ouderwets woord, maar het bestaat nog steeds. Herman Piso schrijft in zijn voorwoord: ‘De woorden die tegenwoordig daarvoor worden gebruikt en hetzelfde bedoelen, zijn onder andere vrouwen- en kinderhandel, dwangarbeid, onderdrukking en ga zo maar door. Ze komen heden ten dage allemaal voor in alle landen op deze wereld en maken geen onderscheid tussen rassen van mensen.’
Is het de in Indonesië geboren schrijver gelukt om in de huid van MKatula te kruipen? Lees het boek en oordeel zelf.

[Herman Piso (1951 geboren in Indonesië) verhuisde in 1957 naar Curaçao. Hij studeerde Bouwkunde in Nederland. Na zijn studie keerde hij terug naar Curaçao en heeft daar als aannemer gewerkt.]

Herman Piso
Kanaä, zal ik haar ooit nog terugzien?
ISBN 978 90 8850 417 4
NUR 300
www.caribpublishing.com

vrijdag 2 augustus 2013

Tula, de film

door Jeroen Heuvel

In de polemiek over de film Tula komt voor mij te weinig naar voren wat de maker(s) er mee zegt, of wilt zeggen. Ik ga hier niet in tegen de mening en argumenten van anderen. Ik beweer ook niet te weten wat Jeroen Leinders er mee laat zien; ik kan wel schrijven wat de film mij vertelt, of liever wat ik in deze film heb gezien. Hiervoor heb ik hem wel twee keer moeten zien.

Mijn reactie na de eerste keer was: er zijn mooie beelden, goed dat hij er is, maar is dit het nou? Waarom reageerde ik zo? Waren mijn verwachtingen te hoog? Wat verwachtte ik dan? Dat is nog niet zo gemakkelijk onder woorden te brengen. Ik denk dat de indruk die ik van Tula heb, gevoed door wat ik vroeger over hem gelezen en gehoord heb, in een diep onderbewuste vertoeft. Ja, hij is een held, intelligent, kent verschillende talen, is op de hoogte van internationaal nieuws en het Oude Testament, kan goed debatteren, en hij wordt onrechtvaardig behandeld, komt op voor zijn rechten en dat van de slaven in het algemeen. Nee, hij is geen Nanzi die niet wil werken, zijn vrienden te grazen te neemt om er alleen zelf beter van te worden, geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn vrouw en kinderen – het is niet duidelijk hoeveel – en op slinkse wijze aan zijn eten komt. Maar is mijn beeld waar, is Tula echt zo geweest? Of kleurt mijn moraliteit deze mening?
Jeroen Willemse (links) speelt
Willem van Uytrecht, Jeroen Heuvel een kennis

Daarom ben ik voor een tweede keer naar de film gaan kijken. Nu met minder verwachtingen, als dat al mogelijk is, en met sommige commentaren in mijn achterhoofd. Heb geprobeerd opener, minder bevooroordeeld, te kijken. Observeren wat er te zien is. En nu vind ik hem beter, geslaagd, de moeite waard. Nu zie ik dat in het begin geschreven wordt dat Curaçao zo klein is dat slaven niet konden vluchten en onopgemerkt in leven zouden kunnen blijven. Aan het begin van de film wordt het eind van het verhaal verteld, ik trek daaruit de conclusie dat de maker hiermee aangeeft dat het eind van deze geschiedenis bekend is en dat het hem dus niet om het historische feit gaat, maar om iets anders, wellicht de menselijke beweegredenen die tot dit feit hebben geleid, daarom laat hij zien wat er zes weken eerder is gebeurd als motief voor dit feit. Dan zie ik Tula, die zich zorgen maakt om zijn zieke broer, maar toch door blijft werken, en hard. Ik zie een arrogante Willem, die zijn macht misbruikt en nutteloos werk voor de slaven verzint. Tula die als enige slaaf niet hapt in de versnapering van pastoor Schink en ook niet langer gelooft in zijn hypocriete woorden. Hij gelooft nog wel in de Schepper, blijkt wanneer hij overmand door verdriet, zijn broer heeft begraven. Als hij hoort dat de Fransen nu machthebber zijn, eist hij het recht van vrijheid op. En vrijheid is het wat hij wil, niet meer en niet minder. Dat er mensen waren die dachten dat hij de macht over het eiland wilde overnemen, dat er mensen zijn geweest die dat in documenten hebben opgeschreven, wil niet zeggen dat dit inderdaad een ideaal van hem is geweest.

Verder zie ik dat hij vastberaden is in zijn streven, dat hij daadwerkelijk naar de gouverneur gaat om op te komen voor het recht. Als hij hoort dat Pedro onrecht heeft uitgehaald, dan neemt hij de moeilijke beslissing om hem op te sluiten, ongeacht zijn huidskleur. Je ziet leugenachtige bestuurders en slaven, maar Tula blijft zijn waarden en normen trouw. En die zijn zeer hoogstaand, het goede, het ware en het rechtvaardige. Als door leugens van onder andere Willem er soldaten op Tula worden afgestuurd, dan blijft hij integer, een man met ballen, ruggengraat, die bovendien ingrijpt om te voorkomen dat Louis uit woede Willem neerschiet. Tula die met argumenten in de aanval gaat, niet met wapens. Pas als hij met de zijnen wordt beschoten verweert hij zich met steek en vuurwapens. Dát is pas een held.

Hij is ook bezorgd om de kinderen en de vrouwen; in het heetst van de gewapende strijd stuurt hij steeds iemand om deze medeslaven in veiligheid te brengen. Hij verraadt niemand, ondanks Koro of wat anderen ook over hem mochten hebben beweerd, zo hoog is de moraliteit van Tula. En als hij uiteindelijk bij de gouverneur is aangekomen, heeft deze zelfingenomen proleet al zo veel ongegronde vooroordelen over de opstand, dat Tula het niet eens meer de moeite waard vindt om te protesteren, laat staan nog iets te zeggen.

Dit zijn de belangrijkste eigenschappen die ik in deze film heb gezien. Wat een geweldig voorbeeld. Wat een nobele man. Tula, mijn held.

donderdag 9 mei 2013

‘Integratie moet van twee kanten komen’

Avonturenroman Curaçaos bloed

Surandy Hillard is deels Surinamer deels Antilliaan (Sur-Andy), op Curaçao geboren, maar al drie jaar in Nederland waar hij Bouwkunde studeert. Hij is even op Curaçao geweest voor de begrafenis van zijn grootmoeder, met Indiaanse trekken, joodse en negroïde wortels. Surandy is de ene hoofdfiguur uit de debuutroman Curaçaos bloed van Eardly van der Geld.

Eardly van der Geld
Van der Geld heeft een bedoeling met zijn boek. Hij is in Tilburg en omstreken een ambassadeur voor de Antilliaanse doelgroep en werkt er al een kwart eeuw aan maatschappelijke en economische verheffing. Hij is voorzitter van de Stichting Cultureel Erfgoed Caribisch Gebied en Nederland. Hij vindt historisch besef onontbeerlijk voor de integratie in Nederland, integratie van alle inwoners van het Koninkrijk.
Het boek is op woensdag 8 mei 2013 op Curaçao gepresenteerd, in het NAAM door de auteur.


Omdat hij een bedoeling heeft, legt de schrijver soms te veel uit, wat de spanning uit het avontuur haalt. Fragment:

‘Hij was meteen na de middelbare school naar Nederland vertrokken en drie jaar niet teruggeweest en voelde dat zijn inzichten waren veranderd. Vooral de verhalen over het slavernijverleden hadden hem aangegrepen en hem pijnlijk laten beseffen hoe weinig hij daarover was onderwezen op de middelbare school. Zijn ogen leken nu geopend en zijn interesse was gewekt en het leek alsof hij nu pas begon te leven.
Natuurlijk had zijn verblijf in Nederland een fikse impact op hem gehad, maar het zat nu dieper. Zelfs dieper dan het feit dat hij een leeftijd had waarin volwassenheid over hem heen kwam. Het leek meer het maken van een connectie met een metawereld die al oeroud was, maar waar hij nu pas voeling mee kreeg. Alsof hij aan een bloedserieuze ontdekkingsreis begonnen was met de echte kennis over zijn leven als inzet. Tegelijkertijd leken zijn zintuigen te ontwaken en fijn afgesteld te worden. Het leven was o zoveel diepgaander en belangrijker geworden.’ (p 16)

In het volgende fragment laat Van der Geld beleven hoe een Nederlander niet aan integratie doet:

‘Ha, die Surandy,’ werd hij opgewekt begroet door zijn mentor Henk Lambregts die achter een open kastdeur tevoorschijn kwam. Terwijl ze gingen zitten zei hij, ‘We zullen meteen van wal steken, want het wordt vandaag nog druk met al die stagegesprekken. Jij wilde graag bij het project in Middelburg werken zag ik? In je motivatie staat dat je de gebouwen interessant vond vanwege het slavernijverleden. Dat snapte ik niet helemaal. Kun je het toelichten?’
‘Veel van de gebouwen hebben dienstgedaan bij de financiering en bevoorrading van de schepen die gebruikt werden om slaven te vervoeren van Afrika naar het Caribische gebied. Ook de producten die van overzee kwamen werden daar opgeslagen. Deze handel werd bedreven door de West Indische Compagnie, de tegenhanger van de Verenigde Oost Indische Compagnie en ze zetelde ook in Middelburg.’
Hij pauzeerde even en vervolgde, ‘Er zijn circa zestien miljoen slaven uit Afrika weggevoerd en Europa heeft daar miljarden aan verdiend. Die gebouwen in Middelburg zijn daar grotendeels door betaald. Het heeft deels met mijn roots te maken.’
‘O zo,’ antwoordde Lambregts. ‘En vind je dat wij nog steeds schuldig zijn aan wat onze voorvaderen hebben gedaan zoveel honderd jaar terug?’ en hij keek Surandy taxerend aan.
‘Schuldig niet,’ antwoordde Surandy, zijn woorden voorzichtig wegend, ‘maar dat handelen heeft wel vele positieve en negatieve consequenties voor de hedendaagse maatschappij gehad en wij moeten deze gevolgen serieus nemen. Vooral zij die in een bevoorrechte positie zijn gekomen vanwege die eerdere handelingen, moeten de verantwoordelijkheid voelen en op zich nemen om de situatie te controleren en indien nodig te verbeteren.’
‘Zo, dat is een mondvol. Als bouwkunde niet zou lukken kun je altijd nog filosoof worden of ethicus of beide. Ik vind dat we hier altijd hard hebben gewerkt voor wat we hebben en dat iedereen in dit vrije land, die mogelijkheden heeft en ook moet gebruiken.’
‘dan moeten de arbeidskansen wel overal gelijk zijn en niet onderhevig aan vooroordelen. Ik weet zeker dat ik na mijn afstuderen geen gelijke kansen heb op een baan als enkele andere klasgenoten van mij, al heb ik betere cijfers.’
‘Dan moet je maar gaan kijken of er banen zijn op de Antillen,’ antwoordde Lambregts en sloeg snel zijn ogen neer naar de paperassen die hij voor zich had.
Fout antwoord, dacht Surandy.’ (pp 88-90)


Simone van Ottel is de tweede hoofdfiguur in het verhaal en wordt in hoofdstuk 14 geïntroduceerd. Zij erft 18 miljoen euro en een stapel historische documenten, waaruit de oorsprong van het fortuin duidelijk wordt. Ze is pro gerechtigheid net als Surandy, en spreekt op een persconferentie het Nederlandse volk toe.
Fragment:
‘Deze vondst zal hopelijk stevig binnenkomen bij een brede laag welgestelden in Nederland. Want al hebben ze zelf geen greep uit de kas gedaan zoals mijn overoverovergrootfamilie, alle facetten van onze samenleving hebben geprofiteerd van de schatten die we in de Gouden Eeuw wisten te veroveren. Het geld stroomde het land in deels omdat we zonder enig scrupules het leed van anderen hebben geëxploiteerd. Dit alles met de zegen van de ons aller schijnheilige Kerk. We hebben dit generaties lang weggestopt en vergoelijkt. Hierdoor stagneerde de integratie en diende segregatie zich aan.’ (p 267) In deze laatste zin is het thema van het boek samengevat, en is de wens van Van der Geld uitgekomen. We hopen dat er meer Simones opstaan die de integratie van de Nederlandse kant laat komen.

Verantwoording
Van der Geld schrijft in zijn verantwoording en inleiding in zijn boek dat ‘Nederland zucht onder de pogingen om de integratie te laten slagen. (…) Alhoewel er intussen wel achterstanden zijn ingelopen zien we dat de integratie nog steeds niet vlot verloopt. Een belangrijk feit wordt namelijk vergeten. Integratie moet van twee kanten komen. En het liefst tegelijkertijd. (…) Bij onderkenning van dit probleem is meteen de vraag hoe dan wel. Betere geschiedenisles op school zou al veel doen. (…) Maar dan moeten de juiste boeken wel eerst geschreven zijn. (…) Als deze informatie op verschillende manieren in diverse soorten boeken, ook in romans, zouden zijn beschreven, zou dit een belangrijke bron van informatie kunnen zijn voor de Nederlandse maatschappij en hopelijk dat er hierdoor nieuwe inzichten ontstaan die de broodnodige integratie, ook van Nederlandse kant, kunnen bevorderen. Mijn initiatief is een flinterdun beginnetje op de genoemde weg.’
De auteur doet alsof er niet al een lange traditie van publicaties over dit onderwerp bestaat, en alsof het ‘juiste’ boek hierover nog niet geschreven is. Dat is helaas overmoedig. Er zijn al honderden boeken verschenen over slavernij en de rol van wat nu Nederland heet hierin, zowel in de vorm van factie als van fictie. In deze recensie noem ik er slechts een paar – origineel Nederlandstalig – : ‘De zwarte lord’ van Rihana Jamaludin, ‘Slaaf en meester’ van Carel de Haseth, ‘Mijn zuster de negerin’ van Cola Debrot, ‘Indianen, de WIC en invasies’ samengesteld door Jack Schellekens, jeugdboeken als ‘Tula’s vrijheidsstrijd’ van Mariska Hammerstein, ‘Marijn bij de lorredraaiers’ vanMiep Diekmann, boeken bij tentoonstellingen zoals ‘Slaven en schepen, Enkele reis, bestemming onbekend (Nederlands Scheepvaartmuseum) en ‘Kind aan de ketting, Opgroeien in slavernij toen en nu (NiNsee). Curaçaos bloed zal zeker niet het laatste boek in deze serie zijn.