Posts tonen met het label Saba. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Saba. Alle posts tonen

zondag 16 februari 2014

BES

Bonaire slavenhuisjes

door Sheila Sitalsing

Je bent de minister die verantwoordelijk is voor de bijzondere gemeenten Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Je krijgt een onderzoeksverslag op je bureau. De beerputgeur walmt je tegemoet. Met dichtgeknepen neus ga je bladeren. Je leest wat je al wist: dat de man die jou daar representeert als rijksvertegenwoordiger er een puinzooi van maakt.

Hij heet Wilbert Stolte, CDA. Was ooit wethouder en heeft een politieke kruiwagen in de persoon van Hans Hillen. Voor een politieke benoeming aan de rafelranden van het Koninkrijk is dat een topzwaar cv. Op de eilanden wordt al tijden geklaagd over 's mans warme banden met de Union Patriótiko Boneriano (UPB), zusterpartij van het CDA en bevolkt door onfrisse lieden.

Wilbert Stolte, Ronald Plasterk, Lydia Emerencia. Foto © Belkis Osepa

Je leest dat de hoge Nederlandse ambtenaren met wie Stolte moet samenwerken hem diep wantrouwen. Dat ze elkaar grommend vanuit hun loopgraven beloeren. Dat de mensen op Bonaire zich afvragen wat Stolte in hemelsnaam eigenlijk doet. Dat ze hem op Saba en Sint Eustatius nooit zien omdat hij daar de stagiair heen stuurt op werkbezoek. Dat er geen communicatie is, geen samenwerking, niets. Haal die man daar weg, snel, zo besluit het advies.

Wat doe je dan? Je whatsappt het rapport onmiddellijk naar de Kamerleden die al tijden bezorgde vragen stellen over de wanprestaties van Stolte. Vervolgens neem je de KLM naar Kralendijk, alwaar je Stolte uit zijn strandstoel sleurt en terug naar Nederland schopt. Daarna ga je langdurig ‘sorry’ zeggen tegen de BES-eilanders.

Maar de minister die dit rapport op 18 november 2013 kreeg, stopte het in het mapje 'Kan blijven liggen'. Want er komt binnenkort nog een onderzoekje over de BES, dan kan de boel in een bundeltje naar de Kamer. In april of zo. En op 1 mei 2014 gaat Stolte conform eerdere afspraak toch al weg. Handig: dan is de angel bij voorbaat uit de discussie.

Een betrokkene die hier minder lichtvaardig over dacht, smokkelde het rapport naar het Antilliaans Dagblad, dat sinds 7 februari elke dag nieuwe heerlijke details uit het stuk opdist. En nu heeft Ronald Plasterk een probleem, want hij is de minister die het rapport - dat hij op 7 februari alsnog schielijk naar de Kamer stuurde - bijna drie maanden liet schimmelen in een mapje. D66 is boos en vroeg een Kamerdebat aan, de SGP steunde dat verzoek - van de constructieve oppositie hoeft Plasterk het niet te hebben.
Op het Binnenhof zal de affaire snel worden teruggebracht tot de overzichtelijke vraag: kan Plasterk zich een tweede 'sorry, ik had dit niet moeten doen' veroorloven?
...geen visie, geen sturing...
Foto © Michiel van Kempen

Voor de BES-eilanden houdt de tragiek daarmee niet op. Want het rapport gaat ook over onvermogen. Verbijsterend onvermogen van de Nederlandse politiek om een visie op de toekomst van de eilanden te formuleren, en van Plasterks ministerie om het BES-beleid vanuit talloos veel Nederlandse ministeries fatsoenlijk te coördineren. Er is geen visie, geen sturing, geen planning, geen inlevingsvermogen in elkaar.
Het Antilliaans Dagblad bedacht zelf vier basisvereisten voor verbetering van de relatie tussen hier en daar: 1. visie en toekomstperspectief; 2. één regisseur vanuit de Nederlandse overheid; 3. een permanente vertegenwoordiger van de BES-eilanden in Den Haag; 4. excuses aan de bevolking van Saba, Sint Eustatius en Bonaire. Nummer 1 is al te veel gevraagd.

[uit de Volkskrant, 14 februari 2014]

dinsdag 14 januari 2014

Werelderfgoed en de Nederlandse cultuurpolitiek

Openluchtmuseum Fort Nieuw Amsterdam. Foto © Mireille Heersma

door Benjamin S. Mitrasingh

Met alle sympathie voor de Stichting Gebouwd Erfgoed kan de directeur ervan, Stephen Fokké hemel en aarde bewegen om Unesco ervan te overtuigen dat het niet de schuld is van zijn stichting dat Suriname onvoldoende aandacht heeft besteed aan zijn twee (monumenten en de natuur) Werelderfgoed-projecten. Dat kon ook niet anders, want het cultuurbeleid van Suriname bevindt zich sinds mensenheugenis in de politieke lappenmand. Geen probleem voor veel ontwikkelde burgers van Suriname, omdat vooral deze hebben geleerd dat ’s lands belang andere prioriteiten kent. De twee en een halve ministers van Financiën hebben dat ook geweten. Dat waren drie Surinaamse academici die ook hart hadden en nog steeds hebben voor de Surinaamse zaak, maar dat stemde niet overeen met het belang van de politieke leiders.
Het Surinaamse cultuurbeleid

In Suriname moeten politici altijd scoren bij het grote publiek, de bekende zogenaamde achterban. Vakbondsleiders kennen dit fenomeen ook maar al te goed; ze mochten nog zo populair bij hun leden zijn, maar als het op stemmen aankomt in de politiek, haalden zij het nooit. Zij werden omhoog getrokken door hun coalitiepartners.

Modderbank 
Dit lot is het Surinaamse cultuurbeleid ook beschoren. Het publiek geniet van alle pracht en praal van de cultuuruitingen van Suriname, maar draagt er zelf nul centen bij. De makers van het monument van Baba en Mai en nu nog steeds de bestuurders van het Lalla Rookh-complex, kennen dit ook maar al te goed; er worden door grote ondernemers en succesvolle bedrijven gouden bergen beloofd maar als het op betalen aankomt, ontdek je dat we eigenlijk nog steeds vastzitten op een modderbank; een culturele modderbank wel te verstaan.

In de cultuursociologie zeggen we dan dat het milieu van de ‘sponsors’ nog niet zo goed ontwikkeld is om culturele projecten te financieren. Het hele Surinaamse cultuurbeleid lijdt hieronder. Al gauw bleek ook dat gestudeerde mensen geen goede culturele bagage hebben en daarom mislukken ook vele leuke culturele projecten.

Nederlandse cultuurpolitiek 
Een slecht voorbeeld is de Nederlandse cultuurpolitiek in het buitenland. In alle gevallen ging het eerst om het Nederlandse belang en dat moeten Surinamers ook nog leren, bij alle buitenlandse hulp moet het belang van de gever altijd zijn gediend. In het september nummer van de Nederlandse National Geographic wordt in een aparte bijlage ‘Werelderfgoed van morgen’ aandacht besteed aan het Nederlandse erfgoed. Suriname en Indonesië worden in de bijlage wijselijk verzwegen, blijkbaar vanwege hun ‘politieke’ onafhankelijkheid. Maar in de bijlage staat al in de intro een pleidooi voor het plantagesysteem van West-Curaçao, het Marine Park op Bonaire en de Mount Scenery op het eiland Saba, die moeten worden geplaatst op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.
Saba

Tijdens de ICOM-conferentie in Rio de Janeiro in 2013, waar Suriname ook aanwezig was, hadden de ontwikkelingslanden wederom hun misnoegen geuit over de dominante rol van de rijke landen. In zijn eindverslag heeft de Surinaamse vertegenwoordiger [= Benjamin Mitrasingh, de schrijver van dit artikel – red. CU] dit ongenoegen ook tot uiting gebracht in de zin van, wij vertegenwoordigen weliswaar een arm land als Suriname maar wij – gesponsord door Unesco - komen niet op zulke belangrijke museumconferenties van de Unesco om naar’ kinderverhalen’ te luisteren over het moderne museumwezen van de rijke landen.

Erfgoed: oud Indianenhuis. Foto © Sasha Dees


Want wat zouden de rijke landen ervan vinden als wij een project van de leeggeplunderde suikerfabriek van Mariënburg zouden sturen naar bijvoorbeeld de World Monuments Fund in Washington? Dan was er toch weer onmiddellijk ruzie tussen ons en de Nederlandse politiek, maar hopelijk niet tussen ons en de doorsnee Nederlandse burgers, zoals Janneke Braamburg uit Enschede. Zij bekritiseert het Werelderfgoed in de rubriek Forum in het november nummer van de Nederlandse NatGeo. Daarin vraagt zij, waarom er geen aandacht wordt geschonken aan de 445.000 levend aangekomen slaven in Suriname en Curaçao die een zeer grote bijdrage hebben geleverd aan de Nederlandse economie in de zeventiende eeuw (de gouden eeuw). ‘Nakomelingen hiervan worden elke keer gekwetst wanneer wij bij het enthousiasme over wat wij hebben bereikt, hun bijdrage niet genoemd wordt.’
Misschien zou het goed zijn wanneer de Surinaamse burger die in Nederland heeft gestudeerd en ook daar heeft gewerkt, vaker rechtstreekse contacten onderhoudt met zijn oude vrienden in Nederland. 

Architecturaal erfgoed op Barbados. Foto © Leon Jaspaert


Na het grote sociologisch onderzoek: Een nationaal onderzoek voor een cultuurbeleid in Suriname onder 3.161 scholieren en 675 volwassenen, een Unesco-project 00 SUR 602, uitgevoerd door twee Surinaamse academici (B.S. M[itrasingh] en C.R. B[adal]) werd in het eindverslag (van 50 bladzijden) in februari 2002, een kleurenpagina opgenomen met foto’s en de bijpassende tekst: ‘Als wij dit alles hebben beschermd, gered en verzorgd, blijft de culturele vorming van onze medemens nog altijd ons aller zorg. Daar gaat u ons toch ook mee helpen?’
Toen en tot nu, twaalf jaar later, heeft niemand erop gereageerd. Helaas!

[uit Starnieuws, 13 januari 2014]

dinsdag 17 december 2013

Media laten een ingesleten beeld zien

Curaçao. Foto © Bea Moedt
door Freek van Beetz

Naar aanleiding van de recente aandacht rondom het Caribische deel van ons Koninkrijk hebben we auteur Freek van Beetz gevraagd een gastblog te schrijven.

“Voorlopig komt er geen recensie van uw boek”, kreeg ik dit voorjaar te horen van de NRC. Dat boek: Het einde van de Antillen, zou “alleen voor de echte liefhebbers van de politieke geschiedenis van de Antillen echt fascinerend zijn, maar de meeste lezers van NRC Handelsblad rekenen zich daar niet toe”. En zo serveerde de 'kwaliteitskrant' mijn met persoonlijke ervaringen doorweven kroniek van de recente politieke geschiedenis van het Koninkrijk af, een periode waar ook (Europees) Nederland politiek nauw bij betrokken was. Die staatsrechtelijk cruciale jaren culmineerden uiteindelijk op 10 oktober 2010 in de opheffing van het land de Nederlandse Antillen. Vanaf die datum zijn Sint Maarten en Curaçao ‘autonome landen’ binnen het Koninkrijk, dezelfde status die Aruba al vanaf 1986 geniet. De kleinere eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius gingen als ‘bijzondere gemeenten’ hechtere banden met Nederland aan.
Diezelfde NRC pakt deze weken groots uit met onthullende resultaten van onderzoeksjournalistiek: de betrokkenheid van Nederland en Nederlandse politici bij mogelijke corruptie op Bonaire. De eerste reportage “Illegale spionage op Bonaire” verscheen in de editie van 21 november. Dus nu niet alleen voor ‘echte liefhebbers’?
Cliché beelden worden bevestigd. Foto © EPA

Dergelijke reportages passen in een bestendige, bijna hardnekkige gedragslijn in de media: de eilanden in de voormalige Antillen zijn toch vooral publicitair interessant als er moord, doodslag en corruptie te melden valt. Overigens moet gezegd worden dat aan deze NRC-reportage uitvoerig en gedegen bronnenonderzoek ten grondslag ligt.

De aandacht in de Nederlandse media voor de politieke actualiteit in het Caribische deel van het Koninkrijk, kenmerkt zich in het algemeen niet door een grote mate van diepgang, belangstelling en betrokkenheid. Journalistieke nieuwsgierigheid moet het nogal eens afleggen tegen de aandrang binnen de gebaande paden te blijven: afstand nemen van ingesleten beeldvorming vraagt kennelijk teveel. Teveel tijd, teveel energie, teveel inlevingsvermogen. Een enkele uitzondering (zoals Dick Drayer, correspondent ter plekke) daar gelaten. Het steekt de eilandbewoners in de Cariben terecht dat de van de eilanden afkomstige succesvolle sportlieden steevast als ‘Nederlanders’ worden geprezen en criminelen het etiket ‘Antilliaan’ krijgen opgespeld. Fraude, criminaliteit en integriteitsvraagstukken bepalen het negatieve beeld.
Curaçaose dansgroep

Gemiste kansen
Van 12 tot 21 oktober bezochten koning Willem Alexander en koningin Maxima het Caribisch deel van het Koninkrijk. De lijst met ‘geaccrediteerde pers’ in het officiële programma vermeldt 7 fotografen, 5 journalisten van de schrijvende pers en 25 medewerkers van radio, tv en video, waarvan 8 verslaggevers. Maar liefst 37 personen zouden het bezoek verslaan.

En wat hebben die ons allemaal laten zien? Vanzelfsprekend veel geijkte beelden: zon, zee, volksdans en vrolijke mensenmenigten. En een koningspaar dat duidelijk zichtbaar genoot van de inzet, het enthousiasme en de spontaniteit van hun onderdanen aan de andere kant van de oceaan.

Voor zover de meegereisde journalisten daarvoor al de ruimte kregen van hun redactiechefs en netmanagers, kregen we in het journaal en in de nieuwsrubrieken maar bar weinig te horen en te zien over de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen sinds de wijzigingen in de staatkundige verhoudingen op 10 oktober 2010.
Voor nieuwsgierige nieuwsgaarders zou de recente geschiedenis voldoende aanleiding moeten zijn om te onderzoeken hoe het de eilanden en eilandbewoners sedertdien is vergaan. Het koninklijk bezoek bood een mooie en gepaste gelegenheid om de bestaande stereotype beelden te nuanceren en de kennis over dit deel van het koninkrijk te verdiepen. Die kans hebben de nieuwsmedia voorbij laten gaan.
...overbodig vakantiereisje...

In het veelbekeken acht uur journaal kwamen slechts sporadisch beelden van het bezoek – en dan nog in een flits - voorbij. Correspondenten in ‘Verweggistan’ krijgen daar doorgaans meer zendtijd toebedeeld voor lang niet altijd even diepgravende reportages (dansende aapjes op straat in Djakarta!). In sommige programma’s, bijvoorbeeld in RTL Late Night (met Umberto Tan), maakte de redactie het zich wel erg gemakkelijk: de reis van het Koningspaar werd, met het tonen van enkele plaatjes, lacherig afgedaan als een overbodig vakantiereisje. De NTR beperkte zich tot overigens goed gemaakte reportages: ‘Koningspaar in de Nederlandse Cariben’, die op drie achtereenvolgende vrijdagavonden tussen zeven uur en half acht werden uitgezonden, jammer genoeg niet echt ‘prime-time’.

Tegen die achtergrond valt de kritiek op de eilanden op de wijze waarop zij door de Nederlandse media en de Nederlandse politiek worden bejegend goed te begrijpen: ze worden maar al te vaak met meewarige blik en houding weggezet als ontwikkelingslanden, waar financiële steun in zakken van corrupte politici verdwijnt; eilanden die in de greep van de maffia lijken te worden weggezogen en waarvan we beter vandaag dan morgen afscheid van moeten nemen.

De media hebben de kans om een genuanceerder beeld te geven van de eilanden en hun bewoners voorbij laten gaan. Dat doet geen recht aan de positieve sfeer waarmee het koninklijk bezoek was omgeven en evenmin aan de inzet van velen op die kleine eilanden die met energie, maar met vaak beperkte mogelijkheden en middelen werken aan hun toekomst.

Wél geïnteresseerd in de achtergrond van de voormalige Nederlandse Antillen? Lees het boek van Freek van Beetz: Het einde van de Nederlandse Antillen.


[van Eburon, 28-11-2013]

zaterdag 16 november 2013

Tropisch Koninkrijk


Felix de Rooy en Kirk Claes - Las tres potencias: Negro Felipe, Maria Lionza, Indio Guacaipuro, triptiek (2013).
Foto Ruben de Heer


De tentoonstelling Tropisch Koninkrijk in Museum de Fundatie in Zwolle vindt plaats in het kader van de viering ‘200 Jaar Koninkrijk’ en geeft een uitgebreid overzicht van de hedendaagse beeldende kunst van Aruba, Curaçao, St. Maarten, Bonaire, Saba en St. Eustatius. Met werk van twintig kunstenaars presenteert het museum een grote variëteit aan kunstvormen: van klassieke schilderijen tot moderne installaties. Een aantal kunstwerken wordt speciaal voor de tentoonstelling op locatie gemaakt. De Nederlands-Caribische kunst onderscheidt zich door haar sterke internationale oriëntatie en multiculturele gelaagdheid.

Heleen Cornet, Mount scenery (2012)


‘Cross culture and cross time’
Tropisch Koninkrijk brengt de laatste artistieke ontwikkelingen op de voormalige Nederlandse Antillen onder de aandacht. Het gaat om internationaal georiënteerde schilder- en beeldhouwkunst, video, film, fotografie, keramiek en installaties. De kunst van de Caraïben wordt vooral in Midden-Amerika getoond, onder andere op de biënnales van Santo Domingo en Havanna. Kenmerkend is de zoektocht van de bewoners van de verschillende eilanden naar een eigen identiteit. Curaçaoënaar Felix de Rooy vatte de kern van deze zoektocht samen met de slogan: ‘Cross culture and cross time’.
Elvis Lopez - She devil (2005)

Een bepalende factor in de kunst van de Nederlandse Caraïben is de Afrikaanse- en Indiaanse erfenis. Daarnaast manifesteert zich binnen de mix van culturen de invloed van Nederland en Europa en ook die van het Midden-Oosten, want sommige kunstenaars op Curaçao en Aruba hebben Joodse en Libanese voorouders. Belangrijke thema’s, behalve de diaspora, zijn geschiedenis, religie, mythen en gebruiken, alsook de huidige sociaal-politieke situatie en niet te vergeten de overweldigende natuur. In veel gevallen ontstaat een boeiend spel van ‘fusions’ en een multiculturele gelaagdheid die de unieke positie van de zes Caribische eilanden in het Koninkrijk der Nederlanden onderstrepen.

Yubi Kirindongo - Comader Rais (2011)


Verf, brons en sumpiñas
De twintig kunstenaars op de tentoonstelling gebruiken de meest uiteenlopende materialen, van traditionele media als verf en brons tot afvalproducten en organisch materiaal. Zo maakt Herman van Bergen speciaal voor Tropisch Koninkrijk een reusachtige muur van sumpiñas, de typische doornstruiken van Curaçao. Hij geeft daarmee een stekelig commentaar – ook letterlijk – op de in meerdere opzichten gespleten gemeenschap op zijn eiland. Heleen Cornet toont een reeks poëtische aquarellen op doek, gemaakt in het tropisch regenwoud van Saba. Zij laat daarbij geluiden van de eilandbewoners overgaan in klassieke muziek van Benjamin Britten. Yubi Kirindongo is in Nederland onder meer bekend van zijn deelname aan ‘ArtZuid 2011’ in Amsterdam. Werk van zijn hand bevindt zich in de collectie van museum Beelden aan Zee en is als langdurig bruikleen te zien in de beeldentuin van Museum de Fundatie bij Kasteel het Nijenhuis in Heino/Wijhe. David Bade werd uitgenodigd voor ArtZuid 2013. In 2010 was een overzicht van zijn werk te zien in het GEM in Den Haag. Voor de beeldentuin van Museum de Fundatie maakte hij in 2012 de sculptuur Ins Blaue, de kolossale oranje ridderfiguur, die jaarlijks afreist naar het Lowlands-festival in Biddinghuizen. Beide kunstenaars tonen op de expositie in Zwolle hun meest recente werk.
René Emil Bergsma - Mysticism (1991)

Eerste museale overzicht
Tropisch Koninkrijk is het eerste grootschalige museale overzicht in Nederland van de hedendaagse beeldende kunst van alle zes eilanden in het Nederlands-Caribische gebied. In totaal zullen zo’n 130 objecten geëxposeerd worden. Bijzondere aandacht gaat uit naar de specifieke ontwikkelingen en achtergronden van deze kunst, waaronder de relatie met Nederland. De van oudsher sterke culturele band tussen Nederland en de overzeese gebieden blijkt onder meer uit de nauwe samenwerking van het Instituto Buena Bista op Curaçao en Ateliers 89 op Aruba met verschillende kunstacademies en andere Nederlandse kunstinstellingen. Instituto Buena Bista is officiëel partner van KABK, Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.
Halssieraad van Evelien Sipkes

Tropisch Koninkrijk werd samengesteld door kunsthistoricus en publicist Maarten Jager. Hij selecteerde de volgende kunstenaars: David Bade, Herman van Bergen, René Emil Bergsma, Ruben La Cruz, Yubi Kirindongo, Tirzo Martha, Felix de Rooy & Kirk Claes, Evelien Sipkes, Ellen Spijkstra (Curaçao); Ciro Abath, Stan Kuiperi, Elvis Lopez, Osaira Muyale en Ryan Oduber (Aruba); Nochi Coffie en Winfred Dania (Bonaire); Ras Mosera (St. Maarten); Heleen Cornet en Glenda Heyliger (Saba); Magumbo Muntu (St. Eustatius).

Bij de tentoonstelling verschijnt een drietalige catalogus (Nederlands / Papiaments / Engels), met bijdragen van Maarten Jager, Adi Martis, Felix de Rooy en Maaike Staffhorst, die wordt uitgegeven door Uitgeverij de Kunst. Tropisch Koninkrijk is mede mogelijk gemaakt met steun van de Provincie Overijssel en het Prins Bernhard Cultuurfonds. Hoofdsponsor is Koninklijke De Gruijter & Co., overige sponsors zijn Maduro & Curiel’s Bank N.V. en BCD Holdings.

Museum De Fundatie, Zwolle, van 29 november 2013 t/m/ 16 maart 2014

vrijdag 3 mei 2013

Antillianen in de Tweede Wereldoorlog

Een soldaat op wacht bij de olieraffinaderij
Eerste kranslegging voor (ex-) rijksgenoten
Zaterdag 4 mei 2013 vindt de eerste kranslegging speciaal voor gesneuvelde (ex-)rijksgenoten plaats op het Ereveld in Loenen (bij Apeldoorn). OCAN, SIO, BUAT en 4/5 Meicomité Amsterdam Zuidoost leggen namens de Antilliaanse/Arubaanse, Surinaamse, Molukse en Indische rijksgenoten een krans. Namens OCAN zullen onder meer aanwezig zijn Glenn O. Helberg en de Curacaose sergeant-majoor Elvis Manuela.
De aanvang is 14.00h. Job Cohen is hoofdspreker, zie de website van de stichting Oorlogsgraven: www.ogs.nl. Eenieder is van harte welkom de plechtigheid bij te wonen.
De geboren Curaçaoënaar Stephanus Thodé (1889 - 1942) ligt begraven op Ereveld Loenen. De matroos van een koopvaardijschip verongelukte in 1942 bij Colón, Panama.  

Curaçaose en Arubaanse slachtoffers
52 Curaçaose slachtoffers die erkend zijn door het OGS kwamen om in verschillende delen van de wereld, zoals Edgar Alvares Corea in Auschwitz, Petrus Anastasia in Osaka (Japan), Jan Frederik Haayen in de Zuid-Chinese Zee, George Maduro in Dachau, Arturo Elizabeth in Palembang en Gabriel Manuela in de Atlantische oceaan. Charles Debrot was nog maar net 20 jaar toen hij sneuvelde bij Loosduinen.
In het slachtofferregister van OGS treffen we zeven Arubaanse gesneuvelden, onder wie Elias Laclé, Jacob Rasmijn en Boy Ecury.

Dodenherdemking Curaçao 2012. Foto © Geha


Slachtoffers uit Saba, Sint-Eustatius, Bonaire en Sint-Maarten
Op 16 februari 1942 kwamen onder meer de Sabanen James Cornet, John Dembrooke en de Statiaan William Rosaria om het leven bij een beschieting van een Duitse U-boot op de Britse Lago tanker s.s. Pedernales. Twee minuten later werd het vuur geopend op een andere tanker, waarbij vijf Bonairianen het leven lieten, onder wie Luis Emerenciana, Juan Domingo Goeloe en Alberto Pieter, alsmede vier Sabanen en één Curaçaoënaar. Zij allen kregen een zeemansgraf. Diezelfde dag worden nog twee tankers beschoten door Duitse U-boten, waarbij onder meer drie Sabanen, één Statiaan en vijf Bonairianen, onder wie Oliveiro Martijn, John Dunlock en James Clarence van Putten.
In het slachtofferregister van OGS staan twee Sint-Maartenaren vermeld: Esau Laveist (1942) en George Richardson (1944). Beide kregen eveneens een zeemansgraf in de Caribische zee.

Erkenning van Oorlogsgravenstichting (OGS)
De meeste Antilliaanse gesneuvelden zijn erkend door de OGS en er liggen er meer dan 20 op verschillende erevelden van de OGS. Op de Militaire Begraafplaats in Willemstad liggen 8 graven van de OGS.
De OGS onderhoudt graven in meer dan 50 landen wereldwijd van militairen van de Nederlandse krijgsmacht die na 9 mei 1940 zijn gevallen en Nederlandse burgers die, hetzij metterdaad de vijand bestrijdende dan wel ten gevolge van hun handelingen of houding tegenover de vijand, het leven hebben verloren.

Een pamflet van de NSB tegen de Engelse en Amerikaanse bezetting van Curaçao en Suriname

‘De Antillen in de Tweede Wereldoorlog’
Jos Rozenburg heeft een zeven jaar lang onderzoek gedaan naar Arubaanse en Antilliaanse oorlogsslachtoffers en de rol van de Antillen in de Tweede Wereldoorlog. Over een jaar (mei 2014) publiceert hij zijn boeiend geschreven boek De Antillen in de Tweede Wereldoorlog.
Op 4 mei 2013 om 06.00h Antilliaanse tijd gaat de Engelstalige websitewww.antillesatwar.com online. Doel is de toegankelijkheid tot informatie over de Tweede Wereldoorlog en zijn ‘Antilliaanse offers’ voor de bevolking van de zes eilanden te vergroten.
Het is de wens van Jos Rozenburg om de ‘vergeten’ 129 Antilliaanse oorlogsslachtoffers een gezicht te geven.

Ereveld Loenen. Foto © P.J.L. Laurens


Oproep: ‘Antillianen: vertel je oorlogsverhaal’
Het verzoek van de onderzoeker aan de Antilliaanse en Arubaanse burgers en nabestaanden is om persoonlijke verhalen, foto’s en dergelijke over slachtoffers die in het boek te mailen, zo gauw de website online is. Jos Rozenburg wil graag in contact komen met Antillianen die meer kunnen vertellen over de oorlog, met als doel deze verhalen vast te leggen, voordat deze generatie zijn stem verliest. U kunt hiervoor bellen naar +31 (0)6 - 131.571.73, of mailen:  jrozenburg@hotmail.com.  

woensdag 1 mei 2013

The Story of Rebecca

by Will Johnson

Contributed from Of Saban Descent

This story was written in September 1985. The lady in question has so many descendents and young people who want to know more about her life and times that I would like to pass it on to the public one more time. Holland is talking about a project for “Strong Women”. When these islands had it most difficult we produced strong women. We should not have to look around to find them. They have always been with us and always will. Here is one of the many strong women I have known in my lifetime and whose lives I would like to project to a wider reading public.
The Story of Rebecca

When an old person dies it is like a library burning down.
The day I interviewed her was Sept.6th, 1985. She was 87, still making coal pits, working in the ground, doing crochet work, and selling lottery tickets. Working hard, as she had been doing all her life. She had walked up to The Level looking for me and then back down to Windwardside. I said to her: “You must be tired.” She laughed and said: “This ain’t nothing.” And then she told me her story
Rebecca Levenstone, born Jones, was born in Saba’s St. John’s on July 9th, 1898. She lived just above the “Chaulk Hole.” Her mother was Elizabeth Jones, whose parents were Ann and George Jones. Her father was Lawrence Riley.
Rebecca’s mother also had five sons. One died between the age of 2 and 3. Her mother had been grating cassava and went outside briefly to feed her sister’s cow. The little boy drank the cassava water which had salt in it. This prevented vomiting and the child died almost immediately. Rebecca is now the only one surviving from her mother’s children.
Rebecca said she never remembered her old grandparents telling anything about where they had come from in Africa. They had been born on Saba, but her grandmother did tell her many stories from the slavery days.
In 1911, Rebecca went to St. Barths with Mrs. Annie Dowling in the sloop the “Muriel.” She stayed there 3 months, but said she just wanted to get back home and she came back in the “Challenge” which was nothing more than a large rowboat.
In those days there were several Saban families living in St. Barths. She remembers a Rogers family living there related to Capt. Engle Simmons of The Bottom, as well as the Barnes, Dinzey, and Dowling families. She said in those days the trade was all with St. Kitts. There were two sloops, the “Ethel” and the “Muriel.”  The Ethel was owned by “Red Head” Joe Simmons and the Captain was Willie Hassell. They used to call at St. Kitts two or three times a week.  The sloop Muriel,which belonged to Capt. John Simmons, also used to trade with St. Thomas.
In the hurricane season these sloops would go to St. Barths, along with two large rowboats the “Challenge” and the “Surprise” which also belonged to “Red Head” Joe Simmons.  By the way, there were two merchants from The Bottom named Joseph Simmons. To distinguish one from the other they were known by the colour of their hair “Red Head” and “Black Head.”  In any event, when a hurricane threatened, these boats could be hauled up on land, loaded up with rocks, and thus weather out the storm.
In later years Rebecca used to travel with the government-owned schooner the “Blue Peter” and other schooners would bring down cloth, heaters, and other merchandise from Mr. Stanley Gumbs whose wife was from Saba. These items would be sold on Saba.
As a young girl, 9 to 10 years of age she started carrying loads on her head from Ladder Bay or Fort Bay. In the beginning the loads consisted of 5lbs of butter. As she got older the loads increased. She used to bring a 100 lb bag of flour on her head to Windwardside for f.0.65 cash money and a pint of flour or cornmeal. The most trips she ever made in one day was 7 trips once from Fort Bay to St. John’s. The last trip of the day she was carrying a large trunk and she was so exhausted when she reached the pasture on St. John’s that the trunk fell and “burst open.” Rebecca said: “You know she refused to pay me?” Then she pauses for a long time and said “Never mind, though, she gone long time and your old Becca is still here!” For all those trips she made, the most she ever received in a single days work was fls.5.—(five guilders.)
 On December 14th, 1921, Rebecca got married to Mr. Richard Andrew Levenstone, also known as “Bullie.” Although her husband was 24 years older than her, they had 15 children together, two of whom died as children, the others are all alive.
In between the births of her children, Rebecca continued her life of hard work. She told me that once she went to Mary’s Point to trade with my great uncle, Henry Johnson. In those days when water was scarce, she would either carry drinking water from The Bottom, or corned fish and so forth. These she would trade for potatoes, tannias, bananas etc. On that occasion she brought back a barrel bag with 560 bananas from Betsy Horton’s ghaut to The Bottom to sell.

The children
At the Fort Bay and Ladder Bay she helped to haul up the boats, sometimes to row them out through the breakers. She then started to bring up the mail from the Fort Bay. This she did for the next 33 years. She used to bring up everything on her head at first, later  on  she started to get donkeys to help out. She owned 17 donkeys in all over the years of hauling cargo from the Fort Bay, until the jeeps and the trucks started doing this job in the early nineteen fifties.
Her husband died in 1955 at the age of 81. Rebecca said that she had a happy life and that she enjoyed the hard work. In her youth Saba had well over two thousand people living here ,Rebecca said,  and that there were “loads of people living in Cow Pasture, Middle Island and Palmetto Point (Mary’s Point). She was born an Anglican, but she went to the Roman Catholic School when it started up in 1909 and she converted to Catholicism.
She said in the hurricane of 1928, she had a bag of flour and a pail of lard at Susan Laura’s home, which belonged to the shopkeeper Ralph Sagers of Hell’s Gate. She received a message from Susan Laura Johnson telling her that a hurricane was coming and that she had better come and pick up these things, as she could not be responsible for them if the hurricane blew down her house.
Rebecca tells how “Phillie” helped her load the bag of flour on her head and she carried the pail of lard in her hand. He said, “Becca, girl, you must be crazy, you’ll never make it up the hill with that load.” Rebecca said that when she got by the Chaulk Hole her head was burning, but she didn’t give up. Neither at John Sagers’ Ridge, but at the “Dancing Place” she decided to rest her burden on a wall. Then her husband, “Bullie,” and son, Edward, came along from the direction of Windwardside.  She told “Bullie” to rush down and secure the children. “Edward and I will continue.” She then continued carrying the flour, while Edward carried the lard.
Arriving on Hell’s Gate she delivered her load and purchased a bag of vegetables, to take back with her to The Bottom to sell there. She said the hurricane hit at 10 o’clock that night. They weathered it in the home of “Aunt Maude” Linzey. In the 1932 hurricane they again went to “Aunt” Maude’s house.
“Did Ned pass all your house yet?”
Rebecca’s home had a thatched roof made from the stalks of the sugar cane and it received some damage in the 1928 hurricane, but was quickly repaired.
Rebecca said that she used to go look in at parties but never danced herself. She drank a glass of liquor only once when she was in pain, and smoked a cigarette once for a toothache, but did not like either one and never bothered with them again. She said her main meal consisted of roast sweet potatoes and milk mixed with water. Sometimes they would have hard crackers which were 6 for 1 cent. Many nights she would go asleep hungry. During the “Kaisers War” her friends would shout out to one another “Did Ned pass all your house yet?” “Ned” was an old Saba expression which meant hunger. Rebecca’s mother used to make 12 cents a day working for people. In later years her brother “Bishop” used to sail out of Barbados with a Saba captain and send back money for his mother.
The biggest diaster she remembers was when Mathias’ brother “Stephen” and his three sons, Joseph, John Thomas and Stephen Jr. were lost on the Saba Bank while fishing in a boat called the “Ruby”. People claimed that they would see the boat coming, with oars rowing with no men in it. One Sunday night the schooner “Estelle” was in the harbour. People in St. John’s claimed they heard the voices of the men who had lost their lives calling out: “Come down, we come, we come.” They went down, but no boat came in. For months people claimed they saw the boat trying to reach the shore in vain. This happened around 1914.
She said that at Christmas she would receive a suit of clothes from Miss Anne Catherine Hazel of St. John’s – Jim Hazel’s mother. The rest of the time she wore hand downs.  Regarding her health, Rebecca told me that all her life she used salt, was not a heavy eater and never had a problem with high blood pressure.
When I was a young boy coming up we used to sit down and listen to the old people. An old African saying is that when an old person dies it is like a “library burning down.”
People like Rebecca are disappearing. Her generation, knew the hard life and were not embittered by it. The luxury and easy living today seems to make people greedy, make tattle-tales out of people who want to destroy all with their tongue who they think stand in their way to fortune. They are only interested in making money for the love of money only. The scorn old people with a history of honest and hard work like Rebecca. Her life of hard work is the best example we can use to pass on to our children. God has blessed her hard work and honesty with the privilege of a long and useful life.

Rebecca tending to her chickens and collecting fresh eggs
At 87, Becca can still walk from Below-The-Ladder to The Level. She says she could go to the top of the mountain, only she ain’t got no business up there. She has no bitterness about her and is justly proud of the hard work she has done in her lifetime. She has 55 grandchildren and 56 great-grandchildren. Some years ago she was honoured with a Medal from Her Majesty, The Queen. Our young people would do well to sit down and let “Becca,” as she is fondly called, tell them what life is all about.  Rebecca, we salute you, and all we can say is “Carry on the good work.”
*  *  *  *  *  *
Balthazar Gracian (16th century) tells us: “Turn the hand first to achievement, and then to the pen, from the blade of the sword to the blade of history, for there is such a thing as the blessing of the biographers, for it makes immortal.”
Rebecca passed away on August 11th 1988 shortly after her 90th birthday. Remarkably enough, ten of her children still survive 23 years after this article was first written. Five girls and five boys. They are Beatrice, Agnes and Vivienne on Aruba, Marguerite on Bonaire, Bernadette on Saba. The boys are: Joe on Saba, Martinus on St. Maarten, Alphonse in Florida, Mathias on Aruba and Paul on Curacao. Once when she was trying to locate her son in the USA she brought me two marriage books. One was full and the other was on its way to being full. I said “Becca” you had nearly filled up two. She answered that “Bullie” had want to fill up the other one you know. Well I told “Bullie” if you want to full up another book, you will have to do that outside. Your Becca has done her share.”

Celebration of Rebecca’s 80th Birthday

Miljoenen voor natuurbehoud Cariben

Saba

Het Nederlandse kabinet stelt eenmalig 7,5 miljoen euro beschikbaar voor het behoud van de natuur op Saba, Sint Eustatius en Bonaire. Het geld wordt onder meer besteed aan het behoud van het koraal en toegankelijker maken van de natuurgebieden.

Dat schrijft staatssecretaris van Economische Zaken Sharon Dijksma (PvdA) vandaag aan de Tweede Kamer. De bewindsvrouw verwacht dat dit duikers en wandelaars aantrekt, wat goed is voor de economie.

Onderzeewereld Bonaire


Natuurbeleidsplan
De plannen voor het natuurbehoud staan in het natuurbeleidsplan Caribisch Nederland 2013 – 2017. Dijksma wil dat de natuur op de eilanden duurzaam gebruikt blijft worden, zodat eilandbewoners er ook in de toekomst van kunnen blijven profiteren. Saba, Sint Eustatius en Bonaire zijn biologisch zeer divers en herbergen honderden soorten, waarvan een deel is bedreigd. Ook is een verscheidenheid aan wereldwijd bedreigde ecosystemen te vinden op de eilanden, aldus het beleidsplan.

[© Novum]

dinsdag 19 februari 2013

Exhibition Heleen Cornet

Heleen Cornet, Rainforest Saba


Nature is always fascinating. In particular the diverse nature of Saba. The ultimate proof is provided by Heleen Cornet in the exhibition Elfin Forest, Saba. The exhibition - supported by the Prins Bernard Cultuurfonds Caribisch Gebied - will be opened on Sunday February 24, 2013, at 5.30pm in Mon Art Gallery. Elfin Forest, Saba shows several paintings of picturesque historical houses on Saba, but mostly of Saba's elfin forest, a term used for ecosystems with many dwarfish plants and animals. The exhibition lasts until March 18.

The natural surrealism of Saba's unique nature is enhanced by Cornet usage of intense colors and unconventional materials. Every painting starts with a sketch - pencil, watercolor or oil paint - she makes while camping in nature. After returning in her studio, she adds images from her memory or fantasy. Sometimes she uses photo's, for instance of butterflies or bats as in the paintings Black Witch Triptitch and Bat. Using sand, lace or leaves as stamps, she adds structure to her paintings.

About the artist
Heleen Cornet was born in the Netherlands, where she obtained a degree in education and a masters degree in fine arts at the Academy of Fine Arts in Amersfoort. Nearly forty years ago, she moved to the Caribbean to work as an art teacher on Bonaire and Saba.
Cornet illustrated many books about Caribbean nature and architecture, published with her husband, marine biologist Tom van 't Hof. In the mural for the Sacred Heart Church in The Bottom she combined rainforest scenes with religious symbols.

Fresco van Heleen Cornet in de Sacred Heart Church, The Bottom, Saba


Cornets unique style is also recognized by the international art community. Her paintings and installations were shown at many prestigious exhibitions, including the Biennales in Santa Domingo and Brazil and exhibitions in France, Italy, Cuba and the United States. In 2010 she received an international award for innovation in watercolor painting. ``The deep, dark purples, oranges, browns, greens and blues that give many of her paintings structure are as saturated as oil paints yet maintain the flowing gradients of watercolor paints,'' according to a review by Agora Gallery in New York.

Opening Sunday February 24, 5.30pm
Exhibition ends March 18
Mon Art Gallery Renaissance Rif Fort, Otrobanda
Mon-Sat: 10.00 am to 7.00 pm (non stop)
seroes@onenet.an www.monartgallerycuracao.com

zondag 17 februari 2013

Sfeerverlichting op Saba

The Bottom — Wandelaars en andere weggebruikers in Saba kunnen binnenkort ‘s avonds gemakkelijker hun weg vinden in The Bottom en Windwardside. Beide dorpen worden momenteel voorzien van in totaal 60 lantaarnpalen met een nostalgische uitstraling, die goed passen in het karakteristieke straatbeeld. Dat meldt verslaggever John van Kerkhof op de website Caribisch Netwerk. Het project is gefinancierd door het Sociaal-Economisch Initiatief (SEI) en de lokale overheid en wordt uitgevoerd door Saba Roads. The Bottom is het eerst aan de beurt. Windwardside volgt later. Het project zal een aantal weken in beslag nemen.

zondag 3 februari 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (6)


door Willem van Lit

In deel 6 een aanzet tot een voorstel om te komen tot een oplossing van de  thymotische  energie in de sociale verbanden in de Caribische contreien: tolerantie of verdraagzaamheid. Maar wat is dat eigenlijk?

Foto © Hu Wu Hang


"Erken dat wezenlijke problemen onoplosbaar zijn, dat er tegenstellingen bestaan die je niet zomaar kunt laten verdwijnen. Erken dat wij altijd gedreven worden door gemengde motieven. Maar ook: drijf de tegenstelling niet op de spits, maak er niet telkens een drama op leven en dood van, vermijd de absolute ernst van zeloten, wees coulant, maar ook niet te coulant, want voor de intoleranten kun je niet tolerant zijn". [1]

Met deze zinnen beëindigt Peter Venmans zijn verhandeling over het derde deel van de ziel, de thymos. In feite eindigt hij met de paradox van het fanatisme of de dogmatiek, zoals Van Rompuy dat beschreef. En hier begint het probleem: hoe ontsnapt men in het Caribische gebied aan juist deze situatie, die van de ziekmakende omstrengeling?

Foto © Caribbird


Veel schrijvers komen op hun zoektocht naar oplossingen uit bij verdraagzaamheid. Dat lijkt een wat teleurstellende constatering. Om een aantal redenen. En toch is verdraagzaamheid of tolerantie een begrip dat een menselijk vermogen bij uitstek weergeeft en waar ik een sleutel in zie om tot een doorbraak te komen. Ik denk namelijk dat dit de toegang is tot de andere kant van het ingewikkeld lijkende complex van schuld en schaamte. Dit vermogen moet daarom op een andere manier gewaardeerd worden. Het lijkt oubollig, ouderwets en achterhaald. Een groot aantal mensen zal dat snel denken bij dit begrip. "Het is al zó vaak geprobeerd en het heeft alleen maar tot grotere tegenstellingen geleid; daarbij: tolerantie duurt zo lang". Kennelijk heeft het tot grotere onverdraagzaamheid geleid; dat is de veronderstelling.

Op 3 augustus 2012 valt de regering Schotte van het land Curaçao na een periode van moeizaam politiek manoeuvreren en verschillende incidenten. Dhr. Glenn Helberg laat via RNW op 7 augustus zijn opvatting horen over de politiek op het eiland. Helberg is voorzitter van het Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCAN) in Nederland. Hij zegt onder andere het volgende: "De politiek op Curaçao is te veel bezig met trucjes en slimmigheden om elkaar af te troeven en te weinig met het belang van het land en de bevolking. Het juridische steekspel dat nu gaande is maakt dat meer mensen afhaken en steeds minder vertrouwen hebben in de politiek". Hij zegt verder dat zowel Curaçaoënaars die in Nederland wonen als op het eiland in verwarring zijn. Men begrijpt het niet meer. Er moet een einde komen aan de cultuur van politieke patronage. Politici hebben alleen oog voor eigen belang en ze geven dikwijls het slechte voorbeeld. "Zij moeten zich bewust zijn van de positie die ze innemen. Als ze rollebollend over straat gaan denken mensen dat dit de norm is. Politici moeten beseffen dat zij niet de baas zijn over mensen maar in dienst zijn van de mensen". Hij verwijt hun tenslotte ook gebrek aan visie. Via de site van RNW kunnen anderen hierop reageren. In deze reacties krijgt Helberg van enkelen flink de wind van voren. De woede eronder is voelbaar. Ene ‘akort’ schrijft onder andere het volgende:

"Helberg, we zijn Curasouenaars. Hoezo geen emotie? Zijn we dan Makamba? Dat Helberg emotieloos is geworden zegt nog niet dat curasouenaars ook emotieloos moeten worden. Dat Helberg aan een minderwaardigheidscomplex leidt tov de Nederlanders is zijn probleem. Dat Helberg vindt dat de Nederlander beter is dan hem moet hij zelf weten. Dat Helberg gelooft dat hij minder dan een Nederlander is is zijn probleem. Maar kom ons niet de les lezen omdat je denkt dat je Nederlander bent en nu uitgerekent jij ons met Nederlandse normen en gewoontes wil opzadelen. Een paard is ook geen konijn. Wij kénnen emotie mr. Helberg, we leven en zijn in een omgeving, een regio met veel emoties geboren en getogen, dat moet mr. Helberg niet van ons willen afnemen". Ene Anonymus schrijft tegen Helberg: "Daar hebben we spuit 11 weer. Hij woont in Nederland maar weet precies hoe alles in mekaar zit. Liever dat je echt iets voor de Antillianen in Nederland gaat doen Helberg, voor hun hebben jullie nooit iets gedaan. Ta foi bo kuenta, je bent geen politicus. Als je mee wil doen verhuis naar Korsow. Sta niet aan de zijlijn in Nederland te zeiken".  De emoties zijn na de val van dat kabinet Schotte hoog opgelopen. Overal treft men nu oproepen aan tot een nieuwe start en verdraagzaamheid, maar in de discussies worden de tegenstellingen en de gespletenheid weer snel duidelijk. Men verdraagt geen kritiek, geen opmerkingen, ook al hebben politici gefaald en lijkt het erop dat zij blijven falen. Zelfs dit laatste kan niet worden gezegd. Er bestaat geen verdraagzaamheid ten aanzien van weloverwogen woorden en wensen ten goede. De reacties lijken op uitingen als door een wesp gestoken: direct, fel en persoonlijk verwijtend.

Toch ga ik een pleidooi houden voor dit vermogen van verdraagzaamheid.

Waarom lijkt tolerantie achterhaald? Dit begrip wordt voortdurend verward gebruikt en geassocieerd met het politieke correcte denken en handelen, zoals dat in de laatste decennia van de 20e  en de eerste jaren van de 21e eeuw in Nederland werd gepropageerd. Hier is al eerder geconstateerd dat deze manier van denken en doen weinig tot geen effect heeft gehad; sterker nog, het heeft in veel gevallen de situatie van de tegenstellingen nog meer op scherp gezet. Men associeert het begrip tolerantie dikwijls met toegeven en alleen maar toegeven. Dat is iets wat nogal wat tijd in beslag neemt en wat weinig oplevert. De wrevel die hieruit ontstaat, is een voedingsbodem voor populisten.

Het intussen zeer bekende werk van Paul Scheffer over de migrantenbeweging in Europa heeft al veel stof doen opwaaien [2]. Hij zet een aantal markante opmerkingen bij de fenomenen cultuurrelativisme en de multiculturele samenleving. Daarbij geeft hij ook een uitgebreide analyse van het begrip tolerantie, waaraan ik bij mijn pleidooi niet voorbij kan. De paradox van de tolerantie, zoals die door Van Rompuy en Venmans is beschreven, heb ik al eerder besproken hier: je kunt niet tolerant zijn voor de intoleranten, maar meestal heb je dat pas door als het te laat is. Als we Scheffer lezen, dan zit de paradox al besloten in de betekenis van het woord tolerantie zelf, tenminste daar waar het gebruikt wordt in de nieuwerwetse betekenis en vanuit het (verwijtende) motto van politiek correcte groepen.



We moeten voor ogen houden dat Scheffer hier in het bijzonder de Nederlandse situatie beschrijft. Het is een beschouwing van de Europees-Nederlandse instelling en houding en dit is ook bepalend geweest voor de wijze waarop Nederland (nog) met de overzeese gebieden omgaat (en dit ook in het verleden heeft gedaan). Het is een houding waarvan wij Nederlanders zelf doorgaans vinden dat deze het voorbeeld is van tolerantie, maar die  anderen ervaren als aanmatigend, zelfgenoegzaam en tactloos met kaal onbegrip, doorregen met valse bescheidenheid en een merkwaardig soort benepenheid [3]. Een dergelijk beeld komt onder andere naar voren als we kijken naar Henk Kamp, die de zogeheten BES-eilanden (Bonaire, St. Eustatius en Saba)  heeft omgevormd tot bijzondere Nederlandse gemeenten. Zijn houding en uitvoering zijn bij velen nogal regentesk overgekomen, terwijl hij zelf zal denken dat hij het nuchter en zakelijk heeft aangepakt met het nodige respect voor de plaatselijke bevolking.

Saba. Foto © Dariuss Royce


Scheffer verklaart de Nederlandse instelling eveneens deels uit het verleden. Hij zegt dat Nederland in de 17e en 18e eeuw veel moeite heeft gehad om de scheiding van kerk en staat tot stand te brengen. De toenmalige republiek heeft andersdenkende en anders praktiserende groepen binnengehaald en laten leven en werken uit pragmatische overwegingen. Deze groepen bezaten kennis, een uitgekiend economisch netwerk, geld en goede relaties. Men deed het niet vanuit een verheven beginsel, maar uit opportunisme. Katholieken bijvoorbeeld konden in hun schuilkerken hun gang gaan als er – in sommige contreien – maar voor werd betaald [4]. De fragiele vrede in een land met grote groepen andersdenkenden moest op een precaire manier in stand worden gehouden. 
Alfonsus Parochie Paramaribo

Tolerantie is dan geen kwestie van een individuele vrijzinnige geest, maar juist – door een sterk collectief besef voor precaire verhoudingen – een kwestie van ingetogen gedrag, een code voor fatsoen, conventie en conformisme. Dit groeide uit tot een houding waarop men zich liet voorstaan: de pax Neerlandica in poldermodellen verpakt en vertoond.  “Die houding werd in de laatste decennia steeds meer gezien als een vorm van conformisme, die moest worden opengebroken. Van de weeromstuit werd de verdraagzaamheid steeds meer een vrijbrief, tot een laisser-faire. Dat heeft aantrekkelijke kanten, maar de onwil om te oordelen over opvattingen en gedragingen van anderen kan de tolerantie ondermijnen. Het doet er minder toe of zulke vermijding praktisch wordt gerechtvaardigd als het oogluikend toestaan van wetsovertreding, het zogenaamde gedogen, of zich beroept op het beginsel dat alle culturen van gelijke waarde zijn, wat ook wel cultuurrelativisme wordt genoemd. Gedogen en relativisme zijn natuurlijke bondgenoten in een ontspannen samenleving waar burgers en bestuurders het niet zo nauw nemen.” [5]

En deze vorm van tolerantie is omgeslagen in onverschilligheid, zo betoogt hij verder. Wij leven in Nederland “satisfait”, tevreden, zelfgenoegzaam over onze vorm van verdraagzaamheid, die een fatsoenscode is geworden maar die tegelijkertijd de arrogantie ervan weerspiegelt. Het is de cultuur van de vermijding: we willen en dúrven anderen niet (meer) aan te spreken op hun denkbeelden en gedrag. Afstandelijk, gecombineerd met gêne. Deze gêne wordt nog gevoed door schuldgevoel van de Nederlanders die geconfronteerd zijn met het schandelijke verleden van slavernij en kolonialisme, een schuldgevoel dat licht uitmondt in zelfbeschaming (zie hoofdstuk 3). Dit is hét mechanisme dat de ziekmakende verstrengeling mede in stand houdt. Besturen is in een gedoogsamenleving een kwestie van procedure-volgen. Als je dat maar goed doet, dan vallen de puzzelstukjes vanzelf wel in elkaar. Een van mijn collega’s noemt dit de tolerantie van de incompetentie, een cultuur van vermijding die ook in de beroepswereld, de overheid en in particuliere bedrijven in stand wordt gehouden. Zoals bij banken, openbaar vervoer, de gezondheidszorg, het onderwijs, enz. Hier ontstaan regelmatig problemen met verstrekkende gevolgen en men heeft dan dikwijls kennelijk heel grote moeite de “heersende mentaliteit” aan te pakken. (Meestal moet dan de onderste steen weer eens boven gehaald worden, is men onthutst of geshockeerd, e.d.). Als de schandalen aan het licht komen, zijn de desbetreffende bestuurders of directeuren verontwaardigd en ontsteld door ongeloof. Anderen gaan gewoon door alsof er niets is gebeurd. Sommigen komen er mee weg. Voorbeelden zijn Dirk Scheringa, Erik Staal, Noud Wellink, Doekle Terpsta (met zijn Inholland) en Gerrit Zalm.

Bram Moszkowicz


Ik kom later in dit hoofdstuk nog terug op de verschijnselen van onverschilligheid en vermijding en hoe dit exact werkt  bij de veronderstelde verdraagzaamheid. Het is – zoals eerder gezegd – wel een belangrijke factor bij de instandhouding van de pathetische omhelzing in de Koninkrijksverhoudingen. De oplossing van dit probleem zal dus via andere lijnen van tolerantie gevonden moeten worden.

Een hernieuwde pleitrede voor tolerantie lijkt dan ook heel moeilijk. De redenering voor een noodzakelijk nieuwe waardering voor verdraagzaamheid zal ik over vier sporen laten lopen met een introductie op het begrip dat ik als een vermogen wil zien. Allereerst wil ik dit vermogen vanuit een individueel oogpunt beschrijven: het persoonlijk vermogen tot veranderen. Daarna zal ik het beschrijven vanuit een sociale context, dat wil zeggen de intermenselijke betrekkingen. Hierbij zal ik de begrippen identiteit en authenticiteit in samenhang bespreken, waarbij ik gebruik maak van het conceptuele gedachtegoed van de Frans-Caribische eilanden. Als derde wil ik de cultuurdimensie van tolerantie beschrijven en ten slotte zeg ik iets over een aantal basiscondities die voor groepen in de samenleving van belang zijn om het vermogen tot verdraagzaamheid te kunnen ontwikkelen.

(wordt vervolgd)




[1] Venmans, Het derde deel van de ziel,  pag. 166
[2] Scheffer, Paul, 2007. Het land van aankomst, uitg. De Bezige Bij, 5e druk, Amsterdam, 2007
[3] Op 4 oktober 2012 publiceert Karel Frielink een stuk op Facebook dat van de hand is van Aart G. Broek. Het gaat over de politieke crisis op Curaçao in september en oktober 2012. Het artikel heeft oorspronkelijk in het Nederlands Dagblad van 4 oktober gestaan. Broek geeft zijn opvatting over de wijze waarop men in Nederland de berichtgeving heeft gedaan over deze crisis. Hij noemt zowel de berichtgeving als de commentaren uit zowel politieke kringen als van journalisten neerbuigend en aanmatigend. Men heeft het over de staatsgreep, de chaos en over de bananenrepubliek Curaçao. Nederland vergeet – volgens Broek – dat we in een gedoogconstructie van de regering zelf steeds op de rand van een crisis hebben gezeten met schimmig cynisme en grimmige debatten. Natuurlijk was er een crisis op Curaçao, maar men heeft dit vooralsnog zelf opgelost waarbij door diverse bestuurders ook heel integer is gehandeld (onder andere de gouverneur). Nederland moet veel nauwkeuriger kijken naar de Caribische situatie en de minachting achterwege laten, zegt Broek. Dat Nederland zeer slordig omgaat met de Koninkrijksverhoudingen blijkt ook uit de (merkwaardig onthutste) reportages bij het NOS-journaal, waarbij consequent wordt gezegd dat Curaçao onafhankelijk is. Het toont het irritant matige begrip over de eilanden overzee.
[4] Paul Scheffer, Het land van aankomst,  pag. 162 - 165
[5] Paul Scheffer, Het land van aankomst,  pag. 165.