Posts tonen met het label Jamaludin Rihana. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jamaludin Rihana. Alle posts tonen

woensdag 14 mei 2014

Habibi - Tederheid in een woeste wereld

door Rihana Jamaludin

Habibi
Het lijvige stripboek (655 pagina´s!) Habibi van Craig Thompson, laat een staaltje van meesterschap zien. Beeldende vertelkunst, sublieme illustraties, kalligrafie, filosofie gebaseerd op Arabische geschriften, dat alles verweven tot een onweerstaanbaar boek.
Het verhaal is niet chronologisch verteld, langzamerhand ontrafelt zich de geschiedenis van de hoofdfiguren Dodola en Zam.


Verhaal
Dodola wordt als 9-jarige verkocht als bruid. Haar veel oudere echtgenoot is schrijver van beroep; hij kopieert in opdracht teksten en boeken in Arabisch schrift. Van hem leert ze lezen en schrijven en doet ze de boekenkennis op, die haar tot troost zal  blijken te zijn bij de kwellingen waarmee ze later in haar leven te maken krijgt.
Wanneer drie jaar later haar echtgenoot door rovers wordt vermoord en zijzelf als slaaf verkocht, neemt ze in de slavenkaravaan de 3-jarige peuter Zam onder haar hoede. Ze weet met hem te ontsnappen en ze duiken onder in de woestijn, waar ze op een gestrande boot als in een klein Eden, jarenlang min of meer gelukkig leven.

Wanneer Zam 12 is en Dodola 21, worden ze door mensenrovers van elkaar gescheiden. Het leven toont zich van zijn wreedste kant. Honger, uitbuiting en misbruik moeten ze zien te overleven en ondertussen blijven beide wezen naar elkaar verlangen. Zullen deze door hun ervaringen beschadigde mensen zichzelf en elkaar terug kunnen vinden?


Tragiek
Habibi speelt zich af in de fictieve staat Wanatolia, de lokaties zijn: een uitgestrekte woestijn, een overvolle industriestad en een besloten harem van de sultan. In Wanatolia zijn slavernij en mensenhandel nog heel gewoon en de twee wezen komen er al gauw achter dat hun lichaam niet uitsluitend henzelf toebehoort.

Het harde leven in die ongenadige wereld is echter voor miljoenen armen in de Derde Wereld geen fictie en dat maakt het verhaal van Dodola en Zam zo confronterend.
Hun tragische lotgevallen zijn (ook voor de lezer) alleen te verdragen door de tederheid van de twee wezen voor elkaar.
Menselijkheid komt niet van de rijken en machtigen, die enkel harteloos misbruik maken van de zwakkeren. Dat menselijkheid voortkomt uit de soms zeer verwrongen geest van andere verschoppelingen, maakt het verhaal extra schrijnend. Zoals de door het vissen in de vervuilde, vergiftigde rivier gek geworden visser Noah, die belangeloos armen onderdak verleent. Of de gemeenschap van eunuchen, die de jonge Zam onder hun hoede neemt. Zij streven een spiritueel leven na, maar worden gedwongen zich te prostitueren om in leven te blijven.
Intussen worstelt Zam met zijn tegenstrijdige gevoelens voor Dodola, die hem als een zuster en moeder heeft opgevoed, maar die hij, ouder geworden en geïsoleerd in hun kleine Eden, is gaan begeren.

Wanneer de tragiek de overhand dreigt te nemen wordt het verhaal onderbroken door filosofische overpeinzingen over de eigenschappen van letters, cijfers of geometrische figuren, of door verhalen van het Oude Testament en de Koran. Deze fragmenten met een poëtische verteltrant waarin we de stem van Dodola horen, brengen oases van rust aan binnen de hectiek van verhaal en tekeningen.
Het treurige verhaal eindigt niettemin met de boodschap dat ieder kind de hoop opwekt op een beter leven en ieder kind de wereld beziet met de hoop op geluk en liefde.

Craig Thompson
Craig Thompson werd geboren in 1975 in Michigan, USA. Hij groeide op in een fundamentalistisch christelijk gezin. Zijn ouders screenden alles wat de kinderen te zien kregen en alleen christelijke muziek was toegestaan. Omdat strips werden gezien als iets voor kinderen, mocht hij de zondagskrantenstrips wel lezen, dit was zo´n beetje de enige kunstvorm waarmee hij in aanraking kwam.
Tijdens zijn studietijd maakte hij een strip voor de collegekrant en raakte verslingerd aan het striptekenen. Zo kon hij zijn verhalen vertellen. Na de kunstopleiding werkte hij bij een bureau waar hij o.a.logo´s en verpakkingen voor speelgoed uittekende. ´s Avonds werkte hij aan zijn eigen projecten.
In 1999 debuteerde hij met Goodbye, Chunky Rice, een semi-autobiografische strip. Hij won er meteen de Harvey Award for Best New Talent mee. In 2004 volgde Blankets, een 600 bladzijden tellende autobiografische strip, die met prijzen werd overladen. Aan Habibi werkte hij zes jaar. ´Ik speel met de Islam (in Habibi) zoals ik in Blankets met het Christendom speel`. Habibi won in 2012 de Eisner Award for best Writer/Artist.


dinsdag 13 mei 2014

Zijn mannen bezitterig en vrouwen goedgelovig?

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over Kuis uit 2011 van Rihana Jamaludin.




door Jos de Roo

De belangrijkste verhaallijn van de roman Kuis is een van de vreemdste die ik ooit ben tegengekomen. Hierin gaat het over een kuisheidsgordel. Je zou verwachten dat het verhaal zich dan afspeelt in de duistere middeleeuwen, maar nee, het gebeurt allemaal in het hedendaagse multi-culturele Amsterdam. De gordel is bestemd voor de mooie Turks-Nederlandse Ashmana, een moderne jonge vrouw, opgevoed door haar gescheiden Nederlandse moeder die haar heeft ingeprent niet afhankelijk te raken van een man. Ze krijgt de gouden kuisheidsgordel niet omdat haar wulpsheid de spuigaten uitloopt, maar als teken van de band die ze met haar vriend Bennie heeft. Althans, zo ziet zij het: “Met Bennie werd het beter, alles werd anders. Ik kreeg een nieuwe familie, een plaats waarin ik me om mezelf gewaardeerd voel. Wat kan de gordel anders zijn dan het symbool van mijn nieuwe band? Die gordel is een spel, zo serieus als je hem zelf nemen wil, en toch tastbaar…”(p. 149)

De Zuidafrikaanse juwelier Uwe Koetter 
vervaardigde in 2002 een kuisheidsgordel voor een
 rijke klant in Londen. De naam van de klant
 mag niet onthuld worden. De gordel werd door de bruid
 van de klant gedragen op haar huwelijksdag.
 De roman Kuis was reeds geschreven toen dit
 nieuws bekend werd. (Van Jamaludins website.)
In werkelijkheid wil haar vriend, de hindostaanse Bennie, dat Ashmana een kuisheidsgordel draagt om haar aan zich te binden voordat ze zelf zou ontdekken dat ze iedere man kan krijgen die ze maar hebben wil. Hij is van plan haar snel zwanger te maken, want als ze eenmaal moeder is, zal ze niet gauw gaan scheiden. Zo is Benny het vleesgeworden cliché van de bezitterige macho en Ashmana van de volgzame goedgelovige vrouw, ondanks haar opvoeding en opleiding.

De centrale figuur in de verhaallijn over de kuisheidsgordel is de Hindostaanse goudsmid Ramesh. Bennie en Ashmana kiezen hem uit om de gordel aan te meten en te smeden, omdat hij een kluizenaar is, die de faam heeft dat hij een kuis leven leidt. Maar zodra Ashmana over de drempel van zijn winkel stapt, is hij smoorverliefd. Dat wordt nog erger als hij bij het opmeten van haar kruis de zoete geur ervan opsnuift. Hij staat voor een dilemma: hij is het niet eens met het idee van de kuisheidsgordel omdat deze Ashmana tot bezit maakt, maar als hij de opdracht weigert, zal hij haar niet meer zien. Het vlees is sterker dan de geest en hij gaat de opdracht uitvoeren, waarbij een voor het oog zuiver geestelijke vriendschap ontstaat tussen goudsmid Ramesh en mooie Ashmana.

Knipsels van een Caraïbisch model.
Pagina uit een plakschrift dat Rihana Jamaludin
bijhield voor het ontwerp van haar roman De zwarte Lord
De werkelijkheid is echter dat Ramesh zijn liefde voor haar niet durft te zeggen, omdat hij beseft dat hij dan het contact met haar verliest. Hij komt tot halfslachtige oplossingen van dit probleem. Hij weet Ashmana ervan te overtuigen dat ze zelf een tweede sleutel van de kuisheidsgordel moet hebben. Hij verzint ook iets waarmee hij zijn eigen stempel op de gordel zet en zo symbolisch op de intiemste plek van Ashmana aanwezig is: hij ponst gladde knoppen van bloemenranken in de vorm van zijn initialen “op een plek die zo intiem was, dat alleen de draagster ze moest bemerken.” (212) En Ashmana merkt inderdaad dat er wat zit, want als ze beweegt, raakt ze opgewonden: “Het was of ze onder het lopen voortdurend gekust werd, en dan wel op een zeer intieme plek.”(208) Ze besluit haar eigen sleutel te gebruiken en bemerkt dan wat Ramesh heeft gedaan. Ze is woedend op hem, wat het einde van de vriendschap is. Ook biecht ze het geheim van de eigen sleutel op aan haar vriend Bennie, die door zijn boosheid erover zijn ware aard van bezitter toont, wat ook het einde van de liefde betekent. Zo worden de boosdoeners Bennie en Ramesh gestraft en leeft Ashmana sadder and wiser verder.

Mahafsoun: traditioneel
De tweede verhaallijn is die van de vriendschap tussen de hindoe Ramesh en de Surinaamse moslim Hassan. Deze lijn gaat over de religieuze raakvlakken tussen beiden. Ze streven elk op eigen wijze onthechting van het aardse na door te mediteren. Hassan doet dit door zich te concentreren op een eindeloze rij namen voor het goddelijke en Ramesh door te mediteren over de godin Parvati, waarbij hij in trance raakt en de godin aan hem verschijnt. In feite weerspiegelt Parvati het onderbewuste van Ramesh.

Ook Hassan verlaat het pad van de absolute kuisheid, als hij verliefd wordt op de vrouw aan wie zijn familie hem wil uithuwelijken. Hij wil sinds dat ogenblik dienstbaar zijn aan de mensheid door imam te worden. Zijn religieuze opvatting klinkt in de oren van andere moslims als een ketterij: geen enkele godsdienst heeft de complete waarheid, de waarheid is relatief, en de heilige boeken zijn niet betrouwbaar, want ze zijn pas eeuwen later van horen zeggen opgesteld. Hassan en Ramesh benadrukken het complementaire aspect van het leven: zij zijn in hun streven naar kuisheid “de aanvulling op de potpourri van bandeloosheid.”(50)

Schrijfater Rihana Jamaludin. Foto © Michiel van Kempen
Schrijfster Rihana Jamaludin beperkt dit complementaire aspect niet tot een tegenstelling tussen deze twee individuen en de maatschappij. Ze laat zien dat de tegenstelling overal voorkomt: in de religies en in de romanfiguren zelf. Hassan zegt: “De waarheid is misschien wel te groot voor ons kleine bewustzijn. Hoeveel zouden we kunnen bevatten, van iets dat onmetelijk is? Wat. Als elk van de vier grote godsdiensten nu een déél van de waarheid bevat? En… bovendien tegen zichzelf moet strijden, zoals het in een wereld van dualiteit betaamt? Daar hebben we de dualiteit alweer. Mijn vriend, de mens is een wezen dat faalt, maar hij streeft naar perfectie.” (105)

De religieuze verhaallijn moet het onverklaarbare in de lijn over de kuisheidsgordel verklaren: de goedgelovigheid van Ashama en de abrupte verliefdheden van Ramesh en Hassan. Maar het is een onbevredigende verklaring. De figuren stappen zomaar af van iets wat ze een leven lang hebben nagestreefd. Bij mij blijft de indruk achter dat je zo in feite alles kunt doen wat je wilt en alles kunt goedpraten. Die indruk wordt versterkt door de ingevoegde soefti-verhalen die Hassan en Ramesh gebruiken als ze iets duidelijk willen maken. Je kunt met die verhalen alle kanten op.

Mahafsoun: modern
Qua stijl zijn die verhalen een verademing door de concreetheid die eruit spreekt. Jamaludin is in de rest van de roman heel wat minder concreet. Ze houdt van clichés: “Met sierlijke bewegingen serveerde zij de gerechten, en schonk de klanten haar innemende glimlach.” Dat combineert ze soms met sociologentaal: “Er was niet zoveel waarover ze samen konden praten – het verschil in scholing tussen hen, en de kloof die dit in hun kijk op cultuur veroorzaakte, stond een gelijkgestemde beleving van de wereld in de weg. Maar dat deerde hen niet. Moeder en zoon waren elkaar volkomen toegewijd”. (19) Beschrijvingen worden soms bijna lachwekkend door de abstracties waaruit blijkt dat niet echt is waargenomen: “Tussen het geflikker van de discolampen door, onderscheidde hij in de deinende massa chique avondkleding en glinsterende sieraden. Om hem heen vonden hartelijke ontmoetingen plaats en schoof men bij vrienden aan. Toekomstplannen werden aan de tafeltjes uiteengezet en carrièremogelijkheden besproken.” (43)

Het enige dat opvalt in Kuis is het vreemde gegeven van de kuisheidsgordel. Het maakt duidelijk dat mannen bezitterig zijn en vrouwen goedgelovig. Of mag ik dat niet zomaar veralgemenen? Zo word je als lezer toch opgescheept met de ambivalentie ofwel de dualiteit van het leven dat de roman van Jamaludin verkondigt.

Rihana Jamaludin: Kuis, Amsterdam, KIT Publishers, 2011, 222 blz.

[eerder verschenen in Oso]

zondag 11 mei 2014

Rihana Jamaludin over de wording van De zwarte Lord

Rihana Jamaludin. Alle foto's © Michiel van Kempen

door Michiel van Kempen

Al in 1983 had Rihana Jamaludin het idee voor een roman die vanaf het begin de titel De zwarte Lord droeg. Zij speelde met de gedachte aan verschillende boeken, onder meer om een kinderboek te schrijven. Uiteindelijk pakte zij in 2002 het schrijfwerk weer op en zij smeedde de verschillende concepten aaneen tot de grote historische roman De zwarte Lord die, 525 pagina’s dik, in 2009 zou verschijnen.
Pagina uit het werkschrift
met schetsen van de
figuren van la Troupe

Dat vertelde de auteur op een werkcollege op vrijdag 8 mei j.l. in de reeks Caraïbische dromen aan de Universiteit van Amsterdam. Zij had een werkschrift/plakboek meegebracht aan de hand waarvan zij de wording van de roman illustreerde. Dat zij voorstellingen van 19de-eeuwse schrijvers/tekenaars als P.J. Benoît en Théodore Gray tot uitgangspunt nam voor bepaalde beschrijvingen in haar boek. Hoe zij zich trachtte voor te stellen welke kleding er in het midden van de 19de eeuw werd gedragen in Nederland en in Suriname en welke vlinders er in Zuid-Amerika rondvlogen. De geschiedenis van enkele Nederlandse gouvernantes die naar Suriname verhuisden om daar emplooi te zoeken, had zij bestudeerd. Hoe foto’s van gekleurde modellen haar hielpen zich een voorstelling te maken van het uiterlijke van bepaalde personen.

Het werkschrift bevat ingeplakte foto's van gekleurde modellen, zoals dit Molukse model

In het werkschrift staan ook verschillende eerste versies van fragmenten die later in de roman zijn terechtgekomen, bijvoorbeeld van de toneelteksten die in het tweede deel van het boek voorkomen en die een belangrijke rol spelen bij de theatergroep La Troupe die uit Frans Guyana is overgekomen naar Suriname.
Toneelfragment in het werkschrift

De schrijfster merkte op dat zij het gemakkelijker vond om zich te verplaatsen in een lichtgekleurde vrouw als ik-figuur dan in een slaaf – een ‘eis’ die bijvoorbeeld Egmond Codfried in zijn recensie had gesteld. Bovendien zou een roman geschreven vanuit het perspectief van een Nederlandse gouvernante de toegang voor een Nederlands publiek tot een verhaal over de nadagen van de slavernij gemakkelijker maken.


Uiteraard ging zij ook in op de altijd precaire verhouding tussen historische werkelijkheid en fictie. Een roman moet getrouw zijn aan de historische werkelijkheid, maar de auteur heeft de vrijheid om bepaalde zaken in te vullen of aan te vullen.


Dat deed Jamaludin door een toneelgroep uit Frans Guyana op te voeren, die onder invloed van Das Kapital van Karl Marx, kritische voorstellingen bracht op de theaterplanken in Paramaribo. Jamaludin stond daarbij voor ogen hoe het Doe-theater van Henk Tjon en Thea Doelwijt maatschappijkritische stukken bracht in de jaren ’70 en ’80. De Frans-Guyanese groep wordt dan ook geconfronteerd met vervolging of een rechtszaak. Open vraag natuurlijk of zo’n toneelgezelschap in 1848 überhaupt wel de kans zou hebben gekregen om kritisch theater op de planken van Thalia te presenteren.

Intensief lezen van romanfragmenten, rechts de schrijfster Rihana Jamaludin

vrijdag 9 mei 2014

De zwarte Lord herlezen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De zwarte Lord uit 2009 van Rihana Jamaludin.


door Egmond Codfried

Een zeer verdienstelijke debuutroman van Rihana Jamaludin (Paramaribo 1959) van 525 bladzijden, inclusief bijlage en verklarende woorden- en begrippenlijst. Deze uitbundige historische roman die zich deels in Nederland en voor de rest in Suriname voltrekt, speelt rond het revolutionaire jaar van 1848. Door zijn benadering vormt dit werk een aanzet tot een vernieuwende en eigen postkoloniale, Surinaamse historische roman. Ondanks de titel gaat het boek over Regina Winter, een Brabantse gouvernante die naar Suriname gaat om een jonge plantage eigenaar, die als bijnaam heeft De Zwarte Lord, onderricht te geven. In een jaar maakt Regina zoveel mee, ze is deel van of getuige van zoveel bewegingen en incidenten die verbonden zijn met de Surinaamse geschiedenis, dat zij totaal veranderd is. Van een wat nuffig, kleurloos en benepen Nederlandse is ze een warmbloedige, levenslustige Surinaamse geworden. Ze heeft in zekere zin haar roots gevonden, of eerder bevochten, om de persoon te worden die ze moest zijn. Dit is een heel goed doordacht werk want op een metaniveau personifieert Regina Winter Suriname.

Het betreft ook een veelomvattend werk, Jamaludin heeft veel over te dragen. Ze richt zich, als product van de diaspora, niet tot de Surinaamse lezer, maar tracht de Nederlanders een beeld te geven van de Surinaamse geschiedenis, de overweldigende natuur, de Surinaamse beschaving, de kleurrijke cultuur, de vele talen, religies en de vele etniciteiten die samen met elkaar Suriname vormen. Misschien dat Nederlanders kunnen begrijpen hoe vreemd en uiterst negatief en nutteloos hun huidige xenofobische campagne op Surinamers overkomt. Hoewel Nederland als koloniserende entiteit en geoliede veroveringsmachine niet met Suriname te vergelijken is. Het boek vormt daartoe een mix van reisgids, geschiedenis boek, filosofische gesprekken, een verhandeling over flora en fauna, een liefdesverhaal en een aanklacht tegen koloniale onderdrukking en exploitatie van slaven en arbeiders. De revolutionaire gebeurtenissen, de neergang van de adel en de volksopstanden in het roerige Europa vinden hoe dan ook hun weerslag in Suriname, wat zeer tegen de wensen van de koloniale overheerser ingaat volgens Jamaludin’s gepresenteerde visie op Suriname. Deze benadering is in mijn persoonlijke beleving, als historische onderzoeker en schrijver, de grootste verdienste van Jamaludin en schept een band met een leeftijdsgenoot. Ze gebruikt veel verhaallijnen met veel bijpersonages die op het eind krachtig en dynamisch samenkomen in een toneelstuk en een rechtszaak tegen de toneelgroep. Het einde van de roman is pure virtuositeit van de schrijfster en deed mij denken aan de ademloos spannende boeken over solidariteit ondanks levensgevaar, onderduiken en vluchten tijdens de periode 1940-1945 die ik las als bronnen voor mijn essay Komt er weer een Holocaust? (2010).

Jan Vos

Ik moest dit boek lezen, dus dwong ik mezelf door het kleurloze begin te ploeteren, welke op geen enkele manier een voorspelling inhield van het mooie wat zou komen. Intensieve research maakt een Surinaamse nog niet tot een Nederlandse, dus is Jamaludin in het begin niet erg overtuigend, maar geforceerd. Pas in Suriname is zij in haar element en krijgt zij vleugels en raakt duidelijk opgewonden door haar materiaal, waar door er een functioneel contrast optreedt met de koudheid, de benepen ambities, het obsessieve standsbewustzijn, de verstikkende seksuele moraal en berekening van Regina in Nederland. Helaas is de schrijfster te vaak aan het vertellen, in plaats van door handeling haar verhaal door de lezer zelf te laten verbeelden. Show, don’t tell of ‘t doen gaat voor het zeggen, zoals de 17e eeuwse zwarte schouwburg regent Jan Vos (1610-1667) de gouden regel verwoordde. Verder gebruikt ze te veel abstracties die de vertelling als een beoogde continue droom in de gedachte van de lezer verstoren. Hierdoor blijkt dat ze zich soms onvoldoende in details of teveel in de onnodige details heeft ingeleefd. Details die daarom verder ook niet ter zake doen en even goed geschrapt kunnen worden omdat er ook weinig bruikbare informatie uit volgt. Enkele clichés zoals weerbarstige krullen, hoewel deze soms verkiesbaar zijn boven vreemde vondsten die door hun geforceerdheid weer kunnen afleiden. Regina is de verteller, maar ze weet dingen die de eerste persoon verteller niet kan weten, waardoor de verteller soms als een geschiedenisboek en toeristische gids klinkt. Deze informatie, zoals een uitgebreid verslag over de zeeschildpadden van Galibi, is vaak losgekoppeld van de handeling en draagt niet bij aan de plot. Verder stoor ik mij altijd aan schrijfsters die wat ik de vrouwelijke seksuele mystiekdoctrine noem, aanhangen. Ook omdat ik vermoed dat de schrijfsters zich teveel zorgen maken om hun eigen seksuele reputatie. Alsof zij, ondanks hun intellectualiteit zich niet hebben vrijgemaakt van hun tweederangspositie als vrouw en dus kuis moeten zijn. Zij lijken juist hun lezers te bevestigen in de algemene sociale hypocrisie en de onderworpenheid van vrouwen aan de dubbele moraal propageren. Wat ik wel erg mooi vond is de verandering in stijl als andere personages hun eigen verhaal in monoloogvorm afsteken, waardoor het perspectief voor even verandert en monotonie wordt vermeden. Ook de theaterteksten vind ik prachtig in hun subtiliteit en zeer effectief toegepast.
...seksuele mystiekdoctrine...
Foto Annette Lamothe Ramos

De plot is opgehangen aan de mysterieuze zwarte lord, maar de intrige rond deze zwarte slavenhouder is niet altijd geloofwaardig of doorleefd en soms zelf potsierlijk. Ook omdat de echte belangrijke gebeurtenissen die het verhaal voortjagen spelen rond de bijpersonages en niet de hoofdfiguren. Die blijven toeschouwers die de keus hebben om weg te lopen. Dit ervaar ik als het grootste gebrek aan dit zeer waardevol werk. Het is erg jammer dat het politieke verzet en het experimenteren met nieuwe sociale en politieke verhoudingen niet centraal staan in de ontwikkelingen van het hoofdpersonage. Regina Winters spuit revolutionaire ideeën, maar leeft ze niet uit. Ze kan zich zodoende steeds onttrekken aan de gevolgen, claimt soms dronkenschap als verklaring voor een uitspatting, waardoor haar uiteindelijke marginale verandering voor de kritische lezer onbevredigend is. Ze heeft zich aangepast aan een ongewenste situatie en een ongewenst economisch systeem van slavernij. Dus in feite een pessimistische boodschap, omdat ze zover heeft gereisd en zoveel meemaakt en zoveel tranen vergoten zonder een wezenlijke verandering te ondergaan. Regina als de personificatie van de geschiedenis van Suriname?

Koloniaal Suriname. Foto © Michiel van Kempen

Wij kijken echter naar een aanzet tot een nieuwe soort van Surinaamse roman die zich minder houdt aan de smalle kaders van de opgelegde, kolonialistische historiografie en laat zien dat Suriname minder geïsoleerd en ongeïnformeerd zou zijn als de vroegere schrijvers beweren. Een feit dat mijn historische onderzoeken bevestigen. Ook de Nederlandse commentaren op dit werk illustreren dat de Nederlanders een remmende werking uitoefenen op de ontwikkeling van de Surinaamse literatuur. Zij zijn nog steeds Suriname aan het ontdekken en zijn zich nog steeds aan het verwonderen over de zaken over zichzelf die Surinamers alle in geuren en kleuren kennen of dat Surinamers ook zelf romans schrijven. De nieuwe Surinaamse auteur gebruikt het verleden om iets over vandaag, iets dat Surinamers aangaat, te verklaren. En als een virtueel laboratorium om een gewenste verandering te visualiseren. Waarom Surinaamse schrijvers en schrijvers in het verleden en heden gehaat worden door plaatselijke en buitenlandse politieke elites.

Rihana Jamaludin
De historische romanvorm leent zich meer voor ongebreidelde, realistische politieke fantasie dan een verhaal dat zich in het heden afspeelt. Het heden is beter bekend bij de lezer, dus is de schrijver beperkt in zijn uitwerking van ideeën. Een historische evaluatie kan pas achteraf, maar kan ook als een vorm van een kritiek of een satire opgevat worden van wat vandaag gebeurt. De onderdrukkende staat houdt daarom graag een monopoly op de historiografie en behoudende krachten haasten zich om het publiek te waarschuwen voor fictie. Een roman is per definitie fictie, maar vaak onmisbaar om de lacunes tussen de historische bronnen te vullen om historische personen tot leven te brengen, om hun innerlijke motieven te kunnen onderzoeken. Zelf autobiografieën kunnen een vervalst beeld geven van deze personen.

Bij Jamaludin bespeur ik toch een tweestrijd om twee meesters te dienen, in plaats van onbevreesd te kiezen voor een helemaal vrije en anti-kolonialistische benadering. Omdat ik mij verdiept heb in de eerste, oorspronkelijke Cabale, wat in feite een RepublikeinseSurinaamse beweging was die tussen 1743-1753 Suriname onafhankelijk probeerde te maken, en er een studie, een romanmanuscript en een toneelstuk over schreef, begrijp ik niet waarom de auteur de Cabale als iets afzonderlijks en iets negatiefs beschreef. Ik herken een bron die zij letterlijk citeert wanneer Regina stelt dat latere, opeenvolgende gouverneurs ook geconfronteerd werden met een Cabale. Dat betreft overigens één van de beweringen waar de ik-verteller, correct toegepast, geen weet van kon hebben zonder een glazen bol. De protestbewegingen in haar boek zouden de Cabale moeten vormen, een beweging binnen de rijkste en gesurinamiseerde families, in plaats als een korte verwijzing naar een negatieve beweging. Hiermee speelt zij in tegenstelling tot haar eerdere stellingneming juist de koloniale beeldvorming onterecht in de kaart.

Plantagedirecteur
Tekening van Théodore Bray

Storend vond ik het verkeerde gebruik van de titel Gran Masra, Grootmeester voor een nederige directeur, terwijl dit de grandioze aanspreektitel was van de schatrijke Administrateurs, de machtige politici die naast hun eigen extensief plantagebezit, ook meerdere plantages en slavenmachten beheerden. Ik had graag meer details over 19e-eeuwse kleding en gebruiksvoorwerpen of meubels gezien, omdat ‘vroeger’ voor veel Surinamers slechts één brei is zonder kennis van ideeën, stijlen en neostijlen. Dat Jamaludin zich nationalistisch toont maar de slaven geen stem geeft, is conform de kolonialistische geschiedvervalsing. Terwijl ze wel een stem hadden. Arme, ongeletterde mensen kunnen hun situatie heel goed verwoorden, hoewel niet altijd gehoord door hun onderdrukkers. Alsof de schrijfster zich opnieuw niet voldoende heeft ingeleefd. Dit is extra pijnlijk omdat tot vandaag Surinamers, de afstammelingen van slaven en contractarbeiders, in Nederland nog steeds geen stem hebben. Surinaamse schrijvers worden op neokolonialistische wijze door Nederland geselecteerd, kostenbesparend uitgegeven, besproken en beperkt gepromoot als tweederangs literatuur. Daarom zijn Marokkaanse en Pakistaanse auteurs in Nederland vrijwel alleen die jonge, knappe vrouwen die schrijven hoe verschrikkelijk de Marokkaanse of Pakistaanse cultuur is. Precies wat de Nederlanders over moslims willen horen.

Het bedenken van een plot en intrige zijn moeilijke dingen en men moet soms zijn toevlucht nemen tot haast onmogelijke zaken. Dat geef ik toe en ik bewonder Jamaludins prestaties. Maar om een kleurlinge op te voeren die niet te onderscheiden zou zijn van andere witten, gaat mij toch te ver. Het klinkt als de rechtszaken rond de overtreding van Amerikaanse one-drop-rule waar zwarten zich uitgeven voor witten en trouwen met witten waar hen dat expliciet is verboden. Waar rechtsjury’s zich moesten buigen over het probleem of deze persoon zwart is, en of de ‘bedrogen’ partner dat had kunnen weten, of een schadevergoeding verdient. Een veronderstelde zwarte wetsovertreder moest zelf haar geslachtsdelen aan de jury tonen, want daar blijft bij gemengde zwarten de zwarte kleur het langst. Dat soort drama’s zijn allang ontmaskerd als pogingen om zwarten en witten in het gareel te houden en zwartheid als een ernstige besmettelijke aandoening te presenteren. Wat mij daarom ook erg stoort in deze roman is de suggestie dat zwarten pas mooi zijn als ze gemengd zijn en witte voorouders hebben. Tegelijk praat de schrijfster ook een beetje over Black History, dat zwarten wel degelijk een hoge beschaving hadden vóór de Europeanen Afrika aandeden. Het lijkt mij dat het vooral over Black History zou moeten gaan, als wij een eigen, postkoloniale Surinaamse literatuur nastreven.

Blackamoor. Frans schilderij


De actrice die in 2000 in mijn historisch toneelstuk speelde was een blonde, witte Nederlandse. Intussen beschouw ik het personage van Maria Susanna Du Plessis (1739-1795) als een zwarte Surinaams Europese. Ook vanwege een portret van haar neefje met sterke Afrikaanse gelaatstrekken en het feit dat haar tweede echtgenoot gekleurd was. Het betrof kolonisten die vanwege hun zwarte en gekleurde etniciteit tot de Europese elite behoorden. Blauw bloed is zwart bloed (1500-1789), en was de identiteit van de Europeanen die afstamden van de oorspronkelijke Europeanen, die uit Afrika kwamen en onderling huwden, ter behoud van kleur. In 1500-1789 heerste het Ancien Régime, welke zich identificeerde met de Moor, een klassieke Afrikaan, op adellijke portretten, in familiewapens, familie- en geografische namen. Ze waren ook in hun uiterlijk herkenbaar als afstammelingen van de blauwe mannen, de benaming van Europese zwarten in de middeleeuwen. De adel ontstond aan het eind van de Middeleeuwen en introduceerde afbeeldingen van de centrale zwarte koning bij de geboorte van Jezus rond 1100-1200. Rond 1500 was dit motief in heel Europa aangenomen, en markeert het begin van de Renaissance. Europa zoals wij haar vandaag kennen is het resultaat van de Renaissance. De Franse Revolutie (1789-1795) was het einde van de zwarte overheersing welke de vorm had van Omgekeerde Apartheid. Er is dus wel degelijk een oorzaak van racisme tegen zwarten aan te wijzen en een datum te noemen. Nadien waren er verschillende restoraties, maar vanaf 1848 was het voorgoed gedaan met de macht van de zwarte en gekleurde adel. Eurocentrisme en rassenleer zijn bedacht om deze episode te verbergen, en daarom lijkt het alsof zwarten, de eerste Mens, geen deel van de geschiedenis vormen. Dat vanwege de revisionistische mythe van witte superioriteit alle ontdekkingen en beschaving van witte mensen komt, terwijl witten albino’s zijn, afgeleide van zwarten. Dus niet superieur aan zwarten.

Racisme kan daarom gedefinieerd worden als een overdreven bevrijdingsideologie om witten te bevrijden van zwarte adel en koningen, welke in de aanloop naar de Franse Revolutie werd bedacht. Hoewel de Franse Revolutie in de eerste plaats het werk was van de hogere, gestudeerde burgerij als Hume, Voltaire en Rousseau en progressieve adel die zwart en gekleurd was. Slavernij van Afrikanen ontstond onder deze gekleurde Europeanen en is geen uiting van racisme, maar van hebzucht en ongenadige uitbuiting. Het woord blanke moet opgevat worden als een Europeaan en niet dat deze personen perse ook wit waren. Mogelijk lichter dan sommige Afrikanen, maar vaak zal er geen verschil in kleur en trekken zijn geweest. De gekleurde Europeanen oogden als een gefixeerd mulattenras, waarvan sommigen meer Afrikaans, Aziatisch of wit oogden. Hun hoge status hing samen met hun gekleurde uiterlijk, wat de reden was om uitsluitend onderling te huwen.

De Surinaamse planters waren tot in de 19e eeuw zwarte en gekleurde mensen, even als de gouverneurs. Dat is de reden waarom wij hen zelden te zien krijgen. De kleindochter van gouverneur Cornelis van Aerssen wordt door haar neef James Boswell beschreven als zwart als een schoorsteen en haar man, Aarnoud Joos van der Duyn, een baron van de oudste en hoogste adellijke familie als schoorsteenveger. Boswell, een Schotse baron met een Nederlandse grootmoeder, beschrijft zichzelf als zwart. Hij beschrijft Rousseau als een zwarte man. Rousseau beschrijft zijn weldoener Pierre-Alexander Du Peyrou, een Surinamer, schrijver en rijke plantagehouder als donkerbruin. Componist Van Beethoven werd De zwarte Spanjaard genoemd en zijn leermeester Haydn The Blackemoor. Charles II Stuart (1633-1685) was de Engelse koning die Willoughby een vergunning verleende om in Suriname een kolonie te beginnen, stond bekend als The Black Boy vanwege zijn zwart uiterlijk. Deze feiten worden voor ons verborgen doordat men ons uitsluitend de gewitte, propagandistische portretten toont. Er was blijkbaar een traditie bij de zwarte elite om zich als witten af te laten beelden, maar ook als zwarten. De witte portretten vormden een soort legitimatie en deferentie aan de witte ondergeschikten. Echter bestaan er kostbare boeken uit adellijke collecties die met mensenhuid zijn gekaft, wat een betere indicatie vormt van de waardering van de adellijke elite voor hun witte onderdanen. Nederland bracht de archieven tot 1795, van het zwarte Ancien Régime naar Nederland, zodat Surinamers een zwarte en gekleurde natie, deze feiten niet zouden kennen. Noch dat de Surinaamse planters beschaafde en gestudeerde mensen waren die al twintig jaar vóór de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd in opstand tegen Nederland waren gekomen.

Veel Surinaamse bronnen zijn openbaar, maar een deel is nog in privé bezit en dient door zwarte en gekleurde onderzoekers nageplozen te worden. Nicolaas Beets bijvoorbeeld schrijft over een koloniale familie met een ‘West Indisch’ uiterlijk. De naam Beets komt ook voor in 18e-eeuws Suriname, een schoonzuster van Maria Susanna Du Plessis. Verder correspondeerde Beets met nakomelingen van gouverneur Crommelin. Een kleindochter van de gouverneur was getrouwd met een zoon van de schilder Jean-Etienne Liotard, die heel afrocentrische zelfportretten van zichzelf maakte. Dit is dus het dilemma welke speelt bij het schrijven van mijn roman Maria Susanna Du Plessis welke uitsluitend zwarte en gekleurde Europese en Afrikaanse personen betreft. Daarom moet ik de historische visie van Jamaludin en haar zorgvuldig uitgewerkt kleurschema ook op dit punt afwijzen en besef tegelijk dat mijn werk daarom nooit door een Nederlandse uitgever zal worden uitgegeven.

Den Haag, 28 maart 2010

[van freethinker.nl]

woensdag 7 mei 2014

College over en met Rihana Jamaludin

A.s. vrijdag 9 mei wordt een werkcollege gewijd aan de lijvige historische roman De zwarte Lord van Rihana Jamaludin. Dit gebeurt in de reeks colleges over Antilliaanse en Surinaamse literatuur Caraïbische dromen, van prof. Michiel van Kempen aan de Universiteit van Amsterdam. Van Kempen zal de inleiding van het college verzorgen en vervolgens in gesprek gaan met de schrijfster. Ook de studenten en andere belangstellenden krijgen ruim de gelegenheid met Rihana Jamaludin van gedachten te wisselen. Het college is publiek toegankelijk.

Datum: vrijdag 9 mei 2014, 13.00 tot 16.00 uur
Plaats: PC Hoofthuis, Spuistraat 134, Amsterdam, zaal 4.04

maandag 3 maart 2014

Vlieg terug naar Afrika

Henk Vos - Vliegende man (brons)

door Hilde Neus

De meest indrukwekkende versie die ik ooit las van de slaaf die terugvliegt naar Afrika, is in de roman De hemelvaart van Solomon van de zwarte Amerikaanse auteur Toni Morrison. Het is het verhaal van Macon Dead, wiens zoon beweert dat zijn opa Solomon kon vliegen en als een adelaar weggezeild is naar Afrika. Het is jammer dat dit verhaal niet is opgenomen in De slaaf vliegt weg (samenstelling Lucia Nankoe & Jules Rijssen). Maar ook de vermelding van het motief in het verhaal over Tata Colin van Ruud Mungroo zou hier niet hebben misstaan. Dit motief van de titel van de bundel komt verder voor als afbeelding van Elis Juliana, met een kleine verklaring erbij. De kern wordt gevormd door lezingen, gepresenteerd op het internationale symposium over de relatie tussen historische romans en de beeldvorming van de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Waar en wanneer deze bijeenkomst werd gehouden staat in een noot vermeld; in de Muiderkerk in 2009. De centrale vraag is of en welke historische romans een rol spelen in de beeldvorming over het slavernijverleden. En hoe ze doorwerken in de hedendaagse discussies en in de persoonlijke beleving van de nazaten. De samenstellers proberen deze vragen in de inleiding te beantwoorden. Ze slagen daar maar deels in, omdat er veel voorbeelden aangehaald worden die allerlei kunstvormen bevatten, maar geen historische romans zijn. Het artikel van Suzanne Diop, ‘Het Eerste Internationaal Congres van Zwarte Schrijvers en Kunstenaars’ (pp. 29-33) is zo’n voorbeeld dat niet over historische romans gaat. (Kijk ook naar het onterechte gebruik van hoofdletters in de titel!)

Mijns inziens betekent het begrip beeldvorming binnen het literaire kader het ontstaansproces van een beeld (in fictie) over een persoon of groep mensen dat niet noodzakelijkerwijs met de werkelijkheid of de feiten overeen hoeft te komen. Als de samenstellers bedoelen dat beeldvorming een visualisatie is die bestaat uit het vertalen van een gedachte naar een beeld of uitdrukkingsvorm, dan klopt de bundel wel. Dan is de opname van veel stukken in de bundel, zoals de verhouding tussen etnische groepen getoond in de film Wan Pipel, wel verantwoord. Er zijn natuurlijk allerlei gevoelige zaken die uitvloeiselen zijn van de slavernij, en zodra die gevisualiseerd worden heb je ook een bepaalde vorm van beeldvorming.
Michiel van Kempen. Foto © Sanne Landvreugd

De inhoud van de bundel werkt dus vervreemdend omdat je van de auteur, zelf literatuurwetenschapper, een andere insteek zou verwachten. En zeker als dan blijkt dat er allerlei stukken zijn opgenomen die niet op het symposium voorbij zijn gekomen, terwijl de bijdrage van M. van Kempen, die er wel bij was, vanwege een tekort aan beschikbare redactionele ruimte is teruggetrokken. Dan roept dit vragen op.
Bij zo een titel en inleiding waren mijn verwachtingen anders. Dat neemt niet weg dat de stukken bijna allemaal iets met de slavernij te maken hebben, maar het gevaar is dat de lezer met zo een gevarieerde waaier aan informatie toch blijft zitten met vragen over de context. Je kunt die dan op internet opzoeken, maar is dat de bedoeling van de bundel? Al in het eerste stuk, van Nankoe zelf (‘Reverence’) heeft ze het binnen vier pagina’s over Toussaint Louverture, Edwi[d]ge Danticat, de kunstenaar Basquiat, de zanger Maxwell en de Neville Brothers, auteur Simone Schwartz-Bart en de kunstenaar Frankétienne. Alles wordt even aangestipt en daardoor mist het stuk diepgang.

Cynthia Mc Leod vraagt zich in haar bijdrage af of het aan te bevelen is dat de lezer zich een beeld vormt van de geschiedenis via historische romans. Daar wil ze zich, ondanks de geweldige verkoopcijfers van bijvoorbeeld Hoe duur was de suiker?, niet over uitlaten. ‘Dat zou de uitkomst van het symposium moeten zijn’, is haar mening.

Ik denk dat een symposium over dit onderwerp ook geen uitsluitsel kan geven, daarvoor is het onderwerp te breed en te gecompliceerd. Wel is duidelijk dat historie in vele vormen verwerkt kan worden, letterlijk en figuurlijk. In literatuur, schilderijen, beelden, poëzie en zang, alle denkbare kunstvormen. En door over de slavernij na te denken en die uit te drukken in kunst, kunnen de nazaten van de slaven tevens aan een stukje rouwverwerking doen. En de nazaten van de slavenhouders kunnen zich plaatsvervangend schamen na zich verwonderd te hebben over de verschrikkingen die in die tijd plaats hebben gevonden. Eenieder doet dat op zijn eigen manier. Dat blijkt wél duidelijk uit de inhoud van deze bundel. Met bijdragen van onder meer Anil Ramdas, Rudy Bedacht, Remy Jungerman en Rihana Jamaludin, om maar wat Surinaamse auteurs in deze bundel te noemen.

Lucia Nankoe & Jules Rijssen (samenstelling): De slaaf vliegt weg. Beeldvorming over slavernij in de kunsten. Arnhem: LM Publishers, 2013. ISBN 978-94-6022-274-0

woensdag 5 februari 2014

Colleges Surinaamse en Antilliaanse literatuur


Op vrijdag 7 februari begint de nieuwe collegereeks Caraïbische dromen - De literatuur van Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen die prof. Michiel van Kempen geeft aan de Universiteit van Amsterdam. Er is een gloednieuwe reeks samengesteld, waarbij zo wel klassieke als de allernieuwste teksten worden gelezen. Vele gasten maken hun opwachting: schrijvers en gastdocenten van beide zijden van de oceaan. De colleges worden gegeven in zaal 4.04 van het PC Hoofthuis, Spuistraatc 138 te Amsterdam. Het vooraf gelezen hebben van de te behandelen tekst is voorwaarde om aan het college te kunnen deelnemen.
Wie graag de reeks of enkele coleges bijwoont kan zich per mail aanmelden:
M.H.G.vanKempen@uva.nl


Aanbevolen voorkennis

Jos de Roo, ‘Hollandse hovaardij; Moderne Surinaamse schrijvers over Nederland’.
Wim Rutgers, ‘De Nederlandse Antillen en Aruba’. Het gaat om 2 hoofdstukken uit: Theo D’haen (red.), Europa buitengaats; Koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen. Deel I. Amsterdam: Bert Bakker, 2002, pp. 199-246,  resp. 247-288.




Colleges


  1. vrij 7 februari 2014: Algemene inleiding I
  2. vrij 14 februari 2014: Algemene inleiding II, boek: Jacco Hogeweg – Een donjuan in de West
  3. vrij 21 februari 2014: Albert Helman elke student leest een ander boek van Helman
  4. vrij 28 februari 2014: Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, in aanwezigheid van de biografen van Anton de Kom, Alice Boots en Rob Woortman
  5. vrij 7 maart 2014: Mijn zuster de negerin van Cola Debrot
  6. vrij 14 maart 2014: Onsterfelijk van Guillermo Rosario, in aanwezigheid van de vertaalster, en dochter Libèrta Rosario
  7. vrij 21 maart 2014: we lezen gezamenlijk een tekst van Derek Walcott en bezoeken in Den Haag de onthulling van een muurtekst met een gedicht van Walcott
  8. vrij 28 maart 2014: roostervrij
  9. vrij 4 april 2014: Rubber van Madelon Szekely-Lulofs. Gastcollege door Dr Gabor Pusztai (Universiteit van Debrecen Hongarije) – ‘Antikoloniale concepten in het werk van Madelon Lulofs en Laszlo Szekely'
  10. vrij 11 april 2014: Dubbelspel van Frank Martinus Arion. En vertoning van de film Yu di Korsóu in aanwezigheid van cineaste Cindy Kerseborn
  11. vrij 18 april 2014: collegevrij (Goede Vrijdag)
  12. vrij 25 april 2014: ‘Praatjes voor de West, de invloed van de Wereldomroep op jonge schrijvers in het Caraibisch gebied’, door Jos de Roo. Te lezen tekst: De rots der struikeling van Boeli van Leeuwen
  13. vrij 2 mei 2014: Hoe duur was de suiker? van Cynthia Mc Leod, met vertoning (fragmenten van) van de film van Jean van de Velde. Gastcollege over Surinaamse en Antilliaanse talen door dr Annelies Roeleveld
  14. vrij 9 mei 2014: De zwarte Lord van Rihana Jamaludin, in aanwezigheid van de auteur
  15. vrij 16 mei 2014: Het hiernamaals van Doña Lisa van Eric de Brabander, gastcollege door Prof. Wim Rutgers (Universiteit van de Nederlandse Antillen)
  16. vrij 23 mei 2014, laatste college, De man van veel van Karin Amatmoekrim, in aanwezigheid van de auteur,

zaterdag 4 januari 2014

2013 excursies naar Tilburg, wandelingen in Haarlem en take pArt in art in Katwijk

door Dineke Stam

Hét thema van 2013 voor mijn werk was het slavernijverleden. In januari, maart, april en september met bijzondere busexcursies naar de expositie Zielenzorg en zielenmoord, over Peerke Donders en de slavernij. Dankzij de goede samenwerking met het Peerke Donderspaviljoen, Petra Robben, Jenny Wesly, Noraly Beyer, Lianne Leonora, Alex van Stipriaan, Stacey Esajas, Jetty Mathurin, Joan Ferrier, Alice van Gorp, Ray Blinker, Rihana Jamaludin en chauffeur Bertus beleefden randstedelingen een unieke dag in Tilburg. Alle deelnemers bedankt voor de interessante programma’s.

De maanden mei en juni waren gevuld met symposia, cultuur, onderzoek en bijeenkomsten rond het herdenkingsjaar 150 jaar afschaffing slavernij. Veel heb ik geleerd van de inhoudelijke redactie voor de middag over Spoken Slavery bij Imagine IC. hart.amsterdammuseum.nl/63898/nl/immaterieel-erfgoed. Het intense boek van Saidiya Hartman Scenes of Subjection. Terror, slavery and self-making in 19th century America, was ook een inspiratiebron voor het artikel over het staatstoezicht, dat ik schreef voor de educatieve website www.slavernijenjij.nl/. Voor Museumvisie 2013/4 schreef ik een artikel over de museale herdenkingen. Van alle toneel, film, dans en lezingen vond ik de musical Op weg naar Vrijheid (tekst Thea Doelwijt) zowel inhoudelijk als in de uitvoering (m.m.v. Denise Jannah) erg goed.

Scène uit de musical Op weg naar de vrijheid

Dankzij de fijne samenwerking met Ineke Mok en Haarlemse instellingen, presenteerden we op 17 augustus 2013 Hoezo, Haarlem en Slavernij?, een wandelroute, een expositie in het Noord-Hollands Archief, lezingen van het Discriminatiebureau Kennemerland en presentaties in Haarlemse musea. Meer hierover op www.cultuursporen.nl/blog/hoezo-haarlem-slavernij-internationaal-een-gedeelde-erfenis/ en op http://www.noord-hollandsarchief.nl/slavernij. Alle wandelaars dank voor het meedoen.
Verder werkte ik mee aan: een unieke 8 maart viering in het Dr Aletta Jacobscollege met tv optreden toe http://www.at5.nl/tv/straten-van-amsterdam/aflevering/11760; het 6de Inclusive Museum congres in mei in Kopenhagen; het EU project Tell me symposium met Poetry Circle Nowhere in Porto; de opening van het Verzetsmuseum Junior in oktober; de eerste excursie met het nieuwe EU pArt project - participation in art - naar Katwijk met de Artimobiel.
Het Zeeuws Archief

Slavernij blijft ook in het komende jaar een thema. Voor het Zeeuws Archief en de Stuurgroep Slavernijverleden 2013-2014 help ik mee de NiNsee-expositie Kind aan de Ketting in de Abdij van Middelburg te presenteren. Met Dienke Hondius van de VU, Nancy Jouwe van Kosmopolis Utrecht en onderzoekers uit verschillende steden, werken we aan Mapping Slavery – het koloniale slavernijverleden van Nederland op de kaart zetten.http://kosmopolisutrecht.nl/blog/2013/10/project-mapping-slavery-nl-van-start/. Wie weet wat er verder komt.

Ik wens iedereen een gezond, creatief en liefdevol 2014.


dinsdag 3 december 2013

Eerste winter

Foto © Havé Moriaan


door Rihana Jamaludin

Dertien hoog besloegen de ruiten een hele wand. Achter het kille glas brandde de verwarming hoog. Dikke sneeuw bedekte de spoorbaan en de weilanden, in de verte lag het IJsselmeer roerloos wit. In het landschap was geen mens te zien. Gedempt klonk het gedender van de treinen, ieder uur zes maal. De hemel strekte zich grijs uit, door niets gehinderd.
Vanachter mijn werktafel zag ik de meeuwen wegtrekken met het daglicht. Als de avond was gevallen lichtte het witte landschap nog altijd op, verlaten en bewegingloos. In de flat werd het stiller naarmate de nacht vorderde. Zonder televisie gaan de uren trager.
Mijn vingers bewogen zorgvuldig. Over de gladde linoleumplaat schilde de punt van het mes groeven en sneden. De roller op de glasplaat mengde de plakkerige verf, de kamer rook naar drukinkt en terpentijn. Op de vloer lagen bonte afdrukken op oude kranten te drogen. Wat het uitzicht buiten aan kleur ontbeerde, was des te feller op de prints te zien. In de herfst was ik naar Nederland gekomen, het palet van de tropen in mijn kielzog. Herinneringen, ervaringen, wachtten sindsdien om aan het linoleum toevertrouwd te worden.

Als de linosnede gereed was, veegde ik alle afgesneden krullen en restjes eraf, verschoonde de kranten op tafel en drukte de verf uit de tubes op de glasplaat. Met rollers inktte ik de linosnede grondig in. Daarna werd het papier er voorzichtig op gelegd en aangedrukt. Vervolgens verhuisde de snede met papier en al naar de vloer, waar ik er met kousenvoeten op ging staan. Bij gebrek aan een drukpers, drukte ik de prints af met mijn gewicht. En dan kwam het moment suprême: het papier werd voorzichtig verwijderd en liet de verrassende afdruk zien. Alsof een kind geboren werd, iedere keer opnieuw, iedere afdruk, elke kleurige afbeelding bracht weer euforie.

Terwijl ik de rollers met doeken schoon poetste, sloeg de buitendeur en klonken voetstappen op de gang. Stemmen van ganggenoten klonken, woorden in een andere taal. Ik wist dat ze weer buiten waren geweest. Midden in de nacht was de omgeving draaglijker. In het donker vielen de verschillen weg, raakten de huizen op de achtergrond, en waar nog licht brandde was het feest. Of wat daarvoor doorging: het rokerige café, de sjofele studentendiscotheek. Zij waren ontheemden als ik; asielzoekers, vluchtelingen, migranten. Als schimmen slopen ze door de gang, slenterden over straat, wachtten op de hoek of er iets van hun oude leven terug zou keren. Het hoofd vol van een andere tijd, van een vervlogen verleden, dat ´s nachts naar voren trad en hen liet spoken over pleinen, dwalen als een oergeest tussen torenflats. Hunkerend naar de oude rituelen en worstelend om verflauwde herinneringen levendig te houden. Zoekend naar een bekend gezicht, of naar vergetelheid.
In gedachten zag ik hoe ze onbewust de krijtlijnen trokken van een nieuwe rite. Hoe de straatstenen hun rouw opsloegen en plantsoenen dolenden lokten. Zelfs als hun lichamen al lang weer terug waren in hun eenzame kamers, hing hun geest nog in de nevelige straten van de slapende stad.
Dan sloop ik daar rond om de sporen te lezen en dromen te vangen. Met mijn gereedschap schetste ik een uitweg in de doolhof van lantaarnpalen en graffiti. Kraste tekens en aanwijzingen voor de zwervers. Met het paletmes groef ik tussen de klinkers, wroette in de koude aarde, tekende wortels, ijl als lucht.

Tot de slaap kwam met zachte tred.
Bij dageraad verschool de geest zich in de schaduwen van de gevels en wachtte. De morgen kwam met het geronk van auto´s en de drukte ving aan, de geest beidde zijn tijd in een lange wake, waarin de klokwijzers traag verschoven, geluiden van de dag in betekenisloze parade voorbij trokken. Tot de straten leger werden, het verkeerslawaai wegstierf, de nachtschuimers naar de stad kwamen. De geest trad uit zijn nis.

maandag 7 oktober 2013

Drugsdealer



door Rihana Jamaludin

Ja, drugs kwam ik, hoewel geheelonthouder, op mijn pad in Nederland wel vaker tegen. Variërend van de prille ontdekking dat het café waar ik argeloos binnen stapte voor een broodje kaas, een wel erg beperkte kaart erop na hield en tevens een louche clientèle. Bovendien een onmogelijk hoge balie en nergens tafels of stoelen in zicht, zodat ik toch maar besloot de coffeeshop hongerig te verlaten.
Tot de ontnuchterde onthulling – gelukkig tijdig, dat de op Koninginnedag in het Vondelpark tussen de vioolspelers en grabbeltonnen verkochte Spacecake, geen kindergewrocht met ruimtevaart-thema betrof.
Maar hoe ik dan toch in de auto van een drugsdealer terecht kwam?

Het begon ermee dat Selwyn, de broer van mijn toenmalige man, vanuit Suriname schreef of we contact wilden opnemen met ene Ollie. Het was nog vóór de tijd van mobieltjes en internet. De tijd dat Surinamers door de economische crisis in hun land voor allerlei noodzakelijke goederen afhankelijk waren van hun netwerk in Nederland.
De broer probeerde Ollie al een tijdje te bellen maar kreeg hem maar niet te pakken. Of we bij Ollie langs wilden gaan met het verzoek broer te bellen. Dus gingen we in Amsterdam op zoek naar het adres.
In een straat met bruine bakstenen rijtjeshuizen belden we aan. Een trap leidde naar de eerste verdieping waar Ollie´s vrouw ons ontving met een glaasje fris. Cynthia was ongeveer dertig jaar, een goed uitziende en vrolijke vrouw. Even later verscheen Ollie. Een veertiger met een sombere oogopslag.
Hij keek bedenkelijk toen we de boodschap overbrachten. ´Tja,` zei hij, ´Ik kàn wel bellen, maar wat als Selwyn er niet is? Dan krijg ik zijn vrouw aan de telefoon en dat schiet niet op.`
Dit was wel een heel merkwaardige reden om niet te bellen, maar hij bleef het stellig herhalen, zodat we het maar opgaven, het was duidelijk dat hij niet wilde bellen naar Selwyn. Misschien vond hij het te duur om internationaal te bellen. We besloten maar op te stappen.
Opeens werd Ollie slagvaardig. ´Zal ik jullie even naar huis rijden?` bood hij aan. Als het niet te veel moeite was, namen we dat graag aan. Cynthia vroeg ons hartelijk om weer langs te komen, op de verjaardag van haar dochtertje. Ze zou nog een uitnodiging sturen.

In de auto begon Ollie over zijn probleem te vertellen. Hij kon Selwyn niet helpen want hij zat zelf al een paar weken ondergedoken. Hij ging nu pas de straat weer op en zei dat hij goed om zich heen keek of hij niet zou worden beschoten.
Het was de schuld van zijn vrouw. Terwijl hij in Duitsland 'een pakketje' ophaalde, was zij het bed ingedoken met de concurrent. Hiermee schond ze zijn vertrouwen dubbel en bracht zijn leven in gevaar. Kijk, hij wist dat ze jong en mooi was, hij had heus wel verwacht dat ze 'zou uitlopen', zoals hij het overspel noemde. Maar dat ze nou juist iemand van de concurrerende bende moest nemen, dàt was onverteerbaar.
Híj waagde zijn leven met zijn 'job' en ondertussen liep hij kans dat zijn geheime route doorgebriefd werd door zijn vrouw aan haar lover van het vijandige kamp.

Zodra ik het woord 'schieten' had gehoord voelde ik me onveilig in de auto. Op de achterbank zakte ik een beetje onderuit om uit zicht te zijn en vroeg me af waarin ik terecht was gekomen. Ollie vertelde intussen verder alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Dit zou hij niet nemen, zei hij verbitterd. 'Ik ga haar vermoorden!'
Hiervan schoot ik weer overeind. 'Nee, nee, niet vermoorden,' riep ik geschrokken. 'Dan ga je de gevangenis in, daar heb je niets aan!' Bezwerend herhaalde ik de waarschuwing.
Dat sloeg aan. Ollie was blij dat er iemand met hem meevoelde. Hij kalmeerde en begon te broeden op een andere wraakoefening.'Ik breng haar naar Suriname en laat haar daar achter,' besloot hij. 'Zonder een cent!'
Okee, dat was tenminste geen moord. Thuis aangekomen drukte ik Ollie nog op het hart zijn vrouw niet te doden, wat hij beloofde. 'Nee mevrouw,' zei hij deemoedig, dat zou hij niet doen.

Aan Selwyn gaven we door in geen geval zaken met Ollie te doen. 'En we gaan daar nóóit meer heen!' zei ik tegen mijn partner.
Met Cynthia is het, denk ik, goed afgelopen. Tenminste, als het fout was gelopen had ik het vast wel gehoord. Zodat ik dus kan zeggen dat ik iemand het leven gered heb.
Nou ja, zoiets dan.
Ik denk niet dat hij het écht wilde doen.

zaterdag 5 oktober 2013

Een kwestie van styling


Naarmate de dag van de diplomauitreiking dichterbij kwam, groeide zijn onzekerheid. Het was een belangrijke dag: de afronding van een jarenlange studie, het begin van een carrière. Hij wilde een statement maken, maar wist niet hoe.
Het was niet eenvoudig jezelf aan de wereld te presenteren, vooral niet als je eigen identiteit een ongrijpbaar iets leek.
Dat hij nooit van zijn moeder te horen had gekregen wie zijn vader geweest was, had voeding gegeven aan een scala van mogelijkheden. Hij leek op een Hindoestaan, zei men vaak in Suriname en dat beviel hem wel.
Nederland bood hem zoiets als een schone lei. Hij vertelde aan iedereen dat hij Hindoestaanse roots had en niemand keek ervan op dat hij nauwelijks iets wist van de Indiase cultuur. ´Integratie` was hier een nuttig alibi.

Tenslotte had hij het klaargespeeld verkering te krijgen met een Hindoestaans meisje; zowel de kers op de taart als de valkuil, bij zijn merendeels instinctieve beweegredenen.
Want waar hij zijn vriendenkring kon overbluffen met uit boeken opgedane kennis over India, was het hem onmogelijk om dagelijks de hiaten in zijn verzinsels te verbloemen.
Zij bleek verre van traditioneel en toen hij van haar, conform de macho-Surinaamse cultuur die hij gewend was, verwachtte dat zij mee zou gaan in zijn India-fantasie, ving hij bot.
Tot zijn ongenoegen weigerde ze, om zich hartje winter op straat te vertonen in de luchtige katoenen sari die hij voor haar gekocht had. Waarom zou ze? In Suriname ging ze toch ook niet traditioneel gekleed, waarom zou ze zich hier dan een label aanmeten waarmee ze zich vrijwillig buiten de maatschappij zou plaatsen? Morrend moest hij zich in haar standpunt schikken.

Zijn plan was echter niet van de baan, vastbesloten om zich te houden aan de ingeslagen weg, ging hij de stad in om een geschikt tenue voor zichzelf te vinden.
Hij kwam thuis met een Indiaas hemd van kaasdoek, duur, want speciaal voor de diploma uitreiking. Zijn vriendin lachte hem uit. De bazaarverkoper had hem voor de gek gehouden. Dit was iets voor de schoonmaker, zei ze. Een echte Indiër zou iets gekozen hebben van zijde, met zwaar borduursel.

Beteuterd kwam hij met een alternatief: een geruit wollen vest van de Bijenkorf, duidelijk geënt op de smaak van de kak student. Hoofdschuddend bezag ze de wissel. Een nieuwe identiteit stond klaar in de coulissen.


donderdag 30 mei 2013

Graffiti

door Rihana Jamaludin

Als je zoals ik, een slecht gevoel voor oriëntatie hebt, dan zie je nog eens wat. Heel vaak hetzelfde - als blijkt dat je in cirkels hebt gelopen - maar ook vaak iets nieuws.

En je komt op plaatsen waar je normaal gesproken niet heen zou gaan. Noodgedwongen moet je je goed inprenten wat je tegenkomt, om de weg terug te kunnen vinden. Wat dan opvalt is de ontsierende en doorgaans weinig creatieve bekladding van muren en andere oppervlakken. Graffiti, de plaag van de grote stad en van menig dorp. Winkelpanden, parkbankjes, garages, schuren, viaducten, muren langs de spoorweg, soms blijkt zelfs trein of metro belaagd door de spuitbus.



Hoever deze neiging gaat om een ´geurvlag` uit te zetten, las ik vandaag in de krant. Een Chinese jongen die met zijn ouders als toerist in Egypte was, kraste zijn naam in een 3.500 jaar oud reliëf. ´Ding Jinhao was here` stond nu in het Chinees op een zandstenen sculptuur van het tempelcomplex van farao Amenhotep uit de 14de eeuw voor Christus.
Een andere Chinese reiziger ontdekte later de tekst en schaamde zich te pletter voor dit cultuurbarbarisme. Verontwaardigd plaatste hij een foto ervan op het internet en al snel hadden honderdduizend Chinezen de foto gezien en werd de identiteit van de jongen bekend. Zijn ouders verontschuldigden zich publiekelijk voor zijn gedrag.

Hoewel graffiti behalve als vandalisme ook als daad van activisme of als kunstvorm kan worden beschouwd, met de wereldberoemde maar bewust onbekende artiest Banksy (pseudoniem) voorop, wekt ze toch vooral ergernis. Achterbuurt, gangster bravoure of gewoonweg bevuiling, zijn de associaties.
En wat te doen als we de graffiti boodschap niet meer verstaan? Alleen een Chinees kon Jinhao´s bericht lezen. Welke geheime terroristische boodschappen kunnen worden uitgedragen zonder dat we het door hebben?

Weer eens verdwaald en pogend mijn ongerustheid over de grimmige omgeving de baas te blijven, kwam ik bij een verlaten speeltuin terecht. De speeltoestellen stonden ongebruikt, het was een regenachtige dag. Op een verveloos klimhuisje was in grote Arabische letters iets gekalkt. Wat stond er? Een wervende Jihad tekst of simpel ´Ahmed was here`?
Nu kan ik een klein beetje Arabisch lezen, omdat ik dat als kind heb geleerd. Gewoontegetrouw begon ik de letters te spellen: ´He-Waw, Re, Alief `, luidden ze fonetisch. ´Hu-Ra` spelde ik en toen ging me een licht op. ´Hoe-ra Hoera` had een vrolijk kind in Arabische letters op het speelhuis geschreven.
Met deze sleutel was ook de regel eronder op te lossen: ogenschijnlijk een rij hartjes met uitroeptekens, maar in werkelijkheid de letters ´He` en ´Alief `, tezamen uit te spreken als ´Ha` en dus te lezen als ´Ha ha ha!`
Meteen brak de zon door en veranderde het desolate in wat het eigenlijk was: een plek voor kinderen om plezier te maken.

[van website Stokhasselt.nl]

zaterdag 16 maart 2013

Rihana Jamaludin en Cynthia Mc Leod lezen tijdens Amsterdamse Boekennacht


Voorleesmiddag: Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden

Op vrijdagmiddag 22 maart a.s. wordt in het Amsterdam Museum het voorprogramma van de Amsterdamse Boekennacht gehouden. Het thema van de boekenweek is ‘Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden’. Onder deze naam brengt het Amsterdam Museum van 15.00 tot 17.00 uur een voorleesmiddag over de keerzijde van voorspoed in het verleden. Het museum is bovendien deze hele dag, op vertoon van het Boekenweekgeschenk, gratis toegankelijk.

Tijdens deze middag voorafgaand aan de Boekennacht wil het museum een extra accent leggen op de keerzijde van deze tijd en aandacht vragen voor de herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij in de Nederlandse koloniën Suriname en de Antillen (1 juli 1863). Op deze manier wordt tevens een preview gegeven op een presentatie over slavernij die van 1 juni tot 31 augustus door de tentoonstelling Gouden Eeuw, proeftuin van onze wereld te zien zal zijn.

Het programma ziet er al volgt uit:
15.00 – 15.10 uur: Introductie conservator Annemarie de Wildt
15.10 – 15.30 uur: Nelleke Noordervliet, auteur van De leeuw en zijn hemd
15.30 – 15.50 uur: Rihana Jamaludin, auteur van De Zwarte Lord
15.50 – 16.10 uur: Cynthia McLeod, auteur van Hoe duur was de suiker?
16.10 – 16.30 uur: Jan de Bruin, over het slavenverleden in zijn familie

Nelleke Noordervliet
Biografieën sprekers
Nelleke Noordervliet (1945) neemt dit jaar het Boekenweekessay voor haar rekening. In De leeuw en zijn hemd gaat zij uitgebreid in op onze collectieve houding ten opzichte van het verleden. Nelleke gaat op reportage door het verleden. Ze reist door de achterbuurten en de herenhuizen, tot aan de schildersateliers en dichtersstulpjes. Ze ontmoet de Heren XVII van de VOC in de bloeitijd van de 17de eeuw. Ze maakt kennis met de patriotten in de revolutionaire jaren van de 18de eeuw. En ze beschrijft Albert Verwey en koningin Wilhelmina aan het eind van de 19de eeuw. Zo kaart zij in haar essay de dubbelzinnige omgang met het verleden aan en verbaast zij zich over de neiging nu eens de wijsvinger, dan weer de middelvinger te heffen.

Rihana Jamaludin. Foto Omroep Brabant
De debuutroman van Rihana Jamaludin (1959) genaamd De Zwarte Lord kwam uit in 2009 en speelt zich af in het Suriname van de 19de eeuw. In het verhaal vertrekt de Bossche gouvernante Regina naar Suriname om daar les te geven aan Walther Blackwell, een jonge kleurling die van zijn blanke vader een plantage heeft geërfd. Door de kolonisten wordt hij spottend de Zwarte Lord genoemd. De elite bekijkt hem met wantrouwen vanwege zijn buitenissige gedrag. Is de zwarte dandy werkelijk gek of doet hij alsof? In het geheim moet Regina zijn gangen nagaan. In haar zoektocht naar de waarheid ontmoet ze veel personages uit verschillende lagen van de Surinaamse samenleving. Het leven in Suriname blijkt ontdaan van conventies en fatsoensnormen, maar ook omhuld met taboes en mysteries.
Cynthia Mc Leod. Foto Waterkant

Cynthia McLeod (1936) is de dochter van de eerste president van Suriname. Haar debuutroman verschijnt in 1987 onder de naam Hoe duur was de suiker? en is vrijwel direct een bestseller. De roman speelt zich af in het koloniale Suriname. Het gaat over een joodse plantersfamilie en daarbij in het bijzonder over het wel en wee van de twee zusjes Elsa en Sarith en de slaven die in hun leven een rol spelen. Het leven van de slaven - vol kommer en kwel - staat in schril contrast met dat van hun meesters, dat vol pracht en praal is. Deze pracht en praal is evenwel verkregen door de onmenselijke inspanningen van de slaven. Duidelijk wordt dat de suiker van de plantages duur betaald is: namelijk met mensenlevens.
Jan de Bruin

Jan de Bruin (1961) is als archivaris/adjunct-directeur verbonden aan het Westfries Archief te Hoorn. Hij maakte eind jaren '70 kennis met het archiefwezen, toen hij onderzoek deed naar een voorouder, de "gewesene slaef" Cornelis Valentijn uit Enkhuizen. Hij publiceert geregeld over de geschiedenis van de regio West-Friesland, vooral over institutionele geschiedenis, waterstaatsgeschiedenis en cartografie. Voor de tentoonstelling De Gouden Eeuw, proeftuin van onze wereld, heeft hij onderzoek gedaan naar een schilderij met daarop Tabo Jansz, een zwarte bediende die in het testament van zijn heer werd opgenomen.

Datum: 22 maart 2013
Tijd: 15:00 uur
Locatie:  Amsterdam Museum, Kalverstraat 92, 1012RM Amsterdam
Voor meer informatie over de vijfde Amsterdams boekennacht zie: http://www.boekennacht.nl/