Posts tonen met het label Pronk Jan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pronk Jan. Alle posts tonen

maandag 3 juni 2013

Pronk poetst Nederland schoon van onafhankelijkheidsverwijt

door Eric Mahabier

Den Haag - Van opdringen van de onafhankelijkheid aan Suriname was geenszins sprake. Suriname is niet uit het Koninkrijk der Nederlanden geschopt. Als Suriname zou aangeven de onafhankelijkheid niet te willen, zou Nederland zich ook daartegen niet verzetten.

Jan Pronk, voormalig minister van Ontwikkelingssamenwerking. Foto: Eric Mahabier

Dit zei oud-minister Jan Pronk gisteren op de miniconferentie 'De toekomst van Hindostanen in Nederland'. Pronk die bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 deel uitmaakte van de Nederlandse regering, zegt tot de dag van vandaag mensen te horen zeggen dat Nederland Suriname uit het Koninkrijk heeft gezet en de onafhankelijkheid zou hebben opgedrongen. "Geen sprake van", hield Pronk de conferentie voor die door de Stichting Diaspora Leerstoel Lalla Rookh was georganiseerd.
Volgens Pronk volgde het toenmalig kabinet Den Uyl de internationale ontwikkelingen omtrent dekolonisatie. Verder waren er voor de verkiezingen afspraken gemaakt tussen premier Arron en Den Uyl. Beiden waren overeengekomen dat, indien ze aan de macht zouden komen, er richting onafhankelijkheid van Suriname gewerkt zou worden. Beiden kwamen aan de macht en de afspraak werd nagekomen. Bovendien was het de Nederlandse regering ernst om de dekolonisatie in Suriname vredig te doen verlopen, anders dan in Indonesië het geval was. "Wij wilden geenszins koste wat kost van Suriname af". De kosten die Nederland voor Suriname maakte waren gering. Suriname was geen "last" voor het moederland en bovendien had Nederland ook veel verdiend aan Suriname voerde Pronk aan. Ook voelde Nederland zich verantwoordelijk voor onder andere de misstanden met betrekking tot onder andere de slavernij en was een andere houding omtrent de onafhankelijkheid ongewenst.



Leiders
Pronk, die minister van Ontwikkelingssamenwerking was, zei dat de politieke spanningen tussen oppositie en coalitie hoog opgelopen waren. De oppositie onder leiding van Jagernath Lachmon van de VHP was tegen de wijze van onafhankelijkheid. Nederland vreesde voor een etnische uitbarsting. "Gelukkig dat alle politieke leiders in Suriname hun gezond verstand hebben gebruikt en op generlei wijze de zaak uit de hand hebben laten lopen", aldus Pronk. Nederland voerde intensieve gesprekken met zowel de oppositie als de coalitie. Geen van beide wilden de zaak laten escaleren.
De voormalige minister van Ontwikkelingssamenwerking stond ook stil bij de vraag of emigratie uit Suriname de reden voor Nederland was om van Suriname af te willen. Hoewel Nederlandse politici hun bezorgdheid hadden geuit over de migratie van Surinamers naar Nederland, zei Pronk dat het kabinet Den Uyl daar anders over dacht en migratie toestond. Bovendien was het kabinet bang voor eventueel verzet vanuit de Hindostaanse gemeenschap die tegen de onafhankelijkheid was. Ook vreesde men verzet vanuit Surinamers die zich reeds in Nederland hadden gevestigd.

Pronk stond ook stil bij de vraag die steeds weer bovendrijven, namelijk waarom Nederland niet van de Staten van Suriname geëist heeft het besluit voor de onafhankelijkheid met twee derde meerderheid aan te nemen. Volgens Pronk was de regering-Arron legitiem en volstond Nederland met een besluit van de meerderheid. Bovendien verkeerde volgens hem Nederland niet in de positie om met voorwaarden te komen rond de onafhankelijkheid.

[uit de Ware Tijd, 01/06/2013]


vrijdag 3 mei 2013

Jan Pronk houdt eerste Lalla Rookh-lezing


Miniconferentie 140 jaar Hindostaanse migratie

Op 5 juni 2013 is het precies 140 jaar geleden dat de Hindostaanse migratie begon. In juni 1873 arriveerden de eerste groep Hindostaanse contractarbeiders uit India in Suriname om op de plantages te werken. Ongeveer honderd jaar later, voorafgaand aan de onafhankelijkheid van Suriname, migreerden grote groepen Hindostanen naar Nederland. Een groot deel van hen vestigde zich in Den Haag.

Ter gelegenheid van 140 jaar Hindostaanse migratie organiseert de Leerstoel Lalla Rookh in samenwerking met de gemeente Den Haag een miniconferentie over het succes en falen van Hindostanen in Nederland. Tijdens deze conferentie zal prof. Jan Pronk de eerste Lalla Rookh lezing uitspreken over de grote migratie van Surinamers rond de onafhankelijkheid van Suriname.
De conferentie is bedoeld voor politici, wetenschappers, beleidsmakers alsmede leiders uit de Surinaamse gemeenschap.
Jan Pronk

Programma

12.30 -13.00 Inloop
13.00 -13.45 De invloed van de onafhankelijkheid van Suriname op de migratie van Hindostanen door prof. J. Pronk
13.45 -14.15 De integratie van Hindostanen in Nederland door prof. C. Choenni
14.15-14.45  De toekomst van Hindostanen in Nederland door prof. R. Gowricharn
14.45 -15.15 Pauze  
15.15- 16.15 Zaaldiscussie: Succes en falen van Hindostanen in Nederland. Panelleden: J. Pronk, R. Gowricharn en C. Choenni
16.15- 16.30 uur: Conclusies en Slotwoord
16.30-18.00 Aangeklede borrel

Datum: 31 mei 2013
Locatie: SER gebouw, Bezuidenhoutseweg 60, Den Haag
       
Aanmelding
Deelname
 aan de conferentie is kosteloos.
Aan de conferentie
 kunnen 150 personen deelnemen.U
 kunt zich tot 25 mei a.s. inschrijven den onder vermelding van volledige naam, functie, adres, telefoonnummer en amailadres kan naar De Klerkplan 12, 2728 EH Zoetermeer. Aanmelden kan ook per e-mail: info@autarconsultancy.nl

Heeft
 u 
inhoudelijke
 vragen?
 Neemt
 u
 dan
 contact
 op
 met Autar Consultancy: Tel. 
079‐593
79
29 
of per mail 
autark@xs4all.nl.


dinsdag 8 februari 2011

Gebazel over switi Sranan

door Els Moor


Suriname en ik is de wat egocentrische titel van de bundel, samengesteld door John Leerdam en Noraly Beyer (foto links), met persoonlijke verhalen over Suriname van in Nederland wonende geboren Surinamers en anderen die veel met Suriname te maken hebben. De ondertitel ,’Persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland’ is dus fout. Zijn Gerard van Westerloo, Peter Meel, Michiel van Kempen, Jan Pronk en andere Nederlanders die verbonden zijn met Suriname ‘Surinamers die over hun vaderland schrijven’? Dat de redacteur van uitgeverij Meulenhoff dat niet heeft gemerkt, is op z’n minst vreemd.

Zevenenvijftig ‘verhalen’ bevat de bundel en dat is veel. Ik kwam er moeilijk doorheen omdat de kwaliteit van de ‘verhalen’ zo verschillend is; van slecht geschreven nostalgische, clichématige jeugdherinneringen aan Suriname tot realistische en toch persoonlijke beschouwingen over de veranderingen die het land sinds de onafhankelijkheid ondergaan heeft. Twee problemen doen zich voor: veel van de medewerkers aan de bundel zijn wel geboren Surinamers, die in Nederland een goede plaats gevonden hebben, maar geen schrijvers of journalisten en de samenstellers zijn grote figuren op hun vakgebied, maar hebben geen ervaring met dit werk, het samenstellen van zo’n diverse bundel met zo’n moeilijk onderwerp.

Na elkaar in de bundel staan de bijdragen van Gerard Spong en Denise Jannah. Gerard Spong, advocaat in Nederland, van Surinaamse afkomst, die zich al vanaf 1980 inzet voor het herstel van de rechtsstaat in Suriname, geeft in zijn bijdrage onder de titel ‘Suriname: een ontgoocheling’ blijk van felle woede. Hij heeft een hechte band met het land, maar hij voelt zich ook thuis in Nederland. De ‘rauwe werkelijkheid’ van Suriname tast echter zijn warme gevoelens aan. Hoe de hoofdverdachte in het decembermoordenproces op democratische wijze president werd, brengt hem ertoe de grote Duitse auteur Bertold Brecht aan te halen: ‘Erst kommt das Fressen und dann die Moral’. Zijn felle aanklacht tegen onrecht en verwording van democratie eindigt met de conclusie:’Suriname is vooralsnog een verdwaald, diep gezonken tropisch paradijs dat is afgegleden naar een tropische hel.’

Het artikel van Denise Jannah, internationaal bekend jazzvocaliste, componiste, zangpedagoge en actrice, staat lijnrecht tegenover dat van Spong. Ze begint aldus: ‘Bepaalde geuren uit mijn jeugd zullen me altijd bijblijven’. En ze is lang niet de enige die het motief ‘geuren’ als blijk van liefdevolle herinnering uitwerkt. En dan de wolken, de allermooiste ter wereld… en de energie die ze ervaart in ‘Gods prachtige natuur’… en het verdriet als ze weer opstijgt van de luchthaven en haar ‘Mama Sranan’ achterlaat. Aan Mama Sranan schreef ze dan ook in de vliegtuigstoel een gedicht, in het Sranan en het Nederlands dat aldus begint: ‘Mijn hart zucht in mij/ Wanneer ik wegga van jou/ Zo hoog in de lucht/ Om ver weg te gaan/ Het vliegtuig brengt mij/ Over sula’s, bergen en kreken/ Over mijn stad/ Mijn dorp waar ik opgroeide […].

Tussen deze twee uitersten bewegen zich de andere vijfenvijftig bijdragen in deze bundel en de kwaliteit ervan varieert van heimwee-achtige cliché’s tot rationele informatie en creatieve benadering. Ook Eva Essed-Fruin (foto rechts), van oorsprong Nederlandse, echtgenote van Frank Essed, eerst cursusleider en later directeur van het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL), die in 1995 naar Nederland vertrok, geeft haar bijdrage, ‘Suriname een paradijs?’ aan de bundel. Haar begin is verrassend leuk: ze hoorde voor het eerst over Suriname als kind via een Surinaamse onderwijzer die haar school bezocht. Hij vertelde dat Surinaamse kinderen geen inktlap nodig hadden omdat ze hun pen afveegden aan hun kroeshaar. Eva was jaloers op die kinderen. Zij zat altijd met inktlappen te knoeien! In 1957 kwam ze zelf in Suriname en ze begon als lerares, maar toen schreven alle leerlingen al met ballpoint. Ze vertelt boeiend over de tijd tot de onafhankelijkheid, positieve en negatieve situaties en hoe Suriname langzaam maar zeker moderniseerde met verharde wegen, kantoorgebouwen, veelsoortige huizen en meer opleidingen waardoor de jeugd meer kansen kreeg. Ook Eva Essed versombert in haar verhaal als ze komt bij 25 februari 1980 en later. Ze eindigt met een realistische uitspraak: ‘Een paradijs zal Suriname nooit worden, want er bestaan nu eenmaal geen paradijzen op aarde.[…] Het kan hoogstens een land worden waar het goed leven is’.

De bijdragen van de Hollandse Surinamegangers vallen tegen. Ze hebben een andere band met het land die niet diep wortelt. Wetenschapper Wim Hoogbergen bijvoorbeeld begint te vertellen hoe hij in zijn jeugd in Nederland voetbalde met ‘zwarte voetballers’, waaronder de later beroemd geworden Humphrey Mijnals. Hij heeft nog een hond naar hem genoemd. Michiel van Kempen beschrijft hoe hij eens in een Chinees restaurant aan de Johannes Mungrastraat zat te eten en vanachter het raam getuige was van een botsing met een geweldige klap en hoe hij later voor de politie moest getuigen… wel met humor geschreven… een anekdote over een lome zondagmiddag. Suriname en ik? Jan Pronk die als minister betrokken was bij de onafhankelijkheidsbesprekingen tussen Suriname en Nederland betoogt in zijn artikel dat de onafhankelijkheid van Suriname beslist niet opgedrongen was van de kant van Nederland, wat vaak gezegd wordt. Een artikel dat zeker stof tot discussie kan geven, maar niet in het kader van Suriname en ik.

Zo zijn er toch nog heel wat artikelen die de moeite van het lezen waard zijn. Thea Doelwijt werkt met fragmenten uit haar eigen werk in ‘Geesten in luchtland’. Ze is op een wolk gaan zitten omdat ze rustig wil nadenken over een manier om haar verhaal goed te vertellen. En zo laat ze thema’s zien die een rol speelden en spelen in Suriname. Mooi is ook wat de gezusters Joan en Kathleen Ferrier doen als ze een Braziliaans lied aanhalen (vrij vertaald door Kathleen) ‘Mijn vader was van Sao Paulo/ mijn grootvader van Parnambuco/ mijn overgrootvader van Minas/ mijn overovergrootvader van Bahia/ mijn machtige leermeester/ was Antonio de Braziliaan. De woorden van dit lied herinneren hen steeds weer aan het antwoord dat Johan Ferrier, laatste gouverneur en eerste president van Suriname en hun vader, gaf voor de Nederlandse televisie op de vraag waar zijn wortels nou eigenlijk liggen. Johan Ferrier antwoordde dat zijn wortels verspreid liggen over de hele wereld.

En zo is het ook. Ik word niet goed van al dat gebazel over ‘Switi Sranan’. We zijn allemaal wereldburgers en we wonen waar we ons thuisvoelen, om welke reden dan ook, en we zullen mee moeten werken om dat land leefbaar te houden. Of dat nou je ‘vaderland’ is of een ander land, dat maakt niet zoveel uit. Het gaat erom dat het goed gaat in een land, dat er geen mensonterende toestanden zijn en daarover schrijven gelukkig nogal wat medewerkers aan deze bundel.

Jammer van die titel, van de rommelige inhoud, van de titel ‘biografieën’ tot slot boven de korte alinea’s met informatie over de auteurs en zelfs enkele taalfouten. We zijn dat niet gewend van Meulenhoff.

Red:. John Leerdam & Noraly Beyer: Suriname en ik; Persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland. J.M. Meulenhoff bv, Amsterdam 2010. ISBN 978 90 290 8719 3


Foto's: @ Roeland Fossen

zondag 25 juli 2010

Het dubbele gezicht van de koloniaal

door Franc Knipscheer


Het dubbele gezicht van de koloniaal is de titel van een bundel met 14 opstellen die Ewald Vanvugt in 1988 bij In de Knipscheer uitgaf met als ondertitel Nederlands-Indië herontdekt. Ik moet nu aan deze titel denken naar aanleiding van de opgelaaide discussie over het koloniaal verleden van Nederland op dit blog Caraïbisch Uitzicht. Een van de opstellen in de bundel ging over de Nederlandse opiumhandel in Azië, over welk onderwerp Ewald Vanvugt al in 1985 de vuistdikke verhandeling Wettig opium had geschreven.
Voorafgaand aan een gesprek in het Haarlemse Café Globaal op 19 mei 2010 met Conny Braam, naar aanleiding van het verschijnen van haar historische roman De handelsreiziger van de Nederlandse Cocaïne Fabriek, gaf ik als redactielid van dat debatcafé een voorzet over het historische belang van de Nederlandse Staat in de opiumhandel in voormalig Nederlands-Indië. Voor deze ‘inleiding’, die hieronder volgt, heb ik – 25 jaar na publicatie - vrijmoedig geciteerd uit Wettig Opium en uit krantenberichten en recensies naar aanleiding van deze boekuitgave.

«Soms maakt een schrijver geschiedenis,» schreef Willem Ellenbroek in de Volkskrant in 1985 over het grote boek Wettig Opium. Ewald Vanvugt had toen eigenlijk een ander boek willen schrijven, namelijk de historische reisroman De Val van Bali over de Nederlandse verovering van Bali in 1906, die twee jaar later in 1987 zou uitkomen en waarvan in 2006 een uitgebreide heruitgave verscheen, moést verschijnen, omdat zijn documentatie over de slachting van Bali door Nederlandse militairen twintig jaar na zijn publicatie in de officiële vaderlandse geschiedschrijving nog steeds wordt afgedaan als een zogenaamde collectieve zelfmoord van de Balinezen. Ewald Vanvugt was daarmee andermaal een luis in de pels van de beroepshistorici.

Andermaal want hij was dat dus eerder met Wettig Opium. Bij zijn onderzoek naar De verovering van Bali ontdekte hij namelijk dat deze in direct verband stond met de handel in opium. Terug in Nederland stroopte hij de archieven en bibliotheken af naar dit onderwerp maar de Nederlandse opiumverkoop in Azië bleek totaal verdwenen in de twintigste-eeuwse vaderlandse geschiedenis. Via een voetnoot in de Tweede Kamerverslagen uit 1947 stuitte hij op een Indische opiumkroniek uit 1853 door J.C. Baud. Uit dit boek, dat de periode van de VOC van 1600-1800 behandelt, blijkt dat het goud van Hollands Gouden Eeuw voor een belangrijk deel afkomstig was uit de overheidhandel in opium. De grote verdienste van Ewald Vanvugt is niet alleen dat hij deze studie aan de vergetelheid ontrukt heeft, maar dat hij de kroniek doorgetrokken heeft naar de periode van de pacht van 1800 tot 1894 en naar de periode van de regie van 1894 tot 1942, toen de Japanse bezetting een abrupt einde maakte aan deze inkomstenbron.

Vanvugt toont aan dat ook in de anderhalve eeuw na de VOC opium voor de Staat der Nederlanden geen vloek maar een zegen is geweest. Zijn boek beschrijft de eeuwenoude Nederlandse maagd als opiumpusher, en aan haar voeten stond de nationale leeuw met het zwaard in de ene en de papaverbol in de andere klauw. Schuiven moesten de Javanen, en verslaafd raken aan belasting betalen. Het is berekend dat in bij voorbeeld de periode 1876-1915 de koloniale balanstekorten opliepen van 295 miljoen gulden, terwijl in dat tijdvak de opiumbaten 703 miljoen gulden bedroegen. Met andere woorden: zonder de opiuminkomsten zou het totale balanskort tot bijna een miljard gulden zijn opgelopen en zouden de kolonialen wel naar huis hebben kunnen gaan. De genoemde bedragen klinken nu nog astronomisch, maar zouden omgerekend naar deze tijd niet te bevatten zijn.

‘Wie de opiumcorruptie van de VOC wil kennen, wie het openbare debat in de negentiende eeuw wil volgen, wie met de ambtenarij wil kommaneuken of met christenen visionair en tegelijk benepen wil zijn, wie de boekhouders wil nacijferen of de politieke poppenkast in de ethische jas wil volgen, wie de hilarische geschiedenis wil kennen van de Nederlandse regering als would-be opiumkok op zoek naar het recept van rookopium, en wie nu wil weten waarom de schuivers bij wet verplicht de prut uit hun pijpen aan de Dienst der Opiumregie moesten terugverkopen, hij leze dit boek.’

Zo valt te lezen dat nog in 1930 de overheid 27 miljoen gulden verdiende aan de opiumhandel, terwijl het gebruik officieel bestreden werd – de ethische verpakking – voor de somma van 11.000 gulden. In feite was de ethische jas niets anders dan een vermomming: het beleid werd bepaald door het financiële belang van de staat. Nederland betoogde ook in de Volkenbond, de voorloper van de Verenigde Naties, dat het gebruik van opium bestreden moest worden, maar plaatste in een fotoboek ter gelegenheid van het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina vol trots een foto van de opiumfabriek in het toenmalige Batavia, waar aan duizend contractarbeiders werk werd verschaft. In geheel Nederlands-Indië bestonden staatswinkels, waar wettig opium als warme broodjes over de toonbank ging. Maar ja, het Huis van Oranje heeft dan ook grote schatten verdiend aan het verslaafd maken van de Javanen. De Nederlandse Handels Maatschappij heeft in de 19de eeuw een grote rol gespeeld bij de wettige opiumhandel in de Indische archipel. De NHM is opgegaan in de Algemene Bank Nederland, dus je zou kunnen zeggen dat de ABN is voortgekomen uit de opiumwinsten.

De grootste drijfveer dit boek te maken was de verwondering dat alle Nederlandse publicisten al een eeuw hierover hebben gezwegen. Men kan de verdwijning van de opiumgeschiedenis een geslaagde propagandamanoeuvre van de overheid noemen, maar daarmee is niet verklaard hoe de geschiedenis van het slaapgom een eeuw kon slapen.

Ewald Vanvugt is de luis in de pels van de historici gebleven. Inmiddels verscheen ook bij Uitgeverij Aspekt Roofgoed. Europeanen vinden het vandaag de dag niet prettig om te worden herinnerd aan het feit dat de startkapitalen van hun welvaart met geweld werden weggehaald uit de andere werelddelen. De vraag of de landen van Europa een gemeenschap vormen en een gezamenlijke identiteit bezitten, wordt hier overtuigend positief beantwoord: zonder overzeese roof geen Europa! En vanzelfsprekend blies Nederland zijn partij mee. Zo werd eind 1894 het eiland Lombok op bloedige wijze veroverd, een overwinning met een legendarische oorlogsbuit: 230 kilo goudgeld, 7200 kilo zilveren munten en meer dan duizend kostbare ringen, krissen, kannen, juwelen enz., in 1897 triomfantelijk uitgestald in het Rijksmuseum in Amsterdam en sindsdien opgeslagen, of moeten we zeggen ‘verduisterd’, in de kelders en depots van de Nederlandsche Bank en diverse Nederlandse musea.

Terug naar Wettig Opium:
De eerste exemplaren werden destijds overhandigd aan prof. dr. W.F. Wertheim en aan drs. Jan Pronk, toen adjunct secretaris-generaal van Unctad (de United Nations Conference on Trade and Development), die conferenties organiseert waar voorstellen gedaan worden aan de Verenigde Naties ten aanzien internationale handel en ontwikkeling veelal met betrekking tot de positie van de arme landen. Bij die gelegenheid merkte Jan Pronk op dat de rol van de overheid bij de handel in verdovende middelen, zoals Nederland in de Indische Archipel, actueel is gebleven. De Verenigde Staten hebben bijvoorbeeld in Columbia een anti-marihuanacampgane gesubsidieerd om de productie van marihuana in eigen land te beschermen.

Ik citeer Jan Pronk: ‘Voor een land als Columbia kun je constateren dat een zeer belangrijk deel van de cocaïneproductie mede plaats vindt via import uit omringende landen als Peru. Daardoor ontstaat een handelssysteem met verwerkingsprocessen voor de buitenlandse markt. We weten dat Columbia's inkomsten uit de handel in verdovende middelen twintig procent hoger is, dat is ruim een miljard dollar, dan de opbrengst van de koffie-export. De opbrengst blijft voornamelijk in het buitenland en wordt voor een belangrijk deel besteed aan de invoer van consumptiegoederen via dezelfde handelskanalen waarlangs de verwerkte cocaïne wordt uitgevoerd. Die consumptiegoederen vind je terug in het normale handelsnet, de groot- en kleinhandel. Dat betekent dat de autoriteiten daar een rol hebben gespeeld waardoor het illegale handelsnetwerk aansluit op het legale handelsnetwerk.’

Alleen in de Verenigde Staten schatte Pronk toen de waarde van de markt voor verdovende middelen jaarlijks op een bedrag van 80 miljard dollar en hij voegde eraan toe dat de subsidie aan fondsen ter bestrijding van de illegale handel in verdovende middelen van dat bedrag maar een half promille is; en dat voor een aantal ontwikkelingslanden de opbrengst van de productie en de handel in verdovende middelen een deviezenbron vormt die alle andere overtreft.

Op de onderste foto v.l.n.r. Jan Pronk, Ewald Vanvugt, W.F. Wertheim