Posts tonen met het label Indonesie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Indonesie. Alle posts tonen

dinsdag 25 maart 2014

Ruth San A Jong naar Nederland en Indonesië

Ruth San A Jong bij de uitreiking van de Inktaapprijs op 24 maart j.l.
De prijs ging uiteindelijk naar Tommy Wieringa

De Surinaamse auteur Ruth San A Jong maakt op uitnodiging van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren en de Taalunie een kleine tournee door de Lage Landen en vertrekt een dezer dagen naar de Indonesische hoofdstad Jakarta voor het internationale residentieproject citybooks (www.citybooks.eu).  Zij was eerder aanwezig bij de uitreiking van de Inktaapprijs, waarvoor zij genomineerd was (zie eerderbericht).
 
Ruth San A Jong met Franc Knipscheer, uitgever van haar onlangs herdrukte
verhalenbundel De laatste parade
Op www.citybooks.eu worden stadsverhalen verzameld van Vlaamse, Nederlandse en andere auteurs. Deze verhalen schrijven zij naar aanleiding van een residentie van een of twee weken in een interessante maar niet voor de hand liggende stad. Oostende, niet Antwerpen; Sheffield, niet Londen en in het geval van Ruth San A jong wordt dat Jakarta. In Jakarta begint deBuren binnenkort aan een nieuwe Aziatische editie van het overwegend Europese project. Ruth San A Jong zal haar tekst ook inspreken voor podcasting. Daarnaast wordt de tekst vertaald naar het Engels, Frans en Bahasa Indonesia en ook in die talen ingesproken (door stemmenacteurs) als podcast én gepubliceerd als gratis te downloaden e-book.


deBuren nodigt dit voorjaar naast Ruth San A Jong een Vlaming (Annelies Verbeke), drie Indonesische auteurs en twee Indonesische visuele kunstenaars (een fotograaf en een videast) uit om een persoonlijk stadsportret te maken in het medium dat hun vertrouwd is. Deze aflevering van citybooks wordt georganiseerd in samenwerking met het Erasmus Taalcentrum te Jakarta, en met steun van de Nederlandse Ambassade in Indonesië.

vrijdag 14 februari 2014

Congres 45 Jaar Studie Nederlands in Indonesië


Ter gelegenheid van het vijfenveertigjarig bestaan van de Vakgroep Nederlands aan de Universitas Indonesia te Depok-Jakarta zal op 14-17 april 2015 het zesde Kongres Studi Belanda in Indonesia – Congres Studie Nederlands in Indonesië worden gehouden. Het programma bestaat uit drie dagen met lezingen en culturele presentaties, terwijl op de vierde dag een excursie wordt gehouden naar een locatie buiten Jakarta. Het thema van het congres zal zijn: Multiculturaliteit in taal, literatuur en cultuur. De vakgroep Nederlands wil graag alle belangstellenden uitnodigen een bijdrage binnen dit congresthema te leveren. Voordrachten zullen in de regel 20 minuten kunnen duren. Overigens beschikt de vakgroep niet over fondsen om internationale reiskosten of verblijfskosten in Jakarta te bekostigen. Voor meer informatie kunt u zich wenden tot:

Eliza Gustinelly, Voorzitter congrescomité: congresbelanda15@gmail.com.
Graag cc van uw correspondentie naar: keesgroeneboer@erastaal.or.id.


zondag 9 februari 2014

Duitse Joden achter Indische Kawat (6 en slot)

door Werner Stauder

Een klacht wegens moord, die een Duitse overlevende in 1953 tegen de gezagvoerder van de Van Imhoff bij de Nederlandse justitie indiende, werd twee jaar later weliswaar in onderzoek genomen, maar resulteerde uiteindelijk 1958 in de conclusie dat er geen redenen waren om een strafvervolging in te stellen. Men beriep zich hiervoor o.a. op de ‘volledige’ scheepsverklaring, die kapitein H.J. Hoeksema op woensdag 4 februari 1942 samen met de vierde stuurman M.R. van der Sluis en de hoofdwerktuigkundige J. van der Ploeg aflegde voor de havenmeester van Batavia, de heer W.H. Morren  ten havenkantoor Tandjong Priok.
 
De ss Patria in Tandjong Priok
Ondanks de nadrukkelijke vermelding dat deze verklaring geheel overeenkomstig de waarheid en zonder bijvoeging of weglating van daadzaken zou zijn, roept het lezen van dit zeven A4-tjes tellende document toch wel enkele vragen op: De kapitein verklaarde dat de geïnterneerden goede ligging hadden in de daarvoor genoemde dekken, maar in hoeverre kan bij prikkeldraadkooien van 2 meter breed en 1 meter hoog van een goede ligging gesproken worden? De kapitein heeft samen met zijn bemanning en de militairen het zinkende schip verlaten terwijl daar nog honderden gevangenen in het ruim opgesloten waren, waarvan uiteindelijk 411 personen omkwamen die grotendeels gered hadden kunnen worden. In hoeverre kan hij dan beweren dat hij en zijn ondergeschikten zich aan hun verplichtingen hebben gehouden en steeds met de meeste zeemanschap hebben gehandeld? Een goede kapitein verlaat als laatste het zinkende schip! In zijn verklaring wil kapitein Hoeksema ons laten geloven, dat de reddingsboten allemaal vol waren en dat er voor de 477 geïnterneerden geen plaats was, hetgeen enerzijds betekent dat er al vanaf het begin geen rekening werd gehouden met een eventuele redding van de Duitse geïnterneerden, maar anderzijds spreekt hij zichzelf ook tegen. De Nederlanders beschikten over een motorsloep en vier gewone reddingssloepen met elk een minimale capaciteit van 42 inzittenden. Uit het feit dat er in de achtergelaten vijfde sloep uiteindelijk 53 man konden plaatsnemen blijkt, dat er ruim voldoende plaats was om een groot aantal drenkelingen te kunnen redden. De 84 bemanningsleden en 62 bewakers zaten dus heel uitgebreid in de sloepen terwijl er nog ruim 100 man erbij hadden gekund. Sowieso hadden ze de Joden mee moeten nemen, die in principe niet eens geïnterneerd hadden mogen worden. Wat de zwemmers betreft, die probeerden de reddingsboten te bereiken, heeft de kapitein het in zijn verslag weliswaar over een gewonde geïnterneerde, die in een van de sloepen werd meegenomen, maar hij verzuimde daarbij te vermelden, dat deze Duitser gewond raakte doordat er dwars door zijn hand geschoten werd bij zijn poging om aan boord van de boot te klimmen. Verder wordt in de verklaring de aanwezigheid van voldoende reddingsvesten en enkele reddingsmatrassen vermeld, maar wat hadden de drenkelingen eraan als zij door de haaien werden aangevallen en de Boelongan de volgende dag weigerde om de Duitse overlevenden aan boord te laten? Al deze vragen bleven tot op heden onbeantwoord.
 
Vrouwen en kinderen in het kamp Adek nabij Batavia
In 1964 kreeg de cineast Dick Verkijk van Herman Wigbold van de VARA de opdracht om een documentaire over de Van Imhoff-affaire te maken voor de actualiteitenrubriek ‘Achter het Nieuws’. Vrij Nederland schreef op 1 februari 1969 met betrekking tot het feit dat de kapitein van het zinkende schip de gevangenen in het ruim aan hun lot overliet nadat hij zichzelf in veiligheid had gebracht: ‘Voor Wigbold stond vast dat er geweigerd is Duitsers te redden omdat zij Duitsers waren!’ Hoewel Justitie weigerde om gegevens hieromtrent aan Verkijk te verstrekken was hij er desalniettemin in geslaagd een nauwkeurige reportage over deze beschamende gebeurtenis te maken, die echter nooit is uitgezonden omdat de toenmalige televisiecommissaris Jan Willem Rengelink de uitzending botweg verboden had. Zo bleef de documentaire achter slot en grendel op de planken liggen en was later nergens meer te vinden. Gewoon spoorloos verdwenen! Wij kunnen er gerust van uit gaan, dat het ruwe materiaal vernietigd is. Een tweede documentaire van Verkijk over hetzelfde onderwerp, die wel aanzienlijk korter was dan de eerste, werd door de VARA-voorzitter Jaap Burger persoonlijk verboden, waarbij het niet uitgesloten is dat dit in overleg met de toenmalige regering gebeurde gezien het feit dat Jaap Burger onder Willem Drees oud-fractievoorzitter van de PvdA was.

De PSP'er Henk Lankhorst
Hoe dan ook, Dick Verkijk liet het er niet bij zitten en publiceerde de resultaten van zijn onderzoek op vrijdag 16 april 1965 in Het Parool, hetgeen nogal enige opschudding veroorzaakte. Naar aanleiding hiervan wijdde Der Spiegel op 22 december 1965 en 7 februari 1966 twee uitgebreide artikelen met foto’s en ooggetuigenverslagen aan de pogingen van zowel de VARA-leiding alsook van de Nederlandse autoriteiten het Van Imhoff-schandaal in de doofpot te stoppen. Dit had tot gevolg, dat de fractieleider van de PSP in de Tweede Kamer, Lankhorst, op 15 februari 1966 lastige vragen over deze affaire aan de toenmalige minister van Defensie Piet de Jong (Kabinet Cals) stelde. In zijn reactie wees de Jong op het onderzoek uit 1956 met het resultaat dat het ministerie van Buitenlandse Zaken de regering in Bonn destijds liet weten dat geen strafvervolging zou worden ingesteld. Ook in maart 1966 werd in de Eerste Kamer door de PSP, gesteund door de PvdA en de ARP, een voorloper van het CDA, op meer inlichtingen over de gebeurtenissen rondom de Van Imhoff aangedrongen. Minister De Jong gaf hierop de schriftelijke reactie, dat er geen onjuiste beslissingen waren genomen en dus geen grond aanwezig was voor een strafrechtelijke vervolging tegen de gezagvoerder van de Van Imhoff. De Kamers kwamen daarna niet meer op het gebeurde terug en de discussie was gesloten.

Zo belandde de hele affaire opnieuw in de doofpot en werd door de latere publicaties van Van Heekeren en Bezemer slechts ten dele openbaar gemaakt. Tot op heden werd niemand verantwoordelijk gesteld voor de dood van 411 geïnterneerde Duitsers en Joden, waaronder Otto Moszkowicz, waardoor het Van Imhoff-schandaal nog steeds een zwarte bladzijde in de geschiedenis van maritiem Nederland zal blijven.


Werner Stauder is van Joodse afkomst en was 34 jaar werkzaam bij de Telegraaf.
Hij werkt aan een boek over interneringskampen in Nederlands-Indië.


zaterdag 8 februari 2014

Duitse Joden achter Indische Kawat (5)

De Boelongan in 1915

door Werner Stauder

Tegen de avond van 19 januari 1942, rond half zeven, verdween de boeg van de Van Imhoff in de golven. Het schip zonk weg in de diepte, terwijl ruim 300 Duitse gevangenen, die geen kans hadden gezien zich in veiligheid te brengen, zich nog steeds in hun prikkeldraadkooien aan boord bevonden. Zij werden samen met de zwemmenden mee de diepte in gesleurd. In totaal zijn 411 onschuldige Duitse en Joodse gevangenen hierbij omgekomen. Een van hen was Otto Johann Ludwig Moszkowicz. Van de Joden heeft niemand de ramp overleefd!

Onder de slachtoffers bevonden zich naast de talrijke Joden ook enkele tientallen protestantse zendelingen, katholieke missionarissen, dominees en priesters, ook diverse bekende kunstenaars waaronder de kunstschilder Walter Spies en zelfs een groot aantal actieve en gepensioneerde KNIL-militairen en politieambtenaren, die al meer dan 20 jaar genaturaliseerd waren en trouwe dienst aan de koningin bewezen. Van al deze gevangenen kan derhalve moeilijk gezegd worden dat zij nazi's of gevaarlijke elementen geweest zouden zijn hetgeen hun gruwelijke dood zou kunnen rechtvaardigen. Het feit dat de bemanning en de bewakers zichzelf in de reddingsboten in veiligheid hadden gebracht terwijl zij de aan hen toevertrouwde gevangenen keihard aan hun lot overlieten druist in tegen alle regels op zee. Tot op heden zijn de verantwoordelijken nooit berecht!

Dit verhaal zal ongetwijfeld nare herinneringen oproepen bij de lezers die bekend zijn met de koloniale geschiedenis van Nederland, want het lijkt wel een déjà vu. Op 1 januari 1738 verging in een onweer voor de monding van de Marowijnerivier in Suriname het slavenschip Leusden van de West-Indische Compagnie, waarbij kapitein Outjes willens en wetens ruim 700 slaven, die benedendeks aan kettingen waren vastgeklonken, liet verdrinken terwijl hij zelf met zijn Nederlandse bemanning op de sloepen stapte en naar de wal vertrok. De kapitein durfde de slaven niet los te laten omdat hij bang was dat ze de bemanning op het zinkende schip zouden overmeesteren. Dezelfde reden gaf ook kapitein Hoeksema aan ten opzichte van de Duitse gevangenen op de Van Imhoff. Op 18 november 1737 vertrok de Leusden vanaf het Nederlandse Fort Elmina aan de kust van het huidige Ghana naar Suriname met honderden slaven aan boord. Benedendeks was het erg donker en benauwd en door het ontbreken van sanitaire voorzieningen stonk het daar verschrikkelijk. Het slavenruim van de Leusden was in twee lagen verdeeld zodat er meer slaven vervoerd konden worden. Hetzelfde principe werd 200 jaar later ook toegepast op het ruim van de Van Imhoff. Vandaar dat de kooien waarin de Duitsers opgesloten werden slechts één meter tien hoog en twee meter breed waren waardoor zij net als de slaven op de Leusden op elkaar gepakt als haringen in een ton zaten. Zowel de mannelijke alsook de vrouwelijke slaven waren naakt en twee aan twee aan elkaar geketend. Toen het slavenschip eind december 1737 zijn eindbestemming naderde kwam het voor de kust van Suriname in een noodweer terecht. De slaven zaten als ratten in de val toen de romp brak en water de ruimen binnen stroomde. Kapitein Outjes had namelijk de luiken dicht laten spijkeren om te voorkomen dat de slaven naar boven zouden komen, toch hoe hadden ze dat kunnen doen als ze vastgeketend waren? Zonder ook maar één vinger uit te steken om hen te redden liet de kapitein de sloepen strijken en vertrok met zijn bemanning. Ruim 700 onschuldige Afrikaanse slaven hebben deze scheepsramp niet overleefd en men moet zich afvragen hoe het mogelijk is dat deze grootste tragedie uit de Nederlandse scheepvaarthistorie bijna 300 jaar lang in het moederland zelf vrijwel onbekend bleef. Het antwoord laat zich wel raden.
 
Admiraal Helfrich
Terug naar de Van Imhoff. Ook de weinige overlevenden, in de beide boten en op de vlotten, die de volgende ochtend werden waargenomen door het KPM-schip Boelongan, mochten op uitdrukkelijk bevel van de Commandant Zeemacht niet gered worden. Daarom weigerde de kapitein om humanitaire hulp aan de drenkelingen te verlenen en gaf onder luid gemor van zijn eigen inlandse bemanning het bevel te vertrekken en de drenkelingen zonder water en voedsel aan hun lot over te laten. Hij beriep zich hiervoor op een geheime order van admiraal Helfrich. Een van de drenkelingen, de Duitse Jood Arno Schönmann uit Soerabaja, sprong van een vlot in het water en zwom het schip achterna. Een inlandse matroos, die medelijden toonde, gooide hem een werplijn toe. Schönmann probeerde daaraan omhoog te klimmen, werd daaraan echter gehinderd door de eerste stuurman en is achteraf verdronken. De vlotten dreven af en werden nooit teruggevonden. Ook twee inzittenden van de beide boten hebben het niet gehaald. Zo waren er uiteindelijk van de 477 geïnterneerde Duitsers nog slechts 65 overlevenden, die door de Nederlandse autoriteiten op het eiland Nias, waar zij enkele dagen later aanspoelden, opnieuw werden gevangengezet.
 
Eelco Nicolaas van Kleffens

Uit de zeer geheime correspondentie uit 1942 tussen gouverneur Starkenborgh in Batavia en minister van Kleffens in Londen blijkt duidelijk dat het Van Imhoff-schandaal in Nederland al vanaf het begin angstvallig in de doofpot is gestopt. Het openbaar worden van de ware toedracht zou de autoriteiten tot de hoogste instanties zowel in Batavia alsook in Londen en later ook in Den Haag behoorlijk in verlegenheid gebracht hebben en moest dus koste wat het kost geheim gehouden worden. De bemanning en het bewakingsdetachement kregen reeds enkele dagen na hun aankomst in Padang het bevel de ware toedracht rondom het gebeurde met de Van lmhoff geheim te houden. In een telegram aan de Minister van Buitenlandse Zaken in London, de heer Eelco Nicolaas van Kleffens, schreef Starkenborgh op 1 februari 1942: “Daar vele geruchten reeds de omloop deden ook onder Duitsche vrouwen dat schip met geïnterneerden vergaan en aangezien het voorts ongewenscht is publicatie langer uit te stellen wegens kans eerder bericht buitenlandsche radio, is heden een korte verklaring uitgegeven dat een transport het voorwerp van Japansche actie is geworden welke een groot aantal slachtoffers heeft geëischt. Over behoud bemanning en bewaking is opzettelijk niets gezegd teneinde verkeerden indruk buitenland te vermijden.” Niettegenstaande deze poging om de ware toedracht te verbergen wisten enkele overlevenden vanaf het eiland Nias later toch een nauwkeurig verslag van de gebeurtenissen door te geven naar Duitsland.

[deel 6 en slot klik hier]

Duitse Joden achter Indische Kawat (4)

De ss Van Imhoff
door Werner Stauder

De kans om Bombay te bereiken was eigenlijk reeds vanaf het vertrek vrijwel nihil omdat de Van Imhoff, die blijkbaar doelbewust niet als gevangenentransport aangemerkt was, al door Japanse verkenningsvliegtuigen gesignaleerd werd toen het nog in de haven van Sibolga lag. De omstandigheden aan boord waren voor de geïnterneerden mensonterend. De 477 grotendeels bejaarde gevangenen werden beneden in het bloedhete ruim van het vrachtschip opgesloten en zaten dicht opeengepakt in 2 meter brede kooien van prikkeldraad, elk met een capaciteit voor dertig man. Omdat elke kooi amper één meter tien hoog was en het voor de gevangenen dus onmogelijk was rechtop te staan, hurkten en lagen zij dicht op elkaar. Er was te weinig drinkwater, ventilatie en sanitaire voorzieningen waren vrijwel nihil. In de kooien hing een vreselijke stank en het was er niet uit te houden van de hitte. Alleen al het laten vertrekken van het schip onder deze barre omstandigheden, die sterke overeenkomsten vertonen met die in de slavenschepen van de West-Indische Compagnie zoals de Leusden waar ik straks nog op zal terugkomen, was reeds een grove schending van het volkenrecht. Daar komt nog bij dat er onvoldoende reddingsmiddelen op het schip aanwezig waren om iedereen te kunnen redden en die, zo later bleek, sowieso uitsluitend bedoeld waren om de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement in veiligheid te brengen.

Een Japanse jachtbommenwerper

Het duurde dan ook niet lang totdat er zou gebeuren wat iedereen vreesde, want omstreeks tien uur in de ochtend van de noodlottige 19e januari 1942 werd de Van Imhoff door een Japanse jachtbommenwerper aangevallen. Door één van de bommen scheurde op een gegeven moment de scheepswand onder de waterlinie open, waardoor er zoveel water binnenstroomde dat het schip langzaam begon te zinken. Toen de Van Imhoff tegen één uur slagzij begon te maken, werd door kapitein Hoeksema de order gegeven de motorsloep alsook de vijf reddingsboten te vieren en alle reddingsvlotten in het water te werpen. Een zesde reddingsboot bleef echter hangen omdat die zat vastgeroest in zijn ophangmechanisme. Voorts werd order gegeven om de Duitse en de Joodse gevangenen in hun kooien kalm en zo nodig in bedwang te houden, zodat de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement het schip zonder tegenstand kon verlaten. Pas toen alle Nederlanders van boord waren, werden door de laatste militairen kniptangen en sleutels naar beneden gegooid. De geïnterneerden werden in het ruim verder aan hun lot overgelaten.

Wat toen volgde, is haast niet te beschrijven. Sommigen konden weliswaar met behulp van de ijzertangen de prikkeldraadomheining openknippen, toch lukte het slechts de jongste en vitaalste mannen het ruim te verlaten. De rest bleef achter. Velen werden verdrukt of vertrapt, want iedereen probeerde in paniek vanuit de krappe kooien over elkaar heen naar buiten te kruipen. Anderen sneden hun polsen open om niet levend door haaien opgevreten te worden. Weer anderen sprongen overboord en verdronken. Degenen die hun sprong overleefden en probeerden de Nederlandse sloepen zwemmend in te halen, werden onder dreiging van gerichte pistoolschoten op afstand gehouden. Een van hen, Stephan Walkowiak, kreeg bij deze poging weliswaar een schot dwars door zijn hand, werd daarna echter door inheemse militairen in een van de achterste reddingsboten bloedend aan boord gehesen hoewel er vanuit de motorsloep gecommandeerd werd de man aan zijn lot over te laten.


Te midden van de grote chaos aan boord van het zinkende schip hielden sommige gevangenen hun hoofd koel en zochten naar allerlei mogelijkheden om het vege lijf te redden. Algauw vonden zij de sloep die de Nederlanders in hun haast niet los konden krijgen. Uiteindelijk slaagden de mannen er na twee uur zwoegen alsnog in om de aan de davits vastgeroeste reddingsboot los te wrikken en te water te laten. Officieel kon de sloep slechts 42 inzittenden bevatten, maar desondanks konden er toch wel 53 man mee en in een werkboot dat zij op het voorschip aantroffen, konden nog eens 14 man plaatsnemen. De riemen en het noodrantsoen waren helaas door de Nederlanders uit de boot verwijderd maar gelukkig lagen de mast en de zeilen er nog in. Velen waren vanaf het schip in het water gesprongen en probeerden zich op planken en deuren, houten meubels en kasten zo lang mogelijk drijvende te houden of een plaats te bemachtigen op enkele bamboevlotten.

[voor deel 5 klik hier]

Duitse Joden achter Indische kawat (3)

Het ss Van Imhoff op de rede van Donggala. Foto Tropenmuseum

door Werner Stauder

Toen de gouverneur-generaal van Starkenborgh samen met de legercommandanten luitenant-generaal Berenschot en generaal-majoor Schilling eind mei 1940 het kamp op het eiland Onrust bezocht en constateerde dat de toestand daar ‘zeer onvoldoende’ was, gaf hij opdracht om onmiddellijk een centraal kamp te bouwen waar alle Duitse mannen van de hele Indische Archipel konden worden ondergebracht.
G.J. Berenschot
In alle haast werd er in het zuiden van Atjeh op het eiland Sumatra het centrale kamp Lawé Sigala-gala gebouwd in de Alasvalei vlakbij Kota Tjané.Op ten Noort van Onrust op weg naar het nieuwe kamp en op 14 juli met de Plancius het tweede. Met het derde transport werden op 8 augustus 1940 de laatste gevangenen van het eiland Onrust naar Sumatra gebracht, eveneens met de Plancius. Het is mij niet bekend onder welke groep de heer Moszkowicz zich bevond, maar ook hij belandde in Lawé Sigala-gala opnieuw achter het prikkeldraad. De gevangenen werden volgens een bepaald systeem over zes blokken verdeeld, genummerd van A tot F, die in twee rijen van drie tegenover elkaar stonden. Elk blok telde 8 tot 12 slaapbarakken voor ongeveer 400 man, vier eetbarakken, sanitaire barakken, een keuken en een hospitaal. De blokken A en D waren de zogenoemde nazi-blokken, blok B was voor de de rooms-katholieke priesters, protestantse zendelingen en andere a-politieke mensen, de blokken C en F voor de zeelui en overige gematigden, en tenslotte blok E voor de Joden. De diverse blokken werden onderling van elkaar gescheiden door een hoge dubbele prikkeldraadomheining en Spaanse ruiters. Op alle hoeken van het kamp stonden wachttorens met schijnwerpers en mitrailleurs. Het kamp werd streng bewaakt door een versterkte KNIL-compagnie van 250 man. Hoewel er op het eiland Onrust een aantal Duitse Joden werd vrijgelaten, moest het merendeel toch mee naar het nieuwe kamp en zo kwam ook Otto Moszkowicz hier in het ‘Jodenblok’ terecht. Vanuit de cellen van het beruchte Fort Ngawi alsook vanuit de kampen op de andere eilanden werden eveneens talrijke Joodse gevangenen overgebracht naar blok E in Lawé Sigala-gala. Wat er met hen verder allemaal gebeurde in dit verschrikkelijke kamp dat twee jaar later door de Japanners zou worden gebruikt om daarin de Nederlanders te interneren, zal ik in mijn boek uitvoerig beschrijven aan de hand van diverse ooggetuigenverslagen en dagboekaantekeningen.


Geheim codebericht van de Nederlandse regering uit 1942

Op 6 juli 1940 ging het eerste transport van vijfhonderd man met de Op ten Noort van Onrust op weg naar het nieuwe kamp en op 14 juli met de Plancius het tweede. Met het derde transport werden op 8 augustus 1940 de laatste gevangenen van het eiland Onrust naar Sumatra gebracht, eveneens met de Plancius. Het is mij niet bekend onder welke groep de heer Moszkowicz zich bevond, maar ook hij belandde in Lawé Sigala-gala opnieuw achter het prikkeldraad. De gevangenen werden volgens een bepaald systeem over zes blokken verdeeld, genummerd van A tot F, die in twee rijen van drie tegenover elkaar stonden. Elk blok telde 8 tot 12 slaapbarakken voor ongeveer 400 man, vier eetbarakken, sanitaire barakken, een keuken en een hospitaal. De blokken A en D waren de zogenoemde nazi-blokken, blok B was voor de de rooms-katholieke priesters, protestantse zendelingen en andere a-politieke mensen, de blokken C en F voor de zeelui en overige gematigden, en tenslotte blok E voor de Joden. De diverse blokken werden onderling van elkaar gescheiden door een hoge dubbele prikkeldraadomheining en Spaanse ruiters. Op alle hoeken van het kamp stonden wachttorens met schijnwerpers en mitrailleurs. Het kamp werd streng bewaakt door een versterkte KNIL-compagnie van 250 man. Hoewel er op het eiland Onrust een aantal Duitse Joden werd vrijgelaten, moest het merendeel toch mee naar het nieuwe kamp en zo kwam ook Otto Moszkowicz hier in het ‘Jodenblok’ terecht. Vanuit de cellen van het beruchte Fort Ngawi alsook vanuit de kampen op de andere eilanden werden eveneens talrijke Joodse gevangenen overgebracht naar blok E in Lawé Sigala-gala. Wat er met hen verder allemaal gebeurde in dit verschrikkelijke kamp dat twee jaar later door de Japanners zou worden gebruikt om daarin de Nederlanders te interneren, zal ik in mijn boek uitvoerig beschrijven aan de hand van diverse ooggetuigenverslagen en dagboekaantekeningen.


Eind december 1941 werd in verband met de verwachte landingen van de Japanners besloten het kamp op Sumatra te ontruimen en de gevangenen naar Brits-Indië af te voeren. In een geheim codebericht aan minister van Kleffens schreef Starkenborgh: “Britsch-Indië is bereid onderbrengen Duitsche geïnterneerden welke vertrekken 28 December en 2 Januari. Het schijnt mij juister gezien belang maatregel de Duitsche Regeering Uwerzijds inlichten, echter niet voordat tweede groep is aangekomen omdat eerder bekendmaken eventueele Japansche voor ontzetting zou kunnen verhaasten dan wel pogingen zou kunnen uitlokken om het transport op zee op te vangen. De datum van aankomst zal ik U nader seinen.” Er was hierbij dus slechts sprake van twee transporten. Over een derde transport staat niets in de officiële telegramwisseling tussen de gouverneur-generaal en de minister in Londen. Op dat moment bevonden zich nog ruim 2450 Duitse en Joodse gevangenen in Lawé Sigala-gala, die in met prikkeldraad ‘beveiligde’ vrachtauto’s werden overgebracht naar de havenstad Sibolga. Op 29 december 1941 vertrok het eerste transport geïnterneerden met de KPMer Ophir uit Sibolga. Het schip had bijna duizend gevangenen aan boord, waaronder zich dertig fanatieke nazi’s bevonden, de rest waren vooral jonge mannen, velen uit de blokken A en D, enkelen uit F en C en een heel enkele uit E en B. Op 3 januari volgde de Plancius met ruim negenhonderd Duitsers aan boord, eveneens uit de diverse blokken zorgvuldig geselecteerd zodat de gevaarlijkste gevangenen alvast het land uit waren. Op 16 januari 1942 vertrok het derde en laatste transport uit Sibolga met 477 Duitse gevangenen aan boord van het omgebouwde koopvaardijschip Van Imhoff. Deze groep, waartoe ook Otto Moszkowicz behoorde, bestond uit de rest van Blok E, het Joodse blok, mannen van wie de namen met L t/m Z begonnen en de ouderen uit alle andere blokken alsook zeelui. Op 19 januari 1942 werd in een geheim codebericht de mededeling gedaan, dat de twee transporten van respectievelijk 975 en 938 Duitsers op 7 en 10 januari in Brits-Indië zijn aangekomen en dat er op 16 dezer een derde en laatste transport uit Nederlands-Indië vertrok. Verder wordt in dit bericht melding gemaakt van de aankondiging dat de evacuatie uit Nederlands-Indië over een week gepubliceerd zal worden, waarbij het feit dat de laatste groep onderweg is, zal worden verzwegen. Waarom moest dit worden verzwegen? Wist men soms van tevoren al dat het schip nooit zou aankomen? 

[wordt vervolgd]

Duitse Joden achter Indische kawat (2)

Roeiboten meren aan bij de ss Van Imhoff in de baai van Gorontala. Foto Tropenmuseum

door Werner Stauder

De Joden werden net zo slecht en onbeschoft behandeld als de overige Duitsers, want zij werden gewoon als Duitsers beschouwd en niet als Joden. Niemand stond er blijkbaar bij stil dat deze mensen helemaal geen Duitse staatsburgers meer waren en dat zij juist uit Nazi-Duitsland moesten vluchten om aan de afgrijselijke jodenvervolging te ontsnappen. Dat de Duitse Joden door de Nederlandse politie werden gearresteerd in het land waar zij rust en vrijheid dachten te vinden, en dan op het beruchte eiland Onrust ook nog in een zogenaamde ‘Jodenbarak’ werden opgesloten in plaats van hen als vluchtelingen op te vangen en hen politiek asiel te verlenen is ronduit schandalig te noemen.
GG Tjarda van Starkenborgh Stachouwer
Dat dit echter niet per vergissing gebeurde, maar juist van hogerhand beslist werd blijkt uit het feit, dat het besluit hiervoor door de gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer werd genomen als een veiligheidsmaatregel op grond van artikel twintig van de Regeling Staat van Oorlog en Beleg. De Duitse Joden werden in Indië als ‘veiligheidsrisico’ beschouwd omdat men vreesde, dat zij door de nazi’s konden worden gechanteerd met hun familieleden in de concentratiekampen. Om deze reden liet Starkenborgh de veiligheid voor de menselijkheid gaan met alle gevolgen van dien. Zo werd ook de onschuldige ingenieur Otto Johann Ludwig Moszkowicz het slachtoffer van dit noodlottige besluit en kwam onder onmenselijke omstandigheden achter het prikkeldraad terecht.


In de vroege ochtend van 15 mei 1940 werd hij getuige van de brute moord op zijn jonge barakgenoot Rudolf Frühstück. De geïnterneerden van barak 18 gingen naar buiten om te luchten. Vlak voor de omheining waren enkele Javanen in de hoge bomen geklommen om daar wat takken af te kappen in verband met het monteren van een elektrische leiding. Natuurlijk was dit voor Moszkowicz en zijn barakgenoten een prachtige afleiding om naar te kijken en ook de jonge Frühstück was één van deze toeschouwers. Met opgeheven hoofd stond hij gefascineerd te kijken hoe snel en behendig deze inlanders in de boom konden klimmen en had daarbij niet eens door dat hij inmiddels op minder dan twee meter van de prikkeldraadomheining was gekomen. Onbewust wilde hij op een gegeven moment met zijn hand op één van de peilers van het hek steunen, waardoor die hand zich dus boven het verboden gebied bevond met het gevolg dat hij nietsvermoedend en zonder waarschuwing door een sergeant van het bewakingsdetachement van achteren werd doodgeschoten door een welgemikt schot in de hartstreek. Er ontstond onmiddellijk een groot tumult in het kamp.
Hanoeka-feest, Bandung 1935
Zijn barakgenoten renden naar hem toe om hem te helpen, waaronder ook dr. Emil Mengert uit Batavia, terwijl ook militairen van alle kanten kwamen aanlopen, die de arts onder bedreiging van het geweer dwongen zijn patiënt te verlaten en iedereen de barak in joegen. Uit de omliggende barakken klonken luide protesten tegen deze handelwijze. Onder de toegesnelde militairen bevond zich ook kapitein De Vries, die, met zijn pistool in de hand, de zwaargewonde jongeman zieltogend in het gras aantrof. Kort daarop stierf hij. Rudolf Frühstück was een jonge Jood, die in de jaren ’30 van Duitsland naar Singapore emigreerde, maar daarna zijn toevlucht in Nederlands-Indië zocht toen de oorlog tussen Engeland en Duitsland uitbrak, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij in Indië veilig zou zijn. Frühstück ontmoette in Indië de dood, die hij in Duitsland wilde ontlopen. Heel tragisch!

[voor deel 3 klik hier]

vrijdag 7 februari 2014

Duitse Joden achter Indische Kawat (1)

Het grote vrachtschip de Van Imhoff wordt in de haven geladen. Collectie Tropenmuseum

Vergeten groep Joodse oorlogsslachtoffers


door Werner Stauder

Wat er met de Joden in Nederland gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog weet vrijwel iedereen. Over het lot van de Duitse en Oostenrijkse Joden in Nederlands-Indië van vóór de Japanse bezetting is hier daarentegen weinig bekend. Zij vormen een vergeten groep oorlogsslachtoffers. Het doel van dit artikel is het eerherstel van deze mensen. Om aan deze anonieme groep een gezicht te geven zal ik het lot van de heer Otto Moszkowicz als voorbeeld naar voren halen.

Otto Johann Ludwig Moszkowicz, geboren in 1911, was in Nederlands-Indië als ingenieur werkzaam bij de B.P. Maatschappij in Terisi, Djatibarang op West-Java. De heer Moszkowicz was één van de honderden Joden, die in de jaren 30 Duitsland en Oostenrijk waren ontvlucht en zich in Nederlands-Indië hadden gevestigd omdat zij dachten, daar een veilig heenkomen te hebben gevonden onder de Nederlandse bescherming. Zij kwamen van de regen in de drup, want zij ontsnapten weliswaar aan de nazi’s, maar kwamen evengoed in kampen terecht achter het prikkeldraad. Velen van hen hebben het niet overleefd, waaronder ook de heer O.J.L. Moszkowicz. Tijdens de naspeuringen voor mijn boek over de interneringskampen in Indië kwam ik in Duitse en Nederlandse archieven een van de grootste schandalen uit de maritieme geschiedenis van Nederland op het spoor, waarover tot op heden een mysterieuze sluier hangt. Meer dan 70 jaar geleden, op 19 januari 1942, voltrok zich circa 150 zeemijl voor de kust van Sumatra een haast onbeschrijfelijk drama, waarvan de ware toedracht door de desbetreffende autoriteiten decennia lang angstvallig in de doofpot is gehouden. Ik nam daarom het besluit, mij intensief met deze Nederlands-Indische doofpotaffaire bezig te houden om in mijn boek een waarheidsgetrouw beeld te scheppen van alle gebeurtenissen rondom de tragische dood van 411 onschuldige gevangenen, waaronder talrijke Joden, die men op uitdrukkelijk gezag van hogerhand willens en wetens heeft laten verdrinken. Aan de bemanning gaf men vervolgens het bevel daarover te zwijgen. Ook Otto Moszkowicz was één van deze verzwegen Joodse oorlogsslachtoffers. Met het onderstaande verhaal wil ik hem en al de anderen uit de anonimiteit halen en postuum eer bewijzen.
 
Bar Mitzwa in Soerabaja

Het begon allemaal op 10 mei 1940. Onmiddellijk nadat Tjarda van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, te Batavia op de hoogte was gebracht van de Duitse inval in Nederland, werden in de gehele Indische archipel alle burgers van Duitse afkomst gearresteerd en in interneringskampen opgesloten, in totaal ruim 2.800 mannen en vrouwen, waarbij geen onderscheid gemaakt werd tussen ‘arische’ Duitsers, Indo’s met een Duitse achternaam en uit Duitstalige landen afkomstige Joden. Dat ook deze Joden, die juist voor de nazi’s gevlucht waren en zich in Indië veilig waanden, werden gearresteerd en opgesloten - en dan ook nog op vrijdagavond bij het begin van de sabbat - is onbegrijpelijk. Te meer als men bedenkt, dat zij reeds voor de oorlog door de nazi’s van hun burgerrechten werden beroofd en dus stateloos waren. Op deze bewuste Erev Sjabbat van de 3e Ijar 5700, die om 18:11 uur plaatselijke tijd begon, werd de Parasja Emor gelezen. Na de sjabbatviering werd Otto Moszkowicz laat op de avond door Nederlandse politieagenten en BB-ambtenaren gearresteerd en naar het politiebureau gebracht, waar hij de nacht achter tralies doorbracht samen met andere Duitse en Joodse arrestanten. De volgende dag werden zij op transport gezet naar een verzamelkamp op West-Java en van daar uit naar Tandjong Priok, de haven van Batavia, waar een KPM-schip klaar lag om hen verder te brengen naar het eiland Onrust. Zij moesten aan de kade in het gelid gaan staan, omringd door zwaar gewapende inheemse militairen, en ontvingen de mededeling, dat zij zich aan boord van het schip moesten begeven nadat aan een tafel de gegevens van alle arrestanten waren genoteerd. Ook de heer Moszkowicz moest zijn naam en adres opgeven en zijn portemonnee, portefeuille, sleutels, horloge enz. inleveren. Alles werd geregistreerd en in zakjes gestopt. Daar zag hij later nooit meer iets van terug. Tegen de avond werden ze aan boord gebracht en moesten meteen naar het bloedhete overvolle ruim toe. Na ca. 1 ½ uur varen werden ze aan wal gebracht. De ontscheping van de gevangenen vond onder groot militair vertoon plaats met veel geschreeuw en gesnauw. Ze werden daarbij dikwijls geschopt en geslagen. Onder het toeziend oog van de kampcommandant kapitein H. J. de Vries werden Otto Moszkowicz en zijn lotgenoten via een hoge, met prikkeldraad omgeven en van tralies voorziene poort gedreven en in groepen van ruim 100 man naar de diverse barakken afgevoerd, dertig in getal. Daar werden de Joden van de overige Duitsers gescheiden en apart gezet. Elke barak was 30-40 meter lang en 5 meter breed, had een vochtige betonnen vloer zonder bedden, was afgedekt met gegolfd plaatijzer en slechts schaars belicht. Bovendien wemelde het er van allerlei ongedierte. Iedere barak was genummerd en werd door middel van een drie meter hoge omrastering afgescheiden van de overige barakken en het was ten strengste verboden de prikkeldraadomheining dichter dan op 2 meter afstand te benaderen. Barak 18 was de zogenoemde ‘Jodenbarak’. Daarin werden alle Duitse en Oostenrijkse Joden gehuisvest. Een van hen was Johnnie Duell, de directeur van het Metropooltheater in Batavia, die als Duitse Jood in de Eerste Wereldoorlog aan het westelijk front had meegevochten en zelfs voor zijn moedig optreden als piloot gedecoreerd werd. Ondanks het feit dat hij zich tot Nederlander had laten naturaliseren, kwam hij toch evengoed samen met Otto Moszkowicz in barak 18 op het eiland Onrust terecht. Zij moesten een bundel stro oprapen en daarmee een plekje op de kale vloer zoeken om daarop te slapen. Dekens tegen de nachtelijke afkoeling werden niet uitgereikt en zowel fysiek alsook verbaal geweld was geen uitzondering.

[vervolg klik hier]

zondag 19 januari 2014

Cursus gamelang en wajang te Lelydorp

Dalang Sapto Sopawiro (Suriname)
 en dalang Sarwonoh (Indonesië)
Op Lelydorp is een zeldzame cursus van start gegaan afgelopen donderdag te Dessa. Het betreft het leren spelen van de gamelang en laten dansen van de wajang-poppen. De Academie Kebudjan is belast hiermee. Er bestaat nog de mogelijkheid om je op te geven voor deelname. Dat kan gebeuren bij de bekende Captain Does op Lelydorp. De lessen duren 6 maanden en zullen gratis verzorgd worden. De Pertjajah Luhur (PL) heeft voor deze cursus speciaal een dalang, Sarwonoh, laten halen uit Indonesië. Een dalang is een persoon die de wajang-pop laat bewegen. Suriname had maar één dalang over, te weten Sapto Sopawiro. Die heeft al een hoge leeftijd en is heel blij dat er een instructeur uit Indonesië is gehaald om mensen in Suriname op te leiden. Sopawiro verwacht dat vooral jongeren zich zullen aanmelden om deze gratis cursus te volgen. Op de openingsdag van de cursus was PL-voorzitter Paul Somohardjo ook aanwezig, samen met partijtoppers als minister Raymond Sapoen en DNA-lid Martha Warso-Djojoseparto.

[uit Dagblad Suriname, 18-01-2014]


donderdag 7 november 2013

Suriname en WO II: strijders in de Oost (3 en slot)

door William L. Man A Hing
Een affiche voor de werving voor het KNIL

40. Waller, Charles Edmund,
Paramaribo: 10-08-1913, Ls Sld Inf Knil.(commies-redacteur dept. van Justitie).
vader: ChE Waller / moeder: JS Vries;
contactadres: ChE Waller, Batavia;
25-02-1943: overleden aan “bacillary dysentery”  in Changi hospitaal te Singapore. [inv. no. 457]
Aanvankelijk Changi Cemetery, later overgebracht naar: Nederlands ereveld Menteng Pulo, Jakarta;
 
Wesenhagen, Henri François,
15-10-1919, sldt inf.;
vader: Alexander Constant Wesenhagen / moeder: Wesenhagen, Hortence Lucie Stefanie;
contactadres: AC Wesenhagen, Buitenzorg;
21-09-1944: omgekomen a/b transportschip Toyofuku-Maru. Het schip dat ook bekend stond als Hofuku Maru, Fuku Maru en Fuji Maru, werd met 1.289 Nederlandse en Britse krijgsgevangenen op weg naar Japan door een Amerikaanse luchtaanval tot zinken gebracht bij de Philippijnen. Van de gevangenen zijn 1.047 omgekomen; [inv. no. 457]

Weytingh, Charles Rodolph (ook: Rudolph),
Paramaribo: 28-06-1902, Lst Sld. Inf.
vader: Weytingh, Charles Rodolph / moeder: Arrias, Annette M.;
contactadres: CR Weytingh, Batavia;
28-03-1943: “Died of acute enteritis”, POW Camp Kinsaiyok Village. Kanchanaburi War Cemetery; [inv. no. 458]

Wiers, Hendrik Jan,
Paramaribo: 09-04-1894, offvgez.
2e kl.;
18-09-1944: omgekomen a/b s.s. Junyo Maru;
vader: Wiers, HC / moeder: Wiers-Bolt, F;
contactadres: mw Wiers-Langedijk, KC, Bandoeng;
[inv. no. 458]

Wilsterman, Willem Hendrik Louis,
Paramaribo: 18-09-1904, Ls Sld. Knil.
vader: Hendrik;
contactadres: G Wilsterman, Kediri, Java;
16-12-1943: “Died of heart attack”, Osaka POW Camp, Japan.
Nederlands ereveld Menteng Pulo, Jakarta; [inv. no. 458]

45. Zeiler, Christiaan Frederic,
Paramaribo: 19-10-1912,  mil.sgt. 2e kl.;
vader: E. Zeiler/moeder: Bender, JA;
contactadres: fam. Bender, JA.
s.f. Beran, Djocjakarta;
18-07-1944: He was killed outright for being buried under landslide while working to build airfield”.
Plaats: Pangkalan Balai Airfield, Sumatra.
“Buried in POW Cemetary No. 1 Branch Camp of Malay POW Camp (JA265).”
[inv. No. 459]
(ogs.nl: 18-08-1944 overleden)
Nederlands ereveld Pandu, Bandung;

Zunder, James H. (ook: Edward),
Paramaribo: 13-04-1908, arts/off. v.gez. Tkl Knil.
vader: James / moeder: Elisabeth;
Contactadres: Centraal Burgerlijk Ziekenhuis, Semarang;
25-06-1944: omgekomen a/b s.s. Tamahoku Maru die na een duikbootaanval van de Amerikaanse onderzeeër USS Tang (SS-306 onder Lt. Commander Richard H. O’Kane) tot zinken was gebracht bij de Japanse stad Nagasaki. Van het helleschip dat op weg was naar Japan met 772 krijgsgevangenen aan boord hebben 560 opvarenden de tocht overleefd;
[inv. no. 464]

II. Militairen die na WO II zijn overleden zonder opgave van oorzaak:
Amres, Arnold Hendrik Constantijn,
Paramaribo: 06-12-1890, Knil-militair;
31-03-1946: overleden op onbekende plaats;
Nederlands ereveld Kembang Kuning, Surabaya;

Balker, Ludwig Thomas,
Paramaribo: 21-07-1922, Mlt Sld Ekl Inf V Knil.
18-04-1950: overleden te Balikpapan, Borneo.
Nederlands ereveld Kembang Kuning, Surabaya;

Drie vrouwen in Tjisaroea, ca. 1937.
 Prentenkabinet Leiden
Bies de, Benjamin Martinus,
Paramaribo: 02-02-1896, Kpl Subs Cie Kader Knil.
vader: handschrift onleesbaar / moeder: Tchelkwijk (Schalkwijk?) Francine;
08-06-1948: overleden te Tjisaroea (Cisarua), Java.
Nederlands ereveld Menteng Pulo, Jakarta; [inv. no. 420]

Burgzorg, Jacques,
Paramaribo, 07-04-1916, Mlt Kpl 18 Sqn ML-Knil.
19-11-1945: overleden te Batavia.
Nederlands ereveld Menteng Pulo, Jakarta;

Kalam, J,
Ben-Commewijne: 05-12-1918, Mlt Sld Ekl 2-1-1 RI Knil.
02-04-1946: overleden te Batavia;
Nederlands ereveld Menteng Pulo, Jakarta;

Kolumbocus, Mohamed,
Paramaribo, 09-02-1919, Sld Knil.
04-11-1945: overleden te Batavia.
Nederlands ereveld Menteng Pulo, Jakarta;

Landkoer, André Loenel,
Paramaribo: 01-07-1914, SMI Knil.
vader: Christiaan Emelius Landkoer / moeder: Elisabeth Carolina de Getrouwe; [C.B.B.]
07-07-1950: overleden te Batavia.
Nederlands ereveld Menteng Pulo, Jakarta;

Moll, Max Gerald,
Paramaribo: 01-02-1918, Sld Tkl Dp Pa Tpn Knil.
19-01-1947: overleden te Mr Cornelis, Batavia.
Nederlands ereveld Menteng Pulo, Jakarta;

Nooitmeer, Jacques Jules,
Paramaribo: 02-04-1924, Mlt. Sld.;         
13-07-1946: overleden te Tjimahi;
Nederlands ereveld Pandu, Bandung;

Spreeuw, Arie Hendrik Willem,
Paramaribo: 25-12-1914, Elt Knil.
25-07-1947: overleden te Tjimahi (Cimahi).
Nederlands ereveld Pandu, Bandung;

Stoffels, Guillaume Franciscus Maximiliaan,
Paramaribo: 16-12-1910; Sgt. Inf.;
vader: Stoffels, William, Willem, Hendrik / moeder: Lesperan, Adolphina Ida; [inv. no. 452]
24-06-1946: overleden in Mar. Hospitaal, Soerabaja;
Nederlands ereveld Kembang Kuning, Surabaya;

Wolff, Louis Gustaaf,
Paramaribo: 11-03-1914, SMI Knil.
22-02-1947: overleden te Menado, Sulawesi.
Buiten erevelden.

Het ss Garoet
III. Burgerslachtoffers:
Bender, Eduard Samson,
Paramaribo, 12-04-1886,
21-08-1945, overleden in Japans burgerkamp Mater Dolorosa, Batavia;
Nederlands ereveld Menteng Pulo, Jakarta;

Brandon, George Eugene Theodore,
Paramaribo: 07-02-1895, Matroos KV.
19-06-1944: omgekomen op de Indische Oceaan a/b s.s. Garoet.
De s.s. Garoet (onder Kapt. P. de Raadt) was een Nederlands vrachtschip van de Rotterdamsche Lloyd dat op weg van Bombay naar Durban door de Duitse onderzeeër U-181 (onder Kpt. Kurt Freiwald) tot zinken werd gebracht;

Cruden, Alice Emmelina Olivia, 
Nickerie: 19-11-1896,
24-12-1944: overleden in Japans burgerkamp te Bandung.
Buiten erevelden;
Noot: Alice Cruden was weduwe van Albert CF Heidweiller die was omgekomen a/b s.s. Junyo Maru op 18-09-1944. Zie hierboven;

Hoogte, Nico van der  (ook bekend als: John),
Paramaribo: 16-09-1916, Employé bij de Nederlandsch-Indische Radio Omroep Maatschappij.
07-04-1942: omgekomen te Antjol (Java) door executie.
Naast het Verzetsherinnerings Kruis, posthuum eveneens onderscheiden met “Verzetster Oost-Azië 1942 – 1945” op 23 mei 1950.
Verzamelgraf Antjol: Nederlands ereveld Ancol, Jakarta;

Lacomblé- geboren Silvergieter Hoogstad,
Leonie Elfriede, Paramaribo: 26-12-1902,
dochter van Philippus Silvergieter Hoogstad (1847 – 1923) en Johanna Wilhelmina van Kervel (1855 – 1913).
(zie: genealogieonline.nl/stamboom-engel-van-mierlo)
03-03-1942: omgekomen bij een aanval van Japanse jachtvliegtuigen op vliegveld en haven van de plaats Broome in NoordWest-Australië.
Ze was weduwe van Lacomblé, EEB (26-10-1896, Arnhem), Commandant van Hr Ms De Ruyter / Kapt Lt ter zee en drager van MWO 4ekl., posthuum verleend in 1949.
De kruiser Hr Ms De Ruyter die als Vlaggenschip fungeerde van Schout-bij-nacht Karel Doorman werd 28-02-1942 tijdens de Slag in de Javazee getorpedeerd door de zware Japanse kruiser Haguro en zonk met man en muis bij die strijd.

De Slag in de Javazee


Slot
Dit eerste overzicht van personen die in Nederlands-Oost-Indië en de regio van Zuidoost-Azië het leven hebben gelaten tijdens WO II beoogt meer duidelijkheid te verschaffen over de rol en wederwaardigheden van die Surinamers in de bezettingstijd.


Geraadpleegd:
Bovenstaande gegevens zijn voor een groot deel ontleend aan de  collectie van 47.000 Japanse interneringskaarten waarvan 7.200 kaarten van omgekomen KNIL-militairen in het Engels zijn vertaald. De gehele collectie is te raadplegen op het adres: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Binnenlandse Zaken: Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP), Stamboekgegevens KNIL-militairen, met Japanse Interneringskaarten, 1942-1996, toegangsnummer: 2.10.50.03, alsmede te vinden op de website www.gahetna.nl/collectie/index.../
In voorkomende gevallen is het inventarisnummer van de kaarten tussen vierkante haakjes vermeld.
Daarnaast zijn talrijke andere bestanden over de Tweede Wereldoorlog en verschillende geboorteregisters van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (C.B.B.) bestudeerd voor aanvullende gegevens.

Suriname en WO II: strijders in de Oost (2)

Enkele Surinamers tussen Nederlandse KNIL-manschappen. Foto Nederlands Instituut
 voor Militaire Historie


door William L. Man A Hing


Geerling, Ernst Willem,
Ben-Commewijne: 18-10-1907, Mlt Sld Knil.
vader: H Geerling;
contactadres: Sri Soepartia, Wlari, Java;
12-02-1945: “Died of perforative peritonitis”, Borneo POW Camp; Kamp Batu Lintang, Kuching, Sarawak, Maleisië;
[inv. no. 429]

Halfhide, Frederik Alexander,
Paramaribo: 06-06-1907, Sgt Knil.
contactadres: Halfhide-Heidanus, Soerabaia;
24-06-1944: omgekomen a/b s.s. Tamahoku Maru die door de Amerikaanse onderzeeër USS Tang (SS-306 onder Lt Commander Richard H. O’Kane) werd getorpedeerd bij de Japanse stad Nagasaki. Van het helleschip dat met 772 krijgsgevangenen op weg was naar Japan overleefden 560 opvarenden de tocht; [inv. no. 431]

Halfhide, Lucienne Jacques,
Paramaribo: 08-06-1913, SM Inf Knil.
27-03-1942: overleden te Laoe Balem;

15. Heidweiller, Albertus Carolus Ferdinand,
Paramaribo: 07-03-1896, Landst. Sld. Ie kl. Inf.,
18-09-1944: omgekomen a/b s.s. Junyo Maru;
vader: Heidweiller, HPJ / moeder Haenenberg, AE;
contactadres: mw Heidweiller-AEO Cruden, Madioen;
[inv. no. 431]
[C.B.B.: vader: APJ Heidweiller / moeder: CC Hanenberg]

Hillers, Bernhard Eugene Harry,
Paramaribo: 04-09-1903, Hofmeester Maat.
19-02-1942: omgekomen a/b torpedobootjager Hr Ms Piet Hein (onder commandant Ltz JMLI Chömpff ) die is gezonken bij de Slag in de Straat Bandoeng na een aanval van de Japanse torpedobootjager Asashio;
[C.B.B.: moeder: JFH Hillers]

De Japanse torpedobootjager Asashio

Huiswoud, Egbert Julius,
Paramaribo: 17-03-1890, beroepsfourier inf.,
18-09-1944: omgekomen a/b s.s. Junyo Maru;
vader: R.F. Huiswoud / moeder: Bernard, JH;
contactadres: echtgenote mw Huiswoud – Sari, LS, Cheribon;
[inv. no. 433]

Huyzen, Walther Jacques,
Paramaribo: 07-12-1900, Sgt.
Maj. Mil.Adm.
vader: Jean Cornelis;
contactadres: JC Huyzen Winkelaar, Poerwokerto;
06-06-1943: als Japans krijgsgevangene overleden te Kario, Haroekoe op het gelijknamige eiland van de Zuid-Molukken.
Ambon War Cemetery, Ambon; [inv. no. 433]

Jonge de, Pieter,
Paramaribo: 17-05-1898, Havenmeester, Ltz Tit.
12-02-1942: Tarakan-gevangenis geëxecuteerd;
“Als represaille voor de vernielingen aan de olie-installaties werd de gemilitariseerde havenmeester van Tarakan-stad, de luitenant ter zee titulair P de Jonge door de Japanners op 12 februari 1942 doodgeschoten.”(Wereldoorlog2.com)
Hij werd posthuum onderscheiden met de Bronzen Leeuw.
Nederlands ereveld Kembang Kuning, Surabaya;

20. Kruijdenhof, Franklin,
Paramaribo: 02-01-1919, Matroos II.
12-12-1941: omgekomen a/b onderzeeër Hr Ms O 16 (a.k.a. Hr Ms K XVI onder  Commandant Luitenant ter zee 1e klasse AJ Bussemaker) die door de Japanse onderzeeboot I 66 tot zinken is gebracht in de Zuidchinese Zee. Het wrak van de Nederlandse onderzeeboot is in oktober 2011 gelokaliseerd bij Borneo;

Landkoer, Hugo Richenel,
Paramaribo: 26-12-1916, Sgt Inf Knil.
vader: Christiaan Emelius Landkoer / moeder: Elisabeth Carolina de Getrouwe; [C.B.B.]
00 (?) -03-1942: overleden nabij Moeara Teboe (Sumatra).
Buiten erevelden;

Leysner, Egidius Leopold,
Paramaribo: 22-08-1896, SMI Knil.
vader: ThG Leysner / moeder: AJ Haman;
contactadres: J Leysner-Breton, Bandoeng;
17-08-1945: Overleden te Palembang, Sumatra.
Nederlands ereveld Pandu, Bandung; [inv. no. 439]

Meijer, Johan Reinhard,
Paramaribo: 17-05-1905, Brg Art Knil.
vader: Constantijn, Lodewijk / moeder: Johanna, Magdalena;
contactadres: mw F Meijer - Jozeph, Tjilatjap;
17-12-1943: “Died of malnutrition”, Wan Yai Camp, Thailand.
Kanchanaburi War Cemetery, Thailand; [inv. no. 441]

Meijer, Willem,
Paramaribo: 09-08-1899, sold.
Inf. KNIL;
moeder: LE Lionarons, [C.B.B.]
18-09-1944: omgekomen a/b s.s. Junyo Maru;

25. Netto, Johan Frits,
Paramaribo: 01-22-1895, sgt. M.L.;
18-09-1944: omgekomen a/b s.s. Junyo Maru;
contactadres: AC Netto, Tjimahi; [inv. no. 443]

Pleisner, Julius Frederik Anton,
[Paramaribo]: 21-01-1889, Sgt. Inf.;
28-08-1944: “Died of chronic nephritis and uremia...”, Main POW Camp of Malay, Singapore Island; [inv. no. 445]
Nederlands ereveld Pandu, Bandung;
[ogs.nl: overlijdensdatum 27-08-1944]
Ereveld Pandu Bandung. Foto Marcel van Beek

Prado del, Desiré Guillaume,
Paramaribo: 22-05-1907, sld.
Inf.;
moeder: IL Sillevolde / vader: JE del Prado; [C.B.B.]
18-09-1944: omgekomen a/b s.s. Junyo Maru;
contactadres: H. Del Prado, Bandoeng; [inv. no. 446]

Revoet, Frederik Willem Jaspus,
Paramaribo: 18-07-1899, mil.;
04-02-1945 overleden te Bandoeng;
Nederlands ereveld Pandu, Bandung;


Rietwijk, Johan Josef Klaas,
Paramaribo: 05-06-1908, Knr Art Knil.
vader: Alfred Leonard / moeder: Johanns, Wilhelmina Francis;
contactadres: AL Rietwijk, Paramaribo;
05-05-1944: “Died of malnutrition”, POW Camp Nong Pladuk. Nong Pladuk-Cemetery, Thailand; [inv. no. 447]

30. Robles de Medina, Jules Emile,
Paramaribo, 10-05-1901, Fuselier;
vader: Charles Hendrik Robles de Medina,
moeder: Esther Margaretha Lobato de Mesquita;
18-09-1944: omgekomen a/b s.s. Junyo Maru; [inv. no. 477]

Sof, Eugène Reinier,
Paramaribo, 10-06-1900, Ls Sld Tkl Inf Knil.
moeder: Sof, Johanna Christina;
Contactadres: n.b., Batavia;
17-05-1943: overleden aan “bacillary dysentery” te Kamp Maoemere, eiland Flores.
Nederlands ereveld Kembang Kuning, Surabaya;
[inv. no. 451]

Spreeuw, Willem Adolf,
Paramaribo: 10-08-1888, Beroepsluitenant Infanterie,
18-09-1944: omgekomen a/b s.s. Junyo Maru;
vader: Spreeuw, ThH / moeder: Bertner, JK;
contactadres: echtgenote mw Spreeuw-van Eldik, H;
[inv. no. 451]

Teunis, Max Anton,
Paramaribo, 17-02-1897, Kapt Adm Knil.
vader: JM Teunis / moeder: AR Spreeuw;
contactadres: mw Rayman, Batavia;
21-04-1943: “Died of acute enteritis”, POW Camp, Chungkai. Chungkai War Cemetery in de provincie Kanchanaburi, Thailand; [inv. no. 453]

Verhoeven, Johan Willem,
Paramaribo: 14-09-1912, Elt Vlg Wnr ML Knil.
vader: Gerardus, Johannes, Cornelis / moeder: Catharina, Johanna, Maria;
contactadres: mw Ch Verhoeven - Bruinsveld van Hulten, Soerabaia;
15-01-1943: omgekomen a/b s.s. Nitimei Maru (a.k.a. Nichimei Maru, voorheen Noors schip met de naam s.s. Alfred Nobel) die na aanvallen van Amerikaanse B-24 Liberator bommenwerpers is gezonken in de Golf van Martaban bij Birma.
Het schip dat naast 1562 Japanse soldaten ook 1.000 Nederlandse krijgsgevangenen en Indonesische dwangarbeiders vervoerde was 29 december 1942 uit Singapore vertrokken voor een reis naar Moulmein in Birma. Slechts 38 Nederlanders overleefden de ramp; [inv. no. 455]

35. Visser, Johannes Hendrik Julius,
Paramaribo: 07-01-1903,  Ls Sld Inf Knil.
04-07-1945: overleden op Hainan (Chinees eiland in de Zuidchinese Zee). Sai Wan War Cemetery te Hong Kong;
[inv. no. 456]


Harry Voss
Voss, Harry Frederik,
Paramaribo: 12-03-1912, Sgt Inf  Knil.
moeder: Henriette Cornelia Johanna La Rose,
vader : Wilhelm Fredrik Voss; [C.B.B.]
29-05-1943: geëxecuteerd door de Japanners in de Koetatjane gevangenis, district Atjeh op Sumatra.
1950 werd postuum voor zijn daden van “Moed, Beleid en Trouw” aan “Harry Frederik Voss Sergeant der Infanterie van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger 8 augustus 1950”, de Militaire Willems Orde 4e klasse verleend. (Ridders Militaire Willems-Orde sinds 1940)

Vries de, René Henry Jules,
Paramaribo: 05-08-1913, Ltz II KMR.
vader: Egbert Rudolf de Vries / moeder: Johanna Louise Vervuurt; (iwandevries.tribalpages.com / De Surinaamse de Vries Mishpoge)
Erawan National Park, Kanchanaburi,
Thailand. Foto Russavia
22-01-1942: omgekomen bij een nachtelijke landing van de Hr Ms Vliegboot X 21 (type Dornier Do 24K) die tijdens een evacuatievlucht van Soerabaja naar Balikpapan op de Soengai Riko Rivier bij Balikpapan op Borneo verongelukte.
De drie van de vier bemanningsleden die daarbij om het leven kwamen inbegrip van De Vries kregen een zeemansgraf.
1944 is hem postuum toegekend het “Vliegerkruis met Eervolle Vermelding, later vervangen door de Bronzen Leeuw”.  (onderscheidingen.nl);


Vrieze, Anton Christiaan Johannes George,
Paramaribo: 15-02-1888, Sgt Inf Knil.
19-10-1943: overleden aan “Amoebe Dysentary”.
Chungkai New Cemetery in de provincie Kanchanaburi, Thailand;


Walker, Wilhelm Hugo Richenel,
Paramaribo: 22-03-1898, Ls Sgt.
Knil.
vader: Johannes / moeder: Kate, Alida;
contactadres: FW Akker-Walker, Paramaribo;
26-06-1944: omgekomen a/b s.s. Harugiku Maru (a.k.a. Harugiku Maru 4, voormalig KPM-schip Van Waerwijck) die is gezonken in de Straat van Malakka door twee torpedo’s van de Britse onderzeeboot HMS Truculent (P 315 onder Lt. Commander Robert Alexander Love).
Het schip was op weg naar de Sumatra-spoorlijn met 1.174 geallieerde krijgsgevangenen waarvan 113 Nederlandse, 48 Britse en 12 Australische zijn verdronken. Daarna overleden nog 22 van de opvarenden “... aan de opgelopen verwondingen, longontsteking en uitputting”; (japansekrijgevangenkampen.nl); [inv. no. 457]

[wordt vervolgd]

Suriname en WO II: strijders in de Oost (1)

door William L. Man A Hing

De geschiedenis van Surinaamse migranten naar het vroegere  Nederlands-Oost-Indië geniet nauwelijks enige bekendheid. Door de interneringskaarten van de Japanse bezetter kan een duidelijk beeld worden verkregen van de lotgevallen van vroegere landgenoten in de periode van de Tweede Wereldoorlog. Persoonsgegevens uit de nasleep van de oorlog in de Bersiap-tijd zijn uit andere bronnen.
Het wegvoeren van veroordeelden die met touwen
 aan elkaar waren vastgebonden. De lokale
 bevolking liep uit om de executie bij te wonen (1946-47).

Young men go East
In de eerste decennia van de twintigste eeuw werden in Suriname door het moederland lokale krachten gerekruteerd, zowel voor een plaatselijke weermacht als ook voor het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger). Geschat wordt dat de ruim 200 Surinaamse personen die zich hadden aangesloten bij het KNIL ook naar de Oost zijn vertrokken. Van hen werd meer dan een honderdtal door de Japanse bezetter gevangengenomen en geïnterneerd in zijn beruchte kampen. Tien van de ruim vijftig omgekomen militairen staan reeds vermeld op het Nationaal Oorlogsmonument. Van het geringe aantal burgerslachtoffers wordt daar niemand genoemd.

Gevallen strijders
Opmerkelijke omstandigheden waaronder een aantal Surinaamse militairen het leven hebben gelaten:
a. vijftien man op Japanse helleschepen, waarvan een groep van tien man op de s.s. Junyo Maru;
b. acht man bij spoorwegaanleg in Burma en Sumatra;
c. elf man in Japanse gevangenkampen;
d. twee man als bemanningslid van een Nederlands oorlogsvaartuig;
e. een man geëxecuteerd.

Bij de burgers zijn de slachtoffers als volgt gevallen: twee personen (een man en een vrouw) in een Japans burgerkamp; een man geëxecuteerd; een man als bemanningslid van een Nederlands koopvaardijschip door een Duitse torpedo; een vrouw door bombardement van Japanse vliegtuigen.
De alfabetisch gesorteerde namen zijn in drie categorieën ondergebracht met vermelding van eventuele persoonsgegevens en laatste rustplaats.

I. Militairen die zijn omgekomen tijdens WO II:
1. Anijs, George,
Paramaribo: 08-10-1902, Adj. OnderOff.Instr.
moeder: Johanna;
contactadres: Mary Anijs-Balinge, Malang;
14-08-1944: “Died of blood poisoning and cardiac beri-beri”;
Batudua Village [Cemetery], Ambon; [inv. no. 417]
Banel, Willem Victor Gerard,
Paramaribo: 22-06-1900, AOOA.Inf;
(Paramaribo: 22-06-1903: ogs.nl)
vader: EA Banel / moeder: LM Bruin;
contactadres: echtgenote mw J Banel geb. Tan Ing Tioe Nio, Kampong Semanding, Gombong;
08-05-1944, “Died of cerebral hemorrhage”, POW Camp, Betung, Sumatra; [inv. no. 418]
(ogs.nl: overleden te Ketiau, Palembang)
Nederlands ereveld Pandu, Bandung;
Bazel van, Harry Julius Anton,
Paramaribo: 04-02-1895, res. Offgez. II,
contactadres: mej. H Van Bazel, Paramaribo;
18-09-1944: omgekomen a/b s.s. Junyo Maru,
[inv. no. 419]


Beekman, Julius Gerhard Eduard,
Paramaribo: 24-10-1890, Sld Ekl Inf Knil.
07-03-1942: overleden te Radjamandala;
Nederlands ereveld Pandu, Bandung;


Surinaamse soldaten in de Tweede Wereldoorlog
5. Boumann, Arthur Hendrik,
Paramaribo: 28-12-1909, Mil. Kpl Se KM.
moeder: Cordelia Celestine;
contactadres: Boumann-Cohen, Soerabaia;
07-09-1944: “Killed by Allied Bombing” at
No. 1 Branch Camp of Thai POW Camp, Thailand;
Kanchanaburi War Cemetery, Thailand; [inv. no. 421]
[C.B.B.: moeder: CCWilson; vader: JL Boumann]

Breet van, Leonard,
Paramaribo: 12-01-1902, Sgt Inf Knil.
vader: JR van Breet / moeder: JC Lochem;
contactadres: Zuster: HW van Huisduinen, Paramaribo;
03-06-1945: overleden te Pakan Baroe, Spoorlijn Sumatra; Nieuw Christelijk Kerkhof, Pakan Baroe; [inv. no. 422]


Claver, Jean Louis,
Paramaribo, 06-10-1904, Brig Inf Knil.
vader: Claver, Jean Louis / moeder: Claver, Louise, Petronella;
contactadres: J Claver, Paramaribo;
14-07-1943: overleden aan “dysentery and malaria” in POW Camp te Maoemere, eiland Flores.
Nederlands ereveld Pandu, Bandung; [inv. no. 424]

Duyfjes, Johan Ir.
Paramaribo, 19-06-1906, Res Elt Gi Knil. (geoloog);
vader: G Duyfjes / moeder: E Duyfjes-Hengeveld;
contactadres: G. Duyfjes, Bandoeng;
07-08-1943: “Died of malnutrition”, Wan Yai Camp, Thailand.
Kanchanaburi War Cemetary, Thailand; [inv. no. 426]


Eick van, Leo Ludwich,
Paramaribo: 19-04-1919,
18-09-1944: omgekomen a/b s.s. Junyo Maru,
vader: Eduard Cornelis / moeder: Sevelina van Lierop;
contactadres: EC van Eick, Djatinegara, Djawa; [inv. no. 427]
Noot:
Op 26 april 1940 werd bij Besluit van de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië aan de in Suriname geboren Eduard Cornelis Tjien-Fooh en zijn wettige nakomelingen vergund hun geslachtsnaam “Tjien-Fooh” te veranderen in die van “Van Eick”.

10. Elliot, Joseph David,
Paramaribo: 30-04-1888, Gep. Sgt.
Knil.
25-04-1944: overleden te Batavia Hosp.
Nederlands ereveld Menteng Pulo, Jakarta;

Enuma, Max Leo,
Paramaribo, 01-10-1905, Res Tlt Knil.
vader: Piet / moeder: Alegonda Jeanette;
contactadres: mw FAM Enuma, Semarang;
28-03-1943: “Died of Beri-beri”, POW Camp, Chungkai. Chungkai War Cemetery in de provincie Kanchanaburi, Thailand; [inv. no. 427]

[wordt vervolgd]

maandag 7 oktober 2013

Nederlands dekolonisatieproces ambitieus beschreven

John Jansen van Galen
door Walter Lotens

Op de cover van Afscheid van de koloniën worden twee geografische kaarten bij elkaar gebracht. Het zijn Indonesië en Suriname, twee voormalige Nederlandse koloniën. De eilanden die vroeger de Nederlandse Antillen heetten, staan er niet op, want daarvan heeft Nederland nog niet volledig afscheid genomen. In het Nederlandse koloniale rijk ging ooit de zon nooit onder: als bij de vuurtoren op de westpunt van Aruba het donker inviel, werd het op Nieuw-Guinea alweer licht en was ook in Nederlands-Indië al een nieuwe dag aangebroken.
De Nederlandse dekolonisatie duurt al meer dan zestig jaar en is nog altijd niet voltooid. Daarover heeft de Nederlandse journalist John Jansen van Galen Afscheid aan de koloniën geschreven dat eerst als academisch werkstuk bedoeld was, maar dat uiteindelijk en gelukkig voor vele lezers een journalistieke publicatie is geworden. Het is een monumentaal werk van meer dan 600 pagina’s over Nederlandse (de)kolonisatie geworden.

John Jansen van Galen (o.a. de Haagse Post, Het Parool, De Tijd, VPRO-radio) is vooral bekend als kroniekschrijver van meer dan veertig jaar Surinaamse geschiedenis. Kapotte plantage, een Hollander in Suriname (een verzameling zeer persoonlijk getinte artikels over Suriname), Hetenachtsdroom (over het Surinaamse nationalisme), Het Suriname-syndroom (over het beleid van de Partij van de Arbeid) en Laatste gouverneur en eerste president (over een biografie van Johan Ferrier, die voor en na de onafhankelijkheid in Suriname het hoogste ambt bekleedde, wat een unicum moet zijn in de wereldgeschiedenis) zijn de belangrijkste titels. Ook andere delen van het Nederlandse koloniale rijk bezocht hij uitvoerig en daaruit ontstond Ons laatste oorlogje. Nieuw-Guinea: de pax Neerlandica (over de diplomatieke kruistocht en de vervlogen droom van een Papoeanatie) en De toekomst van het koninkrijk (over de dekolonisatie van de Nederlandse Antillen).



“Een neger uit Zuremane!”

Voor zijn generatie die kort na de Tweede Wereldoorlog school liep - Jansen van Galen (°1940) groeit op in Velp, op de oostelijke Veluwe -, bestond alleen Nederlands-Indië. “En van Soekarno en de Indonesiërs wilden we kachelhoutjes maken,” riep hij samen met zijn schoolkameraadjes. In zijn voorwoord beschrijft hij de tijd van toen: “In de klas hing een prent aan de wand van een blanke militair, sabel opzij, die in de zonsopgang op zijn paard zit aan de rand van een sawah. Een Javaanse boer plant, beschermd door het koloniale leger, zijn rijst. We moesten de kaart van het tropische eilandenrijk uit ons hoofd leren, compleet met de snoeren van eilanden: Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores.” (p. 9) Ook ik, twee jaar jonger dan John Jansen van Galen, werd in die periode doordrongen van het kolonialisme maar dan in een Antwerps schooltje waar wij de kaart van Belgisch Congo moesten bestuderen.
De jonge Jansen van Galen hoorde natuurlijk ook over Suriname spreken. “Er komt een neger uit Zuremane!” jubelde een klasgenoot op een dag bij het uitgaan van de school en de volgende middag paradeerde door het handwerklokaal een zwarte man uit Suriname in een donker drieledig kostuum, die zichzelf ‘bosneger’ noemde en voordeed hoe hij een emmer water op zijn kroeskop kon dragen zonder een druppel te morsen.” (p. 11)



Journalistiek onderzoek

Jansen van Galen studeerde in 1965 af in de politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en ging al snel aan de slag als journalist. Zo bezocht hij in 1970 voor het eerst het rustige Suriname, vijf jaar voor de onafhankelijkheid. Hij zou er blijven komen en erover schrijven. Meer dan veertig jaar lang. Hij kent “Zuremane” als zijn broekzak en ook de Nederlandse Antillen waren hem niet vreemd. Hij keerde  zijn blik ook vaak naar de oostelijke rijksdelen van het Nederlandse koloniale rijk, met name Nederlands-Indië en Papoea Nieuw-Guinea.
Op het einde van zijn journalistieke carrière gaat John Jansen van Galen nogmaals de wetenschappelijke toer op en begint aan een dissertatie over de dekolonisatieprocessen bij de verschillende Nederlandse koloniën als guest researcher bij het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies verbonden met de Universiteit van Amsterdam. In 2011 komt het manuscript klaar, wordt na herwerkingen door de promotiecommissie goedgekeurd, maar ten slotte besluit de auteur er toch niet op te promoveren. Dat vermeldt Jansen van Galen terloops in zijn verantwoording achteraan, maar hij gaat niet dieper in op zijn beweegredenen. Dat is ook niet ter zake voor de geïnteresseerde lezer die met deze journalistieke benadering een zeer leesbare en unieke publicatie voorgeschoteld krijgt. Zijn uitgangsvragen voor het schrijven van dit boek waren legio: “Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West (Suriname) een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit land aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de toekomst van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?” (p.18)  Het boek is een zoektocht om de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse dekolonisatiebeleid te verklaren en vooral naar de hamvraag: deed Nederland het zo slecht? 


Drie lijvige delen

Afscheid van de koloniën is een beschrijving van het Nederlandse kolonisatiebeleid tussen 1942 en 2012 en bestaat uit drie lijvige delen die chronologisch zijn opgebouwd. Om te weten hoe Nederland zijn koloniën is kwijtgeraakt, moeten we eerst weten hoe de Nederlanders er aan gekomen zijn. Dat doet Van Galen in deel I ‘Het ontstaan van het Nederlands wereldrijk’. Zoals ook in de twee volgende delen maakt de auteur een zeer brede schets van de ontwikkelingen zowel in de oostelijke als westelijke Nederlandse rijksdelen, wat hem in staat stelt de grote verschillen tussen die twee werelden te duiden. In de Oost hadden de Nederlanders te maken met hoogontwikkelde culturen waar in de jaren dertig van vorige eeuw al zestig miljoen mensen woonden. De Caraïbische eilanden en Suriname aan ‘de wilde kust’ daarentegen waren zeer dun bevolkte gebieden - minder dan een half miljoen inwoners - waar ook veel minder kolonialen woonden. In de Oost volgde Nederland een beleid van associatie, terwijl in de West-Indische kolonies assimilatie van de bevolking nagestreefd werd. “Het zou te arbeidsintensief en kostbaar zijn om de bevolking van Nederlands-Indië – bijna dertig miljoen zielen – in de westerse geest te scholen. De massa wordt daarom in haar eigen, traditionele levenssfeer gelaten. Jansen van Galen: “Zo wordt het idee van associatie geboren uit praktische overwegingen, maar ook ligt er waardering, respect een soms ontzag voor inheemse cultuur en religie aan ten grondslag.” (p. 142) Ook op het vlak van taalgebruik is de aanpak anders. Terwijl in de Oost het Maleis, ontstaan als mengvorm van lokale talen, de lingua franca wordt, is dat in Suriname het Nederlands. Nederlands-Indië was ‘de kurk waarop Nederland dreef’ terwijl de Nederlanders de kwijnende gebieden in de West liever kwijt dan rijk waren. “Dat kan voor een deel verklaren waarom Nederlanders zo moeilijk en met zoveel pijn afscheid namen van Indië en zo gemakkelijk, zonder wroeging, van Suriname, en waarom zij ook vandaag nog maar al te graag afscheid zouden nemen van de Antilliaanse eilanden,” besluit de auteur.

Kruithuis Nieuw Amsterdam. Foto H. Sevenoaks

In deel II beschrijft Jansen van Galen de ondergang van het Nederlandse imperium. De Tweede Wereldoorlog heeft, zoals overal ter wereld, ook het dekolonisatieproces van het Nederlandse imperium versneld. Daarvan was zich ook koningin Wilhelmina bewust en daarvoor verwijst Jansen van Galen naar haar historische radioredevoering vanuit Londen op 7 december 1942.  De koningin verklaarde in haar toespraak dat het in de bedoeling lag van de Nederlandse regering om na de bevrijding een rondetafelconferentie bijeen te roepen voor ‘gezamenlijk overleg over een voor de veranderende omstandigheden passende bouw van het koninkrijk’. Intentioneel wilde Nederland een geleidelijk dekolonisatiebeleid doorvoeren voor de oost, maar Soekarno stak daar een stokje voor door in 1945 eenzijdig de onafhankelijkheid af te roepen. Van Galen gaat uitvoerig in op de twee ‘politionele acties’ die in de jaren daarop volgden waarbij het Nederlandse leger geen geweld schuwde tegen de Indonesiërs. In Suriname liep het heel anders. De toenmalige regering-Den Uyl wilde na de afgang in Indonesië een voorbeeldige dekolonisatie realiseren en op de manier waarop dat in 1975 is gebeurd, valt volgens hem weinig af te dingen.

Sint Eustatius

In het derde deel van dit boek onder de titel “De ongewilde vestiging van een postkoloniaal koninkrijk” gaat Jansen van Galen uitvoerig in op de zes koloniën in de West - in feite gaat het om kleine eilanden in de Caraïben - die ofwel een status aparte hebben ofwel als een gewone Nederlandse gemeente worden beschouwd. Hoe moet het verder daar? Hoe moet het verder met de aanzienlijke groep postkoloniale immigranten die zich in Nederland hebben gevestigd? Naar schatting wonen er ongeveer 450.000 Indische Nederlanders, 330.000 Surinamers, 130.000 Antillianen en ruim 40.000 Molukkers in Nederland.

Geen eenduidige conclusie

Op het einde van zijn lange rit benadrukt Jansen van Galen dat hij niets voelt voor een moralistische benadering van schuldbelijdenis en zelfbeschuldiging. “Geschiedenis,” zo eindigt hij, “is nooit eenduidig.” En dat gaat volgens hem ook op voor het Nederlandse dekolonisatiebeleid: “Het is in Indonesië ontspoord in laakbare gewelddaden, heeft de Papoea’s achtergelaten met teleurgestelde verwachtingen en in Suriname, ondanks de beste bedoelingen, een begin van chaos geschapen. Maar ook heeft het geprobeerd in Indonesië een toekomstbestendige vorm van federalisme ingang te doen vinden, met het Statuut voor het Koninkrijk een postkoloniaal rijk op basis van gelijkwaardigheid geschapen en het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s tegen de klippen op verdedigd.” (p. 577)


Afscheid van de koloniën is een rijk boek en dat maakt het een recensent niet gemakkelijk.  Meer dan veertig jaar kennis én journalistieke ervaring op het terrein laten zich niet in enkele regels samenvatten. Het dekolonisatieproces dat hij beschrijft is niet alleen het resultaat van veel studie maar ook van veel persoonlijk beleven. Voor dat laatste putte hij uitvoerig uit eerder werk, dat hij naadloos weet in te passen in het groter historisch geheel. Afscheid van de koloniën is een ambitieuze onderneming van een gedreven journalist die naar mijn smaak cum laude in zijn opzet is geslaagd. Daarom is het jammer dat er een schoonheidsfoutje is blijven staan: de Parijse Commune dateert immers niet van 1891 (zie p. 98) maar van 1871, maar dat doet natuurlijk niets af aan de waarde van dit werk dat misschien gelukkig niet in de academische sfeer is blijven hangen, want door de zeer goede journalistieke pen van de auteur zal dit werk veel meer lezers aantrekken. Dat hoop ik althans.

John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën, Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen,2013, 606 blz, ISBN 9789025435301, prijs: € 44,95.