Posts tonen met het label Hilst Eddy van der. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hilst Eddy van der. Alle posts tonen

donderdag 20 februari 2014

Internationale Dag van de Moedertaal

Elk jaar wordt door de UNESCO op 21 februari de Internationale Dag van Moedertalen gevierd. Voor de UNESCO zijn talen het instrument om het culturele erfgoed levend te houden. Door de moedertaal in ere te houden, blijft de taalkundige en culturele traditie bestaan en wordt men zich meer bewust van de verschillen tussen de diverse mensengroepen, hetgeen moet leiden tot meer onderling begrip.

Ook dit jaar zal het Directoraat Cultuur van Suriname aandacht besteden aan deze dag. Het Thema van 2014, is ”de Mogelijkheden van de Surinaamse talen; gedichten en verhalen.”

De Afdeling Cultuurstudies van het Directoraat Cultuur nodigt u uit ook dit jaar de Internationale Dag van de Moedertalen te vieren.
Gerrit Barron (rechts) wordt geïnterviewd

Datum              : vrijdag 21 februari 2014
Tijd                  : 19.30-  22.00 uur
Plaats               : Self Reliance auditorium (ingang Heerenstraat)

De hoofdspreker dit jaar is de heer Eddy van de Hilst. Hij zal het hebben over mogelijke oorzaken waarom het correct spreken van het Sranan door velen als moeilijk wordt ervaren.

Gerrit Barron, zal de vooroordelen die er bestaan over het niet romantisch zijn van het Sranan bespreken en middels voordrachten de mogelijk demonstreren.
Er zullen ook verhalen en gedichten worden voorgedragen in het Surinaams- Javaans, de Inheemse talen en de Marrontalen.
Na de presentaties zal gelegenheid worden geboden voor het stellen van vragen.
In verband met organisatie van voorzieningen wordt u dringend verzocht u uiterlijk op 20 februari 2014 - bijvoorkeur per email - te melden met volledige naam en telefoonnummers bij: dir_cult@hotmail.com/

Voor nadere informatie  kunt u bellen naar het Directoraat Cultuur telefoon 520582 of 08602172.


zaterdag 26 oktober 2013

‘Unu taki Sranantongo bun, unu taki en na fasi’

door Jerry Dewnarain
Eddy van der Hilst

Het Sranan is de eerste Surinaamse taal waarvan de spelling werd geregeld. In 1960 bracht een commissie een advies uit met voorlopige regels. Deze regels werden in hetzelfde jaar in resolutievorm door de regering overgenomen. Er was echter binnen deze commissie een verschil van mening tussen taalkundigen en onderwijskundigen over de spelling van de /u/-klank. De eerste groep wilde het u-teken gebruiken, terwijl de tweede groep de tekencombinatie /oe/ voorstelde. In 1984 en 1986 zijn door de toenmalige minister van onderwijs spellingcommissies ingesteld voor het Sranan, het Sarnámi, het Surinaams-Javaans en het Kali’na (het Karaïbs). In 1986 resulteerden de rapporten van de eerste drie commissies in spellingresoluties. Het was de bedoeling dat de spellingen van de verschillende talen op elkaar zouden worden afgestemd. Daarom waren in de spellingcommissies leden van de ene commissie opgenomen in een andere. Eddy van der Hilst heeft met de verschijning van zijn boek De spelling van het Sranan. Hoe en waarom zo (2008) mijns inziens duidelijk het gebruik van de /u/-klank beargumenteerd en taalkundig uitgelegd. Intussen raakt het gebruik hiervan steeds ook meer ingeburgerd. Het schrijven en het spreken van het Sranan laat echter nog veel te wensen over. In dit boek behandelt Van der Hilst dus de spelling van het Sranan en hij ontrafelt vele spellingkwesties van het Sranan. Een mooi voorbeeld zijn de regels voor het aaneenschrijven van samenstellingen. Door zijn eenvoudige en duidelijke uitleg ebt Van der Hilst de willekeur in de schrijfwijze van de samenstellingen weg. Regels hoeven niet meer uit het hoofd geleerd te worden, hoe iedere samenstelling geschreven moet worden en de gebruiker van het Sranan is zelfs niet afhankelijk van een Sranan ‘Groene Boekje’ (p. 89/90).
 
Foto @ M1
In augustus 2013, vijf jaar na verschijning van zijn spellingboek voor het Sranan, geeft deze Sranankenner een grammaticaboek uit van het Sranan: Taki Sranantongo bun. De grammatica van het Sranan deel 1. Volgens Van der Hilst heeft grammatica te maken met het wezen van de taal zelf. Het heeft te maken met hoe, in welke volgorde, de woorden aan elkaar geregen moeten worden en hoe zij uitgesproken dienen te worden om er een bepaalde betekenis aan te geven. Dus ook: welke volgorden en uitspraakwijzen verboden zijn of geen betekenis hebben. De zin ‘Mi na radyo wan nyun singi yere’ heeft geen betekenis, omdat de volgorde waarin de woorden aan elkaar geregen zijn, niet voldoet aan de door de Sranan grammatica voorgeschreven regels. De grammatica van het Sranan zegt immers dat de volgorde van een zin is: eerst de handelende persoon, dan wat er over de persoon meegedeeld wordt, dan wie of wat daar direct bij betrokken is en dan de bepaling van plaats ingeleid door het woordje ‘na’. Wordt deze volgorde gebruikt, dan ontstaat de zin: ‘Mi yere wan nyun singi na radyo.’ De volgorde voldoet nu aan de grammaticaregels van het Sranan en dus heeft de zin een betekenis. De grammatica is het geheel van regels van de taal zelf en dat zit in de hoofden van de moedertaalsprekers. Moedertaalsprekers passen deze regels automatisch toe. En omdat alle moedertaalsprekers dezelfde regels in hun hoofd hebben en gebruiken, kunnen ze elkaar verstaan.
De grammatica van het Sranan beregelt onder andere ook samentrekkingen. In het Sranan worden bij het spreken de woorden samengetrokken. Dit is geen kwestie van slordigheid of luiheid. In het Sranan hebben de samentrekkingen vaak een grammaticale functie, waardoor zij dus verplicht zijn. Over het algemeen geschiedt het samentrekken van twee opeenvolgende woorden door de eindklinker van het eerste woord en de beginmedeklinker van het tweede woord te laten wegvallen en de woorden zo tot een nieuw klankgeheel samen te voegen. De klinker van de zo ontstane nieuwe lettergreep wordt nu dubbeltoppig uitgesproken (p. 20/21). Dit is noodzakelijk om de hoorder aan te geven dat er iets is samengetrokken. Als door het wegvallen van de eindklinker een woord op een ‘n’ eindigt, betekent dit dat deze ‘n’ de beginklinker van die lettergreep is geweest en de klinker daarvoor een orale klinker is. Bijvoorbeeld: ‘A dagu ben wani beti mi’ wordt samentrokken als /A dagu ben wan bet mi/

Dark boy. Foto @ Nicolaas Porter

Van der Hilst werkt in zijn benadering van de spelling en grammatica van het Sranantongo duidelijk van binnenuit. Het zou totaal verkeerd zijn om een andere taal als uitgangspunt te hanteren, zoals vaak de Nederlandse grammatica wordt aangehouden om het Sranan op te toetsen. Wie dat doet belandt zonder meer op een dwaalspoor! Zo worden de bepalingen van plaats aan het eind van de zin geplaatst, voorafgegaan door ‘na’: ‘?Anita e wasi den krosi gi yu na yu oso.’ We zien dat de bepaling van plaats ‘yu oso’ is en door ‘na’ wordt voorafgegaan (p. 63). In dezelfde zin zien we ook dat het vraagteken (askimarki) vóór de zin is geplaatst. Dit leesteken wordt slechts bij de vraagzin zonder vraagwoord gebruikt en het staat vóór de zin of het zinsdeel dat de vraagintonatie krijgt (p. 33).
Kortom, Taki Sranantongo bun. De grammatica van het Sranan deel 1 is een duidelijk boek voor hen die het Sranan willen leren. Maar het is ook voor de Sranan moedertaalsprekers en voor hen die deze taal als tweede taal bezigen en de achtergronden van bepaalde grammaticale constructies willen leren kennen, begrijpen of verbeteren!

Eddy van der Hilst: Taki Sranantongo bun. De grammatica van het Sranan deel 1. Paramaribo: Suriprint N.V, 2013. ISBN 978-99914-7-237-9


donderdag 22 augustus 2013

Fri Vrijheid Freedom Gedichten rond 1 juli


door Jerry Dewnarain

Poëzie is kunst en kunst is kunstigheid en kunstigheid is vakmanschap, dat voorop. Maar poëzie biedt ook schoonheid en - waarom niet - troost. Voor het verleden is poëzie een onschatbare informatiedrager, omdat ze momenten en attitudes, in schuld en onschuld, vastlegt, zoals de periode van de slavernij of de strijd om freedom (vrijheid) op elk gebied. Voor het heden is ze een bezweerder van angsten, een aanjager van dromen, een opwekker van doden, een magazijnbeheerder voor de mensen van morgen en overmorgen.

Foto © Nicolaas Porter

Fri Vrijheid Freedom Gedichten rond 1 juli is een dichtbundel samengesteld door de Commissie ‘Jaar van de Surinaamse poëzie’. De bundel is uitgegeven in juli 2013 door de Schrijversgroep ’77. De gedichten zijn voor mensen die van mening zijn dat een vaderland, een volkslied en een vlag (bijvoorbeeld op het omslag van een dichtbundel) alles met zelfbewustzijn of identiteit te maken hebben. Voor hen die een andere mening hebben, zijn de meeste van de tweeënzeventig bladzijden die de dichtbundel telt nutteloze pagina’s. Voor mensen die van mening zijn dat een geloof of hoop alle raadsels en verscheurdheden voor hen zal oplossen, is Fri... wellicht poëzie met begrijpelijke zinnen.

Identiteit ontleent men voor een groot deel aan zijn taal. De taal is een waardevol ijkpunt voor een gedeelde belevenis en een gedeeld geheugen. Taal is het domein van dromen, taal is wat je moeder je meegaf. Als de taal de ziel is van de identiteit, en dat is de taal voor een groot deel, en als de poëzie de ziel is van de taal, en dat is ze, dan is uiteindelijk de poëzie datgene waar het voortbestaan van eigen cultuur mee staat en valt. De kracht van de taal als bindende factor is enorm.

Freedom. Foto © Miss Reed

Fri... telt 48 gedichten waarvan de meeste, vijfentwintig, in het Nederlands zijn geschreven. Tien in het Sranan, zes in het Engels, twee in het Surinaams-Javaans en één gedicht in de talen Sarnámi, Saramakaans, Aukaans, Hindi en het Spaans. De diversiteit aan talen in de dichtbundel is te danken aan het ‘Vrijheid-Libertad project’ van de Nederlandse dichteres Marion Bloem. In 2011 nodigde zij geïnteresseerden uit de hele wereld uit om vertalingen van haar gedicht (pp. 24 en 25) te maken. In Fri... zijn de vertalingen van het gedicht van Marion Bloem in de Surinaamse talen te lezen. Het ligt aan de lezer om te beoordelen welke vertaling het gedicht van Bloem het best benadert, een gedicht vol tegenstrijdigheden over het begrip ‘vrijheid’.

De gedichten hebben als thema ‘Vrijheid’, maar wat is vrijheid? Vrijheid beleeft eenieder op eigen wijze. Dit merken wij ook aan de gedichten in deze bundel. Elk gedicht uit op eigen manier de beleving van vrijheid. Enkele voorbeelden: ‘Vrijheid is de ultieme vorm van laten gaan/ Wanneer je de kunst verstaat om los te laten ben je onaantastbaar/ Angst om verlies is er niet meer/ Geen gebondenheid in vlees en bloed’ (p. 50). Vrijheid is in deze strofe het loslaten van bijvoorbeeld een geliefd persoon die er niet meer is. En dan: ‘Ik ben bevrijd/ Gesjouw van al die ballasten/ Vaker bezocht door de ongewenste gasten/ Ik kan nu mezelf zijn’... (p. 12). Vrij zijn van alle hebi’s en ongewenste gasten bezorgt deze persoon een vredig leven zonder pijn. Vrijheid kan ook op een hoger niveau worden bereikt: ‘Draag mij/ in armen van warmte/ hef mij/ op handen van licht/ voer mij/ op golven van stilte/ naar de zee van liefde/ waar vrijheid is’... (p. 38). Goddelijke liefde kan ook zorgen voor een andere vorm van bevrijding: geestelijke bevrijding. De meeste gedichten gaan over de letterlijke betekenis van vrijheid, namelijk wanneer iemand de vrijheid wordt geschonken. Niet verrassend, want de voorflap van de bundel geeft immers aan dat het gedichten betreft rond 1 juli: ‘Slavernij.../ [...] Kettingen om armen en benen/ De zichtbare tekens/ Men was niet vrij om te gaan en staan/ Niet vrij om te denken/ Of een eigen mening te hebben’ (p. 40).

This is what I call courage. Foto © G. Nash


Dit maakt de bundel in zijn geheel nogal cliché. De meeste gedichten ontbreekt het aan originaliteit. Of hoe je er tegen aankijkt, want poëtisch zijn sommige helemaal niet, maar eerder proza: ‘Verschillende volkeren kwamen.../ Gekneveld, geboeid of op contract/ met hun geestelijke bagage/ cultuur en eigen taal./ Ze kregen in ’t nieuwe land/ identiteit en onderdak.// In deze Babylonische spraakverwarring/ leerden ze elkaar accepteren/ met plussen en minnen./ Konden ze elkaar tenslotte verstaan/ in een Surinaamse taal.’ (p. 43) Deze strofen zijn meningen of stukjes geschiedenis die net zo goed proza kunnen zijn. In een goed gedicht heeft de taal altijd iets bijzonders, is beeldend, of is keihard, of raadselachtig, enzovoort. Ook is er een gedicht dat wel poëtisch genoemd mag worden, maar helemaal niet bij het thema van de bundel past. ‘’k Heb een vrijheid ervaren/ in het diepst van een droom/ toen ‘k, de armen gespreid/ en het hoofd geheven/ zonder schaamte mij overgaf/ naakt, aan de zee/ die ons meetrekt, opneemt/ en wiegt tot wij schoon zijn...’ (p. 39). Misschien had de redactie op moeten letten en duidelijker aanwijzingen moeten geven over de doelstelling en het thema van de bundel.

Jozef Slagveer. Fotoportret door Nicolaas Porter
Jozef Slagveer (1940-1982) benadert - vind ik - het thema het best in Fri.... Daarom kies ik zijn gedicht uit deze bundel voor aparte bespreking. Slagveer heeft overigens ook nog een eigen interpretatie over wat een gedicht is (zie het gedicht hieronder). Poëtisch gezien is ‘Ik ben vrij’ (p. 18) ook een mooi gedicht. Er is onder andere sprake van metrum en ritme al in de eerste strofe: ‘Dit is mijn laatste wens/ De vrijheid te betasten/ Oprecht te kunnen zeggen/ Ik ben vrij’. De regelmatige afwisseling van beklemtoonde lettergrepen in deze strofe is duidelijk. Deze lettergrepen zijn soms sterk beklemtoond en soms weer zwakker. In strofe twee wordt de vrijheid verweven met het eenheidsgevoel wat de andere gedichten in deze bundel niet hebben. ‘Ik ben vrij/ Ik ben Surinamer/ En geen neger/ Geen hindustaan/ Maar kind/ Van dit land/ En geen slaaf’. Het gaat de dichter hier om het Surinamer zijn, zonder onderscheid te maken in ras of verschil in historisch verleden. De dichter is eindelijk vrij, omdat hij zich als kind van het land voelt, overal bij hoort. Hij zit niet met verbitterde gevoelens die te maken hebben met zijn verleden.
...de tepels van Suriname... Foto © Raúl Neijhorst

De meeste gedichten in Fri... wekken bij mij wel dat gevoel op. Ook staan ze op zichzelf. Ze zijn individualistisch. Het collectivisme ontbreekt en dat is ook belangrijk om je vrij te kunnen voelen, vooral als de meeste gedichten in Fri... aangeven dat men eeuwenlang onderworpen is geweest. In de derde strofe kijkt de dichter naar de toekomst. Hij heeft het verleden losgelaten en heeft een plan met zijn land: ‘Ik ben vrij/ Om de tepels/ Van Suriname/ Te beschermen’. Een betere metafoor dan ‘tepels’ kon Slagveer mijns inziens niet bedenken. De meest voor de handliggende interpretatie is het grondgebied, maar ze kunnen ook verwijzen naar de Surinaamse bodemschatten of de multiculturele samenleving. De wens om vrij te zijn wordt in de laatste strofe bestendigd: ‘Neem mijn rijkdom/ Papier en pen/ Mijn vrouw - / Maar laat mijn/ Laatste wens zijn/ In a nen foe mi afo/ De vrijheid te betasten/ Oprecht te kunnen zeggen/ Ik ben vrij/ Ik ben Surinamer.’ Dit gedicht stamt uit een periode toen Suriname nog een Nederlandse kolonie was, maar hard op weg was naar het verwerven van zijn zelfstandigheid (eind jaren zestig). Ik vind het knap van de schrijver dat hij in zijn gedicht behalve het thema vrijheid óók het eenheidsgevoel tussen de verschillende bevolkingsgroepen probeert aan te wakkeren. Een mooi voorbeeld voor eenieder die echt vrij wil zijn in een multicultureel land als Suriname! 

Volgt nog een gedicht van Jozef Slagveer. Dat gedicht gaat over wat het voor Slagveer zelf betekent:

powema


pe wortoe e kaba 
pe dronlofroe e tapoe
dape mi powema
e bigin foe waka

pe man nanga oema
e brasa makandra
skin nanga skin
de swari libi
dape mi powema
e bigin foe taki

powema na libi
èn moro lek dati

[bron: www.dbnl.org]


gedichten



waar woorden ophouden
waar het geroffel van de drums stopt
daar begint mijn gedicht
zijn verhaal

waar man en vrouw
elkaars lichamen omarmen
en het leven leven
daar begint mijn gedicht
te spreken

gedichten zijn het leven
en meer dan dat


[vertaling: Eddy van der Hilst]


zaterdag 17 augustus 2013

Discussies en leermomenten bij presentatie Sranantongo grammatica

door Donovan Mijnals

Paramaribo - Rechtvaardigen van foutief Sranantongo spreken en schrijven wordt steeds moeilijker. Woensdagavond presenteerde linguïst Eddy van der Hilst zijn grammaticaboek Taki Sranantongo Bun in Tori Oso. Daardoor hebben diegenen die de Surinaamse taal willen bezigen een leidraad waar ze zich aan kunnen vastklampen. Volgens Van der Hilst zijn nu misschien wel de cruciale stappen gezet om het Sranan op school te kunnen onderwijzen. Hij maakt zich echter geen illusies en beseft dat daarvoor ook de leerkrachten intensief getraind zouden moeten worden. “De taal wordt nu krakkemikkig gesproken omdat het vooral vroeger verboden was om thuis Sranan te spreken,” verduidelijkt hij.

Anne-Marie Sanches in gesprek met Eddy van der Hilst (r) tijdens de presentatie van zijn boek.(Foto: Stefano Tull)

Hij blijkt aangenaam verrast met de opkomst voor zijn boekpresentatie. "Ik vind het wel belangrijk dat mensen kennelijk interesse hebben in de taal. Zo heb ik dus ook een heleboel dingen kunnen verduidelijken." Bij de presentatie bestond namelijk ook de gelegenheid om in discussie te treden met de auteur en verschillende aanwezigen maakten daarvan gretig gebruik.

Fidelia Graand-Galon met haar warme hart

Een van de aanwezigen in Tori Oso, die van die discussies genoot was Fidelia Graand-Galon. Ze is Ambassadeur van Suriname in Trinidad and Tobago en steekt niet onder stoelen of banken dat ze de taal een warm hart toedraagt. "Voor mij zijn de discussie positief, omdat er ook aanvullingen zijn gekomen en leermomenten", vindt ze. Onlangs zorgde ze ervoor dat Van der Hilst ook op het Caribisch eiland Sranantongo lessen kon verzorgen. Daar zijn ze er zo enthousiast over dat hij jaarlijks terug zal moeten.
"Voor toerisme is het ook goed dat ze de taal kunnen spreken wanneer ze het land aandoen. Ook al is het niet vloeiend", legt de diplomaat uit. Maar ook collega diplomaten staan te trappelen om de taal te kunnen leren, onthult Graand-Galon. Door deze 'regelgeving' wordt die overdracht aan vooral buitenlanders ietwat vergemakkelijkt.

[uit de Ware Tijd, 17/08/2013]

dinsdag 13 augustus 2013

Sranantongo regelgeving in boekvorm gebundeld

door Donovan Mijnals

Paramaribo - Eddy van der Hilst heeft zijn strijd tegen beweringen als zou Sranantongo slechts een warrige taal zijn, opgevoerd. Morgen presenteert hij officieel het ultieme bewijs dat Surinames meest gebruikte taal wel degelijk regels heeft. Dan presenteert hij in Tori Oso zijn boek Taki Sranantongo Bun: De Grammatica van het Sranan deel 1. “We moeten af van de fa a go, a go mentaliteit wanneer we onze eigen taal bezigen”, stelt de linguïst resoluut.
Sylvie van der Vaart

Grammatica van binnenuit
Hij stoort zich er mateloos aan dat er tot op heden mensen zijn die vinden dat Sranantongo geen grammatica heeft. "Iedere taal heeft een grammatica anders kun je elkaar niet verstaan en nu de regels, die in alle moedertaalsprekers hun hoofden zitten, op papier gezet zijn kan een ieder ze toepassen." De basis voor dit boek begon al decennia geleden. De taalgeleerde startte zijn onderzoek al in de jaren zeventig van de vorige eeuw. In die periode studeerde hij onder leiding van professor Jan Voorhoeve, die in Nederland de basis legde om de Surinaamse taal te bestuderen. Eerder resulteerden de studies van Van der Hilst al in een spellingboek voor het Sranan.

De taalkenner benadrukt dat het verkeerd zou zijn om bij de grammatica van een taal, een andere taal als uitgangspunt te nemen. "Wat ik in mijn boek heb geprobeerd te doen is de grammatica van binnenuit te beschrijven. Ik heb dus niet het Nederlands gebruikt om de regels van Sranantongo samen te stellen", verklaart hij. Zijn mentor stelde immers dat het bestuderen van de grammatica van een taal noopt tot uitsluiting van elke andere taal. "Anders geraak je op een dwaalspoor." Door zich aan die stelling te houden, ontdekte Van der Hilst onder meer dat anders dan bij andere talen het Sranan nagenoeg geen uitzondering op de regels bevat.



Samenleving
De Sranantongokenner beklemtoont dat hij met het boek niet zijn eigen mening opdringt. Hij heeft zich gedurende lange perioden laten omringen door moedertaalsprekers. "Geen mensen die Sranantongo vermengen met allerlei andere talen en Nederlandse grammaticale regels." En ook bij het maken van nieuwe woorden in die taal laat hij zich leiden door suggesties uit de samenleving. "Per slot van rekening is het uiteindelijk de samenleving die de regels zal accepteren of verwerpen."
Een tweede deel van het grammaticaboek is nu al in gevorderde staat, maar is nog niet helemaal af. "De tekst is al klaar maar er is daaraan nog een heleboel hoofdpijn aan lay-out en drukklaar maken verbonden", lacht hij. Vooralsnog is het eerste deel bij verschillende boekhandels te verkrijgen.

[uit de Ware Tijd, 13/08/2013]


zondag 11 augustus 2013

Nieuw grammaticaboek Sranantongo

Eddy van der Hilst
Op woensdag 14 augustus a.s. wordt in Tori Oso een nieuw grammaticaboek van het Sranantongo gepresenteerd,. Het is van de hand van Eddy van der Hilst en de titel ervan luidt: Taki Sranantongo bun [Spreek correct Sranantongo] (De grammatica van het Sranan, deel 1).

Datum: 14 augustus 2013
Tijd: 20.00 uur, deur open 19.30 uur

De uitnodigingstekst in het Sranan luidt:

Mi teki en leki wan bigi grani fu kari yu kon na a pristeri fu a nyun buku fu mi nanga a nen:
Taki Sranantongo bun (De grammatica van het Sranan, deel 1)

Dey:  dridewroko 14 agusto 2013, Presi:  Tori-oso, Yuru:  8.00 yuru mofoneti, Doro e opo: 7.30 yuru mofoneti

zondag 3 maart 2013

Papa Koenders was zijn tijd ver vooruit

De enig bekende foto van J.G.A. Koenders


door Tascha Samuel


Paramaribo - Alles geheel in het Sranan, was de opzet van de Papa Koenders Neti die het erfgoed van deze taalpionier moest eren. Het bleek een zeer geslaagde opzet. De aanwezigen amuseren zich enorm, terwijl zij tal van oude ‘onbekende’ Srananwoorden oppikken. Het interactief programma en de vele tori's werken goed op de lachspieren. De achtertuin van Tori Oso is dan ook goed gevuld wanneer Eddy van der Hilst de spits afbijt door het levensverhaal van Koenders te vertellen. Naargelang de avond vordert, wordt het duidelijk dat Julius Gustaaf Arnout Koenders zijn tijd ver vooruit was.

Gevoelige snaar
Het eerste deel van de avond wordt gevuld met gedichten en agersitori's die Koenders publiceerde in het ala tu wiki koranti getiteld De schakel tussen school en thuis. Alvorens dat gebeurt, klinkt de krachtige stem van Marlene Tuinfort die tweestemmig sokopsalmliederen zingt met Hugo Gallant. Met veel gevoel declameert Tuinfort vele werken die een gevoelige snaar raken en zeker tot nadenken stemmen. Nyan mofo Adrian nanga en nekti Miriam is een kort tweespel gebracht door Rosanna Etnel-Lukson en Romeo 'Oela' Leeds. De essentie van het verhaal is, dat je vooral jezelf moet zijn en het eigenen moet waarderen.

Woensdag wist Eddy van der Hilst tijdens de Koenders Neti in Tori Oso het publiek te boeien met de verhalen over Koenders, uiteraard zoals altijd vergezeld van zijn goede mati Parbo.  Foto: Donovan Mijnals.


Gedachte van vervloeking
Eén van de door Koenders geschreven stukken gebracht door Van der Hilst stelt, dat de zwarte man vervloekt is. "En inderdaad vervloekt is degene die meent vervloekt te zijn", stelde Koenders. Deze gedachte leef(de) toen zwaar onder de bevolking. Dit verzwakte de geest, het verstand en capaciteit van de zwarte mens. Koenders verzocht hen die gedachte van vervloeking uit te rukken te verbranden en voor alle zekerheid ook nog in de rivier te gooien. En om daarna de man aan te nemen die respect heeft voor zichzelf, opdat anderen hem zullen respecteren. Dit is slechts de simpele weergave, maar het verhaal op zich getuigt van de diepe gedachten van papa Koenders. Zijn gedichten roepen vooral op tot het kennen van het eigene en om er respect voor te hebben.
Een jonge Ruth Koenders speelt fluit

Miskenning
De kleindochter van de broer van Koenders is de bekende liedjesschrijfster Ruth Koenders. Zij geeft in haar presentatie aan, dat zij vooral miskenning ervaart voor haar muziek dat in het Sranan is geschreven. Alhoewel enkele van haar nummers topprijzen hebben gewonnen, worden zij niet door de lokale radiostations afgedraaid. Hooguit haar Suripop winners zoals 'Wi Srefi' en 'Yu na mi son' worden nog afgedraaid. Na de pauze wordt er werk van anderen gepresenteerd. Tegen de tijd dat de avond eindigt lijkt het alsof de aanwezigen niet weg willen. De sfeer zat er goed in en er wordt nu al uitgekeken naar een volgende Sranan neti. 

[naar de Ware Tijd, 02/03/2013] 

woensdag 6 februari 2013

Weinig middelen voor onderzoek en ontwikkeling Sranantongo

Eddy van der Hilst vermoedt dat door de geringe voorzieningen mensen het onderzoek naar en de ontwikkeling van het Sranantongo mijden. Hij benadrukt dat het onderzoek wel nodig is, omdat aspecten die met de taal te maken hebben, dreigen te verdwijnen. Foto: Donovan Mijnals.


door Donovan Mijnals 

Paramaribo - Sranan Akademiya kampt met een chronisch tekort aan mankracht. Bestuurslid Eddy van der Hilst denkt dat er heel weinig interesse is om een rol te vervullen in het instituut, omdat de financiële vergoeding te wensen overlaat. Sranan Akademiya houdt zich onder meer bezig met onderzoek naar het Sranantongo. “En daarvoor is er geen subsidie, dus het is eigenlijk liefdadigheidswerk”, legt hij glimlachend uit.

In de toon dringt de ernst van de zaak echter wel door. De organisatie wil namelijk ook verjongingen. Maar het gebrek aan interesse maakt het een haast onbegonnen taak. Op dit moment levert Van der Hilst een bijdrage op taalgebied, terwijl Celestine Raalte met poëzie hetzelfde doet. Rudi Spa ondersteunt in zijn vakgebied: muziek. "Maar er zijn veel meer dingen die gedaan moeten worden."

Er heerst eveneens een situatie waarbij een kleine groep alle activiteiten van de Akademiya coördineert. En juist dat moet volgens Van der Hilst veranderen. "We moeten naar een situatie toe van gespecialiseerde groepen. Het is volgens hem overigens onwaar dat de organisatie weinig doet. "Veel van onze activiteiten gebeuren binnenshuis. We zijn veel met onderzoek bezig en daar gaat veel tijd in zitten."

Doordat er zo weinig middelen tot beschikking zijn, komt het voor dat bepaalde aspecten uit de taal verloren dreigen te gaan. Zo merkt het bestuurslid vaak op dat odo's, de Sranan variant van spreekwoorden, verkeerd worden gebruikt. De odo heeft een speciale grammatica, anders dan de spreektaal. Daarnaast is het aan codes onderhevig in welke gevallen een odo gebruikt wordt. Veelal is het de oudere generatie Surinamers die zich nog precies kan herinneren hoe dat precies moet. "Den owru suma e dede gwe. We moeten snel wezen", benadrukt Van der Hilst de haast achter de situatie.

[uit de Ware Tijd, 30/01/2013]


vrijdag 10 februari 2012

Studenten Journalistiek verwerven kennis Sranantongo

De eerstejaarsstudenten Journalistiek ingeschreven bij de Academie voor Hoger Kunst en Cultuur Onderwijs (AHKCO), volgen sinds kort colleges in het Sranantongo, die verzorgd worden door Eddy van der Hilst, bestuurslid bij Sranan Akademiya (een gezelschap van personen, die zich beijveren om het Sranantongo te bestuderen en te propageren). Het gaat hierbij om twee gastcolleges, die de volgende week worden afgerond. Dit initiatief komt van de docent Creatief Schrijven en Taalvaardigheid in de Nederlandse taal, Henna Fung Loy. Dit vak richt zich hoofdzakelijk op het vermogen om de taal vaardig te hanteren (taalvaardigheid), de spelling, formulering en verder het schrijven van eigen producten door de studenten (creativiteit). Volgens Fung Loy is het voorstel voor deze lessen afkomstig van de ex-docent Nederlands aan deze academie Joan Muller. “Als aankomend journalist moet je soms ook wel een artikel in het Sranan kunnen schrijven. Het spreken is niet zozeer moeilijk, maar het schrijven wel”, benadrukt zij. Zelf heeft zij ook veel geleerd tijdens de sessies. “Ik dacht, dat ik veel wist over de taal”, zegt zij lachend. Over de studenten zegt zij, dat dezen zichtbaar enthousiast waren. “Aan de vragen was te merken, dat ze veel behoefte hadden aan de wijze, waarop je de taal schrijft en goed spreekt”, merkt zij op. Jennifer van Ewijk, eerstejaarsstudente op de opleiding, heeft de les als leerrijk ervaren. “Ik ben dingen te weten gekomen, die ik niet wist”, zegt zij over de schrijfwijze. Over het taalgebruik bij de opvoeding zegt zij, dat het spreken van het Sranan niet mocht van haar moeder. “Ik mocht geen Sranantongo praten, want mijn moeder vond het spreken van Nederlands bevorderlijk voor de schoolprestaties”, vult zij aan. Wandana Oedit, tweedejaarsstudente, die het eerste college ook heeft gevolgd, sluit zich aan bij de vorige spreekster. “Ik heb het als leuk en leerrijk ervaren. Het is niet zo gemakkelijk, een beetje ingewikkeld, maar toch kon ik het volgen. Ik moet eerlijk toegeven, dat ik een heleboel heb bijgeleerd, omdat ik qua Sranantongo niet zo sterk sta”. Ze besluit met te zeggen, dat de taal als vak ingesteld kan worden, “want 1 of 2 lessen zijn niet voldoende om de taal te beheersen”.

Voor Van der Hilst is het idee voor deze lessen prima bedacht. Hij vermeldt hierbij, dat er ongeveer 18 jaar geleden, voordat het instituut officieel geïncorporeerd werd, reeds lessen in het Sranantongo werden verzorgd door ex-docente Rellum, tezamen met het Sarnami en het Javaans. “Dit werd afgeschaft toen AHKCO officieel tot stand kwam”, gaat hij verder. Hij beschrijft de studenten tijdens de lessen als “enthousiast en verbaasd” en constateert verder, evenals Fung Loy, “een zekere mate van behoefte aan de schrijfwijze van de taal”. Daartegenover merkt hij op, dat niet alle studenten de taal machtig zijn. “Een deel kon mij bij het spreken goed volgen, een ander deel minder goed en de rest helemaal niet goed”, stelt hij vast. Over de taal in het algemeen stelt het bestuurslid, dat deze meer gesproken zou moeten worden. “Men gebruikt teveel hoge, geweldige Nederlandse woorden. Het gaat uiteindelijk om de informatie naar het publiek toe, waarom dan zulke moeilijke woorden en geen Sranan, wat een groot deel van de bevolking verstaat?”, vraagt Van der Hilst retorisch. Hij ziet ook graag een Sranantongo-versie van de lokale dagbladen “om ook de binnenland- en districtsbewoners, die het Nederlands niet machtig zijn, te bereiken”, besluit hij. Na het college kreeg elke student twee korte Nederlandse berichten uit een dagblad met de opdracht deze in het Sranan om te zetten. De docent Nederlands is voornemens om bij het aanstaand tentamen Spelling, enkele in het Sranan opgestelde zinnetjes te geven aan de studenten om het aangeleerde te toetsen.

In een besluit van 15 juli 1986, resolutie 4501, is de erkende spelling van het Sranan vastgelegd. De Sranan Akademiya is bezig met een onderzoek teneinde het Sranan als tweede voertaal in ons land in te stellen.

[uit De West, 9-2-2012]

Bovenste foto: @ Buku Surinamica; onderste foto: @ Anne Leussink

vrijdag 27 januari 2012

Prinses Ivana moet zelfbeeld Afro-Surinamers stimuleren

door Ruth Nortan


Paramaribo - Prinses Ivana, het prinsesje dat haar haren niet wilde kammen, is een sprookjesfiguur uit het debuutboek van Hilly Arduin. Het boek is niet per se geschreven voor het Afro-Surinaamse kind, maar voor elk kind. De Afro-Surinamer zal zich echter herkennen en identificeren bij het lezen van het boek, waarin onder meer het kroeshaar van de Afro-Surinamers een belangrijk thema inneemt.

Woensdag debuteerde vertelkunstenaar Hilly Arduin met haar eerste boek: Prinses Ivana het prinsesje dat haar haren niet wilde kammen. Het boek is een prachtige glossyuitvoering met illustraties van Gerold Slijngard. Arduin geeft de lezer een duidelijke boodschap mee: waardeer de schoonheid van de Afro-Surinaamse haardracht.



Hilly Arduin tijdens de presentatie van haar boek in Tori Oso.

Het begint bij het zelfbeeld

Arduin vertelde aan de hand van een anekdote over haar kleinzoon het zelfbeeld dat bij kinderen leeft. Fundamenteel moeten wij onze kinderen een juist en positief zelfbeeld bijbrengen. Daar begint het mee. Elk kind zwart, geel, wit of bruin is een prinses. “Ik riep mijn kleinzoon en zei: “Kom, ik ga je een leuk verhaaltje vertellen over prinses Ivana. Mijn kleinzoon keek naar het plaatje en zei: ‘Prinses Ivana is geen prinses, want ze is niet wit en ze heeft geen blond haar.'”

Precies daar begint het; wat leren we onze kinderen over hoe zij zichzelf moeten zien? Met dit boek heeft Arduin de toon gezet om meer waarde te hebben voor de eigen cultuur met name de haarcultuur (kroeshaar). Elk kind kan een prinses zijn. Eddy van der Hilst was gekant tegen het idee ‘prinses’, laat dat maar voor de witmans’, zei hij. Echter werd dit tegengesproken door een opmerking uit het publiek, dat er in Afrika ook sprake van was de Ashantikoning en zijn koninkrijk met daarin prinsen en prinsessen.

Gekoppeld aan de boekpresentatie was er ook een haarshow van zus Bena, waarin verschillende zeer kunstige kapsels werden gepresenteerd aan het publiek. Adoo tetey of tompu ook wel bekend als de motjo kumba was een van de blikvangers. Ook het trouwkapsel voor kroeshaar was prachtig en kunstig gemaakt door kapster Lilian. Stanley Slijngard ‘Sombra’ wist met zijn poëzie en agers’ tori’s menigmaal het publiek aan het lachen te brengen.

“Het illustreren van dit boek heb ik als een echte uitdaging gezien. Op basis van onderzoek naar de Afrikaanse cultuur heb ik binnen korte tijd de composities gemaakt. Verschillende bezoekers lieten zich positief uit over de prachtige, kleurrijke en mooie tekeningen die herkenbaar zijn en tot de verbeelding spreken."

[uit de Ware Tijd, 27/01/2012]

vrijdag 16 december 2011

Rudi Spa leidt Sranan Akademiya

Paramaribo - Na een lange inactieve periode heeft de Sranan Akademiya eindelijk een voltallig bestuur. De nieuwe voorzitter, Rudi Spa (foto rechts), noemt het een ‘alen sribi’ (Surinaamse omschrijving voor winterslaap) die de stichting heeft meegemaakt. Jarenlang stond ex-voorzitter Eddy van der Hilst er alleen voor om de organisatie te leiden.

De Sranan Akademiya die in 1983 officieel werd opgericht, stond voor het bevorderen van het Sranantongo, maar richtte later ook haar aandacht op het gebied van cultuur en de ontwikkeling van de eigen taal bij andere bevolkingsgroepen. Grondgedachte van de stichting verdeelt ‘fositen edeman’ van Sranan Akademiya, Hein Eersel, in drie colleges: wetenschap, cultuur en verspreiding van kennis. De introductie van het nieuw bestuur vond afgelopen woensdag plaats in Tori Oso. ‘Puwema uma’ Celestine Raalte deed een serie voordrachten uit haar nieuwste bundel Sapatiya, ‘dron man’ Henk Sako gaf een hoogstaande apinti performance en Eddy van der Hilst las een ludiek verhaal voor, geschreven door Ané (André Doorson).

In het filmpje gemaakt door Tolin Alexander vertelde Hein Eersel over het begin van Sranan Akademiya, dat ook een tijdje werd geleid door wijlen Hugo Overman. Van der Hilst, die later erbij werd gehaald als linguïst, leidde de organisatie vanaf 1988 tot twee dagen geleden. In de jaren tachtig werd de televisiecursus Skrifi Sranantongo verzorgd, maar van een Surinaams woordenboek is het tot heden niet van gekomen. Wel was het bestuur onder Van der Hilst er al ver mee gevorderd toen zij werd geconfronteerd met de moeilijke periode van SAP. Meer dan één baan, vertrek naar Nederland en het pro Deo werk, waren de gevolgen dat alleen Van der Hilst en Robert Wijdenbosch in het bestuur overbleven.

Laatstgenoemde kwam later te overlijden. In het nieuw bestuur komt Van der Hilst terug, maar dan als commissaris. De overige ‘tiri man’ en ‘tiri uma’ zijn: Helmut Gezius, Celestine Raalte en Rinaldo Tanawara. Voorzitter Rudi Spa noemde de punten waarop het bestuur zich de komende tijd wil gaan richten: radioprogramma, krant, kinderopstel en -gedichten, komediespel en verandering aan de negatieve teksten in de Surinaamse muziek. Hein Eersel geeft aan dat niet alleen in ‘alen ten’, maar ook in ‘drei ten’ het slapen kan gebeuren. “Dit is het jaar van de Afrikaanse Diaspora, grijp dit aan om te beginnen, maar begin niet aan een aantal projecten tegelijk,” liet Eersel weten. Hij gaf er de voorkeur om het ‘wortu buku’ (woordenboek) te hervatten. Hoewel de bevolking dagelijks Surinaams spreekt, weet niet iedereen dit correct te doen. Linguïst Van der Hilst: “Mensen denken teveel in het Nederlands, vanwaaruit ze het Sranantongo woord voor woord vertalen. Een spelling van een taal gebruiken voor een andere, dat kan niet!” Hij gaf een voorbeeld van verkeerd Sranantongo: ‘Mi si yu tap tv’. Vertaald betekent dit: ‘Ik heb je de tv zien dichtmaken.’

[uit de Ware Tijd, 12/12/2011; alle taalfouten rechtgezet]


zondag 27 maart 2011

Johanna Schouten-Elsenhout, ontrafeld door Eddy van der Hilst

door Christine Samsom


Op 8 maart jongstleden, de 100ste viering van de Internationale Dag van de Vrouw, werd in het perkje vóór het CCS-gebouw aan de Henck Arron-/Gravenstraat in Paramaribo een zogenaamd kopbeeld onthuld van onze bijzondere dichteres Johanna Schouten-Elsenhout (11-07-1910 - 23-07-1992), gemaakt door schilder/beeldhouwer Erwin de Vries. Direct nadat de prachtige mamio die het beeld bedekte, was verwijderd door voorzitter Eline Graanoogst van de Nationale Vrouwen Beweging (NVB) als initiatiefnemer, directeur Otto Ezechiëls van de Centrale Bank (CB) namens de sponsor, een achterkleindochter van de dichteres en de kunstenaar, ontstond er enige dyugudyugu rond Eddy van der Hilst en de wijze neerlandicus Hein Eersel. Oei, de spelling van het Sranan op de sokkel….! De fouten daarin maakten Eddy boos, nee, woedend! Maar dat was dan ook het enige minpuntje in het overigens gesmeerd verlopen programma dat aan de onthulling vooraf ging. Toespraken van de historica Mildred Caprino, de directeur van het CCS, Elviera Sandie, en de directeur van de NVB, Eugenia Velland-Uiterloo, werden op voortreffelijke wijze afgewisseld door gedichten van tante Jo: het prachtige ‘Mi Dren’, op muziek gezet door Romeo Kotzebue, gezongen door An Hensen, een ander gedicht gezongen door sisa Lisibeti Peroti die zichzelf begeleidde op een vingerpiano(otje), een voordracht door Celestine Raalte, alles aan elkaar geregen door Sieglien Spier. Sponsoring van kunst staat bij de CB hoog aangeschreven en met de financiering van het kopbeeld, werden volgens de heer Ezechiëls, de enige man die voor het voetlicht trad, dus twee vliegen in één klap geslagen: dichtkunst en beeldende kunst. Waarom werd gekozen voor 8 maart om het beeld te onthullen? De directeur van de NVB legde dat haarfijn uit: 8 maart is een strijddag: Zoals vrouwen 100 jaar geleden al streden voor hun rechten, een strijd die overigens nog lang niet voltooid is (we hoeven alleen maar te kijken naar het aantal vrouwen in DNA), zo streed Johanna Schouten-Elsenhout voor erkenning van het Sranan en van de afro-Surinaamse cultuur. Vorig jaar werd haar 100ste geboortedag herdacht en nu was ook de viering van 8 maart 100 jaar oud.

.


De onthulling van het kopbeeld van Johanna Schouten-Elsenhout is verricht door directeur van de Centrale bank van Suriname, Otto Ezechiels, voorzitter van de Nationale Vrouwen Beweging, Eline Graanoogst, een achterkleindochter van Schouten en de beeldende kunstenaar Erwin de Vries. Het kopbeeld is prominent geplaatst voor de Eddy Wessel gehoorzaal aan de Henk Arronstraat. (Foto: @ Claudio Barker)



Als er iemand is in Sranan die diep is doorgedrongen in de poëzie van Johanna Schouten-Elsenhout, dan is het Eddy van der Hilst wel, de grote man achter Sranan Akademya. Dat blijkt weer uit de publicatie van de brochure Close Reading van het gedicht “Winti” van J. Schouten-Elsenhout, een uitgave van de Henri Frans de Ziel Stichting, waarmee de Trefossa-lezing 2010, door Eddy van der Hilst op 15 januari 2010 gehouden, in druk is verschenen. De Stichting wil met de uitgave ‘bijdragen aan de vergroting van de toegang tot kennis van de Surinaamse literatuur’. Eddy publiceert al jaren op dit gebied. Hij studeerde linguïstiek bij Prof. Jan Voorhoeve in Leiden, Nederland, met wie hij de grote voorraad odo’s die Johanna had verzameld, ordende en in 1974 uitgaf onder de titel Sranan Pangi bij Bureau Volkslektuur: ‘Foe gi frantwortoe’. Toen werd de ‘u’ nog als ‘oe’ geschreven en djari in plaats van dyari. Hij was lid van de spellingscommissie die in 1984 werd ingesteld om de regering te adviseren ten aanzien van de spelling van het Sranan volgens moderne inzichten. In 1986 werd de spelling per resolutie vastgelegd. In dat kader verzorgde hij de t.v.-cursus Skrifi Sranantongo bun, leysi en bun tu die later ook in boekvorm verscheen (1988). Verder werd hem door het RK-bisdom gevraagd om samen met pater Roest een vertaling te maken van de bijbellezingen (Leysipisi fu den sonde nanga fesadey). In 1997 verscheen een nieuwe bijbelvertaling in het Sranan en voor de Ahmadiya moslims vertaalde hij Kor’anverzen. Als geboren docent geeft hij nu les aan de Schrijversvakschool (en ik spreek hier uit ervaring) en is hij bezig aan een grammaticaboek voor niet-Sranan sprekers. Aan wie is de uitleg van het gedicht 'Winti' dan ook beter toevertrouwd dan aan Eddy van der Hilst? Na het gedicht enkele keren te hebben voorgelezen en eventueel onbekende woorden te hebben verklaard, maakt hij, omdat de dichteres geen hoofdletters, komma´s en punten heeft geplaatst, een verdeling in 4 zinnen met een onderverdeling in hoofd- en bijzinnen. De 3 eerste zinnen beschrijven elk een situatie, de laatste zin een wens die te maken heeft met die 3 situaties. Dit maakt het lezen direct veel makkelijker. Elke zin wordt nu uitgebreid behandeld wat de inhoud betreft. En dan blijkt pas, hoe belangrijk het gebruik van elk woord is, ook lidwoorden, hulpwerkwoorden. We deinen vanaf Braamspunt (Branspen) zachtjes mee op de golfjes (plana), die slaapverwekkend (dyonko) klotsen tegen de oever bij de Marinetrap (Matros´broki). Maar middenin de rivier wacht ons een gevaarlijke draaikolk die ons meesleurt, de diepte in. Woorden als Gebre en dyodyo verwijzen naar de Winticultuur en daarmee naar een diep probleem in de Surinaamse samenleving. Het is de natie, the spirit of the nation, die vanuit Nederland (sewinti) in slaap is gesust ten koste van het gevoel van eigenwaarde. De dichteres heeft de overtuiging, uitgedrukt in de wens ´mi winsi wan nyun dey opo fesi´, dat een nieuwe dag aanbreekt, waarin het zelfrespect opbloeit. Het gedicht werd geschreven in de 60-ger jaren van de vorige eeuw, waarin ons een paradijselijk Suriname werd voorgehouden dankzij veel geld uit Nederland, ten koste van ons zelfrespect. Eddy eindigt dan ook met ons de vraag voor te houden, waar de titel Winti op slaat: Is het de winti die Suriname uit onderworpenheid danst voor de (ex-)koloniale heerser of is het de winti, ´de razernij …..die zou moeten uitbreken tegen deze vernederende onderwerping´.


Ik heb deze Close Reading met ontroering gelezen, niet alleen omdat ik er veel van geleerd heb als het gaat om de diepere betekenis van het Sranan, maar vooral ook omdat de uitleg zoals Eddy die geeft, effect zal moeten hebben op het volk van dit dierbare land, effect dat Johanna volgens hem zo vurig wenste.

woensdag 12 januari 2011

Borstbeeld Johanna Schouten-Elsenhout gereed

Het borstbeeld van Johanna Schouten-Elsenhout is helemaal af voor de locatie waar het moet komen te staan. Afgelopen vrijdag presenteerde kunstenaar Erwin de Vries thuis bij hem aan de Anton Dragtenweg in Paramaribo, het vers gegoten bronzen borstbeeld aan de pers en de Nationale Vrouwen Beweging(NVB).

In het kader van 100ste geboortedag van Johanna Schouten-Elsenhout, heeft de unit documentatiecentrum van de NVB een borstbeeld van de beroemde dichteres laten maken door Erwin de Vries.



Voor de kunstenaar was het geen makkelijk werk het beeld te boetseren. "Als je iemand niet persoonlijk hebt gekend is het moeilijk een borstbeeld van die te maken. Maar met de talenten en fantasie die ik heb, ben ik toch blij dat ik het heb kunnen realiseren, zodat men toch tevreden is", laat de kunstenaar weten.



De Vries weet wel dat het borstbeeld geplaatst wordt, maar waar dat precies zal zijn, weet hij nog niet. Het is verder de verantwoordelijkheid van de NVB waar het borstbeeld komt te staan. De vrouwen van de NVB vinden het zeer belangrijk dat geëmancipeerde vrouwen belicht worden en konden de 100-ste geboortedag van de dichteres niet ongemerkt voorbij laten gaan.

Siegmien Staphorst van de Nationale Vrouwen Beweging en Sranantongo-deskundige Eddy van der Hilst zijn twee belangrijke mensen geweest in het leven van Johanna. Van der Hilst vertelde aan de pers over haar talenten. "Johanna is een bijzondere grote dichteres geweest. Van haar is er geen tweede. Waarde en zelfrespect waren voor haar altijd op de eerste plaats. Wat ze ook altijd meegaf, was je cultuur en je taal hooghouden."

Johanna liet twee gedichtenbundels achter; Tide Ete en Awese. De naam Johanna Schouten-Elsenhout is nog steeds bekend op de scholen en in de bibliotheken in Suriname. Bij een bevolkingsconferentie in Den Haag in 1999 droeg Hillary Clinton het gedicht 'Uma' [Vrouw] uit de bundel Tide Ete in het Engels voor. Johanna overleed op 82-jarige leeftijd.

[bewerkt naar een bericht van Claudine Saaki uit de Ware Tijd, 10/01/2011]

maandag 29 november 2010

Schrijvers gedecoreerd

Vier schrijvers zijn bij gelegenheid van het 35-jarig bestaan van de Republiek Suriname gedecoreerd op 25 november 2010. Zij werden verheven tot Officier in de Ere-orde van de Gele Ster: S. Sombra, Celestine Raalte (foto links), Rappa en Michael Slory. Of de laatste zijn lintje nu wel is gaan ophalen, is nog niet vernomen. Toen hem in 1989 het Ridderschap in de Ereorde van de Palm werd toegekend, was zijn wantrouwen tegen de autoriteiten zo groot, dat hij niet kwam opdagen bij de decoratieplechtigheid.

Ook Sranan-taalkundige en vertaler Eddy van der Hilst kreeg op 25 november j.l. een decoratie.

zondag 10 oktober 2010

Tori Oso-avond over meertaligheid

Haast elke Surinamer is meertalig. Met het Nederlands heeft iedereen te maken in officiële situaties, daarnaast spreekt zowat iedereen Sranan en verschillende cultuurgroepen hebben een eigen moedertaal. Hoe hanteren we de verschillende talen? Hoe beïnvloeden de talen elkaar? Wat is de status van de verschillende talen en moeten we daar tevreden mee zijn? Welke richting moet het Surinaams taalbeleid op? Deze vragen kunt u met deskundigen en taalkunstenaars komen bespreken op woensdag 27 oktober 2010 in Tori Oso. O.a. Eddy van der Hilst en Hein Eersel, Srananexperts, zullen een inleiding verzorgen. Taalkunstenaars worden opgeroepen om de Surinaamse veeltaligheid te tonen op deze avond.

Info: 520513/ 8912005

zaterdag 24 juli 2010

Sranan schrijven

Skrifi Sranantongo bun!

door Ruth San A Jong


Als je denkt het Sranantongo te kennen of zelfs te kunnen schrijven, met enkel het doornemen van de vele spellingboeken die er liggen, dan zit je er net naast. Samen met veertien andere geïnteresseerden rolden we van de ene verbazing in de andere over de eenvoud en consequentie van de spelling van het Sranantongo in een workshop, vijf keer op donderdagavond. Stichting Bukutori was de organisator en Eddy van der Hilst, linguïst, degene die ons deze kennis bijbracht. Bij mij zou het woord gêne beter passen dan verbazing: waarom zou ik mij verdiepen in een taal waarin ik niet denk, niet schrijf, was immers mijn houding. In de supermarkt kan ik me nog behelpen met ‘omeni’ en ‘a furu’.

Tien jaar geleden kreeg ik van mijn grootmoeder een spellingboek in handen gedouwd, geschreven door Eddy van der Hilst. Ik stond erbij en keek er naar: het was compleet in Sranantongo geschreven. Door enkel mentale luiheid kocht ik de boeken van verschillende auteurs die het mij gemakkelijk maakten de taal te begrijpen, doordat ze in het Nederlands geschreven hadden. Ik heb het boek van Van der Hilst, Skrifi Sranantongo bun, leysi en bun tu, dan ook tot mijn beschaming laten liggen tot een maand geleden, toen we startten met de cursus.
Schrijven is het coderen van gesproken taal. Lezen is het decoderen van het geschrevene. Mijn kennis van het begrip taal is net zo naïef als het scheppingsverhaal. Op de basisschool worden je woorden en regels ingestampt en dat heet taal. Eddy weet als geen ander het begrip taal, maar meer nog Sranantongo in te leiden. Van elk woord werden de herkomst, de manier van samentrekken, de regels die daarbij horen fijn uitgekauwd. Dat het Sranan een analytische taal is, werd duidelijk toen Eddy het Nederlands naast het Sranan plaatste. Waar in het Nederlands (als synthetische taal) complexe handelingen gevormd worden door middel van voor- en achtervoegsels, worden die in het Sranantongo juist ontleed in hun samenstellende handelingen, bijvoorbeeld: het Nederlandse ‘wegbrengen’ wordt in het Sranan ‘teki tyari gwe’: nemen, dragen en weggaan. Geen ingewikkelde vervoegingen, geen verschillende meervoudsvormen, geen dubbele klinkers en dubbele medeklinkers (om aan te geven dat de klinker kort is). Hoe heerlijk zou het kinderleven zijn als we dat op de schoolbanken hadden.
Mijn aantal goed geschreven woorden werden met elke cursusavond minder. We kregen aan het begin van de avond een kleine repetitie. Tot ongeveer de tweede sessie is de betekenis van de woorden het enige waar de groep naar vroeg. We belandden in de derde sessie bij het o zo heikele punt: het gebruik van i en y in de diftong en welke spelling hanteren wij? Volgens de spellingresolutie van 1986 zouden de tweeklanken geschreven moeten worden met het teken van de orale klinker gevolgd door de ‘i’ of de ‘w’. Omdat er hierover in de spellingcommissie geen consensus bereikt kon worden en een stemming hieromtrent slechts gedeeltelijk plaatsvond, vroeg Sranan Akademiya aan de minister dit punt weer onder de aandacht van de commissie te brengen. Toen dit niet gebeurde en de spelling met de ‘i’ en de ‘w’ in de tweeklanken werd gepresenteerd en Sranan Akademiya de minister aan zijn belofte herinnerde, stelde hij dat hij dan de schrijfwijze van de tweeklanken voorlopig dan open zal laten.
De spelling van Sranan Akademiya zegt dat de tweeklanken met het teken van de orale klinker gevolgd door de ‘y’ of de ‘w’ geschreven moeten worden. Ook hier werden de twee spellingwijzen naast elkaar gelegd en gemotiveerd waarom. De groep is er gauw uit, we kiezen voor de ‘y’. Spijtig te constateren dat er beslissingen worden genomen op basis van het persoonlijke. Een ‘dyugudyugu’ tussen die commissieleden. Ik zal niet schrijven wie die commissieleden waren.
Tijdens de sessies betrap ik mezelf er steeds op (met mijn Nederlandse gedachten) onbewust de spellingregels van het Nederlands toe te passen op het Sranan. Conflict als gevolg! Ook hier blijkt de kundigheid van Van der Hilst: de logica van die spellingregels snap ik steeds meer. Gewoon toepassen. Consequent toepassen. Ik kan nu mijn innerlijke weerstand tegen die duizend regels van het Nederlands wel verklaren. En De Schrijfwijzer van Jan Renkema en het Groene Boekje en de Spellingwijzer liggen heel dichtbij mijn toetsenbord. Maar de woorden van Eddy: ‘We zijn niet met het Nederlands bezig! Houd je aan de regels‘, hoor ik nog steeds.

Het gegiechel en de kreten van herkenning tijdens de behandeling van de stof over klinkers en medeklinkers zijn er tijdens de vierde en vijfde sessie niet meer. De belangrijkste regel bij het schrijven van Sranantongo is dat het woord wordt geschreven zoals het in een geïsoleerde situatie wordt uitgesproken. Voluit dus: koniman. Bij het lezen echter hoor je de klinker i niet, net als bij het spreken. Bij het lezen moet namelijk op dezelfde manier samengetrokken worden als bij het spreken.

Dat het Sranantongo naast moedertaal ook lingua franca is, een bindmiddel voor Surinamers en Surinameliefhebbers, daar zijn we het allen over eens. Sranantongo in de schoolbanken? Daar ben ik bang voor. Toch durf ik die gedachte niet te verwerpen, hoewel het veel voeten in de aarde zal hebben. Voor moedertaalsprekers van het Sranan lijkt het een handig hulpmiddel om het Nederlands beter te begrijpen. Voor zover ik weet hanteren leerkrachten het Sranantongo, bij uitleg van bepaalde begrippen, vooral bij kinderen die het Nederlands thuis niet spreken. Het werkt tot nu toe wel.

‘Nu kunnen jullie het Sranantongo schrijven en lezen‘, zegt Eddy van der Hilst met een grijns op zijn gezicht. Aan het eind van de cursus gaan er evaluatieformulieren rond. Samenstellingen en samentrekkingen blijken het moeilijkst. Oefening baart kunst en dus probeer ik dapper aan het eind mijn dankwoord in het Sranantongo te spreken. ‘Mi wani taki masra Van der Hilst dank gi a gelegenheid disi...’ De groep onderbreekt mijn zware inspanning en buldert van het lachen. Eddy veegt het weg uit zijn oren. Ik heb nog een lange weg te gaan.


De illustratie komt van de Facebookpagina Mi wana [sic] taki Sranan

zondag 11 juli 2010

100 jaar Johanna Schouten-Elsenhout



Vandaag is het exact honderd jaar geleden dat een van de grootste dichters in het Sranantongo geboren werd: Johanna Schouten-Elsenhout. Bij dit eeuwfeest verschijnt een unieke uitgave: een bundeling van al haar gedichten, geannoteerd en in het Engels vertaald door France D. Olivieira onder de titel Awese/Light in This Everlasting Dark Moon. Awese betekent: Begeesterd. Het boek zal op woensdag 14 juli om 19:30 uur in het Tower Auditorium in Paramaribo ten doop worden gehouden.

Onder de titel 'Johanna Schouten-Elsenhout: "Niemand is profeet in eigen land"' verschijnt vandaag in De Ware Tijd literair het onderstaande opstel van de hand van Eddy van der Hilst:

Hipipi hurê! Hipipi hurê. Op 11 juli 1910 werd aan de Anniestraat een meisje geboren, dat de namen Johanna Isidora Eugenia kreeg. Haar vader was Johan Alexander Elsenhout, wiens vader, Johan Alexander Lowe, afkomstig was uit Guyana. Haar vader sprak Engels, hoewel hij in Nickerie geboren was zoals blijkt uit het gedicht 'Nickerie', regel 11: 'Pe gran-mma mek' mi papa fesi si son.' Haar moeder heette Gerarda Rosalina Triel, dochter van een ex-slavin.

Johanna was haar laatste kind en vaders lievelingetje. Hij verwende haar dan ook, maar kreeg daar niet veel gelegenheid voor omdat hij vaak op zijn goudconcessie aan de Lawa verbleef en later werkte als voorman van balatableeders op de Tafelberg. Maar eenmaal in de stad, vertelde hij haar 's avonds anansitori's.
De opvoeding van de kleine Johanna lag dus grotendeels in handen van haar moeder, die uitsluitend Sranantongo sprak. Haar opvoeding werd daarom met odo's begeleid. Ook de vele Sranan liederen, waaronder die van Sonde Prodo en andere straatzangers, leerde Johanna van haar moeder.

Sranan fesi

Na tongo di mi dringi
Na mama bobi
E kuku na ini mi ati
Fu bori tron
Wan krakti figabon
Nanga moy bradi grun wwiri
Fu tapu mi skin
Den bromki sa tron bun froktu
Fu pikin-nengre feni nyan
Na winti fu en
Sa broko mi yesi
M' 'a fu prisiri
Tongo di ben domru
Kibri someni yari na dosu
Lusu leki wan nyun frigi
Na loktu
Fu seti strey
Fu win' feti
Gi mi eygi kondre

Evenals haar zusters ging ze op school bij de soeurs aan de Gravenstraat, maar omdat zij zo knap was, hoefde zij niet met haar moeder mee om te helpen op het kostgrondje van de familie aan de Vredenburgweg. Zij bezocht de Louiseschool tot de laatste klas.

Toen zij 16 à 17 was, verliet zij het ouderlijk huis aan de Wagenwegstraat om op het erf van Hussain-Ali aan de Jodenbreestraat te gaan wonen. Op 6 december 1928 beviel Johanna van een tweeling: dochter Eugenia Olga en zoon Lucien Reinier Guillaume Elsenhout. Binnen 'n jaar stierf Eugenia. Het verdriet daarover is Johanna eigenlijk haar hele leven niet te boven gekomen. Het overweldigde haar zo, dat ze rond haar 23ste opgenomen werd in LPI. Tot op haar oude dag had zij Eugenia's dood niet verwerkt. Ze bleef steken in een soort ontkenning van haar dood: 'Ze hebben haar ontvoerd'. Op 1 maart 1931 beviel Johanna van haar tweede zoon, Rudie Ewald August Elsenhout.
.

Johanna had het financieel moeilijk. Om aan de kost te komen begon ze kleren voor schepelingen te wassen. Dit bracht haar weer in de prostitutie en zij belandde in het gezelschap van vrouwen als Maxi Linder die toen 'sipimeid' en 'fowru-kka' genoemd werden.
Johanna had het zo zwaar met het opbrengen van haar zonen, dat zij besloot weer bij haar ouders te gaan wonen. Deze waren inmiddels verhuisd naar de Pontewerfstraat. Op het erf betrok zij een eenkamerwoning, terwijl haar ouders voorop in een tweekamerwoning woonden. Bijgestaan door de paters van de Bonifaceparochie, vond zij werk als wasvrouw bij de soeurs, waardoor haar leven weer enigszins op de rails kwam. Zij heeft toen ook jaren samengewoond met een agent van politie.

Lobi

Mi winsi mi boto
Ben man fu lon
Ini a tiri kriki
Fu yu ati
Pe takru fisi no e swen
Fu mi peyri firi
O dipi a gron de
M' e si yu ay e brenki
Te a kon grun f' prisiri
M' e prey nanga yu anu
A kowru te a kon blaw fu frileygi
Yu mofo wawan libi ete
Fu kenki kloru kon geri lek' agama
Ma mi sabi mi lobi
Taki a yongu ati fu yu
Di waran lek' faya
E nak' yuru lek' wan oloysi
O ten mi nanga yu
Sa tron wan

Deze relatie kwam waarschijnlijk tot een eind door haar directieve karakter en dirigerend gedrag. Na de dood van haar moeder, legde haar vader bij notariële akte vast, dat zijn lievelingsdochter al zijn bezittingen zou erven. Dit maakte - naast het in de ogen van haar zusters al liederlijk leven dat zij leidde - de verwijdering tussen Johanna en haar zusters compleet. Na de dood van haar vader verhuisde Johanna naar de tweekamerwoning, die ze later liet afbreken om er een stenen woning voor in de plaats te zetten. Op latere leeftijd huwde ze met de Nederlander Wim Schouten, een aannemer van gouvernementsgebouwen, met wie zij in 1968, in verband met ziekte, naar Nederland vertrok. Daar vestigden zij zich in de stad Groningen.

Hoewel zij reeds op jonge leeftijd dichtte, kwam dit pas goed op gang nadat zij haar gedicht 'Kotomisi' opstuurde naar het radioprogramma 'Nanga opo doro' van Jan Voorhoeve en Hein Eersel. Dit gedicht werd zeer positief ontvangen en ze werd gestimuleerd om haar poëzie te publiceren. Op 1 juli 1963 verscheen haar eerste bundel, Tide ete, fo sren singi foe Johanna Schouten-Elsenhout. Haar tweede bundel, Awese, verscheen twee jaar later, in 1965.
Grotere bekendheid kreeg zij echter pas toen zij in Nederland verbleef. Jan Voorhoeve was haar promotor. Zij verzorgde avonden met onder andere voordrachten op de universiteiten van Leiden en Groningen en tijdens avonden georganiseerd door de Sticusa. In 1973 verscheen Surinaamse Gedichten, een selectie van voornamelijk gedichten uit Awese, met een Nederlandse vertaling van Jan Voorhoeve. Haar vaak als moeilijk te begrijpen gedichten, waren nu toegankelijker voor velen. In 1974 ontving zij van de Sticusa een prijs voor haar gedicht 'Sososkin', een gedicht naar aanleiding van het overlijden van een goede kennis.

Sososkin

San na mi
Wan klodru doti nanga kra
Wan libisma
Wan syatu bro
'a mindri
howpu bribi lobi nanga seygi
Wan sonduboku
'a mindri grontapu wey
Wan dedetaki 'a wan bon
'a mindri Gado glori
toku m' e fir' mi sref'
ber' 'a mindri winti son nanga alen
lek' wan por' froktu 'a ondro gron
!Libi
Sososkin mi si dey fesi
Sososkin m' e dede

Ook buiten Nederland werd zij bekend. Zo trad zij op voor de Rheinische-Westfälische Auslandgesellschaft en werden een aantal van haar gedichten, waaronder 'Sososkin', vertaald in het Duits, Engels en Russisch. Hillary Clinton, als first lady van de Verenigde Staten, begon haar toespraak op de bevolkingsconferentie van niet-gouvernementele organisaties in Den Haag met het gedicht 'Uma'.

Uma

Noti no hey so
Lek' a sten
D' e bari
In' yuguyugu f' a dey
A sten moy
A krakti
A n' abi farsi
Wins' tranga winti
E seyri en kon
Uma y' hey
Y' e brenki
Y' n' e kanti
'A mindri strey
F' ala dey

Johanna's moeder voedde haar kinderen, zoals toen gebruikelijk, op met odo's. Levenswijsheden werden als het ware in je hoofd gestampt. Johanna, als volwassen vrouw, had van het leven geleerd dat die odo's geen gezeur of ouderwets gedoe waren, maar keiharde levenslessen. Ze was door schade en schande wijs geworden. Geen wonder dat zij ze nu koesterde en verzamelde. Dit resulteerde in een verzameling van meer dan 1000 odo's, waarvan ongeveer de helft met een equivalent in het Nederlands, die in 1974 verscheen onder de naam Sranan Pangi. De uitgave daarvan ging niet van een leien dakje. Jaren had men haar aan het lijntje gehouden dat haar odo's uitgegeven zouden worden, maar het gebeurde niet. Zij kon haar verzameling ook niet terugkrijgen. Kordaat stapte Johanna vlak voor haar vertrek naar Nederland naar de procureur-generaal om haar beklag te doen. Na enkele maanden kreeg ze haar verzameling terug, maar wel verminkt. Van een aantal odo's was slechts de eerste of tweede helft getypt, van andere was er als tweede deel een deel van een andere odo. Sommige odo's waren niet meer in de verzameling te vinden en er waren vreemde, bijvoorbeeld de 'yoswiti' odo's, die niet van haar waren. Dit maakte haar zo boos, dat toen ik de odo's met haar doornam, zij ter plekke twee nieuwe odo's maakte: 'Di yu e taki fu den yoswiti, pe yu libi den "kapucijner", di a Yudasi fufuru'. En direct daarna: 'Te yu wani langafinga odo: no frigiti na koniman fu na marbonsu godo'.

In 1975 keerde zij na de dood van haar man terug naar ons land en vond een onderkomen bij haar zoon Rudie: een kamertje op de begane grond. Zij heeft daar een tijd gewoond totdat zij naar eigen zeggen de ongelijke behandeling die zij in vergelijking met Rudies schoonmoeder genoot, niet meer zag zitten. De schoonmoeder woonde op hetzelfde adres vlak naast haar, maar vele malen luxueuzer. Na wat onenigheid besloot zij op een dag een taxi te bestellen, nam al haar sieraden mee en verpandde deze. Ze kocht een draagbaar radiootje en liet de chauffeur haar naar Huize Albertine rijden. Het geld dat over was, gaf ze aan de directrice als huur voor een kamer die ze direct moest kunnen betrekken. En daar sleet zij haar oude dag. Doordat zij geen bezoek kreeg, ook niet van familie, sloot zij zich hoe langer hoe meer af van de buitenwereld. De verpleegsters konden op den duur niet eens meer in haar kamer komen. Ze moesten haar eten op een stoel op de gang zetten. Toen de NVB dit hoorde, probeerde Siegmien Staphorst contact met haar te maken. Het mocht niet baten. De deur was dicht en bleef dicht. De verpleegsters hadden trouwens gewaarschuwd dat ze met haar houwer iedereen bedreigde die haar kamer binnen wilde komen. Siegmien heeft mij toen gevraagd om te proberen contact te krijgen met tante Jo, zoals wij haar noemden. Ik bleef op een heilige afstand staan en riep: 'Tante Jo, tante Jo, Eddy dya, a kon luku yu'. Gelukkig, ze verscheen en Siegmien en ik mochten binnenkomen. Het contact met de buitenwereld was hersteld. Omdat familieleden haar niet kwamen opzoeken, ook niet op aandrang van de NVB, besloot deze organisatie het op zich te nemen om haar kleren te wassen en haar regelmatig te bezoeken. Ondanks dat zij een voorschot van enkele maanden had betaald, was de achterstallige huur flink opgelopen. Echter, men durfde haar niet op straat te zetten. Pogingen van de NVB om het ministerie van Sociale Zaken de huur te laten betalen, liepen op niets uit. Het antwoord was steeds: 'Haar zoon is gynaecoloog, hij kan het betalen.'


.


Om haar op haar 80ste verjaardag wat te verwennen, werd een klein feestje georganiseerd. Voor het feest moest er wel eerst een kerkdienst gehouden worden, vond tante Jo. Aan het begin van de dienst zei de priester: 'Wij zijn hier samengekomen, familie en vrienden, om de 80ste verjaardag…' Tante Jo sprong op, onderbrak de priester en zei: 'Nee pater, het zijn alleen vrienden hier.' Later op de avond kwam wel kleinzoon Rudie haar feliciteren wat haar erg goed deed. In verband met deze verjaardag organiseerden de NVB en Sranan Akademiya ook een culturele avond in Thalia op 28 juli 1990 om haar eindelijk de hulde te brengen die haar toekwam. Zij was weliswaar in 1987 benoemd tot Ridder in de Orde van de Gele Ster, maar hier liet het volk zijn erkenning blijken. In een vol Theater Thalia verzorgden schrijvers, dichters, zangers en dansers optredens, die allemaal op haar gedichten gebaseerd waren. Deze avond deed haar goed. Tante Jo kreeg de erkenning waarnaar zij al die jaren verlangde. Toen zij aan het eind van de avond op het podium nog eens extra in de bloemetjes werd gezet, zei zij onder andere het volgende: 'Fa mi si den yonguwan e wroko nanga Sranantongo nanga den kulturu, dan Sranan wini. Mi no abi bisi fu dede a neti disi.' Toen wij haar na afloop naar huis reden, vond ze dat we bij een jongetje dat kranten verkocht moesten stoppen. Ze riep het jongetje en gaf hem een deel van het geld dat ze die avond gekregen had. Twee jaar later, op 23 juli 1992 overleed zij in het Academisch Ziekenhuis.

Tante Jo was iemand die zichzelf was, die haar afkomst, cultuur, taal noch levensgeschiedenis verloochende. Iemand die haar eigen mening niet onder stoelen en banken stak en je recht voor je raap zei wat ze van iets of iemand vond of dacht. Ze was geen Switimofo, maar een echte Pritipangi. Ze was iemand die voor haar rechten opkwam en ervoor durfde vechten. Wat de politiek en het Sranan betreffen, had ze een uitgesproken mening. In een interview in de krant Brasa van maart 1987 zegt zij: 'Jammer, heel jammer dat onze jonge mensen de odo's niet kennen, laat staan gebruiken. Want odo's zijn een stuk van onze eigen cultuur, iets waar onze voorouders mee pronkten, omdat het iets was wat ze zelf gemaakt hebben. Dat heeft natuurlijk zijn oorzaken. De mensen die aan het begin van deze eeuw het land bestuurden wilden ons onze cultuur afpakken. Ze probeerden in ons hoofd te stampen dat het Surinaams, het Sranantongo voor domme mensen bedoeld was, voor mensen die geen manieren kennen. Ze gingen zelfs zo ver door te zeggen dat het Sranantongo geen taal was. Hoe vele Surinaamse schoolkinderen hebben wel niet hun mond moeten wassen als de juffrouw had gehoord dat ze Surinaams spraken? Terwijl de school de plaats is waar kinderen hun cultuur moeten leren waarderen. Het is dan meer dan logisch dat velen geen odo's kennen en de taal niet kunnen gebruiken zoals het moet.'

En in een interview van 1990 zegt ze: 'Je taal is je cultuur en dat is het hoogste bezit van een mens. Als je het kwijt bent, ben je je leven, je kra kwijt. Je kra, dat is je eigen persoonlijkheid. Je kan arm zijn, maar je hebt een hoge geest die je hooghoudt.'
Tante Jo was iemand die bewust was van wie ze was. Die niet wilde zijn zoals 'men' vond, dat zij hoorde te zijn. Iemand, een mens, met een zeer groot zelfrespect. Ik ben die ik ben, als je het nou leuk vindt of niet. Take it or leave it. Ik ben wie ik ben, ik ben er trots op en dat zal iedereen weten ook.