Posts tonen met het label Oostindie Gert. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Oostindie Gert. Alle posts tonen

donderdag 31 oktober 2013

Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde blijft in Leiden

De KNAW is voornemens het beheer van de collectie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) over te dragen aan de Universiteitsbibliotheek Leiden. De onderzoekskern van het KITLV blijft dan als KNAW-instituut gehuisvest in Leiden.

Het KITLV-gebouw in Leiden


Het bestuur van de KNAW en de Universiteit Leiden hebben overeenstemming bereikt over de positie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW). De KNAW is voornemens het beheer van de collectie van het KITLV over te dragen aan de Universiteitsbibliotheek Leiden (UBL). De Universiteit Leiden zal hiertoe een overeenkomst aangaan met de juridische eigenaar van de collectie, de Vereniging KITLV. Voor beheer en uitbouw van de collectie zullen de hiervoor bestemde middelen door OCW worden verlegd van de KNAW naar de Universiteit Leiden. De inbedding van de KITLV-collectie in de Leidse universiteitsbibliotheek zal personele gevolgen hebben. De vestiging in Jakarta, Indonesië, blijft gehandhaafd. Het overleg met de Vereniging start binnenkort.
Prof. dr Gert Oostindie, directeur van het KITLV. Foto RNW

De onderzoekskern van het KITLV blijft een KNAW-instituut en wordt herkenbaar gehuisvest op de Leidse campus, waar samenwerking wordt aangegaan met de Faculteit Geesteswetenschappen. Het KITLV zal in Leiden een rol spelen bij de verdere ontwikkeling van de Leidse profileringsplannen wat betreft de area studies. Het KNAW-bestuur wenst deze Leidse zwaartepuntvorming te steunen en ziet daarom af van verhuizing van het KITLV naar Amsterdam. Het KITLV blijft als onderdeel van de KNAW-institutenorganisatie deelnemen aan het KNAW-vernieuwingsprogramma voor de geesteswetenschappelijke instituten.
Het bestuur van de KNAW is verheugd dat de Universiteit Leiden onderdak gaat bieden aan de KITLV-collectie. Gevoegd bij de KIT-erfgoedcollectie en de bijzondere collecties van de UBL ontstaat daarmee een wereldwijd unieke verzameling over Indonesië en de Cariben. De KNAW en de Universiteit Leiden zijn daarnaast voornemens het KITLV-onderzoek te versterken door gezamenlijk te investeren in het aantrekken van talentvolle promovendi en daarmee de nationale voortrekkersrol van Leiden op gebied van areastudies Zuidoost Azië en het Caribisch gebied te stimuleren.
Op basis van de afspraken op hoofdlijnen zullen KNAW, KITLV en Universiteit Leiden samen de plannen verder uitwerken.

Over het KITLV
Het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) bevordert de antropologie, de taalkunde, de sociale en historische wetenschappen van Zuidoost-Azië, het Zuidzeegebied en het Caribisch gebied. Speciale nadruk ligt op Indonesië, Suriname en de eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen. Het KITLV heeft een vestiging in Leiden en een vertegenwoordiging in Jakarta.

www.kitlv.nl


maandag 16 september 2013

Debat over slavernij in de Amsterdamse Academische Club



Strategieën in Nederland bij het herdenken en herinneren van de afschaffing van de slavernij

Hoe wordt (de afschaffing) van slavernij herdacht en herinnerd? Voor welke strategieën wordt gekozen of zou men kunnen kiezen? Een historicus, een kunsthistoricus, en een dichter/psychiater formuleren vanuit drie verschillende invalshoeken een mogelijk antwoord op deze interessante vragen. Elk delen zij gedurende 15 minuten hun standpunt en kennis, en gaan vervolgens onder leiding van historicus Gert Oostindie in debat. Aansluitend is er ruimte is voor uw inbreng en vragen. Voorafgaand aan het debat nodigen we u van harte uit een bezoek te brengen aan de tentoonstelling Slavernij verbeeld in Bijzondere Collecties van de UvA (ingericht door deelnemer aan het debat Elmer Kolfin!).



Inleidende voordrachten
Dienke Hondius | historicus VU
Het slavernijverleden op de kaart van Nederland zetten.
In 2012 maakte ik met een groep studenten van de VU een eerste kaart van de plaatsen in Amsterdam waar ten tijde van de afschaffing van de slavernij (1863) slaveneigenaren woonden, die toen compensatie ontvingen voor de slaven die ze moesten vrijlaten. De tot slaaf gemaakten kregen niets. Deze kaart was het begin van een onderzoeksproject waarin nieuwe resultaten van historisch onderzoek over de slavenhandel en het slavernijverleden van Nederland en Europa door middel van digitale en andere kaarten wordt getoond. Google maps bieden mogelijkheden om zelf historische informatie te vinden, routes te maken en het verleden dichterbij te halen. Eind juni 2013 stelde ik een eerste voorlopige versie van een "Atlasje van het slavernijverleden" samen en organiseerde de presentatie bij het Stadsarchief, door Nederlandse, Britse en Franse onderzoekers. In deze lezing licht ik het onderzoek toe en laat zien hoe er de komende jaren verder aan wordt gewerkt.

Slavenhalsband. Kura Hulanda Museum


Elmer Kolfin  | kunsthistoricus, UvA
Nut en onnut van musea als herdenkingsplek: zwarte slavernij en het Nederlandse museum.
Vóór 2013 was er maar weinig en zeer versnipperde aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden. Het herdenkingsjaar 2013 leverde veel aandacht op, maar wat blijft daarvan hangen als de hype over is?
De dood (Trier). Foto @ Michiel van Kempen


Antoine de Kom | dichter en psychiater
Een verworpen gewoonte
Wij hebben als Nederlanders allerlei onrecht aangedaan waaronder de slavernij. Herdenken en herinneren is verwerken en onszelf hervinden in een nieuwe, leefbare en gezamenlijke identiteit.

Biografie debatleider en sprekers
Debatleider Gert Oostindie
is directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en hoogleraar Geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Hij publiceerde vele boeken over het Caraïbisch gebied, met thema’s als slavernij, dekolonisatie, migratie en etniciteit. In Het paradijs overzee (1997) hekelde hij het ontbreken van een Nederlands monument ter nagedachtenis van slavenhandel en slavernij. Naderhand redigeerde hij hierover Het verleden onder ogen (1999) en Facing Up to the Past (2001). In Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen (2010) analyseert hij het verband tussen de postkoloniale migraties en de hedendaagse herinneringscultuur rond het kolonialisme, waaronder de slavernij.

Dienke Hondius
is universitair docent geschiedenis bij de Vrije Universiteit, en medewerker van de Anne Frank Stichting. Na haar proefschrift over de acceptatie van etnisch en religieus gemengde huwelijken (Gemengde huwelijken, gemengde gevoelens; UvA, Amsterdam,1999) onderzocht ze aan de Erasmus Universiteit Rotterdam de geschiedenis van het begrip ‘ras’, en daarmee ook de brede en diepe geschiedenis en doorwerking van de slavernij en de slavenhandel. Ze werkt nu onder meer aan een atlas van het slavernijverleden in Europa, aan een studie over de joodse onderduik in Nederland, en aan de mondelinge geschiedenis van Surinaamse leerkrachten.
In juni 2014 verschijnt: Dienke Hondius, Blackness in Western Europe: Racial Patterns of Paternalism and Exclusion. (Transacion publishers, New Jersey USA)

Elmer Kolfin
is kunsthistoricus aan de Universiteit van Amsterdam. Hij maakte met anderen de tentoonstelling Slavernij verbeeld (Bijzondere Collecties Universiteit van Amsterdam, nog te zien tot 22 sept 2013), was betrokken bij de tentoonstelling Black is Beautiful over de verbeelding van zwarte mensen in de kunst van 1400 tot 2000 en publiceert regelmatig over beeldvorming van Afrikanen van circa 1500 tot 1800.

Antoine de Kom
- kleinzoon van Anton de Kom – is forensisch psychiater en dichter. Zijn recentste dichtbundel is Ritmisch zonder string (2013). In 2012 publiceerde hij Het misdadige brein, een bundeling van miniaturen over beruchte verdachten die in Hollands Maandblad verschijnen.

Expositie in Bijzondere Collecties
Op vertoon van de bevestiging van het debat kunt u vooraf aan het debat een bezoek brengen aan de tentoonstelling Slavernij Verbeeld in Bijzondere Collecties van de UvA. Elmer Kolfin is gastconservator van deze tentoonstelling.  

Diner: daghap 15 euro
U bent van harte uitgenodigd om na afloop te blijven voor de “daghap” voor 15 euro. Een heerlijke huisgemaakte schotel voor een vriendelijke prijs en de mogelijkheid op tijd te vertrekken.

Programma
·         17.00 uur inloop
·         17.30 uur start  debat
·         18.45 uur einde debat en borrel
·         19.15 uur aanvang diner (optioneel)

Amsterdamse Academische Club
Oudezijds Achterburgwal 235 | 1012 DL Amsterdam
Tel. +31 (0)20 525 1570 

vrijdag 9 augustus 2013

Getuigenissen uit onrustige tijden


door Jean Jacques Vrij


In zeven artikelen wordt in Curaçao in the age of revolutions,1795-1800 (onder redactie van Wim Klooster en Gert Oostindie) aandacht besteed aan de maatschappelijke en politieke onrust tijdens vijf turbulente jaren op Curaçao. Het begon in 1795 met de grote revolte onder leiding van Tula (waarbij 2000 van de 12.000 slaven op het eiland in opstand kwamen), een jaar later gevolgd door heftige partijstrijd binnen de blanke groep en een opeenvolging van drie gouverneurs in vier maanden tijd. In 1799 was sprake van een samenzwering met als doel het gouvernement omver te werpen en het eiland vervolgens te gebruiken als uitvalsbasis voor een bredere Caraïbische revolutie. Drie Franse agenten die als het brein van dit plan werden geïdentificeerd, werden uitgewezen. In 1800 tenslotte vielen troepen vanuit het Franse eiland Guadeloupe Curaçao binnen waarbij opnieuw een groot deel van de slavenbevolking de ketenen afwierp. Vervolgens namen de Engelsen het heft in handen. Net als Suriname een jaar tevoren maakten zij het eiland zonder veel weerstand te ontmoeten tot protectoraatsgebied.
Curaçao. Foto @ Attila Narin

De bundel is het eindproduct van een seminar in het kader van een universitair onderzoeksprogramma met als thema de uitwisseling van goederen, mensen en ideeën binnen de ‘Atlantische wereld’ in de lange achttiende eeuw. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het accent ligt op de invloed die externe factoren op de gebeurtenissen uitoefenden: in dit geval met name de Franse revolutie en de veranderingen die zich in het kielzog daarvan in het moederland, zowel als het naburige Saint-Domingue (na 1804 Haïti) voltrokken. Deze ‘Atlantic approach’, met haar focus op de invloed van mensen, nieuws en ideeën van buiten, is trendy zoals David Geggus (p.28) erkent. Maar in dit specifieke geval ook wel voor de hand liggend. Uit de artikelen in de bundel komt duidelijk naar voren dat de Curaçaose samenleving bijzonder vatbaar was voor externe invloeden: het eiland was een knooppunt gelegen midden in het Caraïbische bekken, vrijhaven sinds 1675 en met een bevolking waarvan een groot gedeelte – slaven en vrijen – werkzaam was in de regionale handel en daardoor geregeld buitengaats verbleef. Curaçao vormt zo een scherp contrast met bijvoorbeeld Suriname dat in dezelfde periode veel minder onrust kende.

Slavernijmonument Curaçao

Interne factoren die op de gebeurtenissen van invloed waren, blijven niet volledig buiten beeld. Gert Oostindie behandelt in zijn inleidende bijdrage kort de maatschappelijke structuur op het eiland en situeert de periode in de loop van de Curaçaose geschiedenis. Karwan Fatah-Black typeert de gebeurtenissen in 1796 zelfs als ‘very much a local affair’ (p. 124). Het handelen van de partij van Johann Rudolf Lauffer die het pleit uiteindelijk winnen zou, verklaart hij bovendien primair uit de bezorgdheid binnen de Curaçaose middenklasse over een dreigend verlies van de positie van regionaal en Atlantisch handelscentrum. Maar de aandacht voor de externe context blijft in het boek dominant en dat betekent dat er toch iets moet sneuvelen. Zo is er in de bundel weinig tot geen expliciete aandacht voor de staatsinrichting van Curaçao vóór en na 1795. Terwijl het toch voorstelbaar lijkt dat het feit dat vrije ingezetenen – anders dan in Suriname – niet middels verkozen vertegenwoordigers in de Raad vertegenwoordigd waren een belangrijke bron van gisting vormde. Ook bij de behandeling van slavenopstanden bekruipt me het knagende gevoel dat door het focussen op invloeden van buiten iets essentieels – het inherente spanningsveld binnen slavernij-systemen – uit het zicht verdwijnt.

Slavenboei. Foto @ Museum Kura Hulanda

Het slavenverzet komt aan de orde in twee artikelen, van respectievelijk David Geggus en Wim Klooster. Zij behandelen de gebeurtenissen op Curaçao overigens slechts terloops of in het geheel niet. Met name de slavenopstand van 1795 komt er vergeleken bij de andere Curaçaose troebelen in deze bundel eigenlijk dan ook maar bekaaid af; hij komt nog het meest uit de verf in de inleidende bijdrage van Oostindie.

Strijd tussen rebellerende slaven en Franse soldaten, Santo Domingo


Geggus weegt de invloed van de Amerikaanse en Franse revoluties, de ontwikkelingen in Saint-Domingue/Haïti en de opkomende abolitionistische beweging in Europa op 180 opstanden in de Amerika’s in de periode 1776-1848. De opstanden op Curaçao in 1795 en 1800 komen een enkele maal ter sprake: als voorbeelden van revoltes waarin het voorbeeld van Saint-Domingue en de expansie van revolutionair Frankrijk de opstandelingen motiveerden. Tula zou immers hebben geredeneerd dat aangezien Frankrijk in 1794 de slavernij had afgeschaft en begin 1795 de Republiek op de knieën had gedwongen, de geschiedenis op Curaçao nog slechts een klein duwtje nodig had om ook daar een eind te maken aan de slavernij (dit is door Oostindie uitvoeriger beschreven dan door Geggus). Dit thema van de ‘revolution of rising expectations’ is ook door Klooster aangevat – zij het niet toegepast op Curaçao – in zijn bespreking van het effect van geruchten dat de (Spaanse of Engelse) koning de slavernij had afgeschaft maar lokale autoriteiten het decreet verzwegen. Deze geruchten gaven een zelfde prikkel aan slavenverzet.

De slavenopstand in Coro, Venezuela

Curaçao komt in Kloosters artikel ter sprake in een korte bespreking van de opstand in het Venezolaanse Coro in 1795 en de rol hierin van aldaar reeds lang gevestigde personen van Curaçaose origine. Hier gaat het dus over de invloed van Curaçaoënaars op een revolte elders, niet andersom.
De opstand in Coro vond plaats drie maanden voordat Tula en de zijnen op Curaçao in verzet kwamen. Dit spreekt natuurlijk tot de verbeelding. Linda Rupert en Ramón Aizpurua schrijven ook kort over deze opstand en over de mogelijkheid van een connectie tussen beide revoltes. De interpretaties verschillen en dat maakt het er voor de doorsnee lezer niet helderder op. Volgens Aizpurua (p. 101) werden de Curaçaoënaars door de Venezolaanse autoriteiten tenslotte van alle blaam gezuiverd.


In de bijdragen van Rupert en Aizpurua is het perspectief geheel verschoven naar de betrekkingen tussen Curaçao en de nabije Venezolaanse kust, Tierra Firme. De relaties waren bijzonder intensief. Rupert schetst in één van de meest leesbare en lezenswaardige bijdragen uit de bundel de wording van die betrekkingen, waarin Curaçao binnen de invloedssfeer van de Venezolaanse kerk terecht kwam en beide gebieden door (smokkel-) handel met elkaar verknoopt raakten. Bovendien ontstond in Tierra Firme een substantiële Afro-Curaçaose gemeenschap. Dat was vooral het gevolg van het feit dat gedurende een groot deel van de achttiende eeuw (tot 1791) slaven die van Curaçao naar het vasteland vluchtten aldaar als vrije burgers werden erkend, mits zij hiertoe tijdig een formeel verzoek indienden en aan konden tonen dat zij rooms-katholiek waren. Ruperts conclusie echter lijkt me weer niet zo sterk. Zij betoogt daarin dat, hoewel er geen bewijs is voor een verband laat staan coördinatie tussen de opstanden in beide gebieden in 1795, de door haar beschreven ‘extensive, overlapping, inter-colonial networks’ als plaatsvervangend bewijs kunnen dienen voor een verband ‘at a much deeper level’ (p. 75, 92).

Aizpurua’s artikel handelt voor de helft over de gebeurtenissen op Curaçao in 1799 en 1800, althans zoals één en ander door informanten aan de, logischerwijs bezorgde, Venezolaanse autoriteiten werd gerapporteerd. Aizpurua erkent dat het op basis van de berichten van de informanten van de Venezolanen moeilijk is om een correct beeld te vormen van wat zich in deze periode op Curaçao afspeelde (p. 120).

Getuigenissen uit zulke onrustige tijden, waarin het wemelt van de intriges, geruchten en verdachtmakingen vormen inderdaad weerbarstig materiaal. Het artikel van Han Jordaan dat dezelfde Curaçaose woelingen als onderwerp heeft, doet dat nog eens terdege beseffen. Jordaan geeft een nieuwe interpretatie aan de gebeurtenissen door te argumenteren dat Gouverneur Lauffer redenen had om de Franse samenzwering uit 1799 te verzinnen (of groter te maken dan deze was). Gesuggereerd wordt zelfs dat documenten door Lauffer zijn vervalst. Er zit nogal wat speculatie in Jordaans betoog. Gezien het voorbehoud dat Oostindie maakt ten aanzien van de ‘debunking of the 1799-1800 turbulence’ (p.15) ben ik blijkbaar niet de enige die niet geheel overtuigd is. Hoe dan ook staat vast dat twee van de uitgewezen Fransen belast waren met een opdracht om Jamaica te destabiliseren. Eén van deze twee, Isaac Sasportas, werd vier maanden later op Jamaica als spion gevangen genomen en geëxecuteerd. Zo fantastisch lijken Lauffers conclusies eigenlijk dan ook niet. Dat de samenzwering uit 1799 en de inval in 1800 (waaraan op zichzelf niets viel te verzinnen) deel uitgemaakt zouden hebben van één en hetzelfde masterplan en ook die inval tot doel gehad zou hebben om de revolutie te exporteren, is een ander verhaal. Jordaan en anderen nemen aan dat aan de actie vanuit Guadeloupe in 1800 slechts geopolitieke overwegingen ten grondslag lagen en dat kan best. Maar uit Jordaans artikel blijkt ook niet dat het verband tussen 1799 en 1800 door Lauffer is gelegd, wel daarentegen door een twintigste-eeuwse historicus, Roberto Palacios.


Wim Klooster & Gert Oostindie, Curaçao in the age of revolutions, 1795-1800. Leiden: KITLV Press, 2011. X + 180 p., isbn 978 90 6718 380 2, prijs € 14.90 [gratis te downloaden via http://www.kitlv.nl/book/show/1309]

[uit Oso, 2012, nr. 2]



zaterdag 8 juni 2013

Nederland en de slavernij


Historisch Nieuwsblad organiseerde in samenwerking met de Feniks Academie van educatieve uitgeverij ThiemeMeulenhoff een collegedag over Nederland en de slavernij. 






Interviews met Gert Oostindie en Aspha Bijnaar


'Nederland was een voorloper in de slavenhandel'
Gert Oostindie over zijn lezing tijdens de Collegedag
Kort na het midden van de zeventiende eeuw was bijna een kwart van trans-Atlantische slavenhandel in handen van de Republiek. Dat aandeel zakte daarna snel, doordat de Portugese, Engelse, Franse en Amerikaanse slavenhandel explosief toenam. Over de gehele periode lag het Nederlandse aandeel rond vijf procent. Dat betoogt Gert Oostindie op 19 april tijdens de collegedag over Nederland en de slavernij in Amsterdam. De collegedag is een initiatief van Historisch Nieuwsblad en de Feniks Academie.
Lees meer...

'Licht getinte slaven hadden meer kans om hun vrijheid terug te krijgen'
Aspha Bijnaar over het leven van slaven
Slaven die een goede relatie hadden met de plantage-eigenaren en de licht getinte slaven – nakomelingen van plantage-eigenaren en hun slavinnen – maakten de meeste kans om hun vrijheid terug te krijgen. Daarover vertelt Aspha Bijnaar, onderzoeker en projectmanager bij het Nederlands Instituut Slavernijverleden (NiNsee), tijdens de collegedag die Historisch Nieuwsblad op 19 april organiseert. ‘Huidskleur had een grote invloed op de positie van de slaaf.’
Lees meer...

Artikelen uit ons archief


Redder van de slaven
Na jaren van strijd komt in 1863 eindelijk een einde aan de slavernij in Suriname en op de Antillen. De voormalige slaven geloven dat ze hun bevrijding danken aan koning Willem III. Het is een mythe, maar die helpt om de rust in de koloniën te bewaren.
Lees meer...

Het succes van de plantage
Wie denkt aan de Surinaamse plantages denkt al snel aan de gruwelijkheden van de slavernij. Er is een genuanceerder verhaal te vertellen. Het systeem was gebaseerd op macht en racisme, maar opgezet om zo veel mogelijk geld te verdienen. Dat bracht ook innovaties voort als het ingenieuze polderstelsel. En voor de slaven werden de plantages na enkele generaties leefgemeenschappen, waar zij verbonden raakten met het land en hun voorouders.
Lees meer... 

'Wij zoeken onze vrijheid' 
Vrijheid, gelijkheid en broederschap veroverden de wereld. Waarom zou dat niet ook voor ons gelden, dacht een groep slaven op Curaçao. In de zomer van 1795 kwamen ze in opstand.
Lees meer... 

Misleide migranten 
Tegenwoordig behoren Hindoestanen tot de grootste en rijkste bevolkingsgroep van Suriname. Maar hun voorouders waren straatarme Indiërs, die zonder goed te begrijpen waar ze aan begonnen duizenden kilometers verhuisden om slavenarbeid te verrichten.
Lees meer... 

Slavernij op Curaçao

Slaven die zelf slaven hielden en vrijen die voor een bestaan in slavernij kozen: het slavenbestaan op Curaçao zag er anders uit dan de geijkte verhalen over de verhouding tussen blank en zwart suggereren.
Lees meer... 

Het slavenbestaan in de Nederlandse koloniën
'Swarten moesten maar werken en de planters tot playsier sijn'

De Nederlandse bijdrage aan de slavernij is zacht gezegd een minder glorieus onderdeel van de vaderlandse geschiedenis. Suriname genoot zelfs de reputatie van het land dat zijn slaven het slechtst behandelde. Waren de Nederlandse slavenmeesters werkelijk wreder dan de Britten, Fransen, Portugezen en Spanjaarden?
Lees meer...

D
e wreedheid van de transatlantische slavenhandel 
Een welgestelde Romein kon beschikken over een klein leger slaven. In Afrika ging men vrijwillig in slavernij als schulden te hoog werden of de honger toesloeg. Slavernij is van alle tijden en alle windstreken. Waarom roept juist de Europese slavenhandel over de Atlantische Oceaan zoveel emoties op?
Lees meer... 

Documentaires en interviews (beeld en geluid)


'Wij slaven van Suriname'
(RVU, 1999)
Documentaire over Anton de Kom (1898-1945), een Surinaams voorvechter van mensenrechten. De uitzending staat in zes delen van circa tien minuten op YouTube. Bekijk hieronder het eerste deel, voor de overige delen ziehttp://www.youtube.com/watch?v=LHPt8y7xOqE




De slavernij
(NTR, 2011)
Vijfdelige serie waarin Daphne Bunskoek en Roué Verveer op zoek gaan naar het slavernijverleden van Nederland. Alle afleveringen zijn terug te bekijken viahttp://www.geschiedenis24.nl/de-slavernij.html

100 jaar afschaffing slavernij
(VARA)
Documentaire uit 1963 over het honderdjarige jubileum van de afschaffing van de slavernij.


Ongehoord: de slavenhandel in de 17e en 18e eeuw, deel 3: Tobago
(VPRO, 2010)
Radio-uitzending van OVT over de transatlantische slavenhandel. Een reis langs Vlissingen, Elmina en Tobago. Te beluisteren viahttp://www.geschiedenis24.nl/speler.segment.7006994.html

Aspha Bijnaar geeft 'rebelse vrouwen' stem
Vrouwen gebruikten vooral ‘verborgen verzet’ tijdens de slavernij om in opstand te komen tegen hun situatie, ontdekte NiNsee-onderzoeker Aspha Bijnaar. In de theatervoorstelling Rebelse Vrouwen wordt dit vrouwelijk verzet in de schijnwerpers gezet. Het stuk gaat over onderdrukking anno 2013 en in de tijd van de slavernij.
De twee delen van het interview zijn te beluisteren via http://caribischnetwerk.ntr.nl/tag/aspha-bijnaar/


Geluidsfragment college Gert Oostindie


Hier kunt u een deel van de lezing van Gert Oostindie (opnieuw) beluisteren. Wilt u alle colleges horen? Houd onze website dan in de gaten: binnenkort verschijnt een cd-box met alle lezingen van deze collegedag.


Lezing Alex van Stipriaan


Het college van Alex van Stipriaan ging over verzet tegen de slavernij: opstanden, marronage, creolisering
en de uiteindelijke afschaffing ervan. Hieronder kunt u het eerste gedeelte teruglezen.

Ik stel u voor aan Adam. We weten nauwelijks iets van hem, behalve dat hij in de eerste helft van de negentiende eeuw leefde op de koffieplantage Vrouwenvlijt aan de Hoer Helena Kreek. Ik zou graag met u ingaan op de naamgevingsgeschiedenis van slaven en plantages in Suriname, een op zich al zeer interessante geschiedenis, maar daar zal ik niet aan toekomen. Al zitten ook daar elementen van verzet in.

Hoe het zij, Adam is in de jaren 1830-1840 een volwassen man, wellicht zelfs geboren op de plantage, en werkzaam als gewone veldslaaf, de zwaarste categorie werk. En wat we in ieder geval weten is dat Adam tussen 1833 en 1843, het jaar dat hij stierf, in ieder geval acht keer, dus bijna ieder jaar een keer, er op werd betrapt dat hij zich tijdelijk van de plantage had verwijderd. In het plantage-archief staat hij daarom omschreven als “den bandieteneger Adam”. Niets kan hem weerhouden en steeds weer wordt hij op dezelfde plantage, Vriendsbeleid & Ouderszorg, op nog geen kilometer afstand van Vrouwenvlijt opgepakt. Het is dus zeer waarschijnlijk dat hij daar een partner heeft, bij wie hij langer dan alleen de nacht wil doorbrengen, want het is altijd pas na meerdere dagen afwezigheid, soms zelfs anderhalve week, dat hij weer wordt opgepakt. Afgezien van de gebruikelijke afranseling wordt hij iedere keer opnieuw voor langere tijd in de boeien geklonken. Vlak voor zijn dood zit hij wederom “in de zware bandieteboeij”.

In diezelfde periode, om precies te zijn in 1842, kondigt gouverneur Rijk af dat vanaf dat moment plantage-directeurs niet meer dan vijftien zweepslagen aan een volwassen man en vijftien aan een volwassen vrouw mogen laten toedienen -tenzij ze zwanger is - en tien tot vijftien aan jongeren tussen veertien en zestien jaar. Het dubbele aantal kan alleen worden opgelegd door de plantage-eigenaar of administrateur. Nog zwaardere straffen kunnen alleen door de officiële autoriteiten in de stad worden opgelegd. Tot dan toe was vijfentwintig tot vijftig zweepslagen voor een volwassen man of vrouw altijd de gewone strafmaat geweest bij te laat verschijnen op het veld of niet voldoen aan de opgelegde taak. Nog zwaarder was de straf voor degene die erop betrapt wordt dat hij of zij heimelijk de plantage probeert te verlaten. Velen hebben namelijk een partner op een plantage in de buurt, omdat lang niet altijd een geliefde op de ‘eigen’ plantage kan worden gevonden. In zo’n geval mag een directeur tot tachtig zweepslagen laten toedienen “op het onderlijf en op geen andre plaatse des lichaams en wel los offte ook wel staande teegens een paal off post gebonden”.  Tegen die achtergrond is het des te opmerkelijker dat zovelen het toch aandurven zich over de grenzen van de plantage te begeven, zoals Adam.

Hoe rigide het regime dus ook was en hoe zwaar de straffen, altijd weer hebben mensen ondanks alles het heft in eigen hand gehouden of genomen. Zeker niet altijd als bewuste vorm van verzet, gericht op het omver werpen van het systeem, maar wel als teken dat er gebieden in hun leven en denken waren waar ook de slaveneigenaar niet bij kon en waar zij een eigen autonomie bewaarden. En juist dat vormde de basis van verzet dat wel degelijk het systeem bedreigde. Van de eerste tot de laatste dag van de slavernij.

Zo moet u zich voorstellen dat het voortdurend afwezig zijn van Adam en de acties om hem weer gevangen te nemen, voor grote onrust zorgden en vertraging opleverden in de plantageproductie. Het kostte dus geld. Sterker nog, iedere keer moest er vier gulden worden betaald aan een militair om hem een “afstraffing” te geven, en bovendien wordt er iedere keer drie gulden “vanggeld” verdeeld onder de mede-slaven die Adam hebben geholpen gevangen te nemen. En daar bovenop wordt voor de aanschaf van een hals- en een voetboei met twee hangsloten tien gulden betaald.  Zo’n actie, hoe onschuldig eigenlijk ook, was dus voor de plantage-eigenaar een behoorlijke kostenpost (jaarlijkse lokale cash flow circa vijfduizend gulden).

En Adam was bepaald niet de enige, want ook Hendrik en Cupido werden in dezelfde tijd meerdere keren op een naburige plantage opgepakt en ook Zondag, Johannus, Daantje, Kwasi, Apollo, Doroe, Carl, George, Alex, Premier, December, Hazard, Adelbert, François, Madelijntje, Philippina, Charlotte, Agatha  en Catootje werden allemaal een keer gevangen en gestraft. Dat wil zeggen dat in ieder geval 21 van de ongeveer 110 volwassenen op Vrouwenvlijt in die tien jaar een stap zetten waarvan ze heel goed weten dat ze er zwaar voor zullen worden gestraft. Zelfs François die in november 1839 nog vanggeld krijgt voor het oppakken van Cupido, wordt in mei 1841 zelf gevangen genomen in de moestuinen van Spieringshoek, enkele plantages verderop. Bovendien blijkt dat de man La Fleur en de vrouwen Wilhelmina, Sabina en Monkie voorgoed de benen hebben genomen, want na vele jaren staan ze in de slavenlijsten nog steeds te boek als “absent”, of “in ’t bosch”. Zij waren kennelijk Marrons geworden, ik kom daar zo op terug.

Foto's van de collegedag




Gert Oostindie








Aspha Bijnaar




Alex van Stipriaan


Valika Smeulders




Gert Oostindie


Aspha Bijnaar


Valika Smeulders


Alex van Stipriaan










Op cd: Nederland & de slavernij

In 2013 wordt herdacht dat Nederland 150 jaar geleden de slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen afschafte. Op 4 cd's hoort u over de Nederlandse rol in de trans-Atlantische slavenhandel: de grootste gedwongen migratie uit de wereldgeschiedenis. Hoe was het opkopen, vervoeren en tewerkstellen van de slaven georganiseerd? Hoe functioneerde het slavernijsysteem op de plantages? En waarom schafte Nederland de slavernij pas in 1863 af?
Samengesteld en verteld door Gert Oostindie, Aspha Bijnaar, Alex van Stipriaan en Valika Smeulders.

Deze box is vanaf 10 juni leverbaar.
Prijs: € 34,95

donderdag 21 februari 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (10)

door Willem van Lit

In dit deel een beschrijving van de ontwikkeling op het gebied van civilisatie en menselijke betrekkingen op de Frans Caribische eilanden en enige parallellen met Curaçao.


Voor het vervolg van dit verhaal baseer ik me op een essay van Richard Burton, een Britse wetenschapper. Het opstel is in 1993 in de West-Indische Gids opgenomen [1].


Op de Frans-Caribische eilanden heeft een deel van de bevolking zich steeds verzet tegen de voortgaande verfransing van hun leefwijze, economie, taal en cultuur. Al ruim voor de tweede wereldoorlog kwam er verzet tegen de assimilatie op gang. In de jaren dertig van de vorige eeuw kwam de Négritude-beweging op, die vooral was bedoeld uitdrukking te geven aan hun verschil (van leefwijze e.d.) met wat zij - de vertegenwoordigers van deze beweging -  noemden ‘het universele leven’. Men wilde niet opgeslokt worden door de dominante Franse manier van leven en de culturele expansie vanuit Europa. Négritude was in eerste instantie gebaseerd op verbijzondering van ras en dan met name het zwarte of Afrikaanse ras. Men zocht tegenover de essentie van het Frans-zijn de essentie van het zwart of Afrikaans-zijn.

Smile, foto © Nicolaas Porter

Door allerlei praktische en theoretische zaken kwam al vrij snel de kritiek op gang. Men kwam er bijvoorbeeld snel achter dat assimilatie niet zozeer een Frans-Afrikaans fenomeen was, maar dat vooral in West-Indië de assimilatie veel complexer was door invloeden uit meerdere cultuursegmenten. Daarnaast had men zich bij het formuleren van het idee van Négritude gebaseerd op Europese denkbeelden over ras en racisme. Men had dit idee gereproduceerd en omgekeerd, waardoor men het negatieve van het zwart-zijn een positieve vorm en inhoud had gegeven, doch - zoals Burton zegt - verving Négritude het ene vervreemdende concept (het Europese idee over verbijzondering van ras en afkomst) door een ander. Hierdoor raakte de zwarte West-Indiër nog meer verstrikt in de assimilatieproblematiek. Hij kon zichzelf hierdoor niet als verloochende en verdrukte uit de zwarte essentie losmaken. Négritude bleef een theorie van vervreemding ten opzichte van wat genoemd werd de universele geest (die men dacht specifiek Frans te zijn). Dwars hier doorheen kwamen het marxisme en socialisme op bij de politieke bewegingen op de eilanden. Deze ideologieën kennen - zoals bekend - de verdeling op basis van klassen, die niet per se gelijk loopt met de segmentering naar ras. Ook op dit punt ontstonden conflicten rondom begripsvorming en praktisch politiek handelen. Marxisme is ook universeel, een ideologie die mondiaal effect wil laten gelden, een idee waartegen het Négritude zich verzette. Négritude was tevens het streven naar zuiverheid. Men wilde op basis van zuiverheid en ras onderscheid maken. Als puur werd beschouwd het Afrikaans óf het Europees; creools was onzuiver (en - impliciet - dus in zichzelf minderwaardig). Ook op dit vlak ontstonden problemen. Moest men de Creoolse taal (het Patois), dat door veel zwarte Caribische mensen werd gesproken, dan als onzuiver betitelen? Négritude was door het uitgangspunt en soms door de (problematische) vervlechting met het marxisme polemisch van aard en opstelling.
Stanley Brown

Dit zijn min of meer ook discussiepunten die naar voren kwamen op de Nederlands Caribische eilanden als men kijkt naar onder andere het taalgebruik (het Papiamentu of Papiamento) en de volksbeweging bij de opstand van mei 1969 op Curaçao. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de bundel Verhalen over de revolte, die Gert Oostindie samenstelde en waarin diverse mensen die betrokken waren bij de opstand van 1969 aan het woord komen. Stanley Brown is het meest uitgesproken voor wat betreft de vermenging van ideologieën, ideeën en praktische uitwerking en effecten van de bewegingen, groepen, vakbonden en politieke partijen hierbij. De opstand kwam voort uit een mix van opvattingen uit het communisme, de arbeidersbeweging, de (harde) rassenongelijkheid (en daarmee samenhangend invloeden uit de Black-Power-beweging), tegenstellingen tussen Arabische en Joodse groepen, waarbij ook vertegenwoordigers van de katholieke kerk nog een rol bij hebben gespeeld, enz. Daarnaast hebben corruptie en belangenverstrengeling ook steeds een rol gespeeld. Ik laat Brown aan het woord om een indruk te krijgen van de zaken die speelden: 

"Het Frente (Frente Obrero Liberashon, politieke partij, WvL) werd onder leiding van Nita al snel corrupt. Al die zwarte leiders, ook die daarna aan de macht kwamen, hebben zich laten inpalmen. In plaats van maatschappelijke veranderingen na te streven, hebben ze elke gelegenheid aangegrepen om aan de corruptie mee te doen. (...).
Ik wilde echte veranderingen. Ik wilde geen regering vormen met de DP (politieke partij, WvL), daar begon het al mee, ik wilde in de oppositie. Maar Nita en Godett hadden de theorie: ' We hebben gezaaid, nu moeten we oogsten'. Ze wilden alleen schijnveranderingen. Het ging er mij niet om dat er in de plaats van een blanke onderdrukker een zwarte onderdrukker kwam. Ik wilde bevrijders hebben en dat konden wat mij betreft ook blanken zijn, als ze tenminste de juiste ideologie hadden. Dat begrepen ze gewoonweg niet. (...).
Sommige mensen zeggen, en ik denk dat zelf ook, dat de dertigste mei de zwarte Antillianen voor het eerst de ruimte heeft gegeven om vooruit te komen. Maar de Antillianisering is een holle ideologie geworden. Er zijn op allerlei plekken zwarten gekomen waar vroeger blanken zaten, maar het beleid is niet veranderd en de kwaliteit van het bestuur is eerder verslechterd dan vooruitgegaan.
Ik heb echt geloofd dat de onafhankelijkheid ons economische ontwikkeling zou brengen. En ik heb serieus gedacht dat na dertig mei de nieuwe Curaçaose mens zou opstaan, met zijn cultuur, met zijn vlag. (...).
Nu geloof ik dat een revolutie niet meer mogelijk is. Ik zie dat revolutionaire bewegingen en maatschappelijke veranderingen achterhaalde concepten zijn. Het enige alternatief is aansluiting bij een grotere, progressievere maatschappij. In Nederland heeft de democratie meer waarde dan op zo’n klein eiland. We hebben een poldermodel nodig, globalisatie in plaats van onafhankelijkheid en isolatie".

De oorspronkelijke zes leden van de Black Panther Party (1966), boven v.l.n.r. Elbert "Big Man" Howard, Huey P. Newton, Sherwin Forte, Bobby Seale. Onder v.l.n.r. Reggie Forte en Little Bobby Hutton

Hoewel Brown in dat stuk ook zegt dat hij op een zeker moment communist is geworden omstreeks de periode van die 30e mei, wordt toch ook duidelijk dat de rassenkwestie meespeelde. Hij noemt onder andere invloeden van Che Guevarra, de Black-Panther-beweging, Black Power, de katholieke kerk, de vakbonden, het communisme (onder andere invloeden van Cuba) en zelfs invloeden uit de gewone criminele wereld van smokkel en drugshandel [2].

Willemstad na 30 mei 1969


Een andere betrokkene, Ewald Ong-A-Kwie, zegt in dezelfde bundel: "Ik ben er van overtuigd dat er geen raciale beweging achter de revolte zat. Ik onderken dat raciale stemmingen mee gingen spelen, wat trouwens ook bij de grote havenstaking van 1922 al het geval was. Maar het was in essentie een sociaal conflict: de spanningen tussen werkgevers en werknemers waren te hoog opgelopen.
Er is achteraf wel gesproken over communistische invloeden, maar dat is flauwekul. Ze hebben mij ook communist genoemd, de eerste keer dat ik op 1 mei op televisie kwam, zo rond 1964. Omdat ik voor die tijd overkwam als radicaal. Ik heb altijd gezegd: ' Vraag mij niet welke internationale ideologische lijn ik volg. Kijk naar me, evalueer wat ik doe en plak dan maar een etiket op me. Als je vindt dat ik sociaaldemocraat ben, dan ben ik sociaaldemocraat, als je vindt dat ik communist ben, dan ben ik communist. Ik doe wat ik vind dat ik moet doen, op de manier die ik het beste vind. Als je dat dan meteen communistisch noemt, tja.
Dat Black Power achter de revolte gezeten zou hebben, is ook pure nonsens" [3].

De opstelling van de Antilliaanse betrokkenen bij die crisis laat eerder een praktische opstelling zien dan een fanatiek overtuigde ideologische, zoals dat op de Frans-Caribische eilanden meer pregnant naar voren komt. Toch zijn er overeenkomsten omdat de kwestie van opvattingen en ideologie onderhuids wel een rol heeft gespeeld in het vervolg van ontwikkelingen die uit de crisis naar voren kwamen, zoals duidelijk wordt bij wat Brown hierover vertelt op politiek vlak.

Op de Frans-Caribische eilanden kwam in de jaren zestig van de 20e eeuw in reactie op de Négritude het idee op van de Antillanité (o.a. Ménil en Glissant). Met dit concept werd het idee van diversiteit (waarin men toch ook verschilt van het universele) naar voren gebracht. In tegenstelling tot de Négritude die het Afrikaanse als uitgangspunt voor de aanduiding van het verschil hanteert, legde de Antillanité het concept van de configuratie van de West-Indische leefwijze als geheel op tafel. De Caribische mix stond centraal en dat betekende dat noch het specifiek Afrikaanse, Chinese, Indiaanse, Indiase, Franse of welk ander afzonderlijk cultuursysteem dan ook als hét Caribische cultuursysteem werd gezien. Het kenmerk van het Caribische cultuursysteem is juist dat hier heel veel verschillende leefwijzen, volkeren en rassen gewild of ongewild bij elkaar zijn gebracht in een gecombineerd uniek en origineel verband. Hierbij springt er niet één cultuur of systeem in het bijzonder uit. Juist de mix maakt deze samenleving uniek. In de Antillanité werd echter toch ook de nadruk gelegd op het bijzondere tegenover het universele (de wereld buiten het Caribische gebied). Hoewel deze beweging zich afzette tegen het binnendringen van het universele - meer van hetzelfde - bracht het wel ruimte binnen de Caribische samenleving: een gezamenlijke sociale identiteit, waarbij het mogelijk werd de dialoog te voeren. Dit werd ervaren als een doorbraak in het denken over en ervaren van identiteit.
Edouard Glissant

Was Négritude monolithisch van aard, Antillanité bracht diversiteit, complexiteit en heterogeniteit. Het gaat uit van een samenstel en meervoudigheid van relaties en (maatschappelijke) krachten. Négritude legt nadruk op het ‘zuivere’, Antillanité maakt vermenging van rassen en afkomst begrijpelijk en hanteerbaar. Het idee van Négritude over ‘verschillend zijn’ is besloten in zichzelf, gefixeerd op één kant en slechts voor één duiding vatbaar; Antillanité hanteert de diversiteit binnen het verschillend zijn op een open manier, mobiel en toegankelijk. Négritude baseert zich op het eendimensionale geworteld zijn (identité-racine) en Antillanité op de meerdimensionale relationele identiteit (identité-relation). Daardoor is Négritude meer gericht op het (geïdealiseerde) verleden, Antillanité op de toekomst. Als je jezelf richt op de (voedings)wortel en het verleden, dan hanteer je een oriëntatie op mono-identiteit, waarbij men anderen uitsluit. Glissant noemde dit ‘totalitarion root’. De relatie-identiteit wil een open, multidimensionaal en meerwaardig (polyvalent) samenstel van identiteit. Met deze ideeën was Glissant waarschijnlijk een van de eerste belangrijke Caribische denkers die een doorbraak forceerde uit de obsessie van afkomst en ‘geworteld zijn’, het denken dat zo dikwijls het Caribische discours bepaalt, zoals Burton meent.


Tintin (Kuifje) in het Patois


De derde stroming is die van de Créolité, die ontstond uit de Antillanté. Deze stroming had een vrij groot academisch gehalte. Net als Antillanité verzetten de vertegenwoordigers van de Créolité zich tegen het universele, waarvan men dacht dat dit de specifieke Caribische identiteit en leefwijze op den duur zou wegdrukken en vernietigen. Créolité wilde wel open staan voor alle Caribische rassen en gemeenschappen, maar heel uitdrukkelijk het eigen Caribische karakter bewaren (une spécificité ouverte). Het multiraciaal samenleven en een geïntegreerde cultuur; dat is hetgeen het creoolse karakter vertegenwoordigt. In het Caribisch gebied sluit het alle autochtone groepen in zich: Latijns-Amerikaans, Arabisch, Afrikaans, Europees, Indiaas, Aziatisch, enz. De Créolité is de beweging die zich intensief bezighoudt met taalgebruik. Dit geldt dan vooral voor de situatie in het Frans-Caribische gebied (het Patois en het Créole bijvoorbeeld), maar men zou het ook kunnen toepassen voor het Papiaments, dat ook een Creoolse taal is. (De discussie rond het taalgebruik als ijkpunt voor Créolité liep - zoals Burton zegt - al redelijk snel aan tegen diverse problemen van definitie en afbakening).
Foto © J. Chedarzi

Bij de ontwikkeling van de inzichten rond Créolité kwam naar voren dat vermenging van ras, taal en cultuur geen specifiek Caribisch verschijnsel is. Door de globalisering en verdergaande vervlechting van menselijke activiteit en relaties, de snelle toename van mobiliteit en mondiale uitwisseling van informatie, diensten, goederen en mensen, is het proces van creolisering op heel veel plekken in de wereld op gang gekomen. Mensen die blijven vasthouden aan hun afkomst en (historische) origine raken snel verstrikt in allerlei compromissen en tegenstrijdige opvattingen. Het streven naar monolithische zuiverheid is eens te meer een utopisch verlangen geworden. De zuiverheid of vermeende authenticiteit van ras, oorsprong e.d. verdwijnt langzamerhand (zo het al ooit van belang is geweest) en dat op mondiale basis [4]. Het lijkt erop dat er nog maar weinig (zaken en mensen) als puur en origineel kunnen worden bepaald en gedefinieerd. De vermenging gaat door en het zoeken naar je eigen oorsprong wordt steeds zinlozer; dat lijkt Burton te willen zeggen.

Het ‘hinterland’  verdwijnt, zegt hij in navolging van wat Glissant beschreef als het Caribische ‘arrière-pays’, waar mensen hun Caribische identiteit tot ontwikkeling zouden kunnen brengen. "Each of the theories of Difference discussed here presupposes of what Glissant calls an arrière-pays, (...) a hinterland, at once physical, cultural, and psychological, in which individual and community can find refuge form the advancing empire of the Same (het universele - WvL), as the runaway slaves of old fled plain and plantation for the upland fastness of the mornes (hills). But now the hinterland is disappearing month by month and year by year, ingested physically by grandes surfaces, golf courses, secondary residences, and marinas, and culturally and psychologically by the remorseless spread of "French" patterns of thinking, consuming, acting, and speaking. For the would-be maroon in contemporary Martinique and Guadeloupe there is practically nowhere, either within or without, in which to live and from which to speak, that has not already in some way been taken over by the dominant discourse, so that the language of Difference is often uncannily transformed, without the speaker's knowledge, into the language of the Same, and the status quo is sustained and perpetuated by the very counter-discourse it provokes" [5].


Werk van Michael Brooks, Jamaica


[Paragraaf 10 uit hoofdstuk 6 van Willem van Lit,  Cariben, laten we het onmogelijke vragen. Te verschijnen 2013]




[1] Burton, Richard. ‘Ki moun nou ye? The idea of difference in contemporary French West Indian Thought’. New West Indian Guide/Nieuwe West-Indische Gids 67 (1993) no: 1/2 Leiden.
[2] Oostindie, Gert (red.), Curaçao 30 mei 1969, Verhalen over de revolte, Stanley Brown ‘Ik ben de Voltaire van dertig mei’, pag. 13 - 22, Amsterdam University Press, 1999.
[3] Oostindie, Gert (red.), Curaçao 30 mei 1969, verhalen over de revolte, Ewald Ong-A-Kwie,’Slavernij van de geest, die mentaliteit bestaat nog steeds’, pag. 89 - 93.
[4] Zie in dit verband ook wat Umberto Galimberti schrijft over de mythe van het ras. Hij beschrijft dit in de Italiaanse context waar bijvoorbeeld in Noord-Italië denkbeelden van ras en volk in relatie tot identiteit voor diverse politieke belangenstelsels op een populistische manier levend worden gehouden. Galimberti, Umberto Mythen van onze tijd, uitg. Ambo, Amsterdam, 2010,vertaling. J. Crijns en W. Dabekaussen. Pag. 396 – 401.
[5]  Richard Burton,Ki moun nou ye?’, pag. 25.