Posts tonen met het label Homoseksualiteit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Homoseksualiteit. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

De ondernemer-auteur Clark Accord

Waarom schreef Clark Accord niet over
homoseksualiteit?
door Christine F. Samsom

Afgelopen zondag, elf mei, was het alweer drie jaar geleden dat Clark Accord, de schrijver van een aantal spraakmakende boeken, op vijftigjarige leeftijd overleed. De stichting met zijn naam, de Clark Accord Foundation (CAF), die ongeveer een jaar na zijn dood onder voorzitterschap van zijn zus Mavis Accord werd opgericht, heeft de herinnering aan Clark levend gehouden en in die korte tijd veel werk verzet. Dat kwam tot uiting tijdens de lezing die de neerlandicus Jerry Dewnarain onlangs hield tijdens de ondernemersavond van de KKF en tijdens de Clark Accord-lezing door de zakenvrouw Karin Refos vier dagen later in Tori Oso.

Elke dinsdagavond worden in het KKF-gebouw lezingen georganiseerd die interessant kunnen zijn voor ondernemers. Jerry Dewnarain, secretaris van de CAF, heeft op zes mei met een powerpoint-presentatie duidelijk gemaakt dat het schrijven en publiceren van een boek of het opzetten van een stichting als de CAF net zo’n onderneming kan zijn als het opzetten van een bedrijf. Hij noemt de doelstellingen van de CAF: aandacht geven aan de literaire erfenis van Clark Accord en jongeren stimuleren om te gaan schrijven. Via de Clark Accord-lezingen, werkt de CAF aan het eerste doel. Het tweede doel probeert de foundation te bereiken door het organiseren van workshops creatief schrijven, presentaties op scholen, lesbrieven, literaire tours voor leerlingen en het houden van de ‘Clark Accord Sori Yu Talenti’-schrijfwedstrijd voor jongeren tussen vijftien en dertig jaar. De eerste wedstrijd resulteerde in 2013 in de bundel Het geheim van Ston Oso en andere verhalen, de titel ontleend aan het winnende verhaal van Hetty Amatodja die onlangs met nieuwe publicaties uitkwam.

Jerry Dewnarain. Foto © Michiel van Kempen

Jerry Dewnarain laat dan het leven van Accord de revue passeren: Als Clark na de middelbare school naar Nederland vertrekt, gaat hij verpleegkunde studeren en daarna visagie, een vak dat zich bezighoudt ‘met het accentueren van de sterke kanten van een gezicht en het camoufleren of corrigeren van de minder sterke kanten’, zegt de vrije encyclopedie ‘Wikipedia’. Is dat niet wat hij ook als schrijver zal toepassen en waaruit zijn ondernemerszin al blijkt? Jarenlang maakt hij als visagist furore in Wenen, de charmante hoofdstad van Oostenrijk en komt de modewereld hem tegen in vooraanstaande bladen als Marie Claire, Elle en Vogue. De koningin van Paramaribo, intussen vertaald in het Engels, Duits, Spaans en Fins, waarvan in 2011 de 31ste druk verschijnt. Dewnarain legt de nadruk op de keuze van Accord voor taboedoorbrekende en maatschappijkritische thema’s in zijn boeken: prostitutie in een preutse, schijnheilige samenleving in zijn eerste roman, een onmogelijk liefdesverhaal in het bos in Tussen Apoera en Oreala (2005) en gokverslaving in Bingo!, zijn derde roman (2007). Het kiezen van herkenbare, boeiende, uit het leven gegrepen thema’s en het gebruik van een eenvoudige, beeldende schrijfstijl verhoogt volgens Dewnarain het leesplezier, het aantal lezers en daarmee de verkoopcijfers, en is dat niet waar het ondernemers om gaat? Blijft één vraag bij mij hangen: waarom schreef Clark Accord - zelf gay - niet over homoseksualiteit om een ander taboe in onze samenleving te noemen?
Terug in Amsterdam legt hij zich via cursussen toe op de schrijfkunst en na veel onderzoek komt hij in 1999 uit met zijn debuutroman die al snel een groot succes wordt:


Op vrijdag negen mei herinnert de voorzitter van de CAF in haar inleiding het vooral jonge gehoor aan de lijfspreuk van haar broertje: ‘Kan niet bestaat niet!’ Osje Braumuller, bigiman fu Tori Oso, geeft aan, hoe Clark, als liefhebber van een bourgondische levensstijl én als ondernemer, heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van het culinair toerisme in Suriname. De monoloog, De gevallen vrouw bestaat niet, door Clark zelf geschreven en ooit uitgevoerd door Helen Kamperveen, wordt in Tori Oso prachtig vertolkt door Renate Galdij onder regie van Michael Austin. Zelfverzekerd, zakelijk, verleidelijk, leidt zij het publiek naar de keynote speech van Karin Refos die onder de titel ‘Jong ondernemerschap in relatie tot vrouwelijk leiderschap’ de Clark Accord-lezing verzorgt (in een outfit die Clark zeker zou zijn bevallen, als hij erbij was geweest). Met verve brengt Karin drie uitgangspunten naar voren voor de jonge schrijvers-in-spe die in spanning de uitslag van de ‘Sori yu Talenti’-wedstrijd nog even moeten afwachten. Voor succesvol ondernemerschap, ... en schrijven is ondernemen..., moet je een aantal zaken goed in de gaten houden: je moet ambitie hebben, de juiste attitude in de omgang met mensen en een goed financieel beheer. Daarnaast moet je maatschappelijk betrokken zijn en je ondernemerschap kunnen combineren met creativiteit. Je moet vasthouden aan je droom, spaarzaam zijn, discipline hebben, je kennis willen vergroten en vooral’... je moet hard werken! KAN NIET BESTAAT NIET! 

zondag 23 februari 2014

Arriba Aruba!

Arriba Aruba! by Jonathan Treadway is a gay story located on Aruba. Jilted at the altar when his best man ran off with his fiancée, Craydon “Cray” Wright trades in his Mexico honeymoon for a vacation in Aruba. When godlike Stone Ferris walks onto the plane, sits next to Cray, and makes his interest known, Cray decides to act on desires he’s felt since high school but ignored.

He agrees to let Stone show him the island, but what starts as fun-filled and casual turns earth-shattering for Cray. When his time in Aruba ends, Cray realizes his feelings for Stone have grown beyond fun, but he worries that it might not translate to real life in LA. Can he convince himself and Stone their love can be paradise at home?

Arriba Aruba! by Jonathan Treadway
Dreamspinner Press
ISBN-13 978-1-62798-163-7
Pages 128
 Cover Artist Paul Richmond

dinsdag 4 februari 2014

Eerste Curaçaose homomagazine gelanceerd

In het Floris Suite Hotel heeft Curaçao Gay Pro gisteren het eerste Curaçaose homomagazine gelanceerd. Het digitale magazine luistert naar de naam The Pride Villager. De homo-organisatie keek ook alvast vooruit naar de twee komende Gay Prides van dit jaar. Van 30 april tot 4 mei volgt een Caribische Pride, in september volgt een internationaal georiënteerde editie. De stichting wil met behulp van de Prides het eiland op de kaart zetten als homovriendelijke bestemming.

Het Engelstalige magazine is online beschikbaar voor alle belangstellenden en wordt verspreid onder verschillende internationale homo-organisaties, touroperators en bezoekers van de South Caribbean Pride. Het magazine bestaat onder meer uit interviews met gay professionals op Curacao, een wegenkaart van Curacao en een overzicht van homovriendelijke hotspots op het eiland. Een party-agenda ontbreekt uiteraard niet.


[Bron : Versgeperst, 1 februari 2014]

Vind het magazine hier

donderdag 7 november 2013

Schrijversvakschool levert twee afgestudeerden af: ‘Het is altijd de bedoeling dat zij internationaal doorbreken’

door Euritha Tjan A Way


Paramaribo - Dat ze er plezier aan hebben beleefd, is van hun gezicht af te lezen. Iraida van Dijk en Sakoentela Hoebba hebben de vierjarige opleiding aan de Schrijversvakschool Paramaribo nagenoeg afgerond en hebben naar eigen zeggen van elk moment genoten. “We hebben de eerste drie jaren de tools gehad om ons verhaal interessant en begrijpelijk voor de buitenwereld neer te pennen. In het laatste jaar is er vrijwel geen begeleiding en dan kom je erachter: ‘ben ik schrijver of niet?’”, legt Van Dijk uit. Beide dames studeren deze maand af en hebben gekozen voor het genre proza. Ze hebben beide geput uit hun eigen omgeving om inhoud te geven aan hun verhaal. “Ik heb een lang verhaal geschreven waarin centraal staat dat wat een mens is, eigenlijk het resultaat is van wat hij heeft meegekregen van familieleden die hem voor zijn gegaan”, legt Van Dijk uit. Hoebba heeft gekozen voor elf korte verhalen. “Eén daarvan gaat over een gezin dat ontdekt dat hun zoon homoseksueel is. Hindoestanen hebben het namelijk sterk dat ze altijd denken aan wat de buitenwacht gaat denken.”

Iraida van Dijk (l) en Sakoentela Hoebba (r) vertellen met veel plezier over de vierjarige opleiding aan de Schrijversvakschool Paramaribo die zij net achter de rug hebben. Foto:  Irvin Ngariman.

Publicabel
In het eerste jaar van de Schrijversvakschool Paramaribo worden de cursisten breed opgeleid. In het tweede jaar doet verdieping zijn intrede en in het derde jaar moeten de studenten weten welk genre hen ligt en hoe ze de aangeleerde technieken kunnen toepassen op hun teksten. Jaar vier bestaat voornamelijk uit manuscriptbegeleiding. Schrijfdocenten, redacteurs van uitgeverijen helpen de studenten bij het publicabel maken van het manuscript.

Puzzel
Beide studenten waren, voordat ze hun opleiding aan de Schrijversvakschool Paramaribo aanvingen, al bezig met schrijven. "Ik had veel dieren om me heen en ik schreef vaker verhalen over hen. Maar nu kan ik terugkijken op die verhalen en besef ik dat ik heel veel geleerd heb", legt Hoebba uit. Voor Van Dijk leek het alsof de stukken als een puzzel in elkaar vielen. "Ik volgde eerste een korte workshop schrijven met mijn dochter en zag daarna plotseling een advertentie voor de opleiding van de Schrijversvakschool Paramaribo én ik heb altijd al goede reacties gehad op stukken die ik schreef. Dus de opleiding leek mij een logische stap."

Niet makkelijk
De dames zijn begonnen met zes studenten in een groep en behoren tot de tweede lichting van de opleiding. In 2008 begon de eerst groep, die bestond uit acht personen. Van die acht is Karin Lachmising de enige die vorig jaar afstudeerde. "Nee, het is niet makkelijk", bevestigt Ruth San AJong, directeur van de opleiding. "De mensen worden onderwezen in de vijf genres en de subonderdelen daarvan. De opleiding duurt bovendien vier jaren. Maar Karin Lachmising bijvoorbeeld is wel internationaal doorgebroken. Haar boek is uitgegeven door uitgeverij In de Knipscheer en zij heeft een lans gebroken voor de anderen." Volgens San A Jong is het altijd de bedoeling dat studenten internationaal doorbreken. "Maar afstuderen is daar geen garantie voor", meldt zij.

Van Dijk en Hoebba zullen eind november hun afstudeerpresentatie houden. De Schrijversvakschool doet ook aan manuscriptbegeleiding van mensen die de opleiding niet gevolgd hebben. Verder is de opleiding nu bezig met een project waarbij kinderen op speelse wijze de kneepjes van het vak leren waar inmiddels een website van online is.

[uit de Ware Tijd, 07/11/2013]


dinsdag 5 november 2013

Who's Afraid of Black Sexuality? (7 en slot)

Lily Cusiel. Image © Megathon Artworks

door Stacey Patton


Following the report, which the CDC later admitted was misleading, several black scholars and scientists spoke up about the way medical research is conducted on African-Americans. Too much research, they said, focuses on clinics in poor, urban areas where people are more likely to use drugs or have sexually transmitted diseases. The data from those populations, they said, cannot be used to form generalizations about all black people—or about black versus white people.
Amber Rose

Velma M. Murry, a sociologist at Vanderbilt University whose research is on the black middle class, has found evidence that contradicts national reports about sexually transmitted diseases among blacks. She has noted that middle-class African-American girls delay having sex two years beyond the national average for all girls. What is missed is "the positive practices of black families—the practices that work for us, that lead to better physical and psychological health."

In sociology, public policy, and public health, scholars have been pushing researchers to look up from diagrams and charts of health statistics to develop studies that speak to the people being studied, rather than to the assumptions and the culture of the researchers who produce the studies.

For example, Northwestern's Watkins-Hayes has explored the economic and social-survival strategies of women living with HIV and AIDS in the Chicago area. Seeing that much of the news-media focus and LGBT activism involve white communities, Mignon R. Moore, a sociologist at UCLA, sought to gather information by following more than 100 middle-class and working-class black lesbians for three years to provide insights into how black culture helps shape their identities and family formation. Leon E. Pettiway, a professor emeritus in the department of criminal justice at Indiana University at Bloomington, has moved beyond statistics on street crime with his 1996 book, Honey, Honey, Miss Thang, a poignant look at five gay, drug-using transvestites who struggled to retain some sense of dignity in the face of substance abuse and hustling to stay alive.
Surinamese singer Damaru, having fun with a female
 fan  in the VIP lounge of Pengel International Airport
 before his departure

Old taboos are falling. After all, the country now has a black president who has declared his support for same-sex marriage. Exploring lived sexuality, recognizing the black sexual experience in all its diversity—including pimps, prostitutes, transsexuals, and porn stars—is freeing intellectual debate from old fears and inhibitions. But scholars say it's not just a matter of widening their research agenda. It means bringing the insights about black history and culture, about the structures of racism and pathology, into public-health discussions of AIDS, drugs, prison conditions, and molested children.

These scholars say it's a matter of saving lives.
Stacey Patton is a staff reporter at The Chronicle. She holds a Ph.D. in history from Rutgers University at New Brunswick and is the author of That Mean Old Yesterday (Simon & Schuster, 2007), a memoir about growing up in foster care and the historical roots of corporal punishment in African-American families.

Corrections (12/3/2012, 10:17 a.m.). Because of an editing error, this article originally misreported Leon E. Pettiway's institution. He is at Indiana University at Bloomington, not at the University of Wisconsin at Milwaukee. And Darieck Scott is a member of the department of African-American studies at the University of California at Berkeley, not the department of African studies. 

Key Books in Black Sexuality Studies


Honey, Honey, Miss Thang: Being Black, Gay, and on the Streets, by Leon E. Pettiway (Temple University Press, 1996)
The Boundaries of Blackness: AIDS and the Breakdown of Black Politics, by Cathy J. Cohen (University of Chicago Press, 1999)
Queering the Color Line: Race and the Invention of Homosexuality in American Culture, by Siobhan B. Somerville (Duke University Press, 2000)
Traps: African American Men on Gender and Sexuality, edited by Rudolph P. Byrd and Beverly Guy-Sheftall (Indiana University Press, 2001)
Longing to Tell: Black Women Talk About Sexuality and Intimacy, by Tricia Rose (Farrar, Straus and Giroux, 2003)
Black Queer Studies: A Critical Anthology, edited by E. Patrick Johnson and Mae G. Henderson (Duke University Press, 2005)
Why I Hate Abercrombie & Fitch: Essays on Race and Sexuality, by Dwight A. McBride (New York University Press, 2005)
Exploring Black Sexuality, by Robert Staples (Rowman & Littlefield, 2006)
Black Sexual Politics: African Americans, Gender, and the New Racism, by Patricia Hill Collins (Routledge, 2004)
Once You Go Black: Choice, Desire, and the Black American Intellectual, by Robert Reid-Pharr (New York University Press, 2007)
Private Lives, Proper Relations: Regulating Black Intimacy, by Candice M. Jenkins (University of Minnesota Press, 2007)
Blackness and Sexualities, edited by Michelle M. Wright and Antje Schuhmann (LIT Verlag, 2007)
Sweet Tea: Black Gay Men of the South, by E. Patrick Johnson (University of North Carolina Press, 2008)
Bulldaggers, Pansies, and Chocolate Babies: Performance, Race and Sexuality in the Harlem Renaissance, by James F. Wilson (University of Michigan Press, 2010)
¡Venceremos?: The Erotics of Black Self-Making in Cuba, by Jafari S. Allen (Duke University Press, 2011)
Invisible Families: Gay Identities, Relationships, and Motherhood Among Black Women, by Mignon R. Moore (University of California Press, 2011)

Erotica by Erwin de Vries (Slotervaart, Amsterdam)


Who's Afraid of Black Sexuality? (6)

door Stacey Patton

Today, scholars in the field are studying gender, queerness, pleasure, public health. They're looking at representations of sexuality in contemporary gospel music and cyberspace, at sex among black men in prison, sex tourism in Brazil, gays and lesbians in the civil-rights movement, the sexualization of black children, and much more.

In September, Harvard University and Palimpsest, A Journal on Women, Gender and the Black International Palimpsest sponsored a symposium, "The Queerness of Hip Hop / The Hip Hop of Queerness," which examined hip-hop culture through the lens of queer theory. It looked at the roots of hip-hop in gay, lesbian, bisexual, and transgender activism; at the genre's queer aesthetics, fashion, and style. In October, graduate students at Princeton University put on a conference "to interrogate the intersections between blackness and queerness."
"How might we understand the relationship between blackness and queerness if we first reject the premise of their mutual exclusivity?" read the call for papers.

Mireille Miller-Young, an associate professor of feminist studies at the University of California at Santa Barbara, is exploring the history of black pornography, looking at sex workers who get pleasure out of bondage and physical pain and who use racial stereotypes to market their bodies. She has a book, titled A Taste for Brown Sugar: Black Women, Sex Work and Pornography, forthcoming in 2013 from Duke University Press.

In 2005, Miller-Young gave a paper on black-female porn at the conference of the Association for the Study of Worldwide African Diaspora. Presenting images from porn conventions, film sets, and Web sites, supplemented by interviews with more than 60 sex workers, she acknowledged fears that blacks in porn were acting out their own exploitation and "making it worse for the rest of us," she says. And she pointed out that black women have fought discrimination in the porn industry, just as in other labor markets.

But the situation is more complex, she argued: "If you look at the films closely, you see interesting moments where black women are trying to present sexuality in a way that is different. They are showing beauty, class, sensuality, sexual skill, and intimacy between black couples."
The women she interviewed, she says, were frustrated that feminists and other critics "don't see what they are trying to do, which is open up possibilities for black people to see themselves sexually. We can have fantasies about bondage, take pleasure in our painful pasts, and even find pleasure in stereotypes."

Slave girl, by Chagadiel


You can hear the exasperation in Miller-Young's voice when she describes how some black women in the audience reacted to her presentation. The chair of the panel turned away from the screen, closed her eyes, and refused to look at the images. One prominent black feminist scholar sitting in the audience, Miller-Young says, called her a "pervert."

"They said that by showing these images of porn stars, I was re-exploiting them," she recalls. "But I'm fascinated by the 'ho.' She is a figure that all black women have to contend with, whether you are sex workers or professors."

Several of the 30 scholars interviewed for this article say that some conservative black feminists tend to marginalize or dismiss not only sex workers but also the experiences of queer people, and to treat gender as if it were the sole province of women. There's too much focus, the scholars say, on the sexual violation and stereotypes of black women, little discussion of sexual crimes against boys and men, and not enough research on the diverse ways in which blacks seek pleasure and express a range of identities.

David Levering Lewis, the two-time Pulitzer Prize-winning historian who was the first scholar to out major figures of the Harlem Renaissance, says he worries about the trajectory of some research on black sex. "Some of this scholarship is a bit queasy and sounds like a rationalization for an exercise in curiosity," he says. "But there is room in the big tent of the academy for these kinds of explorations. History without sexuality is incomplete."

Others are raising the discomfort level by treading on what is considered sacred ground—the civil-rights movement. Mumford, at Illinois, has written articles that examine how the civil-rights and gay-rights movements worked with and against each other, and how the Moynihan Report raised veiled questions about black homosexuality. The publication of the late Manning Marable's biography of Malcolm X caused some controversy because he identified Malcolm as a bisexual during his years as a hustler, before his conversion to Islam. Serious research on the relationship between gay history and the civil-rights movement is just emerging with dissertations in progress, Mumford says.
"There may be a need," Mumford says, "for black sexuality studies to push the envelope."
Nowhere, perhaps, do scholars want to do that more than in the field of public health. Chandra Ford, an assistant professor at the University of California at Los Angeles's School of Public Health, says health researchers have had a tendency to see black sexuality as "a perversion, a problem that needs to be studied because it's so different."

She's referring to dark moments not just in the past: the forced sterilizations of thousands of black girls and women in North Carolina from 1929 to 1974 or the studies in Tuskegee, Ala., of syphilis among black men from 1932 to 1972. In 2010 a report from the federal Centers for Disease Control and Prevention caused a firestorm when it announced that half of all black women between the ages of 14 and 49 were infected with genital herpes. The statistics were based on a group of 893 black women who had been tested for antibodies to the HSV-2 virus, which meant only that they had been exposed to the herpes virus, not that they had actually developed the disease—or ever would.

[to be continued]


Who's Afraid of Black Sexuality? (5)

Dit overzicht is niet beschikbaar. Klik hier om de post te bekijken.

Who's Afraid of Black Sexuality? (4)

Foto © Crème de la crème

by Stacey Patton

In addition, in the early years of black studies, the most pressing battles seemed elsewhere. "To focus on sexuality would have been a distortion of the agenda," says Marlon Ross, an English professor at the University of Virginia. It was hard enough to fight for a place at the table for a new academic discipline focusing on black people. Acquiescing to the demands for work on sexuality, many of them coming from gay and lesbian scholars, seemed too dangerous. "People were still being ostracized. There was still a great deal of stigma, violence, and exclusion," Ross remembers.
The conflict within black studies, however, should not be overstated. Ross thinks more and more scholars acknowledge that questions about black sexuality "are central matters in how we've been perceived and how we perceive ourselves."
Vintage black girl

Nor is the conflict unique to one field. Tricia Rose, a professor of Africana studies at Brown University, says that because sexuality studies, as a whole, remains marginal throughout scholarship, researchers are still figuring out how and where to pursue it. "I do think that, historically, the absence of sustained focus on gender and sexuality in all academic disciplines means that they are all working to figure out how to do intersectional work and still retain a core disciplinary identity," she says.

Black studies has long stood at the juncture of numerous disciplines—with all the ambiguities, turf wars, and competing scholarly norms that can go with interdisciplinary work. "I don't remember a time where there hasn't been dissent about a variety of issues, including sexuality," says Robert Reid-Pharr, a professor of English at the City University of New York Graduate Center.
Debates about black nationalism and separatism, the existence of a black aesthetic, the role of religion in the black community and, particularly, the civil-rights movement—to say nothing of the argument over whether black studies should be a separate department or program, or situated within other academic units—were notably heated.
Foto © Rudi Moeridjan

So it might be fairest to describe the ferment around black-sexuality studies—within black studies and broadly in academe—as an evolution.

As early as the 1970s, black lesbians and feminists like Barbara Smith and Cheryl Clarke, and influential poets and writers like Alice Walker, Audre Lorde, bell hooks, Michele Wallace, and Ntozake Shange, criticized white feminists for ignoring race, and black male scholars for overlooking gender and sexuality. The title of the paperback edition of an anthology published in 1982 said it all: All the Women Are White, All the Blacks Are Men, but Some of Us Are Brave: Black Women's Studies.


Dealing with issues of class, race, and gender all at the same time, black women called for confronting reproductive rights, rape, prison reform, forced sterilization, and violence against women. Lorde's poetry opened up a space to talk about differences not just between men and women, but also among women—including differences in sexual behavior and preferences. Walker's Pulitzer Prize-winning The Color Purple broke the silence on incest in the black community. Wallace's Black Macho and the Myth of the Superwoman and Shange's For Colored Girls Who Have Considered Suicide/When the Rainbow Is Enuf exposed sexism and violence against women in black communities.
"I always give black lesbian feminists the credit for the rise of sexuality studies," says E. Patrick Johnson, a black-studies professor at Northwestern University and co-editor of the 2005 Black Queer Studies: A Critical Anthology, from Duke University Press.

[to be continued]

Who's Afraid of Black Sexuality? (3)

by Stacey Patton
Marlon Bailey

Marlon M. Bailey rose to give a talk at a meeting this year to celebrate Ph.D programs in black studies. "It's time," he announced, "to talk about sex."
An openly gay professor of gender and American studies at Indiana University at Bloomington who calls himself a "butch queen," Bailey followed presentations on the history of the field, the state of its doctoral programs, and the trajectory of its research. Flanking him on the panel were older, distinguished scholars who had spent decades forging their discipline.

"I see we've saved the sex for last," Bailey drawled, batting his eyes. "Especially good sex."
Laughter rippled through an amen corner. But some parts of the audience maintained a stiff silence as he chastised the field for ceding discussions of black sex and sexuality to other disciplines like queer studies or gender studies.
After the session, the hallway was abuzz. Some younger and queer scholars gathered in small pockets in lobby areas, at times checking their surroundings and lowering their voices to a whisper to complain.
Queer scholars lamented that homophobia persisted in black studies as it emphasized "respectability" and social norms about heterosexual behavior, hypersensitive to the image of black people in the wider community.

Mark Jong Pin. Foto © Jacco Breedveld

Why be afraid to admit that black sex was long defined as "queer"—outside the norms of society—through the legitimacy given the rape of black women, the breaking up of black families, and the emasculation of black men in slavery? Why not acknowledge that the history of racism had caused black people to become distant from the most intimate dimensions of their lives? Why not rejoice in their diversity, and stop worrying about putting the best face on everything black people do?

"Enough with the nostalgia and celebration about how far the field has come," Bailey said in a phone interview weeks after the conference."There's a silence around issues of sexuality, and that silence is especially palpable at black-studies conferences."
Foto © k4as

According to Darieck Scott, a professor of African-American studies at the University of California at Berkeley, for many years scholars didn't want to deal with the questions that were being asked in the hallways at the black-studies conference, because they faced a double bind: "How do you talk about black sexuality when the very notion that there is such a thing—that black sexuality is distinct from human sexuality, period, or that it has some classifiable existence in the world that makes it different from the sexualities lived and practiced among other peoples and cultures in the world—is an expression of an essentially racist logic?"

[to be continued]


Who's Afraid of Black Sexuality? (2)

by Stacey Patton

Image © Bruce Talbot
"The white imagination still traffics in toxic racial and gender stereotypes," says Beverly Guy-Sheftall, a professor of women's studies at Spelman College. Talking about sex "means that we are engaging in and calling up discussions of black sexuality that we think underscore what white people say about us. That leads to silence."

That silence has left a gap in the classroom and in black-studies scholarship. Rising faculty members worry that a topic doubly controversial—race and sex—could derail their careers. Students and professors are sensitive, even squeamish, about portrayals of their communities. Reflecting on the years of avoidance, Kevin Mumford, a history professor at the University of Illinois at Urbana-Champaign, thinks there is a basic dynamic: Many black people "refuse to give up the privilege of normalcy."


In recent years, however, a growing number of scholars, in a variety of disciplines—queer studies, women's studies, anthropology, African-American studies, sociology, literature, history, public health—have begun to break that silence. Black sexuality is the focus of a number of conferences, research projects, and anthologies. While discussions of sexuality go far back in the world of black scholarship—to such work as W.E.B. Du Bois's report on black sexual mores and marital practices in Philadelphia, Ana Julia Cooper and Ida B. Wells's examinations of the racist construction of black male and female sexuality, and the social scientist E. Franklin Frazier's dissection of the social patterns of the black bourgeoisie—today's work is more explicit, rawer. It gets into the bedroom with heterosexual black men having sex with other men "on the down low"; onto the streets and porn sets with cross-dressers, transsexuals, and black sex workers; behind prison bars with gay and lesbian inmates; into the dungeons and play dens of blacks who seek pleasure through bondage and pain.
A Tribute to Helmut Newton Male Models

And it is driven by a sense of urgency over problems confronting black communities, such as the AIDS crisis, incest, homophobia, domestic violence, and sex abuse in black churches.
The in-your-face approach owes much to the feminism among women of color and to the queer-studies scholarship that began to make its mark in the 1980s. At the beginning of that decade, KitchenTable: Women of Color Press became the first publishing company entirely run by women of color, focusing both on research about race and gender and on advocacy for women, gays and lesbians, and other oppressed groups. Queer studies similarly drew from scholarly theory about the construction of sexual personae and from gay activism.
That twin vision has given work on black sexuality a controversial edge.



[to be continued]

Who's Afraid of Black Sexuality? (1)

by Stacey Patton
 
Image © Gregory Prescott

Well, for a long time, lots of people. Including scholars. Particularly black scholars.

If sex was once difficult to discuss openly, black sex was especially fraught. It touched on too many taboos: stereotypes and caricatures of "black Hottentots" with freakish feminine proportions; of asexual mammies or lascivious Jezebels; of hypersexual black men lusting after white women. It brought up painful memories of white control over black bodies during slavery; of rape and lynching; of Emmett Till, a teenager tortured and murdered in 1955 for supposedly flirting with a white woman; of the controversial 1965 "Moynihan Report," which called black family structures and reproductive patterns "a tangle of pathology." Or of Anita Hill in 1991, testifying before the U.S. Senate about alleged black-on-black sexual harassment.
 
Beyoncé
Old tropes have continued to permeate popular culture and public commentary, whether a national furor over Janet Jackson's exposed breast, a recent blog post on Psychology Today's Web site (later retracted) to the effect that black women are less physically attractive than other women, or the barrage of news stories about a "marriage crisis" among black women who cannot find suitable mates. Witness remarks about the artists Beyoncé and Nicki Minaj, the tennis star Serena Williams, or Michelle Obama that harp on their ample backsides. Remember last year, when Rep. Jim Sensenbrenner, a Republican from Wisconsin, quipped about the first lady's "large posterior"? And this summer, when the Killers' drummer, Ronnie Vannucci, described how he accidentally found himself "grabbing her ass" during a hug?

Consider also how television repeatedly offers sexualized images of black men, whether parodying the half-naked (but not threatening) body of Isaiah Mustafa, the hunky Old Spice guy; hauling black men on stage, as Maury Povich does, to allow "baby mamas" to give them the results of paternity tests; or giving us the gargoylesque rapper-turned-crackhead-turned-reality-TV star Flava Flav, who searches for love among scores of uncouth women who humiliate themselves as they compete for his attention.

Flava Flav. Image © Filmmagic


[to be continued]


[from The Chronicle of Higher Education, December 3, 2012]

zondag 29 september 2013

Levenslang door seksueel misbruik (2 en slot)




door Mineke de Vries

Na de ervaringsverhalen van seksueel misbruik in de katholieke kerk op Curaçao (deel 1, zie hieronder) roept journalist Robert Chesal - die het misbruik grootschalig aan het licht bracht in 2010 - op tot de erkenning van de slachtoffers. Zelf slachtoffer van misbruik weet hij dat erover praten de enige mogelijkheid is tot herstel.

Kinderen die martelingen ondergingen terwijl een broeder naast ze een boek zat te lezen. Of kinderen die wekenlang in eenzame opsluiting in de kelders van een internaat doorbrachten. De intense eenzaamheid maakte dat ze bijna blij waren met het gezelschap van een geestelijke die ze ‘s nachts bezocht en liefkoosde, zo verlangend naar menselijke nabijheid in hun eenzame opsluiting. De onvoorstelbare verwarring, het schuldgevoel en het emotionele drama waaraan een kind wordt blootgesteld, betekent een levenslange lijdensweg.

Foto © Nicolaas Porter



Keep it happy

Het feit dat misbruikschandalen in de katholieke kerk vanaf 2010 boven tafel zijn gekomen, dat mensen hun verhaal kwijt konden, heeft gemaakt dat er enige verlichting kwam. Robert Chesal: “Wil er sprake zijn van genezing dan dient er eerst erkenning te komen voor de beschadiging die is opgelopen. In de meeste gevallen zijn de daders onvindbaar, waardoor het probleem nooit face to face besproken kan worden. Veel slachtoffers hebben de pijn toegedekt en verstopt, maar pijn toelaten is de enige manier om vooruit te komen.”

Veel slachtoffers in Nederland hebben zich na 2010 kunnen uiten en zijn daardoor individueel een stuk opgeschoten. In een maatschappij als die van Curaçao is het niet zo gebruikelijk te praten over zaken als deze. Chesal:  “Ik herken dat uit mijn eigen jeugd in Florida; op Curaçao kreeg ik hetzelfde gevoel. De code is: Keep it light, keep it happy, blijf lachen, alleen maar de succesverhalen. De altijd maar sterke buitenkant, de machocultuur. Ik heb me altijd afgevraagd hoe het kan dat macho’s zelf niet kunnen zien hoe ‘zwak’ ze zijn. Voor mij zijn de sterkste mensen diegenen die toegeven dat ze ook zwak zijn.”

Foto © Keyholes Browning


Je komt de pijn niet voorbij als je deze niet eerst erkent. Daarbij komt dat de kerk zelf een geheel eigen code heeft van hoe je met pijn omgaat. “Daar zijn rituelen voor met gekunstelde taal, wazige beelden, restricties en biechtgeheimen. Hierdoor help je niemand vooruit in zijn proces.”

Opgeheven hoofd

Hoe moeilijk het ook is om toe te geven dat je slachtoffer bent, Chesal roept ook de mensen op Curaçao op om de slachtofferrol te erkennen om vandaar uit te werken aan herstel, wat ieder mens verdient. Emancipatie van het slachtoffer, waarmee hij bedoelt dat je zonder gêne kunt zeggen dat je slachtoffer bent. Het is geen schande, zoals vaak wordt gedacht, maar dan moet wel het emotionele eraf, volgens Chesal. “Zie het als feit. Je kunt met opgeheven hoofd zeggen dat je slachtoffer bent, als onderdeel van het grotere geheel van wie je bent. Je hoeft je hoofd niet te buigen, je niet als gebrandmerkt mens te gedragen. Als je de pijn van het misbruik in de kerk maar ook andere pijn op maatschappelijke schaal toelaat, kom je als persoon, maar ook als land in zijn geheel verder.”
 
Rooms-katholieke kerk Curaçao. Foto © NVD
Hij trekt het breder dan alleen het seksueel misbruik, omdat zoveel mensen zijn gekweld. “In vele naties, in vele mensen zit zoveel pijn die niet erkend wordt, daarvan zijn tal van voorbeelden. Om maar heel dichtbij te blijven, het slavernijverleden; de pijn van het kolonialisme wordt slechts mondjesmaat erkend en blijft generaties lang doorspelen. De één zegt dat het nu maar eens over moet zijn, de ander voelt nog altijd de pijn. Beide uitgangspunten zijn waar, maar spreek je het niet uit, blijft het op elkaar botsen.”

Eén keer excuus aanbieden volstaat niet, maar pas als de erkenning permanent aanwezig is in de maatschappij komen we als geheel vooruit, pas dan is er een mogelijkheid dat een taboe op welk vlak dan ook wordt doorbroken. “Het probleem lijkt dat als iedereen slachtoffer is, niemand het is. Ik bedoel daarmee dit: toen de joden na de oorlog terugkwamen, was er geen ruimte om te luisteren naar individuele verhalen, omdat iedereen gepijnigd was. De pijn van al die mensen gaat ondergronds een eigen leven leiden.”

“Maar ook ontkenning kan een rol spelen, bijvoorbeeld zoals ze in China met gehandicapte kinderen omgaan. De maatschappij wil het niet weten, dus ze worden ofwel weggestopt, ofwel je doet net of het kind normaal is. Ontkenning en afwijzing enerzijds of geen ruimte voor het individuele verhaal anderzijds houdt beide in dat er geen acceptatie is en dus ook geen weg naar genezing.”


Niet de mens verandert

Naast zijn dringende oproep om te praten over wat er is gebeurd ten tijde van het misbruik in de katholieke kerk van de jaren zestig tot negentig en de acceptatie van de rol van slachtoffer, benadrukt Chesal dat we ons bewust moeten blijven van het feit dat het misbruik niet uit de wereld verdwenen is. Het massale misbruik mag dan wel zijn afgenomen omdat de internaten weg zijn en er minder priesters zijn dan toen, maar dat betekent alleen dat de omstandigheden zijn veranderd, niet de mens zelf. Dat blijkt uit het feit dat er momenteel sprake is van veelvuldig misbruik in de sterk opkomende evangelische kerken. “Onder druk van snelle groei wordt niet voldoende aandacht besteed aan een gedegen check van mensen aan wie kinderen worden toevertrouwd. Datzelfde was het geval in de katholieke kerk die tussen circa 1850 (toen de katholieke kerk dezelfde status kreeg als de protestantse kerk) en 1950 een explosieve groei kende.”



Er zijn nog steeds recente verhalen van mensen die zijn misbruikt, misbruik van de laatste tien, vijftien jaar. In de nieuwe, evangelische kerken, maar ook in de katholieke kerk. Want waar bleven de verbannen paters? Het is bekend dat een pater die op Curaçao jongens verkrachtte, nu in Brabant werkzaam is. De familie van het slachtoffer houdt haar mond omdat die nog altijd afhankelijk is van het geld dat ze van de kerk ontvangt en ook het verantwoordelijke bisdom zwijgt erover.
  
Chesal: “Zo lang de economische macht van de kerk niet afneemt, zal de rol van de kerk blijven ingebed in de economie. We kunnen het celibaat alleen niet verantwoordelijk stellen voor het misbuik; het gaat om machtsverhoudingen en een blijvend vertrouwen in de goedheid van religieuze leiders. Een voorganger geldt niet als ‘normaal’ mens, maar geniet als charismatische leider meer vertrouwen en daarmee macht dan we op het eerste gezicht verwachten.”

Voorgangers hebben hoe dan ook, in welke tijd dan ook een bepaalde positie. Dat geldt niet alleen in de katholieke of de evangelische kerk, maar ook in de joodse gemeenschap waar Chesal zelf uit stamt.

Oud embryo. Werk van PAL


Doorbraak naar eigen ervaring

De ervaringen die we beschreven in het voorgaande artikel deden wat met Robert Chesal. Zo betekende het verhaal van de Curaçaose Felida voor hem persoonlijk een doorbraak. Hij was onder de indruk van de moed van deze man om op zoek te gaan naar zijn dader. De vraag die de Curaçaose Cora hem stelde of hij zelf bereid zou zijn om zijn verhaal te vertellen als hij in haar schoenen stond, deed hem besluiten in zijn eigen verleden te gaan graven. Door alle verhalen kwam Chesals jeugd terug, waarin ook sprake was van seksueel misbruik. Deze ervaringen plus het feit dat hij in december 2010 op Curaçao was voor het optekenen van de verhalen, maakte zijn keerpunt duidelijk.

“In die hete natte decembermaand van 2010 werd ik teruggeslingerd naar mijn eigen jeugd in Florida, waar dezelfde broeierigheid heerste, er viel een deken van vochtige warmte over me heen.” De zoektocht naar seksueel misbruik in de katholieke kerk werd een zoektocht naar zijn eigen verleden, waarin hij ten prooi viel aan een pedofiel, een parttime muziekleraar op de joodse school. Deze Rick nam hem mee naar zijn huis, zogenaamd om daar gitaar te spelen, drogeerde hem om hem vervolgens te misbruiken.

“Ook hier gold dat er een tekort was aan mensen en zonder check werden er leraren aangenomen. Ook deze muziekleraar behoorde tot het ‘soort’ dat bewust werk opzoekt waar kinderen aanwezig zijn”, aldus Chesal, die wanhopige pogingen deed met de leraar in contact te komen, maar die tot op heden op niets uitliepen.

Foto © Michiel van Kempen


Troostprijs

In zijn in 2012 verschenen boek Een verzwegen verleden doet hij verslag van de zoektocht die begint bij het aan de kaak stellen van het misbruik in de kerk maar steeds meer zijn persoonlijke zoektocht wordt. Door deze zoektocht komt hij bovendien achter een pijnlijk feit: zijn vader blijkt niet zijn echte vader te zijn. Chesal zit op dit moment middenin de zich opstapelende emoties die alle zijn onder te brengen onder de noemer van de onuitspreekbaarheid der dingen, zoals hij het omschrijft.
  
“De onuitspreekbaarheid zit in het feit dat mijn moeder een relatie bleek te hebben buiten haar huwelijk, van wie ik het product ben, iets wat ze mij nooit heeft verteld. De onuitspreekbaarheid zit ook in het verdriet van mijn vader, die mij moest opvoeden, maar voor wie ik dagelijks het levende bewijs was van het overspel. Ik voel me een troostprijs, die het middelpunt is van liefde en verdriet. Ik ben gemanipuleerd door mijn moeder en probeer medeleven met haar te voelen, wat moeilijk is omdat zij inmiddels is overleden.”

Het feit dat dit Chesal is overkomen, heeft naar eigen zeggen gemaakt dat hij journalist is geworden “Ik wilde altijd speuren, altijd onderzoek doen omdat ik levenslang een basisgevoel had dat er iets niet klopte: someone is not telling me something.”


Trauma nooit weg

Zijn eigen ervaringen, de onthullingen over zijn verleden, maar ook de verhalen van zo vele beschadigde mensen is voor Chesal aanleiding zijn weg verder te zoeken in de journalistiek, ook na zijn ontslag in 2012 vanwege de reorganisatie van de Wereldomroep. Hij wil zich specifiek richten op zaken rond het menselijk lichaam, van seksueel misbruik tot euthanasie en de keuzevrijheid van vrouwen.


 “Een misbruikverleden sluit je nooit af als je de erkenning die je zoekt nooit hebt gekregen. Geen misbruikslachtoffer is er ooit mee klaar, je kunt het niet vergeten, het trauma gaat nooit weg. Het enige dat je kunt doen is er bewust mee omgaan. De onuitspreekbaarheid der dingen, dat is wat ik door de journalistiek bespreekbaar wil maken. Verhalen vertellen aan elkaar, kwetsbaar durven zijn, oog in oog staan met elkaar en van daaruit de acceptatie van mens tot mens, van volk tot volk.”

Robert Chesal - Een verzwegen leven. De dramatische waarheid achter de façade van een gewone familie.Bertram + de Leeuw Uitgevers, 2012, ISBN 9789461560957.

[uit Amigoe, zaterdag 25 mei 2013]


Seksueel misbruik massaal door de vingers gezien (1)

De zeven hoofdzonden. Werk van PAL.


door Mineke de Vries


Toen journalist Robert Chesal het seksueel misbruik in de katholieke kerk op grote schaal onthulde in 2010, kwamen vele meldingen binnen van mensen die waren misbruikt in Nederland, maar per direct waren er ook meldingen uit Curaçao. Een golf van publiciteit was het gevolg. In Nederland welteverstaan, niét op Curaçao. In zijn recent verschenen boek Een verzwegen leven doet Chesal verslag van de gruwelijkheden, ook op Curaçao. Maar wie denkt dat het misbruik is gestopt, heeft het mis: met financiële vergoedingen en in die zin afhankelijkheid van de kerk worden momenteel veelal arme gezinnen het zwijgen opgelegd.
 
De zeven hoofdzonden. Werk van PAL
 “Een misbruikt kind is getekend voor zijn leven, misbruik verdwijnt nooit uit je hart en bestaan. De zoektocht naar erkenning is levenslang.” Dat zegt de uit Amerika afkomstige Robert Chesal, die als journalist bij Radio Nederland Wereldomroep (sinds 1990) samen met NRC-journalist Joep Dohmen het grootschalige misbruik binnen de katholieke kerk op het spoor kwam. Ze doken er samen in en het liet hen niet meer los. Chesal was genoodzaakt enige tijd te stoppen aangezien de meldingen hem te zwaar vielen.

De schok en het afgrijzen trok een wissel op de Nederlandse samenleving. Moeizaam en frustrerend was het proces omdat het zwijgen en verdraaien van feiten aan de orde van de dag was. Zelfs de commissie-Deetman - ingesteld om onafhankelijk onderzoek te doen - bleek minder onafhankelijk dan verwacht. In haar rapport uit 2011 (1257 pagina’s) wordt toegegeven dat sinds 1945 tienduizenden jongens en meisjes seksueel zijn misbruikt door kerkdienaren. Ondanks verwijtbare feiten stapte geen enkele bisschop op. De discussie laaide enige weken geleden in Nederland weer op toen NRC een artikel van Dohmen en Chesal publiceerde over hun onderzoek naar de onbetrouwbaarheid van het rapport, waarin nieuwe verzwegen feiten aan het licht kwamen. Zoals de castratie die een minderjarige jongen onderging als straf nadat hij het misbruik had gemeld. Maar ook het feit dat een aantal (nog zittende) bisschoppen al die tijd de hand boven het hoofd gehouden was, waaronder Ad van Luyn (toenmalig bisschop van Rotterdam en hoofd van de bisschoppenconferentie).

Ook in maart presenteerde Deetman zijn tweede rapport over het geweld tegen meisjes, wat eveneens een regen aan kritiek ontving vanwege weglatingen en bagatelliserende opmerkingen.


RK kerk Soto, Curaçao. Foto © René Roodheuvel


Misstanden in Curaçao

In navolging van de commissie-Deetman stelde het bisdom Willemstad in 2010 de onderzoekscommissie-Koeijers in, die zaken op Curaçao moest onderzoeken. Dit vanwege het feit dat direct na de eerste publicaties een aantal reacties uit Curaçao binnenkwam, wat het vermoeden deed rijzen dat er meer aan de hand was. In tegenstelling tot een lijvig rapport van Deetman ondernam de commissie-Koeijers geen actie toen er klachten binnenkwamen en liet met regelmaat weten geen tijd te hebben gehad om te vergaderen. Het bisdom, als eerst verantwoordelijke, leek niet van plan werk te maken van de misstanden. Op papier bestaat de commissie nog steeds.

Chesal: “Aangezien de kerk zo’n belangrijke rol speelt in de Curaçaose maatschappij, betrokken wij Curaçao in ons onderzoek. De Caribische afdeling van de Wereldomroep zag inmiddels ook voldoende aanleiding. We ontdekten dat de kerk, zo geliefd en invloedrijk, financiële macht gebruikte om mensen de mond te snoeren. Gezinnen, afhankelijk van de kerk voor hun levensonderhoud, moesten het misbruik waarvan zij op de hoogte waren op de koop toe nemen. Dit vertelde ons een anonieme bron: een vrouw werkzaam in de kinderhulpverlening.”

Don Sarto School. Foto © Lisette Wellens


In dit eerste deel doen we verslag van een aantal misbruikzaken die zich op Curaçao afspeelden, waarbij we aantekenen dat alle zaken die worden aangekaart nooit zijn weerslag mogen hebben op de liefdevolle zorg van andere broeders en nonnen. In deel 2 gaan we in op het accepteren van de slachtofferrol en waarom dat zo moeilijk is op Curaçao. Ook volgt in deel 2 Chesals persoonlijke verhaal over het misbruik dat hijzelf onderging.

Onder de meldingen die Chesal vanuit Curaçao ontving was die van een nu zestigjarige man, die uitsluitend onder pseudoniem Johnny wil praten. Hij vertelde over misbruik en mishandeling van tientallen kinderen door twee fraters in het internaat in Soto. Beide fraters, waaronder het verantwoordelijke hoofd van de Don Sarto lagere school, behoorden tot de Fraters van Tilburg, over wie ook in Nederland vele meldingen binnenkwamen uit de jaren zestig en zeventig en die zich bovendien vergrepen aan zwakbegaafde en geestelijk gehandicapte jongens van het De La Salle-instituut in Brabant.

Johnny was tien toen het misbruik begon. “Het gebeurde op de kamer van een frater, je moest je broek opendoen en dan begon hij te friemelen. Je durft niet meer naar binnen, omdat je weet wat er gaat gebeuren.” Volgens Johnny troffen de betastingen die op school plaatsvonden alle leerlingen, ook diegenen van buiten het internaat. Johnny vertelde tevens van regelmatige fysieke mishandelingen.

Voetbalgroep Curaçao. Archief Fraters van Tilburg


Frater Broer Huitema, wereldwijd de hoogstverantwoordelijke van de Fraters van Tilburg, weet dat het gebeurde. “Fraters die zich hieraan schuldig maakten, werden overgeplaatst naar andere - administratieve - posities, weg van kinderen. Aangifte bij de politie werd niet gedaan, noch werd contact gezocht met ouders.” In de jaren zestig tot eind 1995 waren de Fraters van Tilburg betrokken bij het onderwijs op de Antillen, in Suriname en Indonesië.


Trauma herbeleven

Chesal sprak op Curaçao één van de jongens die in de jaren vijftig op het jongensinternaat het Juvenaat zat, een prestigeproject voor Curaçao, de trots van de kerk. Deze nu zeventigjarige man was in zijn internaattijd een bedplasser. Een pater hielp hem ‘s nachts zijn bed verschonen, maar misbruikte de jongen vervolgens, een misbruik dat twee jaar doorging. Chesal: “Angstig om zich heen kijkend of iemand hem zag, betrad deze man het hotel waar wij hadden afgesproken. Even daarvoor had hij het misbruik, levenslang als geheim bij zich gedragen, aan zijn dochter verteld. De tranen stroomden over zijn wangen toen hij door het vertellen het trauma herbeleefde.” Een aantal jaren na het misbruik sloot het internaat plotseling en uitsluitend geruchten deden de ronde. De man in kwestie deed zijn beklag bij de ’onafhankelijke’ klachtencommissie-Koeijers, maar hoorde maandenlang niets, nog geen ontvangstbevestiging. Chesal: “Mensen weten inmiddels dat ze niet bij de kerk terecht kunnen, dus melden ze hun klachten daar niet meer. Omdat er dus weinig binnenkomt, lijkt het of het niet is gebeurd. Dan is de cirkel rond. Mijns inziens moet er een onafhankelijk lichaam komen, dat de zaken uitzoekt.”
 
Ronald Koeijers. Foto © René Roodheuvel

Verwrongen

De reputatie van de kerk blijkt elke keer belangrijker dan het belang van het slachtoffer. Een patroon dat niet alleen in de kerk, maar ook daarbuiten is te zien: overal waar kinderen in institutionele zorgsituaties van de zorg van volwassenen afhankelijk zijn, waar volwassenen macht hebben over kinderen, bij scouting, bij een sportclub gebeurt dit, wereldwijd. Zo wordt in Noord-Amerika, Europa en Australië het seksueel misbruik inmiddels aan de kaak gesteld. Het is universeel menselijk gedrag, hoe onmenselijk tegelijkertijd. Chesal: “Dat het in de kerk zo’n vlucht kon nemen heeft te maken met de vele zorgsituaties, zoals internaten en kostscholen onder kerkelijke leiding maar ook parochiale situaties, waarbij misdienaren bij priesters thuis kwamen of de priester een vertrouwde figuur binnen de familie werd.”

Wat we bij het kerkelijk seksueel misbruik niet uit het oog mogen verliezen volgens Chesal, is de verwrongen seksualiteit van de paters, door het celibaat in de hand gewerkt, maar ook het ontbreken van realistisch seksueel onderwijs. “Het onderwijs in de katholieke kerk is gebaseerd op de seksuele moraal uit de middeleeuwen en is nooit aangepast aan de praktijk, een verouderd beeld dat destructief blijkt. Ook jongeren leren vanuit dit onderwijs slechts dat ze zich moeten onderwerpen aan het gezag en zijn zodoende weinig weerbaar.”

Naast misbruik ontstaan vanuit verwrongen seksualiteit, staan pedofielen die doelbewust op zoek gaan naar werk waar kinderen in groten getale aanwezig zijn, zo stelt Chesal. Een niet onbelangrijk gegeven is verder dat vele mannen in de jaren vijftig die vanwege homofilie of pedofilie niet pasten binnen de moraal van trouwen en kinderen krijgen een gepast toevluchtsoord zochten in de kerk, waar zij een status genoten die zij anders zouden moeten ontberen.

Sint Annakerk, Otrabanda. Foto © Ferdinand Willemse


Antenne voor timide kinderen

Het leek de vrolijke goedlachse Curaçaose ‘Cora’, therapeute van beroep, zinvol om met haar misbruikverhaal naar buiten te komen, zij wilde degene zijn die de discussie rond seksueel misbruik op Curaçao zou openbreken. Na een paar gesprekken met Chesal togen zij samen naar Curaçao om terug te gaan naar de plaats waar het misbruik plaatsvond. In twee verschillende periodes van haar jeugd werd Cora slachtoffer: toen ze acht was in de Sint Annakerk in Otrobanda en als twaalfjarige in de kerk van Suffisant, waar ze door verschillende paters werd misbruikt, onder meer in de biechtstoel. “Cora was een onzeker, zoekend meisje, de uitverkorene van mannen als deze”, vertelt Chesal. “Misbruikers hebben een antenne voor timide kinderen.” De strijdlustige, inmiddels zeventigjarige Cora uit Nederland verandert op Curaçao voor Chesals ogen op slag in het timide meisje, dat terugschrikt voor het effect dat het op de plaats van het misbruik zijn op haar heeft. “De openhartige vrouw wordt onbereikbaar, het wordt heel moeilijk haar te spreken. In de sfeer bovendien van daar, opgenomen tussen vrienden en familie, blijkt ze in een tang te komen. In hotel ‘t Klooster waar we hebben afgesproken met vrienden uit haar kindertijd rolt het verhaal eruit, met een klein kinderlijk stemmetje als van het kind van toen.” Chesal, die bij het vertellen erover zelf een brok in zijn keel krijgt: “Het was ongelofelijk wat het effect van het vertellen had op haarzelf en op haar vrienden.”


Ralph Raveneau. Foto © Robert Chesal

Sadistische mishandeling

Naast seksueel misbruik zijn er verhalen van mishandeling. Van nonnen, van wie niet bekend is dat ze zich schuldig maakten aan seksuele handelingen, wordt gezegd dat ze snel overgingen tot fysiek geweld, bijvoorbeeld slaan met stokken. Fysieke mishandeling kwam ook voor op het Sint Paulus College, een lagere school in Groot Kwartier van de Broeders van Dongen, een congregatie sinds 1948 actief op Curaçao. Ondanks dat de tijdsgeest in ogenschouw moet worden genomen waarin kinderen het ook thuis zwaar te verduren hadden, was Ralph Raveneau (61) één van de slachtoffers uit de jaren zestig van het sadisme van de gevreesde Broeder P., die kinderen terroriseerde, vernederde, bespuugde en mishandelde. Een broeder die dusdanige vreselijke lijfstraffen gaf dat angst de herinneringen kleurt van kinderen van deze school.

In de jaren vijftig en zestig waren het met name Nederlandse geestelijken die op Curaçao verbleven: de Fraters van Tilburg, Broeders van Dongen, vele priestercongregaties en nonnenordes. Toen in de jaren zeventig het aantal roepingen terugliep, dreigde een tekort aan geestelijken, zodat priesters uit Latijns-Amerika werden gehaald, met name uit Colombia.

Als slot van dit artikel het verhaal van Aldrico Amando Felida, die als veertienjarige misdienaar in 1976 het slachtoffer werd van de Colombiaanse pastoor Fabias in de parochie Jan Doret. Toen Fabias de jongens uitnodigde te blijven slapen om te oefenen voor de processie, moest Felida als uitverkoren misdienaar ‘extra oefenen’ in de kamer van de pastoor, waar deze bij hem kwam liggen en Felida afschuwelijke dingen liet doen. “Je voelt dat het verboden is, maar wie zou je geloven? Je hoopte dat het snel over was.” Toen het misbruik bij Aldrico’s ouders aan het licht kwam, vertrok de pastoor snel daarna, verbannen naar Colombia, zei men. In de preek kort na het incident werd de parochianen verteld dat de jongens in het dorp de kerk niet meer dienden en een duivelse weg waren ingeslagen.

Een jaar daarna vertrok Felida naar Nederland, waar hij jaren beleefde van depressie tot zelfmoordpogingen aan toe. “Ik raakte in de war over mijn seksualiteit. Was ik homofiel? Had ik het uitgelokt? Zelfs na de geboorte van mijn zoon kwam alles weer naar boven.” Felida ging in 2008 terug om het af te sluiten, jaren voordat het onderwerp breed in de belangstelling van de media kwam. Pater Römer, Fabias’ opvolger nam hem mee naar het bewuste kamertje en vertelde dat bisschop Ellis destijds op de hoogte was van Fabias’ misbruik, zowel op Curaçao als in Colombia vóór zijn aanstelling in Jan Doret. De alom zeer geliefde Römer bleek van veel meer misbruik op de hoogte, ook na Felida’s vertrek.
 
Stanley Brown. Foto © René Roodheuvel
Het was publiek geheim - wat oud-politicus en oud-onderwijzer Stanley Brown bevestigde - dat Colombiaanse priesters die misbruik pleegden door het bisdom Willemstad in de jaren tachtig en negentig werden verbannen om ze uit handen van justitie te houden. Overgeplaatst en niet gestraft, zodat het misbruik elders kon verdergaan.

Felida bezocht Ellis’ opvolger bisschop Secco, die zei dat hij nooit misbruikgevallen kreeg overgedragen, maar stuurde uiteindelijk een excuusbrief, waarin ‘vergiffenis werd gevraagd voor het misbruik en alle gevolgen daarvan gedurende zijn leven’.


[uit Amigoe, 18 mei 2013]