Posts tonen met het label Donner Walther. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Donner Walther. Alle posts tonen

dinsdag 28 januari 2014

Oratie Professor Donner

Walther Donner
Recentelijk is een herdruk uitgekomen van de oratie die door prof. dr. W. Donner in 1969 werd uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de economische wetenschappen aan de toenmalige universiteit van Suriname. De titel van de oratie is: Enige opmerkingen over de betekenis van het wetenschappelijk bedrijfsonderzoek voor de opvoering van de arbeidsproductiviteit in Suriname. Curieus is dat zij de allereerste oratie vormde die bij de oprichting van de universiteit werd uitgesproken en de geest uitademt van het niveau dat zou worden nagestreefd en de richting aangaf die bij de opleiding van wetenschappers zou worden ingeslagen. Het boekje wordt gratis ter beschikking gesteld en kan worden afgehaald bij Office World Hermitage Mall. Telefoon 530 588 en 530 589. Vragen naar mevrouw Donna. Het boekje wordt warm aanbevolen voor degenen die geïnteresseerd zijn in de wetenschap en de wetenschapsbeoefening. Niet-intellectuelen zullen er niets aan hebben.

[mededeling Schrijversgroep '77]


dinsdag 19 november 2013

Tori battle in nieuw jasje

door Audry Wajwakana

Paramaribo - De eerste Tori Battle vorig jaar december viel bijzonder in de smaak. Dat er een vervolg van zou komen was dus te verwachten. Schrijversgroep ’77 (S’77) organiseert 11 december de tweede editie, die enigszins een andere opzet kent. In plaats van twee groepen nemen dit jaar acht individuen het tegen elkaar op.

Toriman Robby 'Rappa' Parabirsing in actie tijdens de Tori Battle 2012. Bij de nieuwe editie op 11 december nemen acht torivertellers het tegen elkaar op, in plaats van twee groepen tegen elkaar.

De deelnemers zijn: Nowilia Tawjoeram, Gerard 'Jorobodjie' Maynard, Eddy Lante, Guillaume Pool, Frits Wols, Sombra, Don Walther en Voz.

Regels
Ismene Krisnadath voorzitter van S'77, zegt dat enkele regels zijn gewijzigd. De verteller krijgt minimaal tien tot maximaal vijftien minuten de tijd om het verhaal voor te dragen. "Het mogen in geen geval losse moppen of verhalen zijn. De tori moet een geheel vormen", zegt ze. De deelnemers mogen om hun tori te ondersteunen ook gebruikmaken van percussie- instrumenten of een audio-instrument. "Maar dan gaat het alleen om de klanken. Het elektronische instrument mag niet ingesproken worden en de instrumenten mogen alleen door de verteller bediend worden."

Mengelmoes
Deelnemer Frits Wols reageert enigszins tevreden over de kleine veranderingen. Vorig jaar kwamen de vertellers van Tori Oso tegenover de vertellers van Schrijversgroep '77. Wols kreeg het gevoel dat de groep van Tori Oso haar aanhang had gemobiliseerd. "Als ik wist dat Scholsberg (winnaar Tori Balle 2012 ... red.) met zulke boeiende verhalen zou komen, zou ik mij in de groep van schrijvers beter voorbereiden", zegt hij. Toch merkt Wols op dat hij bij deze battle die voorbereiding niet nodig heeft. "Het wordt een leuke mengelmoes van waargebeurde verhalen van het binnen- en buitenland." Hij heeft er een beetje moeite mee dat het geen losse verhalen mogen zijn. "Als verteller moet je vrij zijn. Maar ik zal mijn best doen om mij aan de vastgestelde regels te houden", zegt hij opgewekt.

De wijze en de prostituee
(Helmut Newton - In my room in Montecatini)

Aangrijpend
Gerard 'Jorobodjie' Maynard doet voor het eerst mee aan zo 'n verhalenwedstrijd. Hij is begin dit jaar geremigreerd. "In Nederland heb ik veel verhalen op de radio verteld en ook nu hier in Suriname." "Sowieso heb ik meer dan tweehonderd verhalen te vertellen." Onder zijn artiestennaam zal hij het verhaal vertellen over de wijze en een prostituee. "Mensen moeten hun zakdoeken meenemen, want het is een aangrijpend verhaal dat gebaseerd is op de realiteit", ligt hij een tipje van de sluier.
De winnaar wordt net als vorig jaar door het publiek gekozen, maar dit jaar middels stemmen. De vertellingen starten om kwart voor acht en eindigen rond kwart voor tien. Omstreeks kwart voor elf moet de winnaar bekend zijn; die krijgt dan de prijs van SRD. 250,- als blijk van waardering. De organisatie vraagt bezoekers een vrijwillige bijdrage om de organisatiekosten te helpen dekken. Ook dit jaar is Andy Plak de conferencier.

[uit de Ware Tijd, 19/11/2013]


zaterdag 2 november 2013

Alle deelnemers Tori Batlle bekend

Nowilia Tawjoeram-Sabajo
Nowilia Tawjoeram, Jorobodjie (piai), Eddy Lante, Guillaume Pool, Frits Wols, Sombra, Don Walther en VOZ zullen hun beste tori-voet voorzetten op 11 december 2013. Tories zijn geliefd in Suriname en S’77 doet in samenwerking met Tori Oso graag mee met het levendig houden van deze literaire art vorm. Hoewel het niet om het geld gaat, - de fun en de tories zijn het belangrijkste - heeft S’77 toch gemeend een prijs van 250,- srd voor de winnaar gereed te houden als blijk van waardering. De winnaar wordt net als vorig jaar gekozen door het aanwezige publiek middels een stemming. Dit jaar wordt van de torimans/uma’s geëist dat zij rekening houden met een minumumverteltijd van 10 minuten en een maximumtijd van 15 minuten. Aan de bezoekers wordt een vrijwillige bijdrage gevraagd om de organisatiekosten te helpen dekken. Conferencier van de avond is Andy Plak.
Guillaume Pool. Foto © Romeo Haas

De avond begint om 19:30u met welkom, instructies en voorstellen kandidaten. Ook worden de stembiljetten uitgedeeld. De vertellingen zijn van 19:45u tot 21:45u. Daarna worden de stembiljetten opgehaald en in de stembus geplaatst. Daarna pauze. De stembus wordt gesloten om 22:15u. Dan begint direkt de openbare telling. Om 22.45 is de prijsuitreiking.

Informatie: tel. 8784120 / 8814686. Email:ismene.krishnadath@gmail.com of sdankerlui@gmail.com.

[Mededeling Schrijversgroep '77]

zaterdag 26 oktober 2013

Chinese verhalen op Tori Oso-avond 30 oktober

Foto Siu Wa Hen
Op 30 oktober is er in Tori Oso aandacht voor Chinees/Surinaamse verhalen. Heel toepasselijk in het licht van 160 jaar Chinese immigratie. Voor de pauze presenteert Irene Welles haar boek over de geschiedenis van een maatschappelijk werkster die jarenlang twee verwaarloosde Chinese jongetjes opving. Na de pauze vertellen Walther Donner, Willy Alberga en Ismene Krishnadath Chinees/Surinaamse verhalen. Verder is er op het programma ruimte ingeruimd voor Alphons Levens die zijn boek Ik zal leren totdat ik moe ben aan S’77 zal aanbieden. Ook de nieuwe flyer van Publishing Services Suriname voor de scholenactie 2013/2014 wordt gelauncht. De scholenactie wordt jaarlijks gehouden. Dit jaar staan er 61 titels van lokaal geproduceerde boeken op de lijst. De boeken zullen ook op de avond te koop zijn en kopers kunnen dan profiteren van een speciale korting van 10%. In de pauze signeren Alphons Levens, Irene Welles en andere aanwezige schrijvers hun boeken. Ceremoniemeester van de avond is Sombra.

Plaats: Tori Oso, Frederik Derbystraat 76.
Inloop: 19:30u. Tijd: 20.00 – 22.00u. Info 8784120.

[Mededeling Schrijversgroep '77]

woensdag 25 september 2013

Rechtsgeldigheid traktaten nader bekeken

door Bert Eersteling

Ik heb zeer bruikbare reacties gekregen op het eerder verschenen artikel naar aanleiding van het artikel van Mr. Carlo Jadnanansing over de kanttekening van Prof. Walther Donner op de vredestraktaten met de bosnegers in de jaren 1760, 1762 en 1764 [zie hieronder – red. CU]. De heer Donner vroeg zich af of de traktaten rechtsgeldigheid hebben. Hij maakte een vergelijking tussen de totstandkoming van het traktaat in Jamaica en de traktaten in Suriname. Hij constateert dat het traktaat in Jamaica onder gezag en met machtiging van de koning van Engeland tot stand is gekomen, terwijl de traktaten in Suriname niet onder gezag/machtiging van de koning zijn geschied, maar onder gezag van de gouverneur en de Raad van Politie en Criminele Justitie. De heer Donner vroeg zich af of Suriname in die periode een onafhankelijke status kende.

De Republiek der Zeven Verenigde Provinciën


Hierop heb ik gereageerd door te stellen dat de heer Donner een retorische vraag heeft opgeworpen, omdat hij zelf weet dat Suriname pas in 1975 een onafhankelijke status heeft gekregen. Uit de reacties die ik kreeg en het raadplegen van enkele historische bronnen, blijkt dat zowel de heer Donner als ik niet erop hebben gelet dat Nederland van 1588-1795 een Republiek werd die uit zeven onafhankelijke staten of provincies bestond. In de Franse tijd werd Nederland zelfs een Eenheidsstaat, die aangeduid werd als de Bataafse Republiek. Deze Eenheidsstaat duurde van 1806-1813. In 1813 herwon Nederland zijn vrijheid en in 1815 riep de uit ballingschap teruggekeerde Willem Frederik, bekend als Koning Willem I, zich uit tot Koning van het Koninkrijk der Nederlanden.


Het is dus logisch dat de Koning nooit de traktaten met de bosnegers kon hebben getekend of onder diens gezag of machtiging kon zijn aangegaan, omdat de koning of het koninkrijk der Nederlanden in de periode van de traktaten in Suriname gewoonweg niet bestonden. Ik ben dan verplicht de denkfout mijnerzijds te corrigeren. Ik schreef namelijk als reactie op de redenering van de heer Donner voor wat betreft de status van Suriname tussen 1760-1764 het volgende: "Omdat Suriname geen onafhankelijk land was, zijn de traktaten dus onder gezag en met machtiging van de koning tot stand zijn gekomen". Dit is zoals eerder betoogd incorrect. Deze foutieve vaststelling is gemaakt zonder goed in herinnering te nemen de kennis die wij hebben opgedaan bij het vak vaderlandse geschiedenis.

In elk geval blijft mijns inziens, ondanks de correctie als hierboven gepleegd, de opgeworpen stelling van de heer W. Donner met betrekking tot de vredestraktaten recht overeind. Het is van belang in de nadere bestudering van dit vraagstuk mee te nemen het feit dat de traktaten herzien zijn na herstel van het koninkrijk der Nederlanden. Ik neem gevoeglijk aan dat de ondertekening van de herziene traktaten wel in naam van het herstelde koninklijke gezag moet zijn geschied.
Dus zijn de traktaten zoals herzien in respectievelijk 1835 en 1837 wel of niet rechtsgeldig?

[uit Starnieuws, 25 september 2013]



Juridische status vredestraktaten vaststellen

door Bert Eersteling

In het artikel 'Marronverdragen zijn een kopie van de Jamaicaanse' van de hand van mr.Carlo Jadnanansing, wordt melding gemaakt van de stelling van mr.dr Walther Donner aangaande de rechtsgeldigheid van de traktaten. In het bedoelde artikel van de heer Carlo Jadnanansing lijkt het erop dat de heer Walther Donner de rechtsgeldigheid van de traktaten met de Aucaners, de Saramaccaners en de Matawai in twijfel trekt, omdat deze traktaten niet in naam van de koning, maar onder gezag of in naam van de gouverneur zouden zijn gesloten. Tenminste indiceert hij in het artikel, door de rechtsgeldigheid aan de orde te stellen, dat er iets juridisch niet in orde zou zijn met de traktaten.

The Maroons in Ambush on the Dromilly Estate in the parish of Trelawney, Jamaica. The painting was done by J. Bourgoin and engraved by J. Merigot. It was published by J. Cribb (London, 1801).


De heer Donner maakt in het artikel, dat verschenen is in het juristenblad, een vergelijking tussen de traktaten van Jamaica en Suriname voor wat betreft de totstandkoming. In Jamaica zou het traktaat namens en met machtiging van de koning tot stand zijn gekomen. In Suriname zou het eerste traktaat (1760) gesloten zijn met de gouverneur en de Raad van Politie en Criminele justitie, die toen als een soort parlement fungeerde. Naar aanleiding van de constatering zoals hierboven aangehaald is, stelt de heer Donner zich de vraag of Suriname toen als een soevereine staat kon worden beschouwd, die zelfstandig bevoegd was om traktaten te sluiten. Overigens een vraag die retorisch van aard is.

Orale geschiedenis
De hoogleraar Donner concludeert volgens het artikel dat er contacten hebben bestaan tussen de Jamaicaanse slaven en de Surinaamse slaven, omdat Araby van de Aucaners, bij een contact met een delegatie van de gouverneur, gerefereerd zou hebben aan het traktaat dat gesloten werd met de Maroons in Jamaica.


Of de voornoemde conclusie van de heer Donner met de door hem aangehaalde onderbouwing correct is, kan ik niet beoordelen. Het kan wel zo zijn dat de heer Donner ook kennis draagt van wat zeker in de orale geschiedenis bekend is, namelijk dat een van de Aucaanse onderhandelaars, de heer Boston Band, een bijzonder belangrijke rol vervuld heeft bij de totstandkoming van het traktaat met de Aucaners in 1760. Deze Boston Band behoorde tot de Compai clan of lo, en zou het schrijven en lezen machtig zijn. Hij was slaaf in Jamaica, maar belandde later (niet bekend hoe en wanneer) in de kolonie Suriname.

Hij ontvluchtte de slavernij en voegde zich bij de clan/lo der compai-nenge. Deze clan/lo komt voor in de dorpen Mpusu, Poowi en Tjong-tjong aan de Tapanahony. Een grote groep compai-nenge uit Poowi woont ook in het misidjan-nenge dorp Lebidoti aan de Sarakreek. Kennelijk heeft Boston Band de ervaringen van Jamaica voor wat de vredesverdragen betreft naar de bossen van Suriname meegenomen. Dr. Silvia de Groot heeft in een van haar pennenvruchten gewag gemaakt van de wezenlijke bijdrage van Boston Band aan het vredesverdrag met de Aucaners. De conclusie van de heer Donner kan ook aan deze informatie van S. de Groot haar grondslag gehad hebben.

In elk geval heb ik met de twee voorbeelden willen aangeven dat het geen nieuwe inzichten of assumpties zijn dat een verband gelegd kan worden tussen de vredesverdragen van Jamaica en Suriname. Er kunnen ook meerdere bewijsbare argumenten bestaan, die goed en helder de relatie tussen de twee vredesverdragen aangeven. Vooralsnog houd ik het op deze informatiebronnen, namelijk de orale lezing die de afkomst van Boston Band aangeeft en de vermelding van Silvia de Groot over de bijdrage van Boston Band aan het vredesverdrag met de Aucaners.

Rechtsgeldigheid Surinaamse traktaten
Ik weet niet waarom, en met welk juridisch argument de heer Donner meent te moeten vaststellen of vermoeden, dat er verschil bestaat in het tekenen van het traktaat in Jamaica in naam van de Koning en onder zijn machtiging en de in Suriname getekende traktaten door de gouverneur en een soort parlement.

Suriname was in 1760 absoluut nog een kolonie van Nederland waarbij alles in naam van de Koning en onder diens machtiging werd gepleegd. Het lijkt mij interessant om de ordonnantiën van die periode te raadplegen om goed vast te stellen welke correspondentie heeft plaatsgevonden tussen het koloniaal bestuur en het koningshuis voor, tijdens en na de totstandkoming van de vredestraktaten. Het is ook voer voor juristen, historici en anderen om aan de hand van feitenmateriaal vast te stellen of er sprake is van rechtsgeldigheid of niet van de vredestraktaten.


Onverminderd het resultaat van het bovenstaande, blijkt dat de traktaten in Suriname, zeker voor een periode hun functionaliteit hebben bewezen. Want er was een afbakening waarbinnen de bosnegers zich vrijelijk konden bewegen. Er waren controleposten waar posthouders geplaatst waren. Het traditionele gezag functioneerde buiten of naast de jurisdictie van het gezag in Paramaribo.

Het traject dat de bosnegers moesten volgen om zaken te doen in Paramaribo was ook bekend. Bij de herziening van het vredestraktaat van 1760 is na onderhandeling dit traject gewijzigd. Er zijn, zij het zeer marginaal, mensen overgeleverd aan het koloniaal bestuur. De ordenings- en rustscheppende functie van de traktaten hebben voor bepaalde momenten in onze geschiedenis waarde gehad. Uiteraard is gedurende deze periode onder ander de Boni-oorlog ontstaan. Een oorlog die overigens een ruimer bevrijdingsdoel had.

Conclusie
Ik vind dat de professor, zoals ik hem van zijn artikelen ken, met zijn bijdrage een poging heeft ondernomen om Surinamers aan het denken te zetten over het onderhavige vraagstuk. Dat moet als zeer lofwaardig gezien worden. Met dit specifieke onderwerp wil hij kennelijk bevorderen dat er van uit het nationaal oogpunt een Suricentrische benadering wordt gegeven aan onze geschiedbeschrijving. Laat de Surinamers een goed onderbouwde mening geven over de vredestraktaten. Immers er zijn mensen die de vredestraktaten als bron/middel willen gebruiken om de 'grondenrechten' aan te vechten. De vraag is daadwerkelijk om vast te stellen wat de juridische status of waarde van deze vredestraktaten zijn.

Ik heb mijn persoonlijke visie over deze traktaten. Om strikt strategische reden ga ik hierover geen uitspraak doen. Ik feliciteer de Saramaccaners met het feit dat op 19 september 1762 het vredestraktaat met hun voorouders getekend werd. De Aucaners herdenken over drie weken het feit dat op 10 oktober 1760 het vredestraktaat getekend werd met hun voorouders. Ook alvast gefeliciteerd.

[uit Starnieuws, 22 september 2013]

'Marronverdragen zijn een kopie van de Jamaicaanse'

door Carlo Jadnanansing

In het zojuist verschenen tweede nummer voor 2013 van het Surinaamse Juristen Blad heeft Mr.Dr.W. Donner in een belangwekkend artikel een nieuw licht doen schijnen op het karakter van de Marronverdragen. Het is bij velen niet bekend dat er een historische relatie bestaat tussen de verdragen die in de toenmalige kolonie cq het wingewest Suriname gesloten waren met de Marrons en die welke in Jamaica waren afgesloten met de aldaar wonende Marrons. Hieruit blijkt overigens dat de term Marrons niet uniek is voor Suriname, maar wellicht een vertaling is van het Engelse Maroons.
 
Jamaican Maroon Captain Leonard Parkinson, 1796.
 Engraver Abraham Raimbach.
 From B. Edwards, The Proceedings of the Governor
 and Assembly of Jamaica, in Regard to the Maroon Negroes.
In de 18e eeuw kwamen in Jamaica twee vredesverdragen tot stand tussen de Maroons en het bestuur aldaar, namelijk in 1737 en 1738. In Suriname kwam nauwelijks twintig jaar daarna, in 1760 het traktaat met de Aukaners, dat thans als nationale dag wordt gevierd, tot stand en in 1762 het traktaat met de Saramaccaners.

Donner verwijst naar zijn boek over de Marronoorlogen, waarbij hij stelt dat de toenmalige gouverneur een delegatie stuurde naar de opperbevelhebber der Aukaner Strijdkrachten Araby om tot een vergelijking te komen. Dat er contact bestond tussen de Marrons in Suriname en die van Jamaica blijkt uit het feit dat Araby verwees naar de verdragen die in Jamaica waren gesloten met de Engelsen. Hij was bereid onder dezelfde voorwaarden als op Jamaica vrede te sluiten.

Donner wijst erop dat de verdragen in Jamaica gesloten waren namens en met machtiging van de Koning. In Suriname werd het eerste traktaat gesloten met de gouverneur en de Raad van Politie en Criminele Justitie, dat toen als een soort parlement fungeerde. Donner vraagt zich af of Suriname toen als een soevereine staat kon worden beschouwd, die zelfstandig bevoegd was om traktaten te sluiten. Hij stelt de rechtsgeldigheid van zowel de Surinaamse als Jamaicaanse aan de orde. De vraag is of de Marrons een eigen staat vormden.
Om te kunnen spreken van een staat is de afbakening van het grondgebied, territorialiteit, noodzakelijk. Noch de Jamaicaanse, noch de Surinaamse Marrongebieden zijn ooit door een soevereine staat als nationale staat erkend. Vandaar dar de auteur zijn twijfel uitspreekt over de rechtsgeldigheid van de traktaten.

Behalve het artikel van Donner bevat het jubileumnummer van het SJB, dat haar 50-jarig bestaan met dit jaar 2013 viert, vele andere interessante artikelen onder andere over het Surinaams Ruimtelijk Ordeningsrecht dat middels het Ministerie van ROGB regelmatig in de belangstelling staat van de hand van twee Nederlandse rechtswetenschappers Turenhout en Verbruggen. Verder van de hand van Van Genderen-Naar een artikel over de voorlopige toepassing van verdragen en overeenkomsten zoals de EPA en de Grondwet van Suriname. Belangrijk is verder ook de herplaatsing van een artikel van Halfhide over eigendom van delfstoffen, welk artikel door de auteur (oud-advocaat) geactualiseerd is.

[uit Starnieuws, 15 september 2013]


zondag 22 september 2013

Donner over Marronverdragen in Juristenblad

Groep Aukaners van de Sarakreek, ca. 1900-1940. (Collectie KIT.)

In het zojuist verschenen tweede nummer voor 2013 van het Surinaamse Juristen Blad heeft Mr.Dr.W. Donner een nieuw licht doen schijnen op het karakter van de Marronverdragen. In de 18e eeuw kwamen in Jamaica twee vredesverdragen tot stand tussen de Marroons en het bestuur aldaar, namelijk in 1737 en 1738. In Suriname kwam nauwelijks twintig jaar daarna, in 1760 het traktaat met de Aukaners, dat thans als nationale dag wordt gevierd, tot stand en in 1762 het traktaat met de Saramaccaners. Donner verwijst naar zijn boek over de Marronoorlogen, waarbij hij stelt dat de toenmalige gouverneur een delegatie stuurde naar de opperbevelhebber der Aukaner Strijdkrachten Araby om tot een vergelijking te komen. Dat er contact bestond tussen de marrons in Suriname en die van Jamaica blijkt uit het feit dat Araby verwees naar de verdragen die in Jamaica waren gesloten met de Engelsen. Hij was bereid onder dezelfde voorwaarden als op Jamaica vrede te sluiten. Behalve het artikel van Donner bevat het jubileumnummer van het SJB, vele andere interessante artikelen onder andere over het Surinaams Ruimtelijk Ordeningsrecht dat middels het Ministerie van ROGB regelmatig in de belangstelling staat. Verder een artikel over de voorlopige toepassing van verdragen en overeenkomsten zoals de EPA en de Grondwet van Suriname. Belangrijk is verder ook de herplaatsing van een artikel van Halfhide over eigendom van delfstoffen, welk artikel door de auteur (oud-advocaat) geactualiseerd is.

[mededeling Schrijversgroep '77]

donderdag 8 november 2012

Schrijversgroep vierde 35-jarig bestaan

Leden van de Schrijversroep, van rechts af: Sombra, Walther Donner, Frits Wols, Ismene Krishnadath


Op 31 oktober 2012 werd in geanimeerde sfeer het 35-jarig jubileum van Schrijversgroep ’77 gevierd alsmede de 20-jarige samenwerking met Tori Oso. Ter gelegenheid hiervan was er een expo van boeken van 30 schrijvers, aangesloten bij S’77, en de vertoning van een film. Ook waren er voordrachten en felicitatieboodschappen van o.a. Frits Wols en Yvonne Raveles. Arlette Codfried trakteerde op populaire Hindostaanse liederen uit de beginjaren van S’77, waarvan de laatste flink werd meegezongen door het publiek.

De taart wordt aangesneden. V.l.n.r. Ismene Krishnadath, Arlette Codfried en Sombra met nieuw hoedje.


Ook de verjaardagstaart was een traktatie van Arlette. Met A di mi yere yu feryari werd de taart aangesneden. De film liet gesprekken zien van Sombra, Frits Wols, Osje Braumuller en Ismene Krishnadath over de geschiedenis van Schrijversgroep en de samenwerking met Tori Oso. De gesprekken worden afgewisseld met beelden van geschreven materiaal en boekcovers. Gespreksleiders in de film zijn respectievelijk Arlette Codfried, Roué Hupsel en Anne Huits.De film is gemaakt door de STVS en is in twee versies verkrijgbaar bij de Afdeling Productie van de STVS, tel 473032. Er is een korte versie van 35 minuten en een volledige versie van 90 minuten.

[Mededeling van Schrijversgroep '77]

zaterdag 23 juni 2012

Porter beziet/herziet Don Walther


In reactie op het gisteren op deze blogspot geplaatste interview met Don Walther/ Walther Donner zond onze bloedeigen hoffotograaf Nicolaas Porter ons deze foto.

vrijdag 22 juni 2012

Don Walther (Walther Donner)


Portret van de Surinaamse schrijver Don Walther (ps. van Walther Donner), gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 111 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Professor Walther Donner: 'Ik ben als romanschrijver wereldbekend'

door Tanya Wijngaarde      
Walther Donner


Onlangs werd professor Walther Donner in de Ware Tijd omschreven als ‘de bekendste Surinaamse schrijver van het Caribisch gebied’. Zelf noemt hij zich ‘wereldbekend’ als romanschrijver. Toch blijken maar weinig Surinamers van hem gehoord te hebben. Voor Parbode aanleiding om onmiddellijk langs te gaan bij deze miskende auteur.

Waar ligt uw navelstreng begraven?
“Hier, in Suriname. Ik ben opgegroeid in de Gonggrijpstraat. Wat kan ik daarover zeggen? Nee, over mijn vader praat ik liever niet; hij heeft ons nog vóór mijn geboorte verlaten. En ook mijn moeder, Augustina Vervuurt, heeft mij niet opgevoed. Ik ben opgebracht door mijn grootouders van moeders kant. Het staat allemaal in mijn boek Swietie Sranang kan me nog meer vertellen; herinneringen aan een rotjeugd. Heeft u het al? Jammer, ik had u ermee willen verblijden.”

Over uw ouders vertelt u weinig in het boek. En als ik de verhalen lees, klinkt het allemaal reuze vrolijk. Voetballen, zwemmen, kwajongensstreken en seks… Had u wérkelijk zo’n rotjeugd?
“Ach, rotjeugd. Ik doelde er daarmee vooralop dat iedereen bezig was met ‘weggaan’. Als het goed is, wil je toch niet weg? Maar als ik er op terugkijk, was het misschien zo slecht nog niet. Ik verkeerde eigenlijk in gelukkige omstandigheden, met een grote, beschermende familie. De Vervuurts waren een echte clan. Toch ben ik blij dat ik rond mijn dertiende uit Suriname ben vertrokken, dat heeft me gemaakt tot wie ik ben. Anders was ik nu een volstrekt onbenul.”

In uw boeken en artikelen bent u buitengewoon kritisch, om niet te zeggen uitgesproken negatief, over Surinamers. Het zijn betweters, laatkomers, ze laten zich niets zeggen en denken dat ze zonder enige kennis van zaken toch álles kunnen…
“Prins Bernhard heeft mij ooit gezegd: ‘degene die mij wijst op mijn fouten, die is mijn ware vriend’. Degene die me mijn gang laat gaan, terwijl hij wéét dat ik verkeerd bezig ben, zou mijn vijand kunnen zijn. Ik heb gewoond op Curaçao, Aruba en Barbados, in de VS, Nederland, Suriname en jarenlang in Costa Rica. Zo kan je goed vergelijken met Suriname. En je ziet ook in Nederland dat Surinamers het relatief slecht doen, in vergelijking met bijvoorbeeld Turken en Marokkanen. Er zitten maar drie Surinamers in het parlement, en wel twaalf Turken en Marokkanen! Terwijl er véél meer Surinamers zijn, en Surinamers bovendien Nederlands spreken. Waar komt die wanverhouding vandaan? Ik heb in Nederland veel in besturen van sociale instellingen gezeten, en bij de VVD. En áltijd als ik met Surinamers op de proppen kwam, was er een probleem. Het is het onvermogen om te verkeren in de samenleving zonder overlast te veroorzaken. Te laat komen is overlast, net als luidruchtigheid, vuilnis op straat gooien of roken bij mensen die er niet tegen kunnen.”

Wat een naar volk. Waarom bent u eigenlijk geremigreerd?
“Suriname is Luilekkerland. De mensen zijn goedlachs, het klimaat is lekker, Suriname is prettig om te wonen. Nou ja, eigenlijk was ik het niet van plan. Maar ik heb suiker, waardoor ik steeds meer moeite kreeg met lopen. Costa Rica is heuvelachtig, en het openbaar vervoer daar is ook een ramp. In Nederland kon ik het niet bolwerken vanwege de kou. Toevallig moest ik vorig jaar in Suriname zijn, vanwege de opening van die nieuwe bank Surichange - ik was in Nederland commissaris. Het was nooit mijn bedoeling hier te gaan wonen. Maar ik ontdekte dat mijnbenen er weer normaal uit gingen zien, mijn haar begon weer te groeien, mijnsuiker werd minder, ik viel een beetje af. Het ging opeens in alle opzichten beter met me, vooral qua gezondheid. Dus toen besloot ik te blijven. Alleen mijn vrouw weigert te komen, dat is wel vervelend. Die stuurde net nog een e-mail vol met redenen waarom ze hier absoluut niet wil wonen.”

Er stond een heel lovend berichtje over u in de Ware Tijd, begin juni. De tekst was bij de dWT-redactie binnengekomen als persbericht. Had u het zelf geschreven?
“Nee. Ik weet niet wie dat gedaan heeft, ik heb het nooit gezien. Word ik erin geciteerd? Vreemd.”

In dat bericht wordt u ‘de bekendste Surinaamse schrijver van het Caribisch gebied’ genoemd. Vindt u dat zelf ook?
“Nou… Ja, ik ben voor zover ik weet de enige wiens werk vertaald is in onder meer het Engels en Spaans. Dus dat maakt me de bekendste.” [Van Albert Helman zijn verschillende werken vertaald in het Engels en Spaans (en andere talen) en verschenen bij gerenommeerde uitgeverijen in Zuid-Amerika. - red. CU]

U heeft eens gezegd dat u aan voormalig rechter Reinier Oosterling te danken hebt dat u romans bent gaan schrijven. Hoe zit dat?
“Dat is een heel lang verhaal. Het komt er op neer dat ik de vrouw van een overleden vriend hielp met een bedrijf, en daardoor zelf in financiële problemen kwam. Toen besloot ik een loterij te organiseren. Ik liet de loten drukken in Guyana, en verkocht ze op Curaçao en Aruba. Nee, ik had geen vergunning, ik dacht dat ik op die manier in Suriname niets fout deed. Maar op een dag kwam iemand van Curaçao naar Suriname om zijn geldprijs te zoeken. En toen ben ik gegrepen door de Surinaamse autoriteiten. Acht maanden heb ik in Santo Boma gezeten. Dan heb je wel veel tijd, maar zonder naslagwerken kan je geen wetenschappelijke artikelen schrijven. Nou ben ik geen geweldig lezer, ik heb zelfs nog nooit een Nederlandstalige roman gelezen. En ik had nooit meer dan een zes voor Nederlands. Maar ik kreeg in Santo Boma een boek in handen, The Carpetbaggers van Harold Robbins, en toen ik dat las, dacht ik: ‘dat kan ik ook!’ En nu ben ik als romanschrijver wereldberoemd. Nou ja, wereldbekend dan.”

U klinkt als een échte Surinamer.
“… [Stilte]…..Eh…. [denkt na]…. Ja….[grinnikt]. Ja, ik ben een Ware Surinamer. Inderdaad.” 

[uit Parbode, 1 juli 2006]

donderdag 24 mei 2012

The Forgotten Elite

by Rihana Jamaludin
Lecture at conference ACWWS Paramaribo

                                                        Familiy Fernandes - Vroom 1910
Introduction
The idea was to write a nice story set against the historical background of 19th century Suriname. But as my research progressed, I learned a lot more about Surinamese history. When I was young, history lessons at school were mostly about Dutch history and when it was about Suriname, it was taught from a Dutch perspective.
Now my idea for a historical novel The Black Lord, about a young colored man who inherits a plantation from his white father and becomes a slave master himself, seemed not that crazy after all. It turned out that indeed there was a colored elite in the 19th century in Suriname, holding slaves themselves. For the general public however, matters on this subject were mostly unknown.

The myth
Despite the recent publication of several historical novels and studies by writers like Cynthia McLeod and John de Bye, the myth of colonial history being a matter of only white masters and black slaves, persisted.
This was due to the Dutch oriented education at schools, but was also caused by anti-Dutch sentiments following after the quest for a genuine Surinamese identity. In later years so-called revolutionary ideas helped to maintain the myth of white versus black.

The rise of the coloreds
Among the European settlers who came to the Wild Coast, there were few women. Being unmarried was also often required, when applying for a job in the colony. The result was that many men started relationships with local women, slaves or free colored women. If slavery was involved, such was not always voluntarily. But sometimes these encounters resulted in long term relationships and the woman and her children were manumitted. The European settler was usually only temporarily employed and left the country after several years, leaving behind concubine and children.
The colored children were called mulattoes. They settled in Paramaribo as free blacks and coloreds and worked as carpenters, shoemakers, locksmiths, barbers, vegetable vendors or washerwomen. However, if the father was a man of respect, he let his bastard children - usually the sons - study in Europe and after their return in the colony, made sure they got a good position.
After the stock market crashed in 1773 many planters went bankrupt and returned to Europe. The number of whites decreased further while the number of the free coloreds grew. As their number increased, they formed a group which the government had to take into consideration. After all they were the ones who would have to build the country. By the 19th century the authorities began to realize this.

Jewish ancestor
Long before this, since the 17th century, there was a group of settlers who did bring their wives with them, namely the Portugese Jews. These families, fleeing persecution and racism in Europe, took refuge in Surinam and established themselves as the first planters. For centuries, almost half of the white population in the colony was Jewish. They were allowed to have their own customs, but were not seen as equal by the other whites.
Thus this group lived for centuries with their slaves in the small community and between the Jewish settlers and their African slaves, a merging took place of culture, religion and blood. Many Surinamese have a Jewish ancestor in their family tree. The children – often born out of wedlock - were raised as Jews and taken into the family.
Towards the end of the 18th century there are nearly a hundred free Jewish mulattoes, descending from the Portugese and Ashkenazi Jews, and having their own house of prayer. After the Jewish people of color had tried unsuccessfully to get their brotherhood Darhe Jesserim recognized by the Jewish and the Dutch authorities, the brotherhood was dissolved. Halfway through the 19th century, there are no more mulattoe Jews, the children born of mixed relationships are raised as Christians.

The creation of a new elite
The coloreds are descendants of all Europeans who had lived in the colony like Jews, French, Dutch, English, Germans. In 1830 the free coloreds and free blacks outnumber the whites. The difference between freemen and slaves is no longer clearly based on color. To avoid turmoil among the slaves about the unequal situation, the difference must be made clear through various rules and regulations. For example, marriage between free coloreds or free blacks and slaves, is forbidden. Slaves are not allowed to wear shoes, and there is a curfew for slaves.
The authority of the colony was white. That and the reigning ideas of racial discrimination or racism, gave light colored skin status. The lighter the better. There were many names for the various degrees of mixture of white blood, up to the fourth generation. Marrying a partner of fair complexion was the ideal.
The coloreds were proud of their white descendance and lived as whites. They were raised and educated as whites. The whites however, saw them as second-rate. Schools, parties and clubs were separated.
Gradually, the authorities became aware that the large group of coloreds and free blacks, many of them highly educated, could no longer be excluded. So in 1828 it was declared that: ´To all free people, citizens of the colony, no matter what religion or color, must be granted equal civil rights.` Thus, Jews and coloreds finally got the chance to be higher civil servants and occupy important positions.

Socially
In Surinamese history Jews and free coloreds are often mentioned together. Indeed both groups had much in common, they found themselves in an inferior position towards whites, were viewed with suspicion by both blacks and whites. Through time they had increasingly become mixed, many colored people had Jewish names (although not always because of kinship, sometimes freed slaves chose their former masters’ surname as a token of appreciation.)
It was therefore logical that they joined hands and decided to work together. In 1827 physician Coupijn and lawyer Vlier (both coloreds) founded the Surinamese Benevolent Society. Jews also joined. This Society’s aim was to support the needy and provide education for the children of the poor. After completing school, the children could be trained to some trade or profession.
In my historical novel The Black Lord, the narrator, Dutch governess Regina Winter, is invited to a party at the Society of Benevolence.

´On the evening itself, I expected to see many blacks but to my surprise the room was again dominated by people with light skin. Some I had even already met at the Governor´s party, without realizing they were coloreds.
It was a very distinguished party, people moved with dignity and not a rude word was heard.
At Walthers side I was introduced to several prominent citizens; lawyers, teachers, pastors and was treated warmly by everyone.`

Cultural
Culturally too, the Colored Elite left its mark. The Society for Public Welfare (goal: elevation of the common and the improvement of civic and school affairs) regularly organised lectures and the speakers were notables including the Governor General, but also the (colored) lawyer and culture connaisseur H.C. Focke was an appreciated lecturer.
The first Surinamese teacher was Johannes Vrolik who had studied in Holland and in 1809 received permission to open a school.
The Thalia theatre company had mainly Jewish members, most of whom had an important position in the community. Among the founders, who acted on stage as well, the names of Wesenhagen and Vlier stand out. Names that are found too, among the colored people in high positions.
Thalia, however, was known as a ´white party`. Were these two men light coloreds or white family of mulattoes? History states that only after World War II, other than Jewish and white actors played on stage. But could the traveling writers who were only briefly in Suriname (Teenstra, Kappler) or in some cases had not at all been in Suriname (Wolbers) see the difference between a light mulatto and a white man?
However, as the counterpart of Thalia, the mulattoes formed their own association, called Polyhymnia. But the report of the show is of such mocking nature, that it is hard to believe that the crude scene really concerns the Colored Elite. Presumably this involves the middle-class. Despite great success with the colored public, Polyhymnia was soon dissolved

Ridicule and suspicion
Ridicule was something the coloreds regularly encountered. Ridicule and distrust. Whites mocked them because they were not like the whites. Blacks distrusted them because they behaved like white masters. Even if it concerned a distinguished member of the elite, distrust came into the picture. For example, when the colored lawyer and president of the Colonial Court, Mr.J.C.Palthe Wesenhagen, was applying for the position of Attorney General, the Governor General Schimpf (1855 - 1859 governor) sent a secret letter to the Minister of Colonies asking whether the man would compel respect and awe with slaves and whites. After all he still had family of common coloreds in the background. And on top of that, some years earlier he had written a pamphlet in which he spoke quite positively about the nature of the Negro. Therefore Mr. Palthe Wesenhagen was denied the nomination.

Colored slave masters
It must not have been easy for the Colored Elite, having to balance between the legacies of their African and European ancestors, struggling with the prejudices against blacks and coloreds, living in a society where they still could have family who were slaves, while they themselves had slaves to work for them. In a society that was so openly racist, one had to make clear what one´s position was. Behaving as white as possible, was in fact a survival strategy.
Hence poor market women went about the streets in uncomfortable shoes rather than barefoot, just so they could indicate they were free women. This turned them into objects of ridicule, poor but still vain creatures.
Therefore the Colored Elite presented themselves proudly as whites.
Hence some of them tried to underline their privileges by being cruel masters for their slaves.
That is why mulattoes sometimes armed themselves against the ridicule of the whites with an arrogant attitude. Resulting in yet more blaming, of the coloreds being vain, arrogant, lazy and cruel.

Still, the fact that they didn´t entirely forsake their African roots, is proven by their interest and studies about the language, music and culture of the Negroes. For example Master of Law Hendrik Charles Focke (mulatto, 1802 - 1856) was a lawyer and member of the Court of Justice. He was an expert in Negro language and music. Also there is the earlier mentioned Mr. Palthe Wesenhagen who dared to write about negroes in a lesser position, regarding them in a positive way.
And according to Teenstra (writer, traveler 1842), attorney N.G. Vlier who was the son of a negress and almost black, told him that he would rather be poor and free, than have food and shelter but be the slave and property of a master. Vlier added that he had the misfortune of becoming a slave owner himself (probably by inheritance).

Social differences among slaves
Among the slaves there were social differences. The field slaves did the hardest work. They worked at plantations and were supervised by overseers armed with whips.
The slave artisans were bricklayers or carpenters and could work independently to a certain degree, so they enjoyed more freedom.
The house slaves worked in the house of the master and had relatively the best life. Being regarded as a status symbol, there were often too many of them and so they had little to do.
After the abolition of slavery, these social differences continued. Amongst the now free creole population, there was still a small elite of mulattoes, also a middle class of former house slaves and artisans, and a lower class of former field slaves.
The artisans were working independently as blacksmith, shoemaker, tailor or carpenter. In 1876 the Compulsory Education Act was introduced and so their children got the chance to move on to higher ranks in the police, army and government.
The former house slaves became laundress, maid or market vendor. Not always did artisans succeed in making a living with their own business and they descended on the social ladder to the lower class.

The Colored Elite becomes the Creole Elite
The Colored Elite who now mostly consisted of light colored Creoles, was destined to be the successor of the white elite and held the leading positions in the country. Still, they saw themselves as Europeans and mainly lived according to the Dutch values and culture.
Meanwhile Asian immigrants were added to the population. Already accustomed to mixing, the coloreds handled this change rather smoothly. Mingling took place with the Chinese, the Hindustani and so on.
It was also the Creole Elite that took it upon themselves to educate the new immigrants. Historian André Loor stated that the Teachers College (kweekschool) has had a major role in the emancipation of Hindustani farmers children who came to town for further education.
How this began, one can read also in the novel Farewell Merodia by Cynthia McLeod, in a scene in which the elite has to deal with Asian immigrants ànd with new ideals.

Emmeline (daughter of a white mother and mulatto father) has obtained her teacher’s certificate and out of idealism, she wants to work on a distant plantation, where the children of new immigrants from India are deprived of education. The family interferes:

´My daughter just wants things that are simply impossible.`

´…(Emmeline) … thinks she should teach Coolie children to read and write. And how will you do that, dear niece? They don´t know the Dutch language yet. Will you be learning Hindi?`

 The 20th century
In the early twentieth century the Creole elite goes on with her predestined serving and civilizing mission, according to Dutch model. Well known example is the scientist and superintendent of education Dr. H.P.Benjamins (1850 -1933).
His contemporary Johannes Nicolaas Helstone (1853 - 1927) composer and conductor, studied at the conservatory in Leipzig, Germany, where he passed cum laude. Unfortunately part of his work was lost in a fire in Paramaribo.
Albert Helman (1903 - 1996) writer and politician, ensured that Suriname received secondary education. He also dedicated himself to many cultural studies regarding Suriname.
After World War II, the leaders of major ethnic groups in Suriname gained more influence and the Creole elite drifted to the background. Most turned to their European roots and decided to seek their luck in Holland.
As writer Don Walther expressed in his memoirs Swietie Sranang:

´The political struggle of the fifties and sixties was no more than a struggle for power between the mulattoes, who until then had formed the social and economic elite, and the blacks. The mulattoes lost, thanks to universal suffrage, because the blacks were the majority and they were also supported by the Hindustani`

Conclusion: Forgotten
Looking back at Surinamese history as a matter of just white and black, the blame lies partly on the coloured elite too. Because they saw themselves as white, adopting the ways of the Europeans, their manners and culture and history. They described themselves as ´creoles` which originally meant ´whites born in the Caribbean`.

Of course they had good reason to ignore their African heritage. The white European dominance was evident and society was ranked more by color than it was by lineage. The disadvantages of being black were obvious, let alone of being a slave. So they had to make sure there was a clear distance between the elite of the coloured and the lower class of dark skinned working people.

The existence of a coloured elite was conveniently forgotten. Which is a pity, because this elite too, contributed to the development of the Surinamese society. Although it is considered despicable that they were slave-owners, the contribution of the coloured elite must not be dismissed. Occupying high positions as lawyers, scientists, teachers, they had a significant part in cultural and social life. Not in the least, they lay the foundation for a tolerant, multicultural society in Suriname.

woensdag 8 februari 2012

Wanneer mag seks? Grenzen van jeugdliteratuur (IV)

[Tekst voor het openingscollege van de Masters opleiding Nederlands aan de Anton de Kom-universiteit, Subfaculteit Humaniora, 30 januari 2012 - deel IV]

door Ismene Krishnadath

Er kunnen allerlei oorzaken aangehaald worden, waarom de belangstelling voor het lezen taant bij adolescenten, maar het een en ander moet zeker ook gezocht worden in de interessesfeer van de adolescenten. Willen we verhalen bieden die interessant zijn voor adolescenten, dan zullen er ook zaken in verwerkt moeten worden die typisch in hun leef- en interessesfeer liggen, zoals sport, studie, geld verdienen, kleren, mode, uitgaan, seks, alcohol en drugs, mystiek, generatieconflicten, innerlijke twijfels en twijfels aan maatschappelijk/culturele regels, waarden en normen.

Ik ga nu drie citaten geven, waarbij de hoofdfiguur een jonge adolescent is. Probeert u voor uzelf te bepalen voor welke leeftijdscategorie u deze verhalen geschikt zou vinden.

Citaat 1
Toen ik elf was, heb ik mijn varken kapotgeslagen en ben ik naar de hoeren gegaan. Mijn varken was een geglazuurd stenen spaarpotje in een kotskleur met een gleuf die wel groot genoeg was om er munten in te stoppen, maar niet om ze er weer uit te halen. Mijn vader had het uitgekozen, dat eenrichtingsverkeerspaarpotje, omdat het paste bij zijn levensopvatting: geld is om te bewaren, niet om uit te geven.

Citaat 2
Ik was een jaar of twaalf toen ik mijn eerste gonorrhoea te pakken had. Dat werd dan beschouwd als een teken van volwassenheid en geen onderwerp om over te zeuren. Dan pas mocht je met de grotere jongens over seks meepraten. Ik zag het beslist niet als zodanig want het brandde ellendig bij het urineren. Een van de jongens bracht me naar de abonoemang in de straat, een bosneger die ergens bij een van de zaagmolens werkte en waarvoor ik als de dood was.

Citaat 3
Marlon was intussen twaalf jaar oud en hij hielp zijn moeder echt heel
veel. Moeder Sontee had de gewoonte om, net als alle andere vrouwen in het dorp, elke dag naar de rivier te gaan. Ze nam dan al haar vaatwerk en vuile kleren mee om die te wassen. Nu Marlon een beetje groot was, hielp hij zijn moeder met het dragen van de manden met vuile vaat en kleren.

Als we de inzichten van de ontwikkelingspsychologie volgen, dan zouden vooral de eerste twee citaten de interesse wekken van adolescenten. Het laatste citaat is nogal braaf en moraliserend.
Volgens de ontwikkelingspsychologie is dat juist dodelijk. De adolescent is war
s van opgelegde moraal. De adolescent zou een verhaal moeten hebben die zijn zoektocht naar een eigen moraal en eigen levensvisie tot uitdrukking brengt. In het verhaal mogen de hoofdfiguren gehavend uit het experiment komen en er een moraal aan overhouden die niet per se overeenkomt met de heersende waarden en normen. Dit sluit trouwens aan bij avant-garde ideeën over creatief schrijverschap.

Of de ontwikkelingspsychologie het bij het rechte eind heeft, kan ik niet zeggen. We zouden het aan de lezers moeten vragen.
Wat ik wel weet is het volgende:


Citaat 1 geeft de eerste drie zinnen uit een verhaal van de gerenommeerde Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt en komt uit het boek: Meneer Ibrahim en
de bloemen van de koran. Het is een adolescentenboek. Het genre wordt in de Engelstalige literatuur ‘coming of age’ genoemd. Het zijn boeken waarin de groei van de hoofdfiguur naar volwassenheid wordt verhaald.

Citaat 2 komt uit Switie Sranang kan mij nog meer vertellen. Herinneringen aan een rotjeugd van Walther Donner. In dit boek vertelt de auteur over zijn jeugd. Als 12-jarige bleek hij toen veel interesse te hebben voor prostituees in de buurt. Ik zou het ook een coming-of-age-boek noemen. Het boek is te koop in Suriname. Zeker te bestellen bij de boekhandels. De tekst is te vinden op de dbnl website (www.dbnl.org), een door de Taalunie ondersteunde site. Het is hier geplaatst in de categorie: proza/non-fictie/au
tobiografie/ memoires en niet in de categorie jeugdromans. Donner zelf zegt dat hij het boek heeft bestemd voor volwassenen. De eerste drukken van het boek zijn in Holland uitgekomen en Donner zegt ook dat hij de meeste boeken in Holland heeft verkocht, maar ook in Suriname is het boek populair.

Citaat 3 komt uit Het gouden lepeltje van Sjama Ramphal. Dit boek wordt momenteel in mijn scholenactie te koop aangeboden op scholen en is door de uitgever (Ralicon) geplaatst in de leeftijdscategorie 12+. Het verhaal eindigt in een huwelijk, maar er komt geen seks in voor. Het boek wordt wel aardig verkocht. Ik zou het niet echt een coming-of-age-boek noemen - je ziet geen karakterontwikkeling bij de hoofdpersoon - maar ik denk dat de liefdesrelatie wel interessant is voor de adolescentengroep. Ik heb zelf gemerkt dat kinderen op Muloscholen graag luisteren naar romantische vertellingen, met of zonder seks.

[wordt vervolgd, voor het slotdeel klik hier]


[Voor deel I, klik hier]

dinsdag 7 februari 2012

Walther Donner zoekt naar een remedie

door Walther Donner

Beste Arlette,

Naar aanleiding van de vele commentaren op je prachtige epistel even een korte notitie. [Het opstel van Codfried vindt u hier en hier; het antwoord van Pim de la Parra hier - red. CU.]

Een van de mooiste voorvallen uit de historie vind ik de ophanging van Oliver Cromwell. Oliver Cromwell (1599-1658) maakte in 1649 een eind aan de Engelse monarchie. Koning Karel I werd kopje kleiner gemaakt. Engeland werd kortstondig een republiek onder zijn bewind. Hij veroverde Ierland en Schotland, en regeerde als Lord Protector van 1653 tot zijn dood in 1658. Hij werd begraven in Westminster Abbey. Tijdens zijn bewind werden naar schatting een miljoen Schotten en Ieren als slaaf verkocht onder meer naar Barbados en Jamaica. Het aantal is misschien ietwat gechargeerd.
Zijn Commonwealth stortte na zijn dood in en de koninklijke familie werd gerestaureerd in 1660. Nadat de royalisten de macht heroverd hadden werd zijn lichaam opgegraven en met alle regelen der kunst alsnog opgehangen.

Na lezing van het commentaar van Pim de la Parra op je mening kwam ik op een briljant idee. (Als Nobelprijzen werden uitgereikt voor briljante gedachten kwamen Pim en ik als duo zonder meer beslist in aanmerking).

Een grondbrief van 1 Mei 1675 luidde als volgt: „Pieter Versterre, gouverneur van de provincie, rivieren en districten van Suriname, etc, vergunneende permittere mits dezen aen Jan N., omme op te neemen ende in vrijen eigendom te besitten een stuck lant, groot 800 ackers, waer hij hetselve bequaem sal vinden, mits niet doende tot nadeel van d’Indiaenen ofte eenige vorige concessiën, ende sal tselve ter behoorlijcker tijt ter secretarie laten prothocolleren. Actum Paramaribo, den 1 Mey 1675″.

Een andere, van 1683 (dus acht jaar later), luidde: „Laurens Verboom, commandeur van de provintie van Suriname, etc,

vergunnen en permitteeren bij deesen aen Andries Masserd

op te nemen en in vrijen eigendom te besitten de nombre van 1500 ackers lant in de riviere de Commewine,etc, mits niets doende ten nadeele van de Indianen ofte eenige vorige concessie“;

Ik kom op de volgende taalfouten bij vergelijking van de twee grondbrieven.

provincie, provintie

vergunneende, vergunnen

permittere, permitteeren

neemen, nemen

groot == nombre

tot nadeel ten nadeele

d’Indiaenen Indianen

concessiën concessie

Wat zouden Pim de la Parra en de heer Snijders van Parbode genoten hebben als ze in die tijd geleefd hadden. Ze zouden beslist overuren gemaakt hebben met het zoeken naar taalfouten. Is het geen goed idee om de ambtenaren die deze grondbrieven hebben geschreven alsnog op te graven en op te hangen? Daarmee doen wij hen een groot genoegen. Ik zorg ervoor gecremeerd te worden zodat ik niet hoef te worden opgehangen na mijn dood wegens mijn taalfouten.

Tot ziens

Don Walther Donner die nog steeds zoekende is naar een therapie tegen de krabbenziekte.

[van de site van Schrijversgroep '77, 4 februari 2012]

Afbeelding links: Oliver Cromwell, portret door Robert Walker

vrijdag 27 januari 2012

Donner gebelgd over Nankoe tijdens causerie

Op 26 januari organiseerden prominente cultuurkenners een causerie over Caribische Literatuur in Sukro Oso. Gast hierbij was drs Lucia Nankoe (foto rechts). Zij is een kenner van vooral de Franstalige Caraibische literuur en doceert deze thematiek in Nederland. Nankoe was in gesprek met Hein Eersel, taalkundige. Don Walther, die de causerie bezocht, ergerde zich over het feit dat Lucia Nankoe, geen Surinaamse boeken besprak en ook geen aanbevelingen wilde doen in deze richting. Het publiek kon zich in het algemeen hierin terugvinden. Inmiddels heeft Donner zijn ergernis verwoordt in een internetschrijven, waarbij hij Nankoe een ‘krabbenmentaliteit' verwijt. De stoom die Donner blaast, kan een indicatie zijn dat er in inderdaad in Suriname zelf meer discussie moet komen over de producties van Surinaamse schrijvers en hun positie in het literaire en maatschappelijke veld.

[S'77 Info]

zondag 19 juni 2011

Taal, talen, taalordening


Het Directoraat Cultuur van het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (Minov) hield jongstleden zaterdag een conferentie over de invoering van een taalwet. Er is gesproken over ‘ordening van onze meertaligheid’. Dit was het sluitstuk van een aantal afzonderlijke consultaties die de adviesgroep ‘Taalraad en taalwet' de afgelopen maanden heeft gehouden met personen en instanties die zich bezighouden met taal, dit ter afronding van een concept taalwet die binnenkort wordt aangeboden aan minister Raymond Sapoen (Minov). Daarnaast komt er een conceptwet voor de Taalraad, welke twee documenten samen moeten bijdragen aan de ordening van het taalbeleid binnen Suriname.

Oud probleem
Zoals Gobardhan-Rambocus vaststelde is Suriname vanaf 1667 Nederlandstalig. Sindsdien zijn er een aantal momenten geweest die gerede aanleiding vormden om de voertaal in Suriname ter discussie te stellen, maar steeds kwam het Nederlands weer bovendrijven. In zijn recent op Caraïbisch Uitzicht gepubliceerde artikelenreeks over de Surinaamse Taalproblematiek heeft mr. dr. W.R.W. Donner geconcludeerd dat de Nederlandse taal bepaald geen zegening is (geweest) voor Suriname. Zonder aan zijn visie afbreuk te willen doen, moet echter worden gesteld dat het een aanname is, een speculatie die op geen enkele wijze meetbaar is.

Steeds opnieuw wordt betoogd, en niet ten onrechte, dat Suriname zich zowel in Zuid-Amerka als in het Caraïbisch gebied op taalgebied in een isolement bevindt en dat het daarom aanbeveling zou verdienen het Engels (of wellicht het Spaans) tot voertaal te maken. De laatste keer dat dit onderwerp in het parlement aan de orde is geweest, was toen Suriname een aantal jaren geleden geassocieerd lid werd van de Nederlandse Taalunie. Die discussie blonk bepaald niet uit door historische kennis, noch ook door kennis van de materie, en heeft derhalve nauwelijks gevolg gehad, zij het dat de toen ook weer gehoorde roep om een Surinaamse Taalautoriteit waarschijnlijk mede de aanzet is geweest tot bovengenoemde adviesgroep ‘Taalraad en taalwet’

Tussen droom en daad
Het is natuurlijk niet voor niks dat men in de loop der jaren steeds opnieuw weer is teruggevallen op het Nederlands, want het is bepaald geen sinecure om verandering te brengen in een eeuwenlang gegroeide situatie. Niet zomaar heeft Gobardhan-Rambocus op bovengenoemde taalconferentie gezegd “dat het Nederlands – zeker in de komende honderd jaar – zijn belangrijke positie (zal) behouden.” Want zoals Willem Elsschot al zei: “... tussen droom en daad staan wetten in de weg en practische bezwaren, ...”

In Suriname worden zo’n twintig talen gesproken, in volgorde van belangrijkheid naar aantallen sprekers: Nederlands, Sranantongo, Engels, Sarnami, Javaans, verschillende Marrontalen (o.a. Saramaccaans en Aukaans), en Chinees (o.a. Hakka, Mandarijn en Kantonees). Uit onderzoek is gebleken dat Surinamers geen moeite hebben met het Nederlands, 70,7% van de jeugd en 57% van de volwassenen hebben daar geen enkel probleem mee. Uit datzelfde onderzoek is eveneens gebleken dat men het Engels als tweede taal geen slecht idee vindt.

(monument 'Afaka' van Marcel Pinas ter nagedachtenis van de Marron Atumisi, die aan het begin van de 20e eeuw het alfabet van het Afaka ontwierp, bestaande uit 56 tekens die nog steeds gebruikt worden)
Volgens de uitkomsten van de in 2004 gehouden algemene volks- en woningtelling, is het Nederlands de meest gesproken thuistaal in Suriname. In ruim 70% van de huishoudens wordt Nederlands als eerste of tweede taal gesproken. Het Sranantongo wordt in 46% van de huishoudens gesproken, hoofdzakelijk als tweede taal, het Sarnami in ruim 22% en het Javaans in 11% van de huishoudens. Opmerkelijk is de tweetaligheid: in bijna 80% van de Surinaamse huishoudens wordt een tweede taal gesproken.

Waarheen?
Zoals uit het eerder hier gepubliceerd verslag bleek, bestaat er een diversiteit aan visies op deze taalproblematiek, hetgeen tegen de gegeven achtergrond uiteraard niet verwonderlijk is. Maar dat één lid van de adviesgroep ‘Taalraad en taalwet’ -in navolging van bijvoorbeeld India, Zuid-Afrika en de Antillen als landen met méér dan één officiële taal- voor Suriname zou willen voorzien in drie officiële talen, Sarnami, Sranan en Javaans, is gewoon belachelijk, kijk maar naar de uit de census blijkende cijfers. Dit is weer een duidelijk blijk van de hier naar aanleiding van de ‘vrijheids/ apartheids-vieringen’ eerder door mij gesignaleerde Hindostaanse geldingsdrang.

Taal en grondwet
Zeer belangrijk is de verwijzing van de voorzitter van de adviesgroep, Hein Eersel , naar de grondwet, waar in artikel 8.2. staat: “Niemand mag op grond van zijn geboorte, geslacht, ras, taal, godsdienst, afkomst, educatie, politieke overtuiging, economische positie of sociale omstandigheden of enige andere status gediscrimineerd worden.” “Alle mensen hebben het recht”, zei Eersel, “om hun taal in het openbaar te gebruiken. Dit betekent ook dat de toegang tot overheidsdiensten en contacten met de overheid, van welke aard ook, niet belemmerd mag worden door de taalkeuze van de burger. Het Surinaamse volk mag niet op grond van taal gehinderd worden in zijn democratisch recht op vrije meningsuiting en op op invloed op de regering. Echte beleving van de democratie kan niet bereikt worden, als men beperkt, belemmerd of gehinderd wordt in de taalkeuze uit de nationale talen van Suriname.”

Als practisch voorbeeld wil ik hierbij aanhalen wat eerder- genoemde Donner recent in de Surinaamse pers heeft opgeworpen, namelijk “dat iedere Surinaamse burger wordt geacht de wet te kennen”. Hoe kan iemand de wet kennen als die wet niet in zijn taal beschikbaar is, of wanneer hij de talen niet machtig is waarin het wetboek voorhanden is? De minister en het parlement zij veel wijsheid toegewenst.

woensdag 8 juni 2011

De Surinaamse taalproblematiek (11 en slot)

door mr dr W.R.W. Donner

De Namibische optie

Ik vermeldde in het voorgaande dat Namibië na de onafhankelijkheid het Engels verhief tot officiële taal terwijl de Namibiërs nooit iets te maken hadden gehad met die taal. Ik heb de verantwoordelijke autoriteiten in Suriname in de loop der jaren trachten warm te maken voor deze optie. In 1967 haalde ik als lid van de culturele adviesraad voor het Koninkrijk de Venezolaanse autoriteiten over om het Spaans in Suriname te komen bevorderen. Hetgeen ze met genoegen deden. Vervolgens maakte ik mij met kracht sterk voor het plan van de regering-Pengel om door middel van talenpractica het Spaans in Suriname te introduceren. (Sommigen beweren met stelligheid dat ik degene was die de heer Pengel zo gek wist te krijgen. Dit is onzin. De heer Pengel was al gek op het Spaans). Helaas is van deze plannen niet veel terecht gekomen. Het Spaans schijnt in Suriname niet aan te kunnen slaan.


Foto links: cineate/fotografe Leni Riefenstahl met Afrikaans model

In 1984 legde ik tijdens een bezoek aan Suriname de toenmalige minister van Onderwijs Sankatsing een plan voor om over te stappen op het Engels. Daartoe zou elk jaar het aantal lesuren moeten worden opgevoerd vanaf de kleuterschool, met schrapping van minder belangrijk geoordeelde vakken o.m. Nederlandse literatuur. Als het plan zou zijn doorgevoerd zou vandaag de dag bijna het gehele Surinaamse volk het Engels machtig zijn geweest en had men het Nederlands zonder moeite naar het tweede plan kunnen verwijzen. Met de Caricom in het achterhoofd hoop ik, dat de verantwoordelijke autoriteiten dit plan weer in overweging zullen willen nemen.

Grondwet
In mijn Proeve van een Grondwet voor Suriname die ik in 1987 aan de Surinaamse autoriteiten aanbood schreef ik het volgende:

Artikel 56. Het Engels is de officiële taal van Suriname.

Commentaar. Het zou niet van werkelijkheidszin getuigen indien Suriname zou vasthouden aan het Nederlands als officiële taal. Hiervoor zijn steekhoudende argumenten aan te voeren verband houdende met a) de wijze waarop de Hollander zijn eigen taal ervaart en denkt over anderen die het Nederlands hanteren. b) de positie van Suriname binnen de regio.
ad a) De Hollanders plegen hun eigen taal niet serieus of te serieus te nemen. De Fransen, de Britten, de Italianen, de Duitsers, noem maar op, zij allen doen moeite om anderen hun taal aan te leren middels allerlei instanties in binnen en buitenland zoals Humboldt-stichtingen, Alliance Française etc. Niet zo de Hollanders. Men zal in het buitenland tevergeefs speuren naar instellingen die zich voor de verbreiding van de Nederlandse taal inzetten. En geen enkele Nederlandse regering piekert erover een dergelijk initiatief te financieren, te subsidiëren of te stimuleren. Er bestaan enige instellingen in Nederland die de zuiverheid van het Nederlands in hun vaandel voeren. Maar instellingen die zich voor de verbreiding daarvan over de landsgrenzen heen inzetten bestaan er niet. De Hollander zal een buitenlander steeds in diens eigen taal trachten aan te spreken. Wellicht om te tonen hoe erudiet hij is (hij pleegt te glunderen als hem wordt gezegd hoe geweldig veeltalig hij wel is) of misschien acht hij anderen niet in staat tot een behoorlijke beheersing van het Nederlands. Hij drijft de spot met het Nederlands van de Vlamingen en de Zuid Afrikanen en zal nimmer het Nederlands van de Surinamers als volwaardig ervaren zoals een Brit dat doet met de taal van de Barbadianen of de Spanjool of Portugees dat doen met de taal van n'importe welke Latino dan ook. Een Brit, een Fransman, een Spanjaard of een Portugees, ze vinden het allen volkomen normaal in hun taal te worden toegesproken en staan daar eigenlijk niet eens bij stil. Zij eisen met andere woorden voor zichzelf niet het monopolie op van de taal. De Nederlander reageert echter met: gunst spreekt u ook Nederlands? En je spreekt het of slecht of onzuiver, nooit goed in hun ogen. De nieuwste mode is: je spreekt geen sprekend Nederlands. Jos de Roo (foto rechts) die ook Surinaamse boeken recenseert voor Radio Wereldomroep zei eens 'Don Walther schrijft geen levend Nederlands'. Welke Spanjool zegt ooit van een Mexicaanse of van welke andere schrijver dan ook dat hij geen levend Spaans schrijft? Hij ervaart het als een verrijking van de taal als iemand anders het Spaans afwijkend hanteert. De Nederlander ervaart dat echter als iets verwerpelijks; als iets barbaars. Suriname doet er m.i. goed aan lering te trekken uit de wijze waarop andere landen die in min of meer een gelijksoortige situatie verkeren te werk zijn gegaan bij de keuze van hun taal. Namibië koos voor het Engels niet voor het Zuid-Afrikaans toen het de onafhankelijkheid verwierf. Indonesië ging over op het Bahasa Indonesia en het Engels. Zaïre (Kongo) koos voor het Frans.
Op de Antillen gaat men in toenemende mate over op het Papiamentu. Geen mens die daar in Nederland warm of koud van wordt of werd. Erger nog: men houdt er in Nederland ernstig rekening mee dat het Nederlands als de gemeenschappelijke markt eenmaal een feit zal zijn, zal verdwijnen. Nu al worden talrijke colleges aan Nederlandse universiteiten in het Engels verzorgd en gaan er stemmen op de eis van een behoorlijke hantering van het Nederlands bij naturalisatie maar te laten vervallen. Periodiek worden voorstellen om het gebruik van de Nederlandse taal in de grondwet op te nemen om zeep geholpen in de Tweede Kamer.
ad b) Zowel uit een oogpunt van vergroting van de communicatiemogelijkheden als uit gevoelsoverwegingen zal men nu al in Suriname een beslissing moeten nemen over de officiële taal. Het ligt voor de hand te kiezen voor het Engels. In de eerste plaats omdat die taal de Surinamer beter ligt en daardoor gemakkelijker kan worden aangeleerd, in de tweede plaats doordat men via radio, film en televisie meer contact heeft met het Engels dan met het Spaans of het Portugees.

Slotopmerking

Wijlen Jagernath Lachman placht te zeggen: Ware woorden zijn niet mooi en mooie woorden zijn niet waar. Met mijn beschouwingen zal ik weer tegen vele schenen hebben geschopt en ik reken erop dat de franc tireurs en andere lieden met weinig toegevoegde waarde voor de samenleving, al schietensgereed zijn met hun giftige pijlen en hun braaksel. Ik reken op termen als publiciteitsgeil omdat ik zoveel schrijf. (Als je in het buitenland als hoogleraar weigert te schrijven word je ontslagen. In Suriname schijnt het schrijven als een afkeurenswaardige bezigheid te worden beschouwd. Helaas heb ik mijn buitenlandse veren nog niet kunnen afschudden, vandaar mijn geschrijf.)
Het tweede verwijt dat ik verwacht is: Streven naar erkenning. Gek is dat. Een man die door de Verenigde Naties waardig werd bevonden om in een commissie met mensen als Perez de Cuellar de voormalige secretaris-generaal van die organisatie en andere hoogwaardigheidsbekleders de cultuurschatten van de wereld te inventariseren zou snakken naar erkenning van Tja Dorsie c.s.
Een lieve dame zei eens: ik heb niets te leren van iemand die in de nor heeft gezeten. Daarvoor hulde. Ik doe een beroep op deze francs-tireurs om deze keer met deugdelijke argumenten mijn ongelijk aan te tonen en niet met bakba winkrie-termen. Verwijzingen naar mijn verleden om mijn argumenten te ontkrachten zullen bijvoorbeeld weinig indruk maken. Had ik niet gezeten dan was ik nooit in staat geweest om boeken te schrijven, was ik nooit naar het buitenland vertrokken om daar onschatbare ervaring op te doen (die ik thans tracht over te brengen) en was ik zeker als nummer zeventien op de lijst van meneer Bouterse terechtgekomen.

16 mei 2011

Foto Jos de Roo: @ Michiel van Kempen