Posts tonen met het label Roo Jos de. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Roo Jos de. Alle posts tonen

woensdag 21 mei 2014

Onbekend gedicht van Boeli van Leeuwen

Boeli van Leeuwen
door B. Jos de Roo

Een verrassende vondst die ik deed in het draaiboekenarchief van de Wereldomroep is die van een onbekend gedicht van Boeli van Leeuwen. Van Leeuwen was een van de vele Antillianen en Surinamers die in de jaren 1947 tot 1958 op verzoek van de Wereldomroep verhalen schreef voor de West-Indische uitzending en die ook zelf voor de microfoon voordroeg. Met 36 bijdragen was hij zelfs de meest gevraagde. Curieus is dat zijn bijdragen vaak werden aangekondigd als “Praatje voor de West”, wat me op de titel van mijn dissertatie bracht: Praatjes voor de West. Hierin onderzoek ik de betekenis van de Wereldomroep voor de ontwikkeling van de Antilliaanse en Surinaamse literatuur in de jaren 1947 tot 1985. In dat kader paste het niet om het gedicht volledig te publiceren. In Caraïbisch Uitzicht schreef  Klaas de Groot een aantal artikelen over alle tot dan toe gekende gedichten van Boeli van Leeuwen; hij kon natuurlijk niet weten dat er nog eentje was.

Het gevonden gedicht was de laatste bijdrage aan de Wereldomroep van Van Leeuwen. De opname ervan vond plaats op 31 mei 1954 en het werd uitgezonden op 23 juli van dat jaar. De titel is ‘Masroig’, een plaats in Catalonië tussen rotsige bergen. Het gedicht heeft een chronologische opbouw: van de ochtend naar de avond. Het begint met een boer die ontwaakt; zijn vingers zijn verstijfd van het wroeten tussen de stenen om olijven en druiven te planten. In de ochtend gaat de boer met zijn muilezel het land ploegen. Daar vertelt de boer over de Spaanse burgeroorlog, die hij als een gevolg van de erfzonde ziet. ’s Avonds is er een processie, waar de mensen die de ik-figuur ’s morgens in de bergen had gezien in meelopen.

In geen ander Wereldomroepverhaal heeft Van Leeuwen het zo nadrukkelijk en uitgebreid over de aangeboren slechtheid van de mens. Tegelijkertijd besluit hij met te wijzen op de grootsheid van diezelfde mens. Zo drukt het gedicht uit: het leven is een groots en vreselijk mysterie.

Kennelijke tikfouten uit het typoscript heb ik verbeterd; zo werd onder andere boord  brood en steem steen. Een analyse van het gedicht geef ik hier niet. Mijn bedoeling is dat iedereen over de tekst ervan kan beschikken.

Maisrog

In deze bergen is de aarde rood en slaapt het steen van
                                                                          vele eeuwen.
en met zijn blote handen
heeft de mens de korst der aarde uit elkaar gerukt
en rots tot vruchtbaarheid gedwongen.
hij bouwt zijn huizen bloksgewijs gestapeld op elkaar
met schuwe ramen in de hardheid van het steen
en houdt zijn deur gesloten.
als de morgen in de bergen openbarst
en wind de blaa’ren der olijven zilverwit doet ritselen
ontwaken eerst de dieren van het huis.
de geiten met hun gele ogen schrappen in de grond en
                              schommelen hun zware uier
en wekken al de andere dieren in de doffe kelder van
                                                                          het huis
waarboven mensen weerloos van vermoeidheid in hun slaap
                                                                          gevangen zijn.
En zelfs in ’t grauwe laken kan een kromgetrokken hand
                                                                          niet opengaan;
de vingers zijn verstijfd van het wroeten in de rotsen
en blijven als de wortels van olijven bij elkander.
het voorhoofd is verweerd, verdord; de haren zijn ver-
                                                                verschroeid als gras
dat in de hete zomer is verbrand
als de man terug-valt in het leven uit zijn slaap
dan ligt hij eenzaam zonder te bewegen
en hoort de adem van zijn vrouw en het vlugge hijgen van
                                                                          zijn kinderen.
hij voelt de donkere ruimte tastbaar om zich heen
en om de bergen in de verte.
om wijn te planten en olijven
haalt deze man eerst stenen uit de grond;
dan legt hij steen op steen tot kolossale muren 
waar de rode aarde in gevangen wordt
en de schaarse regen in kan zinken.
een kathedraal is niet zo groots als zo een muur
die het brood voor mensen af moet dwingen aan een gierige
                                                                                                       natuur.
vele uren van zijn leven en de zorgen van zijn hart
zijn steen geworden in die rode muren.
de mens wacht op de zon en op het snel besluit om op te staan
éérst, vóór alles, krijgt de mula voer
de mula met zijn ezelsoren en zijn harde nek.
sterker dan zijn moeder, het paard,
en taaier dan zijn vader, de ezel,
zwoegt hij met zijn stugge pezen in de stroeve grond.
als een gems kan hij klimmen en dalen
en met liefdeloos fatalisme meet hij zijn pas
in de rotsige glooiing der bergen. 
hij kent niet de eerzucht der paarden, noch de weerstand der
                                                                                                       ezels
en met gevaarlijk geblaas en platgetrokken oren
bijt hij de hand die hem voedt en de hand die hem slaat.
zonder zweep staat hij stil, met de zweep loopt hij traag
maar onweerstaanbaar gespierd scheurt hij de grond
stap na stap na stap
altijd vermoeid maar nimmer verslagen.
in de schemerige straat
dof-bruin en blauwig van schijnsel
begint de processie van mensen en mula’s de tocht naar de bergen
“bon dia, tingi”, en dan wordt er gezwegen.
want de slaap hangt nog zwaar in de straat en de harten
                                                                          der mensen.
nergens scherpt de morgen een geweldiger ruimte
dan hier in de rollende heuvels
in de verte gevangen door paarsige bergen.
alle kleuren ontstaan hier in het komende licht
van een korrelig rood tot het oker van vincent van gogh.
het is een fantastische ruimte,
de vierde dimensie
de genesis van een gloed-nieuw gebeuren.
de ploeg is van hout
en de mula trekt loom en verbeten
een spoor in de stenige grond der terrassen.
een olijf wordt gesnoeid
door een zwijgzame man te paard in de takken,
tot de grond is bedekt met de fluisterende blaa’ren.
de zepa
en dat is de plant van de wijn wordt gesnoeid en geënt
door mensen wier armen lijken te groeien tot lijdzame slierten
van bukken en werken, werken en bukken.
de boer is een benige man
met een blos van de wijn op zijn wangen
en de lichtblauwe ogen uit noordelijker streken.
hij vervloekt het gezag met een bittere mond.
“al het water van de ebro daar”
en hij wijst met zijn hoornige hand
“heeft het bloed niet kunnen wassen waarmee deze grond is
                                                                                                       bevlekt.
wij hebben elkaar hier gekeeld en geslacht
mijn oom was een schoft en ik heb hem vermoord
want hij heeft mijn vader verraden”
opeens blijft hij, staan
en met zijn hand in de lucht
zegt hij zachtjes en triest in de morgen:
“het is de herhaling van abel en kaïn, van blinde verdwazing
dat het bloed der naasten aan onze handen kleeft
verguenza, verguenza”
en het vocht van zijn mond schijnt hem bitter te smaken.
en hij spuwt op de grond en vervloekt het gezag
en ieder der mannen heeft een verhaal
van de strijd in de bergen
hoe sommigen jaren waren gevangen in de bergen van het eigen
                                                                                                       land
en anderen weer zijn gevlucht naar den vreemde.
één nam mij mee naar een grot
in het binnenste der aarde
waarin hij een tijd was verborgen;
in een smalle gang
leek het gewicht van de rotsen mijn borstkas te kraken.
hier lag hij weken als een levende begraven
terwijl hem de haren vergrijsden van angst.
nu bewerkten zij samen de grond
maar hun ogen verraden de schaamte en pijn van de gruwelijke
                                                                                                       jaren
die in de bergen door de mens is beleefd.
een karavaan van zigeuners komt nu langs de weg
donkerbruine vorstelijke schooiers in het rood en in het geel
wie niets bezit, dat is hun spreuk, is heerser van de wereld
zij stelen druiven op de bergen
en wasgoed uit de tuin.
zij leggen zangerig de toekomst aan uw voeten
terwijl het kostelijk zoontje
op zijn tenen naar uw zakken tast.
hun handen pakken, tasten, kruipen, stelen
alles waar een ander zorgelijk voor heeft gezwoegd.
in het heetst van de namiddag
wordt het eten hun gebracht
en stroomt de wijn uit een zak in de klokkende kelen.
de bergen
die blazen in de trilling van het warme licht
en de mula’s
staan onder narcose in de schaduw der bomen.
kijk naar de slapende mens door vermoeidheid gebroken
als marionetten van hout
met armen en benen toevallig gespreid in de buurt van een
                                                                          zielloze romp
zo sliepen de boeren van breughel
verzadigd van eten en verdoofd door de wijn.
als de schaduw der bergen
de kleur der olijven doet stollen tot brons
en de zon als een schijf op de punt van een rots balanceert
dan schreeuwt de boer door zijn hand met een zingend geluid
dat de dag is volbracht.
die avond
een heilige avond
zou christus, begeleid door zijn moeder, de maagd
in processie worden gedragen.
lampionnen worden in de ramen ontstoken
en met takken van palmen gesierd.
de jassen der mannen zijn zwart en versleten
en te kort bij de benige pols
gelijk de jas van een jongen die opeens is gegroeid.
het kruis is zeer zwaar en heel moeilijk te dragen
want de stervende christus is groot en de mens is maar zwak.
de sterkste der mannen had amper kracht
om het wankelend kruis op zijn schouder te nemen.
hij heette ramon
een kinderlijk mens met verwonderde ogen
die voor gek werd versleten omdat hij nog nooit had bedrogen
toen werd het stil
en niemand bewoog in de grijzende schemer
en de mensen zij wachten (als leden ze pijn)
op de stem van de klok in de toren-
de christus van gips
was bedekt met karmijnrode wonden:
de kleur van een bloem die nauwelijks maar hevig bestaat.
zo wil de mens hier het lijden verstaan
zonder schaamte voor wonden die nimmer genezen
en het bloed dat altijd nog stroomt.
ramon droeg het kruis
en zijn lendenen leken te kraken bij iedere stap die hij deed
en het zweet lag als een dauw om zijn mond
en zijn verwonderde ogen.
hoe schoon droeg hier een mens de mensenzoon
op zijn afgewerkte schouders
naar het licht van lampions en walmende flambouwen.
en achter hem kwamen de meisjes gekleed in het zwart
met een ketting geboeid
en het gezicht in een masker verscholen.
daarna maria
ten troon in armen van oudere mannen
keek neer op een wonderlijk kindje van gips.
en achter haar kwamen, stug en gesloten
versleten als hun zwarte jas
de mensen die ik ’s ochtends op de bergen had gezien.
en ik was bewogen
om het wonder van de mens die wordt geboren en die sterft
die op de bergen in het zweet van zijn aangezicht
voor zijn kinderen het brood en de wijn uit de stenen perst
die oorlog heeft gekend
van broeder tot broeder
en vader tegen zoon;
die honger heeft geleden toen een pest de wijnplant had ge-
                                                                                                       dood
en het loon naar werken uit zijn handen sloeg.
toen ik wegtrok uit de catalaanse bergen
stond ik lang nog op de stoffige weg
tot dit beeld in mijn hart was gekomen                
              


Rotstekening (Aruba)

dinsdag 13 mei 2014

Zijn mannen bezitterig en vrouwen goedgelovig?

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over Kuis uit 2011 van Rihana Jamaludin.




door Jos de Roo

De belangrijkste verhaallijn van de roman Kuis is een van de vreemdste die ik ooit ben tegengekomen. Hierin gaat het over een kuisheidsgordel. Je zou verwachten dat het verhaal zich dan afspeelt in de duistere middeleeuwen, maar nee, het gebeurt allemaal in het hedendaagse multi-culturele Amsterdam. De gordel is bestemd voor de mooie Turks-Nederlandse Ashmana, een moderne jonge vrouw, opgevoed door haar gescheiden Nederlandse moeder die haar heeft ingeprent niet afhankelijk te raken van een man. Ze krijgt de gouden kuisheidsgordel niet omdat haar wulpsheid de spuigaten uitloopt, maar als teken van de band die ze met haar vriend Bennie heeft. Althans, zo ziet zij het: “Met Bennie werd het beter, alles werd anders. Ik kreeg een nieuwe familie, een plaats waarin ik me om mezelf gewaardeerd voel. Wat kan de gordel anders zijn dan het symbool van mijn nieuwe band? Die gordel is een spel, zo serieus als je hem zelf nemen wil, en toch tastbaar…”(p. 149)

De Zuidafrikaanse juwelier Uwe Koetter 
vervaardigde in 2002 een kuisheidsgordel voor een
 rijke klant in Londen. De naam van de klant
 mag niet onthuld worden. De gordel werd door de bruid
 van de klant gedragen op haar huwelijksdag.
 De roman Kuis was reeds geschreven toen dit
 nieuws bekend werd. (Van Jamaludins website.)
In werkelijkheid wil haar vriend, de hindostaanse Bennie, dat Ashmana een kuisheidsgordel draagt om haar aan zich te binden voordat ze zelf zou ontdekken dat ze iedere man kan krijgen die ze maar hebben wil. Hij is van plan haar snel zwanger te maken, want als ze eenmaal moeder is, zal ze niet gauw gaan scheiden. Zo is Benny het vleesgeworden cliché van de bezitterige macho en Ashmana van de volgzame goedgelovige vrouw, ondanks haar opvoeding en opleiding.

De centrale figuur in de verhaallijn over de kuisheidsgordel is de Hindostaanse goudsmid Ramesh. Bennie en Ashmana kiezen hem uit om de gordel aan te meten en te smeden, omdat hij een kluizenaar is, die de faam heeft dat hij een kuis leven leidt. Maar zodra Ashmana over de drempel van zijn winkel stapt, is hij smoorverliefd. Dat wordt nog erger als hij bij het opmeten van haar kruis de zoete geur ervan opsnuift. Hij staat voor een dilemma: hij is het niet eens met het idee van de kuisheidsgordel omdat deze Ashmana tot bezit maakt, maar als hij de opdracht weigert, zal hij haar niet meer zien. Het vlees is sterker dan de geest en hij gaat de opdracht uitvoeren, waarbij een voor het oog zuiver geestelijke vriendschap ontstaat tussen goudsmid Ramesh en mooie Ashmana.

Knipsels van een Caraïbisch model.
Pagina uit een plakschrift dat Rihana Jamaludin
bijhield voor het ontwerp van haar roman De zwarte Lord
De werkelijkheid is echter dat Ramesh zijn liefde voor haar niet durft te zeggen, omdat hij beseft dat hij dan het contact met haar verliest. Hij komt tot halfslachtige oplossingen van dit probleem. Hij weet Ashmana ervan te overtuigen dat ze zelf een tweede sleutel van de kuisheidsgordel moet hebben. Hij verzint ook iets waarmee hij zijn eigen stempel op de gordel zet en zo symbolisch op de intiemste plek van Ashmana aanwezig is: hij ponst gladde knoppen van bloemenranken in de vorm van zijn initialen “op een plek die zo intiem was, dat alleen de draagster ze moest bemerken.” (212) En Ashmana merkt inderdaad dat er wat zit, want als ze beweegt, raakt ze opgewonden: “Het was of ze onder het lopen voortdurend gekust werd, en dan wel op een zeer intieme plek.”(208) Ze besluit haar eigen sleutel te gebruiken en bemerkt dan wat Ramesh heeft gedaan. Ze is woedend op hem, wat het einde van de vriendschap is. Ook biecht ze het geheim van de eigen sleutel op aan haar vriend Bennie, die door zijn boosheid erover zijn ware aard van bezitter toont, wat ook het einde van de liefde betekent. Zo worden de boosdoeners Bennie en Ramesh gestraft en leeft Ashmana sadder and wiser verder.

Mahafsoun: traditioneel
De tweede verhaallijn is die van de vriendschap tussen de hindoe Ramesh en de Surinaamse moslim Hassan. Deze lijn gaat over de religieuze raakvlakken tussen beiden. Ze streven elk op eigen wijze onthechting van het aardse na door te mediteren. Hassan doet dit door zich te concentreren op een eindeloze rij namen voor het goddelijke en Ramesh door te mediteren over de godin Parvati, waarbij hij in trance raakt en de godin aan hem verschijnt. In feite weerspiegelt Parvati het onderbewuste van Ramesh.

Ook Hassan verlaat het pad van de absolute kuisheid, als hij verliefd wordt op de vrouw aan wie zijn familie hem wil uithuwelijken. Hij wil sinds dat ogenblik dienstbaar zijn aan de mensheid door imam te worden. Zijn religieuze opvatting klinkt in de oren van andere moslims als een ketterij: geen enkele godsdienst heeft de complete waarheid, de waarheid is relatief, en de heilige boeken zijn niet betrouwbaar, want ze zijn pas eeuwen later van horen zeggen opgesteld. Hassan en Ramesh benadrukken het complementaire aspect van het leven: zij zijn in hun streven naar kuisheid “de aanvulling op de potpourri van bandeloosheid.”(50)

Schrijfater Rihana Jamaludin. Foto © Michiel van Kempen
Schrijfster Rihana Jamaludin beperkt dit complementaire aspect niet tot een tegenstelling tussen deze twee individuen en de maatschappij. Ze laat zien dat de tegenstelling overal voorkomt: in de religies en in de romanfiguren zelf. Hassan zegt: “De waarheid is misschien wel te groot voor ons kleine bewustzijn. Hoeveel zouden we kunnen bevatten, van iets dat onmetelijk is? Wat. Als elk van de vier grote godsdiensten nu een déél van de waarheid bevat? En… bovendien tegen zichzelf moet strijden, zoals het in een wereld van dualiteit betaamt? Daar hebben we de dualiteit alweer. Mijn vriend, de mens is een wezen dat faalt, maar hij streeft naar perfectie.” (105)

De religieuze verhaallijn moet het onverklaarbare in de lijn over de kuisheidsgordel verklaren: de goedgelovigheid van Ashama en de abrupte verliefdheden van Ramesh en Hassan. Maar het is een onbevredigende verklaring. De figuren stappen zomaar af van iets wat ze een leven lang hebben nagestreefd. Bij mij blijft de indruk achter dat je zo in feite alles kunt doen wat je wilt en alles kunt goedpraten. Die indruk wordt versterkt door de ingevoegde soefti-verhalen die Hassan en Ramesh gebruiken als ze iets duidelijk willen maken. Je kunt met die verhalen alle kanten op.

Mahafsoun: modern
Qua stijl zijn die verhalen een verademing door de concreetheid die eruit spreekt. Jamaludin is in de rest van de roman heel wat minder concreet. Ze houdt van clichés: “Met sierlijke bewegingen serveerde zij de gerechten, en schonk de klanten haar innemende glimlach.” Dat combineert ze soms met sociologentaal: “Er was niet zoveel waarover ze samen konden praten – het verschil in scholing tussen hen, en de kloof die dit in hun kijk op cultuur veroorzaakte, stond een gelijkgestemde beleving van de wereld in de weg. Maar dat deerde hen niet. Moeder en zoon waren elkaar volkomen toegewijd”. (19) Beschrijvingen worden soms bijna lachwekkend door de abstracties waaruit blijkt dat niet echt is waargenomen: “Tussen het geflikker van de discolampen door, onderscheidde hij in de deinende massa chique avondkleding en glinsterende sieraden. Om hem heen vonden hartelijke ontmoetingen plaats en schoof men bij vrienden aan. Toekomstplannen werden aan de tafeltjes uiteengezet en carrièremogelijkheden besproken.” (43)

Het enige dat opvalt in Kuis is het vreemde gegeven van de kuisheidsgordel. Het maakt duidelijk dat mannen bezitterig zijn en vrouwen goedgelovig. Of mag ik dat niet zomaar veralgemenen? Zo word je als lezer toch opgescheept met de ambivalentie ofwel de dualiteit van het leven dat de roman van Jamaludin verkondigt.

Rihana Jamaludin: Kuis, Amsterdam, KIT Publishers, 2011, 222 blz.

[eerder verschenen in Oso]

maandag 3 maart 2014

De Parada Grandi van Aruba

Van de Parada Grandi van Aruba op zondag 2 maart 2014 maakte Jos de Roo deze fotoreportage.

















woensdag 5 februari 2014

Colleges Surinaamse en Antilliaanse literatuur


Op vrijdag 7 februari begint de nieuwe collegereeks Caraïbische dromen - De literatuur van Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen die prof. Michiel van Kempen geeft aan de Universiteit van Amsterdam. Er is een gloednieuwe reeks samengesteld, waarbij zo wel klassieke als de allernieuwste teksten worden gelezen. Vele gasten maken hun opwachting: schrijvers en gastdocenten van beide zijden van de oceaan. De colleges worden gegeven in zaal 4.04 van het PC Hoofthuis, Spuistraatc 138 te Amsterdam. Het vooraf gelezen hebben van de te behandelen tekst is voorwaarde om aan het college te kunnen deelnemen.
Wie graag de reeks of enkele coleges bijwoont kan zich per mail aanmelden:
M.H.G.vanKempen@uva.nl


Aanbevolen voorkennis

Jos de Roo, ‘Hollandse hovaardij; Moderne Surinaamse schrijvers over Nederland’.
Wim Rutgers, ‘De Nederlandse Antillen en Aruba’. Het gaat om 2 hoofdstukken uit: Theo D’haen (red.), Europa buitengaats; Koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen. Deel I. Amsterdam: Bert Bakker, 2002, pp. 199-246,  resp. 247-288.




Colleges


  1. vrij 7 februari 2014: Algemene inleiding I
  2. vrij 14 februari 2014: Algemene inleiding II, boek: Jacco Hogeweg – Een donjuan in de West
  3. vrij 21 februari 2014: Albert Helman elke student leest een ander boek van Helman
  4. vrij 28 februari 2014: Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, in aanwezigheid van de biografen van Anton de Kom, Alice Boots en Rob Woortman
  5. vrij 7 maart 2014: Mijn zuster de negerin van Cola Debrot
  6. vrij 14 maart 2014: Onsterfelijk van Guillermo Rosario, in aanwezigheid van de vertaalster, en dochter Libèrta Rosario
  7. vrij 21 maart 2014: we lezen gezamenlijk een tekst van Derek Walcott en bezoeken in Den Haag de onthulling van een muurtekst met een gedicht van Walcott
  8. vrij 28 maart 2014: roostervrij
  9. vrij 4 april 2014: Rubber van Madelon Szekely-Lulofs. Gastcollege door Dr Gabor Pusztai (Universiteit van Debrecen Hongarije) – ‘Antikoloniale concepten in het werk van Madelon Lulofs en Laszlo Szekely'
  10. vrij 11 april 2014: Dubbelspel van Frank Martinus Arion. En vertoning van de film Yu di Korsóu in aanwezigheid van cineaste Cindy Kerseborn
  11. vrij 18 april 2014: collegevrij (Goede Vrijdag)
  12. vrij 25 april 2014: ‘Praatjes voor de West, de invloed van de Wereldomroep op jonge schrijvers in het Caraibisch gebied’, door Jos de Roo. Te lezen tekst: De rots der struikeling van Boeli van Leeuwen
  13. vrij 2 mei 2014: Hoe duur was de suiker? van Cynthia Mc Leod, met vertoning (fragmenten van) van de film van Jean van de Velde. Gastcollege over Surinaamse en Antilliaanse talen door dr Annelies Roeleveld
  14. vrij 9 mei 2014: De zwarte Lord van Rihana Jamaludin, in aanwezigheid van de auteur
  15. vrij 16 mei 2014: Het hiernamaals van Doña Lisa van Eric de Brabander, gastcollege door Prof. Wim Rutgers (Universiteit van de Nederlandse Antillen)
  16. vrij 23 mei 2014, laatste college, De man van veel van Karin Amatmoekrim, in aanwezigheid van de auteur,

dinsdag 14 januari 2014

Film over Frank Martinus Arion ook in Den Haag te zien

https://webmail.uva.nl/owa/14.3.174.1/themes/resources/clear1x1.gif

Voor het eerst te zien in Den Haag: de documentaire Frank Martinus Arion: Yu di Kòrsou. Extra film in het programma van Friday Night Unlimited, vrijdag 17 januari, Theater aan het Spui Den Haag. 

Regisseur Cindy Kerseborn maakte een prachtige documentaire over Frank Martinus Arion (Curaçao, 1936), de grote dichter en schrijver van het Nederlands Caribisch gebied, o.a. bekend van de roman Dubbelspel. In de film ziet u behalve de schrijver onder anderen bekende Antillianen als Trudi Martinus-Guda, Omayra Leeflang, Igma van Putte-De Windt, Jos de Roo, Walter Palm en Francio Guadeloupe. De documentaire was de afsluiting van het project Hommage aan Frank Martinus Arion. Cindy Kerseborn maakte met Yu di Kòrsou het tweede deel van haar drieluik over Surinaams-Caribische Nederlandse schrijvers. Voor iedereen die Curaçao, het Papiaments en het werk van Arion kent of wil leren kennen, een absolute aanrader.
Francio Guadeloupe

Aanvang totale programma 20.00 uur. 
Kaarten via www.writersunlimited.nl. 


woensdag 27 november 2013

Ongepaste actie

door Jos de Roo
 
Boeli van Leeuwen als gymnasiumleerling,
maart 1940
De theoloog Rob van Buiren geeft zijn zegen er niet aan dat de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen naar het Literair Museum in Den Haag gaat. (Amigoe 25-11-’13, klik hier) Waar bemoeit hij zich mee, zo vraag ik me af. De enigen die over die nalatenschap gaan, zijn de erfgenamen. Of, als hij zich er bij leven over heeft uitgelaten, Boeli zelf. Het is niet kies tegenover de familie over een nalatenschap in het openbaar te twisten, of dacht Van Buiren dat hij als gesprekspartner van Boeli er een beetje bij hoort? Dan hebben honderden anderen dat recht ook. De enige reden dat de buitenwereld er zich mee zou kunnen bemoeien is als de nalatenschap aantoonbaar op een plek terecht zou komen waar er niet goed voor gezorgd zou worden. Dat is niet het geval. De actie van Van Buiren is dus bizar, ongepast en ongewenst. Wilt u uw instemming betonen met de mening dat alleen erfgenamen over een nalatenschap gaan, doet u dat per e-mail: josderoo@hotmail.com.

zondag 6 oktober 2013

In Memoriam Jules de Palm

door Jos de Roo

Het is nauwelijks voor te stellen dat Jules de Palm is overleden. Hij was iemand die er altijd was en waarvan ik het idee had dat hij er ook altijd zou zijn. Dit gevoel had natuurlijk met zijn leeftijd en zijn alomtegenwoordigheid te maken.

Jules de Palm. Foto © Carilexis /Aart G. Broek
De Palm was geboren op Curaçao in 1922. Op vele terreinen was hij actief: als literator, als recensent, als bestuurder van Sticusa, als neerlandicus, als hoofdredacteur van de Encyclopedie van de Nederlandse Antillen, en als toezichthouder op Curaçaose bursalen. In die laatste functie leerde hij talloze studenten kennen en van hen hoorde ik voor het eerst wat voor man Jules de Palm was: een geestige man, altijd vol anekdotes, grappen en een wandelende boekenkast. Dat beeld klopte, zo bleek me toen ik hem ontmoette. Maar hij bleek ook een andere kant te hebben. Hij probeerde je nieren te proeven door plaagstootjes te plaatsen om zo te zien hoe je zou reageren. Wetend dat ik recenseerde, zei hij bijvoorbeeld dat hij niet zo’n hoge pet op had van recensenten. Mijn antwoord dat zij als luizen afhankelijk zijn van de pels van schrijvers, beviel hem wel als auteur. Toch had de situatie een dubbele bodem: Jules de Palm was om zo te zeggen pels en luis tegelijk.

Deze speelse zelfspot kenmerkte ook zijn literair werk, waarvan de verhalenbundels Antiya (1981), Kinderen van de fraters (1985) en Lekker warm, lekker bruin (1989) de bekendste zijn. In zijn verhalen is de ik-figuur (vaak een alter ego van de schrijver), meestal ironisch over zichzelf: hij handelt niet adequaat in maatschappij die andere regels hanteert dan hij. Het levert komische situaties op. In zijn bekendste verhaal ‘De Kerstcakes van Sjon Keta’ bijvoorbeeld wil de jonge padvinder goed doen door cakes aan behoeftige mensen te geven, maar zij willen de cakes niet accepteren omdat hij hen niet op de juiste manier benadert. Als zijn moeder vervolgens laat zien hoe hij het wel had moeten doen, vliegen de cakes weg. Het verhaal is niet voor niets zo populair: het geeft een levendig humoristisch beeld van het Curaçaose volksleven. Maar onder de humor en de ironie gaat maatschappijkritiek schuil. Het verhaal laat ook zien dat de Curaçaose maatschappij volgens de schrijver wordt geregeerd door wantrouwen, conservatisme en achterdocht. Idealisme heeft er geen kans.


Pierre Lauffer
De verhalen van Jules de Palm zijn vanuit dit gezichtspunt veel meer dan mooi vertelde anekdotes die gaan over botsingen tussen culturen waarbij mensen (onbedoeld) bokken schieten door hun onwetendheid. Door zijn speelse maatschappijkritiek is zijn hoofdmotief de botsing tussen conservatieve traditionele opvattingen die geen ruimte bieden aan idealisme, en de vernieuwende opvattingen van een jonge generatie. Dit zat in 1943 al in de liedjes die hij samen met zijn vrienden Pierre Lauffer en René de Rooy schreef onder het pseudoniem Julio Perrenal. Jules de Palm heeft er een boekje over geschreven: Julio Perrenal; Dichters van het Papiamentse lied. Hij vertelt hierin dat met de liedjes tegenwicht wilden bieden aan de Spaanse en Engelse succesliedjes uit die tijd. Dat ze voor het Papiaments opkwamen is ongetwijfeld waar. Maar niet waar is de suggestie dat zangers om deze reden weigerden de liedjes voor de radio te zingen. Ze wilden niet omdat het lofliederen waren op het modernismo. Zij propageerden een leven met snelle auto’s, drank en seks, wat helemaal inging tegen de heersende, in het openbaar algemeen omarmde katholieke moraal. Dat dit aspect niet door Jules de Palm helder naar voren is gebracht, maar slechts indirect werd aangeduid, is typerend voor de dubbelheid die de combinatie van speelsheid en kritische instelling bij hem teweeg bracht.

Jules de Palm is literair in het Caribisch gebied een voorloper geweest met de creatie van de moeder als symbool voor behoudzucht. Pas door Jamaica Kincaid werd de Caribische moeder uitgebeeld als iemand die weliswaar zorgt voor haar kinderen, maar hen ook door die zorg verstikt. Dat is precies wat de moederfiguur in de verhalen van Jules de Palm doet: zij verstikt idealen en verspert nieuwe wegen. Men kan wellicht denken dat Jules de Palm deze visie na 1949 in Nederland opdeed tijdens zijn studie daar. Maar zijn verhalen vertellen iets anders. Als kind mocht hij niet meespelen met de wilde spelletjes van jongens omdat hij een bril droeg. Hij zocht zijn heil in boeken en in die jeugdboeken werden helden met idealen uitgebeeld. Dat inspireerde hem.

De laatste keer dat ik Jules de Palm uitvoerig sprak was in de zomer van 2006. Op zijn verzoek zou dit gebeuren in een restaurant bij het station Den Haag Centraal. Toen ik er kwam, bleek het al jaren gesloten te zijn. Op de plek zat Jules in een taxi op me te wachten. We gingen dan maar naar een broodjeszaak. Ik moest hem letterlijk bij de arm nemen, want hij was inmiddels blind geworden. Toen hij eenmaal veilig op een stoel zat, ging hij er echt voor zitten. Ik wilde hem een aantal conclusies voorleggen die ik had getrokken uit onderzoek naar zijn bijdragen aan de Wereldomroep. Klopte het dat zijn nawoord in Antiya uit zijn duim was gezogen, omdat hij een aantal verhalen niet had geschreven op verzoek van zijn vrouw, maar op verzoek van de Wereldomroep? Jules was verbaasd dat ik daar achter was gekomen en schepte ook genoegen in deze onthulling. Klopte het ook dat hij zich een keer in zijn eentje als Julio Perrenal had voorgedaan bij een optreden met het orkest de Zapatera’s? Ook dat klopte. Waarom schiep hij toch zo’n genoegen in dergelijke mystificaties? Daarop kwam geen antwoord.

Des te uitvoeriger gaf hij commentaar op wat ik zei over de rol van de moeder in zijn verhalen. Zijn idealen waren inderdaad ingestoken door de jeugdboeken die hij had gelezen en door de padvinderij. Van beide moest zijn moeder niets weten. En hij ging door: “Toen ik coördinator toezicht bursalen was, kwam ik geregeld op Curaçao. Thuis hadden een paar mensen het een keer over het toekennen van beurzen. Zij beweerden dat je politieke vriendjes moest hebben om er eentje te krijgen. Ik ging daar tegenin, want ik meende dat ik daar als coördinator toe gerechtigd was. De mannen meesmuilden. Toen ze weg waren, zei mijn moeder: ‘Jongen, hoe kan je dat nou zeggen, het is toch allemaal bedisseld.’ Terwijl ik er middenin zat!” Ik hoor nog de afschuw in zijn stem waarmee hij dit zei, zonder een spoor van ironie. Het deed hem nog pijn. Toen begreep ik waarom hij zijn proefschrift had opgedragen aan zijn Nederlandse hospita.

Jules de Palm leeft voort in een oeuvre dat weliswaar klein is, maar een heel eigen geluid heeft: speels, kritisch, humoristisch. Hij vernieuwde met traditionele middelen. Achter zijn lach schuilt de verontwaardiging om onbegrip in zijn jeugd.

zaterdag 14 september 2013

Drie kunstenaars, drie technieken

Een expositie van brons, keramiek en schilderijen opent op zondag 15 september in de Amsterdamse galerie Stam: Rudy Henriquez vertoont bronzen beelden, Patrick Mezas keramiekwerk en Luurd van der Dussen schilderijen.

Een uiterst gevarieerde tentoonstelling van drie technieken uitgevoerd door drie zeer verschillende kunstenaars.
               
Patrick Mezas (Curaçao 1954) werkt zeer realistisch en wil zijn beelden  zo natuurgetrouw mogelijk weergeven. In de  werkplaats van zijn vader maakte hij als kleine jongen al beeldjes en speelgoed van hout en kon hij zijn fantasie tot leven brengen. Als kunstenaar heeft hij zich door de jaren heen steeds meer toegelegd op het maken van portretten maar Patrick maakt ook stand­beelden, diersculpturen en  reliëfs in opdracht. Zijn werk wordt zowel in brons als kunsthars gegoten of uitgevoerd in klei.

Het robuuste doch sierlijke werk van Rudy Henriquez (Curaçao 1958) heeft een volledig eigen beeldtaal. Op het eerste gezicht lijkt eenvoud het sleutelwoord maar bij nadere beschouwing heeft het vaak een  verrassende diepgang en gelaagdheid. Een duidelijk statement is Rudy niet vreemd….

Luurd van der Dussen  (Haarlem 1967) legt zich toe op het maken van realistische olieverfschilderijen. Zijn stijl houdt het midden tussen fotorealisme en het lossere impressionisme.
In zijn werk laat hij de lichtinval sterk de sfeer bepalen. De onderwerpen van zijn schilderijen variëren van desolate landschappen tot sfeervolle Amsterdamse stadsgezichten.

De tentoonstelling gaat zondag 15 september feestelijk van start.
Om 15.30 uur wordt er officieel geopend en zal er gesproken worden door Maria Elena Cuartas.
Vanaf 14.00 uur bent u echter al van harte welkom.
Maria Elena Cuartas, tweede van links, tijdens het erediner voor Derek Walcott in 2008. Links van haar Tom van Deel, rechts Annette de Vries, Ernestine Comvalius, Aart Broek, Erich Zielinski. Geheel rechts Jos de Roo. Foto Bert Nienhuis


Galerie Stam  15 sep. 2013 tot 2 nov. 2013

Adresgegevens
Galerie Stam, Prinsengracht 356s, 1016 JA Amsterdam
Tel. 06-50975955
Openingstijden:
Wo 11.00 tot 17.00
Do 11.00 tot 17.00
Vr 11.00 tot 17.00
Za 11.00 tot 17.00

donderdag 1 augustus 2013

Roemer: Oorsprong en toekomst vallen samen

door Jos de Roo
 
Astrid Roemer. Foto: Aletta
In de bundel Afnemend is een dichteres aan het woord die de balans opmaakt van haar leven en de inzichten verwoordt die het haar heeft opgeleverd. Astrid Roemer doet dit strak gestructureerd. De bundel heeft zeven afdelingen elk bestaande uit drie gedichten. Het geheel wordt overkoepeld door een treffend motto. Het zijn dichtregels van de dichter-dominee R.S. Thomas uit Wales, de man die bekend staat als de dichter van de paradoxen. Ze drukken uit dat je iets kwijt bent op het moment dat je het bereikt: ‘He is just a fast god/ Leaving us when we arrive.’ Zo is in de bundel het moment van het opperste geluk in de liefde, ook het moment dat het verdriet begint en het moment dat het leven begint, het moment dat de dood zich aandient. Het leven is een aaneenschakeling van schijnbare tegenstrijdigheden, dat is de rode draad van de hele bundel.

Dit inzicht verwoordt Roemer meteen in ‘Geschenk’, de eerste afdeling van de bundel. Het geschenk is de liefde. Ze roept je, maar ze verlaat je ook weer om je later wellicht opnieuw aan te spreken ‘waar je eenzaam bent en/ verdwaalt’ (p.7). In het tweede gedicht van de afdeling verruimt Roemer de liefde tot het hele leven. Een vrouw geeft aan dat er in het bestaan altijd iets is ‘wat nooit herstelt iets/ wat verwijst naar onherbergzaamheid’ (p.7). De ik-figuur geeft haar goede raad: ‘on-/troostbaar zijn verlaten huis-/dieren’ (p.7). Roemer verwijst hiermee naar het slot van het eerste gedicht, waar de liefde opnieuw sprak, zodat een mens hoop blijft hopen in tegenstelling tot een verlaten huisdier dat reddeloos alleen is. Het derde gedicht verwoordt wat het geschenk van de liefde en het leven inhoudt. Beide zijn paradoxen: het toppunt van geluk is tegelijkertijd het begin van verdriet en het leven houdt onherroepelijk de dood in. Ik citeer het in zijn geheel om te laten zien hoe mooi Roemer met simpele woorden en beelden de lezer weet te raken:

Wie de top van het geluk bereikt
stuit op iets zachts

de bodem van verdriet is
het en onbegrijpelijk als een
zwart gat

net als het licht stroomt het
geluk naar een oord
waar alles
verdwijnt
er is geen weg terug voor wie
helemaal gelukkig
is (geweest) (p.7).

In de eerste afdeling heeft Roemer de lijnen voor de rest van de bundel uitgezet. De dieren komen terug in ‘Vrienden’, de tweede afdeling. Het zijn eerst meeuwen die de ik-figuur eten toewerpt. Ze staan symbolisch voor vriendschappen met mensen die je verlaten als er niets meer te halen is ‘met een schreeuw/ die natrilt door merg en been’ (p. 9). Vervolgens staan zwarte vogels (kerkhofvogels) symbool voor de dood, die zo ook terugkomt. Zij worden gevoerd door ‘de grijze dame uit het rusthuis’ die koppig doet wat men de ik-figuur heeft verboden. Het is fraaie symboliek voor de doodswens die bij het ouder worden opkomt. Tenslotte komt de kat voor, het huisdier dat met alle zorg wordt omringd: de echte vriend voor het leven.

Foto: Maggie Benjamin


De liefde staat centraal in de volgende afdelingen: ‘Wet dreams’, ‘Nabijheid’ en ‘Wentelingen’. In ‘Wet dreams’ zijn het de herinneringen aan liefdes: ‘midden in de nacht/ wakker worden en niet/ weten hoe te blussen’ (p.13). De herinneringen slingeren ‘brak als zeewier […] met het dagritme mee/ ze breken niet los// hecht als littekens bewegen/ ze door het zonlicht’ (p.13). De grens tussen heden en verleden vervaagt door de herinneringen aan de liefde. Het verleden ‘gloeit na/ als vuurrode kolen onder jaren/ van witte as in/ onophoudelijke winters behaaglijk/ als een zwoele tropennacht’ (p. 15). Maar ook de grens tussen heden en toekomst lost op, want de toekomst is een herhaling van het verleden ook al heeft de mens hoop op een betere toekomst: ‘Het nageslacht levert geen/ ander mens op […] zij herhalen wat wij moeizaam/ verlieten’ (p. 15). Herinneringen aan liefde wekken verlangen op, maar: ‘wie denkt dat verlangen/ gezond is moet ziek zijn’ (p.17). Het is een vloedgolf die je losslaat van wat je staande hield, een koortsdroom die eigenzinnig woedt, want de geliefde is ‘dreigend helend’, wat leidt tot de wens opnieuw een band aan te gaan.

De liefdesgedichten zijn inhoudelijk bijzonder omdat ze de weerloosheid van de ik-figuur tegenover het overweldigende liefdesgevoel combineren met het inzicht van de rijpe levenswijze dichteres die weet dat de liefde je losslaat van je houvast, van je overtuigingen en van wie je denkt te zijn. Ze verwacht het heil in de liefde en weet tegelijk dat het de bodem van nieuw verdriet is. Het is opmerkelijk dat dit levensinzicht de hartstochtelijkheid van de liefde niet tempert. Het lijkt eerder de intensiteit van de liefde te versterken. Deze paradox of zo men wil: contradictie deed mij sterk denken aan het literaire ideaal van de Antilliaanse dichter Cola Debrot die vond dat een literair werk de eenheid van tegendelen moest uitdrukken, een eenheid die hij beeldend beschreef als de eenheid van het kristal waarin de tegenstellingen elkaar niet opheffen, maar juist versterken. Dit romantisch realisme doordrenkt ook de bundel Afnemend van Astrid Roemer.

Ophelia Overdose. Foto @ Stefan Gessel

Roemer zelf verbaast zich in de afdeling ‘Omwentelingen’ over de veranderingen in haar leven die tot haar inzichten hebben geleid. Haar leven bestond uit steeds weggaan en aankomen op nieuwe plaatsen. Het leidt tot de conclusie dat vaderland en moederland zijn ‘uitgebleekt’, dat de wereld echt geen wonder is, dat ‘ze dwingt tot onthechten/ tot opstaan, lopen, vluchten soms/ tot steeds opnieuw beginnen met niets/ dan ervaringen’ (p.21). Ze vraagt zich verbaasd af: ‘Hoe kom ik aan deze lichtverdragende/ huid aan kennis van bijna alles aan/ merktekens en aan het willen/ geborgen zijn bij haar?’ (p. 23).

De bundel sluit verrassend af met ‘Moederbeelden’. Roemer stelt zich ook hier vragen: ‘is er een vrouw van wie ik/ meer houd? een geliefde die ik vaker heb verlaten? en waarom schreeuw je niet? houd je me/ niet tegen?’ (p. 25). Oorsprong en toekomst vallen aan het eind van ‘Moederbeelden’ en van de bundel samen: het lichaam van moeder en dochter neemt bij het ouder worden af in mogelijkheden en ‘de tijd/ krimpt tot een stollende ruimte/ welke ons samen/ voegt en jou en mij/ onherroepelijk doodt’ (p.27). Het ouder worden leidt paradoxaal genoeg terug tot de moeder en ook dan herhaalt zich het verleden: krachten en mogelijkheden nemen af, totdat het leven je wordt afgenomen.

Er is nog een paradox. Roemer mag dan constateren dat haar mogelijkheden afnemen, maar met deze bundel bewijst ze juist dat ze als dichteres tot volle wasdom is gekomen. Afnemend is een dichtbundel met verrassende beelden, een doeltreffend taalgebruik en een bijzondere inhoud. Daar komt nog eens bij dat de bundel prachtig is uitgegeven op groot formaat met naaigaren op het voorplat. Het is een beperkte oplage van 125 genummerde exemplaren.

Astrid H. Roemer, Afnemend; 21 liefdesgedichten. Amsterdam: Buku Bibliotheca Surinamica, 2012. 29 p., isbn 978 79 535 002, prijs € 27,50. [Bestellen kan uitsluitend via de Werkgroep Caraïbische Letteren, Amsterdam, bankrekening 3027698.]

[uit Oso 2012, 2]