 |
| Het Geelvinck Hinloopen Huis, Keizersgracht 633, Amsterdam |
Geelvinck Hinlopen Huis, Amsterdam, 23 april 2013
door Noraly Beyer
Het kan niemand ontgaan dat 2013 een bijzonder feestelijk
jaar is voor Amsterdam. In de hele stad hangen vlaggen en banieren die ons
eraan herinneren dat Amsterdam wat te vieren heeft. 125 jaar Concertgebouw. 175 jaar Artis. 225
jaar Felix Meritis. De heropening van het Rijksmuseum na 10 jaar restauratie.
Het zijn allemaal, kroonjaren, bigi yari zeggen we in Suriname wanneer je als
persoon of als instelling een rond getal hebt bereikt in het leven.
Dat ronde getal geldt ook voor de Grachtengordel die 400
jaar geleden werd aangelegd, in de 17 e eeuw.
Ook de Gouden Eeuw genoemd, omdat het jaren waren van grote bloei van de
kunsten, de wetenschap en de handel. De handel vooral maakte dat de
grachtengordel vanaf het begin het domein was van de rijkste mensen van
Amsterdam.
 |
| Tabakrokende Indiaan |
Neem bijvoorbeeld dit huis waarin we nu staan. Het Geelvinck-Hinlopen huis. Het ademt nog de sfeer van de glorie en rijkdom van die
dagen. Het geeft een goed beeld van de welvaart en de wooncultuur
van de Amsterdamse regenten vanaf de 17e eeuw.
Vanaf begin jaren 90 is het Geelvinck-Hinlopen huis een
museum. Dankzij Jurn Buisman en Dunya Verweij. Toen zij zich verdiepten in de
geschiedenis van het huis, bleek natuurlijk al gauw dat er ook een keerzijde
zit aan de gouden rand van 17e eeuw, dat de verkregen welvaart niet zo
uitbundig had kunnen zijn, zonder de handel in mensen, zonder de slavenhandel.
Dit huis is gebouwd door Albert Geelvinck toen hij in 1680
trouwde met Sara Hinlopen. Hun alliantiewapen, een gele rietvink en ster van hem, en
een zigzagpatroon van haar, is nog te zien in het plafond in de hal. De rest van het huis is in de loop der eeuwen vaak veranderd,
omdat het steeds in andere handen overging. Het is wel lang in de familie
gebleven, tot het verhuurd werd aan bevriende zakenmensen en tenslotte in 1920
verkocht werd aan de firma Hagemeijer & Co en kantoor werd. Eind jaren 80
werd het pand gekocht door de Buismangroep. Origineel zijn alleen nog het wapen
in het plafond en de houten vloer in de blauwe kamer.
Albert Geelvinck behoorde tot de 250 rijkste mannen in
Nederland. In die tijd trouwden de rijken met elkaar om de macht te
behouden en de rijkdom uit te breiden. De meesten woonden langs de
Keizersgracht en de Gouden Bocht van de Herengracht. Het recente onderzoek van historica Dienke
Hondius brengt in beeld waar de slaveneigenaren woonden en hoe groot hun bezit
was in aantal slaven.
De grootvader van Albert had kapitaal verzameld onder meer
met de handel in erwten, bonen en gort. Levensmiddelen die lang goed bleven en
dus goed waren voor de bevoorrading van de schepen die voor de VOC, Verenigde
Oostindische Compagnie, en later ook de WIC, Westindische Compagnie, wereldreizen
maakten. De grootvader van Sara had het ‘asiento’
het alleenrecht op de slavenhandel op Curaçao. Haar vader was een
lakenhandelaar en een groot kunstverzamelaar. Zij bracht minstens één schilderij
mee van Rembrandt en meerdere van Gabriel Metsu - waarvan in het koetshuis een
replica te zien is.
 |
| Akte waarin Albert Geelvinck en Hendrick van Baerle een schip laten uitrusten om 500 slaven van Afrika naar Suriname te transporteren. |
Beide families hielden zich dus actief bezig met
slavenhandel. Want rijkdom in die tijd betekende automatisch ook dat je
bestuurder of bewindhebber was van de VOC, de WIC en later de Sociëteit van
Suriname. Die moest na de WIC vooral de handel op Suriname weer winstgevend
maken en had als enige het recht om slavenschepen uit te zenden. Albert Geelvinck werd in 1689 een van de directeuren van de
Sociëteit van Suriname. Drie jaar later in 1692 overleed hij.
Ik vind het een bijzondere ervaring om als nazaat van
slaafgemaakte mensen in het huis te staan waar ooit directieven werden gegeven
voor de aankoop en verkoop van slaven in Afrika. Omgekeerd was dat zelden het
geval. De directeuren van de Sociëteit kwamen bijna nooit in Suriname. Albert Geelvinck is ook nooit in Suriname
geweest. En door zijn vroege dood heeft hij ook nooit geweten wat er geworden
is van het contract dat hij samen met Hendrik van Baerle tekende om met het
schip Debora Amarentia, 500 slaven op te halen in Calabar, in die tijd de
grootste slavenhandelsplaats in Zuidoost Nigeria, en te vervoeren naar
Suriname.
 |
| Gezicht op Calabar |
Op het document dat hier tentoongesteld is, lees je dat de
slaven aangemerkt werden als coppen. Ze moesten tussen de 15 en
36 jaar zijn, niet blind of lam en geen besmettelijke ziekte hebben. Dan
kostten ze 210 gulden per stuk. In die tijd was 1 gulden het gemiddelde dagloon
van een ambachtsman, dus een slaaf kostte ongeveer een jaarloon. Jongere slaven kostte minder en kinderen tot 7 werden bij de
moeder gerekend. Bij aankomst werden de slaven gebrandmerkt.
Ik weet niet of Albert Geelvinck dat wist, en zo ja of hij
zich er een voorstelling bij maakte hoe het is als je met een brandend metaal
een cijfer of letters gedrukt krijgt op je huid waardoor iedereen kan zien
wiens eigendom je bent. Zoals met koeien, Bertha 1 naast Willem 4. Als ik masra Albert weer tot leven kon roepen, zou ik hem
het lied Faja siton laten horen. Nu
is het een populair kinderlied, maar in de slaventijd verwees het naar pijn en
verdriet.
 |
| Gevelsteen aan het Rokin in Amsterdam |
Slavenarbeid werd sedert de Gouden Eeuw ingezet voor de
handel in suiker, koffie, cacao en tabak.
Aan de grachten van Amsterdam zijn nog heel veel stille getuigen van deze
geschiedenis, die aan je voorbij gaat als je er niet op gewezen wordt. Je moet bijvoorbeeld
omhoog kijken, om de gevelstenen te zien, die verwijzen naar slavenhandel of
producten van slavenarbeid: koffie, tabak, cacao en bovenal suiker.
Er zijn nog teveel mensen die zich afvragen hoe het komt dat
Surinamers en Antillianen zo goed thuis zijn in de Nederlandse cultuur, de
taal, de geschiedenis. Omgekeerd is dat minder het geval. Toen ik voor het eerst hier in dit huis kwam,
had ik al gehoord dat de families van Albert Geelvinck en Sara Hinlopen directe
bemoeienis hadden met de WIC en de Sociëteit van Suriname. In het huis zag ik
niets wat nog herinnerde aan Suriname. Alleen de zwarte moor die het onderstel
is van een marmeren tafelblad, maar die kan ik niet meerekenen omdat die
refereert aan de glorie van andere oorden.
 |
| Munt met het opschrift van de Sociëteit van Suriname |
Het is daarom een grote verdienste van Dunya Verweij en Jurn
Buisman dat ze zijn gaan graven in het verleden van dit huis en de directe
omgeving, en ontdekten hoeveel sporen de slavenhandel heeft achtergelaten. De grachten zijn dit jaar 400 jaar oud, maar
de feestvreugde is onherroepelijk
gekoppeld aan de slavernij, die straks op 1 juli, 150 jaar geleden werd
afgeschaft. Dunya Verweij en Jurn
Buisman hebben hun Geelvinck-Hinlopen huis als uitgangspunt genomen om zich af
te vragen, welke effecten we vandaag nog zien en ondervinden van de handel in
de Gouden Eeuw, met name de slavenhandel.
Met de kennis en de voorwerpen die ze tijdens hun zoektocht
vonden is deze tentoonstelling gebouwd.
Het is een ‘work in progress’ geworden, omdat er nog veel meer boven
water kan komen en dit huis open staat voor nieuwe vondsten. Zoals de staande
klok, in de blauwe zaal op de beletage, van Surinaams hout en op de wijzerplaat
een schildering van de waterkant van Paramaribo en Surinaamse indianen. Die
klok mochten ze samen met twee bijzondere kaarten van plantages lenen van een antiquair in
het zuiden van het land.

De regenten van weleer pronkten ook wel met hun bezit
overzee. Op deze tentoonstelling zien we een verzameling van voorwerpen,
die daaraan herinneren. Bijvoorbeeld het wapen van de WIC,(met de afzonderlijke
wapens van Amsterdam, de familie van Sommelsdijck en de WIC zelf) waarop
engeltjes in de weer zijn met suikerriet en suikerkegels. Of een koffiekopje
met de tekening van een Surinaamse suikerplantage. En nog meer servies, tekeningen, prenten en boeken die
geïnspireerd zijn door de tropen. En dan ook nog rookpijpen met de kop van een neger.
Het Geelvinck Hinlopen Huis is begonnen met een inhaalslag
en geeft daarmee een voorbeeld aan alle andere huizen in Amsterdam die dit jaar
400 jaar grachtengordel vieren en de durf hebben om zich te herinneren dat de
welvaart er niet was gekomen zonder slavenhandel. De slavernij is weliswaar 150
jaar geleden afgeschaft, maar werkt voor
veel nazaten van slaafgemaakten nog door in hun gedachten, gedrag en gewoonten. Dat we hiervoor meer begrip mogen krijgen. Dat we er met elkaar over durven en kunnen praten, zonder de
dreiging van schuldbekentenissen en herstelbetalingen. En dat we een rechte rug
houden als anderen zich afvragen of het wel verstandig is dat we het doen. Hulde voor Dunya Verweij en Jurn Buisman om hun huis open te
stellen voor de dialoog over het verleden, dat we delen. De Goede, Gouden
Tijden… en de Slechte, Zwarte Tijden. Als we het verleden leren kennen en begrijpen, kunnen we
beter met elkaar, met onszelf en met onze toekomst omgaan.
 |
| Plaquette Herengracht 502, de burgemeesterswoning van Amsterdam |
Niet ver hier vandaan op Herengracht 502 staat een huis dat
in dezelfde tijd als het Geelvinck-Hinlopen
huis is gebouwd. Eigenaar van nr 502 was Paulus Godin, ook directeur van
de Societeit van Suriname en in die functie dus ook verantwoordelijk voor
slavenhandel. Tegenwoordig is het huis de ambtswoning van de burgemeester. In 2006 heb ik meegewerkt aan de plaatsing van een plaquette
voor de woning. We waren het er unaniem over eens dat we de geschiedenis
moeten koesteren en aan elkaar moeten doorgeven, opdat we ons heden beter
kunnen begrijpen en met meer vertrouwen de toekomst in kunnen. Of zoals we het
op de plaquette verwoordden:
“Zolang de herinnering leeft, is het leed niet voor niets geleden”
.