 |
| Mariënburg. Foto @ Nicolaas Porter |
door Rolf van der Marck
De Helden van Mariënburg, zoals de slachtoffers van het
oproer te Mariënburg in 1902 sinds een aantal jaren door het leven gaan, zijn
volop in het nieuws. Op 30 juli 2012 was het precies 110 jaar geleden dat 17
Hindoestaanse contractarbeiders werden neergeschoten en een groot aantal gewond
raakte door soldaten van het Nederlandse leger, uit angst dat het oproer nog
meer uit de hand zou lopen. De in Nederland woonachtige en werkzame Surinaamse
historicus Sandew Hira schreef op diezelfde dag een brief aan de Indiase
regering met de namen van de omgekomen contractarbeiders en het verzoek om hun
nabestaanden in India te traceren en ze op de hoogte te stellen van wat er met
hun voorouders (Hira bedoelt natuurlijk ‘verwanten’) is gebeurd, als zou
daarvoor nog iemand belangstelling hebben behalve 'n handje vol genealogen.
 |
| Mariënburg. Foto @ Nicolaas Porter |
Volgens Hira ging het om een koelbloedige executie. De
kolonisten drukten op die manier een opstand de kop in op de plantage
Mariënburg in Commewijne. Die opstand was een week eerder begonnen toen zo’n
tweehonderd razende arbeiders onder leiding van Jumpa Ray Garoo zich beklaagden
over het (te) zware werk tegen ook nog eens verlaagde lonen. Op 29 juli 1902
gingen ze in staking. Dat liep uit de hand toen de stakers de directeur van de
Suikerfabriek Mariënburg, James Mavor, lynchten, mede op grond het verhaal dat
hij vrouwen van contractarbeiders misbruikte. De koloniale machthebbers
stuurden de volgende dag vanuit Frederiksdorp een gewapende leger- en
politiemacht op ze af en de daders werden gearresteerd. Toen de slechts met
houwers gewapende arbeiders hun vrijlating eisten bij de districtscommissaris
werd gericht geschoten op de arbeiders. Hierbij zijn direct 17 doden gevallen,
terwijl daarna nog eens 7 gewonden zijn komen te overlijden. De 17 doden van
het eerste uur werden overgoten met ongebluste kalk en in een massagraf op de plantage
begraven. Ter herinnering aan de opstand werd op 30 juli 2006 door
toenmalig Vice-President Ramdien Sardjoe op Mariënburg een gedenkteken onthuld,
waartoe de Stichting
Gevallen Helden 1902 het initiatief had genomen.
 |
| Mariënburg. Foto @ Nicolaas Porter |
Het verzet wetenschappelijk benaderd
Op 30 juli van het afgelopen jaar hield voormalig Minister
van Binnenlandse Zaken, de historicus Maurits Hassankhan, verbonden aan de
Anton de Kom Universiteit van Suriname, opleidingscoördinator van de
Masteropleiding geschiedenis bij het Institute for Graduate Studies and
Research (IGSR), tevens belast met de voorbereiding van de studierichting
geschiedenis bij de (sub)faculteit Humaniora van de Universiteit van Suriname
een lezing getiteld De opstand van Mariënburg 1902 en haar betekenis
voor de Surinaamse samenleving. Hij is sinds 25 jaar, met korte
onderbrekingen, bezig met onderzoek over immigratie van contractarbeiders,
toegespitst op het onderwerp verzet.
Alhoewel ik helaas nog niet de hand heb kunnen leggen op de
tekst van deze lezing, moet ik het hier stellen met wat staat vermeld in de
aankondiging, namelijk dat Hassankhan niet alleen de vraag zal beantwoorden wat
de directe aanleiding was van deze noodlottige gebeurtenissen, maar dat hij ook
zal ingaan op de diepere achtergronden van het verzet van contractarbeiders
tegen vermeende onderdrukking. Hij zal proberen een verklaring te vinden voor
het feit hoe het komt dat schijnbaar willige en onderdanige Brits Indiërs
konden overgaan tot gewelddadige acties als aanslagen op opzichters en
directeuren van plantages en confrontaties met het overheidsgezag, toegespitst
op:
• Wat zijn de redenen geweest waarom zij een botsing met de
gewapende machten trotseerden, hoewel zij van te voren wisten dat zij bij elk
gewelddadig treffen het onderspit zouden delven?
• Waarom hebben de immigranten Mavor vermoord?
• Was het alleen een zaak van te zware taken en te lage
lonen of speelden ook andere motieven een rol? Wat is er waar van het verhaal
dat Mavor intieme relaties onderhield met vrouwen van immigranten?
• Als dit waar is, waarom zwijgen de officiële bronnen
hieromtrent? Hoe komt het dat de kranten van toen, die de rechtszaak uitgebreid
hebben behandeld, geen melding maken van deze relaties. Speelden zij onder één
hoedje met de koloniale autoriteiten?
 |
| V.l.n.r. Soewarto Moestadja, Ben Mitrasingh, Paulus Todirjo, Ingrid Karta-Bink, Michel Sjak Shie, foto BiZa |
Opgraving massagraf
Reeds enige tijd is de Surinaamse archeoloog Drs. B.S. (Ben)
Mitrasingh bezig toestemming te verkrijgen opsporingen te verrichten om de
juiste plaats van het massagraf vast te stellen, het open te leggen en de
stoffelijke resten - ‘if any’ - van de slachtoffers een eervolle herbegrafenis
te geven. Ondanks dat hem daarbij reeds steun was toegezegd door de Nederlandse
Ambassade, lag de “projectdrager duurzame toekomstmogelijkheden voor Mariënburg
en Peperpot”, tevens President Commissaris van de Raad van Commissarissen van
de Surinaamse Cultuurmaatschappij N.V, Michel Sjak Shie, nog altijd dwars,
omdat “in gesprekken met bewoners van Mariënburg duidelijk is gebleken dat zij
liever zien dat deze zaak met rust gelaten wordt.” Mitrasingh cum suis liet het
er echter niet bij zitten en heeft door Shabir Ishaak van de Stichting
Hindostaanse Immigratie een verzoek om toestemming laten richten aan President
Bouterse, die daarin onmiddellijk heeft bewilligd. Sjak Shie bleef toen geen
andere mogelijkheid meer over dan eveneens te bewilligen in dit onderzoek.
Kennelijk om de laatste plooien glad te strijken had
minister Soewarto Moestadja van Binnenlandse Zaken afgelopen maandag een
ontmoeting georganiseerd met alle deelhebbenden in het onderzoek naar het
massagraf te Mariënburg, te weten de districtscommissaris van Commewijne Ingrid
Karta-Bink, de projectdrager van Mariënburg Michel Sjak Shie, de archeoloog Ben
Mitrasingh en Paulus Todirjo van het landmeterskantoor Eleazer. Verder zijn ook
– alhoewel niet aanwezig bij dit treffen - het ministerie van Regionale
Ontwikkeling en het Directoraat Cultuur betrokken bij deze plannen. Mij trof de
verklaring van Moestadja na afloop “dat zo gauw de werkzaamheden zullen
aanvangen dit internationaal een positief effect zal hebben voor Suriname in
het algemeen en het district Commewijne in het bijzonder. Door het onderzoek
kan precies komen vast te staan wat er heeft plaatsgevonden op 30 juli 1902 op
de toenmalige suikerplantage.” Niet alleen is mij een raadsel hoe dit een
positief effect kan hebben op Suriname in het algemeen en Commewijne in het
bijzonder, maar nog groter raadsel is hoe in godsnaam de minister denkt dat het
openleggen van dit graf duidelijkheid kan verstrekken over wat is gebeurd op 30
juli 1902.
De strijdkreet van Hira
Bovengenoemde Sandew Hira, de historicus achter het door hem
in het leven geroepen International Institute for Scientific Research
(IISR), heeft Twee stromingen in de Surinaamse Geschiedschrijving
als # 1 van de door hem te publiceren IISR Research papers uitgebracht op 12
oktober j.l. Uit de inleiding op dit paper citeer ik:
In deze bijdrage wordt het vraagstuk behandeld van de
dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. De volgende stelling wordt
verdedigd: er zijn twee stromingen binnen de Surinaamse geschiedschrijving: een
stroming – die ik noem het wetenschappelijke kolonialisme – die een beeld presenteert
van de Surinaamse geschiedenis waarbij kolonialisme als een legitiem
verschijnsel wordt gepresenteerd en een stroming – die ik noem Decolonizing the
Mind – die het kolonialisme als een misdaad beschouwt. De verschillen tussen
beide stromingen zijn heel groot. Ze zijn geworteld in verschillende tradities:
de eerste in het eurocentrisme die het kolonialisme verdedigt, de tweede in de
strijd tegen het kolonialisme. Ze hebben verschillende analysekaders. De eerste
is geworteld in ideologie (hoe zou je naar de wereld moeten kijken), de tweede
in de wetenschap (hoe zit de wereld in elkaar). Ze hebben verschillende
research agenda’s. De eerste is gericht op de aandacht verschuiven van de
misdaad van onderdrukking en uitbuiting naar onderwerpen die weinig betekenis
hebben voor het blootleggen van die misdaad. De tweede is gericht op het
blootleggen van de mechanismen van waarmee onderdrukking en uitbuitingen zijn
opgezet en in stand gehouden alsmede haar erfenis in het heden.
(…)
Dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving is
sociale strijd, niet een academisch onderonsje. De vraag voor de toekomst is
hoe deze strijd tot een succesvol einde te brengen.
Zeker deze laatste alinea uit de inleiding op zijn paper
maakt duidelijk waar Hira staat, hij is niet langer historicus, wetenschapper,
nee, nu is hij ‘social worker’, straatvechter, die ons met z’n allen moet en
zal overtuigen van het onrecht dat ons in de loop der eeuwen is aangedaan. De
nauwelijks verholen aantijgingen alleen al in dit kleine citaat laten geen
misverstand bestaan over Hira’s te volgen - voor historici overigens niet
onbekende - strijdmethode.
 |
| Directeurswoning Suikerfabriek Mariënburg |
De praktijken
Nu ben ik historicus noch wetenschapper, dus ik zal geen
debat aangaan met Sandew Hira. Wel wil ik aan de hand van het bovenstaande
aangeven dat ik het dikwijls met hem eens kan zijn, maar zijn strijdmethoden
zijn beslist niet de mijne, sterker nog, ik denk dat hij daarmee alleen maar
verder af komt te staan van zijn eigen gelijk.
Zo ben ik het bijvoorbeeld blindelings eens met Hira waar
hij zegt dat het op 30 juli 1902 te Mariënburg ging om een “koelbloedige
executie”. Hoezeer het koloniale gezag ook in zijn eer was aangetast dat de
contractarbeiders het welhaast door God boven hun aangestelde gezag in de
persoon van hun directeur James Mavor hebben gelyncht, om een gewapende leger-
en politiemacht gericht te laten schieten op zo’n tweehonderd alleen met
houwers gewapende mannen gaat alle perken te buiten. Machtsmisbruik uit
vermeende superioriteit.
 |
| Maurits Hassankhan |
De vraagstelling van Hassankhan is hier en daar - uiteraard
om polemische redenen - wat simplistisch, bijvoorbeeld waarom de
contractarbeiders de gewapende macht trotseerden en waarom zij Mavor hebben
vermoord. Alleen knechting en zwaar onrecht, leidend tot een nauwelijks meer
menswaardig bestaan, kunnen een dergelijke woede-uitbarsting genereren. Ik wil
ook aannemen dat dit Hassankhan’s conclusie is geweest, hij geeft dit in zijn
voorbeschouwing ook al min of meer aan door te vermelden dat er volgens het
immigratieverdrag van 1870 tarieven van taken en lonen waren vastgesteld, die
echter in tijden van recessie eenzijdig werden verlaagd.
Of Mavor intieme relaties onderhield met vrouwen van
immigranten zullen we wel nooit meer met zekerheid te weten komen, maar het
lijkt nauwelijks waarschijnlijk dat dit een uit de lucht gegrepen verhaal is,
temeer omdat bekend is dat de koloniale praktijken door de eeuwen heen niet
anders waren. Waarom de officiële bronnen hierover zwijgen, is evenzeer
duidelijk: omdat ze officieel waren. Dit soort praktijken vielen onder het
adagium “horen, zien & zwijgen”. Vandaar ook dat de kranten van toen
tijdens de behandeling van de rechtszaak hiervan geen melding hebben gemaakt,
tenslotte wordt door de pers in Suriname nog altijd zelfcensuur togepast en
gerespecteerd. Mijn antwoord aan Hassankhan luidt dan ook: “Ja, op die manier
speelden de kranten onder een hoedje met de koloniale autoriteiten.” Multatuli
zou er aan toevoegen: “En dat is zo gebleven tot op deze dag!” Maar dat wist Hassankhan ook al.