 |
| Slavenhuisje Curaçao. Werk van Edsel Selberie |
Op Curaçao werd de slavernij 150 jaar geleden
afgeschaft. Over het dagelijks leven van slaven en vrije lieden schreef Els
Langenfeld drie novelles: Porto Marie 1738 – 1795 – 1888. ‘De
leefomstandigheden van een slaaf verschilden op Curaçao nauwelijks van die van
een niet-slaaf die zich in dezelfde sociale laag bewoog.’
door Jeannette van Ditzhuijzen
Stads- en
plantageslaven
Curaçao
kende stadsslaven en plantageslaven. Stadsslaven woonden en werkten in de stad
als ambachtsman, huisbediende of sjouwer. Daarmee verdienden ze zelfstandig een
inkomen. Een deel daarvan moesten ze wekelijks aan hun eigenaar betalen. Maar
het kon ook zijn dat de eigenaar zijn slaven een (klein) salaris betaalde.
Dankzij die verdiensten hadden stadsslaven geld om een huis te huren, of
zichzelf of hun kinderen vrij te kopen.
 |
| Kaart van Curaçao, 1836 |
Plantageslaven
woonden en werkten op de plantages, vaak samen met ‘vrije lieden’ (zwarten en
kleurlingen) die op of bij de plantage woonden. Rond 1800 telden de plantages
ruim tweeduizend vrije lieden. Wanneer een eigenaar extra werkkrachten nodig
had, huurde hij deze vrije lieden in.
De
plantageslaven werkten harder dan de stadsslaven, vooral in de plant- en
oogsttijd. Eerst bewerkten ze het land van hun eigenaar, daarna hun eigen
kostgrondje, een lapje grond dat ze van de plantage-eigenaar kregen voor
privégebruik. Het geld dat ze daarmee verdienden mochten ze houden, maar de
eigenaren dwongen de slaven veelvuldig om tegen te hoge prijzen spullen bij hen
te kopen. Plantageslaven hielden daardoor minder geld over dan stadsslaven,
waardoor ze zich minder gemakkelijk konden vrijkopen.
Een
middenstandswijk aan de rand van Groot Willemstad. Op een zwembad na toont het
huis geen luxe. Beveiliging ontbreekt, behalve de drie honden die het bezoek
kwispelend begroeten. Els Langenfeld maant ze tot rust en verontschuldigt zich
voor haar kale hoofd. Als ze thuis is, weigert ze een warm sjaaltje om
te doen. Nu de kanker haar in zijn greep heeft, is ze nog gedrevener om de inventarisatie
van de slaven af te maken. Als een ware monnik heeft ze jarenlang in het
archief gespeurd naar de namen, de leeftijden, de moeders en de eventuele
beroepen van de slaven die 150 jaar geleden op Curaçao hun vrijheid kregen.
“Van de ruim 6800 slaven mis ik er nog maar 700.”
Langenfeld
kwam in 1991 op Curaçao wonen en is geleidelijk in het onderzoek naar de slaven
van Curaçao gerold. Ze schreef talloze artikelen over het onderwerp plus
diverse boeken over andere historische onderwerpen en is bezig met een promotie
over de slavernij op Curaçao. Tussendoor vond ze ook nog de tijd voor Porto
Marie, drie novelles over slaven, vrije negers en kleurlingen in de 18de en
19de eeuw. Het kwam onlangs uit bij Uitgeverij In de Knipscheer.
Op het
eiland wordt haar genuanceerde mening over de slavernij niet door iedereen
gewaardeerd. “Maar op grond van de feiten in de archieven kan ik niet anders
oordelen dan dat de fysieke leefomstandigheden van Curaçaose slaven nauwelijks
verschilden van die van vrije personen uit dezelfde sociale laag. Natuurlijk
waren er uitwassen, maar die golden ook voor vrije mensen.”
Langenfelds
kennis is gebaseerd op het jarenlang lezen van oude kranten,
rechtbankverslagen, testamenten en andere aktes. “Ik ben net een spons en zuig alles
op. Ik ben begonnen met honderd jaar transportaktes te inventariseren. Als ik
een verwijzing zag naar een testament, zocht ik niet alleen dat ene testament
op, maar dan nam ik meteen het hele jaar met testamenten door en nam ik de
relevante gegevens over. Hetzelfde deed ik met rechtbankverslagen en
krantenberichten. Sponzen, sponzen, sponzen.
“Daardoor
kreeg ik een heel ander gevoel over de samenleving. De verhalen dat slaven de
plantages niet af mochten, aan kettingen gebonden waren en door honden werden
bewaakt, zijn bijvoorbeeld allemaal onzin. Zeker de stadsslaven hadden aardig
wat vrijheid. Zo las ik in een rechtbankverslag over een moordzaak de
getuigenverklaring van slaaf Charles die vertelt hoe hij de avond doorbracht,
toen hij het slachtoffer vond. Dat geeft een heel ander beeld.”
Het blijkt
dat Charles op een timmerwerf werkte en loon ontving. Op een avond had hij zijn
loon besteed in een drankwinkel, waar hij een potje ging kaarten met de blanke
kroegbaas en een Zweedse zeeman. Vervolgens ging hij naar een danshuis. Toen
hij daar om half elf vertrok, trof hij onderweg een halfdode man
aan, die hij in zijn eigen bed legde om vervolgens zelf bij zijn vriendin te
gaan slapen.
Langenfeld:
“Het grote verschil met de vrije burger was dat een slaaf niet vrij was en
verkocht kon worden. De psychische gevolgen van die onvrijheid zijn moeilijk in
te schatten. Daarvoor moet je het slavenleven vrij en onbevooroordeeld
vergelijken met de situatie van niet-slaven uit dezelfde sociale laag in die
periode en niet vanuit ons huidige perspectief.”
 |
| Els Langenfeld |
In de
archieven vond Langenfeld talloze voorbeelden van slaven en ex-slaven die
huizen bezaten of zelf slaven hadden. Ze heeft direct een voorbeeld bij de
hand, dat van de 33-jarige Johannes Paulus Rib, maar kan er desgewenst
tientallen opnoemen. De slaaf Rib kocht zichzelf in 1842 vrij met het geld dat
hij had verdiend als schrijnwerker. Vier jaar later kocht hij zijn eerste
slaaf, gevolgd door diverse andere die hij verhandelde. Op 1 juli 1863, de dag
waarop de slavernij werd afgeschaft, had Rib negen slaven en slavinnen. Op dat
moment bezat tweederde van de Curaçaose slaveneigenaren hooguit vijf slaven.
Rib handelde ook in huizen en was eigenaar van een plantage. Net als diverse
andere voormalige slaven.
Dat slaven
konden rekenen op lijfstraffen die in de 21ste eeuw ondenkbaar zijn, wil
Langenfeld zeker niet ontkennen. Maar ze komt direct met de nuance: “Kijk ook
eens hoe zeelieden en militairen werden behandeld. Daarmee moet je het
vergelijken. Tot 1830/40 waren lijfstraffen voor militairen heel gewoon.
“In het
eerste verhaal van Porto Marie wordt een blanke zeeman behoorlijk afgetuigd,
uiteindelijk overlijdt hij. Daarmee wil ik laten zien dat echt niet alleen de
slaven slecht behandeld werden. Soms stierven er zo veel blanken op een
slavenschip, dat aan het einde de slaven hun werk moesten overnemen. Dat laat
ik in dat verhaal ook gebeuren. “Natuurlijk waren er misstanden, maar het was
geen regel. Je leest in de documenten in de archieven dat slaven, ook toen ze voor
de wet nog een zaak waren, voor de eigenaars wel degelijk een persoon waren.
Die kwamen op voor een slaaf die door een andere eigenaar werd mishandeld; of
ze betaalden dokterskosten, gaven grond cadeau, noem maar op. Dus het is
allemaal niet zo zwart-wit als je altijd hoort.
“Althans op
Curaçao”, nuanceert ze weer. “Suriname vormde een echte plantage-economie, waar
de slaven hard nodig waren voor goede oogsten. Op de afgelegen plantages
werkten daar honderden slaven met een relatief kleine blanke gemeenschap.
Uit angst voor opstanden werden de slaven daar veel meer onderdrukt dan op
Curaçao.
“Plantages
op Curaçao waren meer ‘gemengde bedrijven’ met een handjevol slaven”, vervolgt
ze. “Alleen op een enkele grote plantage woonden en werkten meer dan honderd
slaven. Curaçao leefde van de handel. Hier vertegenwoordigde de slaaf zelf een
bepaalde waarde, waarmee je kon handelen. Wanneer de oogst tegenviel of wanneer
het slecht ging met de handel, verkocht de Curaçaoënaar een slaaf.”
Ze benadrukt
herhaaldelijk dat haar boek Porto Marie geen boek is over slavernij. “Ik wil
met de verhalen een beeld geven van een maatschappij, die ingewikkelder is dan
men denkt. Zo draait het eerste verhaal om een slaaf die per ongeluk op Curaçao
is terechtgekomen, een buitenbeentje is in de slavengemeenschap en daarom niet
wordt geaccepteerd. Hij komt van een andere streek, verstaat de taal niet,
voelt zich eenzaam en wordt bespot. Hij is wel zwart en lotgenoot, maar dat
betekent nog geen acceptatie. Er was weinig solidariteit.”
Dat
dagelijkse leven van de gewone Curaçaoënaar in voorbije eeuwen, daar gaat het
Langenfeld om. “Ik ben geïnteresseerd in die groep die altijd is vergeten. Er
is ontzettend veel bekend over de invloedrijke blanke families en de rijke
joden van het eiland. Dat snap ik wel, over die rijke bovenlaag is het
makkelijkst informatie te vinden; daarover werd geschreven. De rest is
hondenwerk om uit te zoeken.”
Inmiddels
heeft ze van veel huizen in de stad de namen van de eigenaren gevonden,
bijbehorende jaartallen en of ze het huis gekocht dan wel geërfd hebben. “Van
grote huizen of landhuizen is het vaak nog wel bekend, maar ik heb ze ook van
de kleinere huizen. En daar vind je de gewone man. “Met Porto Marie probeer ik
die gewone man – de middenklasse en de slaven – een gezicht te geven. Ik wil er
individuen van maken, met menselijke eigenschappen, en niet schrijven over ‘de’
slaven als groep; zonder gezicht.”
Els
Langenfeld: Porto Marie 1738 – 1795 – 1888 is een
uitgave van uitgeverij In de Knipscheer.
ISBN
978-90-6265-816-9, 19,50 euro
[Bron: Jeannette
van Ditzhuijzen, in Trouw (de
Verdieping), maandag 29 april 2013]