Posts tonen met het label Langenfeld Els. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Langenfeld Els. Alle posts tonen

maandag 16 december 2013

Cultuur Top Vijf 2013 Werkgroep (2)

Het eind van het volle jaar 2013 zit er bijna op. Caraïbisch Uitzicht vroeg alle leden van het Bestuur en de Adviesraad van de Werkgroep Caraïbische Letteren om hun top-vijf van culturele evenementen die zij het afgelopen jaar hebben bijgewoond of de beste boeken die zij lazen. Vandaag de tweede aflevering: Adviesraadslid, criticus en hoogleraar Wim Rutgers.



1.
De uitreiking van een eredoctoraat aan Elis Juliana door de University of Curaçao op 18 juni 2013.

2.
De uitreiking van de derde Premio Willem C.J. (Boeli) van Leeuwen op 10 oktober (de geboortedag van Boeli) aan Tanio Kross, Randal Corsen en Carel de Haseth voor onder meer de Papiamentstalige opera Katibu di shon.

3.
De overhandiging van de literaire nalatenschap van Luis H. Daal aan de Mongui Maduro bibliotheek op Curaçao op 5 oktober 2013.
 
Overhandiging literaire nalatenschap Luis H. Daal
4.
De vijfde tweedelige publicatie in rij van de proceedings van de Annual Eastern Caribbean Island Cultures Conference, een uitgave van de Fundashon pa Planifikashon di Idioma, de University of Curaçao en de Universidad de Puerto Rico, waaraan meer dan 75 lokale en internationale auteurs hebben meegewerkt.

5.
De presentatie van Uitgeverij In de Knipscheer op 8 september van niet minder dan vijf boeken tegelijk van Arubaanse en Curaçaose schrijvers: Giselle Ecury: De rode appel, Joseph Hart: Verkiezingsdans, Els Langenfeld: Porto Marie, Ronny Lobo: Bouwen op drijfzand, Jacques Thönissen: Onder de watapana



zondag 17 november 2013

Porto Marie 1738 - 1795 - 1888

door Federico Besamusa
 
Els Langenfeld
Op zondag 9 juni 2013 overleed Els Langenfeld. Enkele weken daarvoor maakte ze haar debuut als romanschrijfster met Porto Marie 1738 – 1795 – 1888. Tegen het decor van de Grote Gebeurtenissen uit de geschiedenis zoals kolonialisme, de trans-Atlantische slavenhandel en de emancipatie, beschrijft ze hoe de gewone man zelf richting aan het leven geeft in het Curaçao van 1738, 1795 en 1888. De datum van publicatie is geen toeval. Op 1 juli 2013 is het 150 jaar geleden dat de slavernij officieel op Curaçao werd afgeschaft.

Els Langenfeld is bekend geworden door haar bijdragen aan de Curaçaose heemkunde in ondermeer het Antilliaans Dagblad, waarvan verschillende bijdragen zijn gebundeld in de aanbevelingswaardige serie Verhalen uit het Verleden. Haar interesse lag vooral bij de  levensgeschiedenissen van de ‘kleine luyden’ in het oude Curaçao. Samen met onderzoekers als Han Jordaan en auteurs als Carel de Haseth (Shon i Katibu) heeft ze het bestaande beeld van de pre-industriële Curaçaose samenleving, die zich zou kenmerken door een kastesysteem, behoorlijk genuanceerd.

Waar de socioloog Hoetink de maatschappij in segmenten beschreef en ieders sociale positie in de eerste plaats koppelde aan huidskleur, - ofschoon hij dat beeld in latere publicaties bijstelde - suggereren Langenfeld en anderen dat het individuele handelen van mensen bepalend was voor hun positie in de oude samenleving. Anders gezegd, de sociale mobiliteit was veel groter dan verondersteld. Deze moderne opvatting vindt de lezer ook terug in Porto Marie. De vraag die dan rijst is of Langenfeld erin slaagt deze zienswijze om te zetten in een roman. Het antwoord is ja, ten dele.

Curaçao, oven uit de koloniale tijd

Het boek leest als een trein, vanwege de korte ronde zinnen. De opbouw is helder; het kolonialisme, de slavernij, de slavenopstand van Tula en de emancipatie vormen de context waarin een beperkt aantal personages wordt gevolgd. Langenfeld slaagt erin mannen en vrouwen van vlees en bloed neer te zetten, met eigen ideeën en ambities en doorbreekt zo het beeld van de vormloze zwarte massa. Maar waar de gekleurde personages ‘round’ zijn, lijkt het alsof de blanken een massa gedegenereerden vormt. Met uitzondering van de districtmeester Shon Eskildsen en Kapitein Westerholt, in wie nog een zweempje menselijkheid valt te bespeuren, zijn de beschrijvingen van de blanke Compagniesoldaten en Van Uytrecht ronduit karikaturaal, of stereotiep in het geval Shon Rojer; een koloniale geilaard die jonge zwarte vrouwen bespringt op en rond het Grote Huis. 

Gelachen
Toch, in totaliteit slaagt Langenfeld erin onze blik te verruimen . Met een goed verhaal toont ze dat zwart nooit automatisch solidair was met zwart. Flexibele loyaliteiten en eigen gewin maakten de realiteit complexer dan de Grote Geschiedenis ons wil laten geloven. Daarnaast is het boek een feest van herkenning voor geïnteresseerden in de oude Curaçaose samenleving, aangezien ze de verhalen heeft aangekleed met op de werkelijkheid gebaseerde namen en fenomenen.
Porto Marie bestaat uit drie verhalen die gedurende drie periodes de levensmomenten van individuen beschrijven die zijn verbonden aan de plantage Porto Marie.

Langenfeld begint de bundel in 1738 met het verhaal van Mbambo, een recent gearriveerde Afrikaan op Curaçao die werkt op de plantage. De niet fijnzinnig beschreven overtocht ligt nog vers in zijn geheugen. Via flarden uit het verleden die te pas en te onpas opborrelen, krijgt de lezer weet van de persoonlijke achtergrond van de man. Dat hij een vrouw en kinderen heeft. Kortom, Langenfeld beschrijft hem als een individu die zelf zijn (trieste) lot bepaalt.

Het tweede verhaal speelt zich af in 1795 tijdens de grote slavenopstand onder leiding van Tula. In dit verhaal benadrukt Langenfeld dat de scheidslijnen tussen zwart en wit eerder pragmatischer lagen dan principieel. Natuurlijk, de opstand van 1795 betrof zwart tegen wit, maar de auteur toont een andere kijk als ze vaststelt dat van automatische solidariteit geen sprake was. Aan de blanke kant vochten veel zwarten. En aan de zwarte kant was vrijheid niet direct de belangrijkste motivatie voor deelname aan de opstand.

Na de tranen van de eerste twee verhalen is het de beurt aan de lach in het derde verhaal. Of misschien is leedvermaak beter geformuleerd, want wat heb ik gelachen op de laatste pagina. Ook hier weer hetzelfde principe, gebeurtenissen uit de Grote Geschiedenis worden teruggebracht naar de leefwereld van de kleine man en ook hier toont Langenfeld dat gedachten en handelingen van de kleine man ons meer vertellen over de geschiedenis dan alle bibliotheken en geschiedschrijvers ooit hebben kunnen hopen.

Els Langenfeld, Porto Marie 1738 – 1795 – 1888. Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2013, ISBN 9789062658169, 287 pag., €19,50

[overgenomen van LA Chispa]


woensdag 11 september 2013

Nieuwe boeken van In de Knipscheer: een Caraïbisch mozaïek

door Klaas de Groot

De theaterzaal van Podium Mozaïek in Amsterdam was op 8 september jl. uitverkocht. Uitgeverij In de Knipscheer presenteerde vier nieuwe boeken uit het Caraïbisch deel van haar fonds en de belangstelling was gelukkig groot.
 
Els Langenfeld. Foto © Ken Wong
Voordat de auteurs met hun laatste werk voorgesteld werden, stond uitgever Franc Knipscheer stil bij het recente overlijden van twee auteurs uit zijn fonds: Elis Juliana en Els Langenfeld. Eigenlijk had Langenfeld op deze middag ook aanwezig moeten zijn met haar nieuwe verhalenbundel Porto Marie. Haar uitgever herdacht haar ontroerd. Het publiek kon een opname bekijken van de presentatie van Porto Marie op Curaçao. Opvallend bij die presentatie was dat Langenfeld nu eens niet een notabele had uitverkoren voor het eerste exemplaar van haar boek. Zij had een beperkte nummertjesloterij georganiseerd. De uitslag was voor alle aanwezigen een verrassing, zagen wij in Amsterdam.

Jacques Thönissen, overgekomen van Aruba, was de eerste auteur die zijn boek mocht tonen. Veertien van zijn Arubaanse verhalen heeft hij  onder de titel Onder de watapana  bijeengezet. Hij gaf het eerste exemplaar wel aan een notabele: de gevolmachtigde minister van Aruba Edwin Abath. Thönissen las een mooi stukje voor uit één van zijn verhalen, een legende over het ontstaan van Aruba. De legende vertelt dat Curaçao, Bonaire en Aruba ontstaan zijn uit zweetdruppels die de Schepper van hemel en aarde aan het eind van de zesde scheppingsdag op zijn voorhoofd voelde. Die druppels wierp Hij in zee en als kleinste, maar als mooiste eiland ontstond toen Aruba. Het applaus dat na voorlezing van het verhaal opklonk, liet merken dat er heel wat liefhebbers van ‘nos isla stimá’ aanwezig waren.
 
Jacques Thönissen
Peter de Rijk die als redacteur bij uitgeverij In de Knipscheer de boeken van de aanwezige auteurs natuurlijk van haver tot gort kent, had met Thönissen, Ronny Lobo, Giselle Ecury en Joseph (Jopi Hart) steeds een kort gesprek. Daarin ging het nogal eens over de lange weg die er ligt tussen schrijven en publiceren. Een weg die gekenmerkt wordt door veel redigeren en herschrijven. Vooral in het gesprek met Ronny Lobo, die debuteert met de roman Bouwen op drijfzand, werd dit duidelijk. 

Het gesprek met Giselle Ecury over haar derde roman De rode appel ging meer over de bouw van het boek. Zij wist op een heldere manier duidelijk te maken wat haar bij het schrijven voor ogen staat.
Giselle Ecury. Foto © Michiel van Kempen

De laatste in de rij was Joseph Hart. Hij debuteerde als Jopi Hart met de dichtbundel Entrega in 2000 bij uitgeverij Carilexis, op Curaçao. De roman Verkiezingsdans, die nu gepresenteerd werd, is een adaptatie van  een Engelstalige roman die Hart jaren geleden schreef. Uit het gesprek met De Rijk bleek dat de auteur nogal moeite heeft met het politieke bedrijf op het huidige Curaçao, maar een politiek traktaat is de roman  niet geworden. Dat was ook te merken aan de passages die Hart voorlas. Zijn boek had gepresenteerd  moeten worden aan de gevolmachtigde minister  van Curaçao Marvelyne Wiels, die was helaas verhinderd. Het boek ging naar een plaatsvervangster voor deze middag, Marije Berkhouwer.   
Aruba, Bonaire, Curaçao en Nederland, landen en boeken, verhalen en mensen schoven als een mozaïek in elkaar.

Presentator Franc Knipscheer zorgde zelf ook voor afwisseling. Zo presenteerde hij  de pas verschenen roman van Janny de Heer: Gentleman in slavernij. Dat is een dikke roman over een Duitse immigrant in het 19de eeuwse Suriname. De schrijfster was er niet. Het eerste exemplaar ging naar haar kleindochter, die weinig woorden nodig had om het boek in ontvangst te nemen.


In 1978 verscheen de verzamelbundel Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen varianten en constanten onder redactie van René A. Römer. Een zeer informatief boek met een goed oog voor de bestanddelen van het inlegwerk. De Nederlandse Antillen bestaan eigenlijk niet meer, maar het samenspel is gebleven.
Dat bleek op 8 september treffend uit de muzikale omlijsting van de Porto Marie middag. Die was in handen van Izaline Calister, begeleid door gitarist Ulrich de Jesus. Voor de pauze zong Calister het mooie lied Gracias a la vida van Mercedes Sosa. Het tweede optreden sloten zij af met een opwekkend liedje over Compa Nanzi die de rest van de wereld weer te slim af was. Hij weet de jeuk, ontstaan tijdens het opschonen van een veld met brandnetels, mooi te benutten. Misschien als het soort politicus waar Jopi Hart de buik vol van heeft?  
 
Karin Amatmoekrim. Foto © Frank Consen
Terwijl dit allemaal gebeurde aan de Bos en Lommerweg vond bij de Vereniging Ons Suriname aan de Zeeburgerdijk een soortgelijke middag plaats. Daar waren o.a. Antoine de Kom en Karin Amatmoekrim aanwezig. De muziek was er in handen van Sanne Landvreugd. 
Sanne Landvreugd. Foto © Michiel van Kempen
Laten we hopen dat volgend jaar deze twee bijeenkomsten  niet op dezelfde dag georganiseerd worden. Auteurs en de boeken verdienen dat. De potentiële lezers trouwens ook. Maar het tij is waarschijnlijk inmiddels al gekeerd. Op 13 oktober a.s. organiseert uitgeverij In de Knipscheer in de OBA een Antilliaans en Surinaams boekenprogramma met onder andere Janny de Heer en Eric de Brabander. Muziek zal er zijn van de groep FTTP van Frank Ong-Alok. De middag wordt gehouden onder de titel Een droom die ik heb.

Dat is ook de titel van een nieuwe bundel gedichten van  de markante  dichteres Nydia Ecury (1926-2012). Een van haar bundels Kantika pa Mama Tera / Songs for Mother Earth schreef ze speciaal om het Caraïbisch mozaïek bijeen te houden, staat er op de achterflap van dat boek.
Nydia Ecury

 Tijdens haar leven stelde zij nog een Nederlandstalige bundel samen. De presentatie hiervan zal op 13 oktober voor de liefhebbers van haar poëzie een mooi moment zijn. En naar ik hoop ook voor nieuwe lezers.

dinsdag 10 september 2013

Knipscheer presenteert veelbelovende boeken

door Otti Thomas
Ronny Lobo

Amsterdam — Architectuur en literatuur vertonen veel overeenkomsten, zei de Curaçaose architect Ronny Lobo gisteren bij de presentatie van Bouwen op Drijfzand, zijn debuutroman. Lobo was één van de vijf auteurs van wie nieuwe publicaties werden gepresenteerd door uitgeverij In de Knipscheer. De bijeenkomst in Podium Mozaïek in Amsterdam werd bezocht door 300 personen.

“Begrippen als tijd, ruimte, gebeurtenis, vorm, ritme, verhoudingen en kleur worden in vrijwel alle kunstzinnige uitingen gebruikt. De maker probeert met zo min mogelijk middelen zo veel mogelijk zeggen. Bij architectuur zijn dat bouwmaterialen, bij muziek de noten en bij literatuur de woorden”, aldus Lobo. Er waren ook verschillen, zei hij. Lobo studeerde zes jaar architectuur, maar schrijven moest hij al doende leren, ook al had hij als architect weinig moeite om ruimtes beeldend te beschrijven. Hij werd voortdurend gecorrigeerd door de redacteuren van de uitgeverij en deskundigen als Frank Martinus Arion, wijlen Erich Zielinski en Ini Statia, die hem zelfs adviseerden helemaal opnieuw te beginnen. Een ander verschil: “Niemand vroeg mij om een roman te schrijven. In de architectuur maak je een ontwerp op verzoek, of soms een bevel, van een opdrachtgever.”

Lobo’s ervaringen met opdrachtgevers, aannemers en leveranciers waren de aanleiding voor Bouwen op Drijfzand: de confrontatie met een echtpaar van een dominante man en een vrouw die wel bescheiden leek, maar ondertussen alle beslissingen nam. Een echtpaar dat met ruzie uit elkaar ging voor de eerste steen was gelegd. Of het overlijden van een opdrachtgever voor de overhandiging van de sleutel. “Op een goede dag vond ik het tijd om deze verhalen op te schrijven”, aldus Lobo. Het resultaat is een roman over een architect die vooral rekening probeert te houden met de natuur, terwijl zijn opdrachtgevers zich vooral druk maken om hun uitzicht. De hoofdpersoon Kenzo wordt vervolgens ook nog verliefd op de vrouw van een klant. “Dat het een liefdesroman is geworden is vooral de schuld van de personages. Denk dus niet dat ik zo’n enerverend leven heb als architect”, zei hij.

Caleidoscoop
Naast Bouwen op Drijfzand presenteerde In de Knipscheer ook de nieuwe boeken van de uit Aruba afkomstige Giselle Ecury en Jacques Thönissen en van Curaçaoënaar-Bonairiaan Jopi Hart. Net als Lobo werden ze kort geïnterviewd door Peter de Rijk, hoofdredacteur van de uitgeverij. Ecury schreef De Rode Appel, waarin een man en een vrouw op zoek gaan naar verdrongen gebeurtenissen uit hun jeugd. Een jeugd die zich afspeelde in de jaren zestig en zeventig, de periode van een nieuwe seksuele moraal, die ook een keerzijde heeft en waar ook niet iedereen zomaar aan mee kon doen.

Van Jacques Thönissen verscheen het boek Onder de Watapana, een bundel verhalen over Aruba die hij de afgelopen tien jaar schreef. “Het is een caleidoscoop waarin alle aspecten van het eiland aan bod komen”, aldus De Rijk. Thönissen vertelde dat het allemaal fantasieverhalen, maar geïnspireerd op echte gebeurtenissen uit de afgelopen tien jaar. “Soms zijn mensen er wel van overtuigd dat ik schrijf over mensen die ze echt kennen, maar het is allemaal uit mijn duim gezogen. De situaties zijn echter wel herkenbaar voor mensen die op Aruba wonen.”

Van Jopi Hart werd tot slot zijn boek Verkiezingsdans gepresenteerd, de Nederlandstalige versie van zijn boek Election Dance uit 2006, maar wel geheel herschreven omdat Hart niet van vertalen houdt, zo zei hij. Het boek over corruptie, misdaad en de persoonlijke verhalen achter drugssmokkel is nog altijd bijzonder actueel. “Hoofdpersoon Matthew is geen held, maar een verschrikkelijk figuur. Maar Matthew heeft wel een visie. En die visie mis ik bij onze beleidsbepalers. Een visie waar we naar toe gaan.”

De vijfde auteur van wie een boek gepresenteerd werd, was niet aanwezig bij de bijeenkomst. Uitgeverijdirecteur Frank Knipscheer had duidelijk moeite om zijn emoties de baas te blijven toen hij sprak over Els Langenfeld, die op 9 juni overleed. “Els Langenfeld had de moed om een heikel onderwerp te kiezen. Ze slaagde erin om mannen en vrouwen van vlees en bloed neer te zetten”, zei hij. Als hommage aan Els Langenfeld werd de presentatie vernoemd naar haar laatste boek, Porto Marie, over het leven op de plantage Porto Marie in de tijd van de slavernij.

[uit Amigoe, maandag 9 september 2013; fouten gecorrigeerd]

Rosabelle Illes maakte deze collage van haarzelf met Ronny Lobo (boven l), Jacques Thönissen (boven r), Giselle Ecury (midden l) en Jopi Hart (midden r).

dinsdag 30 juli 2013

Antilliaans boekenfestijn

Op zondag 8 september vindt er een Antilliaans boekenfestijn plaats in het Amsterdamse Podium Mozaïek, met de schrijvers Jopi Hart en Ronny Lobo uit Curaçao, Jacques Thönissen uit Aruba en Giselle Ecury, muzikaal omlijst door Izaline Calister.
Izaline Calister. Foto © Michiel van Kempen

Een gevarieerd Antilliaans schrijversprogramma met film, voordracht, lezing, interview en muziek rond hun nieuwe boeken bij Uitgeverij In de Knipscheer. In het programma wordt kort stilgestaan bij het overlijden op Curaçao van Els Langenfeld en Elis Juliana in juni van dit jaar, en via hen bij ‘150 jaar afschaffing slavernij’.
Presentatie: Franc Knipscheer | interviews: Peter de Rijk | zangeres Izaline Calister wordt begeleid door gitarist Ulrich de Jesus.


Plaats: Podium Mozaïek
Bos en Lommerweg 191, Amsterdam
Datum: zondag 8 september 2013
Aanvang: 15.00 uur
Prijs online/voorverkoop   € 5.00
prijs (deur)   € 7.50


dinsdag 11 juni 2013

Els Langenfeld overleden


door Franc Knipscheer

Els Langenfeld is zondag 9 juni 2013 op Curaçao overleden. Els Langenfeld (1958) woonde sinds 1991 met haar gezin op Curaçao. Al snel raakte zij gefascineerd door de boeiende geschiedenis van dit (ei)land. Met hart en ziel heeft zij zich gestort op archiefonderzoek om zo de kennis en het begrip over de oude Curaçaose samenleving te verbreden. Met een vlotte pen deelde zij de opgedane kennis met een breed publiek via tal van publicaties, zoals boeken, bronnenpublicaties en artikelen in dagbladen en tijdschriften. In 2011 werd zij voor haar werk benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Met haar op 29 mei 2013 op Curaçao gepresenteerde boek Porto Marie betrad Els Langenfeld een nieuw terrein: het schrijven van drie fictieve historische novellen in een zodanig correct historische context, dat zij waar gebeurd zouden kunnen zijn.

In maart 2012 ontving ik van Aart Broek een e-mail met als bijlage drie lange verhalen van Els Langenfeld met de mededeling: ‘Het lijkt mij dat je er eens nader kennis van moet nemen.’ Een maand later mail ik Els Langenfeld: ‘We hebben uw manuscript ondanks de beschreven verschrikkingen met genoegen gelezen.’ En: ‘Dat we zeer genegen zijn om uw manuscript als drie samenhangende verhalen uit te geven in 2013.’ Precies een jaar later kwam haar boek van de drukker. Vlak daarvoor nodig ik haar uit voor de Nederlandse presentatie van Porto Marie in ons ‘Antilliaans schrijversprogramma’ in Podium Mozaïek Amsterdam op zondagmiddag 8 september 2013. Els Langenfeld mailt me te zullen komen omdat ze de presentatie kan combineren met een al gemaakte afspraak die maand. De ochtend van haar Curaçaose boekpresentatie laat Els Langenfeld me weten: ‘Helaas is de kanker nu toch definitief aan de winnende hand. De kans dat ik de bijeenkomst in september haal, is zeer klein.’

Kijk hier naar beelden van de boekpresentatie op 29 mei 2013
Meer over Porto Marie

zaterdag 1 juni 2013

Porto Marie in de 18e en 19e eeuw


Porto Marie van Els Langenveld is deze week officieel gepresenteerd op Curaçao. Het boek  is uitgebracht bij uitgeverij In de Knipscheer. Het bevat drie novellen die het dagelijks leven op Curaçao rond de jaren 1738, 1795 en 1888 beschrijven en dan met name wat zich afspeelt op plantage Porto Marie.

Voor het eerst heeft Langenveld gekozen voor ‘historische fictie’ als vorm om een kijkje te nemen in de tijd van de slavernij. Net als in haar populair wetenschappelijke werken probeert Langenveld het verhaal van de gewone man te vertellen, weg van de karikatuur van de zielige slaaf en de boze blanke eigenaar. Maar dit keer laat ze de emotie die zij daarbij voelt wel spreken, in fictieve vorm tegen de achtergrond van historische feiten.

Langenveld heeft een oeuvre van tien boeken, dat 18 jaar geleden begon en waarschijnlijk binnenkort eindigt; de auteur heeft kanker. Porto Marie is naar eigen verwachting haar laatste boek.

Dick Drayer sprak tijdens de boekpresentatie met Els Langenveld, klik hier


[van Caribisch Netwerk, 31 mei 2013]

zondag 26 mei 2013

Porto Marie en het noodlottig einde van Anthony Castablanca

Slavernij. Bord in het Rijksmuseum, Amsterdam
door Ezra de Haan

De zwarte bladzijden van onze vaderlandse geschiedenis kwamen er tijdens de laatste Boekenweek, wat mij betreft, wat bekaaid af. Met name de boeken over de slavernij op Suriname en de Nederlandse Antillen brachten weinig nieuws. Vooral herdrukken zagen het licht. Misschien hing dit samen met een datum. Het is nog geen 1 juli en pas op die datum kwam er in 1863, nog maar 150 jaar geleden, een einde aan de schande van de slavernij op onze koloniën. Ruim voor deze eerste juli verscheen Porto Marie, drie novellen over het dagelijks leven op en rond de Curaçaose plantage Porto Marie.


Curaçao en het leven van de gewone man in de afgelopen eeuwen op dit eiland hebben Els Langenfeld al tientallen jaren bezig gehouden. Ze deed er onderzoek naar, schreef er artikelen over voor kranten tijdschriften en heeft diverse non-fictie boeken op haar naam staan. Porto Marie is haar literaire debuut. Drie novellen rond de jaren 1738, 1795 en 1888 verbeelden het dagelijks leven in die periodes op Curaçao. Vanzelfsprekend heeft Els Langenfeld gebruik gemaakt van haar expertise op het gebied van de Antilliaanse geschiedenis. Ze kent die als geen ander en was overduidelijk op iedere plek die beschreven wordt. Juist de combinatie van feitenkennis en liefde voor Curaçao vormt de basis voor de drie novellen. Het resultaat is imponerend.

Lees de hele recensie op Literatuurplein

zaterdag 4 mei 2013

Misplaatst positief over slavernij

Het slavernijmonument op Curaçao. Foto: Dick Drayer

door Gijs van den Heuvel

Jammer dat Trouw met het stuk ‘Curaçao was best goed voor zijn slaven’ (de Verdieping, 29 april, lees hier op Caraïbisch Uitzicht) een podium biedt voor de aloude mare dat het best wel meeviel met de slavernij op Curaçao. Hoe kun je goed zijn door rechteloze mensen te behandelen als voorwerpen?

Vooropgesteld: ik heb veel waardering voor auteur Jeannette van Ditzhuijzen en de geïnterviewde Els Langenfeld, die zich rond dezelfde tijd als ik op Curaçao vestigden. Zij hebben zich verdiept in de Curaçaose samenleving en hun best gedaan te integreren. Dit in tegenstelling tot veel andere Nederlanders die op Curaçao komen wonen. Des te meer ben ik teleurgesteld in hun artikel over de slavernij op Curaçao. Het viel allemaal best mee? Als de Curaçaose slaven het relatief zo goed hadden, waarom kwamen de beroemde Tula en Karpata dan in 1795 in opstand? Niet omdat ze het zo goed hadden, maar omdat ze rechteloos waren en omdat ze werden uitgeknepen. En de manier waarop die opstand is neergeslagen was ook niet bepaald zachtzinnig; de opstandelingen werden geradbraakt, gemarteld en onthoofd. Hun hoofden werden ter afschrikking op straat tentoongesteld.
Toegegeven, de stadsslaven hadden het beter en er waren relatief veel vrijgemaakten op Curaçao. Die hadden het soms beter, maar het was voor de (ex-)eigenaren ook simpelweg goedkoper, want de plantages op het eiland brachten weinig op. En als vrijen moesten de ex-slaven hun eigen kostje bij elkaar scharrelen en konden ze worden ingehuurd wanneer het nodig was. Hun inkomsten waren minimaal. Geen wonder dat de slaven het vergeleken met die groep niet slechter hadden.
Ik ben ervan overtuigd dat Langenfeld het slavernijverleden niet goed wil praten. Maar hier zijn wat al te gemakkelijk conclusies getrokken uit archiefstukken, waarbij het opvallend is dat het altijd Nederlandse onderzoekers zijn, die deze voor het Nederlandse slavernijverleden positieve conclusies trekken.

Gijs van den Heuvel is journalist, gespecialiseerd in de Nederlandse Antillen.

[uit Trouw (Podium),  woensdag 1 mei 2013]

donderdag 2 mei 2013

De gewone man had een gezicht

Slavenhuisje Curaçao. Werk van Edsel Selberie

Op Curaçao werd de slavernij 150 jaar geleden afgeschaft. Over het dagelijks leven van slaven en vrije lieden schreef Els Langenfeld drie novelles: Porto Marie 1738 – 1795 – 1888. ‘De leefomstandigheden van een slaaf verschilden op Curaçao nauwelijks van die van een niet-slaaf die zich in dezelfde sociale laag bewoog.’

door Jeannette van Ditzhuijzen

Stads- en plantageslaven


Curaçao kende stadsslaven en plantageslaven. Stadsslaven woonden en werkten in de stad als ambachtsman, huisbediende of sjouwer. Daarmee verdienden ze zelfstandig een inkomen. Een deel daarvan moesten ze wekelijks aan hun eigenaar betalen. Maar het kon ook zijn dat de eigenaar zijn slaven een (klein) salaris betaalde. Dankzij die verdiensten hadden stadsslaven geld om een huis te huren, of zichzelf of hun kinderen vrij te kopen.

Kaart van Curaçao, 1836

Plantageslaven woonden en werkten op de plantages, vaak samen met ‘vrije lieden’ (zwarten en kleurlingen) die op of bij de plantage woonden. Rond 1800 telden de plantages ruim tweeduizend vrije lieden. Wanneer een eigenaar extra werkkrachten nodig had, huurde hij deze vrije lieden in.
De plantageslaven werkten harder dan de stadsslaven, vooral in de plant- en oogsttijd. Eerst bewerkten ze het land van hun eigenaar, daarna hun eigen kostgrondje, een lapje grond dat ze van de plantage-eigenaar kregen voor privégebruik. Het geld dat ze daarmee verdienden mochten ze houden, maar de eigenaren dwongen de slaven veelvuldig om tegen te hoge prijzen spullen bij hen te kopen. Plantageslaven hielden daardoor minder geld over dan stadsslaven, waardoor ze zich minder gemakkelijk konden vrijkopen.


Een middenstandswijk aan de rand van Groot Willemstad. Op een zwembad na toont het huis geen luxe. Beveiliging ontbreekt, behalve de drie honden die het bezoek kwispelend begroeten. Els Langenfeld maant ze tot rust en verontschuldigt zich voor haar kale hoofd. Als ze thuis is, weigert ze een warm sjaaltje om te doen. Nu de kanker haar in zijn greep heeft, is ze nog gedrevener om de inventarisatie van de slaven af te maken. Als een ware monnik heeft ze jarenlang in het archief gespeurd naar de namen, de leeftijden, de moeders en de eventuele beroepen van de slaven die 150 jaar geleden op Curaçao hun vrijheid kregen. “Van de ruim 6800 slaven mis ik er nog maar 700.”
Langenfeld kwam in 1991 op Curaçao wonen en is geleidelijk in het onderzoek naar de slaven van Curaçao gerold. Ze schreef talloze artikelen over het onderwerp plus diverse boeken over andere historische onderwerpen en is bezig met een promotie over de slavernij op Curaçao. Tussendoor vond ze ook nog de tijd voor Porto Marie, drie novelles over slaven, vrije negers en kleurlingen in de 18de en 19de eeuw. Het kwam onlangs uit bij Uitgeverij In de Knipscheer.

Op het eiland wordt haar genuanceerde mening over de slavernij niet door iedereen gewaardeerd. “Maar op grond van de feiten in de archieven kan ik niet anders oordelen dan dat de fysieke leefomstandigheden van Curaçaose slaven nauwelijks verschilden van die van vrije personen uit dezelfde sociale laag. Natuurlijk waren er uitwassen, maar die golden ook voor vrije mensen.”
Langenfelds kennis is gebaseerd op het jarenlang lezen van oude kranten, rechtbankverslagen, testamenten en andere aktes. “Ik ben net een spons en zuig alles op. Ik ben begonnen met honderd jaar transportaktes te inventariseren. Als ik een verwijzing zag naar een testament, zocht ik niet alleen dat ene testament op, maar dan nam ik meteen het hele jaar met testamenten door en nam ik de relevante gegevens over. Hetzelfde deed ik met rechtbankverslagen en krantenberichten. Sponzen, sponzen, sponzen.

“Daardoor kreeg ik een heel ander gevoel over de samenleving. De verhalen dat slaven de plantages niet af mochten, aan kettingen gebonden waren en door honden werden bewaakt, zijn bijvoorbeeld allemaal onzin. Zeker de stadsslaven hadden aardig wat vrijheid. Zo las ik in een rechtbankverslag over een moordzaak de getuigenverklaring van slaaf Charles die vertelt hoe hij de avond doorbracht, toen hij het slachtoffer vond. Dat geeft een heel ander beeld.”
Het blijkt dat Charles op een timmerwerf werkte en loon ontving. Op een avond had hij zijn loon besteed in een drankwinkel, waar hij een potje ging kaarten met de blanke kroegbaas en een Zweedse zeeman. Vervolgens ging hij naar een danshuis. Toen hij daar om half elf vertrok, trof hij onderweg een halfdode man aan, die hij in zijn eigen bed legde om vervolgens zelf bij zijn vriendin te gaan slapen. 
Langenfeld: “Het grote verschil met de vrije burger was dat een slaaf niet vrij was en verkocht kon worden. De psychische gevolgen van die onvrijheid zijn moeilijk in te schatten. Daarvoor moet je het slavenleven vrij en onbevooroordeeld vergelijken met de situatie van niet-slaven uit dezelfde sociale laag in die periode en niet vanuit ons huidige perspectief.”
Els Langenfeld

In de archieven vond Langenfeld talloze voorbeelden van slaven en ex-slaven die huizen bezaten of zelf slaven hadden. Ze heeft direct een voorbeeld bij de hand, dat van de 33-jarige Johannes Paulus Rib, maar kan er desgewenst tientallen opnoemen. De slaaf Rib kocht zichzelf in 1842 vrij met het geld dat hij had verdiend als schrijnwerker. Vier jaar later kocht hij zijn eerste slaaf, gevolgd door diverse andere die hij verhandelde. Op 1 juli 1863, de dag waarop de slavernij werd afgeschaft, had Rib negen slaven en slavinnen. Op dat moment bezat tweederde van de Curaçaose slaveneigenaren hooguit vijf slaven. Rib handelde ook in huizen en was eigenaar van een plantage. Net als diverse andere voormalige slaven.

Dat slaven konden rekenen op lijfstraffen die in de 21ste eeuw ondenkbaar zijn, wil Langenfeld zeker niet ontkennen. Maar ze komt direct met de nuance: “Kijk ook eens hoe zeelieden en militairen werden behandeld. Daarmee moet je het vergelijken. Tot 1830/40 waren lijfstraffen voor militairen heel gewoon.
“In het eerste verhaal van Porto Marie wordt een blanke zeeman behoorlijk afgetuigd, uiteindelijk overlijdt hij. Daarmee wil ik laten zien dat echt niet alleen de slaven slecht behandeld werden. Soms stierven er zo veel blanken op een slavenschip, dat aan het einde de slaven hun werk moesten overnemen. Dat laat ik in dat verhaal ook gebeuren. “Natuurlijk waren er misstanden, maar het was geen regel. Je leest in de documenten in de archieven dat slaven, ook toen ze voor de wet nog een zaak waren, voor de eigenaars wel degelijk een persoon waren. Die kwamen op voor een slaaf die door een andere eigenaar werd mishandeld; of ze betaalden dokterskosten, gaven grond cadeau, noem maar op. Dus het is allemaal niet zo zwart-wit als je altijd hoort.

“Althans op Curaçao”, nuanceert ze weer. “Suriname vormde een echte plantage-economie, waar de slaven hard nodig waren voor goede oogsten. Op de afgelegen plantages werkten daar honderden slaven met een relatief kleine blanke gemeenschap. Uit angst voor opstanden werden de slaven daar veel meer onderdrukt dan op Curaçao.
“Plantages op Curaçao waren meer ‘gemengde bedrijven’ met een handjevol slaven”, vervolgt ze. “Alleen op een enkele grote plantage woonden en werkten meer dan honderd slaven. Curaçao leefde van de handel. Hier vertegenwoordigde de slaaf zelf een bepaalde waarde, waarmee je kon handelen. Wanneer de oogst tegenviel of wanneer het slecht ging met de handel, verkocht de Curaçaoënaar een slaaf.”

Ze benadrukt herhaaldelijk dat haar boek Porto Marie geen boek is over slavernij. “Ik wil met de verhalen een beeld geven van een maatschappij, die ingewikkelder is dan men denkt. Zo draait het eerste verhaal om een slaaf die per ongeluk op Curaçao is terechtgekomen, een buitenbeentje is in de slavengemeenschap en daarom niet wordt geaccepteerd. Hij komt van een andere streek, verstaat de taal niet, voelt zich eenzaam en wordt bespot. Hij is wel zwart en lotgenoot, maar dat betekent nog geen acceptatie. Er was weinig solidariteit.”

Dat dagelijkse leven van de gewone Curaçaoënaar in voorbije eeuwen, daar gaat het Langenfeld om. “Ik ben geïnteresseerd in die groep die altijd is vergeten. Er is ontzettend veel bekend over de invloedrijke blanke families en de rijke joden van het eiland. Dat snap ik wel, over die rijke bovenlaag is het makkelijkst informatie te vinden; daarover werd geschreven. De rest is hondenwerk om uit te zoeken.”

Inmiddels heeft ze van veel huizen in de stad de namen van de eigenaren gevonden, bijbehorende jaartallen en of ze het huis gekocht dan wel geërfd hebben. “Van grote huizen of landhuizen is het vaak nog wel bekend, maar ik heb ze ook van de kleinere huizen. En daar vind je de gewone man. “Met Porto Marie probeer ik die gewone man – de middenklasse en de slaven – een gezicht te geven. Ik wil er individuen van maken, met menselijke eigenschappen, en niet schrijven over ‘de’ slaven als groep; zonder gezicht.”

Els Langenfeld: Porto Marie 1738 – 1795 – 1888 is een uitgave van uitgeverij In de Knipscheer.
ISBN 978-90-6265-816-9, 19,50 euro

[Bron: Jeannette van Ditzhuijzen,  in Trouw (de Verdieping), maandag 29 april 2013]

donderdag 29 december 2011

Verhalen van de ‘gewone man’ van Curaçao


door Dick Drayer

Met de komst van de historische bundel Verhalen uit het Verleden ontsluit Els Langenfeld (58) de geschiedenis van de ‘gewone man’ van Curaçao. Het door haar zelf uitgegeven boekje is een selectie van verhalen die eerder in het Antilliaans Dagblad te lezen waren. Langenfeld verzorgt sinds 2003 historische verhalen in de krant. Inmiddels zijn er meer dan 200 artikelen verschenen. Op veler verzoek heeft zij weer een aantal van deze verhalen bewerkt en gebundeld. De onderwerpen zijn heel divers, maar samen geven de verhalen een goed beeld van de Curaçaose samenleving in de 18e, 19e en begin 20e eeuw. Verhalen uit het Verleden deel 2 is een vervolg op het succesvolle boek Verhalen uit het Verleden (deel 1), dat in 2007 verscheen en waarvan zowel de eerste als de tweede druk volledig is uitverkocht. Van elk verkocht boek gaat 2,50 gulden naar de Fundashon Prevenshon, het centrum in de Klipstraat van Willemstad dat preventief screent op borstkanker.

Gewone mensen
Langenfeld is geen historica. Haar intensief graafwerk naar gewone verhalen over gewone mensen, in de archieven van het Nationaal Archief op Scharloo, is echter zeer gedetailleerd en scherp opgeschreven. Met recht mag ze nu ervaringsdeskundige worden genoemd. Een deskundige die de kleine geschiedenis van Curaçao heel dichtbij de lezer brengt. Zo worden in dit nieuwe boek rechtszaken besproken waaruit blijkt dat de strenge en soms wrede straffen niet alleen aan slaven en kleurlingen werden opgelegd. Verhalen over ruziënde kooplieden, dronken burgers die elkaar uitschelden, of over diefstal, moord en geweld. Maar ook over een dominee met losse handjes en een gouverneur die met volslagen willekeur tegenstanders liet opsluiten. En over de grote orkaan van 1877, de hygiëne op de publieke wegen en de eerste kennismaking met de fotografie op Curaçao.

“Met vallen en opstaan heb ik geleerd een archief te begrijpen. Sinds 1995 ben ik regelmatig te vinden op Scharloo. Het begon met mijn interesse voor gebouwen, maar als snel kreeg ik oog voor de mensen in die gebouwen.”


Foto rechts: schepen laden en lossen in de Annabaai, eind 19de eeuw



Slavernij
Dit gevoel voor detail, de aandacht voor ‘de kleine luyden’, zoals ze dat zelf noemt, zegt soms vaak meer over de geschiedenis van Curaçao dan de grote bekende boeken en naslagwerken, die alleen oog hebben voor de rode draad in het verleden. Als voorbeeld voor dit gewone leven noemt Els de slavernij: “Slaven die zelf slaven hielden en vrijen die voor een bestaan in slavernij kozen: het slavenbestaan op Curaçao zag er anders uit dan de geijkte verhalen over de verhouding tussen wit en zwart suggereren.”

De middengroep
“Ik probeer de geschiedenis levend te maken door te kijken naar de gewone mensen. Er is veel geschreven over de slavernij in het algemeen, de rijke joodse en protestantse families, maar de grote middengroep is altijd buiten beeld gebleven: de vrije negers en kleurlingen en de arme blanken”.

Els vertelt het verhaal over een slaaf die ’s avonds naar de kroeg gaat, kaartspeelt met de kroegbaas en twee andere Nederlanders. Een aanwezige militair is lastig en wordt door de uitbater naar buitengewerkt. De slaaf vertrekt even later naar Pietermaai om te dansen en ziet op de terugweg de militair nog steeds voor de kroeg liggen. Met behulp van een andere zeeman brengt de slaaf de militair naar zijn eigen huis en legt hem in zijn eigen bed. Zelf vertrekt hij naar zijn byside op Pietermaai om daar dan maar de nacht door te brengen.

Bijzondere kijk
“Dit verhaal geeft alles weer wat wij niet kennen uit de tijd van de slavernij. Hij was vrij om te gaan en te staan waar hij wilde”, aldus Langenfeld. In het Nationaal Archief op Curaçao zijn volgens Langenfeld niet alleen voorbeelden te vinden van zwarten of kleurlingen die slaven bezaten, maar ook van slaven die eigendom waren van vrije familieleden.”

De informatie die zij verzamelt, wordt niet alleen gebruikt voor het schrijven van historische artikelen en boeken. Ze verzamelt, ordent en digitaliseert ook waardevolle informatie die anderen kan helpen bij hun onderzoek. Zo heeft ze onlangs een boek gepubliceerd met een overzicht van transportaktes van plantages, tuinen en kunuku’s en met financiële steun van het Prins Bernhard Fonds Nederlandse Antillen & Aruba zijn de door haar verzamelde gegevens over de bevolkingscijfers van 1838-1883 in boekvorm verschenen. Aan alle Curaçaose onderzoeksbibliotheken heeft zij deze boeken geschonken.

Het boekje is te krijgen bij de verschillende boekhandelaren op het eiland en kost 35 gulden.

[gebaseerd op berichten in de Amigoe, Radio Nederland Wereldomroep en de Knipselkrant Curacao]