![]() |
| Foto© Stuart Vrede |
Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
maandag 3 februari 2014
John Wladimir Elskamp - Pandra beries
maandag 6 januari 2014
Kamai Dhotie Wala - Khai Tophie wala
![]() |
| Klik op afbeelding voor groter formaat |
maandag 25 november 2013
Presentatie twee nieuwe uitgaven van Rabin Baldewsingh
2526 JS Den Haag
Na afloop zijn de bundels te koop in de foyer.
maandag 18 november 2013
Literaire middag Sarnàmi hamàr bhàsà hai
![]() |
| Raj Mohan. Foto @ Ranu Abhelakh |
De lezingen worden verzorgd worden door Theo Damsteegt en Raj Mohan.
De voordrachten worden o.a. gedaan door Chitra Gajadin, Charietje Choenni en Koemar Gowricharn.
De middag staat onder leiding van Jagdish Thakoerdin.
De literaire middag wordt afgesloten met een borrel.
Zondag 24 november in Theater Dakota aan de Zuidlarenstraat 57 in Den Haag.
De toegang is gratis, maar wel graag aanmelden via: barhanti@outlook.com
zaterdag 26 oktober 2013
Talen leven in het leven, maar ook in de wetenschap?
![]() |
| Foto © H. Nanpersad |
![]() |
| Foto © Neizvecten |
![]() |
| De Europese geleerde bril. Foto © P. Muysken |
woensdag 13 maart 2013
Maslá (hindostaanse spreekwoorden)
![]() |
| Amanda. Foto @ Lester Spring |
- Dhobi ke kuttá ná ghar ke
ná ghát ke.
- Ukhare ke kuch ná
nám bariyársing.
- Jawne ghát ke
dhobiyá rahi, ohi ghát ke páni piye.
- Ná bábá mari ná bail
bikái.
- Rám milái jori, ek
andhá, ek korhi.
maandag 4 februari 2013
Rabin Baldewsingh deelt herinneringen in cd-vorm
![]() |
| Rabin Baldewsingh |
zaterdag 8 september 2012
Cándani - Gedicht
tinwan ke khálipan men
jablek tu murdawan khát
kháik leke já hai jahán
hajáran halfá áwe hai
[Sarnami]
![]() |
| Zeedijk Nickerie. Foto © PBM |
ik hoor je in de leegte
van de zinkplaten
zolang je de doden
voedsel brengt
waar duizenden golven aanspoelen
[uit Ghunghru tut gail/De rinkelband is gebroken, 1990]
maandag 6 augustus 2012
Bhásá digitaal verschenen
![]() |
| De gedrukte Bhásá |
donderdag 8 maart 2012
Taal bevordert de integratie in een plurale samenleving
Dat opeenvolgende regeringen de importante rol die de gesproken taal in onze plurale samenleving te vervullen heeft, blijkt duidelijk niet goed begrepen te hebben vanwege het gevoerde taalbeleid. Het is triest na ruim 35 jaar onafhankelijkheid en langer dan een eeuw samenleven te moeten constateren dat wij niet in staat zijn in de moedertalen van de diverse bevolkingsgroepen te communiceren, met als gevolg dat de integratie tussen de verschillende bevolkingsgroepen zo langzaam verloopt. De grootste regeringspartij heeft met succes de relatie tussen de politiek en etniciteit in sterke mate kunnen doorbreken. Het proces van de vreedzame integratie zet zich gestadig voort, waarbij de gesproken taal als bindmiddel functioneert. Teneinde de lezer een inzicht te doen verkrijgen in het taalgebruik van ons land zal globaal hier de voornaamste talen beschreven worden.
Huishoudens:
De officiële taal van ons land het Nederlands wordt door 57.577 huishoudens van de 123.463 huishoudens oftewel 46,6% van de huishoudens als de meest gesproken taal opgegeven. Nagenoeg evenveel huishoudens spreken Sarnami en Marrontaal en de derde plaats wordt door Sranangtongo [Sranantongo - red. CU] bezet en het aandeel van Javaans is circa 5,6%. De overige talen maken ruim 5,0% van de huishoudens uit en zullen uit overweging van gering aantal niet besproken worden. De huishoudens waar de verschillende meest gesproken talen zijn, spreken de leden van de huishoudens:
Nederlands met als tweede taal: Sranangtongo 58,5%; Sarnami 12,9%; Javaans 10,5%; Marrontaal 2,5%; geen tweede taal 11,5%.
Sranangtongo met als tweede taal: Nederlands 57%; Sarnami 5,6%; Javaans 7,1%; Marrontaal 7,1%; geen tweede taal 12,6%.
Sarnami met als tweede taal: Nederlands 71,9%; Sranangtongo 14,3%; Javaans -; Geen tweede taal 12,8%.
Marrontaal met als tweede taal: Nederlands 21,8%; Sranangtongo 20,1%; Javaans-; Marrontaal 1,1%; geen tweede taal 55,7%.
Javaans met als tweede taal: Nederlands 47,6%; Sranangtongo 39,3%; Sarnami 0,3%; Marrontaal -; geen tweede taal 12,3%.
Verder zien we dat Nederlands (46,6%) de meest gesproken taal en Sranangtongo de meest gesproken tweede taal in het huishoudens is. Meer dan 23,6% spreekt Nederlands als tweede taal en een belangrijk deel van de huishoudens (19,2%) communiceert alleen in één taal. Huishoudens met de meest gesproken taal de “Marrontaal” spreekt bijna 55,7% alleen de Marrontaal en dit percentage ligt het hoogst in vergelijking met andere meest gesproken talen en varieert rond 12,0%. Nagenoeg evenveel huishoudens spreken Marrontaal en Engels als tweede taal.
Aantal personen
Wordt de gemiddelde huishoudgrootte gemeten aan de hand van de frequentie van de huishoudomvang naar de meest gesproken taal dan is de huishoudgrootte als volgt: Nederlands 3,9 personen; Sranangtongo 4,9 personen; Sarnami 4,2 personen; Javaans 3,5 personen; Marrontaal 4,3 personen.
De modale huishoudomvang van de meest gesproken talen in de huishoudens zijn namelijk: Nederlands 4 personen (20,4%); Sranangtongo 1 persoon (24,8%); Sarnami 4 personen (22,2%); Javaans 2 personen (24,8%); Marrontaal 1 persoon (21,8%); Totaal 4 personen (18,1%). Het blijkt dat Nederlands en Sarnami 4 personen omvatten, bij Sranangtongo en Marrontaal valt 1 persoon waar te nemen en tenslotte toont Javaans 2 personen. Het Sranangtongo (9,0%) dat de vierde plaats innam bij categoriseren van de meest gesproken taal, vervult nu de eerste plaats als belangrijkste communicatiemiddel tussen de verschillende bevolkingsgroepen en vertegenwoordigt 37.0% in de populatie. Dat de taal bevordert het begrijpen van de zeden en gewoonten van een plurale samenleving en heeft de kracht langs vreedzame weg de integratie tussen de verschillende bevolkingsgroepen te realiseren. Door de taal onderling te spreken, te verstaan ontstaan er meer vertrouwen, begrip, respect etc. tussen de verschillende etnische groepen.
Dat de grootste regeringspartij die zeer nationaal georiënteerd is, heeft in haar regeringsverklaring 2010-2015 paragraaf onderwijs verruimd haar visie m.b.t. taalbeleid van de volgende talen namelijk Sranangtongo, Sarnami, Javaans, Marrontaal, etc weer te geven. Deze omissie wordt door realisatie van de volgende aanbeveling gecorrigeerd “dat het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling nagaat op welke wijze op school de kinderen kunnen worden onderwezen in het spreken en verstaan van de volgende talen, waarbij de spreiding in acht wordt genomen:
Sarnami: schooljaar 2012-2013
Javaans: schooljaar 2013-2014
Marrontaal: 2014-2015
Dat het Sranangtongo hier uitdrukkelijk niet genoemd is vanwege het feit dat deze taal de maatschappelijke functie al vervult en getracht wordt juist de genoemde talen het verlangde niveau van Sranangtongo te doen bereiken.
[uit Dagblad Suriname, 7 maart 2012]
zaterdag 11 februari 2012
Troost: een pleister op de wonde van áji
Na lange tijd verschijnt weer een gedichtenbundel in het Sarnámi: de tweede van Raj Mohan, tihá/troost (2011). Het dichten in het Sarnámi was vlak na Surinames onafhankelijkheid in opmars. Waar zijn Cándani, Chitra Gajadin en Jit Narain gebleven, vraag ik me af. Is deze beweging van Sarnámi-dichters doodgebloed? De bundel van Mohan bestaat uit twee delen. Het eerste deel, ‘tihá’ (troost) telt 17 gedichten in het Sarnámi, met Nederlandse vertaling. Het tweede deel, ‘ontwaken’, bevat 22 Nederlandstalige gedichten.
Het is een frisse zondagochtend. Ik ben in Saramacca, op Maho. M’n moeder bakt roti’s en ik ruik de scherpe geur van de kerriedoks in de kamer waar ik als tiener en als twintiger mooie boeken las. Op de achtergrond klinkt Mohans cd Daayra.
Wijlen mijn áji/oma komt de kamer in, gehuld in haar witte doorzichtige orhni. Zij ziet er verdrietig uit en ruikt naar brandhout. In mijn gedachten. Deze vrouw maakte haar eigen masala, gemalen op de maalsteen, op haar ‘sil’, en kookte op hout, de ‘culhá’. Over een wereld die voor mij verdwenen is, schrijft ook Raj Mohan. Geen ‘sil’, ‘culhá’ en ook geen orhni meer.

De geur van komijn en koriander nodigt mij uit om het eerste gedicht ‘áji’ te lezen. De leestocht begint en een wereld van herkenning gaat in mij open bij dit gedicht. Ik lees ‘áji’ meerdere malen. Ik lees en herlees Mohans Sarnámi-gedichten. Niet alleen de geur uit moeders keuken geeft mij honger, maar ook Mohans gedichten.
‘báte to hamár áji re áji/ i hálat men tonhke/ pehchán na páylá/ aur jánilá/ hamme tu bhi ná’ (‘ook al ben je mijn oma oma/ zo/ herken ik je amper/ en weet/ jij mij ook niet’)
Opvallend, dat de Sarnámi-gedichten beeldender zijn dan de vertaling. Mohans simpele woordkeuze schept een warme, melancholische sfeer. Zo simpel als áji die uitzichtloos op die warme stoel op ájá/opa zit te wachten. De beelden die Mohan oproept, zijn mij bekend. Jit Narains gedichten zorgen voor dezelfde sfeer.
‘báte to hamár áji re áji’ (jij bent mijn oma, mijn oma toch.)
Deze versregel is ook voor mij ambigu. Je kunt het lezen als een kleinkind dat trots is op zijn/haar oma, maar het kan eveneens cynisch bedoeld zijn.
Mohan speelt mooi met metaforen, bijvoorbeeld over leven en dood.
‘murgá ke chilláy/ dekh! saber bhail/ pak pak pak pakáy/ dekh! darbá khul gail/ kuttá ke bhonkáy/ dekh! koi pahuná áyl/ kauwwá ke kauwwáy/ ghugwá chirai gohráyl/ áj jarur koi jáy’ (‘de haan die kraait/ kijk! de ochtend is aangebroken/ pak pak pak pakáy/ kijk! het kippenhok is open/ geblaf van de honden/ kijk! er komen gasten/ een kraai die kraait/ de uil roept/ iemand zal vandaag/ zeker gaan’)
In deze strofe gebruikt Raj Mohan het gekraai van de haan en de kraai, het geblaf van de honden en het geroep van de uil als aankondiging van de dood. Maar tegelijkertijd kan het ‘pak pak pak pakáy’ van de haan ook de komst van gasten melden, zij komen voor de ‘singineti’. Ook Gabriel García Márquez gebruikt in zijn boek Kroniek van een aangekondigde dood de haan die driemaal kraait als metafoor voor de dood.
Mohan schept ook een in de hindostaanse cultuur bekende emotionele sfeer, van een familiescène die mij doet denken aan de dramatische Indiase tv-soapseries op onze beeldbuis. Het verdriet van áji die zittend op de stoel wacht op de terugkeer van haar overleden echtgenoot, ájá. Een en al verdriet van een grootmoeder, een hindostaanse oude vrouw: een archetype voor verdriet in Sarnámi-gedichten.
‘i hálat men tonhke/ pehchán na páylá’ (‘zo/ herken ik je amper’)
‘Zo, in deze situatie, jou aantreffend, herken ik jou niet...’
Ook in andere gedichten komt het thema verdriet voor. Bijvoorbeeld in ‘mái re mái/moederlief toch’, ‘puráná dukh/oud verdriet’ en ‘hál/het wel’. Dit verdriet uit zich ook in het leven van een persoon die op zoek is naar zijn/haar identiteit: ‘i tor sahar/dit is jouw stad’, ‘Utrecht/Utrecht’, ‘Bombay aur ham/Bombay en ik’, ‘Holland/Nederland’ en India/India’. Typische thema’s waarover ook andere Sarnámi-dichters hebben geschreven.
De gedichten in het tweede deel zijn zeer gevarieerd qua thema. Raj Mohan belicht de sterren, de muzen en andere hemellichamen, hij bezingt de oevers van de Ganges, het vasten,
een vakantie in Suriname. Zelfs het integratieproces en het asielzoekersvraagstuk in Nederland komen dichterlijk aan de orde. Hij snijdt hiermee een actueel onderwerp aan. Zijn dichterlijke vrijheid komt in dit deel beter tot uiting, omdat zijn woordenschat ruimer is. Een verlossing voor hem uit het verdriet en de zoektocht naar identiteit in tihá/troost.De eerste strofe van ‘verlossing: ‘als een waas nog voor de ogen/ een onbezield voornemen/ een onbeminde droom/ in een gedetailleerde frontlinie/ bij een eeuwige kruistocht/ tegen uitgeprocedeerde DNA’s/ van mijn aard’. Zeker ook een ‘uitgeprocedeerde’ Mohan die heel beeldend weet te dichten!
Raj Mohan, tihá/troost. Haarlem: In de Knipscheer, 2011. ISBN 978 90 6265 661 5
[dWTL, 11/02/2012]
donderdag 19 januari 2012
Sarnámihuis kan voorlopig doorgaan
Het Sarnámihuis in Den Haag lijkt voorlopig gered. De gemeente maakte vorig jaar bekend alleen nog subsidie te verlenen als de instelling kon aantonen een breed publiek in Den Haag te kunnen bedienen. Verder moet er worden samengewerkt met andere cultureel maatschappelijke organisaties.Een evaluatie van de gemeente is positief verlopen en daarmee is het Sarnámihuis een van de weinige Nederlandse organisaties voor Surinamers die de toekomst optimistisch tegemoet kan zien, zegt directeur Robert Klaassen. "Het waren pittige eisen van de gemeente." Er is nu samenwerking met onder andere de Chinese gemeenschap en Haagse kunstinstellingen.
Toch is de toekomst nog niet zeker. Voor dit jaar krijgt het Sarnámihuis 70.000 euro subsisie van gemeente Den Haag. "De subsidie gelt alleen voor 2012." Het uiteindelijke doel is te worden opgenomen in het meerjarenplan voor de kunst en cultuur in Den Haag. "Dat loopt van 2013 tot 2016." Klaassen moet op zoek naar sponsoren voor een bedrag van 500.000 om een volwaardige bedrijfsvoering te kunnen voeren in de toekomst.
Grote achterban
De directeur is optimistisch over de toekomst. "We hebben een grote achterban van de Hindostaanse, Javaanse en Chinese Surinamers en autochtone Nederlanders." Met de nieuwe koers staat het Sarnámihuis volgens Klaassen in de samenleving tussen de mensen. De eerste activiteit van 2012 is in februari een tentoonstelling met Javaanse kunstenaars.
[RNW, 19 januari 2012]
donderdag 5 januari 2012
Kahe gaile Bides
door Hari Rambaran
Onlangs verscheen bij Mango het Engelstalige bronnenboek Kahe gaile Bides. Dit boek geeft inzicht in de migraties van Hindustani’s uit het Bhojpuri sprekende deel van India als contractarbeiders naar diverse landen en van hun nakomelingen uit Suriname naar Nederland. Het boek is gemaakt in het kader van het project Kahe gaile Bides – Bhojpuri cultuur en de diaspora en de tentoonstelling daarover, gehouden in augustus 2006 in Allahabad. Mousumi Majumder fungeert als de eindredacteur. Anderen die aan dit boek hebben meegewerkt zijn Badri Narayan Tiwari en Nivedita Singh uit India, Sahiensha Ramdas en Maurits Hassankhan uit Suriname, en Narinder Mohkamsing, Elizabeth den Boer en Chitra Gajadin uit Nederland.
De in de boektitel gestelde vraag ‘waarom vertrok je naar vreemde landen?’ wekt de verwachting dat iemand daar een antwoord op geeft. Dat gebeurt echter niet expliciet in het boek. Wel wordt aan de hand van historische gegevens, persoonlijke verhalen en anekdotes, een beeld geschetst van de omstandigheden in het Bihar en omstreken in het toenmalige Brits-Indië, waardoor mensen vanaf de negentiende eeuw hun woongebied, familie en vrienden verlieten om elders in vreemde streken een emplooi te vinden op plantages die door koloniale mogendheden overal in de wereld in hun wingewesten waren aangelegd. Door de persoonlijke verhalen heen proeft de lezer de pijn en het verdriet bij de achterblijvers en ook bij hen die vertrokken. De door wervers voorgespiegelde vooruitzichten pakten de ene keer anders uit dan werd verwacht en een andere keer bracht de migratie ook wel uitkomst in de niet altijd rooskleurige omstandigheden waarin men daarvoor in Brits-Indië verkeerde. De inhoud van het boek overziend, zou de naam ‘kaise gale bidesavá’ [hoe ben je vertrokken?] toepasselijker kunnen zijn voor deze publicatie. Het boek vertelt immers eerder hoe de werving, de reis en het verblijf in den vreemde verliep dan waarom men vertrok. Hoe de migratie verliep proef je namelijk in de opgenomen liederen en gedichten.
Het boek telt zeven hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk schetst de omstandigheden in het Bihar en omstreken zelf en geeft een idee ten aanzien van de werving van de arbeiders. In het tweede hoofdstuk zijn persoonlijke verhalen opgenomen. Deze verbeelden de ontberingen van mensen die vertrokken en van hen die achterbleven.
Hoofdstuk drie schetst de aankomst en het verblijf van Hindustani’s in Suriname en van de omstandigheden waarin de contractarbeiders werkten. Hoofdstuk vier gaat in op het vertrek van Hindustani’s naar Nederland. In hoofdstuk vijf gaan de auteurs op zoek naar culturele sporen en resten van ‘Bhojpuri-cultuur’ bij de nakomelingen van de Hindustani’s; overblijfselen die herinneren aan wat de contractarbeiders aan cultuurgoed meebrachten. De auteurs gaan daarbij in op de drie basisbehoeften in: roti, kapará en makaan (voedsel, kleding en woning).
Hoofdstuk zes geeft een schets van de r
elatie tussen het Bhojpuri, het Sarnámi en het Nederlands. Het zevende hoofdstuk geeft enig inzicht in de relatie tussen India en Suriname ten aanzien van de Bhojpuri volkscultuur. In dit laatste hoofdstuk is aandacht besteed aan muziek, toneel en andere literaire uitingen van Hindustani’s in Suriname. Ter illustratie enkele gedichten en liederen opgenomen.Als bronnenboek maakt de uitgave de verwachting waar. Men treft tal van verwijzingen aan naar andere publicaties, terwijl achter in het boek een lange lijst is opgenomen van allerlei literatuur, hoewel van al die publicaties niet duidelijk is wat ze bijdragen aan de inhoud van dit boek zelf. Wel helpt de lijst de geïnteresseerde lezer verder in haar of zijn zoektocht naar gegevens over de Hindustani’s, die – wel of niet als contractarbeider – uit het Bhojpuri-gebied of uit Suriname, elders een nieuw bestaan opbouwden en van wie een deel nooit is teruggekeerd naar de geliefden die achterbleven, maar die nooit uit hun gedac
hten zijn verdwenen. Een Bhojpuri-volk levend in heimwee!Mousumi Majumder (red.), ‘Kahe gaile Bides’; Where did you go? On Bhojpuri migration since the 1870s and contemporary culture in Uttar Pradesh and Bihar, Suriname and the Netherlands. Allahabad: Mango books, 2010. 185 p., ISBN 978 81 906804 3 1 en ISBN 978 90 6832 740 3, prijs € 22,55.
[uit Oso, 2011, nr. 2]
vrijdag 23 december 2011
Mohan torst in zijn eentje de Sarnámi traditie
Met de literatuur in het Sarnámi, de moedertaal van de Surinaamse Hindostanen, is het een wisselvallige geschiedenis geworden. Na 1977 swingde de boel de pan uit rond art
s/dichter/taalpropagandist Jit Narain in Den Haag, met zijn zingende broer Rabin Baldewsingh (the singing detective van het Haagse college van B & W), met de lederen feministe Gharietje Choenni, met de ragfijn dichtende Chitra Gajadin (de schrik van het eerste Sarnámi festival in Paramaribo), met Hindi hopman Surj Biere en de wandelende megafoon van de Sarnámi grammatica Moti Marhé. En natuurlijk met Cándani, vers van onder een districtskoe uitgekropen, niet gehinderd door enige kennis van welke schrijfwijze dan ook, maar wel wonderschoon zingend als een treurige leeuwerik aan het hof van koning Akbar. En dan, ploef, zakt het hele zaakje in elkaar, begraaft Narain zich in Saramacca, begint Choenni aan een striptease en kruipt er uit het zwarte leder nog slechts een pensionhoudster op Bonaire, encanailleert Cándani zich met de stankbel van Scientology en lijken alle anderen zich tevreden te hebben gesteld met de rol van voetnoot in de literaire geschiedenis. Rabin Baldewsingh verklaart publiekelijk dat schrijven in het Sarnámi geen zin heeft en de Hindostanen alleen maar terugdringt in groepselement; hier spreekt de brede burgervader in de dop.Als die storm is overgewaaid duikt opeens Raj Ramdas op, broer van de zoveel beroemdere essayist Anil die nooit iets met de Hindostaanse beweging had, maar die zich wel als een echte pasja in India vestigde, voorzien van tuinman, chauffeur en kokkie. Raj Ramdas maakt indruk op het festival Winternachten met zijn voordracht uit zijn fraai uitgegeven bundel Kahán hai u/Waar is zij (2003). Als ook van die weldadig aanvoelende Sarnámi windvlaag helemaal niets meer te merken is, kondigt Raj Mohan zich aan, hij lijkt bereid de Sarnámi traditie in zijn eentje voort te zetten, eerst met de tweetalige bundel Bapauti/Erfenis (2008), nu met de omvangrijke bundel Tihá/Troost.
De tweede afdeling van de nieuwe bundel geeft 22 gedichten enkel in het Nederlands. De eerste afdeling bevat zeventien gedichten in het Sarnámi met een Nederlandse vertaling ernaast, waarbij direct gezegd moet worden dat deze vertalingen zich soms tamelijk ver van de oorspronkelijke taal begeven. Een dichter mag natuurlijk met zijn teksten doen wat hij wil, maar voor iemand die toch graag de twee versies wil vergelijken is het tamelijk hinderlijk dat de regels niet parallel lopen, ja, dat de Nederlandse vertaling soms meer dan een halve bladzijde langer uitpakt. Neem deze strofe van mooie zegging:
áj phir chhui ke jáylá tor ego puráná dukh
Wat dan in de vertaling tot klein brandhout verhakkeld wordt in zeven versregeltjes, alsof aan elk woord een gewicht van veertig kilo hangt:
vandaag
raak ik
weer eens
een oud
verdriet
van jou aan
en vertrek
Wat direct opvalt is hoezeer de twee afdelingen uiteenlopen naar inhoud én naar taal. De Sarnámi gedi
chten zijn intiem, geven kleine familiescènes, ontspruiten bijna altijd uit de melancholie over een verdwenen of een verdwijnende wereld. Ze worden gedragen door het verdriet van de migrant die ergens tussen India, Suriname en Nederland de coördinaten van zijn leven en – vooruit maar – zijn identiteit probeert te zoeken. Dat zijn allemaal motieven die ook uit het werk van de andere Sarnámi dichters bekend zijn. Natuurlijk speelt ‘áji’, de grootmoederfiguur, er een belangrijke rol in; bij welke van de Sarnámi auteurs wordt zij – de witgehaakte orhni op het hoofd, de koemest aan de hielen en de moede rimpels in het gezicht – niet tot leven gewekt in vaak liefdevolle versregels? Opmerkelijk is ook hoe eenvoudig het taalgebruik in die eerste afdeling is, hoe beperkt het vocabulaire (ik bedoel dat niet negatief!) en hoezeer dat vocabulaire helemaal in het verlengde ligt van de woordenschat van Narain en Cándani.tor hawá men milal bá mahak hamár cháhe tor matti jagghá na de hai enrhi dhansáwe khát
mijn geur is vermengd met je wind
al geeft jouw aarde geen plek
om mijn hiel in te planten
De taferelen en metaforen die Mohan ons voortovert zijn traditioneel, het olielampje is er natuurlijk, het vuur, de rijst, de vleermuizen, de bruidsstoet, de diya, kortom: de hele setting van het rurale Hindostaanse leven. Naar de soms overdonderende metaforen die Jit Narain wist te vinden, zoek je bij Raj Mohan tevergeefs. Maar het is misschien niet helemaal fair om hem te vergelijken met een dichter waarvan er maar één per generatie, zo niet per eeuw voorkomt.
Op zich zijn Mohans vertalingen wel acceptabel, al haalt er niet één zelfs maar in de verte de klankrijkdom van het Sarnámi (de gedichten zijn ook als liedteksten bedoeld en j
e moet er Mohans CD Daayra eigenlijk bij beluisteren). Op enkele plaatsen zijn de vertalingen tenenkrommend prozaïsch, zoals in deze regels waarbij men wijlen J.-P. Balkenende zuinigjes-goedkeurend ziet knikken:hoe red ik mijn cultuur
te midden van honderd rassen
normen en waarden van anderen
De afdeling met gedichten in het Nederlands herneemt wel enkele motieven uit de eerste afdeling, maar is veelvormiger, het gaat daar ook over het Suikerfeest, over een schietincident in Amerika en zowaar over dik-zijn! Het vocabulaire is ook veel uitgebreider, wat misschien ook wel komt doordat er geen beperking is om de tekst in een liedvorm te brengen. Voor Raj Mohan betekent dat dan dat het fijnzinnig oproepen van een sfeer zoals in de eerste afdeling plaats maakt voor benoemen. De Nederlandse poëzie is veel cerebraler dan die in het Sarnámi:
de muzen van Apollo
worden erbij geroepen.
gewekt uit een eindeloze droom
over kosmische muziek en aards vermaak.
deze fijnzinnigheid van twee werelden
verborgen in een halssnoer van parabels,
tooisel van de nieuwe keizers van theater
Mij lijkt dat de laatste twee versregels de poëzie uitmaken en dat de regel ervóór liever iets had kunnen beschrijven dat de genoemde fijnzinnigheid oproept, dan dat die regel zelf de fijnzinnigheid expliciet benoemt. Dat oproepen lukt Mohan overigens soms wel, zoals in een gedicht over een vakantie in Suriname, waar hij een hete asfaltweg in Suriname laat contrasteren met de schoorsteenmantel in Nederland. Hinderlijk in de bundel zijn wel verschillende taalfouten, zoals ‘jouw ellende kan ik/ niet meer te verdragen’, ‘zonder enig steun’ en ‘een interactief/ breedbeeld tv’. Gewoon niet aandachtig genoeg geredigeerd.
Maar goed, laat ik er nu maar het zwijgen toe doen, tenslotte kreeg ik op pagina 66 toch al een subtiele tik op de neus in het gedicht ‘geschiedenis’:

de blanke
vertelt mij zijn verhaal
en ik luister
de blanke
vertelt mij mijn verhaal
en ik luister
Raj Mohan, Tihá/Troost, Haarlem: In de Knipscheer, 2011. 74 p., ISBN 978 90 6265 661 5, prijs € 16,90.
[uit Oso, 2011, nr. 2]
zaterdag 30 juli 2011
Nieuws van het Sarnamihuis
Platform Indiase Dans en Korzo presenteren op zaterdag 1/10 en zondag 2/10 de 4e editie van het Internationaal India Dans Festival
Tijdens de Haagse India Maand en in het kader van het Internationaal India Dans Festival organiseert het Platform Indiase Dans (PID) op zaterdag 1 oktober een Indian Dance Battle! De vierde editie van het Internationaal India Dans Festival is een coproductie van PID, Korzo, Culturalis en het Sarnamihuis .Met dank aan Fonds 1818 en het Prins Bernhard Cultuurfonds.
Weekendcursus schrijven op 15 + 16 oktober tijdens de Haagse India Maand
maandag 18 juli 2011
Gekte, daar draait het om
![]() |
| Jit Narain Foto's © Michiel van Kempen |
Verscholen achter de artsenpraktijk van Jit Narain Baldewsingh verrijst een splinternieuw gebouw: Educatief Centrum ‘De Uitkijk’. Jit Narain is de bedenker van het project, en kan niet wachten het te laten zien. Het heeft wat voeten in de aarde om de juiste sleutels te vinden, maar uiteindelijk krijgen we de deur van het slot en wandelen we de bibliotheek binnen. Een goed uitgeruste ruimte met een redelijke hoeveelheid boeken. Allemaal particuliere donaties. Hij vertelt uitgebreid over het idee achter het centrum. “Kinderen én volwassenen zouden zich op een toegankelijke manier meer moeten kunnen ontwikkelen. En hoe kan dat beter dan met een bibliotheek?” Maar omdat in deze tijd van informatievoorziening niet meer zonder computers en internet kan worden gewerkt, heeft hij aangrenzend een computerruimte gebouwd. Je kunt er niet alleen internetten, maar er worden ook lessen gegeven; voor beginners en gevorderden. De apparaten werden aangeschaft met behulp van sponsorgeld. De Sewa-stichting in Den Haag gaf een bedrag van 15.000 euro. De rest financiert hij zelf. Op de bovenverdieping bevindt zich een film- en theaterzaal. Helaas zijn de sleutels hiervan nu even écht onvindbaar. “Maar elke zaterdag worden er films vertoond: overdag voor kinderen, ’s avonds voor volwassenen. De toegang is maar een paar SRD.”
Tot zover het gerealiseerde gedeelte van het project. Jit Narain zit echter vol plannen om het centrum uit te breiden. Een zwembad is in aanbouw en hopelijk klaar vlak voor de schoolvakantie. “Maar door de regen lopen we wat vertraging op.” Aan de linkerkant van het gebouw zijn de vormen van het zwembad al goed zichtbaar.“Verder moet er een muziekschool komen. En een crèche. Tot slot komen er ook logeervoorzieningen voor vrouwen die het minder goed hebben en voor bejaarden. Deze mensen kunnen dan helpen in de crèche of in de bieb. En zo de cirkel weer rond.”
Op 8 april was de onofficiële opening. Scholieren werden uitgenodigd en nu draait het als het ware proef. Later volgt een grootse opening. “Als in ieder geval het zwembad af is. Dan moeten ook bussen gaan rijden, zodat iedereen het centrum makkelijk kan bereiken.”
Toen hij nog in Nederland woonde, was Jit (winnen) Narain (god) al zeer sociaal bewogen en maatschappelijk geëngageerd. Zo was hij actief in de politiek, was hij huiswerkbegeleider en liep hij in de jaren ‘80 samen met duizenden anderen mee in de protestactie tegen de atoombom. Al in de bewogen jaren ‘60 kwam hij naar Nederland. Om te studeren: medicijnen in Leiden. Hij hield zijn Surinaamse paspoort om zo in Nederland de militaire dienst te ontduiken. Hij trouwde, kreeg twee dochters en werkte jaren als huisarts in Den Haag. “Maar Nederland was mijn plek niet. Ik werd onrustig, omdat ik besefte dat wonen op één bepaalde plek niet in mijn aard ligt. En omdat ik me er niet prettig voelde als arts: de houding dat patiënten koning zijn, dat de politie niets deed aan de in de poli bivakkerende drugsverslaafden (‘ja meneer, dat is úw probleem’) en de manier waarop psychiatrische patiënten werden doorverwezen. Nederland is geen goed land voor de zorgsector.” In Suriname leek men hem als arts bovendien meer nodig te hebben, en zijn medische kennis dus beter besteed dan in Nederland. Uiteindelijk leidde dit in 1991 tot de terugkeer naar zijn geboorteland, om er een nieuw bestaan op te bouwen. Hij kocht een stuk grond en stichtte zijn nieuwe poli. Zijn uiteenlopende interesse is gebleven en gelukkig blijft het ook in Suriname niet alleen bij denken.

Eenbevlogen man, Jit Narain Baldewsingh. Bevlogen, strijdvaardig en mateloos enthousiast. Niet alleen over Stichting Educatief Centrum ‘De Uitkijk’, ook wanneer hij spreekt over zijn poëzie. Want bovenal is hij dichter. En een productief dichter bovendien. Hij laat zijn bundels zien, draagt voor en legt uit. “Het begon allemaal toen ik op de MAVO zat. Ik keek naar films en neuriede de muziek mee. Op de bestaande muziek bedacht ik nieuwe teksten. Niet bewust, het ging gewoon vanzelf.” Hoewel de Nederlandse taal op deze manier goed tot hem doordrong, werd het besef van zijn eigen taal (Sarnami) steeds sterker.Vanaf dat moment groeide de liefde en begon hij ook in het Sarnami te dichten. Talent zorgde voor de rest. “Talent is een opwelling die continu in je is”, zegt Jit Narain. “En het zorgt ervoor dat je iets kan zeggen, in geschreven woorden gevat. Die woorden brengen een emotie teweeg die uniek moet zijn. Dan is het kunst.” Sommige gedichten bedenkt hij in het Nederlands, anderen in het Sarnami. Deze taal heeft dezelfde woorden als het Hindi, alleen de grammatica verschilt.
Verzen ontstaan in een emotioneel denkproces. Jit Narain máákt gedichten.
Met een glinstering in zijn ogen en een onaangestoken sigaret verkeerd om in zijn mond,vertelt hij over zijn thema’s. “Ik heb geen muze, het leven is mijn inspiratiebron. Daar schrijf ik ook over. Over pubertijd en over mijn voorouders, over maatschappijkritische onderwerpen. Over dichter zijn en bewustzijn. Over de liefde, uiteraard, en over vriendschap. Onbedorven en onbevangen vriendschap, zoals kinderen die kunnen hebben. Zonder de dingen die het leven alleen maar kunnen bederven, zoals erotiek”.
In het Sarnami: Dosti ke cáh (wat vriendschap verlangt).
Wanneer weer
armen over elkaars schouders
zonder de aanraking te beseffen
Een aantal van zijn gedichten is ook in het Engels vertaald. Dat het vertalen van poëzie een kunst op zich is, ervoer Jit Narain met zijn vaste vertaler. Een voorbeeld:
De pen ligt er
het papier is willig
geen tekenen van klank
is vertaald als The pen is there, the paper is willing, no signs of sound. De nuances van de taal gaan soms verloren in de vertaling. Juist deze subtiliteiten zijn bij poëzie onontbeerlijk wil een gedicht je raken. Van de ene moederstaal kan Jit Narain het zelf makkelijk in de andere vertalen. “Omdat zowel het Nederlands als het Sarnami me van nature zijn bijgebracht, is het eenvoudig om het gevoel, de betekenis over te brengen. Zeker als je de componist bent van de tekst. Voor iemand die de woorden niet zelf heeft bedacht, is het idee erachter vaak moeilijk in woorden te vatten. En dat is nou precies de taak van een vertaler.”
Dat een gedicht meer is dan slechts woorden op papier, zegt de rest van het gedicht:
Wat waren ze wel
Bange, suffe, ontevreden
Betekenissen die zich schamen
Dat ze zouden binnentreden
En zich hullen in de spiegels van het blad
Willen ze onuitgesproken
Blijven
Nu kerf ik ze in glas
(Uit: wat vriendschap verlangt, door Jit Narain)
Alleen woorden op papier, blijven slechts woorden op papier. In glas gekerfd, zijn ze onontkoombaar, lijken ze betekenis te krijgen. Pas als je ze uitspreekt, gaan ze leven. “Juist daarom is het van belang dat gedichten hardop en bij voorkeur door de auteur zelf worden uitgesproken en voorgedragen. Klemtonen, accenten, ingelaste pauzes. Stuk voor stuk elementen die bijdragen aan de bewustwording van de tekst en de bedoeling van de ontwerper.” En dat Jit Narain kan voordragen, mag ik aan den lijve ondervinden. Niet alleen uit werken uit het verleden. Ook van zijn nog uit te brengen oeuvre licht hij een tipje van de sluier op.

Het afgelopen jaar heeft hij niet geschreven door de drukte met het opzetten van het Educatief Centrum. Nu hij alleen nog hoeft te adviseren en het verder allemaal ‘vanzelf’ gaat, richt hij zich weer op de poëzie. Het thema voor zijn nieuwe bundel: psychoses, schizofrenie en gekte. “Gekte, daar draait het om. Gespleten persoonlijkheid, het van binnenuit constant veranderen van perspectief.” Volgens Jit Narain roept schizofrenie hetzelfde op bij buitenstaanders. Die buitenstaander moet namelijk meegaan in de gedachte van iemand met een gespleten persoonlijkheid. Jit Narain licht dit toe met een voorbeeld uit zijn eigen praktijk. “Eén van mijn patiënten zette constant de tafels en stoelen in een andere opstelling neer. Wij zouden denken dat zo iemand gek is geworden. Maar de jongen zelf ziet het waarschijnlijk als de creatie van een architectonisch hoogstandje. De tekeningen in zijn hoofd wijzigen steeds, waardoor hij ook zijn opstelling moet bijstellen. Gek? Wij vinden waarschijnlijk van wel. Maar voor hem is het doodnormaal.” Verschil van inzicht leent zich natuurlijk uitermate goed voor poëzie. Hij zegt: “Terwijl het onderwerp vaststaat, denken de woorden magisch mee”.
Jit Narain: nog lang niet uitgedacht.
[uit Parbode, 1 juni 2006]
Jit Narain

Rechts: Michiel van Kempen en Jit Narain;
foto @ Ruben
In zijn jaren in Nederland ontplooide Jit Narain zich als de peetvader van de literatuur in het Sarnami, de taal van de Surinaamse hindostanen, waarin tot aan het einde van de jaren '70 nooit boekuitgaven waren gerealiseerd. Narain stichtte een collectief van schrijvers, gaf een tijdschrift in het Sarnami uit en schreef samen met de indoloog Theo Damsteegt een leerboek Sarnami. Begin 1978 kwam eerste dichtbundel Dal bhat chatni: Rijst, gele erwten, chutney - het dagelijkse voedsel van de eenvoudige hindostanen. Jit Narain stond tussen hen in, bezong voor hen de eigen geschiedenis in hun `boerentaal', tilde die taal op tot een literair niveau en toonde met vertalingen van die poëzie en met zijn Nederlandstalige werk in een achttal bundels de buitenwacht het wezen van de hindostaan. `Ik schrijf voor mijn ajá [grootvader van vaderskant] en zijn generatie; ik ben hun verschuldigd hun geschiedenis en hun taal niet weg te laten vagen.' In zijn laatste poëzie bezint hij zich op het leven als een deelhebben aan de begrensde tijd, een leven dat vuil maakt, maar dat ook kleurrijk is en hoop geeft, soms tegen de wanhoop van het schrijven en de dood in.
Jit Narain
arkáthi se máre kantráki
tohre pe ká gujral, orhni ká ká chipáis
denh pháre khun bujbujáy
i ghát man ná bháwe, u pardesi sujháy
kabbo man karke kabbo dil tút jáy
ham atkal holland men jiw bhatke
ká sikhli tose itihás re
bakrá ke mailá sáth ham baih jáb
talphalát ohí orhni tare nánk dabáy ke
[Vertaling:]
contractarbeiders zo talrijk dankzij de ronselaars
wat is u niet overkomen, hoeveel houdt de sluier niet bedekt
het bloed bruist 't lichaam scheurend omhoog
deze oever is niet goed voor mij, de andere voelt vreemd
soms barst 't innerlijk soms breekt 't hart
als een graat in de keel blijf ik in holland hangen, mijn ziel doolt
wat heb ik door uw geschiedenis geleerd
met het vuil van de hollanders drijf ik weg
spartelend onder die sluier, neus dicht voor de stank
[Vertaling: Jit Narain & Effendi Ketwaru]

donderdag 14 juli 2011
Waarom Surinamers beter Nederlands spreken dan Antillianen (1)
Het valt over het algemeen iedereen op dat Surinamers beter Nederlands spreken dan Antillianen. Dat komt natuurlijk niet omdat Surinamers intelligenter zouden zijn, maar omdat de geschiedenis van het Nederlandse taalonderwijs in Suriname een andere is dan die op de voormalige Nederlandse Antillen.
In dit artikel wil ik in het kort ingaan op de oorzaken die ten grondslag liggen aan de moeilijkheden die gepaard gaan met het zoeken naar een onderwijstaal in twe
e van de voormalige koloniën van Nederland: Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen. Ik zal hierbij putten uit geschreven en – actuele - gesproken bronnenHet Nederlands in Suriname
We zullen de lange en moeizame geschiedenis van het taalonderwijs tussen 1667 (het begin van de Nederlandse kolonisatie van Suriname) en 1954 (het Statuut) overslaan. We volstaan hier met te vermelden, dat de Nederlandse kolonisatoren het aanvankelijk niet belangrijk noch gewenst vonden dat het Nederlands zich al te zeer verbreidde buiten de elitaire kaste van bestuurders en plantagemanagers. Maar ze konden dit proces echter niet tegenhouden omdat de planters kinderen gingen verwekken bij Afrikaanse vrouwen. En die kinderen – vrije mulatten – gingen Nederlands spreken om zich te onderscheiden van de onvrije Afrikanen.
Het onderwijs
Het Nederlandse Bestuur had twee eeuwen lang geen belangstelling voor enige vorm van gestructureerd onderwijs. De koloniale overheid in Suriname heeft pas vanaf het laatste kwart van de 19e eeuw het onderwijs goed ter hand genomen en vanaf die tijd een constante assimilatiepolitiek gevoerd: het Nederlands werd boven de andere talen verplicht gesteld en gepromoot. Dat is te begrijpen omdat men een gemeenschappelijke taal moest hebben die de communicatie tussen de verschillende taalgroepen in Suriname mogelijk maakte. In Suriname sprak men het Sranan Tongo (een Creoolse taal op voornamelijk Engelse basis), het Saramaccaans (een Creoolse taal met veel Engelse en Portugese invloeden), Indiaanse talen, het Sarnami-Hindustani, het Javaans en het Chinees. De laatste drie talen zijn meegekomen met de contractarbeiders.
Dat is een taalsituatie die dus sterk verschilde met die op de Antillen waar men maar één Creoolse taal sprak: het Papiaments.
[vervolg klik hier]
maandag 27 juni 2011
Debuutbundel Devanand Sewradj
Sewradj schrijft zowel in het Sarnami als Hindi. Zijn werken verschenen eerder in verschillende tijdschriften, kranten en in de bundel Ek Bag ke Phul. In Abhilasha zijn 44 van zijn gedichten zowel in het Devnagri als in het Romaanse schrift opgenomen. Opmerkelijk is dat geen van de gedichten een titel hebben. De onderwerpen, thema's en betekenis zijn veelomvattend en de schrijver laat de invulling van de titel over aan de lezer.

Aan het boek heeft Sewradj ruim drie maanden gewerkt. De inspiratie voor zijn gedachtegoed put hij uit het dagelijkse leven en de omstandigheden. Een idee voor een volgend project heeft hij al klaar. Als tekstschrijver wil Sewradj graag zijn liederen bundelen waarin het verhaal vanaf de immigratie tot het moderne leven van vandaag is verwerkt.
Devanand Sewraj is geboren op 13 mei 1944 en komt uit een landbouwersgezin. Als de oudste van veertien kinderen moest hij vroeg meehelpen in het gezin. Toen hij negen jaar oud was, bezocht hij de school. Lang bleef hij er niet, omdat de verantwoordelijkheid van de familie groot was en hij met veel taken moest helpen. Toen hij wat ouder werd, volgde hij technische opleidingen en trad in dienst van de overheid. Met het Hindi kwam Sewradj op een bijzondere manier in aanraking. Tijdens een spel met vrienden, raakte een door hem weggeslagen bal de maulvi (moslimvoorganger) Mohamed Husein. Als straf moesten hij en zijn metgezellen op Hindiles. Zo werd Husein zijn eerste Hindiguru en legde de basis voor Sewradj's verdere studie in die taal, die hij afrondde tot het niveau van Parichay op het Indiaas Cultureel Centrum.
Sewradj: "Studie is belangrijk om je kennis te verrijken. Het is moeilijk te zeggen waarom en hoe een gedicht wordt geschreven. De aanzet komt meestal regelrecht uit het leven. Wanneer de landbouwer na arbeid in weer en wind, zijn wuivende rijstvelden ziet en zich verheugt op een goede oogst, uit dat gevoel zich in poëzie. Zo ook met mijn gedichten en liederen."
[uit de Ware Tijd, 27/06/2011]
donderdag 23 juni 2011
Sarnami moet worden gestandaardiseerd
door Sabitrie GangapersadParamaribo - Het Sarnami, de moedertaal van de Surinaamse Hindostanen, moet worden gestandaardiseerd en behouden worden als spreektaal. Het Hindi moet echter op academisch niveau in het onderwijs worden ingevoerd. Dit voorstel kwam dinsdagavond tijdens een presentatie over de ontwikkeling van het Sarnami naar voren. De Indiase wetenschapper Vimleshkanti Varma was ook aanwezig en deelde zijn kennis met het publiek.
In eerste instantie leek het alsof de presentatie identiek zou zijn aan de vele discussies die al jaren over dit onderwerp worden gevoerd. Dit gebeurt meestal rond de herdenking van de immigratie. Er wordt dan weleens geopperd dat Sarnami en Hindi helemaal zullen verdwijnen door de dominantie van de Nederlandse taal en het Sranan. De bijeenkomst in Stichting Hindi Parishad dreigde hetzelfde patroon te volgen toen Marlene Oemrawsingh de stoute schoenen aantrok en vroeg wat zuiver Sarnami is. Dit werd gevolgd door interessante visies van Maurits Hassankhan, Indra Djawalapersad en Varma. Hassankhan vindt dat er een instituut moet komen waarin experts van India en de landen in diaspora bijeen moeten komen om na te gaan hoe de verschillende moedertalen te standaardiseren en te versterken. Hij vroeg de Indiase overheid om Surinamers in de gelegenheid te stellen op Indiase universiteiten Hindi te studeren met Bhojpuri (dit komt enigszins overeen met Sarnami) als specialisatie. Djawalapersad meent dat iedereen kennis moet maken met alle moedertalen op de basisscholen. Op junioren en senioren niveau kan dit als keuzevak worden opgenomen, terwijl op academisch niveau het Mandarijn en Hindi moeten worden ingevoerd. Beide zijn grote wereldtalen met bestaande curricula en docenten in Suriname. Varma gaf aan dat India met veel lokale talen met hetzelfde probleem zat. “Een spreektaal onderwijs je niet."
“Hoewel in India audhi, gujarathi, marahti enzovoorts wordt gesproken, is het onderwijs in Hindi.” Oemrawsingh toonde zich bezorgd over een duidelijk standpunt omdat de taalwet actueel is. “Laten we bijeenkomen en een besluit ne
men. Ouders moeten Sarnami met hun kinderen praten, maar het onderwijs moet in Hindi. Met Sarnami kun je nog niet naar buiten treden, omdat de standaarden ontbreken. Met de opleving van India als wereld mogendheid, zal Hindi voor ons ook erg nuttig blijken.” Moti Marhé (foto rechts) die ook het woord voerde, zei dat de relatie tussen Hindi en Sarnami belangrijk is. “Je moet in de promotie van Hindi, Sarnami meenemen.” Dit lijkt de Indiase overheid ook van plan te zijn. Ambassadeur Kanwaljeet Singh Sodhi zegde toe alle publicaties in Sarnami te zullen ondersteunen.[uit de Ware Tijd, 23/06/2011]
Commentaar redactie CU
Klaarblijkelijk vergeet men dat het Sarnami al sinds 1986 (commissie-Adhin) een gestandaardiseerde spelling heeft.




.jpg)
.jpg)
















