Sinterklaas bestond wel degelijk in het nog tamelijk verse
Indonesië van de jaren 1950.
De Grote Kindervriend – in het dagelijks leven ook wel
bekend onder de naam Soekarno – deelde uit de goedheid van zijn bisschoppelijk,
heilig hart per presidentieel decreet op 5 december 1957 banen uit aan de
kinderen van Merdeka.
Die banen nam de Sint niet eens uit Spanje mee, nee die liet
hij door zijn Zwarte Pieten afpakken van weer andere kinderen. Van kinderen die
de stommiteit hadden begaan niet over de Indonesische, maar over de Nederlandse
nationaliteit te beschikken.
“Maar Lieve Sinterklaas,” dorsten sommige van die stomme
kinderen uit te brengen. “Ik ben helemaal geen Nederlander – Zwarte Piet mag
mij onbekrompen met de roe geven als ik dat wel zou zijn – ik ben hier geboren
en getogen. Het is toch zeker mijn schuld niet dat mijn overgrootmoeder beslapen
werd door een Duits/Tsjechische priester uit 's-Hertogenbosch?”
Daar zat de Sint heus wel een beetje mee in zijn maag, want
daar hadden die stoute kindertjes toch warempel een punt van heb ik jou daar.
![]() |
| Indische Sint, 1938 |
“Hoe moet dat nou?” bracht hij naar voren in conclaaf met
alle Pieten.
“Ach wat,” sprak dekolonisatie-Piet. “U moet zich niet zo
laten leiden door sentimenteel, al te empatisch geleuter.” De maren en de
mitsen vlogen als pepernoten over tafel totdat de vloot-Piet met een lumineus
plan kwam. Zoals eenieder weet kan de stoomboot onmogelijk uitvaren als niet
eerst de boot-Piet daar zijn technisch verantwoorde goedkeuring aan gehecht
heeft. Maar een enkele stoomboot is natuurlijk niet voldoende om tussen de
derde zaterdag van november en de verjaardag van Sinterklaas alle kinderen
zowel op Java als op Sumatra, zowel op Borneo als op Celebes, zowel op Ceram
als op Bali van 'twee kaatsballen in een net – een letter van banket' te
voorzien. Vandaar dat het ieder jaar weer een armada vanjewelste is die koers zet
naar de Indonesische eilanden. Dan gaat het over schepen als de Atlantis en de
Asturias. Over de Groote Beer, de Fairsea en het Zuiderkruis.
“Ik leg de vergadering een plan voor,” sprak de armada- ook
wel de vloot-Piet. “Als we strakjes toch terugvaren, Sint … dan nemen we ze
gewoon voor de aardigheid mee, al die huilebalken.”
“Geweldig, geweldig,” reageerde dekolonisatie-Piet. “Dat zie
ik zo voor me, Goedheiligman.”
“Ja maar, ja maar,” probeerde Sint nog, maar voor hij het
wist waren zijn knechten al over het ganse land uitgezwermd om al die zogeheten
Nederlandse kindertjes naar Tandjoeng Priok, naar Semarang, naar Makassar te
dirigeren, waarvandaan zij per boot vertrokken naar het Beloofde Nederland.
Waar zij na een pleziervaart van enkele weken de zon boven de schitterende
blanke top der duinen mochten zien opkomen. Waar zij in commissie met de
Noordzee Neerlands smalle kust mochten begroeten.
Maar of zij daadwerkelijk hebben gezongen “Ik heb u lief,
mijn Nee-hee-derland”, dat mag met recht van rede betwijfeld worden. Want wie
er samen met hen in Amsterdam en in Rotterdam ook van boord gingen, Sinterklaas
was er na die 5e december 1957 – ook wel Zwarte Sinterklaas genoemd – niet meer
bij. Daarentegen kregen deze Indo's, deze zogeheten Indische Nederlanders wel
heel vaak bezoek van een Inktzwarte Incasso-Piet, die hen kwam vertellen dat
Sinterklaas helemaal niet bestaat en dat zij de kaartjes voor de bootreis
dientengevolge aan de Staat der Nederlanden dienden terug te betalen.
“Jullie zagen toch de zon boven de blanke top der Hollandse
duinen opkomen? Nou, dát lieve kindertjes, dát was voor niets … Maar nu … ” En
zoals het een zichzelf maar al te serieus nemende Inktzwarte Incasso-Piet
betaamt dreigde hij met roe en zak als men niet jaren achtereen maandelijks 60
% van het inkomen aan de quasi-Sint zou afstaan.
Sindsdien worden er in kringen van Indische Nederlanders
ieder jaar rond deze tijd liedjes gezongen zoals “O kom maar niet kijken wat ik
in mijn schoentje vind. Alles te danken aan die fijne Sint.”














