Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen

woensdag 21 mei 2014

Onbekend gedicht van Boeli van Leeuwen

Boeli van Leeuwen
door B. Jos de Roo

Een verrassende vondst die ik deed in het draaiboekenarchief van de Wereldomroep is die van een onbekend gedicht van Boeli van Leeuwen. Van Leeuwen was een van de vele Antillianen en Surinamers die in de jaren 1947 tot 1958 op verzoek van de Wereldomroep verhalen schreef voor de West-Indische uitzending en die ook zelf voor de microfoon voordroeg. Met 36 bijdragen was hij zelfs de meest gevraagde. Curieus is dat zijn bijdragen vaak werden aangekondigd als “Praatje voor de West”, wat me op de titel van mijn dissertatie bracht: Praatjes voor de West. Hierin onderzoek ik de betekenis van de Wereldomroep voor de ontwikkeling van de Antilliaanse en Surinaamse literatuur in de jaren 1947 tot 1985. In dat kader paste het niet om het gedicht volledig te publiceren. In Caraïbisch Uitzicht schreef  Klaas de Groot een aantal artikelen over alle tot dan toe gekende gedichten van Boeli van Leeuwen; hij kon natuurlijk niet weten dat er nog eentje was.

Het gevonden gedicht was de laatste bijdrage aan de Wereldomroep van Van Leeuwen. De opname ervan vond plaats op 31 mei 1954 en het werd uitgezonden op 23 juli van dat jaar. De titel is ‘Masroig’, een plaats in Catalonië tussen rotsige bergen. Het gedicht heeft een chronologische opbouw: van de ochtend naar de avond. Het begint met een boer die ontwaakt; zijn vingers zijn verstijfd van het wroeten tussen de stenen om olijven en druiven te planten. In de ochtend gaat de boer met zijn muilezel het land ploegen. Daar vertelt de boer over de Spaanse burgeroorlog, die hij als een gevolg van de erfzonde ziet. ’s Avonds is er een processie, waar de mensen die de ik-figuur ’s morgens in de bergen had gezien in meelopen.

In geen ander Wereldomroepverhaal heeft Van Leeuwen het zo nadrukkelijk en uitgebreid over de aangeboren slechtheid van de mens. Tegelijkertijd besluit hij met te wijzen op de grootsheid van diezelfde mens. Zo drukt het gedicht uit: het leven is een groots en vreselijk mysterie.

Kennelijke tikfouten uit het typoscript heb ik verbeterd; zo werd onder andere boord  brood en steem steen. Een analyse van het gedicht geef ik hier niet. Mijn bedoeling is dat iedereen over de tekst ervan kan beschikken.

Maisrog

In deze bergen is de aarde rood en slaapt het steen van
                                                                          vele eeuwen.
en met zijn blote handen
heeft de mens de korst der aarde uit elkaar gerukt
en rots tot vruchtbaarheid gedwongen.
hij bouwt zijn huizen bloksgewijs gestapeld op elkaar
met schuwe ramen in de hardheid van het steen
en houdt zijn deur gesloten.
als de morgen in de bergen openbarst
en wind de blaa’ren der olijven zilverwit doet ritselen
ontwaken eerst de dieren van het huis.
de geiten met hun gele ogen schrappen in de grond en
                              schommelen hun zware uier
en wekken al de andere dieren in de doffe kelder van
                                                                          het huis
waarboven mensen weerloos van vermoeidheid in hun slaap
                                                                          gevangen zijn.
En zelfs in ’t grauwe laken kan een kromgetrokken hand
                                                                          niet opengaan;
de vingers zijn verstijfd van het wroeten in de rotsen
en blijven als de wortels van olijven bij elkander.
het voorhoofd is verweerd, verdord; de haren zijn ver-
                                                                verschroeid als gras
dat in de hete zomer is verbrand
als de man terug-valt in het leven uit zijn slaap
dan ligt hij eenzaam zonder te bewegen
en hoort de adem van zijn vrouw en het vlugge hijgen van
                                                                          zijn kinderen.
hij voelt de donkere ruimte tastbaar om zich heen
en om de bergen in de verte.
om wijn te planten en olijven
haalt deze man eerst stenen uit de grond;
dan legt hij steen op steen tot kolossale muren 
waar de rode aarde in gevangen wordt
en de schaarse regen in kan zinken.
een kathedraal is niet zo groots als zo een muur
die het brood voor mensen af moet dwingen aan een gierige
                                                                                                       natuur.
vele uren van zijn leven en de zorgen van zijn hart
zijn steen geworden in die rode muren.
de mens wacht op de zon en op het snel besluit om op te staan
éérst, vóór alles, krijgt de mula voer
de mula met zijn ezelsoren en zijn harde nek.
sterker dan zijn moeder, het paard,
en taaier dan zijn vader, de ezel,
zwoegt hij met zijn stugge pezen in de stroeve grond.
als een gems kan hij klimmen en dalen
en met liefdeloos fatalisme meet hij zijn pas
in de rotsige glooiing der bergen. 
hij kent niet de eerzucht der paarden, noch de weerstand der
                                                                                                       ezels
en met gevaarlijk geblaas en platgetrokken oren
bijt hij de hand die hem voedt en de hand die hem slaat.
zonder zweep staat hij stil, met de zweep loopt hij traag
maar onweerstaanbaar gespierd scheurt hij de grond
stap na stap na stap
altijd vermoeid maar nimmer verslagen.
in de schemerige straat
dof-bruin en blauwig van schijnsel
begint de processie van mensen en mula’s de tocht naar de bergen
“bon dia, tingi”, en dan wordt er gezwegen.
want de slaap hangt nog zwaar in de straat en de harten
                                                                          der mensen.
nergens scherpt de morgen een geweldiger ruimte
dan hier in de rollende heuvels
in de verte gevangen door paarsige bergen.
alle kleuren ontstaan hier in het komende licht
van een korrelig rood tot het oker van vincent van gogh.
het is een fantastische ruimte,
de vierde dimensie
de genesis van een gloed-nieuw gebeuren.
de ploeg is van hout
en de mula trekt loom en verbeten
een spoor in de stenige grond der terrassen.
een olijf wordt gesnoeid
door een zwijgzame man te paard in de takken,
tot de grond is bedekt met de fluisterende blaa’ren.
de zepa
en dat is de plant van de wijn wordt gesnoeid en geënt
door mensen wier armen lijken te groeien tot lijdzame slierten
van bukken en werken, werken en bukken.
de boer is een benige man
met een blos van de wijn op zijn wangen
en de lichtblauwe ogen uit noordelijker streken.
hij vervloekt het gezag met een bittere mond.
“al het water van de ebro daar”
en hij wijst met zijn hoornige hand
“heeft het bloed niet kunnen wassen waarmee deze grond is
                                                                                                       bevlekt.
wij hebben elkaar hier gekeeld en geslacht
mijn oom was een schoft en ik heb hem vermoord
want hij heeft mijn vader verraden”
opeens blijft hij, staan
en met zijn hand in de lucht
zegt hij zachtjes en triest in de morgen:
“het is de herhaling van abel en kaïn, van blinde verdwazing
dat het bloed der naasten aan onze handen kleeft
verguenza, verguenza”
en het vocht van zijn mond schijnt hem bitter te smaken.
en hij spuwt op de grond en vervloekt het gezag
en ieder der mannen heeft een verhaal
van de strijd in de bergen
hoe sommigen jaren waren gevangen in de bergen van het eigen
                                                                                                       land
en anderen weer zijn gevlucht naar den vreemde.
één nam mij mee naar een grot
in het binnenste der aarde
waarin hij een tijd was verborgen;
in een smalle gang
leek het gewicht van de rotsen mijn borstkas te kraken.
hier lag hij weken als een levende begraven
terwijl hem de haren vergrijsden van angst.
nu bewerkten zij samen de grond
maar hun ogen verraden de schaamte en pijn van de gruwelijke
                                                                                                       jaren
die in de bergen door de mens is beleefd.
een karavaan van zigeuners komt nu langs de weg
donkerbruine vorstelijke schooiers in het rood en in het geel
wie niets bezit, dat is hun spreuk, is heerser van de wereld
zij stelen druiven op de bergen
en wasgoed uit de tuin.
zij leggen zangerig de toekomst aan uw voeten
terwijl het kostelijk zoontje
op zijn tenen naar uw zakken tast.
hun handen pakken, tasten, kruipen, stelen
alles waar een ander zorgelijk voor heeft gezwoegd.
in het heetst van de namiddag
wordt het eten hun gebracht
en stroomt de wijn uit een zak in de klokkende kelen.
de bergen
die blazen in de trilling van het warme licht
en de mula’s
staan onder narcose in de schaduw der bomen.
kijk naar de slapende mens door vermoeidheid gebroken
als marionetten van hout
met armen en benen toevallig gespreid in de buurt van een
                                                                          zielloze romp
zo sliepen de boeren van breughel
verzadigd van eten en verdoofd door de wijn.
als de schaduw der bergen
de kleur der olijven doet stollen tot brons
en de zon als een schijf op de punt van een rots balanceert
dan schreeuwt de boer door zijn hand met een zingend geluid
dat de dag is volbracht.
die avond
een heilige avond
zou christus, begeleid door zijn moeder, de maagd
in processie worden gedragen.
lampionnen worden in de ramen ontstoken
en met takken van palmen gesierd.
de jassen der mannen zijn zwart en versleten
en te kort bij de benige pols
gelijk de jas van een jongen die opeens is gegroeid.
het kruis is zeer zwaar en heel moeilijk te dragen
want de stervende christus is groot en de mens is maar zwak.
de sterkste der mannen had amper kracht
om het wankelend kruis op zijn schouder te nemen.
hij heette ramon
een kinderlijk mens met verwonderde ogen
die voor gek werd versleten omdat hij nog nooit had bedrogen
toen werd het stil
en niemand bewoog in de grijzende schemer
en de mensen zij wachten (als leden ze pijn)
op de stem van de klok in de toren-
de christus van gips
was bedekt met karmijnrode wonden:
de kleur van een bloem die nauwelijks maar hevig bestaat.
zo wil de mens hier het lijden verstaan
zonder schaamte voor wonden die nimmer genezen
en het bloed dat altijd nog stroomt.
ramon droeg het kruis
en zijn lendenen leken te kraken bij iedere stap die hij deed
en het zweet lag als een dauw om zijn mond
en zijn verwonderde ogen.
hoe schoon droeg hier een mens de mensenzoon
op zijn afgewerkte schouders
naar het licht van lampions en walmende flambouwen.
en achter hem kwamen de meisjes gekleed in het zwart
met een ketting geboeid
en het gezicht in een masker verscholen.
daarna maria
ten troon in armen van oudere mannen
keek neer op een wonderlijk kindje van gips.
en achter haar kwamen, stug en gesloten
versleten als hun zwarte jas
de mensen die ik ’s ochtends op de bergen had gezien.
en ik was bewogen
om het wonder van de mens die wordt geboren en die sterft
die op de bergen in het zweet van zijn aangezicht
voor zijn kinderen het brood en de wijn uit de stenen perst
die oorlog heeft gekend
van broeder tot broeder
en vader tegen zoon;
die honger heeft geleden toen een pest de wijnplant had ge-
                                                                                                       dood
en het loon naar werken uit zijn handen sloeg.
toen ik wegtrok uit de catalaanse bergen
stond ik lang nog op de stoffige weg
tot dit beeld in mijn hart was gekomen                
              


Rotstekening (Aruba)

Bhai - Gedicht

Ver van hier
Veel verder
Van ver
Slaapt de zee
Stil
Alleen
In zichzelf gekeerd
Geen leed
Geen smart
Alleen maar stil en zee
Geen wind
Geen wee
Alleen maar zee
Alleen maar
Wind en zee



Bhai (28-4-2014)


Beeld © Erik Johansson

maandag 19 mei 2014

Shrinivási - De dichter en het woord (Kavi aur shabd)

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een land.
Het vaderland van de dichters.
De woonplaats van de dichters.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een mond.
Zij schenken troost
en scheppen geluk.
Vrucht van de gedachten
en uiting van het hart zijn zij.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een ploeg.
De menselijke gemeenschap is de grond.
De dichter de ploeger ervan.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een krans.
Van dankbaarheid
de toetssteen.
Het kenmerk van dichters geheim.
Teken en schepping van zijn mond.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een land.
Het dierbare Vaderland van
de dichters.
Zij vormen de grootheid van de dichters.



[in: Pratikshá, 1968]


zaterdag 17 mei 2014

Een gedicht van Clyde Lo A Njoe

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor teksten die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over een gedicht van Clyde Lo A Njoe.



door Klaas de Groot
 
Een werk van Clyde Lo A Njoe
Dertig jaar geleden, in 1984, verschijnt Doodwerf,  een bundel gedichten met werk van Lo A Njoe,Ton Luiting, Raoul-Maria de Puydt en Simon Vinkenoog. Het boek is een uitgave van de Kofschip-Kring (Hilversum – Brussel).
Clyde Roël Lo A Njoe  (Aruba,1948) staat erin met beeldende kunst en acht gedichten. Het is zijn tweede publicatie na de bundel Dansen / Baliamentu die in 1983 verscheen bij In de Knipscheer in Haarlem. Na Doodwerf verschijnt er nog een bundel: Echolood bij Kwadraat in Utrecht. Het is dan 1989. Daarna zwijgt de dichter, althans in het openbaar. Maar ja, een dichter mag dan zwijgen, gedichten blijven klinken, zolang er lezers zijn die ogen en oren openhouden. Herlezen is altijd mogelijk.
De beeldend kunstenaar die Lo A Njoe ook is, doet luider van zich spreken. Doodwerf liet werk zien. De omslag van de dichtbundel van Henry Habibe Vukanisch samenzijn  (Haarlem 2008) toont een indringend beeld en de site van Lo A Njoe laat nog veel meer zien.


Dansen / Baliamentu is een kleurrijke bundel. Niet alleen dat er helder gekleurde litho’s van de beeldend kunstenaar in staan,maar ook de vertaling van de gedichten in het Papiaments (door Luis Daal) werkt mee aan de die veelkleurigheid. Net zo goed als het feit dat, de titel zegt het al, de dans een belangrijk motief is. De tango, de rumba , de merengue en vele andere ‘bewegingen’ roepen kleurassociaties op.
Opvallend is nu dat de bundel Echolood, waarin veel elementen uit de beeldende kunst, met name uit de schilderswereld, een rol vervullen, helemaal niet geïllustreerd is. Dat boek roept om kleur, maar de kleuren zitten er alleen in als literair motief. We zien de dichter en de beeldend kunstenaar aan het werk maar de beelden zullen in het hoofd van de lezer moeten ontstaan. En dat gebeurt ook vanaf het eerste gedicht: ‘Ontstaan’ met de eerste regel: ‘Starend in de kern van het trage licht’.

Over een soortgelijk  ontstaan gaat het gedicht ‘Een ingehouden snik’. Dat is een schitterend gedicht uit Doodwerf, het is ook te lezen op de site van Lo A Njoe.

Een ingehouden snik

Een droom, een illusie, een loos moment,
dat je goed aangekomen bent.
De steppe van een ogenblik,
veel korter dan een ingehouden snik.

Terug, terug naar het voorlaatste woord,
dat alleen de tijd heeft gehoord.
Geperst uit een benauwd strottenhoofd,
eer-, eergisteren door dronken tekst verdoofd.

Toevallig als de plooi in het tafelkleed
komt er een kreukel in het blad;
kruipen punten en komma's weg...

Oeroude tover, één pagina breed,
beweegt boven 't blad, ik strijk 't glad,
vóór ik de formule opzeg...

Het gedicht lijkt te gaan over het scheppingsproces. Het is een poëticaal gedicht over wat er op het papier ontstaat in woorden, punten en komma’s. Het papier ligt op een kleed met een kreukel, die zich voortplant naar het papier. En wat er op het  papier komt, is een formule, het is oeroude tover. Het is de magie van het woord dat onder invloed is ontstaan, nu naar buitenkomt en genoteerd wordt. Als een droom, als een illusie. Dan is het loze moment ‘goed aangekomen’. En deze aankomst is alleen paradoxaal te ervaren als ‘de steppe van een ogenblik’. En wat voor een ogenblik: ‘veel korter dan een ingehouden snik’. Maar dat wat ontstaat is een snik, die de ik kan opzeggen. Hij kan het gedicht voorlezen.

Over goede gedichten kan veel gezegd worden, maar nooit alles. Dat is mooi: ‘de steppe van een ogenblik’ moet je zien en de woorden moet je (her)lezen. De paradox moet de lezer voelen. Dat gebeurde ook al in 1984, toen Wim Rutgers een stuk schreef over de eerste bundel van Lo A Njoe met de paradoxale titel ‘De minuut van de constante extase’. In de introductie van het stuk, popgenomen in zijn Dubbeltje lezen, stuivertje schrijven, beklemtoonde hij dat die eerste bundel veel meer aandacht verdiende. Ik denk dat we dat in 2014 nog steeds kunnen zeggen, ook voor de gedichten in Doodwerf en Echolood.


Meer info op http://www.clyderloanjoe.com

zondag 11 mei 2014

Janchi Beaujon - Liña pa liña

Tin m’a skibi pa mi mes
i benta afó alabes
Otro m’a skibi djis pa prèt
For di a ku be te zèt
Ma tur m’a skibi, liña pa liña,
pa mi dushi galiña



[Eerder verschenen in de Amigoe , 7 mei 2014]



woensdag 30 april 2014

Sombra bij Made in Suriname

door Ismene Krishnadath

S. Sombra is een van de bekendste voordrachtskunstenaars van Suriname die, ondanks zijn hoge leeftijd, nog hard aan de weg timmert. Regelmatig vertegenwoordigt hij Suriname op buitenlandse festivals. Nog geen twee dagen geleden keerde hij terug van het Frans Guyanese vertelfestival Zoukounyanyan, waar hij furore maakte met zijn mamio van Sranangedichten. 

S. Sombra
[Op 30 april] presenteert S. Sombra op de Made in Surinamebeurs zijn nieuwste dichtbundel A sigrit (Het geheim). De voorgaande dichtbundels van Sombra, overwegend in het Sranan, hebben vaak een diepzinnige boodschap. Dit keer maakt Sombra nonsensgedichten van de letters van het alfabet. Hiermee laat hij zien hoe mooi het spel van klanken is, uiteraard ook in het Sranan, dat typische klankwaarden bezit. Sombra is al zestig jaar dichter. Dit is zijn zevende bundel. De presentatie vindt plaats in de stand 206 van Schrijversgroep '77 van acht uur tot half negen. De bekende uitgever/schrijver Rappa zal het boek bespreken. Sombra zal voordragen uit de bundel.
Het boek is te koop op de Made in Surinamebeurs, die loopt van 30 april tot en met 4 mei. Ook de zesde bundel van Sombra, Boskopuspikri/ Boodschappenspiegel, is daar verkrijgbaar. 

zondag 6 april 2014

Bhai - Gedicht

Op de grens
van de grens
grenst
de grens
   van de stilte
   stil en alleen
   lichtend
in het licht
badend in de wind
van dood
   mysterie
en geheim




Bhai

zaterdag 5 april 2014

Leven en werk van Guillermo Rosario (4 en slot)

Libèrta Rosario
Foto © Michiel van Kempen
Op vrijdag 14 maart j.l. gaf Libèrta Rosario aan de Universiteit van Amsterdam een college in de reeks Caraïbische Dromen van prof. Michiel van Kempen. Haar college ging over het leven en het werrk van haar vader, dichter en prozaschrijver Guillermo Rosario, van wie Libèrta vorig jaar een Nederlandse vertaling uitbracht van diens Papiamentu roman E Rais ku no ke muri. Vandaag deel 4, het slot van haar uitgewerkte collegetekst.


Nr.16 Guillermo kreeg veel onderscheidingen en prijzen gedurende zijn leven. Hij werd Ridder en daarna Officier in de Orde van Oranje Nassau, kreeg de Literatuur Prijs van het Cultureel Centrum Curaçao, de Sticusa Prijs, de ‘Tapushi di Oro’(Gouden Aar) voor zijn verdiensten van het Papiaments, een bronzen borstbeeld in de Openbare Bibliotheek van Curaçao en de Chapi di Plata (Zilveren Schoffel) de Biënnale Prijs Pierre Lauffer.


Nr. 17 In 1996 ging ik naar Curaçao om mijn vader Guillermo te interviewen. Ik wilde hem beter leren kennen. In het begin moest ik steeds tegen hem zeggen dat ik niet als zijn dochter, maar zijn collega tegenover hem zat. Op den duur ging het beter en mocht ik hem zelfs tutoyeren. Guillermo ging me steeds meer vertellen over zichzelf, zijn zware maar gelukkige jeugd. Dat hij op school al opkwam voor de zwakkeren en tegen onrecht. Zijn moeder had een keer tegen hem gezegd dat hij het net als zijn vader steeds opnam voor anderen en er uitendelijk vaak alleen voor stond.

Ik had Guillermo beloofd dat ik mijn eerste vertaling van E Rais ku no ke muri zou herschrijven. Ik had het boek in 1974 vertaald, maar het is nooit uitgegeven. Blijkbaar was Nederland toen nog niet toe aan een boek over een tot slaaf gemaakte held.
Eind 2012 ben ik weer begonnen met de vertaling van het boek. Ik heb samen met mijn zoon Joeri een stappenplan gemaakt en we hebben 7 maanden aan de vertaling gewerkt. Ik vond het een uitdaging om het boek vorig jaar uit te geven, 150 jaar na de afschaffing van de slavernij en 10 jaar na het overlijden van mijn vader Guillermo. 
 

Nr. 18  Het Feest is afgelopen. Afscheid van Guillermo E. Rosario in de kerk van Sta. Famia op 31 juli 2003.Guillermo overleed op 26 juli 2003, de Nationale Dag van Curaçao, het eiland waar hij veel van hield.
 Op de vraag wie Guillermo Rosario was kan ik antwoorden dat hij een veelzijdig persoon was.

Hij was voetballer, schrijver, dichter, verhalenverteller, toneelschrijver, aannemer, politicus, uitvinder, leider, liefhebber van het Papiaments, en bovenal een ‘Yu di Kòrsou’, een Curaςaoënaar.Hij was altijd op zoek naar uitdagingen, nieuwe inspirerende mensen, gelijkgestemden, meer erkenning en begrip voor wat hij deed. Hij was een pionier op vele terreinen, werd daardoor vaak verkeerd en soms niet begrepen, een sociaal bewogen man met een scherpe pen, een grote mond en een klein hartje. Ik ben blij en dankbaar dat ik hem als vader en voorbeeld mocht hebben.




Nr. 19 Het gedicht Papiaments.


Papiamentu

M’a tambe
Bo ta manera nos rank’i anglo
Ku pa kuantu nan trap’é
Ranka su yerbanan
Marchitá su flornan
I asta distruí su rais
E ta bolbe lanta kabes
I ku kada yobida
E ta krese
Ku mas forsa
I mas bunitesa ku antes!


[Saká for di Mi Negrita Papiamentu di Guillermo E. Rosario]


Papiaments

Maar je bent ook als
De rank van de anglo
Die hoe vaak ze ook op haar trappen
Haar bladeren weghalen
Haar bloemen vertrappen
En zelfs haar wortel vernielen
Toch schiet ze weer omhoog
En na elke regenbui
Zal ze met meer kracht
En meer schoonheid groeien
Dan voorheen.  


[Uit Mijn negerinnetje Papiamentu van  Guillermo E. Rosario ]

[Klik hier voor deel 1deel 2 en deel 3]

zondag 30 maart 2014

Ashetu in Paramaribo

door Klaas de Groot

Vanuit de tuin van het guesthouse Downtown Oasis, aan de Jessurunstraat,  heeft men goed zicht op een zijgevel van de Hendrikschool. De shutters van de lokalen staan meestal open, in afwachting van een verfrissend briesje. In de school liggen voetstappen van zeer veel Surinamers die hun sporen verdiend hebben in de geschiedenis van het land. De dichter Bernardo Ashetu is er één van. Misschien heeft hij in één van de lokalen wel gezien wat hij in de opening van het gedicht  ’t Schoolbord beschrijft:

’t Schoolbord
werd groter en kleiner
werd bijna een cirkel
werd uit zijn rechthoekige
benauwenis gerukt.
[…]
Deze zin geeft een treffend voorbeeld van een ontregelende blik op de wereld. Een blik die Ashetu maakte tot de bijzondere dichter die hij is geworden. Dat ik zong heet de bloemlezing waarin het gedicht is opgenomen.

De voordeur van de school is aan de Henck Arronstraat , ex-Gravenstraat. Waar vroeger de schoolkinderen alle ruimte hadden, staat het nu vol auto’s. Welke kant liep Ashetu op, in de tijd dat hij alleen nog voluit Hendrik George van Ommeren heette? In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw.

Foto © Ridi Klinkhamer


Vaak zal hij de Waterkant opgezocht hebben. Het water van de Surinamerivier en schepen die daar voeren, moeten hem, die later marconist werd, aangetrokken hebben. Een makkelijke route loopt door de Mr. J.C. de Mirandastraat. Dan was en ben je snel bij de rivier. Of hij ging door de Watermolenstraat, richting De Waag en de Platte Brug. Een brug die nu met recht plat heet, nu de Wijdenboschbrug, in de volksmond de Bosjebrug genoemd,  in de verte opbolt. Wie die laatste straat  richting rivier uitloopt, komt bij De Waag. Daar heeft men ‘s avonds helder zicht op de lichtjes aan de Commewijnekant, bij Meerzorg. Een uitzicht dat Johan van de Walle in 1942 lyrisch maakte. In zijn boek Een oog boven Paramaribo schrijft de laatste over het betoverend schijnsel van de maan op het water: ‘Nooit zal ik dat ogenblik vergeten. Als met miljoenen kleine lampjes begon die grote, zacht vloeiende rivier te schitteren en te fonkelen. Zelfs de overzijde van het brede water werd zichtbaar en het leek wel of de wazige bomen aan de overkant niet op het land maar in een geheimzinnig moeras stonden dat zich eindeloos ver uitstrekte.’  Van de Walle ziet dit vanuit de Saramaccastraat. Dus vlakbij de Platte Brug. In 1942 was Ashetu / Van Ommeren dertien jaar en in de buurt.
Was het deze brug die Ashetu ‘zag’ toen hij het schitterende gedicht ‘Wacht lang’ schreef. Het staat in Dat ik zong en in Dat ik je liefheb (2011).

Kleed je aan
en wacht bij de brug.
Wacht lang.
Wacht tot de eerste ster opkomt.
Dit huis zal leeg zijn
en de hele straat zal leeg zijn.
Roep m’n naam
en houd rekening met een kleine
beweging in de modder langs de
gracht en wacht tot ’t licht
van alle sterren de hemel mooi
en bedwelmend heeft gemaakt.
Wacht op me bij de brug.
Wacht lang.

Foto © Klaas de Groot

De marconist Van Ommeren heeft Paramaribo lang geleden verlaten maar de dichter Ashetu niet. Wie vanaf één van de bastions van Fort Zeelandia naar de rivierbocht achter het fort kijkt, met het oog van de dichter, ziet daar een schip liggen. Het is de Aldebaran. Waarschijnlijk genoemd naar de rode ster met dezelfde naam. In het gedicht speelt dus de kleur rood een rol. De kleur die zo vaak in de gedichten van Ashetu voorkomt. Net zoals de roos. Een bloem die de kleur rood oproept, terwijl het woord roos vlak naast het woord rood ligt. Een woordenspel dat ook typerend is voor deze dichter. Het schip ligt in golvend, wiegelend water dat grote aantrekkingskracht heeft.

De ‘Aldebaran’

Pitha roffel

roffel
om de zeilen

want het schip
ligt
voor de hoek
vol
golvend water

met een roos-
neen
en wiegeling
in een
grote magneet.


Dit gedicht staat alleen in het bundeltje Marcel en andere gedichten, dat in 2002 te Paramaribo verscheen bij uitgeverij Okopipi. Het werd net zoals Dat ik  je liefheb samengesteld door Michiel van Kempen. Het boekje is een krachtig bewijs dat Ashetu aanwezig is in Paramaribo. Begin maart 2014 staan er op de poëzieplank van Boekhandel Vaco in de Domineestraat nog twee exemplaren. Ze zijn inmiddels verkocht. Daarvoor in de plaats is Dat ik je liefheb achtergelaten in een tweedehands boekwinkeltje op het Kerkplein, niet ver van de Hendrikschool.

donderdag 27 maart 2014

Mireille Hokstam - Zaadjes drukken

Naast de bloeiende perzikboom
onder de draden
waar de druiven langs gaan groeien
in een hete zon
veeg ik het bruin uit m'n gezicht
door de wind er in geblazen
druk de zaadjes in de grond
buig voorover
verder
verder
je legt je handen op m'n heupen
en neemt me
mee
onder de bloeiende
perzikboom
naast de draden
van de druiven
in de hete zon
veeg je het bruin uit m'n gezicht


Foto © Jeremy Pointner - Bush face

dinsdag 25 maart 2014

Onthulling muurgedicht Derek Walcott in Den Haag groot succes

 Het gedicht met ervoor de sprekers, v.l.n.r. Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar Nederlands-Caraïbische literatuur, dan met pet Ida Does, maakster van de film over Walcott Poetry is an Island, Kim Emmanuel, secretary van de High Commissioner voor Saint Lucia, Mathias Voges, Gevolmachtigd Minister van Sint Maarten, dan Ernest Hilaire, High Commissioner van Saint Lucia, Ruth van Rossum van de Stichting ArchipelpoëZie, Perry Geerlings, directeur van het kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Sint Maarten, en Joost Dekker, ontwerper van de letter waarin het gedicht is gezet. Foto © Herman Schartman. 

Vrijdagmiddag 21 maart 2014 onthulde de Stichting ArchipelpoëZie het zesde muurgedicht in de Haagse Archipelbuurt. Het is te zien op de zijmuur van het Rijksmonument Javastraat 4.  Midsummer, Tobago werd geschreven door de Caraïbische dichter Derek Walcott. Walcott ontving in 1992 de Nobelprijs voor Literatuur. Hij woont op Saint Lucia.

De gedichtenmuur is uitgevoerd in de nieuwe letter Diamant van ontwerper Joost Dekker.  Dekker ontwierp de letter tijdens een periode in Antwerpen. Naast elegante ronde lijnen toont de letter ook ‘diamant-achtige’ scherpere vormen.

Hilaire en Voges. Foto © Herman Schartman

De onthulling werd verricht door Zijne Excellentie de High Commissioner for Saint Lucia in The United Kingdom, dr. Ernest Hilaire, en door Zijne Excellentie de Gevolmachtigde Minister van Sint Maarten, de heer Mathias S. Voges. Zij lieten een grote schildering van de vlag van Saint Lucia (een markant blauw, geel en zwart patroon) zakken, waardoor het gedicht in zijn geheel zichtbaar werd.

Ook Marc Prins, directeur van Stadsdeel Centrum van de Gemeente Den Haag, woonde de feestelijkheden bij. Er waren korte toespraken van Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar Nederlands Caraïbische Letteren; van filmmaakster Ida Does, die de documentaire Poetry is an Island: Derek Walcott maakte; en van Joost Dekker, typograaf en ontwerper van de Diamant.

Michiel van Kempen. Foto © Herman Schartman
Walcott, zei Van Kempen, heeft het vermogen om onbevangen als een kind naar dingen te kijken – en om wat hij dan ziet in prachtige taal weer te geven. De High Commissioner vertelde hoe Walcott met zijn taal de Caraïbische sfeer als geen ander weet op te roepen en noemde Walcott één van de grootste levende dichters ter wereld.

’s Ochtends regende het onophoudelijk maar naarmate het tijdstip van de onthulling naderde trokken regen en bewolking weg en verscheen de zon, zodat de vele gasten het muurgedicht in stralend licht konden aanschouwen. Precies zoals de Stichting beoogt werd ook deze onthulling een moment voor ontmoetingen – van omwonenden, buurtgenoten, stadgenoten, en cultuurliefhebbers.

Dit jaar wil de Stichting ArchipelpoëZie nog drie muurgedichten aanbrengen.


Ida Does tijdens haar toespraak. Foto © Herman Schartman


Over de Stichting ArchipelpoëZie

De Stichting ArchipelpoëZie heeft tot doel de Archipelbuurt en daarmee Den Haag te verfraaien door op blinde muren poëzie te tonen. Hiermee levert zij een bijdrage aan de leefbaarheid, culturele beleving en uitstraling van buurt en stad. Tevens streeft zij ernaar de binding in de buurt versterken, door een gezamenlijk project te hebben dat duurzaam zichtbaar is. Als rode draad voor de muurgedichten is gekozen voor ‘De Verwondering’. We willen graag dat de gedichten een moment van verstilling, van rust en ruimte bieden – een adempauze, korte reflectie, een vraag, of een nieuw gezichtspunt, zodat de passant als het ware nieuwe lucht inademt en verblijd, verrast of geraakt zijn weg vervolgt. Niet alleen het gedicht en zijn schrijver, maar ook de letter en zijn ontwerper staan centraal in dit project. Een mooie letter is een kunstwerk op zich, vindt de Stichting. De Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (KABK) Den Haag heeft een rijk verleden in het opleiden van letterontwerpers en veel ervan behoren tot de wereldtop. Op de gedichtenmuren zal uiteindelijk een bloemlezing van deze typografen te zien zijn. Het totale ontwerp van het project is in handen van De Ontwerpvloot.
Meer informatie over de stichting vindt u op de website www.archipelpoezie.nl



Musical Lezen verbindt schrijver en kind

Sandra Purperhart
door Jetty Polanen

De Nationale Stichting Kinderboekenfestival Suriname heeft als goede gewoonte om ieder festival te openen en af te sluiten met een musical. De musicals worden geschreven, samengesteld, geproduceerd, ingestudeerd en verzorgd door Sandra Purperhart die zo al heel wat prachtige musicals op haar naam heeft staan. Sommige musicals gaan over het district waar ze worden opgevoerd. Er is een prachtige musical over Brokopondo met als hoofdrolspeelster Kopro Kanu. Er is er een over Sipaliwini, Commewijne en Nickerie. Maar Sandra heeft ook musicals gemaakt naar aanleiding van een boek. Twee jaar geleden werd Alleen op de wereld opgevoerd, het thema van het Kbf was toen de klassiekers, boeken die altijd gelezen zullen worden en die nooit uit de tijd raken.

Dit jaar heeft Sandra Purperhart voor het Kbf-Paramaribo het boek Lezen verbindt schrijver en kind als uitgangspunt gekozen. Het boekje is door de Stichting Projekten uitgegeven in 2000, inderdaad 14 jaar geleden, en het wordt nog steeds gelezen!!! Een Surinaamse klassieker dus.

Lezen verbindt... is een bundel met een aantal gedichten en korte verhalen van verschillende schrijvers. De kinderen die de lezertjes uitbeeldden, noemden in het kort een paar werken, maar de musical ging over het verhaal ‘De groente-oorlog’ van Orlando Emanuels. U kent het verhaal allemaal vast nog wel: de groenten, het ei en de kokosnoot vechten over wie het belangrijkst in de keuken is. Wie kan absoluut niet gemist worden? Wie is de smaakmaker? Het gevecht is oeverloos want iedereen vindt zichzelf net even belangrijker en net een beetje meer onmisbaar dan de ander. De kleine rode peper doet daar nog een schepje bovenop maar dan zegeviert het gezonde verstand: ‘Iedereen is even belangrijk en we kunnen niet zonder elkaar. Samen zorgen we ervoor dat mensen gezond kunnen opgroeien.’

Maar hiermee was de musical nog niet afgelopen. Het prachtige, unieke, klassieke en zeer actuele gedicht van Shrinivási werd toen niet alleen belicht maar ook uitgebeeld: een grote Surinaamse vlag omhulde alle kinderen op het podium. Het was werkelijk een aangrijpend moment dat in woorden minder duidelijk is dan in beeld. En met dit prachtige gedicht sloot de musical ‘Lezen verbindt schrijver en kind’ af:

Ik zou jullie willen binden
tot één volk
zonder dat dit een sprookje blijft
want in woord zijn wij surinamer
maar in daad nog steeds neger
hindoestani, javaan of chinees

kon ik jullie huid veranderen
je hart genezen
in één volmaakt gebed
het zoveelste verzoek:

loop niet blind door dit land meer
speel met kinderen die je bloedgroep niet dragen
spreek de talen van al onze volken
zoals je eet het menu van de wereld

ik zou jullie willen binden
tot één volk
zonder dat dit een sprookje blijft.

Shrinivási (in: Een weinig van het andere. In de Knipscheer, 1984)