![]() |
| Leo Morpurgo. Foto @ De Ware Tijd |
Wat mij bezielde weet ik niet, want het was een ongelukkige
timing. Maar toen ik in 1986 bij Leo Morpurgo aan de Malebratumstraat naar binnen
stapte met het idee om in de Ware Tijd
een literaire pagina te beginnen, keek hij me even nadenkend aan en zei toen
resoluut: “Ik vind het een prachtidee, maar bedenk wel dat we in een moeilijke
tijd leven.” Als ik er nu op terugkijk, mag het een wonder heten dat hij niet
reageerde met: “Mijnheer Van Kempen, het is een prachtidee, maar u bent niet
goed bij uw hoofd.” Want ik kon dan wel vinden dat elk land een wekelijkse
literaire pagina moest hebben, of liever nog: elke zichzelf respecterende
krant, maar in 1986 was dat een allesbehalve realistische onderneming. Hoeveel
vrijheid konden schrijvers en boekenrecensenten zich in een krant permitteren
als de militairen nog altijd met uilenogen toekeken? En hoe urgent was een
pagina vol literatuur als de papiervoorraad van de krant geheel afhankelijk was
van de schaarse deviezen voor import van papier? Dat Leo Morpurgo toch direct
“ja” zei , had te maken met zijn geweldige liberale geest, en zijn grote hart
voor de literatuur. Want tenslotte kende hij persoonlijk veel schrijvers:
sommigen waren in de journalistiek werkzaam, anderen hadden hem wel eens
teksten aangeboden voor de krant. Het idee raakte een gevoelige snaar bij de
man met de doordringende ogen. En dat een bakra die pagina moest gaan leiden in
een tijd van herlevend nationalisme, kon hem niets schelen: de geest telde voor
hem, niet de huidskleur.
![]() |
| Militaire politie in burger arresteert leerling op het HAVO-I-terrein, Paramaribo 1987. Foto @ Michiel van Kempen |
De
Literaire Pagina ging van start, kreeg noodgedwongen niet de ruimte van een
hele pagina, en werd al na enkele weken geconfronteerd met het niet-verschijnen
van de krant, vanwege het ontbreken van drukpapier. Maar met het opnieuw uitkomen
van de krant, kwam ook telkens de Literaire Pagina terug. En al sprak hij nooit
veel woorden, ik leerde Morpurgo’s ruime geest steeds beter kennen. Zijn
medeleven toen ik bibberend als een hondje kwam vertellen over het brute
optreden van de militairen op het HAVO-I-terrein. En zijn wijsheid inzake de
Surinaamse volksgeest. Ook dit laatste
weer zonder veel omhaal met woorden: ik verbaasde me erover dat het maanden
duurde voordat mijn recensie over Cynthia Mc Leods Hoe duur was de suiker, die ik direct na verschijnen van het boek had
geschreven, in de krant stond. Ik vond het een roman over een belangwekkend
onderwerp, maar was niet zo ingenomen met de vorm. “Die recensie komt wel,” zei
Leo alleen maar. En het gebeurde ook: mijn stuk verscheen toen de eerste druk
van het boek allang was uitverkocht. Leo Morpurgo begreep misschien beter dan
ik dat dit het boek was waar het volk op gewacht had. Toen mijn recensie in
1993 werd herdrukt in de bundel De geest
van Waraku nam Morpurgo het eerste exemplaar in ontvangst. Even dacht ik
zonet, terugblikkend: misschien als “goedmakertje” voor zijn uitstel destijds.
Maar dat is niet zo. Ook een bundel met krantenkritieken werd met Leo’s
tolerante oog bijzonder verwelkomd. Wat een man, wat een geest!















