Posts tonen met het label antillanité. Alle posts tonen
Posts tonen met het label antillanité. Alle posts tonen

maandag 11 maart 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (14)

Foto © Jeffry Surianto


door Willem van Lit

In deel 14 wordt het programma voor de ontwikkeling van het vermogen tot verdraagzaamheid in één aflevering voorgesteld.

Een programma voor tolerantie
Op basis van voorgaande uitgangspunten en het idee van de retorica heb ik een programma ontworpen om het vermogen van de tolerantie tot ontwikkeling te brengen[1]. Het is een programma van tien punten waarin stellingen zijn opgenomen die voor debat vatbaar zijn. Dat het een programma van een mooi rond geheel van tien punten is, berust op toeval; ik heb er niet doelbewust naar toe geredeneerd. De punten kunnen in de volgorde zoals ik ze hier presenteer, gelezen en ontwikkeld worden. Dit is geen noodzaak. Sommige punten zijn eventuele activiteiten die gelijktijdig of in omgekeerde volgorde kunnen plaatsvinden. Het is echter wel zo dat hun kracht alleen gevoeld zal worden, als ze in een zekere samenhang tot uitvoering komen. Kortweg zijn de stellingen voor het debat de volgende:

1.       Welvaart democratiseert en schept voorwaarden voor de basis voor tolerantie.
2.       Vrijheid en waardigheid krijgen een kans als men los komt van de gunst van de gift.
3.       Tolerantie kan pas ontstaan als men het eigenbelang kan onderkennen en als uitgangspunt kiest.
4.       De zogeheten statische ‘wortelidentiteit’ maakt plaats voor de dynamische ‘relatie-identiteit’.
5.       Eigenwaarde kan men gaan ervaren als men zich verbijzondert tegenover anderen vanuit het idee: ‘Ken u zelf’.
6.       Ontwikkelen van zelfredzaamheid is een voorname morele plicht.
7.       Het doorbreken van de barrière van schuld en schaamte gaat op basis van een gemeenschappelijk plan, waarbij het belang van de een nadrukkelijk is verbonden met – ja zelfs voortkomt uit – het belang van de ander.
8.       Men wordt uitgenodigd te ontsnappen aan de eigen leugen door de waarheid niet te monopoliseren.
9.       Het vermogen tot empathie vormt de kern van trots en bevlogenheid in een sociale context.
10.   Het dynamiseren van cultuur ontwikkelt het geestelijke en morele vermogen en daardoor de verdraagzaamheid in de menselijke betrekkingen.

Deze stellingen staan hierna een voor een uitgewerkt en zij vormen de context voor het debat dat hierbij kan worden gevoerd.

Welvaart democratiseert. Als we ervan uitgaan dat welvaart daadwerkelijk democratiseert, dan ligt hier de basis voor het ontwikkelen van de voorwaarden tot tolerantie. Tolerantie kan naar voren komen binnen de context van democratie. Aangezien op de eilanden het geweld van de armoede nog veel huishoudens treft, zijn mensen daardoor niet in staat op een goede manier deel te nemen aan het openbare leven. Zelfs het naar school gaan van kinderen is hierbij in gevaar. Op deze manier ontbreekt een belangrijke conditie om het vermogen tot tolerantie op gang te brengen. De ruilinteractie en het debat moeten eerst op gang komen door het stoppen van het geweld van de armoede. In die zin had Marx gelijk: eerst het vreten en dan de moraal.
Albert Roessingh - Meisjes met baby

Herkennen van de blokkade door de gunst van de gift. Hierbij gebruik ik het voorbeeld van de schoolgang van (jonge) kinderen. Laten we ervan uitgaan dat moeders in een normale situatie willen dat hun kinderen naar school gaan. Op de eilanden wonen veel alleenstaande vrouwen die op jonge leeftijd al kinderen hebben gekregen. Een groot aantal van hen leeft sociaal geïsoleerd door armoede getroffen. Uit schaamte houden ze hun kinderen thuis van school: ze moeten uit geldgebrek dikwijls het ontbijt missen en voor behoorlijke kleding is geen geld. De vraag is hoe men deze moeders met behoud van hun waardigheid de schaamte kan laten overwinnen, zodat ze de kinderen uit eigen beweging steeds naar school brengen of laten komen. De ruilinteractie bestaat er uit dat men van hen heel gericht verlangt de kinderen naar school te sturen in ruil voor materiële voorwaarden, die de reden voor het niet-sturen ongedaan maken. Men beweegt de moeders hun schaamte te overwinnen.

Een dergelijke basis is wat anders dan het ongericht cadeautjes uitdelen in de wijken gedurende verkiezingstijd, zoals een aantal politieke partijen doet. Hiermee koopt men stemmen; het aannemen van ongerichte presentjes is niet vrijblijvend. Het is een vorm van patronage waarmee verplichtingen worden geschapen en dus verlies van eigen vrije keuze in algemene zin wordt verkocht, een vrije keuze die aan de basis ligt van het behoud van eigenwaarde.
Foto © Placeholder

Onderkennen van eigenbelang. Het los komen uit de gunst van de gift kan ontstaan uit het besef van eigenbelang. Ik blijf nog bij het voorbeeld van de alleenstaande moeders. Dit is niet echt willekeurig gekozen. Het basisprobleem op veel Caribische eilanden is verwaarlozing van kinderen, waardoor de brandstof voor beschaming in generaties wordt opgeslagen met alle gewelddadige gevolgen van dien. Het bestuur van de eilanden moet zich bewust zijn van de sleutel van deze situatie. Kinderen zijn de investering voor de toekomst. Men moet de moeders het besef geven dat zij met hun kinderen een waardevol bezit hebben: het belang van de ontwikkeling voor komende generaties. Een bestuur (overheid, regering en betrokken instanties uit het maatschappelijk middenveld) moet de waarde hiervan bevestigen en erkennen. Doordat de moeders hun kinderen gaan ervaren als eigenbelang, ontstaat er een basis voor het tot stand brengen van de ruilinteractie op dit vlak. Het is het startpunt voor het scheppen van ruimte in onderlinge relaties, waardoor dienst met wederdienst kan worden vergolden. Een belangrijk middel om het besef van eigenbelang te ontwikkelen, is het onderwijs. De kwaliteit hiervan moet op de eilanden drastisch omhoog en dit wil onder andere zeggen dat de kinderen op Papiamentssprekende eilanden meertalig moeten worden opgeleid. Naast het Papiamentu moeten zij zeker nog twee tot drie talen leren beheersen: Engels, Spaans en/of Nederlands. Verheffing van het volk, zoals dat deftig heet, is niet meer dan het op gang brengen van de werking van de ruilinteractie. Dit kan door investering in eigen kennis, kunde en competentie met een daaraan gekoppeld bewustzijn van de waarde daarvan. Meertalig opvoeden, zelfs in meer dan twee talen, hoeft voor kinderen geen probleem te zijn. Er zijn op de wereld verschillende voorbeelden te geven van plaatsen waar kinderen zich moeiteloos meerdere talen tegelijkertijd eigen maken. Juist dit bevordert de dialoog en de kunst van het debat.
Antillianité

De dynamiek van identiteit. Doordat mensen de werking van de ruilinteractie leren waarbij ze eigenwaarde en eigenbelang gaan ervaren, onderkennen ze ook de dynamiek van de eigen identiteit. De uitwisseling van dienst en wederdienst is een sociaal evenement; het zijn gebeurtenissen die de relaties tussen mensen in beweging zetten. Men ervaart de dynamiek van de wisselende posities, de inspanning die het kost om in de dagelijkse omgang vooruit te komen. Dit betekent dat de ‘wortelidentiteit’ zijn belang langzaamaan verliest. Men hoeft dan niet meer zo nodig op zoek naar de statische en onwrikbare hoedanigheid van afkomst (daar waarin men denkt geworteld te zijn), geschiedenis, stam of ras om te begrijpen hoe men kan functioneren. Het gaat om de dagelijkse beweeglijkheid van menselijke betrekkingen: de plek, omstandigheid en houding waarin men elkaar ontmoet in vertrouwen, waardering, nabuurschap en dan als kennis, kameraad, vriend, collega of zakenrelatie. De identiteit die hier wordt bedoeld, is de dynamische relatie-identiteit. Dit is een gedachte die onder andere door de Antillanité-beweging op de Frans-Caribische eilanden is ontwikkeld, zoals ik eerder in dit hoofdstuk heb besproken. Het ligt voor de hand dat meertaligheid – zeker op de Papiamentssprekende eilanden – dit type identiteit kan bevorderen.
Foto: Zuleika Coffie

Zichzelf ervaren als bijzonder: ken uzelf. Mensen zullen zichzelf positioneren in het beweeglijke veld van de sociale relaties doordat zij eigenwaarde, eigenbelang en een dynamische identiteit kunnen ontwikkelen. Op deze manier zullen ze zichzelf verbijzonderen, als uniek beleven ten opzichte van anderen in de omgeving. Het is een vergroot besef van het functioneren in de betrekking tot anderen: wat is mijn invloed en wat verandert er doordat ík iets zeg of doe? Wat betekent het voor familie, kennissen, collega’s, klanten, buren en andere relaties? Door de ontwikkeling van het besef van die interacties, is het ook gemakkelijker geworden keuzes te maken: het vertrouwen in eigen kunnen, weten en ervaren is groter geworden (zonder gebruik te hoeven maken van inktzwarte ironie of grof cynisme, het dodelijk nihilisme). Men ziet de effecten van de eigen acties. Hierdoor is de bereidheid tot veranderen van de eigen identiteit ook toegenomen en is de behoefte aan erkenning van (de statische) afkomst steeds minder. De dynamiek van actieve uitwisseling komt sterker op gang. Het zelfvertrouwen neemt in gezonde twijfel toe.
...zelfredzaamheid...

Zelfredzaam zijn. Zoals al eerder gezegd in dit boek kan de reddende waarheid door niemand buiten jezelf worden geboden. Het is dus van levensbelang dat je jezelf veranderbaar opstelt om je eigenheid in de sociale werkelijkheid van elke dag tot uitdrukking te brengen. Zelfredzaamheid wil zeggen dat je loskomt uit de zwijgende rol van het slachtoffer dat vol verzet en passief ontladen een voortdurend appel doet op het latente schuldgevoel van de “daders”. Hierdoor wordt het gevoel van medelijden in stand gehouden samen met de vernederende gunst van de gift, die de afhankelijkheid alleen maar versterkt en de apathie verdiept. Het laat tevens toe dat patronage in bestuur in stand blijft. Zelfredzaamheid betekent dat men actief de uitwisseling met anderen zoekt. Dit onderdeel van de dynamisering van de tolerantie is cruciaal. Het kan uiteraard niet los worden gezien van de voorgaande punten en het vormt een belangrijke sleutel voor verdere ontwikkeling. Op dit punt komt namelijk een eerste omslag in de thymotische energie tot stand. Het onverzettelijke scherm van wrok trilt van zijn plaats en men gaat, gesteund door het gevoel van eigenwaarde én de vrijheid die men ervaart in beweeglijkheid van de relatie-identiteit, zichzelf overtuigen van eigen kracht tot handelen, kennen en kunnen. Als men ontdekt dat het lukt, ontstaat er enthousiasme.
...stekelige verhouding met het 'Moederland'...

Doorbreken van de barrière van schuld en schaamte. Dit punt vereist een aanpak in een breder verband en op een ander niveau. Het is nog wel het meest intrigerende punt van de reeks. Uiteraard staat het niet los van alle andere. Het ligt in het verlengde ervan. Hebben we eerst gekeken naar de werking van de ruilinteractie in de eerste ring (directe omgeving van individuen), bij dit punt moet er een structurele aanpak worden besproken. De sleutel van de oplossing komt uit de hand van bestuurders en hierbij is de houding van de Europese partner in het Koninkrijk van groot belang. Dit hangt samen met het besef dat we in het Koninkrijk van (rijks)délen wonen.

Eerder in dit hoofdstuk heb ik de houding van Nederland als volgt getypeerd: onverschilligheid, die bestaat uit een combinatie van desinteresse, niet-willen en niet-durven. Het is de houding van neerbuigendheid vanuit een zelfgenoegzame fatsoenscode in samenhang met gêne, het schuldgevoel om het verleden. Hierdoor wordt een cultuur van vermijding in stand gehouden en die wordt verward met tolerantie. Dit is heden ten dage nog steeds de kern van de opstelling van waaruit politiek wordt gevoerd binnen het Koninkrijk der delen Nederlanden. Het is een merkwaardig soort conformisme waaraan niemand zich wil onttrekken, maar het leidt tot een halfslachtige vorm van ruilinteractie [2]. Hierdoor onderhoudt men vanuit het Europese deel van het Koninkrijk de aard en de werking van patronage, de nepotisme-economie, zoals Signer dat noemde (hoofdstuk 5 onder “Bestuurlijk knutselen”). Zo is de patstelling van de ziekmakende omhelzing op politiek gebied geschetst: de effecten van een voortdurend uitgesteld leven, die de verhoudingen in het Koninkrijk der delen steeds meer verzieken. Ook de opsplitsing van het land Antillen op 10 oktober 2010 heeft hieraan bijgedragen. Het bood en biedt geen oplossing. Het was de oplossing van opportunisten en halfslachtige onverschilligen die tot een nieuw uitstel met voortgaande stagnatie en verdere teloorgang leidt. Wat ontbreekt, is een integraal inhoudelijk plan binnen de totale context van het Koninkrijk met een substantiële bijdrage van het Europese deel. In zo’n plan moet de Europese partner zich de vraag stellen: “Wat zit er voor ons in of wat heb ik er aan”? Deze vraag moet komen vanuit de intentie wat we gezamenlijk écht willen met het koninkrijk en wat ieders idee en voorstellen zijn voor het geheel. Voor de Caribische Nederlanders is een directe en open lijn met Europa van groot belang, maar hoe die er precies moet uitzien en wat exact de voordelen daarvan zijn, moet helder gemaakt worden. Iedere bewoner van de eilanden moet dat kunnen zien en ervaren. Het Europese Nederland moet een actieve rol vervullen in het ontwikkelen van de relatie tussen het Caribische deel en Europa. Zo kan Europa via de eilanden de voordelen gaan ervaren van de treeplank naar opkomende economieën in Zuid- en Midden-Amerika. De Caribische eilanden hebben een strategische positie in die lijn.

Als de werking van de interactie van dienst en wederdienst niet van de grond komt, moet het Europese Nederland zich realiseren dat men geconfronteerd blijft met de slepende stagnatie, gevangen in het mechanisme van het voortdurende uitgestelde leven en de ziekmakende omstrengeling van schuld en schaamte. Dit is onontkoombaar. Guépin noemde dit de talio van de wraak, de ruilinteractie van de wraak waarbij wandaad met wandaad wordt vergolden en meer dan dat, omdat in de wraakneming het “dubbel en dikke” er nog bovenop komt. Dit kan alleen maar ongedaan gemaakt worden als men het kan “ontveinzen door edele motieven”, zoals hij dat noemt. Omgekeerd geformuleerd wil dat zeggen dat men vertrouwen moet winnen door oprechtheid van intentie. Dat is al moeilijk genoeg en dit kan alleen maar komen vanuit een werkelijke interesse in een gezamenlijke oplossing, een federaal getint plan voor het hele Koninkrijk. In mijn eerdere boek De Caribische eilanden, het alternatief heb ik een uitgebreid voorstel gedaan tot de ontwikkeling van een dergelijk plan. Hiervoor is momenteel nog een restauratie nodig van het land Antillen, waarbij men in de relatie tot Europa eindelijk eens aan de federale staatsvorm kan gaan werken. Dát het Koninkrijk der Nederlanden een federatie is, zal ik later in dit hoofdstuk aan de hand van de ideeën van Michiel Bijkerk toelichten.

De waarheid niet monopoliseren. En ontsnappen aan de eigen leugens. Het Europese Nederland kan niet los gezien worden van het gehele Koninkrijk. Indien men tracht te ontkomen aan deze werkelijkheid, zal men er telkens weer (eventueel met misbaar) bij gesleept worden. De wederzijdse huidige houding en relaties hebben heel duidelijk een invloed op de interne verhoudingen binnen de eilanden zelf. Deze situatie trekt opportunisten, fanatici en nationalistische populisten aan die de verhoudingen steeds op scherp zetten. Ze hameren zonder oponthoud op de brandende complexen van schuld en schaamte. Men zegt daarbij dat de interne verhoudingen polariseren en dat dit in ernst lijkt toe te nemen. Gepolariseerd wil zeggen dat de spelregels van dialectiek en retoriek geweld aan worden gedaan: de zelfbeheersing bij opvattingen en in taalgebruik raakt steeds verder zoek. Het dreigt te ontsnappen aan de redelijkheid. Op het ogenblik dat ik dit schrijf, is er (wederom) een politieke crisis op Curaçao waarbij de tegenstanders op zekere momenten met elkaar op de vuist gaan [3] .

Loskomen van fanatisme en opportunisme is geen gemakkelijke opgave. Het hangt samen met de opvatting de beste te zijn of in elk geval het idee dat je opponent minder gelijk heeft en het je op grond daarvan geoorloofd is elke gelegenheid te baat te nemen de ander dwars te zitten om er zelf beter van te worden, zelfs als je daarvoor (tijdelijk) vrienden zou moeten worden. Fanatisme gaat daarbij soms gepaard met veel thymotische energie, die latent aanwezig is en die laaiend tot uiting komt bij confrontaties. Fanatici zoeken veelal de randen op van de democratische spelregels of gaan er overheen, terwijl ze hun tegenstanders zelf heftige verwijten maken als deze gebruikmaken van middelen om de democratie te verdedigen. Om verdraagzaamheid te ontwikkelen – als vermogen – is de gecombineerde werking van de voorafgaande middelen, methoden en manieren nodig. Men moet los komen van de gunst van de gift, het patronagesysteem, zowel binnen de eigen eilandverhoudingen als in de relaties binnen het Koninkrijk zelf (punten 3 en 7). Daarnaast – en tegelijkertijd – is het noodzakelijk de dynamiek van de eigen identiteit te gaan ervaren (mentaal los komen van de zogeheten wortelidentiteit) (punten 4 en 5). Hierdoor leren we onszelf te verbijzonderen ten opzichte van anderen in een sociaal krachtenveld. We leren ook een beweeglijke positie in te nemen vanuit het besef het eigenbelang te dienen als we dat van de ander in de gaten houden. Tegelijkertijd zal zelfredzaamheid tot ontwikkeling komen (punt 6). Doordat in deze combinatie de eigenwaarde beter tot ontwikkeling komt, zal het minder nodig zijn vast te blijven houden aan het eigen gelijk. De ruilinteractie is van levensbelang om de verdraagzaamheid te kweken.
Uit The New Yorker

Empathie als bron voor trots en bevlogenheid. Zichzelf bevrijden van de kleefwand die apathie en lethargie heet. Dit kan gebeuren als men de eigen dynamiek in menselijke betrekkingen als energiegevend gaat ervaren: de interactie tussen mensen komt op gang op basis van eigenwaarde. Dit is het noodzakelijk vermogen tot empathie en het brengt een ander thymotisch karakter: die van trots en bevlogenheid. Trots ontstaat als men zichzelf als waardevol gaat ervaren bij menselijke betrekkingen. Bevlogenheid ontstaat als men zichzelf voelt groeien binnen die verbanden: men kan iets betekenen voor de ander. Ruilinteractie krijgt de vorm van genegenheid, constructieve dienstverlening en genoegdoening door uitwisseling van welgemeende waardering: gemeenschapszin die de sociale cohesie versterkt. Dit is geen naastenliefde maar ervaring van kracht die ertoe doet: men kan zichzelf via de ander als waardevol gaan ervaren waarbij men de eigenheid herkent: het principe van ken uzelf.
Sofie Hollander - Schoenrelatie

Dynamiseren van cultuur. Dit is het laatste punt. In het voorgaande ben ik voortdurend uitgegaan van de redelijkheid als beginsel van het menselijk handelen en denken. Het gaat er hierbij voortdurend om weg te blijven uit de valstrikken van de paradoxen van vrijheid, tolerantie en dogmatisme. Hiertoe moeten we ons voortdurend oefenen in eerbied door het onderhouden van het besef van eigenwaarde en het belang van de ander. Het is de verzameling van wegen die mensen in vrijheid moeten bewandelen in de constante zoektocht naar waarheid over zichzelf en de dagelijkse werkelijkheid. Beschaving. Zo heet dat. Met het idee dat dit de sociale werkelijkheid is waar geweld geen rol meer mag en kan spelen. Cultuur als Bildung.

Zelfredzaamheid: Barbados
Om het wederzijdse karakter van de oefeningen in beschaving te typeren, hebben we het begrip gemeenschapszin[4]. Hierin zit uitdrukkelijk besloten dat alle groepen in de samenleving de noodzaak moeten ervaren hieraan deel te nemen. Het oefenen van verdraagzaamheid in een dynamische cultuur vergt de bijdrage van elke deelnemer, individueel en in groepsverband. Zelfredzaamheid is hierbij een belangrijk element.

(wordt vervolgd)




[1] Volgens Guépin is dialectica een vraag- en antwoordspel waarin de vrager door het stellen van vragen die de antwoorder wel moet beamen, de antwoorden dwingt zijn uitgangsstelling (principium) te herzien en dit staat tegenover de retorica, dat een debat is tussen twee of meerdere personen. Guépin, De Beschaving, pag. 50 en 149.
[2] Guépin heeft de werking van de ruilinteractie op politiek terrein beschreven in situaties waarbij in de oudheid grote rijken door veroveringen en kolonisatie ontstonden, zoals in het val van het Perzische rijk (o.l.v. Cyrus) of bij Alexander de Grote. De heersers toen begrepen dat het veel verstandiger zou zijn als men de veroverde volkeren in hun waarde liet en “ieder naar waarde en specialisatie, te laten bijdragen tot de algemene welvaart, en daarmee die van de heersende dynastie”. Men begreep – met andere woorden – dat men gebruik moest maken van ieders potentieel en ambities om tot een gezamenlijk voordeel te komen en dat men daarbij ieder moest stimuleren aan die gezamenlijke inspanning deel te nemen, zonder elkaar uit te sluiten, te vernederen of te verketteren. Op deze manier zou ieder er beter van worden. Guépin noemt dit: inzien van het nut van tolerantie. Guépin, De Beschaving, pag. 241.
[3] Op internet verschijnt een fictief krantenartikel, waarbij een scenario wordt geschetst bij een Curaçao dat ongeveer een half jaar onafhankelijk is. De noodtoestand is uitgeroepen; er zijn mensen op politieke gronden gearresteerd en er lopen knokploegen door de straten. De fanatici en misdadigers hebben de macht gegrepen. Nederland roept: “Da’s dan jammer. We hebben het nog zó gezegd”. 13 september 2012 ‘Golf van arrestaties na noodtoestand’.
[4] “Gemeenschapszin, oikeosis, societas, als ‘wenkend perspectief’, een universeel Idee dat eenieder ‘begiftigd met rede en geweten’ motiveert zich in de geest van broederschap te gedragen”. Ida Lamers – Versteeg, pag. 2.

donderdag 21 februari 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (10)

door Willem van Lit

In dit deel een beschrijving van de ontwikkeling op het gebied van civilisatie en menselijke betrekkingen op de Frans Caribische eilanden en enige parallellen met Curaçao.


Voor het vervolg van dit verhaal baseer ik me op een essay van Richard Burton, een Britse wetenschapper. Het opstel is in 1993 in de West-Indische Gids opgenomen [1].


Op de Frans-Caribische eilanden heeft een deel van de bevolking zich steeds verzet tegen de voortgaande verfransing van hun leefwijze, economie, taal en cultuur. Al ruim voor de tweede wereldoorlog kwam er verzet tegen de assimilatie op gang. In de jaren dertig van de vorige eeuw kwam de Négritude-beweging op, die vooral was bedoeld uitdrukking te geven aan hun verschil (van leefwijze e.d.) met wat zij - de vertegenwoordigers van deze beweging -  noemden ‘het universele leven’. Men wilde niet opgeslokt worden door de dominante Franse manier van leven en de culturele expansie vanuit Europa. Négritude was in eerste instantie gebaseerd op verbijzondering van ras en dan met name het zwarte of Afrikaanse ras. Men zocht tegenover de essentie van het Frans-zijn de essentie van het zwart of Afrikaans-zijn.

Smile, foto © Nicolaas Porter

Door allerlei praktische en theoretische zaken kwam al vrij snel de kritiek op gang. Men kwam er bijvoorbeeld snel achter dat assimilatie niet zozeer een Frans-Afrikaans fenomeen was, maar dat vooral in West-Indië de assimilatie veel complexer was door invloeden uit meerdere cultuursegmenten. Daarnaast had men zich bij het formuleren van het idee van Négritude gebaseerd op Europese denkbeelden over ras en racisme. Men had dit idee gereproduceerd en omgekeerd, waardoor men het negatieve van het zwart-zijn een positieve vorm en inhoud had gegeven, doch - zoals Burton zegt - verving Négritude het ene vervreemdende concept (het Europese idee over verbijzondering van ras en afkomst) door een ander. Hierdoor raakte de zwarte West-Indiër nog meer verstrikt in de assimilatieproblematiek. Hij kon zichzelf hierdoor niet als verloochende en verdrukte uit de zwarte essentie losmaken. Négritude bleef een theorie van vervreemding ten opzichte van wat genoemd werd de universele geest (die men dacht specifiek Frans te zijn). Dwars hier doorheen kwamen het marxisme en socialisme op bij de politieke bewegingen op de eilanden. Deze ideologieën kennen - zoals bekend - de verdeling op basis van klassen, die niet per se gelijk loopt met de segmentering naar ras. Ook op dit punt ontstonden conflicten rondom begripsvorming en praktisch politiek handelen. Marxisme is ook universeel, een ideologie die mondiaal effect wil laten gelden, een idee waartegen het Négritude zich verzette. Négritude was tevens het streven naar zuiverheid. Men wilde op basis van zuiverheid en ras onderscheid maken. Als puur werd beschouwd het Afrikaans óf het Europees; creools was onzuiver (en - impliciet - dus in zichzelf minderwaardig). Ook op dit vlak ontstonden problemen. Moest men de Creoolse taal (het Patois), dat door veel zwarte Caribische mensen werd gesproken, dan als onzuiver betitelen? Négritude was door het uitgangspunt en soms door de (problematische) vervlechting met het marxisme polemisch van aard en opstelling.
Stanley Brown

Dit zijn min of meer ook discussiepunten die naar voren kwamen op de Nederlands Caribische eilanden als men kijkt naar onder andere het taalgebruik (het Papiamentu of Papiamento) en de volksbeweging bij de opstand van mei 1969 op Curaçao. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de bundel Verhalen over de revolte, die Gert Oostindie samenstelde en waarin diverse mensen die betrokken waren bij de opstand van 1969 aan het woord komen. Stanley Brown is het meest uitgesproken voor wat betreft de vermenging van ideologieën, ideeën en praktische uitwerking en effecten van de bewegingen, groepen, vakbonden en politieke partijen hierbij. De opstand kwam voort uit een mix van opvattingen uit het communisme, de arbeidersbeweging, de (harde) rassenongelijkheid (en daarmee samenhangend invloeden uit de Black-Power-beweging), tegenstellingen tussen Arabische en Joodse groepen, waarbij ook vertegenwoordigers van de katholieke kerk nog een rol bij hebben gespeeld, enz. Daarnaast hebben corruptie en belangenverstrengeling ook steeds een rol gespeeld. Ik laat Brown aan het woord om een indruk te krijgen van de zaken die speelden: 

"Het Frente (Frente Obrero Liberashon, politieke partij, WvL) werd onder leiding van Nita al snel corrupt. Al die zwarte leiders, ook die daarna aan de macht kwamen, hebben zich laten inpalmen. In plaats van maatschappelijke veranderingen na te streven, hebben ze elke gelegenheid aangegrepen om aan de corruptie mee te doen. (...).
Ik wilde echte veranderingen. Ik wilde geen regering vormen met de DP (politieke partij, WvL), daar begon het al mee, ik wilde in de oppositie. Maar Nita en Godett hadden de theorie: ' We hebben gezaaid, nu moeten we oogsten'. Ze wilden alleen schijnveranderingen. Het ging er mij niet om dat er in de plaats van een blanke onderdrukker een zwarte onderdrukker kwam. Ik wilde bevrijders hebben en dat konden wat mij betreft ook blanken zijn, als ze tenminste de juiste ideologie hadden. Dat begrepen ze gewoonweg niet. (...).
Sommige mensen zeggen, en ik denk dat zelf ook, dat de dertigste mei de zwarte Antillianen voor het eerst de ruimte heeft gegeven om vooruit te komen. Maar de Antillianisering is een holle ideologie geworden. Er zijn op allerlei plekken zwarten gekomen waar vroeger blanken zaten, maar het beleid is niet veranderd en de kwaliteit van het bestuur is eerder verslechterd dan vooruitgegaan.
Ik heb echt geloofd dat de onafhankelijkheid ons economische ontwikkeling zou brengen. En ik heb serieus gedacht dat na dertig mei de nieuwe Curaçaose mens zou opstaan, met zijn cultuur, met zijn vlag. (...).
Nu geloof ik dat een revolutie niet meer mogelijk is. Ik zie dat revolutionaire bewegingen en maatschappelijke veranderingen achterhaalde concepten zijn. Het enige alternatief is aansluiting bij een grotere, progressievere maatschappij. In Nederland heeft de democratie meer waarde dan op zo’n klein eiland. We hebben een poldermodel nodig, globalisatie in plaats van onafhankelijkheid en isolatie".

De oorspronkelijke zes leden van de Black Panther Party (1966), boven v.l.n.r. Elbert "Big Man" Howard, Huey P. Newton, Sherwin Forte, Bobby Seale. Onder v.l.n.r. Reggie Forte en Little Bobby Hutton

Hoewel Brown in dat stuk ook zegt dat hij op een zeker moment communist is geworden omstreeks de periode van die 30e mei, wordt toch ook duidelijk dat de rassenkwestie meespeelde. Hij noemt onder andere invloeden van Che Guevarra, de Black-Panther-beweging, Black Power, de katholieke kerk, de vakbonden, het communisme (onder andere invloeden van Cuba) en zelfs invloeden uit de gewone criminele wereld van smokkel en drugshandel [2].

Willemstad na 30 mei 1969


Een andere betrokkene, Ewald Ong-A-Kwie, zegt in dezelfde bundel: "Ik ben er van overtuigd dat er geen raciale beweging achter de revolte zat. Ik onderken dat raciale stemmingen mee gingen spelen, wat trouwens ook bij de grote havenstaking van 1922 al het geval was. Maar het was in essentie een sociaal conflict: de spanningen tussen werkgevers en werknemers waren te hoog opgelopen.
Er is achteraf wel gesproken over communistische invloeden, maar dat is flauwekul. Ze hebben mij ook communist genoemd, de eerste keer dat ik op 1 mei op televisie kwam, zo rond 1964. Omdat ik voor die tijd overkwam als radicaal. Ik heb altijd gezegd: ' Vraag mij niet welke internationale ideologische lijn ik volg. Kijk naar me, evalueer wat ik doe en plak dan maar een etiket op me. Als je vindt dat ik sociaaldemocraat ben, dan ben ik sociaaldemocraat, als je vindt dat ik communist ben, dan ben ik communist. Ik doe wat ik vind dat ik moet doen, op de manier die ik het beste vind. Als je dat dan meteen communistisch noemt, tja.
Dat Black Power achter de revolte gezeten zou hebben, is ook pure nonsens" [3].

De opstelling van de Antilliaanse betrokkenen bij die crisis laat eerder een praktische opstelling zien dan een fanatiek overtuigde ideologische, zoals dat op de Frans-Caribische eilanden meer pregnant naar voren komt. Toch zijn er overeenkomsten omdat de kwestie van opvattingen en ideologie onderhuids wel een rol heeft gespeeld in het vervolg van ontwikkelingen die uit de crisis naar voren kwamen, zoals duidelijk wordt bij wat Brown hierover vertelt op politiek vlak.

Op de Frans-Caribische eilanden kwam in de jaren zestig van de 20e eeuw in reactie op de Négritude het idee op van de Antillanité (o.a. Ménil en Glissant). Met dit concept werd het idee van diversiteit (waarin men toch ook verschilt van het universele) naar voren gebracht. In tegenstelling tot de Négritude die het Afrikaanse als uitgangspunt voor de aanduiding van het verschil hanteert, legde de Antillanité het concept van de configuratie van de West-Indische leefwijze als geheel op tafel. De Caribische mix stond centraal en dat betekende dat noch het specifiek Afrikaanse, Chinese, Indiaanse, Indiase, Franse of welk ander afzonderlijk cultuursysteem dan ook als hét Caribische cultuursysteem werd gezien. Het kenmerk van het Caribische cultuursysteem is juist dat hier heel veel verschillende leefwijzen, volkeren en rassen gewild of ongewild bij elkaar zijn gebracht in een gecombineerd uniek en origineel verband. Hierbij springt er niet één cultuur of systeem in het bijzonder uit. Juist de mix maakt deze samenleving uniek. In de Antillanité werd echter toch ook de nadruk gelegd op het bijzondere tegenover het universele (de wereld buiten het Caribische gebied). Hoewel deze beweging zich afzette tegen het binnendringen van het universele - meer van hetzelfde - bracht het wel ruimte binnen de Caribische samenleving: een gezamenlijke sociale identiteit, waarbij het mogelijk werd de dialoog te voeren. Dit werd ervaren als een doorbraak in het denken over en ervaren van identiteit.
Edouard Glissant

Was Négritude monolithisch van aard, Antillanité bracht diversiteit, complexiteit en heterogeniteit. Het gaat uit van een samenstel en meervoudigheid van relaties en (maatschappelijke) krachten. Négritude legt nadruk op het ‘zuivere’, Antillanité maakt vermenging van rassen en afkomst begrijpelijk en hanteerbaar. Het idee van Négritude over ‘verschillend zijn’ is besloten in zichzelf, gefixeerd op één kant en slechts voor één duiding vatbaar; Antillanité hanteert de diversiteit binnen het verschillend zijn op een open manier, mobiel en toegankelijk. Négritude baseert zich op het eendimensionale geworteld zijn (identité-racine) en Antillanité op de meerdimensionale relationele identiteit (identité-relation). Daardoor is Négritude meer gericht op het (geïdealiseerde) verleden, Antillanité op de toekomst. Als je jezelf richt op de (voedings)wortel en het verleden, dan hanteer je een oriëntatie op mono-identiteit, waarbij men anderen uitsluit. Glissant noemde dit ‘totalitarion root’. De relatie-identiteit wil een open, multidimensionaal en meerwaardig (polyvalent) samenstel van identiteit. Met deze ideeën was Glissant waarschijnlijk een van de eerste belangrijke Caribische denkers die een doorbraak forceerde uit de obsessie van afkomst en ‘geworteld zijn’, het denken dat zo dikwijls het Caribische discours bepaalt, zoals Burton meent.


Tintin (Kuifje) in het Patois


De derde stroming is die van de Créolité, die ontstond uit de Antillanté. Deze stroming had een vrij groot academisch gehalte. Net als Antillanité verzetten de vertegenwoordigers van de Créolité zich tegen het universele, waarvan men dacht dat dit de specifieke Caribische identiteit en leefwijze op den duur zou wegdrukken en vernietigen. Créolité wilde wel open staan voor alle Caribische rassen en gemeenschappen, maar heel uitdrukkelijk het eigen Caribische karakter bewaren (une spécificité ouverte). Het multiraciaal samenleven en een geïntegreerde cultuur; dat is hetgeen het creoolse karakter vertegenwoordigt. In het Caribisch gebied sluit het alle autochtone groepen in zich: Latijns-Amerikaans, Arabisch, Afrikaans, Europees, Indiaas, Aziatisch, enz. De Créolité is de beweging die zich intensief bezighoudt met taalgebruik. Dit geldt dan vooral voor de situatie in het Frans-Caribische gebied (het Patois en het Créole bijvoorbeeld), maar men zou het ook kunnen toepassen voor het Papiaments, dat ook een Creoolse taal is. (De discussie rond het taalgebruik als ijkpunt voor Créolité liep - zoals Burton zegt - al redelijk snel aan tegen diverse problemen van definitie en afbakening).
Foto © J. Chedarzi

Bij de ontwikkeling van de inzichten rond Créolité kwam naar voren dat vermenging van ras, taal en cultuur geen specifiek Caribisch verschijnsel is. Door de globalisering en verdergaande vervlechting van menselijke activiteit en relaties, de snelle toename van mobiliteit en mondiale uitwisseling van informatie, diensten, goederen en mensen, is het proces van creolisering op heel veel plekken in de wereld op gang gekomen. Mensen die blijven vasthouden aan hun afkomst en (historische) origine raken snel verstrikt in allerlei compromissen en tegenstrijdige opvattingen. Het streven naar monolithische zuiverheid is eens te meer een utopisch verlangen geworden. De zuiverheid of vermeende authenticiteit van ras, oorsprong e.d. verdwijnt langzamerhand (zo het al ooit van belang is geweest) en dat op mondiale basis [4]. Het lijkt erop dat er nog maar weinig (zaken en mensen) als puur en origineel kunnen worden bepaald en gedefinieerd. De vermenging gaat door en het zoeken naar je eigen oorsprong wordt steeds zinlozer; dat lijkt Burton te willen zeggen.

Het ‘hinterland’  verdwijnt, zegt hij in navolging van wat Glissant beschreef als het Caribische ‘arrière-pays’, waar mensen hun Caribische identiteit tot ontwikkeling zouden kunnen brengen. "Each of the theories of Difference discussed here presupposes of what Glissant calls an arrière-pays, (...) a hinterland, at once physical, cultural, and psychological, in which individual and community can find refuge form the advancing empire of the Same (het universele - WvL), as the runaway slaves of old fled plain and plantation for the upland fastness of the mornes (hills). But now the hinterland is disappearing month by month and year by year, ingested physically by grandes surfaces, golf courses, secondary residences, and marinas, and culturally and psychologically by the remorseless spread of "French" patterns of thinking, consuming, acting, and speaking. For the would-be maroon in contemporary Martinique and Guadeloupe there is practically nowhere, either within or without, in which to live and from which to speak, that has not already in some way been taken over by the dominant discourse, so that the language of Difference is often uncannily transformed, without the speaker's knowledge, into the language of the Same, and the status quo is sustained and perpetuated by the very counter-discourse it provokes" [5].


Werk van Michael Brooks, Jamaica


[Paragraaf 10 uit hoofdstuk 6 van Willem van Lit,  Cariben, laten we het onmogelijke vragen. Te verschijnen 2013]




[1] Burton, Richard. ‘Ki moun nou ye? The idea of difference in contemporary French West Indian Thought’. New West Indian Guide/Nieuwe West-Indische Gids 67 (1993) no: 1/2 Leiden.
[2] Oostindie, Gert (red.), Curaçao 30 mei 1969, Verhalen over de revolte, Stanley Brown ‘Ik ben de Voltaire van dertig mei’, pag. 13 - 22, Amsterdam University Press, 1999.
[3] Oostindie, Gert (red.), Curaçao 30 mei 1969, verhalen over de revolte, Ewald Ong-A-Kwie,’Slavernij van de geest, die mentaliteit bestaat nog steeds’, pag. 89 - 93.
[4] Zie in dit verband ook wat Umberto Galimberti schrijft over de mythe van het ras. Hij beschrijft dit in de Italiaanse context waar bijvoorbeeld in Noord-Italië denkbeelden van ras en volk in relatie tot identiteit voor diverse politieke belangenstelsels op een populistische manier levend worden gehouden. Galimberti, Umberto Mythen van onze tijd, uitg. Ambo, Amsterdam, 2010,vertaling. J. Crijns en W. Dabekaussen. Pag. 396 – 401.
[5]  Richard Burton,Ki moun nou ye?’, pag. 25.