Posts tonen met het label Selberie Edsel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Selberie Edsel. Alle posts tonen

zaterdag 12 april 2014

Meindert Fennema en Tula

door Fred de Haas

Onlangs - 17 maart jl -  luisterde ik naar een reportage van de journalist Dick Drayer. Hij sprak in Museum Tula met Meindert Fennema over Toussaint Louverture en Tula. Dat wil zeggen, Meindert doceerde en Dick luisterde. Samen met die sympathieke Mildred Rafaela die het tweetal rondleidde en te aardig was om Meindert tegen te spreken.
 
Tula - Edsel Selberie
Foto © Michiel van Kempen
Tegenspreken was ook een beetje moeilijk, hoewel Meindert maar wat uit zijn nek liep te kletsen. Zijn geruststellend stemgeluid en - terechte -  autoriteit als emeritus hoogleraar hadden zo’n impact dat het tweetal geneigd was om eerbiedig te luisteren.

Fennema was op dreef. Hij had die ochtend of middag zijn wetenschappelijke akribie maar even in de ijskast gezet en trok onverdroten de conclusie dat Curaçao hetzelfde ellendige lot beschoren zou zijn geweest als Haïti, indien Tula, net als Toussaint en Dessalines, had gewonnen van de Nederlanders.

Die Meindert!

Dick Drayer bood nog zwakjes wat weerstand en vroeg hoe hij die lijn zo kon doortrekken.
Nou, zei Meindert, dat zie je toch aan wat er is gebeurd na de Sovjet revolutie en de Cubaanse revolutie? Van al die gewelddadigheid komt niks goeds.
Volgens Meindert, maar dat zei ie niet, hadden de Tsaar en dictator Batista dus nog lekker een tijdje moeten blijven zitten en hun eigen gewelddadigheid op hun gemak moeten kunnen uitleven…

Wat Meindert in feite ook impliceerde was dat Curaçao blij mocht zijn dat de Nederlanders hun heilzame kolonisatie nog zo’n tweehonderd jaar hadden voortgezet. Zaten ze immers nu niet gezellig en ontspannen te praten? Nee, die Hollanders hadden het maar goed gedaan. Duizenden Afrikanen geïmporteerd en er flink de wind onder gehouden!

Nou, Meindert, misschien kan je een volgende keer wat voorzichtiger en wetenschappelijker zijn in je uitspraken. Professorale kletskoek hebben we niet nodig. Dat moet je haast wel met me eens zijn. Sterker nog: je bént het met me eens!

vrijdag 11 april 2014

Bolo ta di pueblo (7 en slot)

Fred de Haas over Frantz Fanon

Geweld en ‘Nation Building’
Frantz Fanon was geen gewelddadig persoon, geen voorstander van geweld. De toon in Les damnés de la terre kan soms oorlogszuchtig klinken, maar we moeten begrijpen dat Fanon de eerste was die begreep dat een vorm van geweld genezend kan werken voor mensen die onderdrukt zijn.

De Franse filosoof Jean-Paul Sartre, die het Voorwoord schreef van  Les damnés de la Terre in de uitgave van 1961, drukte zich in dit opzicht wel heel fel uit:
‘Je moet doden: met het elimineren van een Europeaan sla je twee vliegen in één klap’.
Zo’n uitspraak is verontrustend. Fanon zelf maakte geen propaganda voor het gebruik van geweld en zag het hoogstens als een tussenstadium. Immers, Fanon leefde in een gekoloniseerde wereld waar mensen werden onderdrukt, vernederd, bedreigd, veracht, uitgebuit en dienstbaar gemaakt. De enige mogelijkheid die de gekoloniseerde had was in opstand te komen. Net zoals vroeger de slaven in opstand kwamen.

Tula - Edsel Selberie
Foto © Michiel van Kempen
Op Curaçao begon het met de opstand van Tula in 1795 en werd pas veel later voortgezet met de gewelddadigheden van 1969.

Ook de Curaçaose Partido Soberano heeft een periode gekend waarin gewelddadige taal aan de orde van de dag was. De leider van de partij, Helmin Magno Wiels, heeft dit soort taal vaak gebezigd, totdat hij, strateeg als hij was, besloot dat het genoeg was en tijd om zich meer als staatsman op te stellen. Het is zeker zijn bedoeling niet geweest dat zijn opvolgers weer hun toevlucht zouden nemen tot beledigende en bedreigende taal. Degenen die zich binnen de PS hier nog aan schuldig maken kunnen moeilijk worden beschouwd als waardige opvolgers van een leider die zijn leven heeft moeten geven in de strijd om zijn volk te verheffen en te bevrijden van kwalijke invloeden.

Curaçao is het stadium van politiek geweld voorbij. Ondanks allerlei misstanden is het land nog steeds democratisch en wordt er gestreden via het woord. En wie aperte leugens vertelt, kan er zeker van zijn dat hij/zij vandaag of morgen wordt ontmaskerd en aan de kant geschoven.

Fanon leefde in het door de Fransen gekoloniseerde Algerije en we weten allemaal dat de Fransen alleen met veel geweld uit de kolonie verdreven konden worden. Dat verklaart de felheid waarmee Sartre het kolonialisme met woorden bestreed en min of meer opriep tot het gebruik van geweld. Zo hebben Kaapverdië, Guinee-Bissau, Mozambique en Angola zich met geweld bevrijd van het Portugese kolonialisme dat van geen wijken wilde weten.

Obama ontvangt de Nobelprijs voor de Vrede.
Foto © Harry Wad
Toen de Amerikaanse President Obama in 2009 – een beetje vroeg -  de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, zei hij: ‘Het kwaad in de wereld bestaat. Een vredelievende beweging zou de legers van Hitler niet hebben kunnen tegenhouden. Geen enkele vorm van onderhandelen zou de leiders van Al-Qaida ervan kunnen overtuigen hun wapens neer te leggen. Zeggen dat oorlog noodzakelijk is, betekent nog niet dat je cynisch bent, maar het betekent veelal dat je inzicht hebt in de Geschiedenis, in de onvolmaaktheden van de mens en de grenzen van het verstand’. Zijn woorden zouden zonder meer ook van toepassing zijn geweest op het kolonialisme.

Er is moed voor nodig om af te rekenen met de resten van het kolonialisme. En niet alleen moed, maar ook verbeeldingskracht, overtuiging en zeker ook een grote mate van edelmoedigheid, een eigenschap waarvan de onlangs overleden Nelson Mandela de belichaming was. Hij heeft het voorbeeld gegeven hoe je op basis van gelijkwaardigheid met een oude kolonisator kon omgaan.

De politieke rol van ‘het volk’
We betreden nu een moeilijk terrein. We zijn het eens met Fanon als hij pleit voor een directe democratie waarbij de vertegenwoordigers van de politieke partij(en) – natuurlijk op basis van weldoordachte programma’s -  de uitvoerders zijn van de volkswil. Hoe beter een volk is opgeleid hoe beter het de consequenties van bepaalde beslissingen zou kunnen overzien. Hoe minder een volk is opgeleid des te vatbaarder is het voor politieke manipulatie en des te gevaarlijker is het om het volk beslissingen te laten nemen op belangrijke terreinen. De ene keer zal het een politieke partij goed uitkomen als er een referendum zou worden gehouden, maar een andere keer zou dat wel eens minder goed kunnen uitkomen, namelijk wanneer vermoed wordt dat de wens van het volk niet in overeenstemming is met wat een bepaalde politieke partij graag zou willen.

Voor Curaçao zou deze kwestie wel eens kunnen gaan spelen wanneer in 2015 de situatie van de afgelopen vijf jaar door de Rijksministerraad geëvalueerd gaat worden en er besluiten moeten worden genomen over de (consensus) Rijkswetten van het Koninkrijk. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de wensen van de Curaçaose politieke partijen, maar het minste wat ik hen tegen die tijd zou willen toewensen is wijsheid en onbaatzuchtigheid waarbij het welzijn van het volk voorop zou moeten staan. De rijkdom van het land - de taart - mag niet worden opgegeten door graaiende bestuurders, nee, de taart is van het volk. In andere - Papiamentse -  woorden die ik hoorde in een van de uitzendingen van de Partido Soberano: ‘Bolo ta di pueblo’.

En de leden van de PS die dit niet zouden hebben begrepen zou ik willen verwijzen naar hun eigen site en naar de uitzending van hun eigen Ingrid Sánchez van 27-06-2013 getiteld ‘Palabra’.

De oude globalisering
Mentaliteitsverandering
De mentaliteit van de mensen wordt nu in hoge mate beïnvloed door een ander soort vervreemding dan die welke werd gecreëerd door het kolonialisme. Die andersoortige  vervreemding wordt in de hand gewerkt door de invloed van de globalisering en het Internet. De jeugd ziet wat er allemaal te koop is in de wereld aan luxe, pornografie, spelletjes en wat al niet meer. Logisch dat de gedachte bij hen opkomt dat dit het ideaal is waarnaar moet worden gestreefd. Die gedachte wordt nog gevoed door het spook van de werkloosheid, functioneel analfabetisme, gebrek aan sociale controle, gebrek aan scholing, de aanwezigheid van armoedige leefomstandigheden enz. Afleiding en valse zekerheden worden gezocht bij de telenovelas, de Zuid-Amerikaanse soaps die ervoor zorgen dat de kritische geest afgestompt raakt en niet in de gaten heeft dat het land op een incompetente manier wordt bestuurd. En bij gebrek aan werk wordt er do0r sommigen geld verdiend door het uitoefenen van misdadige praktijken.

Samenwerking, geen imitatie
Fanon heeft duidelijk aangegeven hoe dekoloniserende landen een nieuwe maatschappij zouden moeten inrichten. Dat moet een maatschappij zijn met eigen waarden en met behoud van zaken die goed zijn en hun nut hebben bewezen. Van belang is het streven naar goede sociale omstandigheden, verdraagzaamheid, solidariteit en democratie. Voor het bouwen aan een nieuwe maatschappij is intelligentie nodig, vernieuwend denken en zelfvertrouwen.

Er moet vooral niet worden geprobeerd om Europa of Amerika na te doen of een pathologische bewondering te koesteren voor een Europa dat zijn succes mede te danken heeft aan de schoffering van de gewoonste menselijke waarden. Denk daarbij aan de uitroeiing van de oorspronkelijke bevolking van de Amerika’s, de slavernij en de apartheid. Maar laten we, aldus Fanon, verder geen tijd daaraan besteden: ‘Kom op, broeders, we hebben veel te veel werk te doen om ons te amuseren met achterhoedespelletjes. Europa heeft gedaan wat het moest doen en achteraf beschouwd heeft Europa dat goed gedaan; laten we ophouden met Europa te beschuldigen maar wel duidelijk zeggen dat het moet stoppen met een grote mond op te zetten. We hoeven geen angst meer te hebben voor Europa en laten we ophouden met het te benijden (Les damnés de la terre, p. 231/232)’.

Stagiaire in het Surinaamse binnenland
Samenwerken met Europa c.q. Amerika kan altijd, maar dat mag nooit leiden tot neokolonialisme en het opdringen van Europese of Amerikaanse modellen. Het is beter om jezelf dwars door alle fouten en moeilijkheden heen te worstelen en te zoeken naar een eigen oplossing. Als je een Europese staat van je land wil maken kan je beter het lot van je land toevertrouwen aan Europeanen, want, zegt Fanon letterlijk: ‘die kunnen dat beter dan de meest begaafde onder jullie (Les damnés… p. 232)’. Natuurlijk mogen er best Europeanen in hun voormalige kolonie aanwezig zijn, maar wel op andere voorwaarden dan voorheen en zeker niet in de gedaante van superieure betweters.
Fanon laat overigens duidelijk merken dat er voor hem ook geen sprake kan zijn van het voortdurend terugkruipen en beschutting zoeken in een slachtofferrol of je terug te trekken  binnen de eigen – veilige – groep. Je moet de moed kunnen opbrengen om dat station achter je te laten en gewoon aan het werk te gaan.

Overigens moeten we wel een kanttekening maken bij de situatie van de mensen in de oude Afrikaanse koloniën. Als de bewoners van die arme landen zien hoe de eigen megalomane dictators en hun kliek zich verrijken ten koste van hun land, is het moeilijk voor hen om Europa niet te zien als het paradijs waar ze graag naartoe zouden gaan. Vandaar die al tientallen jaren durende  ‘illegale’ oversteek van Afrika naar Europa in wrakke bootjes, omgebouwde auto’s of zelfs achter het landingsgestel van een vliegtuig. Met de bekende, fatale gevolgen, waaronder het vluchtelingendrama van Lampedusa.

Afrikaanse vluchtelingen op een gammele boot voor de kust van Lampedusa.
Foto © Telegraph

Het is niet de bedoeling van Fanon dat de voormalige gekoloniseerde volken de Europeanen gaan haten: ‘Nee, de Derde Wereld verwacht dat ze de Derde Wereld helpen om de mens te rehabiliteren, om overal eens en voor al de mens te laten zegevieren (Les damnés… p. 230)’.

Laten we blijven luisteren naar Fanon. Aimé Césaire zei in een interview met Daniel Maximin in het tijdschrift Présence Africaine (no 126): ‘[…] teruggrijpen op Fanon is nuttig omdat dit uiteindelijk een teruggrijpen is naar de visie die veel verder ziet dan de gewone blik…’. Fanon was een humanist. Fanon was voor samenwerking en niet voor een zwart nationalisme of afrocentrisme. Het zou absurd zijn om onder de vlag van Fanon haatzaaiende redevoeringen te houden, oude wrokgevoelens op te poken of je terug te trekken op het gepasseerde station van een al te benauwde eigen identiteit. Dan zou je Fanon pas echt niet hebben begrepen.



Tenslotte
In bovenstaand betoog zijn genoeg elementen aanwezig die bouwstenen kunnen leveren voor het denken over een nieuwe samenleving voor de Benedenwindse eilanden. Er moet  in dit proces ook een belangrijke rol zijn weggelegd voor mensen die hebben gestudeerd en die in staat moeten worden geacht de vaardigheden die ze hebben verworven toe te passen in de praktijk. Ik heb het over de Curaçaose intellectuelen. Die zouden ervan moeten afzien hun kennis en kunde in dienst te stellen van regeringen die ondemocratisch zijn en voor een deel bestaan uit mensen die alleen hun eigen belang of een bepaald groepsbelang dienen in plaats van het landsbelang. Bursalen zouden moeten gaan studeren in het Caribisch gebied en door de regering van hun land verplicht worden om na hun studie voor vijf of tien jaar naar hun land terug te keren om mee te helpen aan de opbouw van de nieuwe samenleving.

IJsverkoper op Aruba
Niemand weet hoe de ABC (ei)landen er over 50 jaar uit zullen zien. Zal op Bonaire het eigen eilandsbestuur een doekje voor het bloeden zijn en zal het eiland (als het nog een bijzondere gemeente van Nederland is) alleen nog worden bestuurd door autochtone Nederlanders? Volgens Fanon zou dit laatste best het geval kunnen zijn. Als je van je eiland een Europees eiland wil maken kan je het bestuur volgens hem het beste aan Europeanen overlaten. Die weten hoe dat moet. En Aruba? Zal het nog zo hecht samenwerken met Nederland? Zal de Nederlandse taal nog zo worden beschermd en gecontinueerd omdat de Arubaanse jongeren in Nederland gaan studeren? Zullen er over 100 jaar nog wel Arubanen zijn? Als je de migrantenaantallen bekijkt en ziet hoeveel Latijns-Amerikanen er elk jaar definitief op het eiland achterblijven dan zouden er wel eens geen Arubanen meer kunnen zijn.

School op Curaçao
Curaçao zal, denk ik, een eigen koers gaan varen, in de geest van Fanon. Het land is gewikkeld in een langdurig proces dat zich uitstrekt over enkele decennia. Zolang duurt het voordat de kinderen van nu volwassen zijn. Drastische beslissingen lijken me in dit verband roekeloos en niet zinvol. Er is niets mis met het streven naar steeds grotere onafhankelijkheid van Nederland, maar daarvoor is het nodig om nog geruime tijd te werken aan de bewustwording van het volk, het inrichten van een op de mogelijkheden van het individu toegesneden onderwijssysteem met ruime aandacht voor het leren van een ambacht en de verbetering van de leef- en werkomstandigheden. Het land moet veilig zijn, een goedwerkend justitieel apparaat hebben met mensen die niet onder druk gezet kunnen worden of bedreigd, een politiekorps dat adequaat kan functioneren en een regering die bestaat uit intelligente, integere personen die door elke screening komen. Wanneer er op een gegeven ogenblik een voldoende groot aantal Curaçaoënaars te vinden is dat niet bang is om Procureur-Generaal of rechter te worden, is Curaçao al een stuk opgeschoten. Pas dan kan je echt spreken van een Dushi Kòrsou!

Het is ook van het grootste belang dat er definitief wordt gekozen voor een (wereld)taal waarin, behalve in de moedertaal, vervolgonderwijs moet worden gegeven.

Fanon is een moeilijke auteur, maar hij verdient het om gelezen en herlezen te worden door politici, leraren en elke geïnteresseerde. Hij was een jonge, briljante, non-conformistische denker die het welzijn van de mens centraal had staan en gekant was tegen elke vorm van duister nationalisme of weerzinwekkend blank of zwart racisme. Hij stond voor onderling respect, nadenken over jezelf in betrekking tot de Ander, solidariteit, het bestrijden van onderdrukking, manipulatie en anti-democratische krachten.

dinsdag 3 september 2013

Inleiding tot debat “Van slavernij tot moderne slavernij”

Slavenboei
door Rose Mary Allen

UNA, 4 augustus 2013


Ik wil in mijn bijdrage aan dit debat ingaan op een aspect van de erfenis van de slavernij en dat is de doorwerking hiervan in de moderne hedendaagse samenleving. De vraag is dan op welke wijze het slavernijverleden de nieuwe generaties nog steeds beïnvloedt? Of beter gezegd: In hoeverre geeft de oudere generatie aan de jongere generatie denkbeelden en gedragingen door die te maken hebben met een slavernijerfenis?

Bijvoorbeeld: is het groot aantal tienerzwangerschappen en alleenstaande moeders in het Caribisch gebied,  het gevolg van de  mogelijke aangespoorde losse man-vrouwverhoudingen die er heersten tijdens de slavernijperiode? Is de huidige achterstandspositie waarin een groot deel van de gezinnen zich bevindt een gevolg van de slechte startpositie die deze groep had na de afschaffing van de slavernij in 1863? Een heel vaak gestelde vraag is of de zogenaamde afkeer voor handwerk en landbouw ook een afspiegeling van dit verleden is?
 
Curaçaose schone: Kabei malu?
Voor wat betreft de onderlinge verhoudingen in de maatschappij, zijn er ook vragen die gesteld worden. Is het feit dat hier op het eiland mensen elkaar beoordelen op basis van ras en etniciteit ook een gevolg van dit slavernijverleden? Jandi Paula sprak over deze culturele trauma’s en het intergenerationeel doorgegeven van superioriteits- en inferioriteitsdenkbeelden en gedragingen in zijn boek From objective to subjective social barriar. Nog steeds worden mensen gediscrimineerd op basis van hun ras door gebruikmaking van termen zoals Pretu mahos (zwart en lelijk), Jacombeinchi (voor een uiterst blanke uiterlijk), Kabei malu (kroeshaar), nanishi promenton (voor de brede neus van de zwarte persoon) en lep di tayer (bandenlippen, of dikke lippen). Colorism is nog steeds een van de redenen voor pesten onder jongeren op het moment. Als laatste wil ik ook het fenomeen bijvoegen wat ik Anancyism noem. Van de figuur Nanzi hebben wij een paradoxaal figuur overgehouden, een figuur die deels spin deels mens is, deels held en deels schurk, zowel empowerend  maar ook enorm egoïstisch. Anancyism is een gedragspatroon, waarin schijnbaar machteloze mensen constant mazen zoeken om in situaties toch als winnaar uit de bus te komen.

Tula - Edsel Selberie

Racisme en discriminatie, stereotypen en sociale ongelijkheid lijken nog steeds de politieke sporen van de slavernij. Het trieste van de zaak is dat slavernij niet helemaal verdwenen is. Wereldwijd ervaren mensen slavernij of omstandigheden die er dicht bij in de buurt komen. Ik denk bijvoorbeeld aan mensenhandel waarin voornamelijk vrouwen en kinderen de  slachtoffers worden. Alhoewel het hier om een andere soort slavernij gaat, op een andere schaal en in een heel andere historische,  politiek-economische en sociologische context, zou men kunnen stellen dat wij in het Caribisch gebied kennelijk geen lering hebben getrokken uit ons verleden, want wij doen flink mee aan deze moderne vorm van slavernij.

Rose Mary Allen (achter de microfoon) voert het woord. Naast haar Cynthia Mc Leod


We hebben dus een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daarom denk ik ook dat, ondanks de gevoeligheid van het onderwerp, we hierover vooral niet moeten zwijgen. Wij dienen de stiltes te overstijgen, waarmee het thema slavernij altijd omringd is. Deze stiltes hebben als gevolg dat wij nog steeds niet met elkaar in harmonie kunnen leven. Voor de doorbreking van deze stilte is onder andere empirisch wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk, want onze kennis op het terrein van slavernij en slavernijverleden is nog steeds beperkt. De onjuistheden in de historie werken maatschappelijk door en zorgen voor een verkeerde beeldvorming.

Ik denk dan ook de stiltes rondom slavernij doorbroken dienen te worden op grond van goed geïnformeerde dialoog gebaseerd op goed onderlegde feiten.

Hedendaagse vormen van slavernij en marteling komen niet minder voor dan in vroeger eeuwen, in tegendeel zelfs



woensdag 21 augustus 2013

Tula en de taal van georganiseerde opstand

Tula - pastel van Edsel Selberie. Foto Michiel van Kempen

door Quinsy Gario

De film Tula. The Revolt van Jeroen Leinders heeft veel stof doen opwaaien. De film over de opstanden op Curaçao in 1795 is een belangrijk ijkpunt in wat men over de Nederlandse slavernijverleden wil vertellen. En belangrijker nog hoe men dat wil vertellen. Met uitzondering van historicus Sandew Hira loven alle recensenten de in hun ogen goede bedoelingen om eindelijk een Nederlandse speelfilm over de slavernij te zien. Maar daar houdt het dan ook op qua goede woorden over de productie.

Een greep uit de recensie toont dat door de houterigheid van de acteurs Annet de Jong de film in de Telegraaf een met liefde gemaakte verfilmde amateurtoneelstuk vindt. De film is een aaneenschakeling van cliche’s volgens Shelley Elmers van Cinemagazine. Berend Jan Bockting laat in de Volkskrant weten de film als een verfilmde Wikipedia pagina te beschouwen en volgens Sandew Hira heeft de hele film eigenlijk meer met ideologie dan geschiedenis te maken. En Jochem Geerdink stelt dat de grootste afbreuk van de film de Engelse voertaal is.


Brons van Edsel Selberie. Foto Michiel van Kempen

Toen ik zelf de film zag zat ik mezelf heel lang af te vragen waar ik nou precies naar had gekeken. Ik had al te horen gekregen dat het script te wensen over liet en had ook m’n bedenkingen bij het feit dat dit het speelfilmdebuut zou zijn van Leinders. Niet omdat hij wit is, maar door het ontbreken van een Nederlandse traditie van historische en epische films zou het des te moeilijker zijn voor een beginnende filmmaker om het historische en epische goed uit de verf te laten komen. Het is nog afwachten of de openingsfilm van het Nederlands Film Festival, Hoe duur was de suiker van Jean van de Velde en Cynthia McLeod, het is gelukt. Van de Velde was namelijk ook verantwoordelijk voor dat gedrocht van Marco Borsato: Wit Licht.
  
De recensenten slaan over het algemeen de spijker op de kop filmtechnisch, maar vooral door de openingszin van de recensie van Elmers ‘Bij slavernij denk je niet snel aan Nederland.’ was het duidelijk dat het overgrote gros van recensenten oppervlakkig over het onderwerp van de film zouden blijven. Ik zelf zag naast de alom gedeelde mening van de recensenten, dat de film gewoonweg niet goed in elkaar zat, nog een aantal rare verwijzingen naar de hedendaagse georganiseerde chaotische situatie van de voormalige Nederlandse Antillen en Curaçao in het bijzonder.

Slavernij/Tula - pastel van Edsel Selberie. Foto Michiel van Kempen

De film zit vol met scènes waarin Tula de rechtvaardigheid van de Nederlandse regels en wetten ophemelt. Hij wil alles via de bestaande regels en wetten doen, terwijl diezelfde wetten en regels hem niet als volwaardig mens aanzien. Door de revolte op St. Domingue aan te halen weet hij ook dat de tot slaaf gemaakten op die eilanden de wetten en regels aan hun laars hadden gelapt en hun vrijheid zelf hadden bevochten. Als hij daardoor geïnspireerd zou zijn zou hij toen zelf niet de regels gaan opvolgen.

Ook al had Tula kritiek op het systeem wilde hij via het systeem voor zijn vrijheid pleiten volgens de makers. Hij wordt neergezet als een naïeve man die er vanuit gaat dat de gouverneur op het eiland in principe een rechtvaardige entiteit is. Dat is een complete contradictie die je nu nog steeds tegenkomt in stukken die tegen het bespreken van ons slavernijverleden, over herstelbetalingen of onderzoek erover gaan. Het ontmenselijken van anderen wordt gerechtvaardigd door bagatelliserende stellingen als ‘zo was het nou eenmaal toen’ en ‘ze wisten niet beter’ en mijn favoriet ‘toen was het allemaal legaal’.

Tula - brons van Edsel Selberie. Foto Michiel van Kempen


Nadat de film met kritiek was overladen stelde Leinders stellig in interviews dat hij niet een Tula heeft neergezet die de Curaçaose bevolking van hem heeft gemaakt. Hij wilde hem niet langer als een strateeg of een charismatische leider verbeelden. Want daarin was hij gezien zijn dood duidelijk in gefaald volgens Leinders. Volgens de film was hij gewoon een ontevreden werker die zich van het ene op het andere moment aan het hoofd van een beweging bevindt. Leinders wilde Tula een mens van vlees en bloed maken dat ook angsten en onzekerheden kende.
Maar terwijl hij het symbool Tula probeerde te vervangen met de persoon Tula gebruikte hij ook wel middelen om hem los te koppelen van het idee van solidariteit en groepsbelang. In de film is de interne drijfveer tot actie van Tula niet zozeer liefde voor alle tot slaaf gemaakten maar de liefde voor Speranza en zijn broer. Het is nu niet de persoon Tula, maar het individu Tula die losstaat van de rest. Ook Speranza wordt neergezet als speciaal en anders en halverwege de film doet zij als enige tot slaaf gemaakte vrouw een Europese jurk aan. Haar aspiraties zijn dan ook duidelijk gemaakt: zij wil net als de onderdrukkers zijn. Het beeld deelt een klap uit richting de tot dan toe zelf geconstrueerde groepsidentiteit en verwijst ook naar de opkomst van een elite die zichzelf naar Europees model gaan stileren. Op het einde van de film voordat Tula wordt opgepakt zegt zij ook tegen hem dat ze beter samen kunnen wegrennen. Als ze los staan van de rest zullen ze er beter voor staan volgens deze logica. De weerstand tegen georganiseerde opstand is luid en duidelijk.

Tula - pastel van Edsel Selberie. Foto Michiel van Kempen


In de film krijgen we namelijk te horen dat Tula’s vrouw Speranza, voor zover hun relatie werd gedoogd door de plantage-eigenaren en de Nederlands slavernijwetgeving, zwanger was. De film eindigt ook heel wrang met een idyllisch beeld van Speranza op een strand met hun kind een aantal jaren later. Het wegvallen van Tula als vader van zijn eigen kind is een knipoog naar een van de redenen die men gretig aanhaalt om aan te geven waarom het slecht gaat met Curaçao: het ontbreken van vaders. Maar vaders zijn de zondebokken en bliksemafleiders in het verhaal waarom Curaçao haar ‘huishoudboekje’ niet op orde kan krijgen. Het gaat slecht met Curaçao omdat Shell het eiland had omgeschoold in 1918. De opstand van 30 mei 1969 ging om gelijkwaardigheid en de eilandbewoners zijn daar gewoon voor bestraft, net als Tula. Toen Shell in 1982 zijn raffinaderij op het eiland sloot en het eiland verliet zonder een cent belasting te betalen, viel ook de werkgelegenheid voor een groot deel van het eilandbevolking weg met alle gevolgen van dien.
Dat het individu er beter af is wanneer hij losstaat van de groep heeft te maken met de drang om verschil tussen groepen weg te poetsen en dus de historische handelingen waaruit die groepen zijn ontstaan onder het tapijt te vegen. Het over de brede linie genomen sociaal-economisch succes of falen van afstammeling van tot slaaf gemaakte ligt niet aan het feit dat hun voorouders voor lange tijd politiek, sociaal, economisch en cultureel niet voor mens werden aangezien volgens deze redenering. Het ligt aan hun eigen toewijding. Of het ligt aan de moeders. Of de vaders. Of ze zijn niet intelligent genoeg. Of de elite is corrupt. Of zij zijn nog niet volwassen genoeg. Of ze moeten blij zijn dat ze niet in Afrika wonen want we weten allemaal hoe het er daar aan toe gaat nu.
Die laatste werd begin deze maand nog door de linkse held Thomas von der Dunk geuit in de Volkskrant nadat bekend werd dat de Caricom, waar Suriname lid van is, herstelbetalingen gaan eisen van de voormalige koloniale moederlanden, waaronder Nederland. Zelfs de links georiënteerde en zichzelf progressief wanende medemens in Nederlands is zot op het witte superioriteitsgevoel dat de geracialiseerde samenleving heeft voortgebracht. De georganiseerde opstand van de Caricom landen moest daarom meteen met doorwrochte zinnen en ombuigingen en beledigingen de kop ingedrukt worden. Hierover meer in een volgend stuk, maar juist dat taalaspect is belangrijk. Het communiceren van wat je dwars zit en hoe je dat doet is belangrijk.

Brons van Edsel Selberie. Foto Michiel van Kempen

  
Het meest opzienbarende aan de hele film is dan ook dat de complexe en intrigerende taal Papiamentu compleet terzijde wordt geschoven. Deze taalvervlakking is dan ook het meest in het oor en oog springende productionele keuze van Leinders. De taal, waarmee communicatie tussen de tot slaaf gemaakten van verschillende Afrikaanse volkeren mogelijk werd gemaakt, wordt niet eens goed uitgesproken of überhaupt ondertiteld in de film. De taal is ook een van de elementen waarmee men zichzelf organiseerde en een natie vormde. Het idee van de natie gaat uit van het kunnen inbeelden van mensen die jij niet in levende lijve meemaakt maar wel alsnog beschouwt als onderdeel van jouw groep. De natie van tot slaaf gemaakten op Curaçao werd mogelijk gemaakt door de taal.

Tula - pastel van Edsel Selberie. Foto Michiel van Kempen


Dat de taal tot de jaren 60 en 70 van de 20ste eeuw niet op speelpleinen op de lagere of middelbare school gesproken mocht worden toont aan hoe bang de gevestigde koloniale orde voor de kracht van de taal. Voor een succesvolle internationale film hoef je al een tijdje niet Engels als voertaal te hebben. Zijn argument dat Engels als voertaal het mogelijk maakte om een internationale cast en crew samen te stellen geeft aan dat de productie belangrijker was dan het uiteindelijk product zelf.

Leinders te hoog gegrepen ambitie om op een internationaal toneel in het jaar van de slavernijfilms mee te dingen naar aandacht heeft een uiterst Curaçaos verhaal van zijn Curaçaose identiteit bestolen. Door te streven naar een universele waarheid dat internationaal gedeeld kon worden heeft hij juist de kracht en de specificiteit van deze opstand uit het oog verloren. Wat overblijft is een internationale cast dat banen van Curaçaos talent heeft ingepikt simpelweg omdat de maker het Papiamentu niet herkende als een belangrijk onderdeel van waarom er nu nog steeds over de actie van Tula wordt gesproken op Curaçao.

[van de blogspot Roet in het eten]

zondag 18 augustus 2013

Overal Tula in Amsterdam

Amsterdam stond op zondag 18 augutus in het teken van de Curaçaose vrijheidsheld Tula. Een fotoreportage.

De dood van Tula - Edsel Selberie
Slaaf - Edsel Selberie

Tula aan de Kloveniersburgwal; foto Glen Helberg
Liberta Rosario presenteerde de vertaling van de Tula-roman van haar vader, Guillermo Rosario; foto Glen Helberg


Tambu-groep
Tula-Manifestatie CEC Amsterdam Zuidoost
Alle foto's, tenzij anders vermeld © Michiel van Kempen

donderdag 2 mei 2013

De gewone man had een gezicht

Slavenhuisje Curaçao. Werk van Edsel Selberie

Op Curaçao werd de slavernij 150 jaar geleden afgeschaft. Over het dagelijks leven van slaven en vrije lieden schreef Els Langenfeld drie novelles: Porto Marie 1738 – 1795 – 1888. ‘De leefomstandigheden van een slaaf verschilden op Curaçao nauwelijks van die van een niet-slaaf die zich in dezelfde sociale laag bewoog.’

door Jeannette van Ditzhuijzen

Stads- en plantageslaven


Curaçao kende stadsslaven en plantageslaven. Stadsslaven woonden en werkten in de stad als ambachtsman, huisbediende of sjouwer. Daarmee verdienden ze zelfstandig een inkomen. Een deel daarvan moesten ze wekelijks aan hun eigenaar betalen. Maar het kon ook zijn dat de eigenaar zijn slaven een (klein) salaris betaalde. Dankzij die verdiensten hadden stadsslaven geld om een huis te huren, of zichzelf of hun kinderen vrij te kopen.

Kaart van Curaçao, 1836

Plantageslaven woonden en werkten op de plantages, vaak samen met ‘vrije lieden’ (zwarten en kleurlingen) die op of bij de plantage woonden. Rond 1800 telden de plantages ruim tweeduizend vrije lieden. Wanneer een eigenaar extra werkkrachten nodig had, huurde hij deze vrije lieden in.
De plantageslaven werkten harder dan de stadsslaven, vooral in de plant- en oogsttijd. Eerst bewerkten ze het land van hun eigenaar, daarna hun eigen kostgrondje, een lapje grond dat ze van de plantage-eigenaar kregen voor privégebruik. Het geld dat ze daarmee verdienden mochten ze houden, maar de eigenaren dwongen de slaven veelvuldig om tegen te hoge prijzen spullen bij hen te kopen. Plantageslaven hielden daardoor minder geld over dan stadsslaven, waardoor ze zich minder gemakkelijk konden vrijkopen.


Een middenstandswijk aan de rand van Groot Willemstad. Op een zwembad na toont het huis geen luxe. Beveiliging ontbreekt, behalve de drie honden die het bezoek kwispelend begroeten. Els Langenfeld maant ze tot rust en verontschuldigt zich voor haar kale hoofd. Als ze thuis is, weigert ze een warm sjaaltje om te doen. Nu de kanker haar in zijn greep heeft, is ze nog gedrevener om de inventarisatie van de slaven af te maken. Als een ware monnik heeft ze jarenlang in het archief gespeurd naar de namen, de leeftijden, de moeders en de eventuele beroepen van de slaven die 150 jaar geleden op Curaçao hun vrijheid kregen. “Van de ruim 6800 slaven mis ik er nog maar 700.”
Langenfeld kwam in 1991 op Curaçao wonen en is geleidelijk in het onderzoek naar de slaven van Curaçao gerold. Ze schreef talloze artikelen over het onderwerp plus diverse boeken over andere historische onderwerpen en is bezig met een promotie over de slavernij op Curaçao. Tussendoor vond ze ook nog de tijd voor Porto Marie, drie novelles over slaven, vrije negers en kleurlingen in de 18de en 19de eeuw. Het kwam onlangs uit bij Uitgeverij In de Knipscheer.

Op het eiland wordt haar genuanceerde mening over de slavernij niet door iedereen gewaardeerd. “Maar op grond van de feiten in de archieven kan ik niet anders oordelen dan dat de fysieke leefomstandigheden van Curaçaose slaven nauwelijks verschilden van die van vrije personen uit dezelfde sociale laag. Natuurlijk waren er uitwassen, maar die golden ook voor vrije mensen.”
Langenfelds kennis is gebaseerd op het jarenlang lezen van oude kranten, rechtbankverslagen, testamenten en andere aktes. “Ik ben net een spons en zuig alles op. Ik ben begonnen met honderd jaar transportaktes te inventariseren. Als ik een verwijzing zag naar een testament, zocht ik niet alleen dat ene testament op, maar dan nam ik meteen het hele jaar met testamenten door en nam ik de relevante gegevens over. Hetzelfde deed ik met rechtbankverslagen en krantenberichten. Sponzen, sponzen, sponzen.

“Daardoor kreeg ik een heel ander gevoel over de samenleving. De verhalen dat slaven de plantages niet af mochten, aan kettingen gebonden waren en door honden werden bewaakt, zijn bijvoorbeeld allemaal onzin. Zeker de stadsslaven hadden aardig wat vrijheid. Zo las ik in een rechtbankverslag over een moordzaak de getuigenverklaring van slaaf Charles die vertelt hoe hij de avond doorbracht, toen hij het slachtoffer vond. Dat geeft een heel ander beeld.”
Het blijkt dat Charles op een timmerwerf werkte en loon ontving. Op een avond had hij zijn loon besteed in een drankwinkel, waar hij een potje ging kaarten met de blanke kroegbaas en een Zweedse zeeman. Vervolgens ging hij naar een danshuis. Toen hij daar om half elf vertrok, trof hij onderweg een halfdode man aan, die hij in zijn eigen bed legde om vervolgens zelf bij zijn vriendin te gaan slapen. 
Langenfeld: “Het grote verschil met de vrije burger was dat een slaaf niet vrij was en verkocht kon worden. De psychische gevolgen van die onvrijheid zijn moeilijk in te schatten. Daarvoor moet je het slavenleven vrij en onbevooroordeeld vergelijken met de situatie van niet-slaven uit dezelfde sociale laag in die periode en niet vanuit ons huidige perspectief.”
Els Langenfeld

In de archieven vond Langenfeld talloze voorbeelden van slaven en ex-slaven die huizen bezaten of zelf slaven hadden. Ze heeft direct een voorbeeld bij de hand, dat van de 33-jarige Johannes Paulus Rib, maar kan er desgewenst tientallen opnoemen. De slaaf Rib kocht zichzelf in 1842 vrij met het geld dat hij had verdiend als schrijnwerker. Vier jaar later kocht hij zijn eerste slaaf, gevolgd door diverse andere die hij verhandelde. Op 1 juli 1863, de dag waarop de slavernij werd afgeschaft, had Rib negen slaven en slavinnen. Op dat moment bezat tweederde van de Curaçaose slaveneigenaren hooguit vijf slaven. Rib handelde ook in huizen en was eigenaar van een plantage. Net als diverse andere voormalige slaven.

Dat slaven konden rekenen op lijfstraffen die in de 21ste eeuw ondenkbaar zijn, wil Langenfeld zeker niet ontkennen. Maar ze komt direct met de nuance: “Kijk ook eens hoe zeelieden en militairen werden behandeld. Daarmee moet je het vergelijken. Tot 1830/40 waren lijfstraffen voor militairen heel gewoon.
“In het eerste verhaal van Porto Marie wordt een blanke zeeman behoorlijk afgetuigd, uiteindelijk overlijdt hij. Daarmee wil ik laten zien dat echt niet alleen de slaven slecht behandeld werden. Soms stierven er zo veel blanken op een slavenschip, dat aan het einde de slaven hun werk moesten overnemen. Dat laat ik in dat verhaal ook gebeuren. “Natuurlijk waren er misstanden, maar het was geen regel. Je leest in de documenten in de archieven dat slaven, ook toen ze voor de wet nog een zaak waren, voor de eigenaars wel degelijk een persoon waren. Die kwamen op voor een slaaf die door een andere eigenaar werd mishandeld; of ze betaalden dokterskosten, gaven grond cadeau, noem maar op. Dus het is allemaal niet zo zwart-wit als je altijd hoort.

“Althans op Curaçao”, nuanceert ze weer. “Suriname vormde een echte plantage-economie, waar de slaven hard nodig waren voor goede oogsten. Op de afgelegen plantages werkten daar honderden slaven met een relatief kleine blanke gemeenschap. Uit angst voor opstanden werden de slaven daar veel meer onderdrukt dan op Curaçao.
“Plantages op Curaçao waren meer ‘gemengde bedrijven’ met een handjevol slaven”, vervolgt ze. “Alleen op een enkele grote plantage woonden en werkten meer dan honderd slaven. Curaçao leefde van de handel. Hier vertegenwoordigde de slaaf zelf een bepaalde waarde, waarmee je kon handelen. Wanneer de oogst tegenviel of wanneer het slecht ging met de handel, verkocht de Curaçaoënaar een slaaf.”

Ze benadrukt herhaaldelijk dat haar boek Porto Marie geen boek is over slavernij. “Ik wil met de verhalen een beeld geven van een maatschappij, die ingewikkelder is dan men denkt. Zo draait het eerste verhaal om een slaaf die per ongeluk op Curaçao is terechtgekomen, een buitenbeentje is in de slavengemeenschap en daarom niet wordt geaccepteerd. Hij komt van een andere streek, verstaat de taal niet, voelt zich eenzaam en wordt bespot. Hij is wel zwart en lotgenoot, maar dat betekent nog geen acceptatie. Er was weinig solidariteit.”

Dat dagelijkse leven van de gewone Curaçaoënaar in voorbije eeuwen, daar gaat het Langenfeld om. “Ik ben geïnteresseerd in die groep die altijd is vergeten. Er is ontzettend veel bekend over de invloedrijke blanke families en de rijke joden van het eiland. Dat snap ik wel, over die rijke bovenlaag is het makkelijkst informatie te vinden; daarover werd geschreven. De rest is hondenwerk om uit te zoeken.”

Inmiddels heeft ze van veel huizen in de stad de namen van de eigenaren gevonden, bijbehorende jaartallen en of ze het huis gekocht dan wel geërfd hebben. “Van grote huizen of landhuizen is het vaak nog wel bekend, maar ik heb ze ook van de kleinere huizen. En daar vind je de gewone man. “Met Porto Marie probeer ik die gewone man – de middenklasse en de slaven – een gezicht te geven. Ik wil er individuen van maken, met menselijke eigenschappen, en niet schrijven over ‘de’ slaven als groep; zonder gezicht.”

Els Langenfeld: Porto Marie 1738 – 1795 – 1888 is een uitgave van uitgeverij In de Knipscheer.
ISBN 978-90-6265-816-9, 19,50 euro

[Bron: Jeannette van Ditzhuijzen,  in Trouw (de Verdieping), maandag 29 april 2013]

maandag 11 februari 2013

Tula vijftien keer ontmoet

door Otti Thomas
Slavernijbeeld, Edsel Selberie, Tula Museum

Als Tula deze maand eens door de Breedestraat in Otrobanda zou lopen, dan zouden voorbijgangers hem ongetwijfeld vaak om hulp vragen. Steun, advies en inspiratie voor de strijd tegen discriminatie, waar ook in de 21e eeuw nog sprake van is. Het sterke punt van Topa Tula ofwel Ontmoet Tula is dat er vijftien heel verschillende varianten zijn op die ene vraag. De Stichting Simia Literario vroeg Antilliaanse en Arubaanse schrijvers om een gedicht of verhaal te leveren over de strijd van Tula, eventueel al eerder gepubliceerd, met oog voor de moderne tijd. Als de meest bekende leider van de opstand van 1795 geldt Tula nog altijd als een rolmodel, ook voor de huidige generatie jongeren, is de boodschap van het boek. “De strijd voor vrijheid en gelijkheid is nog steeds van kracht”, staat in het voorwoord van de samenstellers Olga Orman en Giselle Ecury, die tevens een aantal oorspronkelijk Papiamentstalige gedichten in het Nederlands vertaalden.
Het gemeenschappelijke uitgangspunt had kunnen leiden tot een eenzijdige bundel, waarin Tula keer op keer om hulp wordt gevraagd voor de strijd tegen discriminatie. Inderdaad lieten de meeste dichters zich inspireren tot een tekst waarin Tula’s moed en vastberadenheid als voorbeeld dienen voor de huidige generatie. Bijvoorbeeld Eerbetoon van Olga Orman, Slavenopstand van Eugènie Herlaar of Tula van Hilli Arduin.

Tula verloo
r
een zwijgende mass
a
verkwanselde zijn lichaa
m
voor valse belofte
s
hij stierf een harde doo
d

Een voorbeeldrol is ook weggelegd voor de hoofdpersonen uit Joan Leslie’s Ze zochten slechts liefde, waarin een slavin en slaaf gestraft worden omdat ze elkaar lief hadden, terwijl in Virginia, het enige verhaal in de bundel door de Arubaan Quito Nicolaas, een slavin door haar verzet aantoont dat ze zich gelijkwaardig voelt aan de slaveneigenaar.

Slavernijbeeld, Edsel Selberie


Minderwaardighei
d

Het zijn allemaal teksten over hetzelfde onderwerp, maar telkens met een andere invalshoek, waardoor Topa Tula geen eenzijdige bundel is. Frida Winklaar-Domacassé, Gerarda Lauf en Alida Kock richten zich allen tot Tula met een verzoek om hulp, maar Winklaar-Domacassé vraagt het indirect via de maan als stille getuige van Tula’s dromen, Lauf vraagt om wijsheid en leiding in het proces na de ontmanteling van de Nederlandse Antillen en de Arubaanse Alida Kock ziet een rol voor Tula in de strijd tegen de gevoelens van minderwaardigheid.

We veroordelen elkaar nog steeds,
 
op grond van ons uiterlijk.
 
We willen ons ras verbeteren,
 
adoreren het tokohaar
 
(...
)
Tula, wanneer kom je teru
g
om ons te bevrijden van onze slaafse mentaliteit
.

Libertá Rosario schrijft in de Slaaf in ons allemaal dat ook gebrek aan vrijheid door school, een relatie of werk als een vorm van dwang gezien kan worden.

Dankzij Tula leer ik om meer voor mezelf op te kome
n
en het is aan jou om te bekijken, waar jij je vrij van wilt maken.

De teksten waarin een originele insteek gecombineerd is met beeldend taalgebruik, maken de meeste indruk. De jonge dichter T. Martinus bijvoorbeeld laat Tula zelf aan het woord in Sin Awa den bo wowo. Martinus schetst Tula als vastberaden man met wijze uitspraken, die stof tot nadenken geven, al dringt de betekenis van de woorden misschien niet direct door tot de lezer.

Mijn afstand tot waar ik wil zijn,
 
kan ik meten aan de tijd die mij gegund i
s
om jouw oren te bereiken
.

Tula komt ook zelf aan het woord in M’a topa Tula van Laurindo Andrea, maar dan in een dialoog met de schrijver. De vrijheidsstrijder roept Andrea tot verantwoording en vraagt hem waarom hij in hemelsnaam in het land woont van de onderdrukker. Andrea antwoordt dat hij zich juist in Nederland thuis voelt en geaccepteerd wordt voor wie hij is, omdat er ondanks de strijd van Tula en anderen als Rosa Parks, Martin Luther King en Nelson Mandela nog steeds sprake is van een gebrek voor anderen. Maar ook Andrea zal de strijd voortzetten, belooft hij Tula.

Ik ben tot de conclusie gekome
n
dat ik de strijder ben.
 
De integere strijde
r
met respect, liefde en compassi
e
(...
)
mijn dromen waarmakend
 
om vrede met mezelf te sluite
n
en zo anderen blijvend te inspireren
.

Tula en de boodschap voor de huidige generatie zijn eigenlijk het minst aanwezig in het gedicht De Driemaster van Walter Palm, dat eerder gepubliceerd werd in zijn bundel Sierlijke krullen van plezier. Maar het beeldende taalgebruik, waar Palm bekend van is, zet kracht bij aan de hoopgevende boodschap dat de revolutie, ondanks enige vertraging, de Nederlandse koloniën uiteindelijk wel bereikt heeft.

Op een driemaste
r
met drie masten Liberté, Egalité en Fraternit
é
stak de Revolutie de Atlantische Oceaan ove
r
(...
)
reisde met volle zeilen richting Curaça
o
Met Tula als kapitein en Karpata als stuurma
n

Maar het schip leed schipbreu
k
zonk naar de bodem van de ze
e
en daar bleef het liggen
,

tot het op 1 juli 1863 naar boven steeg
,
statig de haven van Willemstad binnen schree
d
en met gouden letters schreef
:

‘De slavernij is voorbi
j
Ook hier heeft de Revoluti
e
gezegevierd.



Topa Tula is een uitgave van Simia Literario en uitgeverij Amrit.

[uit Amigoe, 9 februari 2013]

vrijdag 7 december 2012

Nieuw portret van Tula


Dit portret van Tula is op zondag 18 november 2012 voor het eerst publiekelijk vertoond tijdens de Dia di kultura i informashon op Curaçao. Het olieverfschilderij is gemaakt door de kunstenaar Edsel Selberie. De slaaf Tula was de leider van de grootste slavenopstand in 1795 op Curaçao. Edsel heeft Tula een gezicht gegeven en heeft hem in de geest doen opstaan en vertel ook zijn eigen versie van het levensverhaal over deze held. Dat zijn schilderijen emoties losmaken, bewees wel het feit dat een bezoeker die overmand werd door de gedachte aan zijn voorouders, een schilderij een klap gaf. Voor meer info bezoek de nieuwe website met unieke afbeeldingen en informatie over slavernij www.Tula-Corsow.com