Posts tonen met het label Mangroelal Ken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mangroelal Ken. Alle posts tonen

vrijdag 28 december 2012

Ken Mangroelal - Een Nora, een Antigone in Suriname


Identiteiten (2)

Bea Vianen. Portret door Nicolaas Porter

S.
De protagoniste in Suriname, hai van Bea Vianen. Niet meer dan een initiaal, een
non-identiteit.
Hai (ik ben). Niet het Cartesiaanse sum, dat zich laat deduceren uit het cogito, maar meer het zich ponerende Fichtiaanse sum dat stelling neemt tegen een masculien-gedomineerde samenleving waarin de vrouw een niets is, een onderworpene aan het tirannieke gezag van de man (vader, echtgenoot).

S. heeft de moed van Antigone (Euripides) en de emancipatorische kracht
van Nora (Ibsen). Het verhaal ontwikkelt zich als een klassiek-Grieks (Euripides)
of modern drama (Ibsen) waarin S. zich uit haar non-identiteit ontwikkelt tot een ware persoonlijkheid, één waarvan Hegel zegt:

‘Ein echter Charakter handelt aus sich selbst und lässt nicht einen Fremden in sich hinein vorstellen und Entschlüsse fassen. Hat er aber aus sich gehandelt, so will er auch die Schuld seiner Tat auf sich haben und dafür einstehen.’ (Asthetik I/II, Reclam, p. 342)

S. staat in voor haar daad en kan tenslotte als zelfoverwonnene uit de strijd uitroepen:

 ‘Ik ben geen S. of het meisje. Niet meer. Sita! Sita! Ik durf mezelf bij de naam te noemen. Omdat ik weet wat ik niet wil: Stikken! Stikken! Stikken!’ (pag.160)

Haar emancipatie, haar zelfbevrijding uit een liefdeloze en tot mislukking gedoemde huwelijksrelatie, haar behoefte aan identiteit en intellectuele zelfontplooiing schittert als een nieuw licht boven de wildernis, maar laten we teruggaan naar de tijd toen dat er nog niet was en duisternis, haat, pijn, verdriet en wreedheid de wereld bezielde.

Monument voor de Hindostaanse Immigratie, Groningen, Saramacca
Het verleden

‘Het was een tijd van nummers.’

S. wil het raadsel van de immigratie van 1916 ontwarren.
Het registratienummer van haar grootmoeder (Janakya) is 199 QQ.
Het nummer van het krot waarin Adjodiadei woont is 199 c. Wij schrijven 1951.
Na langer dan een jaar zoeken en op haar zestiende verjaardag, een jaar na de dood van haar moeder klopt S. bij Adjodiadei aan. Adjodiadei, de drankzuchtige groentenvenster, de toegang tot het vergrendelde verleden.
S. haat Adjodiadei. Ondervraagt haar als verdachte, schuldige, mogelijk medeplichtige aan het drama van haar grootouders. Maar ze krijgt niet de antwoorden op haar vragen die zij wenst. Adjodiadei toont zich meer de muur van het verleden, de muur van het depot in Calcutta waar de grootouders van S. vandaan komen.

Vragen te groot en indringend voor een puber en toch stelt ze die:

Heb je Harynarain Hirjalie, mijn grootvader gekend?
Hield hij van zijn vrouw Janakya, mijn grootmoeder?
Waarom ging hij na afloop van zijn contract terug naar India? Ging hij wel ooit terug? Of?

Er was ook nog Radjkumarie, de moeder van S. Na de zelfmoord van Janakya
wordt Radjkumarie bij Adjodiadei achtergelaten waar zij opgroeit als wees.
S. kan er niet bij dat haar grootvader zijn dochter aan deze vreemde ontwortelde drankzuchtige vrouw zou hebben toevertrouwd.

S. schat in dat haar moeder (Radjkumarie) viereneenhalf jaar moet zijn geweest toen zij naar het krot van Adjodiadei in Lelydorp werd gebracht. ‘Daarmee verloor zij haar identiteit’ en werd wees. Adjodiadei heeft zich nooit bij het immigratiekantoor als voogdes opgegeven.

Radjkumarie verdringt haar verleden. S. vraagt zich af of de straffen, de mishandelingen en de liefdeloosheid haar tam hebben gemaakt. Of ze haar ouders ooit heeft kwalijk genomen dat zij haar in de steek hebben gelaten en haar leven als wees heeft moeten aanvangen. S. denkt: ‘Zij heeft mij het leven geschonken zonder te weten wie zij zelf was.’(pag.12)

Zij moet een zachtaardige vrouw zijn geweest, maar ook iemand bij wie de dood zich al vroeg had genesteld. Het verleden kwam niet over haar lippen, zelfs niet op haar sterfbed (ze zou drieëndertig worden). Wel een laatste poging daartoe  in de vorm van een paar slappe vingers in de lucht daarmee zeggende: ‘Dag mamma. Is er een hiernamaals, mamma? Een nirwana, mamma? Waar je geen nummer zult zijn?’ (p.16)

In het krot van Adjodiadei herinnert S. zich de foto’s waar haar moeder het over heeft gehad. Foto’s die haar moeder had willen meenemen toen ze bij Adjodiadei  wegging. Nu komt ze die voor haar moeder opeisen. Adjodiadei ontkent eerst dat ze die heeft, maar uiteindelijk geeft ze toe. Ze wil de foto’s geven als S. belooft nooit meer haar krot te betreden. S. krijgt de foto’s. Foto’s van haar grootouders.
Als S. de krot verlaat schreeuwt Adjodiadei haar na: ‘Je bent precies je grootvader…Heb je mij gehoord?’ (pag.24)



Op een avond bekijkt ze de foto’s. S. geeft een zowat psycho-analytische beschrijving van haar grootouders

‘Liggend op bed staart zij naar de jonge gezichten die haar op hun beurt aanstaren uit een vreemd landschap. Man en vrouw staan tegen een grijze muur van steen. Een binnenplaats misschien? Het depot? Calcutta?
Hun gezichten, gedeeltelijk beschaduwd  door de volle takken van een boom die achter de muur staat, wekken de droevige indruk niet bij elkaar te horen. De poses zijn gedwongen. Het gezicht van Janakya, afgewend van de jonge Harynarain, is meisjesachtig bolrond. De ogen, half dichtgeknepen, waarschijnlijk tegen het felle zonlicht, staren futloos naar de fotograaf of naar een onheilspellende leegte.
Het gezicht van de jongeman lijkt donkerder, is smal en ovaal. De mondhoeken zijn scherp en vallen samen met twee lijnen die bij de smalle neusvleugels beginnen. De ogen hebben iets tartends, iets superieurs, iets spottends en onverschilligs.’(pag.40)

Haar analyse levert niet de opheldering op die ze wenst. Haar grootouders zijn niet meer dan vreemden voor haar. Zij en haar broertje Ata zijn ontstaan ‘uit een nachtmerrie van situaties, uit een verleden waarvan zij niets weten.’
En wat hebben die hun achtergelaten? Niets dan namen, nummers, ‘namen die  door duizend andere Indiërs, misschien wel miljoenen, gedragen worden.’ (pag. 41)
Haar grootouders hebben zich geen rekenschap gegeven van hun daden. Zij lieten een kind achter, beiden op hun eigen verdorven manier. Waarom zou zij zich rekenschap geven van hun ellende, hun daden, de geestelijke moord van Radjkumarie, de zelfmoord van Janakya?

Einde analyse. Ze klapt het boek Verleden dicht. Later zal zij die foto’s verscheuren.

Foto Michiel van Kempen

Vader/dochter

Er is altijd die spanning tussen vader en dochter. Hun discours is polemisch van aard. Zij wordt niet door hem opgemerkt. Alleen haar schoolprestaties tellen. Voor hem is zij ‘een lijst met cijfers die beloond wordt met geld’.
Zijn presentie/absentie, zijn onvoorspelbaar komen en gaan is haar een doorn in het oog. ‘Hij is even plotseling weg als dat hij terugkomt om zich op zijn zwijgzame autoritaire manier van haar doen en laten op de hoogte te stellen.’ (pag.39)

Hij is een schim die zwijgend door het huis beweegt, zich gedraagt alsof hij de enige is die onder het leed, de leegte in huis gebukt gaat. Hij is vergeetachtig, vergeet gauw de gewone dingen zoals haar verjaardag en de paar nieuwe schoenen die hij haar heeft beloofd. Hij vernederd haar in het bijzijn van anderen, vreemden.

Hij heeft niet door dat zijn vrienden, de Ramessars en de Soekhoes, met hun schijnheilige onderdanigheid, erop uit zijn hem te gronde te richten. Hij schenkt hun zijn vertrouwen tegen beter weten in. Hij weet dat er iets niet klopt in zijn berekeningen, maar hij durft daar niet aan toe te geven.
‘Het is de neger in hem die hem drijft tot zelfvernietiging en hem tot slaaf maakt van de listige vriendschap en schijnbare welwillendheid van dit Aziatisch geboefte’. (pag. 43)
De Ramessars en de Soekhoes, de schurken en analfabeten beheersen één alfabet beter dan haar vader: het alfabet van de list. Zij brengen hem ten val. Hij moet de meubelzaak verkopen en zelfs het stukje grond waar hun huis op staat.

Er bestaat geen gewone communicatie tussen vader en dochter waardoor zij  hem voor deze catastrofe kon behoeden. Hij zou haar slaan als zij aandurfde hem dat te vertellen.

S. vermoedt dat haar vader een heimelijke relatie heeft met Roekminia, de vrouw van Soekhoe. Het huis van Roekminia en Soekhoe vermijdt zij daarom ook het liefst. Haar moeder had hetzelfde vermoeden. S. vraagt zich of haar moeder daarom zich vernederd en gekwetst voelde en het hoe langer hoe meer over de dood had, terwijl ze pas drieëndertig was? S. wil daar niet verder over nadenken. Zij schaamt zich voor erotische zaken en voelt wrok, jaloezie en haat daarbij.

S. is zich veel te vaag bewust van de kleine biologische veranderingen in haar lichaam. Veel te traag en aarzelend in haar uiterlijke groei. Zij is mager op een jongensachtige manier, maar daarom ook sterk. Zij heeft een vitaliteit die benijdenswaardig is. Door de stormachtige geestelijke groei heeft zij het gevoel dat ze volwassen is. Doch veranderingen in haar lichaam maken haar onrustig en prikkelbaar.

Haar lichaam is doortrokken van schaamte. De meisjes op school vertellen rond dat ze nog niet ongesteld is geworden. En als Selinha, haar boezemvriendin, daarover begint doorstromen ‘gevoelens van haat, tegen haar eigen lichaam en  schaamte’ haar. Haar eerste gevoelens van verliefdheid ondergaan hetzelfde lot.
Bea Vianen, Meerzorg, 2010

Het meest diepe gevoel van schaamte dat van haar bezit neemt is de zoveelste zaterdagavond wanneer haar vader beneden  weer met de valsmunters aan tafel zit, nadat zij hun weekloon van hem hebben ontvangen. Haar vader lacht en drinkt met zijn bedriegers en ze maken plezier. Heeft hij ooit tegen haar gelachen? Boven op haar kamer begint ze als een bezetene op haar deur te bonken tot haar vuisten ervan gloeien. Zíj bestáát óók! En heeft ook recht op vrolijkheid en plezier! Behalve de kermis, een keer per jaar, de huwelijksceremonies, de school en Selinha! Haar vader komt naar boven en vraagt of ze gek geworden is.

En na deze ontlading gebeurt het. Ze voelt dat haar dijen kleverig zijn. Haar eerste menstruatie.
Ze snelt het huis uit naar Selinha en mystificeert en ontkent eerst het gebeurde tot ze uiteindelijk moet toegeven dat ze menstrueert. Dan volgt de diepe schaamte daarover. Haar vader mag dat niet te weten komen. Ze doet er alles aan om te voorkomen dat hij dat te weten komt.

Later verbaast het Selinha dat S. zich tegen haar menstruatie verzette.
S. kan niet de woorden vinden om haar het dieper liggende verhaal dat daarachter schuil gaat te vertellen.

S. blijft ontkennend tegenover haar lichaam staan. Selinha moet haar erop attent maken dat ze toe is aan een bh. Schaamte overvalt haar weer. Ze vraagt wat een bh kost. Dat geld moet ze aan haar vader vragen, maar ze zal zeggen dat ze geld nodig heeft om boeken te kopen.

S. zoekt troost. Ze verdiept zich in de poëzie van Tennyson, de Brownings of de Tachtigers. Zij herkent in hun werk de eenzaamheid, gebroken gevoelens in de volmaaktheid van het landschap. (pag.45)

Hoewel S. het boek Verleden heeft gesloten laat het onbewuste zich niet zo makkelijk in een kerker wegzetten. Het onbewuste laat haar niet met rust en manifesteert zich keer op keer in dezelfde droom, een déjà vu. Sinds Freud weten wij dat dromen een psychisch fenomeen zijn en zich lenen voor duiding. De droom codeert het raadsel waarmee zij worstelt.

‘Zij weet niet hoe zij daar gekomen is. Maar zij is er. Voor haar is een lange, een heel lange brug. Er lopen mensen onder dunnen sluiers. Zij zijn alleen maar zichtbaar door de voeten die zich verplaatsen. Opeens is zij naakt en loopt tussen twee mannen. Zij moet het schip halen. Zij rent naar het water, ziet het witte schip met zijn passagiers vertrekken. ‘Breng me erheen’, smeekt zij de mannen in kaki, ‘breng me erheen. Ik moet het halen.’ Dan zit zij in een motorboot, nog altijd naakt, op weg naar het schip. Maar als zij de hoge golven ziet smeekt zij de mannen aan lang terug te gaan’.(pag. 46)

Dan wordt ze wakker.
De droom kan zij niet duiden.


Het verhaal van S. is doorspekt van zelf- en maatschappij-analyse. Het duistere onopgehelderde verleden overwoekert het hier en nu. Het noodlot, de terugkerende patronen van liefdeloosheid, in de steek laten, onderworpenheid en huiselijk geweld, ‘koude oorlog sfeer’ doorkruisen alle relaties. De cirkelgang, ‘die ewige Widerkehr des Gleichen’ zoekt zij te doorbreken. ‘Natuur is’, zegt ze ‘verveling voor wie niet alleen maar willen eten, slapen en kinderen verwekken. Angst voor een vrouw die geen werktuig wenst te zijn.’ (pag. 142)

En toch moet zij ook deze noodlottige weg eerst gaan om daaruit gelouterd tevoorschijn te kunnen komen.

‘Een kind wordt geboren, groeit op om later de littekens te herkennen, die er al waren, nog voordat het bestond. Het staat er niet bij stil, stelt zich vragen, verzet zich met ongeloof, wrok, haat. Dat is niet het einde. Er bestaat zo iets als een paspoort dat je niet zelf hebt getekend. Er is een bestemming die je niet zelf hebt bepaald. Het is de bestemming van de leegte, de onmacht , het verdriet.’
(pag. 93)

Foto S. Nandhoe

Selinha
Selinha is de boezemvriendin van S. Haar vader is mohammedaan, haar moeder creoolse. Zij praat makkelijk over seks en seksualiteit. S. vraagt zich eens af waarom ze niet is zoals Selinha die alles gewoon vindt, ijdel is omdat ze volwassen is, ijdel omdat zij weet dat er naar haar gekeken en gefloten wordt. Ze weet het antwoord. Het komt door die schim van een vader die haar nooit de kans heeft gegeven een meisje te zijn.
S. is zich nauwelijks bewust van haar lichaam. Selinha moet haar erop wijzen dat zij aan het dragen van een bh toe is. Ze vraagt aan Selinha wat een bh kost. Dat geld zal ze aan haar vragen moeten vragen. Maar haar vader mag niet weten waarvoor. Ze zal zeggen dat ze dat nodig heeft om boeken te komen.
Selinha en S. slagen voor hun examen. Selinha neemt een kantoorbaan en S. gaat naar de middelbare school..
Selinha en Radj raken verliefd op elkaar. Als de Selinha’s vader daarachter komt tuigt hij zijn dochter af met een stok in bijzijn van haar halfbroers en broers die geduldig en voldaan toekijken en S. en Soekhia. Radj is een hindoestaan, geen mohammedaan. Haar vader zei dat ze beter thuis kan komen met een neger dan een vervloekte Hindoe.
Selinha raakt zwanger van Radj. Zij vertelt aan S. dat zij met opzet zwanger is geworden. ‘Het is de enige manier zegt ze om ze ( vaders, ouders) tot rede te brengen. Je moet ze flink belachelijk maken.‘(pag.78)
Ze trouwen. Radj moet daarvoor mohammedaan worden, wat hij doet.
De ouders van Radj komen niet naar het huwelijk. Selinha krijgt een zoon.
Radj vindt werk in Nickerie. Ze verhuizen daarnaar toe. Als S. Selinha in de vakantie wil opzoeken, krijgt zij geen toestemming van haar vader.
Hun vriendschap ebt langzaam weg, wat hun beiden raakt.

Islam
S. moet eerst niets van Islam hebben. Ze is bang van haar vader, daarom bang van mannen. Die brengen haar in verwarring. En de eerste die haar in verwarring bracht was die laffe Harynarain, haar grootvader.
S. slaagt voor haar eindexamen middelbare school. Ze wil gaan studeren. Ze gaat er geheel van uit dat haar vader daarmee akkoord gaat. Goede rapportcijfers en studie is het enige wat voor hem telt. Tot haar verbazing zegt hij nee. ‘Het is Ata’s beurt’. Een diepe teleurstelling.
Zij en Islam zien elkaar vaker. Ze raakt zwanger van hem. Ze vlucht uit huis en trekt bij Azaat, Islams broer samen met hem in. Ze walgt van het huishouden daar, de viezigheid, smerigheid. In die vijandige ruimte kijkt ze naar haar spullen die alle hun vertrouwdheid verliezen. ‘Ze zijn een deel van miskenning, zelfverloochening.’
Ze trouwen, maar S. wil niet daar blijven wonen.
Soekhia weet een huis in haar straat. S. krijgt geld van Islam en huurt het huis.
Ze gaan daar wonen. Het kind wordt geboren, een zoon. Ze noemt hem Ata, naar haar broer.
Diep in haar hart weet ze dat ze haar eer heeft gered door een man te trouwen op wie zij niet verliefd is.
Haar broertje komt vaak langs en zegt dat haar vader wil weten hoe het met haar gaat. Ze gaat daar niet op in.
Als het kind vijf maanden oud is, is het zover. Ze wil niet meer met Islam. Ze is jong genoeg om opnieuw te beginnen.
Ze vertelt Ata dat zij hun vader komt opzoeken. Al haar haatgevoelens slaan om in toegeeflijkheid. 
Liefdevol ontvangt de vader haar en zijn kleinzoon. Zij vertelt hem dat zij wil gaan studeren of ze het kind bij hem kan laten. Dat kan. Hij zegt: ‘Het is ook mijn bloed. Ik zal voor hem zorgen.’

Islam die het huis heeft verlaten zei dat hij eens terug zou komen.
En dat doet hij ook.
Een week voor haar vertrek komt hij met zijn broer Azaat laat in de avond het kind opeisen. De deal is ‘Geef me het kind, en ik zal je verstoten.’
Hij is haar weer te slim af. Hij heeft altijd alles geweten wat zij deed. Hoe? Ze zal daar nooit achter komen. Ze bijt op haar tanden en zegt: ‘Verstoot me en ik zal je het kind geven.’ Hij kijkt haar triomfantelijk aan, draait zich snel om en wenkt de mannen binnen te komen.

Het kind als prijsoffer en ook de prijs om te kunnen ademen, leven, zijn. Om te kunnen zeggen: ‘Ik ben geen S. of het meisje. Niet meer.
Sita! Sita! Ik durf mezelf bij de naam te noemen. Omdat ik weet wat ik niet wil:
Stikken! Stikken! Stikken!

  
Ze glimlacht door haar tranen heen.
Het begint te regenen. (pag.160)


Bea Vianen, Sarnami, hai; roman. Amsterdam: Querido, 1969 (3e druk verschenen bij In de Knipscheer)

vrijdag 26 oktober 2012

Identiteiten (1): Kafka versus Brink (afl. 3 en slot)

door Ken Mangroelal
 
In de wereld van Gregor gaat het anders toe. Bij hem valt de identificatie niet in scherven uiteen, maar is er een absolute behoefte tot instandhouding daarvan.

Wij herinneren ons de plaat aan het begin van het verhaal. De plaat die hij uit een geïllustreerd tijdschrift heeft geknipt en van een gulden lijst voorzien. De plaat stelt een rechtop zittende dame voor, van een bonten muts en een bonten boa voorzien, die een zware mof, waar haar hele onderarm in verdwijnt naar de toeschouwer omhoog heft.

Toen zijn moeder en zuster begonnen waren met het weghalen van het meubilair uit Gregors kamer om hem meer bewegingsvrijheid te gunnen, konden zij alles meenemen wat hem betrof, behalve die plaat. Ter verdediging van die plaat was hij erop gesprongen en zou die nooit prijsgeven. Hoe intens zijn verdediging van die plaats was, blijkt uit het feit dat hij zich met geweld daarvan moest lostrekken, in de verdediging was hij daaraan vastgekleefd geraakt.
De eniging, de vereenzelviging met deze plaat is nu duidelijk. Er is iets in de wereld waarmee hij onlosmakelijk is verbonden, waarmee hij samenvalt en wat hij als deel van zichzelf ervaart. Kijken we opnieuw naar de plaat dan zien wij de vrouw in bont gehuld. Een verwijzing naar haar dier-zijn? Zijn mens/dierlijke wederhelft? Een verborgen huwelijkswens? In ieder geval iets in de wereld waarmee de identiteit tegen elke prijs verdedigd en behouden moet blijven tegen kapotgaan, teloorgaan.

In tegenstelling tot Steve’s wereld, waar zijn worsteling met zijn identiteitscrisis  zijn verhouding met anderen verstoort, en een sombere toekomst zich aan de horizon aftekent, is er in de wereld van Gregor veeleer sprake van een intensivering van de liefde die de Samsa’s voor elkaar voelen. Na Gregors gedaanteverwisseling raken zijn ouders en zuster financieel meer op zichzelf aangewezen hetgeen resulteert in hun toenemende onafhankelijkheid en zelfstandigheid en zelfontplooiing. Ja, in Die Verwandlung gaat zelfs een sociaal-politiek verhaal schuil: maak mensen financieel onafhankelijker van elkaar of van een stelsel en zie, zij zullen groeien in persoonlijkheid en initiatief en zelfontplooiing.

Er is nog meer bloei. Door de dood van Gregor durven zijn ouders dingen aan die ze tijdens zijn leven niet aandurfden zoals verhuizen. Ze durven nu te verhuizen naar het huis dat hun door Gregor is aangeraden. Ook zien de ouders met nieuwe ogen naar hun dochter. In weerwil van alle ellende met betrekking tot Gregors gedaanteverwisseling is zij tot een mooi en weelderig meisje ontloken. Ze zien nu een toekomstige bruid in haar en moeten op zoek gaan naar een geschikte man.
The Black Tape Project

Het is alsof Gregor met zijn dood zijn tweede offer aan hen bracht. Tijdens zijn leven voor de gedaanteverwisseling, het voorzien in hun onderhoud, en daarna de groei en verruiming van hun individuele levensmogelijkheden.

Recapitulerend: Die Verwandlung laat iets van een ongestoorde identiteit zien.
Gregor raakt niet in een identiteitscrisis verwikkeld, zoals Steve. Ook blijft de liefde die de Samsa’s voor elkaar voelen in tact. Bij Steve verandert er niets in de verhouding van zijn collega’s, kinderen en vrouw en anderen ten aanzien van hem. Maar de worsteling met zijn crisis verziekt zijn verhouding met zijn naasten en de wereld. De spiegeling van zijn identiteit springt kapot en ligt in ontelbare scherven in het nieuwe Zuid-Afrika aan zijn zwarte voeten en lijmpogende ziel.

En als Die Verwandlung niet handelt over een identiteitscrisis, waarover dan?

Over onvoorwaardelijke liefde. De Samsa’s omwringen elkaar met hun voortdurende zorg en liefde. Gregor wordt in zijn dier-zijn niet afgewezen. Voor zijn ouders en zuster blijft hij ondanks zijn afschrikwekkende non-humane verschijning Gregor met slechts één handicap dat hij de menselijke taal niet meer machtig zou zijn en dat daardoor geen verstandhouding met hem mogelijk zou zijn.

‘Als hij ons maar verstond’, zei zijn vader, half vragend; zijn zuster schudde onder het huilen heftig met de hand ten teken, dat daaraan niet gedacht behoefde te worden.’ (p. 715)
Weens Operabal

Gregor is dood.
Ik hoop dat het met Steve goed komt.


Literatuur:
Franz Kafka, Verzameld Werk (Querido, Amsterdam tweede druk 1980).
André Brink, Spiegel (Meulenhoff, Amsterdam 2008).

Identiteiten (1): Kafka versus Brink (afl. 2)

door Ken Mangroelal


Hoe zit dat met Steve in het verhaal van André Brink?
Ncolaas Porter - Butju

Bij hem is wel van een identiteitscrisis sprake. Laat mij enige momenten van zijn  crisis voor belichten:

Breuk

‘Het was mijn scheerdag. Ik haalde het scheermes uit zijn blinkende houder naast de fraai gevormde dubbele wasbak, liet het warme water lopen, probeerde de temperatuur uit, zeepte verlekkerd mijn gezicht in en maakte aanstalten verder te gaan.
Maar dan houd ik opeens op.’ (p. 25)

Confrontatie en psychische reactie op de verandering die zich heeft voltrokken

‘ Niet-begrijpend, als versteend, huiverend in een onverwachte kouvlaag blijf ik naar mijn spiegelbeeld staren.’ (p. 26)


 Dezelfde (Steve) en toch een ander:

'Opnieuw staar ik naar het gezicht in de spiegel. Het is een gezicht dat ik nooit eerder in mijn leven heb gezien. Onwillekeurig ga ik met mijn hand naar mijn wang. De vreemde in de spiegel doet hetzelfde.’ (idem)

Het onherroepelijke

‘ Ik voel de verbaasde aanraking van mijn vingertoppen op mijn wang. Ik moet het wel zijn.
En toch is dat onmogelijk. Dat kán ik niet zijn.
Het gezicht dat uit de spiegel naar me terugkijkt is zwart.’ (idem)
Ncolaas Porter - Butju

Zelfinterrogatie en identiteitscrisis

Hoeveel verder gaat het dan wat ik in de spiegel heb gezien? Bėn ik eigenlijk nog wel wie ik was?’ (p. 38)

‘Wat maakt een zwarte man ‘anders’? Of bestaat er geen verschil? Beschikt hij over wat wij mensen zo graag ‘een eigen identiteit’ noemen - of wordt hij alleen maar bepaald door de manier waarop anderen hem zien?’ (idem)

Mijn eerste reactie voor de spiegel was schaamte, geloof ik. Maar schaamte waarover? Over het feit dat ik zwart ben? Nee, dat niet. Maar over het feit dat ik mezelf niet herkende. Dat er niets in de spiegel was waarmee ik mezelf kon identificeren of waarvan ik ook maar iets herkende.’ (pag. 51)

‘Mijn speurtocht naar wie en wat ik eigenlijk ben.’ (p. 70)

‘Ik wil weten wat het betekent om zwart te zijn. Ik wil weten wat het betekent om míj te zijn.’ (idem)

Ik heb geen voeling meer met de man die ik was. Alle reacties, waarnemingen, gedachten zijn onvoorspelbaar geworden. Het gaat niet louter om mijn huidskleur. Die kleur heeft er wél mee te maken.: daar is alles juist mee begonnen. Maar het gaat verder. Het gaat om mij. Om mijn binnenste kern.’ (p. 104)

‘Misschien heb ik nooit zoiets als een kern, een eigen ik gehád.’ (idem)

Zoektocht naar herkenningspunten(somatische) naar zijn vroegere zelf

'Kleine plekjes en vlekjes die ik opeens van vroeger herken, zelfs uit mijn kindertijd- het litteken over mijn grote teen, de verwonding boven mijn hiel die veroorzaakt is door een brandend stukje hout dat in mijn schoen terechtkwam, de keep in de nagelriem van een van mijn middelste tenen. Ik herken ze allemaal. Samen vormen ze míj. En toch ook niet precies dezelfde ik die ik meende te kennen.’ (p. 30)
Nicolaas Porter - Frans

Vervreemding van zijn vrouw

‘Carla (Steve’s vrouw) steekt haar hand half naar me uit. Ik zie haar blote vingers, ontdaan van haar trouwring.
Onbeschut, kwetsbaar, weerloos, lijkt het alsof haar vingers zich tastend naar me uitstrekken. Maar ik herken ze niet meer, ik ben van ze vervreemd, want alles wat ze uniek en herkenbaar maakte is verdwenen. Ze hebben niets meer wat te kennen geeft wie Carla is, wie wij zijn, hoe wij hier gekomen zijn. Ze laat haar arm weer zakken.’ (p. 148)


Aanvaardt Gregor zijn gedaanteverwisseling met enige gelatenheid, Steve raakt van zijn anders-zijn geheel van streek.

Steve wordt met een voor hem onbegrijpelijke materie geconfronteerd. Zijn hele begrip van ‘objectiviteit’ en ‘intersubjectiviteit’ wordt aan het wankelen gebracht. Voor zover hij weet is hij nu zwart, objectief gezien zwart, maar zijn zwart-zijn verschijnt niet in de waarneming van zijn collega’s, kinderen en vrouw. Voor hen verschijnt niet de nu zwarte Steve, maar de blanke Steve. Hoe kan dat? Wie heeft er gesleuteld aan onze waarneming, ons begrip van realiteit?
Dergelijke vragen moet hij zich in zijn radeloosheid hebben gesteld.


In een restaurant waarin hij zich met zijn vrouw bevindt en dat overvallen wordt  door een groepje zwarte Zuid-Afrikanen, meent hij eindelijk het antwoord van de kant van zijn vrouw op zijn objectieve zwarte verschijning te vernemen:
Nicolaas Porter - Poppie

‘Haar adem (Steve’s vrouw) is gejaagd, onregelmatig. ‘Jij bent de enige hier die met ze [de overvallers] kan praten.’
‘Hoezo?’
Dan snap ik het opeens. Het komt als een mokerslag bij me aan.
Ze knikt tegen mijn schouder. ‘Jij bent – ‘ aarzelt ze. ‘Jij bent één van hen. Als er iemand is naar wie ze misschien luisteren, ben jij het. Alsjeblieft , Steve. Je móet het proberen.’ (p. 127/8)

En Steve reageert hierop met:

‘Maar wat ze zegt is misschien wel het meest schokkende wat ik vandaag heb gehoord. ‘Jij bent één van hen.’ Dat kan onmogelijk zijn wat ze bedoelt; maar toch is het alsof ze heel onverwachts, maar ook heel beslist een deur tussen ons dichttrekt.’ (p. 128)

‘Nu voel ik helemaal geen vaste grond meer onder de voeten. Er is alleen duisternis. Een leegte. Een gevoel dat ik in vrije val door eindeloze ruimte tuimel. Ik voel me misselijk, misselijk. Duizelig.’ (idem)

Later vraagt Steve opnieuw aan zijn vrouw wat zij met die uitspraak bedoelde. Hij zegt dat hij dat moet weten. Dan volgt haar uitleg terwijl zij hem niet aankijkt:

‘voorzover ik me kan herinneren moet het iets te maken hebben gehad met het nieuwe Zuid-Afrika. Weet je wel? Zij maken daar deel van uit. En jij ook. Op jouw manier.,’ Jij vaart kennelijk zonder ballast. Jij werkt samen met iedereen die je wil hebben. Dat heb je altijd gedaan. Dus dacht ik dat ze misschien zouden luisteren als jij met ze zou praten.’ (p. 145)

Zijn objectieve zwart-zijn is dus weer niet gezien of bevestigd. Filosofisch ligt hier het probleem van wat Steve vanuit zijn waarneming voor werkelijk houdt, voor hem ook werkelijk is. De anderen doen vanuit hun optiek hetzelfde. Is er dan nog sprake van een gemeenschappelijke wereld? Van een intersubjectieve wereld?
Nicolaas Portret - Portret

Steve’s verwarring houdt gedurende het hele verhaal aan. Aan het eind van het verhaal voorspelt zijn crisis niet veel goeds. Hetgeen zich weerspiegelt in het onverklaarbare kapotspringen van de Jugenstilspiegel in de badkamer. De spiegel die zijn vrouw kocht, de spiegel waarin hij in de harpvormige ruimte tussen de sierlijke armen en handen van het naakte tinnen meisje met de lange golvende haren oog in oog heeft gestaan met zijn spiegeling en schokkende transformatie.

Waar verwijst dit kapotspringen van de spiegel naar? Naar ‘nu is alles aan diggelen’? Zijn identiteit? De eenheid met zijn vrouw? De liefde tussen een blanke vrouw en zwarte man?

[wordt vervolgd]

Identiteiten (1): Kafka versus Brink (afl. 1)

door Ken Mangroelal

Voor mij ligt opengeslagen een wiskundeboek met daarin een curve die eerst een stijgende lijn vertoont en vervolgens een knak, een discontinuïteit, een plotselinge kwalitatieve omslag, een breuk met het verleden dat een geheel aan vooronderstellingen en verwachtingen in het niet doet verdwijnen. Ik kijk op uit het boek en mijn gedachten leiden mij geleidelijk, waarschijnlijk door dat dramatische moment van die breuk, naar twee verhalen: Die Verwandlung van Kafka (1912) en Spiegel van André Brink (2008).
Beelden- en gedachteassociaties hebben zo hun eigen interne logica. Het duurde dan ook enige tijd voordat ik begreep wat deze verbanden van mij wilden. De wiskunde zou moeten wijken en plaatsmaken voor zoiets wat zich liet omschrijven als ‘vragen omtrent plotselinge veranderingen, wendingen, verstoringen in de verhouding der dingen, in mensen en zelfbeelden.’



Woorden als ‘knak’, ‘breuk’, ‘discontinuïteit’, moeten mij op het spoor hebben gezet van een onderzoek naar deze twee verhalen. Verhalen waarin inderdaad sprake is van een ‘breuk’, een ‘discontinuïteit’. In het verhaal van Kafka ontwaakt Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen en ontdekt dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte is veranderd; in dat van Brink kijkt Steve, een blanke Zuid-Afrikaan, tijdens het scheren in de spiegel en ziet dat zijn gezicht niet meer blank, maar zwart is.

De vraag werpt zich op: Hoe ervaren Gregor en Steve hun transformatie die zich geheel buiten hun weten om voltrokken heeft? Laat mij eerst vertellen dat de metamorfose in hun beider geval in hun private sfeer heeft plaatsgehad. Bij  Gregor in zijn bed in zijn slaapkamer, en bij Steve voor de spiegel in de badkamer. Beiden worden dus het eerst en in afzondering  met hun verandering geconfronteerd en daardoor uitgenodigd tot een eerste reflectie daarover.
Die Verwandlung

Het merkwaardige is dat Gregor, hoewel hij van mens in een monsterachtig dier (ungeheueren  Ungeziefer) is veranderd, zijn nieuwe identiteit van meet af aan aanvaardt. Dat hij zich nu in het lichaam van een hulpeloos dier moet voortbewegen, schokt hem geenszins. Hij is veeleer in de weer met het zo goed mogelijk omgaan en benutten van zijn nu dierlijk-somatische mogelijkheden om datgene te bewerkstelligen wat hij voor de gedaanteverwisseling moeiteloos had volbracht.

Tekenend bij hem is de afwezigheid van zelfinterrogatie, van thematisering van zijn nieuwe identiteit. Zijn dualiteit, zijn dier/mens-zijn brengt zijn zelfbewustzijn geen moment aan het wankelen: in zijn zelfbeleving is en blijft hij Gregor, ook na zijn gedaanteverwisseling. Van zijn standpunt uit beschikt hij nog over alle faculteiten om naar zijn werk te gaan en zijn werkzaamheden als reizende te hervatten. Ook blijft de familie in dat monsterachtige ongedierte dat zich nu in huis voortbeweegt Gregor zien. Pas aan het eind van het verhaal rijst bij zijn zuster twijfel over zijn identificatie:

‘Ik wil tegenover dit ongedierte niet de naam van mijn broeder uitspreken, en daarom zeg ik alleen:
wij moeten proberen hem kwijt te raken.’ (p. 714)

Maar spoedig wordt zij na deze stellige uitspraak door radeloosheid bevangen.

[wordt vervolgd]

maandag 11 juni 2012

Ken Mangroelal



Portret van de Surinaams-Nederlandse schrijver Ken Mangroelal, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 97 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

zaterdag 12 mei 2012

Ken Mangroelal - Vijanden van het volk

In de NRC (07-05-2012) lees ik dat de Surinaamse president Desi Bouterse critici van de recente amnestiewet “vijanden van het volk” heeft genoemd en ook dat deze critici “misdadige” pogingen doen om Suriname te “destabiliseren”.

Dat is een mond vol!



Desi Bouterse kan niet anders dan “misdadig” terugslaan en het recentelijk gecreëerde onrecht door de wetgever zelf pogen te verdedigen. Zoals wij allen weten is in een rechtstaat ook de wetgever aan het recht gebonden. Dat de grondwet van meet af aan met de voeten is getreden en de rechtspraak de mond wordt gesnoerd en haar onafhankelijke positie dreigt te verliezen, dat allemaal is wat mij betreft wereldschokkend.

Nu haalt hij ook nog het volk erbij. Natuurlijk. Zijn onrecht ontbeert rechtsgeldige en democratische legitimiteit. Slim van hem om het volk erbij te betrekken, zo incorporeert hij ook hen, behalve het parlement in zijn ‘misdadige ‘opzet. Legitimiteit en rechtsgeldigheid kun je niet afdwingen.

De positie van het recht in Suriname baart mij grote zorgen. In de ontwikkeling van de rechtstaat zien wij steeds meer dat ook de wetgever aan het recht is gebonden. Dat willekeur van de kant van de machthebbers zoveel mogelijk wordt ingeperkt. Suriname laat nu juist zien dat de machthebbers via legitieme weg hun onrechtmatige programma ten uitvoer kunnen brengen.

Ik geloof dat het onderwijs in Suriname een belangrijke rol kan gaan spelen in de ontwikkeling en bescherming van de rechtstaat door de jeugd lessen in het recht te verstrekken zodat zij in de toekomst weerbaarder worden en de verdere afbraak van het rechtssysteem kunnen voorkomen.

Wij buiten Suriname moeten er alles aan doen om het recht in Suriname te doen wedervaren. Moge God ons daarin bijstaan.

dinsdag 3 januari 2012

Dichtkunst en Filosofie

door Ken Mangroelal

G.W.F. Hegel en L. Hughes


Eerst het gedicht I, too van Langston Hughes (1902-1967) ter lezing:

I, too, sing America. I am the darker brother. They send me to eat in the kitchen When company comes, But I laugh And eat well And grow strong. Tomorrow I'll be at the table When company comes. Nobody "ll dare Say to me "Eat in the Kitchen", Then. Besides, They'll see how beautiful I am And be ashamed- I, too, am America.
Dit gedicht laat zich moeiteloos lezen en de boodschap is helder: I, too am America.
Oppervlakkig gezien valt er verder weinig over dit gedicht te melden,- in de diepte des te meer.
Want vanuit welk bewustzijn spreekt de dichter? Wat moet hij hebben ervaren en achter zich hebben gelaten om te zeggen wat hij zegt? Wat ik verrassend aan dit gedicht vind, is dat de ontwikkeling die het 'ik' heeft doorgemaakt voor een groot deel terug te vinden is in de Phänomenlogie des Geistes van G.W.F. Hegel (1770-1831) en wel in het beroemde hoofdstuk 'Selbstbewusstein' en specifieker onder de noties 'Herrschaft und Knechtschaft'.



Het 'ik' dat zich in het gedicht uitspreekt is zich bewust van zichzelf. Het vat zichzelf niet op als 'ding', maar als 'zelf'. En dat niet alleen. Het is niet alleen zichzelf bewust als 'zelf', maar ook de ander als 'andere zelf'. Deze staat van zelfbewustzijn, waarin het 'ik' zich weet als 'wij' en omgekeerd noemt Hegel 'Geist': Ich, das Wir, und Wir, das Ich ist.

Het 'ik' zit niet opgesloten in zichzelf als persoon of ras. Hoewel het zichzelf betitelt als 'darker brother' zit het niet in zijn kleur gevangen. Het transcendeert zijn persoon als 'ik' en de kleur van zijn ras (later in het gedicht spreekt het over de schoonheid van zijn ras, wat de ander nog moet ontdekken).

Zijn positie als ondergeschikte (als dienende en gehoorzamende) ondergaat het met enige gelatenheid. Spiritueel is het bevrijd van 'dienst en gehoorzaamheid', maar tegelijk komt het niet daartegen in opstand; het voert zijn werk naar behoren uit. Het gehoorzaamt als het door zijn meester/meesteres naar de keuken wordt gestuurd als ze bezoek krijgen. Het moet zich in het woonhuis (microkosmos) van zijn meester terugtrekken in de keuken, zijn werkplek, zijn plaats in de samenleving als ondergeschikte. En ook als het 'America' (macrokosmos) zingt telt zijn stem (nog niet) in het gezang mee.

De meester/meesteres beschikken ook over een zelfbewustzijn, maar daarvan wordt dit 'ik' uitgesloten. Hun wereld is geen wereld waarin er sprake is van een 'wij' waar dit 'ik' deel van uitmaakt. Voor hen is het 'ik' van het gedicht nog een ding, een slaaf. Het dient hen als 'meester' te erkennen, te dienen en gehoorzamen en zichzelf weten als hun bezit. Dat het over zich zelf kan beschikken, vrijelijk over zichzelf kan beschikken, als persoon, mens, zelf, geldt in hun wereld als utopie. Zij dromen niet van gelijkheid, maar van status quo, ongelijkheid en verder niets.

De huiskamer is de plek van de gelijken, de personen waarmee de meester/meesteres zich als gelijke weten, die zij als gelijke erkennen. Het 'ik' dat zich uitspreekt in dit gedicht wordt niet als gelijke erkend. Daarom moet het naar de keuken. Hoewel het als 'Geist' deze tegenstelling reeds te boven is en voor zich zelf heeft opgeheven.

Het gedicht spreekt van een 'nu', eerste deel, en van een 'morgen', tweede deel. Het 'ik' schetst in het tweede deel een toekomstvisie. Het zal aan de tafel zitten, als er bezoek komt, zal niemand durven het naar de keuken te sturen, de aanwezigen zullen zien hoe mooi het is en zij zullen zich schamen.

We hebben de situatie van het 'ik' dat zich reeds als gelijke weet. Maar in werkelijkheid is er nog altijd sprake van ongelijkheid. Het 'ik' wordt nog niet werkelijk als gelijke erkend. Zijn concrete gelijkheid is toekomstmuziek.

Hoe deze gelijkheid toestand moet komen, of er voor gestreden moet worden of niet dat geeft het gedicht niet aan. Martin Luther King had ook een droom, een droom die toen hij werd uitgesproken niet meer was dan een droom. Zonder strijd was die droom bij een droom gebleven en nooit werkelijkheid geworden.

Wonderlijk, Hegel heeft dat allemaal gezien. Hij zegt: "Das Individuum, welches das Leben nicht gewagt hat, kann wohl als Person anerkannt werden; aber es hat die Wahrheit dieses Anerkanntseins als eines selbständigen Selbstbewusstseins nicht erreicht." (Het individu, dat zijn leven niet in de waagschaal heeft gesteld, kan wel als persoon worden aangemerkt, doch het heeft de waarheid, om als zodanig te zijn erkend, niet vanuit een zelfstandig bewustzijn verworven."

Illustratie: Robert Crumb

dinsdag 6 september 2011

Ken Mangroelal - Panta rhei (10 en slot)

Im Anfang war die Tat (Goethe)


“En wetend heb ik niet gedaan, alleen gevoeld.”
(Agnes d’Esternay)

Hier heerst de stilte die ik uit jouw dagboek heb leren kennen, Agnes d’Esternay. Jouw Kra doolt hier door de bossen, langs de kreken en oevers en hellingen, ja zelfs door deze stad. Het is de stilte die jij alleen in haar diepste, metafysische zin kent. Ik kan niet nalaten hier opnieuw te lezen wat jij hier over de stilte hebt geleerd. Maar vergeef mij dat ik hier jouw woorden prevel, voor mij zoet als een gebed, want je schreef ze ‘voor de koestering der vergetelheid’: De stilte, zeg je, “is onze leeftocht en borst-om-aan-te-schreien. En onze burcht, onze vlag, onze vlucht.”



Behalve je dagboek liet jij je bijbel en je luit in de stille plantage achter. Veel betekenend wat je achterliet met als enige erfgenamen ‘insecten en onkieskeurige schimmels’ of degene die er afstand van doet. Ook veelbetekenend wat je met je meenam, Boëthius, het kleine boekje dat je vader heeft toebehoord, ik meen De vertroosting der wijsbegeerte? De luit heb je op de plantage nooit bespeeld. De stilte zeg je “is mijn aeolusharp geworden, waarin zelfs de zachtste herinnering speelt als een bries. Speelt als ik zit met de vingers gevouwen, en luister.” Als ik je luit zou vinden en die zou willen bespelen dan zou ik, geef je mij de verzekering “geen andere muziek aan haar meer kunnen ontlokken dan stilte die in haar holte verzameld is tot spinrag en stof en een vormloos herinneren.”

De muziek die je met je meenam is die van de slaven, “het getamp in de nacht en van stemmen die aldoor opnieuw één vervagende toonval herhalen.”

vrijdag 2 september 2011

Ken Mangroelal - Panta rhei (9 )

Happy few

Even terug naar Dr. Jan Verhoeve. Waar heb ik die aantekening liggen. Nee, niet hier op m’n bureau in het hotel, maar ergens in een persoonlijk archief in de virtuele ruimte. Goed even met de snelheid van het licht daar naartoe. Gelukt. Ja hier is het: “..A few exceptional people… ome to great achievements, but they lose their nationality..” Ja, die zinsnede heeft mij aan het denken gezet. Ik heb de airco goed koel gezet zodat ik hier goed over kon nadenken. De weinige exceptionele burgers van dit land die iets groots hebben gepresteerd zijn burgers die hun nationaliteit zijn kwijtgeraakt. Wat een samenhang! De gevierde burger is de vervreemde burger. Vervreemding. Duits-filosofisch thema, Hegel, Marx, of Frans Existentialisme. Wacht even naar het archief, zoeken onder F. Ja hier heb ik het Frantz Fanon: “Pour le Noir, il n’y a qu’un destin. Et il est blanc.” (“Er is voor de Neger maar een bestemming en die is blank.”)

De burgers die de onafhankelijkheid van dit land zijn ontvlucht, reisden instinctmatig af naar hun blanke bestemming. Zij verkozen hun vervreemde staat boven die van een nationale identiteit. Ik geef ze geen ongelijk, want in de vervreemding sluimert het succes. Wat een feest als al deze vervreemden naar Suriname terugkeren. Wat een succes staat Suriname te wachten. Het wordt niet een remigratie van een ‘few’, maar van een halve natie exceptionelen zwanger van succes.

Ik denk dat dat praatje van Dr. Jan Verhoeve mij tot het volgende gedicht heeft geïnspireerd, geschreven in het Papiaments




Calculus y Asimilation

Si mi pensa mi mes
Asimilando
Mi sa cu tin un limite
Mi por acerca
Ma nunca alcanza
O transcende
Y e limite ta e Otro
Cu mi so por ta
Aproximadamente
Anto
Disasimilando
Mi por bira
Absolutamente
Mi mes

Infinitisimale rekenkunde en assimilatie

Als ik mijzelf assimilerend denk
Weet ik dat er een limiet is
Die ik kan naderen
Maar nooit kan bereiken
Of overschrijden
En de limiet is De Ander
Die ik slechts kan zijn
Bij benadering
Ergo
Disassimilerend
Kan ik
Absoluut
Mijzelf worden


[wordt vervolgd]

Onderste foto: @ National Geographic

Ken Mangroelal - Panta rhei (8)

Erfgenaam

Een troost. Soms vind je hier een waardepapier terug. Niet alle archieven blijkbaar verrot of in rook opgegaan. Uit dit document blijkt dat ik erfgenaam ben van een stukje grond en een huis, nooit door de familie opgeëist. Het is een snikhete dag. Ik neem een taxi met airco eerst naar het stukje grond, daarna naar het huis. Het stukje grond blijkt inderdaad een stukje grond. Alleen begrijp ik niet wat dat familielid bezielde om dit stukje grond te kopen dat ingeklemd zit tussen een hoekhuis en een supermarkt (Chinees).

Na wat heen en weer geloop krijg ik het door. Na een halve eeuw dachten de buren, zullen we niet landjepik? Het hoekhuis, geen adres, incorporeerde een stuk groot genoeg voor een garage met stukje tuin; de supermarkt-Chinezen kunnen beter gokken, een stuk flink genoeg voor een huis met voortuin naast de supermarkt.

Noch in het hoekhuis, noch in de supermarkt iemand te vinden voor nadere uitleg.

Dan maar naar het huis. Het moet er vroeger redelijk uit hebben gezien met een aardig stuk grond eromheen. Maar nu ziet het er, hoe raad je het, vervallen en verveloos uit. Ik kan niet tegen verveloze huizen in de tropen. Die doen pijn aan m’n ogen. Ik loop naar het ijzeren hek. Twee bloeddorstige straathonden verwelkomen me. Ik kan dus niet verder. Ik sta daar vijf minuten. De honden slaan steeds weer aan als ik het hek nader. Er moeten mensen thuis zijn. Een auto staat in de garage en door de jaloezieën glipt muziek die ik niet kan thuisbrengen. Ik geef het op en vertrek. Het zit me toch niet lekker en ik laat de zaak onderzoeken, tegen betaling omdat het snel moet: mijn verblijf hier is kort en ik heb niet het eeuwige leven. De oerkraker van het huis blijkt het onder te verhuren. De advocaat raadt me af te procederen. Dat zal jaren duren en meer kosten dan het huis waard is. Goed. In het hotel zie ik voor me wat ik zal ondernemen voor mijn vertrek. Het huis met een bulldozer platwalsen. De stukjes grond? Geen belangstelling. Overal ter wereld zou ik mij een stukje grond wensen, behalve hier.
[wordt vervolgd]