Posts tonen met het label Brabander Eric de. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brabander Eric de. Alle posts tonen

dinsdag 13 mei 2014

College over Eric de Brabander

Wim Rutgers. Foto © Michiel van Kempen
A.s. vrijdag 16 mei wordt een werkcollege gewijd aan de roman Het hiernamaals van Doña Lisa van de Curaçaose auteur Eric de Brabander. Het college wordt gegeven door prof. dr Wim Rutgers van de Universiteit van de Nederlandse Antillen/University of Curaçao. Dit gebeurt in de reeks colleges over Antilliaanse en Surinaamse literatuur Caraïbische dromen, aan de Universiteit van Amsterdam. Studenten en andere belangstellenden krijgen ruim de gelegenheid met prof. Rutgers van gedachten te wisselen. Het college is publiek toegankelijk.

Datum: vrijdag 16 mei 2014, 13.00 tot 16.00 uur
Plaats: PC Hoofthuis, Spuistraat 134, Amsterdam, zaal 4.04

dinsdag 18 februari 2014

Vruchteloze scheepskaping

«Je kunt ‘De supermarkt van Vieira’ alleen een Antilliaanse roman noemen
 omdat de auteur een Curaçaoënaar is.»



door Hans van der Heijde
                               
Eric de Brabander signeert zijn boek in Landhuis Bloemhof
In 1961 kaapte een groep Spanjaarden en Portugezen het passagierschip Santa Maria, kort nadat het Willemstad op Curaçao, had verlaten. Het doel van de kapers: het oog van de wereld richten op de fascistische dictaturen van Franco en Salazar, waar Spanje en Portugal al zo lang onder gebukt gingen. Als jongetje zag de Antilliaanse schrijver Eric de Brabander de majestueuze Santa Maria de
haven aandoen. Ruim vijftig jaar later schreef hij met De supermarkt van Vieira een roman over de kaping en over hoe het een van de kapers daarna verging. Je kunt ‘De supermarkt van Vieira’ alleen een Antilliaanse roman noemen omdat de auteur een Curaçaoënaar is. Als plaats van handeling speelt Curaçao een ondergeschikte rol. Die is weggelegd voor Brazilië, waar de kapers politiek asiel kregen, op voorwaarde zich te onthouden van politieke activiteiten. Na allerlei omzwervingen vestigt João Vieira, een van de kapers en het hoofdpersonage van het verhaal, zich als bouwer van Braziliaanse snaarinstrumenten in São Paulo, om daar later een aardige bron van inkomsten aan toe te voegen met het stoken van sterke drank uit suikerriet. Pas als hij bejaard en dement op zijn sterfbed ligt, wordt ontdekt dat hij een verleden en een zoon heeft op Curaçao.

Francisco, die zijn vader niet gekend heeft, bezit een supermarkt op Curaçao en blijkt iets met zijn vader gemeen te hebben: hij rommelt wat met een destilleerketel om van mangosap sterke drank te stoken. Van kruidenier met een stookhobby wordt hij als mede-erfgenaam ineens aandeelhouder van een Braziliaanse destilleerderij.

De Brabander ontrukt met deze roman de geschiedenis van die scheepskaping aan de vergetelheid. Maar die mag dan het aangrijpingspunt zijn voor het in een sobere stijl geschreven verhaal, hoofdthema is het steeds aanwezige, maar zelden expliciet benoemde schuldgevoel van João. Over het in de steek hebben gelaten van zijn vrouw en kind, over zijn betrokkenheid als jonge soldaat bij de ongelukkige dood van een dwangarbeider in Angola, toen nog een Portugese kolonie, en over de kaping zelf, waar een scheepsofficier bij omkwam, en die wel opzien baarde, maar de Portugese dictatuur niet aan het wankelen bracht.  

Pas in 1974 maakte de Anjerrevolutie daar een einde aan. In een nawoord legt De Brabander uit waar zijn fascinatie voor de geschiedenis  van de Santa Maria vandaan komt. En ook dat hij tot zijn spijt één vraag  onbeantwoord heeft moeten laten: waarom de kapers hun actie ‘Operatie
Dulcinea’ noemden, naar de geliefde van Don Quichot, in diens waan een schone jonkvrouwe, maar in werkelijkheid een tandeloze  oude boerin.

Eric de Brabander - De supermarkt van Vieira
Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem,
230 blz.; 18,50 euro


[uit Leeuwarder Courant, vrijdag 14 februari 2014]

zondag 19 januari 2014

Leven in een raamkozijn


door Guus Bauer

De Antilliaanse schrijver Eric de Brabander (1957) zag als kind elke zes weken het ‘statige, enorme marinegrijze gevaarte’ de MS Santa Maria, varend onder Portugese vlag, de haven van Willemstad op Curaçao binnenvaren. En wanneer het schip dat aangemeerd lag, genoot de jonge romanticus, vooral van de oplichtende patrijspoorten in de avond en de chique geklede mensen die de loopplanken op en af liepen.
Toen hij als tienjarige jongen aan de hand van zijn vader de luxe hutten, ballroom en eetzaal bezocht, kon hij nog niet bevroeden dat het schip de voedingsbodem zou zijn voor zijn roman De supermarkt van Vieira.
Het schip, waarop vaak Hollandse schoolvriendjes reisden wiens vader groot verlof had gekregen, heeft namelijk een bijzondere geschiedenis. In 1961 werd het, nog maar net uit de Annabaai in Willemstad vertrokken, gekaapt door vrijheidsstrijders die een einde wilden maken aan de dictaturen op het Iberische schiereiland. Het repressieve beleid van zowel Franco als Salazar had tot enorme economische malaise geleid. Veel Portugezen vluchtten naar Zuid-Amerika, veelal naar Curaçao.

Fransisco Vieira heeft een goedlopende supermarkt op dat eiland en komt er een halve eeuw na de kaping via een geheimzinnig telefoontje achter dat zijn verloren gewaande vader João, een van de kapers destijds, asiel heeft gekregen in Brazilië en daar een nieuw bestaan heeft opgebouwd.

De roman opent met de soldaat João Vieira die in 1951 in de Portugese kolonie Angola een groep inlanders moet bewaken die ‘vrijwillig’ voor de overheerser aan het werk zijn. Wanneer een neger de barre omstandigheden niet meer aankan en een steen oppakt tegen João, schiet deze hem dood, eigenlijk geheel en al tegen zijn inborst. Daar wordt zogezegd de basis gelegd voor de vrijheidsdrang van João. Het fascistische bewind van Oliveira Salazar werd voor een groot deel gefinancierd met het geld dat in Angola werd ‘verdiend’ en de jonge soldaat heeft geen zin om te moeten afleren om mens te zijn.

De gedeputeerde van Salazar voor Angola, Henrique Galvão, tevens vriend van de vader van João, probeert de jonge soldaat te kalmeren. Het is hem ook niet in dank afgenomen dat hij weleens over de sociale misstanden heeft gerapporteerd. ‘De dingen in Angola waren nou eenmaal zoals ze waren. [ … ] Wacht niet op het laatste oordeel soldaat Vieira. Want dat komt iedere dag.’ Er wordt een verslagje van het incident gemaakt en dat verdwijnt in een ordner.

Vervolgens switcht De Brabander in uptempo van de tewaterlating van de Santa Maria in Antwerpen in 1953, naar zoon Fransisco op Curaçao in 2011 en terug naar het Angola van 1951 en daarna naar de feitelijke kaping, operatie Dulcinea gedoopt, in 1961. Dat lijkt nogal hakketakkerig, maar is eigenlijk wel noodzakelijk om het groter verband te kunnen inzien. In eerste instantie doet dat het proces van inleven wat stagneren, maar dat wordt goed gemaakt door de gloedvolle beschrijvingen van het bestaan in een tropisch oord. (Hollanders zijn nu eenmaal ‘suckers for exotica’.)

Dan raakt De Brabander tot de kern van de roman. Het leven van João na de kaping. Hij kan niet terug naar zijn vrouw en jonge kind op Curaçao en verkrijgt asiel in Brazilië. Het uptempo van de kaping verwordt langzaam tot dat van ‘sitting on the dock of the bay, watching the time go away.’ In het geval van de ex-soldaat Vieira, een zolderraam boven een muziekzaak, alwaar hij met de radio op vol volume zijn sigaartjes rookt. Ja, hij maakt de zo typische kleine Zuid-Amerikaanse gitaartjes, hij is er zelfs heel bekwaam in, en hij staat aan de basis van een stokerij van sterkedrank gemaakt van suikerriet, maar bovenal is hij toch een dromer die het zich kon veroorloven om zijn leven grotendeels door te brengen in een raamkozijn. Hij gaat nog weleens met de bus op bezoek bij een aantal van zijn medestrijders die honderden kilometers verder wonen, maar vindt bij hen (ook) niets meer van de strijdvaardigheid, de idealen die zo bij hun jeugd hoorden.
De supermarkt van Vieira is ondanks de vaak verspringende verhaallijnen – iets wat een lezer met een beetje geduld gemakkelijk aankan – een belangwekkend boek omdat het voor het eerst de kaping van de Santa Maria achtergrond geeft en duidelijk maakt dat, hoe kleinschalig zo’n actie ook moge zijn, het een gevoelig gezichtsverlies voor een regime is en de eerste scheurtjes in een ogenschijnlijk ondoordringbaar pantser kan doen ontstaan.

[van Literair weblog Tzum, 16 januari 2014]

Eric de Brabander – De supermarkt van Vieira. In de Knipscheer, 232 blz. € 18,50.



donderdag 19 december 2013

Dushi Willemstad van Ko van Geemert

door Eric de Brabander

Recent las ik een blog van de auteur van het boek Het Einde van de Antillen, van Freek van Beetz. Van Beetz was tot 2010 adviseur van de regering van de Nederlandse Antillen. De uitgever van het boek van van Beetz had een recensie-exemplaar gestuurd naar de Nederlandse kwaliteitskrant het NRC. Het boek werd door de redactie teruggestuurd met de vermelding dat de politieke geschiedenis die samenhing met de ontmanteling der Antillen niet direct het interessegebied was van de lezers van het NRC. De volgende dag stond er een uitgebreid en diepgaand artikel in het NRC over vermeende corruptie op Bonaire en de afluisterpraktijken van Nederland. Het artikel 'illegale spionage op Bonaire' verscheen in de editie van 21 november. Klaarblijkelijk lag deze corruptie wel binnen het genoemde interessegebied van de NRC-lezers, meende van Beetz.

Hij noemt de gedragslijn van de Nederlandse media wat betreft de voormalige Antillen hardnekkig. De interesse gaat niet verder dan moord, doodslag en corruptie op onze eilanden. Afstand nemen van ingesleten beeldvorming vraagt kennelijk teveel, zo gaat van Beetz door. Teveel tijd, teveel energie, teveel inlevingsvermogen. Het steekt de eilandbewoners terecht als van de eilanden afkomstige succesvolle sportlieden steevast als 'Nederlanders' worden geprezen en criminelen het etiket 'Antilliaan' krijgen opgespeld. Met de literatuur is het niet veel anders.

Tip Marugg
Zo kreeg een in Nederland wonend neefje van een patiënt van mij het idee om een scriptie te schrijven voor het VWO- eindexamen Nederlands over de schrijver Tip Marugg. De Nederlandse leraar reageerde geïrriteerd. De Antillen, daar komen toch alleen streekromans vandaan, zei hij. Het neefje zette door en de leraar was groots genoeg zijn gebrek aan kennis toe te geven en beloofde de boeken van onze grote schrijvers te gaan lezen. Voor mij behoren Tip Marugg en Boeli van Leeuwen tot de groten der Nederlandse literatuur. Zij horen thuis in het rijtje Harry Mulisch, Willem Frederik Hermans, Louis Couperus, Karel van den Woestijne en Hugo Claus, om er maar een paar te noemen.

Frank Martinus Arion. Foto © Klaas Koppe
De enige die voor het Europees Nederlandse publiek doorgebroken is, is Frank Martinus Arion. En maar met een enkel boek, Dubbelspel. Dubbelspel heeft alle karakteristieken van een streekroman, een uiterst vernuftige streekroman. Het boek geeft de Europese Nederlander inzicht in het denken van de tropische koninkrijksgenoot, het lezen van het boek geeft de Hollander houvast in onze maatschappij. Denkt hij. Want Dubbelspel ontleent niet alleen de titel aan het op Curaçao populaire dominospel. Het is de dubbele gelaagdheid, die de niet ingewijde gemakkelijk mist. Zonder dat het deert want het ingenieuze van het boek is dat het op twee manieren leesbaar is. Het verhaal zelf is boeiend genoeg, ook als de intrinsieke boodschap niet begrepen wordt.

Jan Brokken schreef een aantal jaren geleden het boek Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin.Voor dit cultuurhistorische werk had Brokken tien jaar lang onderzoek gedaan. Op virtuoze wijze beschrijft hij in dit boek de historie van de Antilliaanse muziek. Muziekminnend Nederland was verbaasd. Antilliaanse muziek, dat was toch oorverdovend negergeroffel op olievaten, geblaas op koeienhoorns en gerinkel met hoefijzers. Daar hoorden folkloristische dansen bij, uitgevoerd door mannen gehuld in meelzakken en vrouwen in fleurige jurken.
Brokken legde het verband tussen de culturen, de smeltkroes, die Curaçao al vijf eeuwen is en de muziek die deze heeft voortgebracht. Hij zorgde ervoor dat de Hollanders aan de overkant van de oceaan een inkijkje hadden in de veelzijdige historie van de Antilliaanse muziek en haar componisten. Holland reageerde eerst verbaasd en direct daarna enthousiast. Klaarblijkelijk hebben we een Hollander nodig om aspecten van onze onderbelichte cultuur naar Europa te brengen.

En nu maken we kennis met Ko van Geemert. Het boek van Van Geemert is een wandeltocht door het Willemstad van vroeger. Al lopende door de straten van Punda en Otrobanda vertelt van Geemert over de geschiedenis van de Curaçaose literatuur en laat daarbij geen auteur, de bekende als ook de minder bekende, onbesproken. In het boek Dushi Willemstad wordt niet alleen Curaçaose literatuur besproken, maar komt ook de culturele en sociale structuur van het eiland aan bod, met al zijn dilemma’s en de voor de buitenstaander moeilijk te doorgronden verhoudingen. Het boek is een zeer uitgebreide feitenverzameling. Van Geemert is erin geslaagd dit materiaal zodanig samen te stellen dat het boek eenvoudig leesbaar is, en de verhaallijn voelbaar blijft, als ware het een roman. De uitgever Bas Lubberhuizen is samen met van Geemert en zijn echtgenote, en een aantal literatuurminnende Nederlanders afgereisd naar Curaçao om het boek te presenteren. Deze presentatie vond in Avila plaats, waar de geest van Boeli van Leeuwen nog voelbaar is. De eigenaar van Hotel Avila, de Deen Nic Moller, was een intieme vriend van Boeli van Leeuwen en heeft aan het boek Dushi Willemstad een bijdrage geleverd over Boeli. Anderen die aan het boek hebben bijgedragen zijn Lucille Berry, Carel de Haseth, Jan Brokken en Wim Rutgers.
Lucille Berry-Haseth. Foto © Aart G. Broek
Op de kaft prijkt een prachtige foto van het Avila van vroeger. Mijn goede vriend Chris Winkel herkende direct zijn opa Gungu Maal op de achtergrond, de zonderlinge oogarts die het gebouw in de Penstraat kocht om er een oogkliniek van te maken, maar die er na zijn pensionering een pier voor liet storten en het hoofdgebouw omtoverde tot een een guesthouse. Het boek zelf is geïllustreerd met talloze foto’s, van de auteurs waarvan velen allang op het kerkhof, van historische momenten, van gebouwen.

Caribisch-Nederlandse literatuur kreeg in Nederland zelf nooit de aandacht die ze verdiende, net zomin als Caribische muziek. Veel van het schrijfwerk is door de auteurs zelf uitgegeven daar het door onze kleinschaligheid vrijwel onmogelijk is om met een locale uitgeverij een boterham te verdienen. In Nederland zijn er maar enkele uitgeverijen die een fonds hebben voor Caribische literatuur. Uitgeverij Conserve in Amsterdam, In de Knipscheer in Haarlem, en nu dus de uitgever Bas Lubberhuizen die met eigen ogen heeft kunnen aanschouwen dat er op Curaçao meer is dan in de Nederlandse mist gezien wordt.
Van Geemert schreef eerder de literaire stedengids Paramaribo Brasa!. Ook publiceerde hij Amsterdam en zijn schrijvers, Het einde. Wandelen rond eindhaltes van de tram in Amsterdam, en Dum Vivimus Vivamus, over de gelijknamige serie schilderijen van zijn zwager Jeroen Krabbé, welke laatste ook geen onbekende op ons eiland is.
Het boek Dushi Willemstad van Ko van Geemert is naar mijn mening nu al een historisch document. Omdat het van Geemert gelukt is om in een enkel geschrift de geschiedenis vast te leggen van 150 jaar Curaçaose literatuurgeschiedenis. Ik mag hopen dat dit boek veelvuldig uit bibliotheken geleend zal worden, op scholen zijn weg vindt, gaat dienen als studiemateriaal voor scripties Nederlands maar ook dat u het onder de kerstboom gaat vinden.

[Ontleend aan Antilliaans Dagblad, 17 december 2013, pp. 14-5.]

zaterdag 30 november 2013

Speelbal op de woedende golven van het lot

1961: het Amerikaanse oorlogsschip Gearing leidt het gekaapte
 passagiersschip Santa Maria naar het Braziliaanse Recife
Over De supermarkt van Vieira van Eric de Brabander

door Peter de Rijk

De mens is geneigd te denken dat hij zijn leven kan plannen. Die illusie van ‘maakbaarheid’ zorgt voor driftig uitstippelen, voor dromen over later en uiteindelijk de grote kater als het allemaal anders loopt… Eric de Brabander toont ons dat met zijn derde roman De supermarkt van Vieira. Hij maakt in dit boek dankbaar gebruik van een waar gebeurd verhaal, dat van kaping van het Portugese passagiersschip de Santa Maria in 1961. Maar zijn roman gaat verder dan die kaping. Eric de Brabander bedacht de gevolgen voor hen die meededen aan die kaping, mensen zoals João Vieira. Zijn familie kwam pas vijftig jaar na de beruchte kaping achter zijn verblijfplaats en wat er van hem was geworden…
Eric de Brabander

Eric de Brabander debuteerde met de roman Het hiernamaals van Doña Lisa in 2009. De reactie van de pers was zeer enthousiast. De Zuid-Amerikaanse literatuur klonk door in het boek, maar ook de Antilliaanse en vergelijkingen met Márquez, Arion en Zielinksi lagen dan ook voor de hand. De Brabanders tweede boek, met wederom een lange titel, Hot Brazilian Wax en het Requiem van Arthur Booi (2011) was vooral een schokkend boek. Desalniettemin ontving ook dit boek veel positieve kritieken. De supermarkt van Vieira toont de vaart waarmee De Brabander zich ontwikkelt. Hij zet zijn vorige twee boeken in de schaduw van de derde. De reden daarvan is de vorm, die meer van de lezer vraagt. Het levert literatuur op van hoge kwaliteit.

Het verhaal start in 1951, in Angola, in het Afrika van Portugal. We maken kennis met João Vieira die op dat moment nog in dienst van het leger is. Hij wordt een moordenaar tot zijn eigen verbijstering, en die van de lezer die amper twee bladzijden gelezen heeft. ‘Zijn geweer ging af zonder dat hij dat echt gewild had.’ De dode is een neger die hem met een steen had bedreigd. Zijn bloed zal het leven van João veranderen. Hij leert dat een mensenleven weinig waard is.

‘Er gebeurt helemaal niets mee, soldaat. Niets. Mijn secretaresse Fátima, die je zojuist hebt zien zitten, tikt het uit en stopt het in een grote ordner en die zet ze in de kast. En als we ooit eens verhuizen, dan belanden al die ordners op de vuilnisbelt.’

In de  volgende twee hoofdstukken merken we dat de auteur met grote sprongen door de tijd heen schiet. We gaan van Antwerpen in 1953 naar Curaçao in 2011. We zijn bij de tewaterlating van de oceaanstomer Santa Maria, en de eerste dode die daarbij valt, en we leren Franciso, de eigenaar van een supermarkt kennen. Het is een man die overal handel in ziet, zelfs in verrotte mango’s, iemand die zijn personeel onderbetaalt, illegaal drank stookt en graag domino speelt onder het genot van een goed glas rum. Als in Arions Dubbelspel biedt het gesprek tussen de spelers inzicht in hun denkwereld.

‘Er wordt door een minderheid geschreeuwd om onafhankelijkheid en de meerderheid reageert apathisch. Als dit zo doorgaat, is er binnenkort geen democratisch Curaçao meer over, dan wonen we met z’n allen in Apenland, met King Kong als president. Dan heb je geen rimpeltjes meer maar huizenhoge golven. Overal.’
 
António de Oliveira Salazar
Francisco heeft geen weet van wat zich in het verleden heeft afgespeeld, weet slechts dat zijn vader van de ene op de andere dag verdween. Tot hij vanuit Brazilië door zijn broer wordt gebeld. Een broer van wie hij, tot op dat moment, nooit op de hoogte was. Het is een van de vele verrassende momenten in deze roman. Verrassingen die onder andere voortkomen uit de steeds weer wisselende locaties en momenten in de tijd. Zo leren we veel over de invloed van Salazar op Angola. Hij rooft de kolonie leeg en misbruikt zijn bevolking en ook in Portugal blijkt terreur het middel om de macht te behouden. De Brabander maakt duidelijk hoe de kaping van de Santa Maria een logisch gevolg is van het gedrag van Salazar.

Operatie Dulcinea gaat de actie heten en moet het begin van de omverwerping van de dictaturen van Spanje en Portugal zijn. De eerste haven die het schip aandoet is Willemstad en die simpele reden zorgt ervoor dat een man op Curaçao bij de kaping betrokken raakt. De lezer herinnert zich op dat moment het begin van het boek en weet dat João in contact staat met de Onafhankelijke Nationale Beweging van Humbert Delgado. Hij heeft meer dan één appeltje met de regering Salazar te schillen. Zijn vader is door hen gedegradeerd en ‘door de stront gehaald’. Zijn oom was door hen vermoord en zijn vader werd uiteindelijk door de PIDE voor de ogen van zijn moeder doodgeknuppeld. João heeft alle reden om zijn bestaan op het spel te zetten.

En vervolgens wordt João een speelbal op de woedende golven van het lot. Schaamte en schande spelen in het verloop van dit verhaal een grote rol. Ze zorgen ervoor dat iemand voorbij het punt komt dat hij nog terug kan komen.

‘Je haalt twee elementaire begrippen door elkaar. Schaamte… en schande. Schaamte dat is iets waar dit hele eiland van overloopt. Alles bedekt. Niks in de openbaarheid.

Niets wordt hier op de man af gezegd. Zoals het werkelijk is. De mensen hier lopen als kakkerlakken over dit eiland, de harde vleugels als rugdekking gebruikend voor eenieder die hen met schande  zou willen overladen.’


De supermarkt van Vieira is een belangrijk boek in het oeuvre van Eric de Brabander. In de roman gaat hij voorbij aan de drempels van plaats of tijd. Deze schrijver passeert ook de schaamte wanneer hij ‘la conditon humaine’ in beeld wil brengen. Als een passagiersschip stoomt hij door, nietsontziend, tot zijn verhaal helder wordt.


dinsdag 29 oktober 2013

De supermarkt van Vieira: derde roman van Eric de Brabander

Eric de Brabander – De supermarkt van Vieira. Roman

Curacao 1961. Het Portugese passagiersschip de Santa Maria is koud de haven van Willemstad uit of het wordt gekaapt. De kapers, vrijheidsstrijders, hebben maar één eis: het vertrek van de dictators Franco en Salazar uit respectievelijk Spanje en Portugal. Salazars schrikbewind en de economische malaise als gevolg daarvan leidde destijds tot een ware exodus van Portugese staatsburgers naar Latijns-Amerika, tot aan de Anjerrevolutie van 1974 toe.

Op Curaçao komt vijftig jaar na de kaping van de Santa Maria de supermarkteigenaar Francisco Vieira er na een mysterieus telefoontje achter dat een van de kapers van destijds zijn lang verloren gewaande vader João is en al die tijd in Brazilië heeft gewoond. Hij besluit hem op te gaan zoeken en wordt dan geconfronteerd met zijn wrede familiegeschiedenis. Een geschiedenis overladen met schuld en schande, die na de kaping van de Santa Maria jarenlang aan het daglicht onttrokken is geweest. En niet zonder reden.

Over Het hiernamaals van Doña Lisa schreef Karel de Vey Mestdagh op Caraïbische Letteren: «Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, is De Brabander een schrijver van een onweerlegbaar Antilliaans snit. Zijn debuut uit 2009 heeft de intensiteit en broeierigheid die de streek en zijn schrijvers zo kenmerken. Het verhaal over vier man op een barkje toont sterke trekken van het karakteristieke Zuid-Amerikaanse fabuleren.»
En Mark Weenink in La Chispa: «Het aardige van De Brabanders werk is dat het Curaçao in een grotere, Zuid-Amerikaanse context plaatst. In Nederland bestaat nogal eens de neiging om het eiland af te doen als geïsoleerd en in zichzelf gekeerd. Niets is minder waar.»
Over zijn tweede roman Hot Brazilian Wax en het Requiem van Arthur Booi schreef Stanley Brown in Amigoe/Ñapa: «Het is een boek waarbij ik u vast waarschuw voor schokkende beelden en dat u niet moet lezen als u alleen thuis bent en van dieren houdt, religieus bent en in gebedsgenezers, handopleggers of voodoo gelooft.»

Eric de Brabander (Curaçao, 1953) is geboren uit een Nederlandse moeder en een Nederlands-Zweedse vader die ruim vijftig jaar geleden Europa de rug toekeerden voor een toekomst op Curaçao.

dinsdag 8 oktober 2013

Zomerhitjes & schimmige gebeurtenissen

De rode appel van Giselle Ecury

door Eric de Brabander

Hoe anders van stijl is de nieuwe, lijvige roman De rode appel van Giselle Ecury, de Arubaans Nederlandse schrijfster van de romans Erfdeel (2005) en Glas in lood (2009). Ecury schreef ook enkele dichtbundels, en met een gedicht uit haar laatste bundel Vogelvlucht breekt ze De rode appel gelijk tot op het klokhuis open.

laat me je straks
als je voorgoed weg bent
desnoods hier, op dit papier,
nog eenmaal tekenen
enkele krassen
oost-indische inkt
op het vergeelde perkament
van een breed verleden

misschien zal alles verbleken
in de regen van toen
– nog niet verzuurd
niet vervuild, noch verbitterd –

blank water dat je meevoert
en schoonspoelt
tot alles weer wordt wat het was

De toon van De rode appel is gezet. Vanaf bladzij  de 1 meandert de rivier van woorden door de landschappen van Frankrijk, Nederland en onze Caribische eilanden. Net als Bouwen op drijfzand van Ronny Lobo is De rode appel in de ik-vorm geschreven, althans hoofdzakelijk. Ik geloof niet dat Giselle Ecury enige moeite heeft gedaan iets van de handel en wandel van Elisabeth, het
hoofdpersonage, met de mantel der liefde te bedekken, terwijl deze Elisabeth toch behoorlijk autobiografisch moet zijn. Zowel Ecury als Elisabeth heeft haarroots in de Cariben. Zowel Ecury als Elisabeth heeft een Frans verleden en Holland als thuisland. Het kan kort door de bocht zijn want Ecury hanteert in haar eerdere werk ook de ik-vorm, zelfs als de hoofdpersonen mannen zijn.
Misschien vereenzelvigt Ecury zich meer met haar hoofdpersonages dan dat die personages iets van de auteur blootleggen.

De roman beschrijft een groot deel van het leven van Elisabeth, haar morele en psychologische groei, haar seksuele bewustwording. Met het voorbijkruipen van de bladzijden worden de stomme fouten en de pijnlijke teleurstellingen langzaam afgeschud, totdat een bevrijde Elisabeth ontwaakt. Het verhaal begint in de jaren vijftig. Elisabeth is met haar ouders van Curaçao naar Nederland verhuisd en groeit daar op.
Giselle Ecury

Ze ziet haar oudere zussen ontluiken, in relaties verstrikt raken. Haar ouders besluiten haar na haar middelbare school een jaar als au pair naar Frankrijk te laten gaan. Dat jaar zal er voor Elisabeth een worden vol niet-onderkende levenslessen, die blijven hangen totdat ze jaren later een telefoontje krijgt van haar goede vriend Nick. De relatie met Nick is er een van vertrouwen. Nick is als een broer die ze nooit heeft gehad, beschermend, hulpvaardig. Met hem deelt Elisabeth een verleden op Curaçao. Wat ze óók met hem deelt is de verwerking van hun seksuele volwassenwording tegen de achtergrond van de flowerpower, provo’s en hippies. De door mensen opgeworpen schrijnende morele muur tussen liefde en lust. Dat spel tussen man en vrouw, het genot? Het beminnen en bemind worden? Het afstoten. Dat intense verlangen. De geilheid? De schuldgevoelens na afloop, ja, die voorop. Of zien wij, dolende zielen sinds die appel door Eva geplukt werd om Adam te verleiden, de belangrijkste dingen over het hoofd? Had Eva niet beter een rotte appel kunnen plukken dan een rode?

Het onvermogen het ‘perfecte plaatje’ niet te kunnen laten rijmen met de ‘smerige’ werkelijkheid is daarmee een jaren-zestig-en-zeventig-issue en loopt als een rode draad door het verhaal.

Nick komt op het vijftigjarig bruiloftsfeest van zijn ouders achter de reden waarom hij in zijn jeugd anders behandeld werd dan zijn broers en zus. Iets wat al die jaren aan hem geknaagd heeft. Hij belt Elisabeth. Het telefoontje schokt haar en ze hangt abrupt op. Ze keert terug naar Zuid-Frankrijk, waar ze ooit als au pair werkte, en gaat daar de confrontatie aan met de schimmige
gebeurtenissen die haar zo gevormd hebben.

...zomerhitjes...

Giselle Ecury is een taalkunstenaar. Zorgvuldig wikkend en wegend zoekt ze naar woorden en synoniemen, naar metaforen die de gevoelswereld versterken, en naar zinsconstructies totdat de bladzijden gewoon ‘kloppen’. Een vrouwelijk boek? Doen vrouwen dat meer dan mannen? Ik vroeg me dat af.

En liep langs mijn boekenkast, hield mijn hoofd schuin en liet mijn ogen over de titels en auteurs glijden. Ik vond wat ik zocht: de Hongaarse schrijver Sándor Márai. Tussen de twee wereldoorlogen schreef hij zijn meesterwerken, die pas in de jaren negentig van de vorige eeuw vertaald werden en wereldbekendheid kregen, met name Gloed en De erfenis van Eszter. Dezelfde broeierigheid, dezelfde traag stromende taal. En dan... de muziek die van tijd tot tijd uit de bladzijden opstijgt. De brutaal romantische zomerhitjes van Julien Clerc. Of Melanie, met Beautiful People. Ik was terug in de tijd waar Giselle Ecury dat zo bedacht had.


Beide boeken werden afgelopen zondag in Podium Mozaïek in Amsterdam Oud-West gepresenteerd tijdens een spetterende muzikale Curaçaose middag, georganiseerd door de Haarlemse uitgeverij In de Knipscheer.



[uit Antilliaans Dagblad, 14 september 2013]

Het debuut van Ronny Lobo

Curaçao. Foto @ Bea Moedt

Bouwen op drijfzand van Ronny Lobo

door Eric de Brabander

Ronny Lobo ken ik al vanaf mijn middelbareschooltijd. Zijn vader gaf bijlessen natuurkunde en ik was een welkome klant. Vele avonden heb ik zwoegend doorgebracht in het huis aan de Cassandraweg dat in traditionele Surinaamse stijl was opgetrokken van blokken en hout. Wat was ik blij dat ik aan het einde van elke bijles op mijn brommer weer naar huis mocht van vader Lobo. Zuchtend stond hij me dan in de deuropening na te kijken, want mijn brommer was me liever dan de natuurkunde.
Ronny Lobo

Ronny Lobo studeerde bouwkunde in Nederland en keerde terug naar Curaçao, waar hij architect werd met een speciaal oog voor klimatologische omstandigheden. Inmiddels al weer wat jaren geleden – Lobo en ik waren beiden uitgenodigd voor een boottochtje op de Insulinde ter gelegenheid van de presentatie van het boek Eerlijckman van Marjo Nederlof – vertelde Lobo me met enige schroom dat hij bezig was aan een roman. Ik reageerde enthousiast, want Lobo heeft wat te vertellen. Maar ook mijn direct daaropvolgende terughoudendheid zal hem niet zijn ontgaan. Het voornemen een boek te schrijven is één ding, maar het talent én de discipline te bezitten om een
eindproduct af te leveren waarvoor een boekhandel een plekje inruimt, zijn twee ándere dingen. Uitgevers worden overspoeld door manuscripten. Franc Knipscheer, mijn eigen uitgever maar inmiddels ook die van Ronny Lobo, vertelde me eens dat in Nederland minder dan één op de honderd aangeleverde manuscripten het bracht tot een feitelijk boek. Om maar niet te spreken van de talloze pogingen die al op de computer van de auteur strandden. Daarbovenop komt nog de misère in de uitgeverswereld die alles te maken heeft met de crisis waarin Nederland gedompeld lijkt te zijn, en die eraan bijdraagt dat uitgevers extra voorzichtig zijn.

Maar Lobo’s boek is af!  Bouwen op drijfzand. Een spannende foto van het in de jaren vijftig verlaten bouwproject aan de Santa Marthabaai prijkt op de voorkant. Het had een luxe hotel moeten worden, maar er is niet meer dan een fata morgana van overgebleven. De betonnen staken die ooit dienst hadden moeten doen als fundering van een megalomane utopie, steken uit de borrelende modder omhoog als stille, rottende getuigen van een misdaad tegen de natuur. De combinatie van titel en voorplaat schept verwachtingen.

Kenzo Schmidt is een jonge architect op Curaçao. Roy Goodweather, een succesvol systeembeheerder, en zijn beeldschone vriendin Karen Oei vinden Kenzo bereid om hun toekomstige huis op Bonaire voor hen te tekenen. Rond diezelfde tijd krijgt Kenzo opdracht een villa te ontwerpen voor Paul en Heidi Michel, een rijk Nederlands echtpaar van middelbare leeftijd. Paul heeft zijn werkzame leven met Heidi in Mexico doorgebracht en nu een bouwterrein
gekocht op een luxe locatie aan het Spaanse Water op Curaçao. Een droom heeft hij ook al: het moet een huis worden in Mexicaanse stijl.

De ingrediënten die nodig zijn voor de onvermijdelijke botsingen tussen architect en opdrachtgevers worden subtiel ingevoerd door de auteur, die net als Kenzo behalve bouwkundige ook een bevlogen en kunstzinnig architect is. Ingrediënten die toch al gecompliceerd zijn door de haaks op elkaar staande karakters van de hoofdpersonen, maar die nóg gecompliceerder worden wanneer Kenzo smoorverliefd wordt op zijn opdrachtgeefster Karen. Bovendien blijkt er nog een ingewikkelde verhouding te bestaan tussen de beide echtparen; Paul Michel en Karen Oei kennen elkaar beter dan goed voor hen is.

Lobo weet zijn roman met verrassende wendingen te doorweven en deze af te wisselen met wat filosofische beschouwingen over tropische architectuur, over de relatie tussen bouwkunst en natuur, en over de noodzaak respectvol met deze natuur om te gaan. Roy, de vriend van Karen, is een fanatiek zeiler. Die liefde deelt hij echter niet met Karen, zodat hij veel tijd alleen op zijn zeilschip, de Inoma, doorbrengt. De Inoma is een bestaand schip. Lobo moet het schip goed kennen, want hij
beschrijft het tuigage correct. Ik schat de Inoma op ongeveer 14 meter, gebouwd met een enkele mast en een giek als om een windsurfzeil om de boot handelbaar te maken voor een enkel persoon. Ik ken geen ander schip met een dergelijk zeilplan; een beter schip had Lobo voor de ruige Einzelgänger Roy niet kunnen uitkiezen.

Het boek is in de ik-vorm geschreven. Dat kan een lastige vertelinstantie zijn om vanuit te schrijven, omdat je als auteur gedwongen bent vlak onder de huid van je hoofdpersoon te gaan zitten en veel van jezelf bloot te geven. Ronny Lobo heeft dat knap gedaan; Kenzo is, ondanks dat hij zijn emoties en zijn passies de vrije hand laat, de Tom Poes van het verhaal. De andere personen – Roy, Paul, Karen en Heidi – hebben meer uitgewerkte karakters, zoals Olivier B.
Bommel, markies de Canteclaer en burgemeester Dickerdack, om bij Marten Toonder te blijven.

Toen ik het boek ter hand nam, had ik verwacht een streng verhaal te gaan lezen, over dromen en daden, wetten en praktische bezwaren, over botsingen tussen verschillende belangen waarbij de architectuur de grote verliezer zou zijn. Voorplaat en titel schiepen die verwachtingen, en daar is naar mijn mening niet aan voldaan. Bouwen op drijfzand is een verhaal geworden in de relationele sfeer. Een prettig en toegankelijk boek, gemakkelijk leesbaar met eenvoudige dilemma’s die veel lezers zullen aanspreken. De schrijfstijl is helder, prettig en open. Ronny Lobo heeft nergens geprobeerd de dingen mooier te willen zeggen dan nodig voor de verhaallijn en dat maakt het boek tot een uitermate sympathiek en geslaagd debuut.

[uit Antilliaans Dagblad, 14 september 2013]

woensdag 11 september 2013

“Een droom die ik heb”

Testament
Ik ben geen fervente kerkganger, maar zou meneer de pastoor toch nog wat woorden kwijt willen aan mijn graf, zeg hem dan dat ik zei, dat hij aan alle aanwezigen aangeeft, dat ze minder moeten zeuren en meer van elkaar moeten houden.



Caraïbisch boekenprogramma met voordrachten, interviews, beeld en muziek

Onder de titel ‘Een droom die ik heb’ organiseert Uitgeverij In de Knipscheer op 13 oktober een gevarieerd boekenprogramma met schrijvers uit of over de Antillen. Eric de Brabander komt over uit Curaçao en presenteert zijn derde roman De supermarkt van Vieira. Van Nydia Ecury, geboren op Aruba in 1926 en in 2012 overleden op Curaçao, verschijnt haar eerste nog door haarzelf samengestelde Nederlandstalige gedichtenbundel Een droom die ik heb. Over het 19de eeuwse Suriname publiceert Janny de Heer haar grote historische roman Gentleman in slavernij. Karin Lachmising komt speciaal uit Suriname voor de lancering van haar debuut, de gedichtenbundel Nergens groeit een boom die haar aarde niet vindt.

Michael Slory. Foto © Ruth San A Jong
Rogeria Burgers houdt haar documentaire cd Aan de waterkant ten doop met een bijzonder interview met de grote Surinaamse dichter Michael Slory.

Dit alles wordt muzikaal omlijst door de groep FTTP (Flower to the People) van de (van Surinaamse komaf zijnde) gitarist/componist Frank Ong-Alok. Van hem verschijnt dan het prentenboek-met-cd Bloemies.


Datum: zondagmiddag 13 oktober 2013, zaal open 14.30 uur; programma 15.00 tot 17.15 uur

Locatie: Theater van ‘t Woord OBA (Openbare Bibliotheek Amsterdam) Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam
 
Frank Ong-Alok. Foto © Wim Stad
Presentatie Franc Knipscheer, interviews Peter de Rijk
Reserveren kan uitsluitend door overmaking van € 5,00 op ING bank 3647173 t.n.v. Uitgeverij In de Knipscheer o.v.v. uw e-mailadres.
Na afloop signeren de auteurs voor belangstellenden hun boeken.


Uw kaarten liggen voor u klaar op zondag 13 oktober vanaf 14.00 uur bij Theater van ’t Woord (7de etage)


maandag 20 mei 2013

Rails worden sterk door dwarsliggers

door Eric de Brabander

Van Nieuwkerk haalt de zweep over Mart Smeets

Afgelopen week zag ik op ‘Uitzending gemist’ een aflevering van De Wereld Draait Door waarin presentator Matthijs van Nieuwkerk Mart Smeets het vuur aan de schenen legde over de doping in de wielrennerij. Hij hield Smeets voor dat in de tijd dat Lance Armstrong de Tour de France overheerste, het binnen de gesloten gelederen van de wielersport, allang duidelijk was dat er op grote schaal met doping gefraudeerd werd. Hij vroeg Smeets, die toch duidelijk tot de fiets-incrowd behoort, of het niet zijn taak als sportjournalist was geweest deze dopingzaken openbaar te maken. Of het niet een schande was dat de journalistiek had meegewerkt aan het boerenbedrog dat de wielersport zoveel jaren was geweest.
Smeets, een grote zelfovertuigde man die al jaren het Nederlandse icoon was van de wielerjournalistiek viel van zijn voetstuk af. Hij haalde ongemeen fel uit naar Van Nieuwkerk. En plein public siste hij: ‘Als je dat denkt dan ben je nog stommer dan dat je eruit ziet.’
Dit televisieoptreden van Mart Smeets vond plaats na de presentatie van Dwarsliggers met als ondertitel Tegenspraak onder schaamteloos leiderschap. Had hij het maar gelezen. Dan was hij misschien niet zo afgegaan.

Aart Broek die van 1981 tot 2001 op Curaçao woonde en werkte, schreef tien jaar geleden het boek De terreur van schaamte waarin hij liet zien dat geweld van Curaçaose en Marokkaanse jongeren in Nederland niet terug te herleiden zijn naar culturele verschillen, maar naar schande en schaamte voor de barrière die ervoor zorgt dat ze geen deel uitmaken van de Nederlandse samenleving. De terreur van schaamte gaf een nieuwe visie over hoe gewelddadig gedrag verklaard maar ook aangepakt kan worden. Het essay was aanleiding voor de Nederlandse politiek om het beleid aangaande Antilliaanse en Marokkaanse jongeren over een andere boeg te gooien.


Laocoon en zijn zonen. Vaticaans Museum
Dwarsliggers gaat op hetzelfde gegeven een stuk verder. Schaamte als oorzaak van falend beleid in bedrijven en overheden. De auteur maakt gebruik van een stuk eigen ervaring toen hij na twintig jaar Curaçao een baan aangeboden kreeg in Katwijk. Een wethouder belastte hem met het tot stand brengen van een fusie tussen twee socialewerkvoorzieningbedrijven. Een fusie die lang gepland en politiek voorbereid was door diezelfde wethouder, maar waar zoveel haken en ogen aan zaten dat ze voor Aart Broek als projectuitvoerder niet haalbaar bleek. Broek, de brenger van de boodschap werd als dwarsligger weggezet. De wethouder sloeg net zolang om zich heen, alle waarschuwingen naast zich neerleggend, tot de fusie tot stand gekomen was. Waarna het met beide bedrijven verschrikkelijk misging.

Bij tegenspraak lijkt het prestige van zittende bestuurders op het spel te staan. Respect wordt schaamte. Om dat te voorkomen worden de gelederen gesloten. De dwarsligger wordt afgeserveerd en de plannen worden, tegen beter weten in, doorgevoerd. Zo is het gegaan met de Betuwelijn, een project dat miljarden verslonden heeft, ondanks alle tegenwerpingen. Zo ging het met de bancaire crisis. De econoom Rajan zette in 2005 al uiteen hoe en waarom de crisis zich zou aandienen bij ongewijzigd kredietverlenend beleid. Hij werd genegeerd. Drie jaar later donderden de eerste financiële instellingen om.
De oorlog in Vietnam is ook zo een enorm fout gelopen debacle waar de waarschuwers als onvaderlandslievend weggezet werden. En dan de vernietiging van Troje waar de waarschuwingen van de hogepriester Laocoon het paard niet de stad in te slepen, in de wind geslagen werden en de historie Laocoon door zeeslangen de Middellandse zee in laat trekken en laat verslinden.
Aart Broek maakt in zijn essay duidelijk dat schaamte niet iets exclusiefs is voor de Japanse, Curaçaose of Marokkaanse samenlevingen die zouden worden gekenmerkt door een ‘schaamtecultuur’.

Schaamteopwekkende praktijken van alle windstreken zijn bijvoorbeeld uitsluiting, langdurige pesterijen op school of op de werkvloer, emotionele verwaarlozing, huiselijk geweld, seksuele intimidatie en verkrachting. Alle vormen van vernedering en uitsluiting leiden tot gedrag dat schaamte en schande dient te voorkomen, ten koste van alles.
 
Tommy Wieringa (met papier in hand) in debat in 2010
In Joe Speedboat, de veelgeprezen roman van Tommy Wieringa is dit een motief. Wieringa zelf zei hierover toen hij over zijn bestseller geïnterviewd werd: ‘Wie niet ziet wat beschaming en uitsluiting tot gevolg heeft is gek. Mensen zijn voor het grootste deel van hun leven op zoek naar warmte. Een aapje dat kan kiezen tussen twee moeders, een van staal met voedsel, of een van badstof zonder, kiest de moeder van badstof. Warmte en genegenheid, eeuwige baby's zijn we, die elkaar vlooien.’

Deze menselijke eigenschap zorgt ervoor dat het op maatschappelijk niveau nogal eens misgaat. De valkuilen die ons beperkte cognitieve vermogen opwerpen vereisen gefundeerde tegenspraak. Kennis over ons individuele cognitieve vermogen, en hoezeer dat gedebiteerd wordt door schaamte, maakt het mogelijk met tegenspraak te leren omgaan.
 
Aart G. Broek. Foto @ Michiel van Kempen
Aart Broek studeerde communicatiewetenschappen, sociologie en criminologie. Hij promoveerde op een onderzoek naar de propagandapraktijk van de Rooms Katholieke missie op de Benedenwinden. Eerdere boeken van hem zijn Het zilt van de passaten; essays over Caribische cultuur, De kleur van mijn eiland; Ideologie en schrijven in het Papiamentu sinds 1863, De terreur van schaamte en Geboeid door macht en onmacht;  De geschiedenis van de politie op de Nederlandse Antillen.
Met Dwarsliggers;  Tegenspraak onder schaamteloos leiderschap, een prachtig in harde kaft uitgegeven boekje van 116 bladzijden, heeft hij laten zien dat het haalbaar is gefundeerde tegenspraak in een organisatie te integreren, waarbij de beheersing van schaamte-ervaringen centraal staat. ‘Rails worden sterk door dwarsliggers’, zo zegt hij zelf. ‘Mensen ook!’
Maar voor Mart Smeets geldt een ander gezegde. ‘Als je geschoren wordt moet je stilzitten.’

[uit Antilliaans Dagblad, zaterdag 18 mei 2013]

Aart G. Broek
Dwarsliggers;  Tegenspraak onder schaamteloos leiderschap
Essay
Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem 2013
Genaaid gebonden, 120 blz., € 17,90
ISBN 978-90-6265-826-8


zondag 19 mei 2013

Een orgie van politiek en bestuurlijk vandalisme

door Eric de Brabander

Freek van Beetz. Foto @ René Roodheuvel

Freek van Beetz was tien jaar lang adviseur van de Minister President van de Nederlandse Antillen. In die hoedanigheid was hij ooggetuige van de moeizame relatie van de Antillen met Nederland, de opeenvolgende problemen binnen het landsbestuur, de interne politieke verwikkelingen en met name het langdurige proces dat uiteindelijk leidde tot de opheffing van het land de Nederlandse Antillen. Van Beetz werd door de  oppositiepartijen in die tijd gewantrouwd. Sommigen zagen hem als een spion binnen de regeringsgebouwen in Forti. Immers, hij was 'uitgeleend' door Den Haag voor assistentie bij het financieel economisch herstelprogramma van Pourier, dat moest resulteren in een akkoord met het Internationaal Monetair Fonds. En dat akkoord was voorwaarde voor financiële steun uit Nederland. Keiharde afspraken waren daarover gemaakt, die, naar later bleek, minister Gijs de Vries niet zou honoreren. Dit leidde uiteindelijk tot electoraal verlies van de PAR ten gunste van de FOL van Anthony Godett.

Van Beetz beschrijft in zijn boek Het einde van de Antillen: Kroniek van een adviseur op Curaçao hoe Gijs de Vries hiermee het podium creëerde waarop de PAR uiteindelijk politiek bijna ten onder ging en de populist Anthony Godett met de macht aan de haal ging, gebruik makend van slogans als 'sin miedu, zonder angst,' en 'brood en een dak boven het hoofd'. En waar, na het ontstaan van het nieuwe land Curaçao een coalitie gevormd werd tussen de partij van Helmin Wiels, die radicale afscheiding van het moederland voorstond, en de door duistere figuren gefinancierde MFK van Gerrit Schotte. Dat de oppositiepartijen in de beginjaren van het nieuwe decennium dachten met Van Beetz het paard van Troje binnengehaald te hebben was op zich niet zo verwonderlijk. Ook in Den Haag werd gevonden dat de adviseur die door hun uitgeleend was aan het kabinet van Minister President Pourier schatplichtig was aan de Nederlandse regering. Dat kwam al snel aan het licht toen, tijdens het IMF traject, en de daarmee gepaard gaande bezuinigingen, het duidelijk werd dat de Antillen financiële hulp nodig hadden om het traject met goed gevolg te doorlopen. Deze hulp was ook toegezegd, met name sociale hulp aan al die ambtenaren (34%) die wegbezuinigd waren.
Van Beetz schreef namens Pourier een brief aan premier Kok waarin gemeld werd dat: 'verdere bezuinigingen binnen de huidige Antilliaanse staatkundige structuur desastreus zullen zijn, niet alleen voor het effectief functioneren van het overheidsapparaat, doch ook voor de essentiële diensten en voorzieningen aan onze bevolking.'
...politiek op Curaçao... Foto @ Bea Moedt

De brief werd in Den Haag door BKZ niet in dank ontvangen. Ze hadden de hand van Van Beetz herkend en hij werd er op aangesproken. Van Beetz maakte daarop duidelijk dat hij uitgeleend was aan de Antilliaanse regering en verantwoording verschuldigd was aan Minister President Pourier en niemand anders. Veel begrip ontving van Beetz niet. De relatie met BKZ is er daarna jaren een geweest van koude oorlog.

Toen ik dit verhaal las moest ik onwillekeurig denken aan het boek van Aart Broek, Dwarsliggers. Wellicht zou dit boekje verplichte kost moeten zijn voor heel bestuurlijk Nederland.
In 2006, toen het voor de Antillen duidelijk was dat Nederland zijn financiële afspraken niet nagekomen was en ook niet zou nakomen, hield minister Brinkhorst in de aula van de Universiteit van de Nederlandse Antillen een lezing getiteld 'een gezonde bestuursstructuur in een gezonde economie'. Brinkhorst hamerde op het belang van bezuinigingen en na afloop merkte van Beetz tijdens de staande receptie tegen een oud-collega uit Den Haag op, 'een gemiste kans.' Hij bedoelde dat politiek Den Haag de kans had laten liggen Pourier de nodige ruggensteun te geven ten tijde dat het kabinet Pourier daadwerkelijk met de bezuinigingen bezig was waar Brinkman het over had. De Antillen zouden er heel wat voortvarender hebben uitgezien als Gijs de Vries niet zo halsstarrig was geweest.

Deze opmerking werd doorgekletst en veroorzaakte in Den Haag een diplomatieke rel. Weer verwijs ik naar Dwarsliggers waarin Aart Broek beschrijft hoe moeilijk het is voor bestuurders om beleid over een andere boeg te gooien als duidelijk wordt dat een andere koers gevaren dient te worden. In dat soort gevallen, waar de cognitieve functies van de bestuurder dissoneren met de realiteit, is het helaas usance om eerst de boodschapper af te schieten. Van Beetz moet teruggeroepen worden, zo eiste Laurens Jan Brinkhorst. Dat is uiteindelijk niet gebeurd. Freek van Beetz heeft drie minister presidenten geadviseerd, Pourier, IJs en de Jong Elhage, waarna een einde kwam aan de Nederlandse Antillen op 10 oktober 2010.

Het einde van de Antillen is geen formele wetenschappelijke studie. Van Beetz wisselt de politieke gebeurtenissen van de afgelopen tien jaar af met passages uit zijn logboek, waarin hij al die gebeurtenissen van persoonlijke kanttekeningen voorziet. Die passages hebben een andere schrijfstijl, ze zijn als het ware een verademing na de delen van het boek waarin de politieke processen worden beschreven en waar Freek van Beetz zich ervan bewust is dat hij aan geschiedschrijving doet. De persoonlijke ervaringen zorgen ervoor dat het boek Het einde van de Antillen leest als een roman.
...een orgie van bestuurlijk en politiek vandalisme...

Ik genoot van de passage over de slotverklaring, een orgie van bestuurlijk en politiek vandalisme, zoals Freek van Beetz het noemde. Allereerst moest er gestemd worden  of Anthony Godett al dan niet uit Bon Futuro gehaald moest worden om hem aan het debat te laten deelnemen. Iedereen bemoeide zich ermee, en met name in de Papiamentstalige kranten ontstond een hetze, die versterkt werd door de nogal onhandige PAR zet  de overeenkomst inzake de slotverklaring geheel op het conto van de PAR te schrijven. Si en No werden toen geboren. Na een opeenvolging van scheldpartijen en holle retoriek werd de slotverklaring afgewezen. Men vierde dit besluit feestelijk. Weldenkende burgers vroegen zich af waar dit allemaal heen moest. Duidelijk was het dat de PAR door de coalitiepartij van Godett gezien werd als verlengstuk van Holland. Dat was al zo vanaf het verraad van de Vries. De FOL had hiermee een stok om de hond te slaan.

Het boek van Freek van Beetz verdient een plaats in de boekenkast van eenieder die begaan is met de Caribische eilanden, maar met name in de boekenkast van onze politici, ter lering ende vermaeck. 'Het einde van de Antillen' is bovenal een aanwinst voor onze nationale bibliotheek en de bibliotheken van onze middelbare scholen, daar het in een leemte voorziet wat betreft onze politieke geschiedenis.




Freek van Beetz, Het einde van de Antillen; Kroniek van een adviseur op Curaçao
ISBN: 9789059727564
Uitgever: Eburon
Jaar : 2013
Pagina's : 336

[uit Antilliaans Dagblad,  (rubriek ‘Voor u gelezen’), zaterdag 18 mei 2013]

Over Dwarsliggers zie dit eerdere bericht.

zondag 11 november 2012

Driemaal de slavernij in de literatuur

door Eric de Brabander
Eric de Brabander

150 Jaar geleden werd de slavernij op onze eilanden afgeschaft. Ik kan me het honderdjarige jubileum nog voor de geest halen alsof het gisteren was. Ik zat in de vierde klas van de lagere school bij meester Larmonie. Een bevlogen, levendige man, onderwijzer in hart en nieren. Hij liet zijn leerlingen toneelstukjes opvoeren die van doen moesten hebben met het slavernijverleden. Ik was een van de twee blanke jongetjes in de klas dus voor mij was er altijd wel een rol te vervullen, een rol die later, in de pauze, op de speelplaats bestraft werd. Toen al was het rollenpatroon dat opgelegd werd omdat het toneelstukje dat vereiste, niet geheel helder, ondanks dat duidelijk werd gemaakt dat het ging over goeden en slechten, zwart en wit, cowboys en indianen. En ook nu ik ruim volwassen ben heb ik moeite met deze zaken uit ons gezamenlijk verleden een etiket op te plakken. Wat zou het mooi zijn als we jaarlijks een krans bij het Tula-monument konden leggen, en het daarbij te laten, ons te concentreren op onze gezamenlijke vooruitgang nu. En te waken voor discriminatie in welke vorm dan ook, homo’s joden, lesbo’s, blank en zwart, ga zo maar een tijdje door. Om bij sollicitaties te gaan voor kwaliteit en niet voor ras of stand of een of andere 80-20-regeling. 

Boeken over het slavernijverleden zijn er in de Amerikaanse literatuur te kust en te keur. Wie kent niet The saga of an American family van Alex Haley, in de jaren tachtig ook een populaire televisieserie. Of Uncle Tom’s cabin van Harriet Beecher Stowe. Of, om een minder populaire maar zeker niet mindere te noemen: The Journal of Darien Dexter Duff, an emancipated slave, van K.J. McWilliams. In het Nederlands beperkt hetgeen over slavernij geschreven is zich tot non-fictie, enkele uitzonderingen daargelaten. De Surinaamse auteur Cynthia McLeod schreef met Hoe duur was de suiker? een zinderende roman waar gedegen historisch onderzoek aan vooraf ging. En onze Curaçaose Carel de Haseth schreef de prachtige novelle Slaaf en Meester, ook in het Papiaments uitgebracht onder de titel Katibu di Shon, een boek dat omgewerkt wordt tot een opera met in de hoofdrol Tania Kross en muziek geschreven door Randal Corsen.



Het eiland onder de zee
Van een vriendin kreeg ik onlangs een boek cadeau, als dank voor een noodreparatie aan een voortand, die er vlak voor een reis naar het buitenland uitviel. Isabel Allendes roman, Het eiland onder de zee, in het Spaans getiteld  La isla bajo el mar, kwam in 2010 uit. Nu had ik me jaren geleden voorgenomen nooit meer iets van Isabel Allende te lezen. Toentertijd vond ik dat ze met Het huis van de geesten haar top bereikt had, en dat wat daarna volgde een hoog keukenmeidenromangehalte had.  Ik had me vergist. Het lijvige boek van de nicht van de afgezette president van Chili had ik in enkele avonden uit. Het eiland onder de zee speelt zich grotendeels af op Hispanola, het deel van het eiland dat nu Haïti heet, aan het einde van de 18de eeuw, in de tijd van de slavenopstand van Toussaint Louverture, die uiteindelijk leidde tot het eerste Caribische land waar de voormalige slaven het voor het zeggen hadden. Zarité wordt op haar negende als slavin verkocht aan de Fransman Toulouse Valmorain, de eigenaar van een grote suikerplantage, zo vermeld de achterkant van het boek. Ze werkt voor zijn zenuwzieke Cubaanse echtgenote, verzorgt zijn zoontje en wordt zijn concubine. Algauw verwekt hij een kind bij haar. Als de slaven in opstand komen tegen de plantagehouders moet Zarité kiezen. Ze kan zich ontdoen van het juk van haar meester, of ze kan hem omwille van zijn kinderen helpen het eiland te ontvluchten. Met de steun van sterke vrouwen, van wie sommigen magische krachten bezitten, neemt ze uiteindelijk de juiste beslissing. De familie Valmorain vlucht uiteindelijk via Cuba naar Louisiana waar Toulouse Valmorain een nieuwe plantage opzet.
Allende heeft ervoor gekozen om om de paar hoofdstukken Zarité aan het woord te laten  en is er op die manier in geslaagd het tijdsbeeld zowel een Europese als een Afrikaanse kleur te geven. Het is ontzettend knap dat ze de hoofdpersonen heel aannemelijk achttiende-eeuws maakt in hun denken, hun handelen en in hun levensfilosofie. Maar wat bovenal opviel is de geweldige historische onderbouwing.  


Tula – Verloren vrijheid
En dat is nou precies wat mist bij het boek Tula-verloren vrijheid van Jeroen Leinders dat deze maand uitkwam bij de Nederlandse uitgeverij Conserve. Jeroen Leinders schreef Tula niet uitsluitend als boek, maar ook als filmeditie. En aan de film wordt momenteel gewerkt met grote namen als Derek de Lint en Jeroen Krabbé. Over Tula is eerder geschreven. De Curaçaose schrijver en dichter Guillermo Rosario schreef in 1969 in het Papiaments E raȉs ku no ke muri, uitgegeven door de Bezige Bij. En Carel de Haseths Katibu di Shon is geïnspireerd door het verhaal van Tula. Ik vermoed dat de Haseth gekozen heeft de novelle een volledig fictief karakter te geven omdat over het werkelijk verhaal zo weinig bekend is, en dat hem dit de vrijheid gaf zijn eigen draai aan het boek te geven. Het is Leinders grote verdienste dat hij het verhaal van Tula internationaal onder de aandacht brengt op het witte doek.  Maar over de novelle waar het filmscript op gebaseerd is, heb ik mijn bedenkingen, met name wat betreft de historische context . Zo maakt Leinders in zijn nawoord een vergelijking tussen het neerslaan van de opstand van Tula en de gebeurtenissen na 30 mei 1969. ‘Hoewel het verhaal van Tula belangrijk is in de geschiedenis van Curaçao werd het verhaal lang genegeerd door de Nederlandse machthebbers. Op de scholen op het eiland werd niet over Tula gesproken. De staking van 1969 op Curaçao, waarin nog steeds werd gestreden voor gelijke rechten voor blank en zwart, is opnieuw door Nederland hard neergeslagen….’ Nou, zo kan die wel weer.   
   
Slavenpaar. Johann Moritz Rugendas (1802-1858). Collectie Buku Bibliotheca Surinamica
                  
Het verhaal begint met een voorwoord waarin de gebeurtenissen op Curaçao aan het einde van de 18de eeuw in verband worden gebracht met de mondiale situatie van die tijd. ‘De wereld aan het einde van de eeuw wordt gekenmerkt door grote onrust en een drang naar vrijheid en zelfbeschikking. Amerika zal zich in 1776 losmaken van Engeland, de Franse revolutie vindt plaats in 1792. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden heeft net de laatste oorlog met Engeland achter de rug, terwijl het land intern verscheurd wordt door de strijd tussen de patriotten en de koningsgezinden. In 1795 wordt deze strijd in het voordeel van de patriotten beslecht. Het jonge patriottische Frankrijk bezet Utrecht, het laatste bolwerk van de koningsgezinden. De Bataafse Republiek onder Frans regime is nu een feit. Stadhouder Willem V vlucht naar Engeland. Frankrijk verklaart Engeland de oorlog.’ Tot zover het boek. Wat dan volgt is een verhaal dat qua stijl, woordgebruik en compositie misschien beantwoordt aan de voorwaarden van een filmscript, maar dat als novelle tamelijk kleurloos overkomt. De hoofdpersonen geven niet het gevoel achttiende-eeuws te zijn, iets wat misschien moeilijk is maar waar Isabel Allende wel in is geslaagd. Op de kaft is een foto te zien van een weldoorvoede mulat die zeker niet lijkt op de Tula die ik voor ogen heb. Op de tweede pagina van Leinders boek staat: Tula - verloren vrijheid. Filmeditie. Dat is wat verwarrend, omdat nergens vermeld wordt dat de Amerikaan Curtis Hawkins het script geschreven heeft. Nu vertelde de Curaçaose cineaste Sherman de Jesus me tijdens een bezoek van hem aan zijn eiland, dat het een misverstand was om boek en filmscript te vergelijken. Volgens hem kan dat helemaal niet omdat de scriptschrijver alle vrijheid moet hebben om dialogen te scheppen, dialogen die in het boek vaak niet nodig zijn omdat het verhaal spreekt. En om de film tastbaar te maken met de audiovisuele middelen die hem ter beschikking staan en die de auteur van het boek niet heeft. Wat er toe leidt dat boek en script vaker dan niet weinig met elkaar van doen hebben, met uitzondering van het onderwerp en de verhaallijn. Ik heb het script van Hawkins niet gelezen en ben dan ook zeer benieuwd naar de film. Ik hoop dat die behalve spanning en sensatie ook didactische kwaliteiten zal hebben, zodat onze schoolgaande jeugd er zijn voordeel mee kan doen.

Verhalen uit Gabon, Oman, Curaçao
Het debuut Verhalen uit Gabon, Oman, Curaçao van de huisarts Bob Schuringa werd onlangs gepresenteerd. Op de voorkant prijkt een mysterieuze foto van de schrijver zelf, gehuld in muskietengaas. In het boek zijn twee novellen opgenomen en enkele korte verhalen. De verhalen zijn, zoals de achterflap vermeldt, semi-autobiografisch en spelen zich af in landen waar Bob Schuringa werkzaam was als Shell-bedrijfsarts. De laatste novelle speelt zich af op Curaçao, waar de Nederlandse Titia Aggenbach, een pas afgestudeerde kunstenares, komt te wonen op het godverlaten landhuis Ronde Klip. Op een avond hoort ze in de mondi (de auteur heeft het abusievelijk maar halsstarrig over kunuku) het gehuil van een kind. Ze besluit de volgende ochtend op onderzoek uit te gaan. Op de speurtocht belandt Titia in een verlaten huisje aan de Sint Jorisbaai. Het huisje blijkt toch niet zo verlaten te zijn en Titia wordt deel van een magisch verhaal waarin ze teruggaat in de tijd, en voor haar ogen het verleden van haar voorouders zich ontrolt, die in de slaventijd het landhuis Ronde Klip en de plantage bezaten. Het kind van Landhuis Ronde Klip is een kunstig in elkaar gezette novelle die zeker geschikt is voor de literatuurlijsten van onze middelbare scholieren.

Prachtig vond ik de novelle Het achtste graf, een verhaal dat zich afspeelt nadat een mengvorm van het HIV-virus en het Ebolavirus de wereldbevolking gedecimeerd had. Paul, een Shell-arts in Gabon was met zijn zeiljacht de Fuyard de zee opgevaren om aan besmetting te ontkomen. Terwijl hij op zijn boot aan het overleven was, verspreidde het dodelijke virus zich over Afrika. Dorpen en steden hielden op te bestaan en werden overwoekerd door het oerwoud. En al gauw bereikte de epidemie de rest van de wereld. Uiteindelijk komt Paul aan in Australië waar hij verliefd wordt, en zijn nieuwverworven vrouw aan het virus prijs moet geven. Uiterst beklemmend beschrijft Schuringa de onoplosbare eenzaamheid van Paul op zijn schip de Fuyard, nadat hij zijn zwangere geliefde aan de golven prijs heeft gegeven. Paul besluit terug te zeilen naar daar waar alles begonnen was, Gabon. Hij verliest zijn jacht en gaat over land verder, vergezeld van een hond die hij Kwark noemt. Aangekomen bij de mysterieuze en verlaten plantage Margraff lijkt het erop dat Paul zijn  eindbestemming heeft bereikt. Hij beseft dat pas nadat hij door een dodelijk giftige slang gebeten wordt. Ook hier weet Schuringa de magie in zijn novelle wonderschoon gestalte te geven. Kwark blijft alleen achter. Wat te denken van de slotzin: ‘De wereld staat stil, hier op de afgelegen landtong. Alleen de zon beweegt met tegenzin. Dan omsluit de natuur het trouwe beestje met een deken van genegenheid.’ Chapeau! 
         
Er is een ding dat me zal blijven verbazen in de schrijfsels van Nederlandstaligen als het over Curaçao gaat. Het gebruik van het Papiaments. Als ik een verhaal over Duitsland zou moeten vertellen en daarbij een en ander onvertaald laat, dan zorg ik er natuurlijk voor dat het gebruikte Duits foutloos is. Daar heb je woordenboeken voor, of leraren Duits. Of vertalers. Zowel Jeroen Leinders als Bob Schuringa maken zich schuldig aan fouten in het Papiaments die de taal maken tot een soort apentaal. Ik noemde al ‘kunuku’, dat landbouwgrond betekent, en geen wildernis. Wildernis is ‘mondi’. Of het gebruik van het woord pika, als doorn of ander scherp uitsteeksel bedoeld wordt. Een doorn is een sumpiña. Pika is een werkwoord. E ta pika, het prikt. Aan dit soort taalgebruik maken beslist niet alléén Jeroen Leinders en Bob Schuringa zich schuldig. Ik ben bang dat het Papiaments in het Nederlands een eigen leven is gaan leiden, en misschien heeft dit ongeëigende gebruik van Papiaments met de jaren bestaansrecht verworven. Misschien bestaat er zoiets als Papiaments voor Nederlanders, die door de knoek lopen, in pika’s trappen en koño zeggen zonder de intrinsieke beledigende betekenis van het woord in te voelen. Want Miep Dieckman deed het ook al, in De boten van Brakkeput, en Marijn bij de lorredraaiers. En dat is toch een hele tijd geleden.