![]() |
| Alfred Birney en Frans Lopulalan |
Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
donderdag 28 juni 2012
Alfred Birney genomineerd voor Halewijnprijs 2012
zondag 6 mei 2012
Wat Multatuli, Daum en Couperus ons niet vertelden
door Ezra de Haan
Het valt Alfred Birney op dat onze geschiedenis, in het bijzonder de koloniale en postkoloniale geschiedenis, is verworden tot iets voor freaks, vooral waar verhalende literatuur als bronnenmateriaal gebruikt wordt. Alles wat voor de Tweede Wereldoorlog gebeurde lijkt in het vergeetboek terecht te zijn gekomen. Pijnlijk vooral voor bevolkingsgroepen in Nederland zoals de Indo’s. Birney wijst op de ‘minder fraaie episodes’ in onze geschiedenis en het feit dat Nederland geen postkoloniaal debat heeft gekend, in tegenstelling tot Frankrijk, Engeland en Amerika. Blijkbaar probeerde men zo de eeuwenlange moordpartijen in Indonesië en de vele andere zwarte bladzijden van de vaderlandse geschiedenis onder het tapijt te vegen.
Lees hier de hele recensie op Literatuurplein.nl
De Dubieuzen van Alfred Birney werd op 20 april 2012 gepresenteerd. Klik hier voor meer info.
zaterdag 14 april 2012
Birney Struggle Blues (3 en slot)
Maar ik ging toch door met het nachtelijk leven. ‘s Nachts zat ik poëzie te schrijven en liedjes, songteksten. ‘s Nachts is het rustig. Eerste versies moet ik altijd wel ’s nachts schrijven, ja. Maar het is het allebei, wat jij zegt, afsluiten van de maatschappij, erbuiten willen staan. Ik geloof niet dat het een keuze is. Want als je het zo zegt, wek je de indruk dat ik ervoor kies. Waarom wijs je de maatschappij af? Omdat de maatschappij zegt: we hoeven jou niet. Ik worstel mijn hele leven al met de vraag van de vrije wil. Het is een tijd lang een trend geweest om te zeggen: ‘daar kies je toch voor’. Nee! Jij bent van goede afkomst, jij hebt aardige ouders, jij kon gaan studeren, jij hebt nooit hoeven knokken voor je leven. Jij bent nooit aangesproken op je blanke uiterlijk, ze hebben jou nooit gevraagd: waar kom jij vandaan? De vraag is moeilijk te beantwoorden. Ben je snel kwaad, ben je provocatief, of reageer je op bepaalde dingen? Ik kan niet tegen gemarchandeer zoals met die boekenweek. Ik vind dat Indische Nederlanders onrecht is aangedaan in 1992. Om die dingen word ik kwaad. Ben ík dan zo’n moeilijke jongen?

Peter de Rijk en Alfred Birney
Nou ja, vertel jij het maar.
Waarom moet ik m’n bek houden dan? Het valt me op dat er weinig Indisch protest meer is. Als je slim bent, ga je op een podium zitten en dan denk je alleen: ik moet zo veel mogelijk boeken verkopen. Maar dat kan ik niet. Vorig jaar november was er een symposium in Nijmegen. Ik zat er bij Wim Brands, met Eveline Stoel - een nieuwkomer - Wim Willems en Lizzy van Leeuwen. Komen ze weer met ‘de zwijgende vader’ aanzetten. Moet ik dan als Alfred Birney daar voor de 500ste keer in meegaan? Mijn vader die zweeg nooit! Die had het elke dag over de oorlog, elke dag. Hield ie z’n smoel maar eens! En als zijn vrienden kwamen spraken ze, half Maleis, half Hollands, alleen maar daar over. Er werd helemaal niet gezwegen. Nee, Indo’s móesten hun smoel houden. Indische mensen hadden wél hun verhaal en ze hadden heel veel te vertellen. Mijn eigen moeder – mijn Hollandse moeder - zei tegen mijn vader: ‘Ik weet het nu wel’, terwijl ze het helemaal niet wist, ‘het is geweest’. En dan komt er weer één met ‘de zwijgende vader’ aanzetten. Dan zitten er nota bene Indo’s in de zaal te applaudisseren. Hoe kun je daar als Indo voor klappen?
Wat vind je van ouder worden?
Nou ouder worden is niet zo erg. Je gaat alleen steeds vaker naar de dokter. En vrienden ontvallen je, er zijn mensen die krijgen die verschrikkelijke ziekte. Mijn leukste vrienden zijn al niet meer hier. Ik ben bezig met de opvoeding van mijn zoon, want ik ben een late vader. Hij en zijn vrienden houden me jong en ja, wat kan ik zeggen? Het is moeilijker om een vriendinnetje te vinden. Er zijn wel vrouwen die zich aanbieden, maar die zijn honderdtwintig ofzo. Ouder worden, waarom begin je daar over?
Omdat je 60 wordt dit jaar. Wat zoeken vrouwen in een getormenteerde schrijver? Willen ze iemand redden? Vertroetelen? Kinderen van ‘m?
De moeders van mijn kinderen hebben nooit geloofd dat ik een getormenteerde schrijver ben. De moeder van mijn dochter las De onschuld van een vis en zei: ‘Dat kan niet. Was het echt zo?’ Nee, in werkelijkheid was het erger, zei ik. Hoe vond je het boek dan? ‘Ik vond het een goed boek, maar het kan niet. Is het echt zo gebeurd?’ Nee, het was veel erger. Ik heb er een roman van gemaakt. ‘Zie je wel’, zei ze. Ze vonden me helemaal geen getormenteerd schrijver.
Vind je dat zelf wel?
Nee. Misschien jij. Ik heb mezelf nooit zo beschouwd. Een boek als De onschuld van een vis schrijf je niet als je Kluun heet natuurlijk. Dat is duidelijk het boek van een getormenteerde schrijver. Niemand heeft me ooit zo genoemd.
Ben je dan een getormenteerd mens?
Ik ben bang van wel. Geplaagd door herinneringen… Dat is wel mooi: hoe ouder je wordt, hoe minder je wordt geplaagd. De nachtmerries gaan over. Hoe ouder je wordt, hoe meer je je verzoent met je verleden. Mijn vader, als ik die nu beschrijf bijvoorbeeld, dan krijgt ie toch meer gezichten. Hij kon ontzettend gezellig zijn. Hij stierf in 2005 en een paar maanden later kreeg ik een hartaanval. Een Indische vriendin, Peggy, legde gelijk het verband. Mijn zus ook: ‘Is het door pa?’ Nee, joh, ik heb gewoon teveel gerookt, zei ik dan. En ik heb zestien jaar lang aan de Utrechtsebaan gewoond. Daar word je ook niet gezonder van.
Wat heeft zijn dood met je gedaan?
Die man gaat dood. Ik krijg een hartaanval. Dan krijg je een soort van burn-out. Ik word moe. Ik denk: ik schrijf niet meer. Die roman van die rivieren, ik kan dat niet aan. Het is teveel. Te zwaar. Ik besloot om in plaats van één roman elk jaar een novelle te schrijven. En korte verhalen. Ik ben steeds compacter gaan schrijven. 250 woorden, maakt niet uit waar het over gaat. Maar op zo’n manier dat ik de fragmenten later aan elkaar kan schrijven. Ik verzamel eigenlijk fragmenten.
Wat heeft dat met je vader te maken?
O ja. Huhu. Hij ging dood. Effe denken…
Las hij je werk?
Ja, hij werd op de hoogte gehouden door kennissen uit Nederland. Dan stuurde hij weer een brief op vanuit Spanje. Eén keer schreef hij: Ik heb nog ouwe mariniersvriendjes in Nederland en die stuur ik op je af, als jij zo doorgaat met schrijven. Op een gegeven moment ben ik echt kwaad geworden. Nou is het genoeg! Ik ben achter de schrijfmachine gaan zitten en ik heb geschreven: Geachte… pa, het is allemaal de schuld van mijn moeder, van de tehuizen, van de leraren op school, de hele wereld is schuldig aan alles wat er is gebeurd. En jij, jij hebt helemaal niets gedaan. Jij bent volkomen onschuldig. Stuur die onschuldige mariniers maar naar me toe. Ik schop ze één voor één de trap af. Toen kreeg ik een brief terug van hem: ja, sorry, toen k
roop ie door het stof. De onschuld van een vis is waarschijnlijk een van mijn knapste boeken. Mijn boeken zijn wel autobiografisch, maar ik wilde er nooit over vertellen want het gaat erom hóe ik schrijf. Mijn vader ging dood en ik moest een verhaal schrijven voor Archipel, maar ik kon niet meer over hem schrijven. Ik kon niet meer boos worden.Was hij je muze?
Ik zag mezelf altijd als een vakman. Ook een manier om mezelf in de hand te houden. Want emotionele verhalen; als je die probeert op te schrijven, dan stort je in elkaar. Maar als je probeert een roman te schrijven, moet je stijlvast zijn, perspectief, al die dingen. Het is een vak, je bent heel vakkundig bezig. Als ik een boek schrijf, dan lijd ik aan ernstige slapeloosheid. Na drie weken moet ik stoppen want dan moet ik gewoon bijkomen, bijkomen, want ik slaap dan niet. Er komen zoveel dingen bij me naar boven. Dingen die niet in mijn boeken komen te staan. Dus ik ben inderdaad getormenteerd. Ik wist het niet. Ik heb het nooit willen weten misschien? Als je jezelf niet voor de gek kunt houden, kun je niet leven. Je kunt niet met alles tegelijk de confrontatie aangaan. Dan spring je van het dak af. Dat kan geen mens aan. Dat zie ik aan mijn broers en zussen. Ik schrijf nu 25 jaar. En door dat schrijven heb ik eigenlijk een soort therapie gevolgd, maar wel door het altijd te ontkennen. Want als ik tegen mezelf zou zeggen: ik ben een getormenteerd schrijver, ik heb het schrijven nodig om allerlei dingen te verwerken, dan kon ik niet meer tegen mezelf zeggen: je bent een kunstenaar. Ik heb er altijd omheen gelopen. Ik denk dat dat het is. Soms moet je jezelf in de maling nemen. Mijn vader! Hij is mijn muze! Ik wist dat niet. En geen mooie vrouw van vroeger. Dat is makkelijk. Dat wil je. Maar niet een of andere agressieve vader. Mijn hemel, hij was het. Maar ik hou ook van die man, vond ik ook zo vervelend toen ik daar achter kwam. Een haat-liefdeverhouding. Als je wordt mishandeld in je jeugd en je wordt verder niet aangeraakt… ik had een koude, kille moeder. Mijn vader heeft me tenminste wel aangeraakt. Het deed pijn, maar ik heb altijd bestaan voor mijn vader. Ik kon niet om hem heen, maar hij ook niet om mij. Daarom sloeg ie me. Ik had waarschijnlijk iets in me, in mijn ogen, waar hij niet tegen kon. Maar dat kun je als kind niet weten. Mijn moeder heeft me wel eens verteld dat ik heel diep kon kijken. Zat ze met me op de bank in de tram als klein jongetje, en dan kon ik iemand de hele tijd aankijken. Soms was het zo erg dat een passagier opstond en ergens anders ging zitten. ‘En zo kon jij ook naar je vader kijken.’ Ik vroeg haar: maar waarom keek ik dan zo? ‘Ja’, zei ze, ‘dat moet je aan jezelf vragen.’
www.alfredbirney.nl
maandag 9 april 2012
Birney Struggle Blues (2)
Alfred Birney en Frans LopulalanEn nu kunnen ze er nog steeds niet tegen?
Het zal wel in mijn karakter zitten. Het is een kant van me, ja, vrees ik toch wel. Eerst is dat onderdrukt door mijn vader en in die tehuizen hebben ze geprobeerd het te onderdrukken door me op te sluiten en me weg te sturen. Hoe kun je van een maatschappij houden als ze je niet willen? Je ziet er niet uit zoals zij dat willen - je bent een Indo hè – je hebt je school niet afgemaakt. Je kunt geen werk vinden. Toen ik achttien was zwierf ik over straat met mijn gitaar. Ik weet niet meer hoe ik die jaren ben doorgekomen, ik heb een moeilijke tijd gehad tot mijn 25ste.
Uit je boeken begreep ik dat een van je hoofdpersonen een psychose heeft gehad.
Heb ik ook gehad. In 1973 werd ik psychotisch. Ik werd helderziend gewoon, klaar. Ik werd ergens een huis uit getrapt – huurachterstand - en kwam een oude vriend tegen. Zijn ouders waren net overleden en hij zei: kom maar in mijn huis wonen. Ken je die film van Polanski? Van die vrouw die in een huis zit en daar helemaal gek wordt? Gek van eenzaamheid en zo psychotisch als de hel? Dat heb ik meegemaakt. Ik zag geesten en daar was ik hartstikke bang voor. ’s Nachts hoorde ik geluiden en de lampen gingen aan en uit. Dat soort spookverschijnselen. Ik ga mijn bed uit, loop de huiskamer in en de radio staat aan. Dus ik doe alle lichten aan.Ik durf niet meer te slapen. En het water liep niet meer weg, het raakte verstopt en de buren kwamen aan de deur: er is een lekkage. Ik liep bij een psychiater in die tijd en ik zei: ik word gek. Hij gaf me hele zware medicijnen.Ik was compleet buiten westen, liep als een zombie over straat en de straat, dat was heel eng, die bewóóg. Ik durfde alleen nog maar over straat samen met een vriend en ik liep zó: met mijn handen langs de muur. Het was een afschuwelijke tijd.
Toen ik was opgeknapt ging ik werken bij de Dienst voor het Stoomwezen – klinkt als de Fabeltjeskrant, niet? Daar werkten allemaal mensen met een motief. Ik heb er twee jaar gewerkt, gewoon: facturen, debiteuren, aanmaningen versturen. ’s Avonds schreef ik liedjes, ik trad ook wel eens op, ik ging laat het bed in. Een vriend kwam me iedere ochtend ophalen, maar ik versliep me telkens weer. Ik werkte ‘s avonds wel door, maar we deden maar wat we wilden. Op een gegeven moment ben ik er uitgeschopt. In die tijd had ik een b-muzikant leren kennen. Hij speelde elektrisch, ik akoestisch - zeg heb je geen zin om een muziekschool te beginnen? En toen ben ik gitaarles gaan geven. Dat was in 1977 en na een paar jaar zei hij: hé we moeten gitaarboeken gaan schrijven, dus ben ik gitaarboeken gaan schrijven. Ik kwam een leuke vriendin tegen, Christien, daarmee ben ik gaan samenwonen. Ik kwam het tehuis uit en had een heel leven achter de rug - maar ja, dat schrijft tegenwoordig iedereen op Facebook. In 1981 maakte ik tijdens vechtsporttraining een fout met een wering en ik brak mijn ringvinger, kijk maar: hij staat scheef naar binnen. Ze hebben ‘m verkeerd gezet. Christien had een baan en ik zei: ik ga boeken schrijven. Dat wilde ik toch altijd al. Ze nam zo’n grote Olivetti voor me mee en ik met mijn ene
hand in het verband, met één vinger tikken. Ik dacht: nu ga ik literatuur schrijven dus dat moet zoiets zijn als James Joyce’s Ulysses. Ik schreef een roman en die was zo ingewikkeld, die kreeg ik van alle uitgevers terug. Als ik het manuscript nu herlees: ook ik begrijp er helemaal niets van! Ik heb het hier liggen.Daarna heb ik Tamara’s lunapark geschreven.
In die tijd kon ik weer gitaarlessen geven en na een jaar of vier kon ik het Fonds voor de Letteren in. 2005 was een rampjaar. Mijn vriendin ging raar doen, werd me ontrouw, de moeder van mijn zoon werd godsdienstwaanzinnig, mijn zoon kwam steeds meer hier. Mijn baantje raakte ik kwijt en in december ging mijn vader dood. Ik dacht de hele tijd: als ik dat Jaar van de Haan nu maar door kom, dan gaat het wel. En toen werd het 24 februari 2006. Ik was thuis en ik kreeg overal pijn, zweten, het is moeilijk uit te leggen wat ik precies voelde. Ik belde m’n broer, hij stond net op de mat in de dojo en hij hoorde aan mijn stem dat er iets mis was. Hij was er in een kwartier - ondertussen heb ik hem nog een keer gebeld. Ik lag op mijn knieën pijn te lijden en ik zei: George, ik heb een hartaanval. Op een gegeven moment weet je het. George, ik verga van de pijn, je moet me masseren. Bel 112, want ik ga hartstikke dood. De ambulance was er binnen zeven minuten. Je bent helemaal gesloopt. Op de derde dag zeiden de verpleegsters tegen mij: u kunt uw tanden wel poetsen hoor. Dus ik kijk naar die wastafel en ik denk: dat haal ik niet. Ik was helemaal kapot. Een hartaanval gaat bijna altijd gepaard met een burn-out. Ik kwam thuis en toen was ik pas echt ziek, want ik werd niet meer verzorgd. Geen vriendin, dies weg, maar mijn zoon kwam wel, daar moest ik v
oor zorgen. Michael was toen dertien, hij ging mee boodschappen doen. Van hier naar de supermarkt is misschien vijf minuten lopen, maar ik moest twee keer rusten onderweg. Even op een paaltje zitten. In september 2006 dotterden ze de andere helft van mijn hart en toen ben ik gaan fietsen. Dan krijg je ineens zuurstof binnen. Elke dag sta ik op, neem groene thee en een boterham en ik ga fietsen.En als je zegt: ik word wakker, neem thee en stap op de fiets, dat is dan om twee uur ’s middags?
Ja, ik kom mijn winterdip uit, dus nu gaat de knop weer terug. Nu sta ik om twaalf uur op, over een maand is het elf uur en weer een maand later tien uur. In de winter heb ik zo’n moeite. Dan duik ik de nacht in. Ik speld iedereen op de mouw dat ik ’s nachts zit te schrijven maar het is gewoon een smoes.
Ik dacht dat je de nacht nodig had om te schrijven.
Maar waarom zou ik dan ‘s nachts leven als ik niet schrijf? En ik leefde al ‘s nachts voordat ik schreef.
Omdat je je wil afzonderen van de maatschappij?
Ik denk het wel.
Heeft dat met die vervreemding te maken? Dat staat toch zo mooi in je recensies: ‘vervreemding is een terugkerend element in Birney’s werk’.
Schrijven ze dat? Toen ik op kantoor ging werken, moest ik die nacht uit. Dus ik sta om zeven uur op, half acht bij de tramhalte en ik kijk om me heen: wat is dit? Die stroom mensen op hun brommers en in hun auto’s op weg naar hun werk. Niemand zegt wat tegen elkaar. Wat is dit voor een leven? Dan kom je op zo’n kantoor en dan: Goeiemorgen! Morgen! Moggûh! Mogge! En dan om tien uur: Koffie! Hebben we er niks bij? En dan gingen ze gebak halen. Wil je ook gebak? Nee joh rot op man! Hou je dan niet van gebak? En dan om half een: Pauze! Nou dan ga je naar buiten lopen over de Frederik Hendriklaan, broodje halen. Daar liep je dan.
donderdag 5 april 2012
Birney Struggle Blues (1)
Marjolein: ‘Dankzij de nominatie komt zomaar ineens een Indisch verhaal uit de marge tevoorschijn. Dat raakt me dieper dan ik had gedacht. Ik beschouw de nominatie als een erkenning voor het verborgen verhaal van Indische Nederlanders en van andere minderheden.’
Het interview uit Moesson van april 2011 nemen we hier in afleveringen over. Mocht u erop willen stemmen voor de publieksprijs, dan kan dat via deze link. De uitslag is 16 april.

Birney Struggle Blues
door Marjolein van Asdonck
Alfred Birney. Hij debuteerde in 1987 met Tamara’s lunapark en is schrijver van een constante stroom proza; Indisch en niet-Indisch. Vorige maand verscheen het derde deel van zijn rivieren-trilogie: Rivier de Brantas.
Birney (Den Haag, 1951) is de man met de grote bek. Hij is kassar, hij is de si-Oudijck binnen het rustig voortkabbelende wereldje van de Indische literatuur, die zich tegen je keert wanneer je hem uitnodigt op een symposium. Hij maakte zich verschrikkelijk kwaad toen het boekenweekgeschenk tijdens de boekenweek in 1992 die als thema ‘’t Prachtig rijk van Insulinde’ had, naar A.F.Th. van der Heijden ging in plaats van naar een Indische auteur. En hij maakte zich in 2000 opnieuw kwaad toen het Nederlandse boekenweekgeschenk naar de Engelstalige Salman Rushdie ging. Hij weet het aan handjeklap tussen het CPNB en uitgeverij Contact die net een enorme som had geïnvesteerd in nog ongeschreven romans van Rushdie – kom op, was er nou echt geen Nederlandstalige schrijver die binnen het thema ‘Schrijven tussen twee culturen’ paste? Zijn giftige cybercolumns bundelde hij in zijn Yournael van Cyberney. En o ja, hij neemt er en passant ook nog de Werkgroep Indisch Nederlandse Letterkunde in op de hak. Twee jaar daarvoor,
in 1998, bezorgde hij een min of meer controversiële Indospectieve bloemlezing van Indische bellettrie. Controversieel omdat Birney elke keuzeverantwoording weigerde. Is dit echt dezelfde man die kwetsbaar proza als Bewegingen van heimwee schreef, als De onschuld van een vis, als Het verloren lied? Basic is een understatement. Birney leeft als een asceet. In zijn woning geen foto’s, geen frutsels, geen herinneringen. De twee gitaren - één met nylon snaren, één met stalen snaren - een tijdelijke luxe. Onze afspraak valt in de namiddag omdat Alfred ’s nachts schrijft. Mijn meegenomen fles wijn ligt eenzaam in de koelkast.
Waarom ben je zo, dat je mensen graag afzeikt?
Ik kwam als idealist de Nederlandse literatuur binnenwandelen. De jaren tachtig. Was een hele andere tijd. Je schreef eerst gedichten, dan korte verhalen, dan publiceerde je in literaire tijdschriften en op een gegeven moment kon je debuteren en dan ging je een tijdje zitten wachten op de recensies. Er waren geen toetsenborden en geen muizen, je moest met de hand schrijven. Daarna met de schrijfmachine, Tipp-Ex, daar leerde je echt van schrijven. Ik schreef Tamara’s lunapark, en journalisten zeiden: hè wat gek geen Indische roman. Toen kwam Indische roman nummer één, toen De onschuld van een vis en vroegen ze: waarom nu wel een Indische roman? Ik merkte dat er een soort apartheid heerste in de receptie van mijn werk. In Nederland. Een Indische schrijver moet blijkbaar over zijn Indische achtergrond schrijven om aan de verwachtingen te voldoen. Want ik kan je recensies laten zien uit België van De Standaard en De Morgen die bij het recenseren van De onschuld van een vis – Indisch – of Sonatine voor zes vrouwen – helemaal niet Indisch – het gewoon over Birney hadden, die keken naar de literaire inhoud. En daar ging het mij ook om, ik wilde literatuur schrijven.
Ben je na bijna 25 jaar milder geworden?
Niet milder, maar gematigder. Zo van: het kan me niet zoveel schelen. Het kan me eigenlijk helemaal niks meer schelen. Ik zit 25 jaar in het vak en ik weet nu wel hoe het in elkaar zit. De boekhandel is ook een handel.
Is het makkelijk om met jou ruzie te krijgen?
Met mij ruzie te krijgen. Even kijken hoor. Zo kom ik over hè?
Je hebt zo’n reputatie van enfant terrible.
Daar kom ik ook niet van af. Luister, er zijn bepaalde dingen die ik niet kan of die ik nooit heb geleerd. Ik heb in kindertehuizen gezeten en ik had een gewelddadige vader. Ik vluchtte op mijn zevende een keer naar de politie – die stuurde me gewoon terug naar huis. Ik ben er weggehaald; mijn tweelingbroer sliep inmiddels met een mes onder z’n kussen. Die ouwe had hem zo geslagen – mijn broer had gezegd: nog één keer en ik steek je overhoop. We waren dertien. Mijn vader was helemaal gek, die liep met zijn mariniersdolk door het huis. Hij was zo mata gelap, hij was gewoon getikt. En of hij getikt is geworden door de oorlog en de Japanners, of dat ie dat al was… Daar kom je niet meer achter. Dus thuis was het onveilig, op straat was het onveilig, want als Indisch jongetje moest ik me verdedigen tegen die enorme grote Hollandse jongens. En op school had je dat verborgen racisme, Indische kinderen kregen altijd lagere cijfers. We werden in één rij gezet, bij het raam, dan zaten we in de zon. Op het schoolplein haalden Hollandse jongens kattenkwaad uit, ik ook, maar de leraren zagen mij, want ik was bruin. Je ontwikkelt dan een bepaald gedrag. Ik moest altijd alert zijn, op school, op straat en thuis. Ik leed aan nachtmerries, ik was een overgevoelig kind.
Slaapwandelde je net als de hoofdpersoon in De onschuld van een vis?
Ja. Ik kom kassar over en lastig en grote bek en dwars, maar eigenlijk ben ik een verlegen, lieve jongen. Vanaf mijn dertiende kwam ik in een tehuis terecht. Er was een jongensvleugel en een meisjesvleugel. Ze werkten in die tijd met een zalensysteem, gebonden aan leeftijd. Maar er was geen plek en mijn broertje
en ik kwamen op zaal met jongens van achttien. Die sloegen je ook gelijk. Ik sprak
heel beschaafd, ik was toch een nette jongen. En daar zaten Rotterdammers en Hagenaars dus je moest ook plat praten en schelden. Ik had wel op een gegeven moment een gitaar.
Toen werd het minder moeilijk?
Ja. In die tehuizen heb ik een harde tijd gehad, daar leerde ik van me afbijten en schelden en schreeuwen en tieren. Ik was niet een van de domsten, dus ik hoefde niet altijd te vechten. Die jongens, ik lulde ze gewoon de hoek in zeg maar. Ik was wel dwars tegen de leiding omdat ze met bezopen maatregelen kwamen. Ik was opstandig, maar altijd met de tong. Ik uitte kritiek op het beleid en op de regels. Ik werd een provo. Ja ik was dwars, maar in die tehuizen kon ik dat zijn. Als ik iets tegen mijn vader zei, werd ik geschopt en geslagen. Maar in die tehuizen gingen ze de discussie aan totdat ze zeiden: nu moet je ophouden. En dan ging ik nog even door, en dan werd ik opgesloten in de isoleercel. Op mijn achttiende wilden ze me nergens meer hebben. Ik vocht niet - ik heb een keer een fles melk door de zaal gegooid, maar ja, toen hadden ze mijn gitaar gesloopt. Maar ik was geen vechtersbaas, ik was kritisch en daar konden ze niet tegen.
[wordt vervolgd]
Foto: @ Frédérique Vlamings
dinsdag 13 september 2011
Geachte heer Birney
Beste Alfred,
Laat ik je maar tutoyeren, ook al hebben we elkaar maar één keer ontmoet, vroeger, in Nijmegen. Jij was te gast bij het Literair Café in het inmiddels verdwenen O42 en ik was mederedacteur van een, tsja, literair tijdschrift(je) dat Tristan heette.
Niet lang na je optreden zou je in het laatste nummer van dat blad publiceren, een kort verhaal denk ik, en een medewerker schreef een 'essay' over je werk, dat toen uit twee romans bestond. Tristan verdween (gelukkig) en ik verloor je, ergens eind jaren negentig, in literaire zin uit het oog.

Alfred Birney (links) met Frans Lopulalan
Daar is onlangs verandering in gekomen. Ik las je drie meest recente novelles (Rivier de Lossie, Rivier de IJssel en Rivier de Brantas), allemaal verschenen bij In De Knipscheer en het boek Yournael van Cyberney.
Leer hier verder op De Contrabas
donderdag 5 mei 2011
Gordel van Smaragd in Kikkerland
delijks programma van Hans Plomp (presentatie) en Gerben Hellinga en wordt gehouden in de kerk van de roemruchte kunstenaarsenclave Ruigoord.Programma m.m.v.:
Merapi Obermayer
Peter Andriesse
Alfred Birney n.a.v. zijn zojuist verschenen Rivier de Brantas
Glenn Pennock (gitaar) over zijn in het najaar te verschijnen Als gitaren schreeuwen
Ruth Bouman (gamelan)
MC ALFREDEX (van de roemruchte REBEllenklup)
Locatie Kerk Ruigoord
Datum: zondag 8 mei 2011
Tijd +/- 16.00 – 18:00
Toegang gratis
Daarna: eten € 8,00
Locatie: hier
vrijdag 11 maart 2011
Panta rhei

door Ezra de Haan
Met Rivier de Brantas voltooit Alfred Birney de rivieren-trilogie die hij in 2009 begon met het schrijven van Rivier de Lossie. Rivier de IJssel verscheen in 2010 en met Rivier de Brantas is het verhaal nu compleet. Bijzonder aan deze reeks, overigens ook los van elkaar leesbare boeken, is de vorm, die van de novelle. In een tijd waarin het usance is geworden vuistdikke romans te schrijven, is het een verademing eindelijk weer eens literatuur te lezen die secuur geschreven is. Want daarin lijken novellen, net zoals kortverhalen en gedichten, op elkaar. Het gaat niet om de kwantiteit maar om de kwaliteit. Iedere regel, elk woord staat op de juiste plek.
Lees hier verder op Literatuurplein
vrijdag 25 februari 2011
Meewarig neokoloniaal proza van de eerste generatie
Je hoeft geen Indo te zijn om een Indisch verleden te hebben. Toch bestaat een wezenlijk verschil tussen verhalend proza van Indo-schrijvers en totok-schrijvers, al wordt dat niet altijd gezien. Tjalie Robinson schrijft vanuit de Indo en Hella Haasse kijkt náár de Indo, om maar een pikant voorbeeld te noemen.
Jan Willem Smeets is van de generatie van Yvonne Keuls, F. Springer, Helga Ruebsamen en Paula Gomes. Zijn eerste twee romans verschenen 20 jaar geleden; beeldende kunst is zogezegd zijn hoofdvak. De flaptekst van zijn roman Leugens en lotgenoten (2010) vermeldt dat hij over een “groot stilistisch vermogen”
beschikt, maar op de eerste bladzijde bewijst de schrijver al het tegendeel: Hotsebotsend reed ik verder en hield stil voor het huisje van ooit eens gebeitste… Hardleers als deze stilist is, kwakt hij gaandeweg het boek nog meer van dergelijk kinderproza op papier: Hilde dekte rats-boem-knal de tafel…Uitgeverij Ailantus lijkt te bezuinigen op goede redacteuren. Op bladzijde 29 is een niet te missen doublure gewoon blijven staan. Zes bladzijden verder breekt de schrijver impliciet een lans voor verhalend proza als tegenwicht tegen de enorme hoeveelheid non-fictie die over Nederlands-Indië is geschreven. Daar ben ik heel blij mee. Maar meer dan wat clichés over de Hollandse kou, de verdachtenhoek van mensen met een koloniale achtergrond en een strenge opvoeding komt er niet tevoorschijn.
Smeets’ wat meewarige, nonchalante stijl doet soms aan het proza van John Fante denken, maar werkt niet in zijn roman, dat drie hoofdstukken telt, waarin hij aandacht vraagt voor de lotgevallen van totoks. Zijn helden leiden een weinig interessant leven, of ze nou wel of niet in het “jappenkamp” hebben gezeten. Nou hoeven je romanhelden niet direct een spannend leven te leiden, mits je goed schrijft. F. van den Bosch heeft dat stijlvol in zijn kleine oeuvre laten zien.
Het tweede hoofdstuk maakt wel wat goed. Er ontspint zich namelijk gaandeweg een schandaleus verhaal rond een moederfiguur. Jammer genoeg mist de schrijver het vakmanschap van F. Springer om het verhaal werkelijk boeiend te maken. Waar hij wel goed in is, dat zijn de eigen valkuilen die hij in zijn babbelproza graaft. Een voorbeeld:
…maar toen ik merkte dat ik er in hun ogen alleen maar nog vreemder door werd, was ik uiteindelijk maar gaan verwijzen naar Couperus, Dermoût, Du Perron, Székely-Lulofs enzovoort die, zei ik dan, het allemaal heel wat beter hadden beschreven dan ik zou kunnen.
Wat bedoelt de schrijver met “zei ik dan”? Dat hij inmiddels wél zo ver is dat hij zich kan meten met de namen die hij noemt? Stel dat het in verhaaltechnisch en stilistisch opzicht zo zou zijn geweest, dan nog had ik mijn twijfels gehad over de mentaliteit van de verteller van het verhaal. Zijn houding ten opzichte van Indonesiërs is niet bijster sympathiek: “roomservice” blijft “roomservice”, want Smeets is eenvoudigweg te beroerd om van bedienend personeel mensen van vlees en bloed te maken. Op dat punt kan hij zich intussen wel meten met iemand als Székely-Lulofs, die daar ook een handje van had. Kortom, Smeets is wat dat betreft nooit verder gekomen dan zijn kinderjaren, toen Székely-Lulofs op het toppunt van haar roem was. Onbegrijpelijk dat dit soort neokoloniale romans nog wordt uitgegeven.
[uit Archipel Magazine, jaargang 12, winternummer 2010]
Nieuwe Birney: Rivier de Brantas

Programma
Glenn Pennock speelt gitaar
Alfred Birney leest fragment uit Rivier de Brantas
Filmvertoning documentaire De Birnies
Pauze
Gesprek over parallellen documentaire met Rivier de IJssel
Peter de Rijk interviewt Alfred Birney over Rivier de Brantas
Glenn Pennock speelt gitaar
Signeren
Locatie: MCH [Mondiaal Centrum Haarlem], Lange Herenvest 122, 2011 BX Haarlem
Tel. 023 – 542 3540
Bereikbaarheid: www.mondiaalcentrumhaarlem.nl (onder Contact)
Parkeren: op zondag vrij
Reserveren vooraf is wenselijk: indeknipscheer@planet.nl
dinsdag 25 januari 2011
Het postkoloniale Indische debat
Het probleem met het postkoloniale debat in Nederland is dat er geen postkoloniaal debat is. Nou klinkt dit wat flauw, dus ik zal het wat genuanceerder zeggen: het postkoloniale debat in
Nederland is afhankelijk van incidentele oprispingen bij de aandacht voor de Indische, Surinaamse en Caribische literatuur en, breder getrokken, voor boeken afkomstig van immigranten en hun nazaten. Wie wil weten wat koloniale en postkoloniale literatuur behelst, moet lezen Europa Buitengaats; koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen onder redactie van Theo D’Haen.Onlangs trok een nieuw Indisch boek de aandacht van recensenten, onder wie er velen zaten die dachten dat het wiel was uitgevonden. Het boek is van Eveline Stoel, getiteld Asta’s ogen. Het is een documentair geschreven boek dat toevallig zijn weg vindt naar het grote publiek. Ik zeg toevallig, omdat er jaarlijks tientallen van dergelijke boeken verschijnen, al decennia lang. De meeste van die boeken belanden in de prullenbakken van de redactielokalen, een enkele titel vindt zijn weg.
Boeken als Asta’s ogen hebben als voordeel dat de Indische geschiedenis weer even levend wordt. Ik zeg: even. Want die geschiedenis wordt niet werkelijk levend gehouden, althans niet in de officiële canon. Onze beroepslezers hebben beroerd geschiedenisonderwijs genoten en in het kielzog daarvan dus net zulk beroerd literatuurgeschiedenis. Ze hebben geen helder zicht op de verschillen in
perspectief tussen blanke en niet-blanke schrijvers uit Nederlands-Indië en de Cariben. Vanzelfsprekend geven zij hun beperkte kennis van de (post)koloniale literatuur door aan hun studenten, die op hun beurt doodleuk boeken als Orpheus in de dessa en Oeroeg hoogtepunten noemen in de Indische literatuurgeschiedenis.Let wel: het gaat hier niet over smaak, maar over perspectief. Een voorbeeld hiervan is de kritiek van Tjalie Robinson op Oeroeg, een stuk geschreven in 1948. Dit stuk, vol met sterke argumenten, heeft nooit enige invloed gekregen op de smaakmakers van de Nederlandse literatuur. Hoe komt dat?
Dit soort vraagstukken behoren bekend te zijn bij deelnemers aan een postkoloniaal debat. Anders weet je niet waarover het gaat. Afgelopen zaterdag werd er een dergelijk debat gevoerd in Nijmegen, er werd althans een poging ondernomen.
Op het podium nemen plaats Wim Willems, Eveline Stoel, Lizzy van Leeuwen en ik. Gespreksleider is Wim Brands.
Wim Willems zit al 30 jaar met zijn neus in de materie, is biograaf van Tjalie Robinson en ziet soms door de vele bomen het bos niet meer. Eveline Stoel is een nieuwkomer die het zich kan permitteren onbevangen en ongehinderd door een veelheid aan kennis haar zegje te doen. Lizzy van Leeuwen doolt rond in het niemandsland tussen wetenschap en essayistiek en heeft de neiging het gesprek al te technisch voor de toehoorders te maken. Ikzelf doe vooral aan het be
gin van zo’n debat niets anders dan iedereen maar meteen in de rede vallen omdat ik denk dat ik het allemaal beter weet. Mij wordt herhaaldelijk door Wim Brands ingefluisterd dat ik even mijn mond moet houden en dan gedraag ik me wel. Diezelfde Wim Brands is een journalist (en dichter) met veel ervaring op het gebied van postkoloniale en etnische literatuur. Hij leidt het debat in strakke banen, omdat het anders een gekijf van jewelste wordt.Dat een dergelijk debat nooit een bevredigend einde krijgt, dat weet je van te voren, al is het maar omdat meer dan de helft van de gesprekstijd opgaat aan het uitleggen van waar het nou eigenlijk allemaal om gaat. Toch zijn dit soort gesprekken zinvol. Want er zijn altijd mensen in de zaal die ermee aan de gang gaan, erover gaan nadenken, ook al hebben ze de helft maar begrepen.
Mijn punt is dat het postkoloniale debat een vanzelfsprekend onderdeel zou moeten zijn van het algehele literaire debat. Dat de postkoloniale geschiedenis als een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel zou moeten worden gepresenteerd van de algemene Nederlandse geschiedschrijving.
Maar ja… ís er überhaupt wel een literair debat? En wordt de canon van de Nederlandse geschiedenis wel écht vernieuwd met dat beetje VOC-gelul dat eraan is toegevoegd? Wanneer zijn we zover dat we vanuit verschillende perspectieven naar onze eigen (literatuur)geschiedenis kunnen kijken?
Wim Willems brak aan het einde van het debat, voor een volle zaal, een lans voor de Turkse schrijver Sadik Yemni, die klaagde dat hij als Turk alleen maar om zo te zeggen over kamelen mag schrijven. Dat vond Wim Brands wel aardig om de avond mee af te sluiten. Nieuw is de klacht van Yemni natuurlijk niet. Ik schreef het al tien jaar geleden in mijn Yournael van Cyberney, een e-zine da
t ik later herschreef en in boekvorm liet uitgeven. Dit zeg ik niet uit gelijkhebberigheid. Maar om te illustreren dat conclusies die ooit door schrijvende immigrantenkinderen worden getrokken niet direct door blanke Nederlanders worden overgenomen. Nee, die nemen ook nog eens tien jaar de tijd om tot dezelfde conclusie te komen. En als het even kan brengen ze het alsof het zelf hebben bedacht. Het komt er uiteindelijk toch steeds weer op neer dat je pas wordt geloofd zodra je een heel blank peloton achter je hebt. Een van de weinigen die dat tot dusver voor elkaar kreeg was Salman Rushdie. Maar daarvoor moest ie wel eerst een fatwa over zich heen krijgen. En zo ben ik weer terug bij af bij mijn eerste aflevering van Yournael van Cyberney, tien jaar geleden.
maandag 22 november 2010
Birney in Matchboox
Een Matchboox is een klein, handgemaakt boekje in een lucifersdoosje. Ze worden gemaakt vanuit een match van schrijvers en illustrators / beeldend kunstenaars. In de serie Matchboox zijn ook verhalen uitgebracht van bijvoorbeeld Ramsey Nasr en Abelkader Benali, maar ook van minder bekende schrijvers als Ronald Giphart en Arnon Grunberg.
Alfred Birney vond zijn match in Joyce Bloem, die tien jaar geleden al mooie stukken schreef en illustreerde voor Birneys geruchtmakend E-zine Yournael van Cyberney & Co.
Alfred Alexander Birney (1951) is een Nederlands schrijver, essayist en columnist. Hij debuteerde in 1987 met de roman Tamara’s lunapark. In 1991 kreeg hij voor zijn oeuvre (1987-1991) de literaire G.W.J. Paagman-prijs uitgereikt. Van 2002 tot 2005 was Alfred Birney verbonden als columnist bij de Haagsche Courant, zijn onaflatende verdediging van de multiculturele samenleving werd hem niet altijd in dank afgenomen. Zijn laatste boeken zijn Rivier de Lossie en Rivier de IJssel.Prijs voor een Matchboox is € 4,95. Levertijd is een week. Alle informatie over het boekje met het kortste verhaal dat Alfred Birney ooit schreef is op deze webpagina van Matchboox te vinden.
dinsdag 8 juni 2010
Birneys nieuwste
Een muzikant hoopt op een wilde nacht met een zangeres die hij moet begeleiden. Maar er is een derde in het spel: een dubbelganger die hem een vervreemdend gevoel geeft over zijn afkomst en een grote kennis van het Nederlands koloniaal verleden aan de dag legt. De muzikant krijgt het idee te moeten kiezen tussen de liefde en zijn zucht naar historische kennis. Wellicht zal hij zijn vaders motieven leren doorgronden: een politiek vluchteling onder de vlag van Nederland anno 1950. Met dit boek toont de schrijver dat migratie geen eenrichtingsverkeer is en dat racisme overal op de loer ligt. Rivier de IJssel is geschreven door iemand die weet hoe het voelt te leven in een land waar de mensen jou vertrouwd zijn maar jij hun niet.
maandag 14 september 2009
Oeroeg voorbij
Het MCH houdt woendagavond 23 september 20.00 uur haar eerste schrijversavond met als thema «De Indische letteren Oeroeg voorbij». Met dit thema neemt Mondiaal Literair alvast een voorschot op de extra belangstelling voor «Indië» wanneer van 23 oktober tot 20 november de landelijke openbare bibliotheken hun jaarlijkse Nederland Leest-actie houden met als gratis boek voor alle bibliotheekbezoekers Oeroeg van Hella Haase, waarvan de oplage bijna 1 miljoen exemplaren zal bedragen.

Peter de Rijk interviewt Alfred Birney (foto rechts) over zijn onlangs verschenen novelle Rivier de Lossie, waarin de onbekende ballade The Ferryman’s Daughter van Donovan leidmotief blijkt. Alfred Birney (Den Haag, 1951) is een van de belangrijkste representanten van de zogenaamde tweede generatie Indo-schrijvers, waarvan ook schrijvers als Marion Bloem en Theodor Holman deel uit maken. Birney is de samensteller van de gezaghebbende bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) over 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Hij werd al in 1996 door Standaard der Letteren (de NRC van België) «het best bewaarde geheim van en de stille kracht in de Nederlandse literatuur» genoemd.
Van Ernst Jansz wordt de kersverse uitgave van ’de complete’ De Overkant gepresenteerd: roman met fotokaternen + cd + dvd.

Glenn Pennock (foto links) is de schrijver van De weg van de kat en Het vuur van de draak waarin de filosofie van de pencak silat een belangrijke rol speelt. Eind jaren tachtig had hij in Heemstede een sportschool waarin hij lesgaf in deze Indonesische vechtsport. Na omzwervingen in Amerika is hij sinds een paar jaar terug in het Haarlemse en werkt hij aan een nieuwe roman. Evenals Alfred Birney en Ernst Jansz is Glenn Pennock van huis uit professioneel muzikant. Hij neemt zijn gitaar mee en verzorgt een muzikaal intermezzo. Tevens worden fragmenten getoond uit een in 1986 gefilmde ontmoeting tussen Frans Lopulalan en Ernst Jansz over de rol van hun vaders in het Indische gezin, naar aanleiding van hun boeken Onder de sneeuw een Indisch graf en De Overkant.
Mondiaal Literair is een samenwerking tussen MCH en Uitgeverij In de Knipscheer. De maandelijkse schrijversavonden van Mondiaal Literair worden thematisch samengesteld, zoveel mogelijk naar aanleiding van recent bij Nederlandse uitgeverijen verschenen of te verschijnen boeken, die inhoudelijk de vaderlandse grens overschrijden. Centraal staat het interview met de auteurs, soms in een gezamenlijk gesprek, soms na elkaar. Uiteraard lezen een of meer schrijvers kort uit eigen werk en signeren zij hun werk na afloop aan de boekentafel. Uitgever Franc Knipscheer is de host van de avond. De interviews worden gehouden door Peter de Rijk.

Locatie: MCH, Lange Herenvest 122, 2011 BX Haarlem
De toegang bedraagt 5 euro, koffie en thee inbegrepen
Op vertoon van bibliotheekpasje kunt u gratis één introducé meenemen
Reserveren vooraf is wenselijk: 023 – 542 3540
www.mondiaalcentrumhaarlem.nl
donderdag 10 september 2009
Indische Letteren door Indische ogen
Op vrijdag 12 september vindt in Leiden de Indische Letterendag plaats.
In 'Een Indische jeugd of een jeugd in Indië' (Indische Letteren maart 2009) gaat In
grid Dümpel (foto rechts) in op het ontbreken van jeugdboeken waarin zij zich als Indisch kind kon herkennen. Ook stelt zij dat er Indische literatuur is die alleen door Indo’s geschreven, verteld en begrepen kan worden. Ingrid Dümpel vroeg de redactie van Indische Letteren om een Indische blik en Indische thema’s. Na een korte inleiding van Ingrid Dümpel gaan de sprekers op onderzoek in de vorm van gesproken columns van maximaal 10 minuten. Zij gaan hierover met elkaar en publiek in discussie onder leiding van Sylvia Dornseiffer. Omstreeks 15.00 uur presenteert Marion Bloem haar nieuwe roman Vervlochten grenzen. In de pauze is er gelegenheid het boek te kopen en te laten signeren.
Programma
14.00 uur
Ingrid Dümpel: Hoe het begon, een inleiding
Ricci Scheldwacht: Maar wij zijn Indisch! Op zoek naar blikken van herkenning in recente Indische literatuur en eigen ervaringen
Pamela Pattynama: Jouw verhalen zijn de mijne niet, of: lezen als een Indo
Edy Seriese: Het Pak van Sjaalman als attitude voor de benadering van het Indische
Marion Bloem : Vervlochten grenzen
Pauze
15.45 uur
Kirsten Vos: Mijn Indische vader. In hoeverre is het agressieve karakter van vaders die figureren in de boeken van Van Dis, Holman en Birney eigenlijk Indisch?
Gustaaf Peek: Faster than a speeding bullit. Een mens heeft zijn helden nodig. Maar de populaire verbeelding van helden is conservatief en eenzijdig. Westers. Peek leest en zoekt. Zal het hem lukken een Indische held te vinden.
Marjolein van Asdonck: Truth is stranger than fiction, over literatuur in Indische mensen en Indische mensen in literatuur
Alfred Birney: De Indische kampong uit!
17.00 uur Afsluiting
Foto: @ Annette Vlug
Over de sprekers:
Inge Dümpel is journaliste en verwerkt haar Indische achtergrond in kinderboeken, theater en programma’s. Zij is nauw betrokken bij de culturele programma’s van de TongTongFair. Ricci Scheldwacht (1965) is neerlandicus en journalist. Werkzaam geweest als redacteur en filmmedewerker bij HP/De Tijd. Speelt Theodor Holman in Familiefeest, gebaseerd op Holmans gelijknamige roman en acteert in Marion Bloems film Ver van familie. Pamela Pattynama is bijzonder hoogleraar koloniale literatuur-en cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Alfred Birney (1951) auteur van romans, korte verhalen, artikelen en columns. Zijn laatste boek Rivier de Lossie verscheen in mei 2009. Edy Seriese is literatuursocioloog en directeur van het Indische Wetenschappelijk Instituut. Kirsten Vos (1977) studeerde Media en Journalistiek, is communicatie-adviseur en blogger op Indisch 03. Gustaaf Peek (1975) is fotograaf , dichter en schrijver van de romans Armin (2006) en Dover (2008). Marjolein van Asdonck (1972) is hoofdredacteur van Moesson en bezorgde onlangs het journalistieke werk van Lilian Ducelle in Doe maar gewoon, dan doe je Indisch genoeg.
Datum: vrijdag 11 september 2009
Plaats: Universiteit Leiden, gebouw Lipsius, zaal 003
Cleveringaplaats 1 Leiden
Toegang: gratis.
Tijd: 14.00 uur – 17.00 uur
dinsdag 5 mei 2009
De wereld is groter (II)

Alfred Birney - toch al niet bepaald de verpersoonlijking van de rustige Indische jongen: wel de trassi maar niet de karbouw – neemt de lezer in dit kleine boek mee naar een nieuwe werkelijkheid binnen de Indische literatuur, of misschien beter: een nieuwe werkelijkheid tout court. Hij gaat op zoek naar de Schotse genen die ook nog ergens in zijn familie schijnen te huizen. Rivier de Lossie begint als een verslag van een reis naar Schotland. Die zoektocht naar (een deel van de) herkomst lijkt een vroegtijdig einde te vinden wanneer de verteller wordt geconfronteerd met de verbijsterende mededeling dat hij maar beter spoorslags huiswaarts kan keren, want de belangrijkste archieven die voor hem dienstig kunnen zijn bevinden zich in… Den Haag! Vanaf ongeveer dat moment neemt het verhaal een vreemde wending, door de ontmoeting van Alfred met een bijzonder meisje dat hem meeneemt op een verboden tocht langs de rivier de Lossie. Die tocht is werkelijk prachtig verteld, opeens word je als lezer meegenomen in een etherisch landschap, en zit je wel weer helemaal in een bijna Indische vertelling, maar dan in Schotland, van een sfeer: ja, als een Indische
vertelling maar dan met de ingrediënten van een andere groene setting. Wie het beroemde schilderij van Ophelia van John Everett Millais kent, weet direct waarover ik het heb. Even teer als de bloemetjes en de drijvende Ophelia is deze vertelling van Alfred Birney. Ik heb geen ‘etiket’ voor dit boekje: novelle, reisverslag, factie, fictie? Het zal me ook een zorg wezen. Het is een prachtig boekje.Rivier de Lossie is verschenen bij In de Knipscheer.

