Posts tonen met het label Galibi. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Galibi. Alle posts tonen

dinsdag 11 maart 2014

Al meer dan tienduizend schildpadeieren onderschept

door Astrid van Oosterum

Stroperij van eieren is een van de bedreigingen
 voor de reuzeschildpadden die op de stranden
 van Suriname hun eieren leggen
Foto: WWF Guianas
 

Paramaribo - De politie heeft al meer dan tienduizend schildpadeieren in beslag genomen. Dat zegt gewestelijk politiecommandant Kenneth Emanuels van Commewijne. In februari trof de politie 5.500 eieren aan en vorige week nog eens vijfduizend. Beide stropers zijn in de kraag gevat tijdens wegcontroles en komen uit Galibi.

Het nestseizoen van de zeeschildpadden is vrijdag officieel door minister Steven Reyveld van Ruimtelijke ordening, Grond- en Bosbeheer (RGB) geopend. De eerste schildpadden zijn echter al sinds een maand gesignaleerd. "Het is zo dat de voorbereidingen voor de patrouillewerkzaamheden van de jachtopzieners te laat starten", erkent Karin Bilo van World Wildlife Fund (WWF) Guianas.
Een schildpad legt wel tot 120 eieren.
Foto Plazilla

Niet alleen een late start geeft problemen, ook het gebrek aan middelen is een probleem. Roy Ho Tsoi weet als chef van de Jachtopzieners dat de strijd een oneerlijke is. "We hebben situaties gehad waarbij er één jachtopziener tegenover zes stropers stond. Of dat een jachtopziener die een boot wilde controleren in de loop van een geweer keek." Jachtopzieners hebben geen wapens om zich te verdedigen. De stropers zijn geraffineerd. "Deze mensen kennen het gebied en hebben de tijd om te observeren. Ze weten precies hoe het te bereiken en verlaten."

Een 'eierenverzamelaar' verdient gemiddeld SRD 3.000 per maand. In 2013 daalde het leegroven van nesten op de stranden met 65 procent. Jachtopzichters en politie pakten zeventien personen op die de bedoeling hadden eieren te stropen. 

[uit de Ware Tijd, 10/03/2014] 

zaterdag 22 februari 2014

John Wladimir Elskamp - Strafoe

Het volgend verhaal is weer een “Lolitaverhaal” (Nabakov, ie sab’ ete toch?). deze is zelfs “erger” dan Pandra Beries. Je moet echter weten dat liefde liefde is; het laat zich niet ketenen en zeker ook niet berekenen. Liefde is geen wiskunde of scheikunde en zeker geen natuurkunde; liefde laat zich niet in formules omzetten. Het gebeurt gewoon dat je iemand ontmoet en het verraderlijk hart begint sneller te kloppen....leeftijd speelt hier geen rol.



Ik zat op het bankje voor mijn huis te Abrabroki, toen een inheemse dame met een jongen op mij afkwam en mij bij mijn naam riep, terwijl zij mij als een oude bekende groette. Ik keek haar een paar seconden aan en toen kwam de herinnering als in een flits.
"Strafoe?", vroeg ik
"Je kent me nog"
Wij begonnen elkaar innig te omhelzen terwijl het jongetje er maar gelaten bij stond.
"Jouw zoon?" vroeg ik later toen wij elkaar losgelaten hadden.
"Daarover ben ik komen praten."

Even later zaten wij binnen en ik had ook kennis met Maurice gemaakt. Wij dronken lekkere stroop; ik had altijd stroop in een ijskan, voor het geval ik bezoek kreeg. Imelda had mij iets te vertellen. Maurice was niet alleen haar zoon, hij was ook míjn zoon. Het kon kloppen, maar laat mij eerst vertellen hoe ik dit meisje ontmoette en wat er jaren daarvoor was gebeurd.

Ik woonde toen niet op Abrabroki, maar op Ondrobon. Het erf was redelijk groot en mijn huis was het vijfde huis op links. Ik hield ervan om voorop te staan als de scholen uitgingen, want ik schijnde schoolmeisjes. Tegen twaalven stond ik op, baadde, at en ging vervolgens mij strategisch voorop opstellen.  Ik was twintig en zat op het IOL, waar ik scheikunde studeerde. Het was een avondcursus en ik nam overdag mijn kiek. Elke dag passeerde een piepjong meisje met haar lagereschooluniform. In die tijd was het uniform nog niet 'uniform'; zij trok een soort van blueblack korte jurk aan, met daaronder een geruite blouse. Ondanks haar jonge leeftijd had zij mooi gevormde benen en haar voorgevel vertoonde een zekere 'topografie'. Ik probeerde altijd oogcontact met haar te maken, maar zij ontweek mijn blikken handig. Later probeerde ik het met standaardzinnetjes als;"Dag lieve dame", "Hallo mooie dame", "Goedemiddag schoonheid". Maar zij deed alsof zij doof was en vervolgde haar gang. Het noodlot hielp mij een handje. Terwijl ik haar de bewuste middag al van een afstand zag aankomen, zag ik ook hoe een onverlaat haar tas trok en er vandoor ging. Hij maakte de fout om in mijn richting te komen. Een handige judogreep en wat opdoffers maakten een einde aan zijn kortstondige vlucht.
"Hier is jouw tas terug, ik vraag mij af wat deze idioten bezielt om de tas van een schoolmeisje te trekken"
"Dank je. Mijn busgeld zit erin. Anders zou ik tot naar Zorg en Hoop moeten lopen."
Terwijl wij wachtten op de politie, maakte ik kennis met Imelda. Zij was van het dorp Sipaliwini, heel dicht bij de Braziliaanse grens en ging in de stad naar school, omdat haar vader het beter achtte. Zij bleef in het internaat aan de Commewijnestraat, tegenover Oase. Toen ik voorstelde haar later op de brom naar huis te brengen wilde zij niet, omdat zij bang was om op een bromfiets te zitten, maar ik liet haar beloven dat zij op een zondag zou komen om bromfiets te leren rijden. Toen ik haar naar haar leeftijd vroeg, verraste zij mij doordat zij pas elf jaar was. Zij zag er als vijftien uit. Ik was verbaasd. Maar als je a hebt gezegd, moet je ook b zeggen. Vanafdien stopte zij even om een praatje te maken en soms bracht ik haar naar de bus. Een enkele keer kocht ik een vleesbroodje en een soft voor haar. Ik maakte vaker het grapje dat zij een goedgevormd lichaam had, maar dat ik 'strafoe' riskeerde als ik seks met haar had. Zij lachte alleen maar en verklaarde dat zij al gevoelens op dat gebied had en het niet erg zou vinden indien ik 'het' met haar deed. Zo kreeg zij de bijnaam van 'strafoe', zodat ik mijzelf eraan kon herinneren wat mijn lot zou zijn indien ik seks met Imelda had.  Af en toe wees zij mij seksboekjes, vertellende dat de meisjes op het internaat veel ouder waren en 'het' al deden, enkelen werden zogenaamd door hun 'oom' op de vrijdag opgehaald en zondag weer netjes afgeleverd; de goedgelovige zusters van het internaat dachten dan dat hun pupillen het weekend bij familie doorbrachten. Het waren ook die meisjes die clandestien de sexboekjes binnen brachten en die rouleerden. Het leek wel alsof die aan niets anders dachten. Imelda gaf toe dat als zij naar de boekjes keek, zij een soort van 'krasigevoel' van binnen kreeg en naar een manspersoon verlangde. Via de oudere meisjes had zij het 'vingeren' geleerd en deed het vaker als de lichten uitgingen. Maar zij voelde dat er 'wat' ontbrak. Misschien dat zij een echte man nodig had? Daarbij keek zij mij zo lief en onschuldig aan dat het koud zweet mij uitbrak. Het was een regelrechte uitnodiging seks met haar te hebben, maar vooralsnog hield ik mezelf onder controle.

Tijdens de grote vakantie ging mijn moeder met haar reisclub naar Curaçao, de leden hadden bijkans een jaar gespaard en fundraisingsaktiviteiten gehouden. Verder zou een zusterorganisatie op het eiland de verblijfskosten dekken, waardoor het gezelschap bijkans een maand zou kunnen vertoeven. Aangezien mijn vader een jaar daarvoor met een Guyanese deern was gaan wonen, zou ik het rijkelijk alleen hebben; ik bezat geen broertjes en zusjes, alleen een oudere zus, maar die was al getrouwd en het huis uit. Ondertussen kwam Strafoe elke zondag leren bromrijden. Zij kwam meestal tegen twee uur in de middag en wij reden dan naar Paramaribo Noord, waar zij in de rustige straten voorzichtig, door mij gecoacht, leerde bromrijden. Ik mocht zeggen dat zij er aanleg voor had, op gegeven moment nam zij de 'achten' - een reeks van rechtse bochten, gevolgd door linkse -  feilloos. Zij genoot ook ervan als het duidelijk te voelen was dat ik een erectie kreeg als ik achter haar zat. Zij drukte zich expres tegen mij aan. Ondanks haar jonge leeftijd wist zij instinctief dat mijn weerstand en 'bezwaren' met de dag minder werden.
De dag na het vertrek van ma kwam Strafoe met haar reiskoffer. Ik had haar geld gegeven en zij was met de taxi gekomen. De zusters dachten dat zij naar haar dorp ging. Zij hield van Hindostaans eten en ik had masala kip gemaakt met boulanger en gele pesie als ondersteuning. Imelda at met smaak de dhal-bhat-bhatha op. Zij had een niemendalletje van een short van 'borstrokkenstof' aan en een okselmouw truitje. Voor een elfjarige had zij reeds goedontwikkelde borsten, een pracht van een voorgevel. Toen wij klaar waren met eten, ruimde zij spontaan op en waste vaat. Ik mocht niet meehelpen.
"Ga maar baden en liggen" commandeerde zij.
Ik gehoorzaamde.

Nadat ik een tijdje op bed lag, ventilator strategisch aangezet, stopte het vaatwassen en kwam Strafoe even de kamer in om haar baddoek en een directoire te halen, waarna zij ook een bad ging nemen in de badkamergroep achterop. Later kwam zij de kamer binnen met alleen een stukje textiel dat een slipje moest voorstellen.
"Mag ik bij je komen liggen?" vroeg zij.
Het mocht.

Tegen het einde van de vakantie ging Strafoe weer mooi naar het internaat. Trots liep zij naar de poort, toen ik haar dichtbij afzette. Zij was geen meisje meer, zij was een vrouw nu. Thans had ze ook wat aan de anderen te vertellen. Het was een leuke  tijd geweest, Imelda en ik als man en vrouw. Het meisje leek in het geheel geen elf jaar, zij had het lichaam van een vijftienjarige. Bij haar ontmaagding had zij even een kik gemaakt, maar voor de rest had zij genoten en was zelf bij haar eerste keer al klaar gekomen. Ook had zij niet zoveel gebloed als ik gedacht zou hebben. Bij de tweede keer ging het al beter en bij de derde keer leek het alsof wij het al jaren deden. Strafoe had veel van mij geleerd, maar ook ik had het een en ander van het inheems meisje geleerd. Instinctief wist zij de juiste handelingen te plegen of de juiste houdingen aan te nemen. Het leek wel genetisch in haar vastgelegd. Het viel hard haar terug naar het internaat te brengen, maar mijn moeder kon anytime terugkeren en ook de school zou beginnen. Ik voelde mij leeg toen ik Imelda die zondag, voor de school zou beginnen, wegbracht op mijn brom.

De volgende dag, maandag, de eerste schooldag poseerde ik mij weer voor de poort. Ik had die morgen een brief vanuit Curaçao gekregen dat mijn moeder pas over een week zou komen, dus konden Strafoe en ik nog 'wat' doen voor ma terugkeerde. Die middag verscheen zij niet. Ook de volgende dag niet. En de dag daarop. En de dag dagen daarop. In feite zag ik haar pas weer toen ik voor mijn deur op Abrabroki stond en zij met haar zoon aankwam.

Imelda vertelde mij wat er toen gebeurd was. Toen zij die bewuste zondag bij het internaat aankwam, wachtten haar vader en de hoofdsoeur haar op. Hij had haar gezegd dat hij haar die vakantie niet zou komen halen, maar had toch tegen het einde van deze periode een boro kunnen nemen met een vlucht van de hoofdkapitein, waardoor hij alsnog zijn dochter met een bezoek kon verrassen. Een verrassing was het wel, toen bleek dat zij bij het begin van de vakantieperiode 'naar haar dorp' was vertrokken. Strafoe zweeg als het graf, alle bedreigingen ten spijt en liet niets los over haar doen en laten. De teleurgestelde vader haalde haar toen van het internaat af en bracht haar terug naar het dorp. Na een bepaalde tijd werd het overduidelijk dat zij zwanger was. Weer zweeg zij als het graf en gaf geen antwoord op de door haar vader en het dorpshoofd gestelde vragen. Ook bij de openbare zweepslagen en de mieren bleven haar kaken stijf. Er zat niets anders op dan dat haar ouders dat moesten accepteren, vooral de vader was teleurgesteld; hij had zulke grote plannen voor Imelda gehad. Tien jaar daarna was Imelda in de stad komen wonen, zij bleef bij een tante, en het had haar een jaar gekost om achter mijn verblijfplaats te komen.

(Vandaag aan de dag is mijn huis een stukje gezelliger. Ma is er niet meer, maar ik heb niet meer dat knagende eenzame gevoel. Maurice was elf toen hij hier kwam wonen, nu is hij twintig en heeft twee zusjes bij. En Strafoe is alweer zwanger!)

Zwangere vrouw met haar kinderen te Galibi. Deze vrouw heeft uiteraard niets te
maken met het fictionele relaas van Elskamp. Foto @ National Geographic Nederland



maandag 5 augustus 2013

Bibliotheken bedreigd

Bibliotheken lenen boeken uit aan lezers, organiseren ontmoetingen tussen schrijver en publiek en werken in het algemeen aan leesbevordering. Kortom: bibliotheken zijn belangrijk voor schrijvers, en lezers.
 
Biblioheek Galibi
De bezuinigingen, in gang gezet door het vorige kabinet, maakt het werk van bibliotheken moeilijker. Vestigingen sluiten omdat gemeenten andere keuzes maken, deskundig personeel verdwijnt en de armslag voor culturele activiteiten wordt in het algemeen veel minder omdat cultuur door de politiek veelvuldig wordt bestempeld als overbodig en duur.

Nu is er een bedreiging die nog veel verder gaat. De gemeente Waterland (onder andere) heeft haar bibliotheekwerk uitbesteed aan het bedrijf Karmac, dat in een aantal provincies bibliobussen uitbaat. Het contract levert de gemeente Waterland een besparing op van 170.000 euro, op een totaal van 350.000 euro. Dat klinkt mooi, maar is dat niet.
Karmac zal het aanbod van boeken beperken en zal geen geld hebben voor iets anders, dan het uitlenen van een beperkt boekenbezit.

Dit baart onze vereniging grote zorgen, niet alleen om Waterland. In heel Nederland staan gemeentebesturen voor vergelijkbare problemen als Waterland. De keuze voor deze noodoplossing zal voor hen verleidelijk zijn, met alle gevolgen van dien.

De belangrijkste vragen die schrijvers en vertalers hebben zijn:

- zal de commercieel uitgebate bibliotheek nog aandacht hebben voor de brede Nederlandse literatuur, of overgaan tot de aankoop van alleen bestsellers?
- is er in de nieuwe constructie geld voor leesbevordering, voor ontmoetingen met schrijvers?
- wat gebeurt er met diensten als boekbezorging bij ernstig zieken en gehandicapten?

Algemene Onderwijs Bibliotheek Suriname


Hopelijk zal het antwoord op deze vragen onze voornaamste zorgen wegnemen.

Tot slot te uwer informatie: een brief met soortgelijke strekking wordt gestuurd naar de Vereniging Nederlandse Gemeenten.  

Met vriendelijke groet,

Het bestuur van de Vereniging van Letterkundigen
De VvL is een van de drie afdelingen van de Vereniging van Schrijvers en Vertalers Namens deze: Jeroen Thijssen, auteur

Van Deysselhuis
De Lairessestraat 125
1075 HH Amsterdam
T: 020 – 624 0803
E: rijkers@vsenv.nl (Janne Rijkers, coördinator VvL; contactpersoon)

  
Aanvullende informatie:

-          Website van Karmac:

-          Formele reactie van Bibliotheek Waterland op overname door Karmac:

-          Lunch Standpunt (vanaf 16de minuut): Interview met directeur  Karmac over overname van bibliotheken in Waterland en reactie van auteur Tomas Ross:

-          Brief van VOB (Vereniging Openbare Bibliotheken)  aan VNG:

-          Artikel uit Bibliotheekblad. Zie laatste alinea:


dinsdag 18 juni 2013

Sambura-erfenis vastgelegd op schijf


Mark Langaman van SCV Sambura Woyupore. Foto:  Jason Leysner
door Audry Wajwakana 

Paramaribo - “Een culturele erfenis die bewaard moet blijven.” Dat hoopt Mark Langaman, bandleider van de Surinaams Cultureel Vereniging Sambura Woyupore te realiseren met het uitbrengen van de eerste cd getiteld ‘Ware boko wome baje rapa’.
De schijf bevat tien sambura-liederen die zo'n dertig jaar geleden gecomponeerd werden door Mark's opa, Maximilianus 'Max' Langaman,

Kennis
Opa 'Max' was, volgens Mark, eind jaren tachtig en negentig dé bekende sambura bandleider in het district Marowijne op feestjes, pur blaka en winti prey. "De liederen kreeg mijn opa als boodschappen in zijn dromen. Maar ook als hij langs het water aan de Marowijnerivier zat kon hij in gedachten verzonken een liedje componeren", zegt de kleinzoon. De sambura-leider was ook kapitein van het dorp Langamankondre in Galibi. Na zijn overlijden, acht jaar geleden, hebben noch bandleden noch familieleden zijn kennis over de sambura overgenomen. Tot vier jaar geleden, toen Mark een droom kreeg om de culturele erfenis van zijn voorouder niet verloren te laten gaan. "Overal waar ik kwam begon ik spontaan te spelen. Zelfs op het werk", lacht hij. Met zijn gedrevenheid probeerde hij jongeren te interesseren een sambura-groep te vormen. "Dat heeft veel tijd, moeite en geduld gekost", zucht hij. "Want, jongeren schamen zich voor hun eigen cultuur."

De sambura wordt bespeeld. Bigi Poika. Foto @ Michiel van Kempen

Leerproces
Negentien jonge mannen en vrouwen heeft Langaman uiteindelijk kunnen aantrekken voor de oprichting van SCV Sambura Woyupore (Echo van mijn drum) op 21 januari 2011. Met zijn dertig jaar is Langaman de jongste sambura-bandleider. Hij zegt het een eer te vinden om als jongste een pur blaka te mogen leiden. De liedjes op de cd gaan allemaal over de natuur, leefomstandigheden van inheemse gemeenschappen en de zoektocht naar vrede. Het eerste lied 'Ware boko wome baje rapa' is tevens de titel van de schijf. Dat lied betekent letterlijk: 'ik ben aan het leren'. "Daarmee willen we aangeven dat we in een leerproces zitten." Langaman geeft aan dat hij tot nu toe goede reacties heeft ontvangen over de schijf. "De ouderen herkennen de liedjes die mijn grootvader vroeger zong." Hierdoor krijgt de band uitnodigingen voor culturele optredens in binnen- en buitenland. Op 21 juli en 2 augustus vertrekt de groep naar Frans-Guyana om een grote pur blaka bij te wonen, waar veel kapiteins en dorpsbesturen aanwezig zullen zijn. De cd is voorlopig alleen bij de bandleden verkrijgbaar.

[uit de Ware Tijd, 12/06/2013] 

vrijdag 14 december 2012

Jaar van het Voorlezen


Nog een paar weken en dan is het zo ver: 2013 is het Jaar van het Voorlezen. Onder het motto "Wij gaan voorlezen" wil de Nederlandse Leescoalitie een jaar lang laten zien hoe leuk en belangrijk voorlezen is, leuk en belangrijk voor iedereen. De Leescoalitie is een samenwerkingsverband van Stichting Lezen, CPNB, het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken en Stichting Lezen & Schrijven.
Op 23 januari gaat het Jaar van het Voorlezen officieel van start, met een extra feestelijke - de twintigste!- editie van Het Nationale Voorleesontbijt en De Nationale Voorleesdagen. Maar ook eerder al zijn er bijzondere activiteiten.

Bibliotheek Galibi


Op de vers gelanceerde, speciale site www.jaarvanhetvoorlezen.nl kunt u precies volgen wat er allemaal gebeurt. Meer nog, wij hopen dat u geïnspireerd raakt ook zelf een bijdrage te leveren aan het Jaar van het Voorlezen. Op dezelfde site kunt u andere enthousiaste leesbevorderaars via de Kalenderlaten weten wat u gaat doen. Theatermaker Niels Brandaan Cotterik bijvoorbeeld heeft dat al gedaan. Hij staat met theatervoorstelling Dierenpraat, een ode aan Armando op 12 januari in De Speeldoos in Baarn. Mocht u nog op zoek zijn naar ideeën en tips, kijk dan op de site. Bij Over het Jaar van het Voorlezen staan suggesties voor de organisatie van activiteiten. Soms is de stap van een leuk plan naar een activiteit minder groot dan u denkt.

De Leescoalitie zal gedurende heel 2013 door middel van een publiekscampagne aandacht besteden aan voorlezen. Niet alleen via traditionele media, maar ook op YouTube en via sociale media. Nieuwsgierig? Volg ons via Facebook ofTwitter.

Op de website jaarvanhetvoorlezen kunnen belangstellenden zich aanmelden voor de nieuwsbrief. 

woensdag 15 augustus 2012

Inheemse voorwerpen dreigen te verdwijnen

door Gilliamo Orban

Paramaribo - Inheemse jongeren lijken niet geïnteresseerd te zijn in de gebruiksvoorwerpen, waarmee hun voorouders eeuwenlang het leven in het bos hebben getrotseerd. Ook veel ouderen lijken niet te proberen om de jeugd te overtuigen van het belang van het behoud van hun cultureel erfgoed. Het gaat om onder meer de matapi, manari, de op handgeweven en geknoopte katoenen hangmat, pijl en boog en kurkuru.

“Er is geen nieuwe aanwas van jongeren die deze gebruiksvoorwerpen willen vervaardigen en gebruiken. Hierdoor gaat een deel van onze cultuur in rook op”, jammert Harriet Vreedzaam-Joeroeja, basya van Pierrekondre Kumbasi.

Harriet Vreedzaam-Joeroeja, basya van Pierre Kondre Kumbasi, legt uit over de geweefde hangmat uit, terwijl de jonge inheemse Cylene France, medewerker van de Vids, het kunstwerk bewondert. (Foto:  Claudio Barker)


Daarom heeft de Vereniging van Inheemse Dorpshoofden in Suriname (Vids) vrijdag een expositie gehouden over inheemse gebruiksvoorwerpen in het gebouw van het Institute for Graduate Studies. “We willen dat het nut van onze voorwerpen niet verloren gaat en we het belang van een stuk cultuur inzien”, benadrukt de basya van Pierrekondre Kumbasi.

Zij haalt aan dat de Vids reeds is gestart om tweetalig onderwijs in te voeren op de basischolen, waarbij kinderen wordt geleerd om in het inheems te tellen. Een pilotproject wordt nu uitgevoerd op de onderwijsinstellingen te Galibi en Powakka. Galibi heeft twee Kalinya dorpen (Langaman en Christiaankondre) terwijl Powakka een Lokono gemeenschap is. Ook is de Vids van plan om jongeren van dorpen te leren hoe ze de gebruiksvoorwerpen kunnen vervaardigen.
Vreedzaam-Joeroeja benadrukt dat de voorwerpen worden gemaakt van materiaal uit de natuur. “Inheemsen en de natuur gaan hand in hand. Daarom zullen we nooit toestaan dat onze bossen worden vernietigd”, haalt Vreedzaam-Joeroeja aan.

 [uit de Ware Tijd, 13/08/2012]

woensdag 25 mei 2011

Margaretta Pos - Galibi

The open boat drifted in to shore under cover of darkness and slipping over the side, we waded onto the beach in French Guiana. I didn’t have a visa, or even my Australian passport with me, so I was entering French territory in South America illegally but I didn’t think about it.

Hugo Pos on a ferry boat, 1997

I was thinking about my father.

It was June, when the sea turtles make their annual pilgrimage to the equatorial region to lay their eggs and we went ashore silently for fear of disturbing them. We had crossed the Marowijne River from Galibi, in Suriname, at its vast mouth into the Atlantic Ocean. It took an hour in one of the big, motorised canoes that ply the river, with the boatman cutting the engine for a quiet landing. There were no life jackets. Not that it really mattered, I told myself, because of the possibility of piranhas lurking beneath the surface of the water. Even scarier was the thought of one of my father’s stories, of being in a canoe when a huge, plate-sized tarantula materialised from under an empty seat.

My father, Hugo Pos, had visited Galibi in 1975 when in Paramaribo for the former Dutch colony’s independence celebrations. Finding it overwhelming, he left the capital for Albina, a small town on the Marowijne where he’d enjoyed family holidays before leaving his homeland for Holland. It was the perfect place to escape from the hullabaloo, and about which he was to write: Albina was, as I had known it always, peaceful, sunny, imperturbable, with just a little life happening by the riverbanks, where Indian and Bush Negro boatmen moored or prepared for a new journey along the river.

He couldn’t relax however, and engaged an Indian boatman for an expedition to Galibi, planning to spend the night there on a coconut plantation. Once highly productive, he found it badly run down but was welcomed politely, if unenthusiastically, by the couple living in the manager’s house - Marinus and Louise – who offered him a drink.

He raised his glass to the country’s independence and his hosts gave him a strange look: ‘The Indians,’ Marinus started to say, but nothing followed. Talkative they were not. I had to guess what they wanted to say. It could be that their words had no meaning, that the emptiness of their existence in this decaying plantation had also settled on their use of words. Again Marinus started. ‘The Indians,’ but again he stopped. Did he want to say that between the Indians and the recent declaration of independence there was an unbridgeable chasm? ... My ears were still ringing with the big words and speeches I had heard in Paramaribo. It was all nation building, national brotherhood, and nation above all.

Three decades later, I knew the future had not fulfilled its promise of national brotherhood, but I was focussed on my father’s story and my initial destination of Albina. It was the wet season and we jolted along the pot-holed, waterlogged dirt road in a battered old mini bus until we reached our lunch stop, when it teemed with rain and delayed our departure. One of the others on the same expedition pulled out a paperback. To my astonishment it was a copy of one of my father’s books, De Ongewisse Tijd - Uncertain Times - and in it was his story about Galibi.

“I’m his daughter,” I said.

I explained that I was born in Tasmania during his short-lived, post World War II marriage to my Australian mother. In turn, my fellow traveller was astonished and we embraced, delighted by the coincidence of our journey together in the author’s footsteps.

There is a photo of my father on the back cover, taken in Albina. On the front, there’s a photo of a rusting, tin shanty next to a billboard: Bienvenue au Suriname. Welcome to Suriname … but for anyone crossing the river from French Guiana, it’s a dispiriting scene. The photos were taken in 1997 when Hugo returned to Albina after an absence of more than twenty years, after the civil war that had killed the early promise of nationhood. It was after this trip that he wrote the Galibi story, in which he said: There is nothing left of Albina. The village will be rebuilt eventually, but the picturesque waterfront will not be there.

A decade later, I am there and Albina is a sprawling shantytown. But he is dead and I cannot tell him.

The market was in full swing with local produce and cheap goods from China, made by the poor for the poor for the benefit of someone else. It was a shock to find ubiquitous Chinese goods flooding into this small town known to few and I was glad to find a stall selling the hats favoured by both Creoles and Bush Negro women – descendants of slaves who escaped into jungle – made from brightly coloured, starched cloth, folded and pinned in an African style. I rejoined my companions wearing a hat and one of our group took a photo of me with my father’s book, before a downpour washed out the starch and the fabric flopped over my eyes, shutting out the squalor of his once beloved retreat.

We went from Albina to Galibi by motorised canoe, arriving at dusk when the mosquitoes were humming a vengeful song. We slathered ourselves in tropical-strength repellent high in toxic diethyleoliame, but it was better than being bitten at Warana Lodge, where we shared small, hot, airless bedrooms, each with two hard, narrow beds.

Dinner was prepared by local villagers and served by Hubert, our Carib Indian guide, who surprised us by saying he had a two-year old daughter in Paris. A French anthropologist had spent a year in the region studying local customs, particularly musical traditions and his daughter, a dancer, had come on a visit and stayed for several months. Hubert had little education, but like many Indians on the Suriname side of the Marowijne who criss-cross the river, he could speak some French and they became friends, then lovers. When she returned to Paris, she had given birth to a child. He planned to visit them; they might marry, he might even stay in France.

Hubert spoke animatedly about his daughter, of how she would be brought up with two cultures. He was tall, lean and handsome and I imagined him falling in love with the dancer and she with him. The child must be beautiful and I asked to see a photograph of her. To my surprise, Hubert fell silent before saying he had none with him. Lying on my bed that night, under a mosquito net with holes in it, I wondered if the child would visit her father’s village when she grew up, just as I was visiting my father’s country. But as I drifted off to sleep, my thoughts returned to my father’s story, to Marinus and Louise, and I wondered about their lives in this remote place.

Remote as it was, Galibi was an Allied intelligence post during World War II. Suriname is rich in bauxite, needed in the United States for the wartime production of planes for the Allies. French Guiana, however, was under the Vichy regime and provided a base for German raiders deployed in the Atlantic to sink the bauxite cargo ships. A few brave men risked their lives in crossing the river, to pass on information gleaned about German shipping movements. One who dared was a fearless, handsome young man called Jean Christophe. What fate eventually befell him, Marinus and Louise told my father, they didn’t know, but when they had a longed for child, they named him Jean Christophe.

The conversation moved on. It was the wrong season, but my father said he hoped to return one day to see the turtles laying their eggs in the sand.

“The warana,” Louise whispered. The sea turtles.

“Jean Christophe.”

Walking up to the house from the river, my father had seen a tombstone in the garden:

Mort pour la defense des tortues

Friend of the turtles

God save his soul

When Louise whispered ‘Jean Christophe,’ he realised the inscription was for their son. Their beloved only child. And at the mention of his name, a torrent of words poured from their lips. They talked animatedly about their son, who grew up with the local Indian children. When he was older, the boy daily crossed the river to French Guiana to go to school in St Laurent and became fluent in French. He developed an intense interest in the natural world and read books in French on the subject which they bought him and which they showed my father with pride, books they themselves were unable to read.

The boy spent many nights with the Indians on the beaches on either side of the mouth of the river. They collected turtle eggs, to eat and to sell, while he tried to protect the eggs, from them and from their dogs. And when the eggs hatched, he tried to help the baby turtles reach the sea, shocked that the mother turtles had so carelessly abandoned their eggs. Tragically, he met an unknown fate. It was thought that he swam too far into the ocean while shepherding baby turtles to safety and was killed by sharks. His body was never recovered but fishermen caught some of his luxurious, curly hair in their nets and gave it to his grieving parents, who buried it beneath the headstone.

“He must have been a wonderful boy,” my father said to his parents. “May I see a photograph of him?”

Hugo Pos in a canoe on the Maroni River, 1997

They fell silent. The atmosphere was so highly charged that with a gesture of regret, my father left the house and spent the night on the beach where mosquitoes feasted upon him. Penance, he thought, as he wondered why they were so upset. He had wanted to see a photo of the boy to bring him to life. He came to the conclusion that for them, to produce a photo of their son would have the opposite effect; it would not be an affirmation of life but proof of his death.

When my father returned to Galibi in 1997, Marinus and Louise were dead. Walking around the grounds he noticed the tombstone for their son was gone and asked the elderly Creole woman living in the derelict house what had happened to it. She was astonished: Their son? Where did you get that idea! They had no son. In a flash, he realised that in their loneliness, they had invented a son, an extraordinary, special, unique child. And he understood that in asking to see his image, he was the unintentional cause of his death.

I imagine that Marinus and Louise, after my visit, because of a simple question, were confronted with the unreality of his existence and removed the tombstone, and maybe even threw it into the river. This was a completely different kind of death, so complete that it dragged away the whole of Marinus and Louise’s past existence. For them, there was no more Jean Christophe, life with him was over; so was theirs. I, who was the cause of his death, am now the only person who can make his life continue … not with a memorial headstone, but as a presence, on the beaches of Galibi, with the turtles.

When he finally saw the turtles, which he did on this visit, he refrained from taking any photographs. He couldn’t. It would be sacrilege, he thought, given what had happened. Instead, he wrote a story, in which to bring Jean Christophe to life.

Without the burden of Jean Christophe’s ghost, I took a lot of photographs.

The turtles were laying their eggs on the French side of the Marowijne and we rose early to get there before dawn. It was cool and clear and we passed the twinkling lights of St Laurent that seemed to reflect the wondrously starlit sky. Arriving at our destination, we waded ashore and waited. Suddenly, a huge leatherback turtle rose out of the water and with rowing motions of her front legs, laboured up the beach and began digging in the sand. After the effort exerted in making a hole, the turtle went into a trance before laying her eggs. Coming out of it, she covered the hole with sand, again with the strange rowing motion, and headed back into the Atlantic. As the dawn shimmered over us, dozens of turtles heaved themselves out of the water and up the beach, repeating the same ancient ritual.

To my horror, a pack of village dogs burst onto the beach, barking in excitement whenever they found a nest, digging frantically and devouring the eggs. At the same time, a party of French scientists suddenly appeared from a village just out of sight. They ignored the dogs, erected a transportable pulley system and when a turtle went into a trance nearby, they moved swiftly. A needle was inserted into her to withdraw a phial of blood for research, she was measured; the flap in front of her pouch was opened and the eggs, and there were dozens, were removed by a scientist lying on the beach behind her. The lifting device was then placed over her, a harness fitted and she was winched into the air. The scales recorded 435.6 kilos. Lowered to the ground, she came out of her trance and returned immediately to the sea.

Aitkanti (giant turtle) on the beach of Galibi

One of group had a questionnaire in case of meeting eco tourists on the beach, of which we were the only ones, and he approached me. He was young, earnest and handsome, twenty years old, with thick, curly hair. Studying at the Sorbonne, he had volunteered for the project and had fallen in love with the turtles. Such extraordinary, prehistoric creatures, contemporaries of the dinosaur, he told me passionately. Endangered ancient mariners roaming the seas; he wanted to do what he could to help them, to save them for generations to come.

The questionnaire was straightforward. Name? Where did I come from? How old? Where did I hear about the nesting beaches? How had I got there? Had my guide told me flashlights were prohibited? That I couldn’t touch the turtles? There were other questions in the same vein and I answered them all, enamoured by his passion, wanting to help him but glad he hadn’t asked if I had a visa.

“Thank you,” he said.

I asked his name.

He gave me a dazzling smile.

“Jean Christophe.”

····················

When I was home again in Hobart, I had my photos printed and spread them all out on a table. Albina. Galibi. Hubert. The group. The river. The beach. The turtles. The French scientists. The bucket of turtle eggs.

Suddenly, my heart skipped a beat.

There before me was a series of a young man, standing beside a turtle, bending over her and crouching protectively beside her as she laid her eggs in the sand.

It was Jean Christophe.

There are three more photos in the sequence. In one, he is crawling beside the turtle as she lumbers back towards the water. In the next, he is swimming beside her. And in the final picture, there is just the sea. He is gone.

·········

Hugo Pos, De Ongewisse Tijd (Uncertain Times), In de Knipscheer Publishers, Haarlem, The Netherlands, 1999. The short story, ‘De Stranden van Galibi’ (The Beaches of Galibi), translated from Dutch into English by Goshwin Pos.


All pictures: @ Michiel van Kempen

dinsdag 18 januari 2011

Kenneth Zandvliet - Galibi

Onderweg terug ….

De korjaal baant zich een strakke weg door het kalme water

Vanaf het witte strand, waar de ochtendzon een flirt maakt met mijn bronzende lichaam, trommelen bevriende indianen nog een laatste afscheidsgroet

Papegaaien lijken een ritueel boomspelletje te spelen
Terwijl een zilte zwoele wind mijn lippen teder zoent

Ik begin mij stilletjes af te vragen hoever volmaakt geluk echt reiken kan
Ik bloei, gloei en ervaar zowaar een ritme in het zacht klotsende water van de Marowijnerivier
Alles balanceert hier in een bijna mystiek evenwicht

Even schrik ik lichtelijk op om het beeld van de vroege morgen, toen de lederschildpadden geen betonnen kolossen bleken te zijn
Maar de klanken van de bootsman, die zijn lied zingt over boto’s en skwala’s verzachten direct mijn ontzagwekkende angst

Verderop krult een luiaard ineen en klampt zich stevig vast aan de takken van de machtige kankantri, terwijl hij al blind is van slaap

Gelijkend dolfijnen gaan kolibries de sprint aan met onze boot
Vederlicht worden zij door de wind gedreven
Het opkomende zonlicht weerkaatst een duizelingwekkende schittering van hun onuitspreekbare kleuren
Maar als de gids bijna indolent uit lighouding opstaat en zich languit begint te strekken, zwaaien zij plotseling, als door een kompas gedirigeerd, sierlijk en elegant zijwaarts af, waarna de gids luidkeels roept: “Albina, wi doro!”
.

maandag 31 mei 2010

Bibliotheek in Galibi

Op zaterdag 29 mei is in op Galibi aan de monding van de Marowijnerivier (de grensrivier die Suriname scheidt van Frans Guyana) een bibliotheek geopend voor de bewoners van de twee dorpen daar, Christiaankondre en Langamankondre. De bibliotheek is voorlopig gevestigd in het gebouw van de bestuursdienst. Schrijversgroep 77 was uitgenodigd voor de opening en werd vertegenwoordigd door de dichter Sombra. Namens S77 overhandigde Sombra een pakket boeken. O.a. Thea Doelwijt en Walther Donner hebben boeken geschonken voor het pakket. Ook de verzamelbundels van S77, Diversity is Power deel 1 en II, maakten deel uit van het geschenkpakket. Verder heeft S77 kortingen aangeboden bij aankoop van boeken van verschillende S77 schrijvers. De bibliotheek heeft de schrijvers gevraagd om vaker naar Galibi te komen om het lezen te promoten.
.
Foto © Travel Adventurers
[Bericht bewerkt naar bericht van Schrijversgroep '77]