door René Marcellino
Ik volg al enkele maanden regelmatig
(en met gepast plezier, moet ik zeggen) de publicaties op de website van de
Schrijversgroep ’77. Onlangs las ik de tekst van de ‘Lezing van Rappa (Robby
Parabirsing) over hedendaagse dichters in Suriname’ (klik hier) en deze trok meteen mijn meer
dan gewone aandacht. In de betreffende lezing neemt Rappa als uitgangspunt de
vraag die Gianni Wip in zijn gelijknamig gedicht stelt: ‘Waar zijn de dichters
gebleven?’ En, om maar gelijk met de deur in huis te vallen–– nou, bijvoorbeeld óók in Frans-Guyana! Ook dáár zijn
de dichters gebleven!

‘Wel, das heel fijn...’, hoor ik u al
zeggen en ‘... nog bedankt voor de informatie!’, maar uiteraard gaat het mij dáár
niet werkelijk om. Wat mij vooral aan het denken zette, was een aantal lastige vragen
die spontaan kwamen bovendrijven. Mag of moet ik ook mijzelf rekenen tot een
exponent van de Surinaamse
dichtersgemeenschap? Is wat ik schrijf Surinaamse
dichtkunst? Is het überhaupt dichtkunst?
En als ik al een Surinaamse dichter
ben, dan toch zeker niet een ‘hedendaagse dichter in Suriname’, zoals de lezing van Rappa op de website gepresenteerd
wordt. Want tenslotte woon ik in Frans-Guyana!
Wellicht is mijn laatste opmerking een
beetje flauw, maar soms moet men wat extra peper en zout toevoegen om de tongen
los te krijgen. En overigens werd ‘t mij tijdens het lezen van Rappa’s
voordracht al gauw duidelijk, dat de soep zeker niet zo heet gegeten wordt als
ze met de gegeven titel lijkt te zijn opgediend. Het tegendeel zou immers
betekend hebben dat (bijvoorbeeld) de dichter Shrinivási, die nu op Curaçao
woont meen ik, niet zou zijn meegenomen in de lezing.
Maar goed, ik heb getracht zelf tot
antwoorden te komen. Vooreerst heb ik de verschillende vragen naar de voor mij
centrale kwestie teruggebracht: ben ik een Surinaamse
dichter? Want als dat bevestigend wordt beantwoord, dan behoor ik automatisch
tot de Surinaamse dichtersgemeenschap
en is wat ik schrijf–– Surinaamse dichtkunst. Ja, toch? Nu zou men uiteraard kunnen
betogen dat men niet speciaal Surinamer dient te zijn (maar bijvoorbeeld best
ook Fransman) om Surinaamse dichtkunst te schrijven of dat net zo goed een
Nederlander tot de Surinaamse dichtersgemeenschap kan behoren of alles juist precies
andersom. Maar ook dáár gaat het mij niet om!
Waar het mij wel om gaat is of ik
een Surinaamse dichter ben en dat, in
de vanzelfsprekende, alledaagse, door een ieder begrepen, gevoelsmatige en onnodig
nader uit te leggen betekenis. Om tot een antwoord te komen zal ik vooreerst mijn
vraag opsplitsen in de twee deelvragen die haar vormen, te weten: ben ik Surinamer en ben ik dichter?
 |
| Commewijnerivier. Foto Edward Troon |
Om met het laatste te beginnen. Over
de dichtkunst, poëzie, zijn er vele dikke boeken geschreven en het is niet mijn
bedoeling dat nog eens dunnetjes over te gaan doen. Ook is het helder dat de
discussie over deze, laten we simpelweg zeggen–– taalvorm, nog lang niet bevredigend is
afgesloten (als dat überhaupt al mogelijk zal blijken te zijn). Ik geef u
daarom maar mijn eigen definitie en voorlopig zullen u en ik, in ieder geval in
het kader van mijn betoog, het daarmee moeten doen. Nu dan, de dichtkunst is ‘talige,
vorminhoudelijke beeldspraak die zowel alledaags als formeel gebruik van
linguïstische uitingen naar een “intuïtief niveau” transcendeert.’ Wat dan verder
precies het oogmerk van de dichtkunst is, laat ik maar gemakshalve achterwege,
want er zijn geloof ik evenveel doelen en bedoelingen als er dichters zijn.
U zult ondertussen al aangevoeld
hebben, dat ik ook mijn eigen (dicht)werk onder deze persoonlijke definitie
schaar en mijzelf daarmee eigenmachtig als dichter
bestempel. En bovendien, tegenwoordig is het de mode om zichzelf nogal gemakkelijk
en overdadig, terecht al dan niet onterecht, van titels te voorzien, dus waarom
ook niet ik? Maar of anderen het met mij eens zijn en mij niet slechts als
versjes-en-rijmpjes-bakker inschalen, valt natuurlijk nog te bezien.
 |
| Seiseralm, Zuid-Tirol, Oostenrijk |
Mijn “graad” van Surinaamsheid is een geheel andere zaak,
en net als voor hen die met mij in hetzelfde schuitje zitten, al te lang een
tot vervelends toe terugkerende gemoedsbelasting. Volgens de Surinaamse
overheid ben ik van Surinaamse origine––
dat heet, ik ben geboren uit ‘ten
minste één ouder die zelf in Suriname geboren is.’ Nochtans zag ik zelf in Oostenrijk
het licht en bezit ik de Nederlandse nationaliteit–– zo gezien ben ik dus officieel
Nederlander en geen Surinamer.
Nu woonde ik van juli 1972 tot eind
december 1982 (vanaf mijn 4e tot en met mijn 14e
levensjaar) in Suriname. Ik groeide op in een achtereenvolgens koloniaal,
postkoloniaal en dictatoriaal land. Een land, dat in mijn (toen nog
onschuldige) kinderogen in nauwelijks tien jaar tijd van ‘vanzelfsprekend paradijs’
tot ‘onbegrepen hel’ werd “omgekolonialiseerd”. Dat proces heeft op zijn
zachtst gezegd, “diepe indruk” op mij gemaakt en is tot op heden een slecht
geheelde wond. Maar hoe het ook zij, het feit is dat ik daardoor en niet te
vergeten, ook vanwege familiebanden, een (be)nauw(end)e relatie met Suriname heb.
 |
| Regenwoud, Guyane. Foto Internaute |
Maar voel ik mij Surinamer? Is dat misschien de betere vraag? Ik weet
het niet. In mijn “Nederlandse jaren” had ik daar geen twijfels over (daar
zorgde de Nederlandse maatschappij wel voor), maar tegenwoordig in Suriname
zelf, voel ik dat niet meer (daar zorgen Suriname en ikzelf wel voor). Maar ik beschouw
mijzelf ook zeker geen Nederlander (ook dáár zorgde Nederland voor). Ook ben ik
geen “Wereldburger”, daar is de wereld lijkt mij veels te groot voor, maar in
de afgelopen jaren ben ik me wel steeds meer mens gaan voelen. En hoewel mijn “Heimat-pingpong” mij tegenwoordig
niet meer tot in de kern raakt, blijft het ergens toch nog wel kriebelen. Niettemin
heb ik besloten het maar aan anderen over te laten om definitief uitkomst te
bieden. Immers, wat maar lang genoeg door velen herhaald wordt, wordt als
vanzelf “de Waarheid”! Zo is het toch?
U ziet, zo eenvoudig is het allemaal
niet. Surinamer? Dichter? Surinaamse dichter? Nederlandse Surinamer of
Surinaamse Nederlander? De tijd zal het leren! En bovendien doet zich in deze een
interessant fenomeen voor: wordt ik namelijk nog eens tot “groot dichter”
gerekend (je weet ‘t maar nooit), dan zal ik ongetwijfeld door Oostenrijk als
Oostenrijker, door Nederland als Nederlander en door Suriname als Surinamer
worden opgeëist. En wie dan het hardst schreeuwt, is waarschijnlijk spekkoper!
 |
| Foto Jeffry Surianto |
Toch zal mijn eventuele “promotie”
tot Surinaams, Oostenrijks of Nederlands staatsdichter nog danig worden
gehinderd door de taal waarin ik doorgaans schrijf. Het Engels is namelijk in
geen van genoemde landen een officiële- of voertaal. U moet zich daarbij zoiets
voorstellen als een Chinees die enkel in het Duits publiceert–– nogal lastig om deze in China als
Chinese dichter toe te eigenen, ziet u niet? Nu schrijf ik niet in het Engels
om internationaal “door te breken” of om te integreren in de CARICOM, maar
simpelweg omdat ik met het Engels de meest geëigende taal gevonden heb om mij
in uit te drukken. Ik houd van het Engels, ik vind haar niet alleen fraai
klinken, maar ik vind haar ook buitengewoon krachtig in het kort en bondig
kunnen neerzetten van feiten, ideeën en emoties.
Maar misschien heeft mijn voorkeur
inderdaad ook te maken met het feit dat ik het Nederlands niet als een
“emotionele taal” ervaar, zoals Ismene Krishnadath in haar publicatie ‘Het
literair bedrijf in Suriname, beperkingen en mogelijkheden’ aangeeft. Ik moet
toegeven dat mijn overwegend negatieve ervaringen met Nederland en het
“Nederlandse systeem”, een bij mij ingebakken afkeer hebben gecreëerd van het
gebruik van het Nederlands als emotie-beschrijvende-taal. In mijn infantiel onbewuste
beleving is het waarschijnlijk de “taal van de onderdrukker”–– of zoiets dergelijks.
 |
| Lady Europa |
Maar voorlopig genoeg over mijn eventueel
dichterschap en mijn “mate van Surinaamsheid”. Het is tijd om wat te zeggen
over de Surinaamse dichter en de Surinaamse dichtkunst in het algemeen. In
zijn lezing geeft Rappa namelijk aan, dat Gianni Wip vindt dat ‘de Surinaamse
poëzie teveel wordt gebruikt als een hamer om mee te slaan’ en ook, dat Gianni probeert
‘niet tegen, maar vóór iets te zijn.’ Nu is er geloof ik in elk land meer dan genoeg
om tegen aan te schoppen en Suriname vormt daarop geen uitzondering. Bovendien heeft
Suriname toch echt wel de nodige extra’s in huis om wat grondiger “op te
hameren”. Er is helemaal niets mis met “vooruit kijken”, maar de jongere
generatie (dichters) kan zich niet zondermeer “losbabbelen” van wat nou eenmaal
“harde gegevens” in de Surinaamse maatschappij zijn. Feiten ridiculiseren, negeren
of verdringen brengt uiteindelijk enkel schizofrenie voort en daar is niemand
en geen enkel land mee gediend. Dat echter de gevestigde orde ook de jongere
generatie moet proberen te begrijpen én steunen, is, lijkt mij, net zo normaal
als een ouder die zijn kind helpt opgroeien. Het valt niet te loochenen dat we
in Suriname een nieuwe generatie dienen te onderkennen, eentje die zich wil los(k)weken
van “de knellende banden van het verleden”, die zich zelfstandig wil
ontplooien, die “iets nieuws, iets anders wil bereiken” en die simpelweg–– gelukkig
wil zijn. Trouwens, net zoals wij, de
“ouderen”, dat óók willen zijn.
In “Surinaams (post)koloniaal geschiedkundig
licht” gezien, is het niet vreemd dat poëzie vaak als “hamer” gebruikt wordt.
Dat het dan soms meer op proza dan op poëzie lijkt (zie ook sommige kritiek op
het werk van Alphons Levens), is in feite niet meer dan logisch. Ik heb daar
persoonlijk geen moeite mee (er bestaat immers ook proza met een poëtisch
karakter), zolang er maar sprake is van “dichterlijke kwaliteit” (wat dat dan
ook moge zijn). Overigens is prozaïsche poëzie een wereldwijde trend in de
dichtkunst (die haar vind ik niet ontkracht of verdringt, maar juist verrijkt) en
zelf noem ik haar maar gekscherend–– “protest
poëzie” of proëzie. Ik maak mij daar trouwens ook zelf wel “schuldig” aan (en
vandaar dat ik haar waarschijnlijk ook fervent verdedig).

Misschien menen we met proëzie veiliger onze kritiek te kunnen
uiten, vooral in of over samenlevingen waarin niet alleen de suiker, maar soms
ook kritiek duur betaald wordt. Dat betekent niet dat we daarmee ‘de grote
menselijke emoties’ uit de weg gaan of ‘onvoldoende plek’ geven, zoals Karin
Lachmising volgens Rappa’s lezing meent. Integendeel, thema’s als
zelfbeschikking, zelfrealisatie en vrijheid, zijn vaak juist rauwer ingebed (via
het concreet uitdrukking geven aan en overwinnen van reële angst, ongelijkheid
en onderdrukking) in de dagelijkse levensrealiteit. En niet zoals zo vaak in
hoog- en doorontwikkelde landen, nog slechts aanwezig als gesublimeerde geraamten
van verroeste idealen. Nochtans is het, wanneer het om de verwerking van
trauma’s gaat niet ‘... eerst het losworstelen van die knellende banden en dan
het naar binnen kijken’, maar mijns inziens juist andersom: éérst naar binnen
kijken en dáár zien wat er nog precies los-te-worstelen valt. Dit zeg ik niet slechts
om vervelend te doen, maar vanwege het feit dat innerlijke (psychologische)
problematiek te vaak onterecht geëxternaliseerd wordt–– het zondeboksyndroom, met alle nare gevolgen
van dien.
Ik onderken dat we tegenwoordig in een
wereld leven waar concepten als zelfbeschikking, zelfontplooiing en individualiteit
hoog staan aangeschreven en soms zelfs als ultieme ideaal gepredikt worden. Het
zijn mondiale concepten die doorsijpelen in alle (sociale) lagen van nationale
bevolkingen en ze worden gaandeweg tot dé allesbepalende levens- en
motivatiefactor. We zien dit proces weerspiegeld in zowel aard als vorm van producten
en diensten, film, muziek en theater, beeldende kunst, proza en ook –– poëzie. Het
echec van de “grote solidariteitsidealen” zoals wereldvrede, wereldwijde vooruitgang
en welvaart, gelijkheid en broederschap, rechtvaardigheid, rechtschapenheid en gerechtigheid
en dus in de breedste zin–– het echec van onze (beoogde) humaniteit, is daar natuurlijk grotendeels debet aan.
Ik meen echter op te merken, dat de “jongere
generatie” (pakweg de groep tussen de 15 en 40 jaar, wereldwijd en niet alleen
in Suriname) zich op haar beurt versterkt dreigt schuldig te maken aan apathie
en lethargie, egoïsme en egocentrisme, populisme en opportunisme, uit de
klauwen groeiend materialisme en angstaanjagende natuur- en (leef)milieuverkwanseling.
Ik bespeur een soort van “extraverte introversie”, vergezeld gaand van het haast
openlijk gepredikte motto: ‘Ikke, Nike, pakke, pikke en de rest kan stikke!’ Ik
geef toe dat veel hiervan simpelweg is afgekeken van “ons ouderen”, maar eindverantwoordelijkheid
afschuiven op voorgangers en zelf op oude voet doorgaan (weliswaar in een nieuw
zelfontplooiingsjasje gestoken), is niet alleen ridicuul, maar vooral
bedroevend. Het betekent namelijk dat de gehele
mensheid niet(s) leert van haar fouten. En weliswaar zijn er steeds vaker kritische
geluiden te bespeuren, in het bijzonder in geïndustrialiseerde, postmoderne
samenlevingen, maar ik heb helaas het gevoel gekregen dat het er te weinig zijn
of op z’n best gezien, dat zij pas om vijf-voor-twaalf hun stem laten horen. Of
ik daarmee dan ook “de hoop” heb opgegeven is een andere kwestie.
 |
| Îles du Salut, Guyane; Foto France-outre |
In elk geval roep ik onze jonge Surinaamse
dichters (en eigenlijk alle jonge Surinamers) op tot evenwichtigheid. Want als de huidige wereld al ergens behoefte aan
heeft, dan is dat aan evenwichtige
mensen–– aan extremen hebben we immers onze handen (en buik) al meer dan vol. Wil
men dan liever niet achteruit kijken,
dan toch op zijn minst rondom ons heen
en de jonge dichter mag daarom de dichtershand best ook in de boezem van de
eigen generatie steken. Ik vind overigens, dat Gianni Wip (al dan niet bewust) daar
zelf al een voorbeeld van geeft met zijn gedicht ‘Waar zijn de dichters
gebleven?’ Of men dat nou ‘dingens uit dingens trekken’ of ‘een hamer om mee te
slaan’ noemt, lijkt me meer een geval van een andere invalshoek kiezen dan een werkelijk
substantieel verschil.
En ten slot. Inderdaad. Waar zijn dan de dichters gebleven? Over
het eventueel gemis aan een nieuwe generatie kan ik niet veel zeggen; ik weet
te weinig van de huidige jeugd van Suriname en de factoren die haar
ontwikkeling bepalen. Ik ben daar denk ik te lang voor weggeweest en ik laat daarom
een gepast antwoord graag over aan de jonge dichters zelf. Maar over de oudere
generatie kan ik wel wat roepen: sommigen zijn (soms tegen wil en dank) in
Suriname gebleven en anderen zijn (vaak tegen wil en dank) in den vreemde getrokken,
sommigen zijn (hoopvol) teruggekeerd en anderen zijn gauw weer vertrokken, nog
weer sommigen komen en gaan en komen opnieuw om weer te gaan. En ook zijn er
(zoals ikzelf), die dankzij het Internet enkel virtueel zijn teruggekomen. En ten laatste zijn er Surinaamse zielen
die ‘nergens niks’ meer van willen weten.
 |
| Vreemd opperhoofd |
Laten wij vooral niet vergeten dat een
omvangrijke groep Surinamers met “ernstig verstoorde” levensomstandigheden is
opgezadeld. Dat heeft menigeen een fikse vertrouwensbreuk bezorgd. Bij de
Surinaamse diaspora is daar (naast het moeten opbouwen van een nieuw leven) dikwijls
ook een identiteit- en cultuurcrisis aan toegevoegd. Het zijn zaken waar men vaak
tot op de dag van vandaag mee worstelt en doorgaans is dan het laatste waar men
nog aan denkt–– poëzie schrijven. Velen zijn daar te lang en te hard voor door
elkaar geschud.
Wellicht vindt u mij nu “een beetje
dom”, maar zie, ik heb er vertrouwen in dat het ‘toch nog allemaal goed komt’. Ik
geloof (ik moet geloven, wil ik niet
krankzinnig raken) dat er een Universele Wet van Evenwicht geldt, eentje die vroeger
of later openstaande rekeningen vereffent en de balans herstelt. Voor sommigen
onder ons is het dan wellicht reeds te laat, voor anderen komt het misschien
nog net op tijd, maar vanuit een “Universeel Plan” gezien geldt nóch tijd, nóch
plaats. En misschien ‘... spreek ik nu nog in raadselen, maar niets is
verborgen dat niet openbaar zal worden gemaakt en er zal geen jota of tittel vergaan
vooreer alles geschied is.’ En ik zou er haast ‘Amen’ aan willen toevoegen,
ware het niet dat mijn “eredienst” nu niet Onze Lieve Heer, maar de Surinaamse dichter
en dichtkunst is. Ik gebruik daarom deze gelegenheid om in dichterlijke stijl
en met gepast “Wipiaans” eerbetoon af te sluiten:
Dáár!!
Zijn de dichters gebleven
Ook daar!
Wordt de suiker duur betaald
Maar waar!
De suiker nog smaakt
Niet mierenzoet is
Waar men niet braakt
Ja daar, zijn ze gebleven
Waar!
Om rustig te leven
Zie daar!
Cayenne, 1 februari 2013
Blog en contact:
www.renemarcellino.wordpress.com