Posts tonen met het label Frans-Guyana. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frans-Guyana. Alle posts tonen

zondag 6 april 2014

Verteldelegatie Schrijversgroep '77 naar La Guyane

Nowilia Tawjoeram

Op 15 april vertrekken Sylvana Dankerlui, Sombra en Nowilia Tawjoeram naar La Guyane om deel te nemen aan het internationalevertelfestival van het Frans-Guyanese theatergezelschap Zoukouyanyan. Het festival omvat verschillenden optredens in Cayenne en dorpen daarbuiten. Ook is er een tweedaags seminar over conserveren en inventariseren van verhalen van de Guyana’s. Sombra en Nowilia verzorgen verteloptredens. Sylvana zal tijdens het seminar een spreekbeurt hebben over de stand van zaken in Suriname met betrekking tot het publiceren van vertellingen.
S. Sombra

Het vertelfestival is een jaarlijks gebeuren en het vorig jaar participeerde S’77 ook in het festival met Sombra, Nowilia en Sylvana.

vrijdag 20 december 2013

Vreemd lichtverschijnsel is satelliet

De satelliet liet een spoor achter van licht dat er vreemd uit zag Foto: dWT


door Merredith Bruce

Paramaribo - Het trok veel aandacht. Een vreemd licht verscheen donderdagochtend aan de hemel. “Einde van de wereld”, “lijkt wel vuurwerk”, “is ’t geen straaljager?", waren enkele van de reacties op Facebook over het verschijnsel. Het blijkt om een raketlancering vanuit Kourou (Frans-Guyana) te gaan.

Dat zegt Raymond van Hemert, directeur en oprichter van mediabedrijf 'Frans in Suriname'. Dit bedrijf publiceert nieuws uit Frans-Guyana. "Het is een raket die vanuit Kourou werd gelanceerd met aan boord een satelliet. De satelliet maakt een baan om de zon en verzamelt gegevens van de sterren om uiteindelijk een driedimensionale kaart van het melkwegstelsel te maken." De satelliet blijft vijf jaren in de ruimte.



Met een waarde van ongeveer negenhonderd miljoen Euro, zegt van Hemert, is het luchtvaartuig een van de duurste. "Voor de wetenschappelijke wereld is het een bijzonderheid." Het Franse ruimtevaartbedrijf Arianespace lanceerde de raket. Dit gebeurde op het Central Spatial Guianas, een lanceercentrum van de Europese Ruimtevaartorganisatie.


[uit de Ware Tijd, 19/12/2013]

zaterdag 28 september 2013

Raj Mohan naar Frans-Guyana

door Wytske van Tilburg

Paramaribo - De Hindostaanse zanger Raj Mohan breidt zijn internationale netwerk uit. Op 13 oktober treedt hij op het jazzfestival Kayenn in Frans-Guyana op en zal daarbij vooral liedjes van zijn album Daayra gaan laten horen. Het gaat goed met Raj. Zijn optreden op het Moengo Festival for Music werd goed ontvangen en binnenkort zal hij, samen met de zes andere bandleden, alweer in Frans- Guyana op de planken staan. “De Frans-Guyanese directeur van cultuur had hen gespot tijdens een besloten concert en was zo enthousiast dat ze na ons optreden direct backstage kwam. Toen heeft ze ons gevraagd voor Kayenn. Ik was helemaal verbaasd!” vertelt een enthousiaste Mohan.

De Hindostaanse zanger Raj Mohan tijdens het Moengo Festival for Music. Hij zal op 13 oktober optreden tijdens het Kayenn Jazz Festival in Frans-Guyana. Foto: Irvin Ngariman.

Taal van de liefde
Daayra is in 2010 opgenomen in Nederland maar gemixt in Peter Gabriel's Real World Studio's in Engeland. "Deze studio staat bekend om het mixen van wereldmuziek. Dit koste me een rib uit m'n lijf maar het was het absoluut waard. Dat we nu in Frans-Guyana mogen optreden, bewijst dat maar weer." Dat de Frans-Guyanezen waarschijnlijk niks van de Hindostaanse teksten zullen verstaan, is volgens Mohan geen enkel probleem. "Het is de taal van de liefde, die verstaat iedereen."
Mohan legt uit waarom hij niet zijn nieuwste cd, Dui Mutthi, zal presenteren in Frans-Guyana. "Ten eerste heb ik voor de uitvoering hiervan meer mensen nodig, zoals strijkers. Op de nieuwe cd staan 'maar' vier liedjes en het is gewoon te duur om daarvoor iedereen over te laten komen. Ten tweede hecht Frans-Guyana weinig betekenis aan dit thema natuurlijk."

'Wie schrijft, die blijft'
"Ik besef dat mijn muziek een nichemarkt aantrekt. Maar wat nog niet is, kan nog komen. Er werd mij altijd verteld dat het Sarnami niet geschikt is voor muziek, het zou te vulgair zijn. Maar ik was het hier niet mee eens. Ik wilde aan de wereld de romantische kant van Sarnami laten zien. Door internationaal meer bekendheid te werven, kom ik steeds een stapje verder. Wie schrijft, die blijft. Je moet er wel in geloven", besluit de zanger.

Kayenn Jazz Festival
In de Frans-Guyanese hoofdstad Cayenne wordt van 7 tot en met 13 oktober het Kayenn Jazz Festival gehouden. Het festival wordt voor de negende keer georganiseerd.


[naar de Ware Tijd, 28/09/2013]


zaterdag 13 juli 2013

Interguyana Festival

Deborah Gobardhan
De derde editie van het Interguyana festival is inmiddels in volle gang. Gastland is Frans-Guyana, ook wel La Guyane genoemd. Suriname doet mee aan alle festival onderdelen: Literatuur, Craft, Culinair, Beeldende kunst, Podiumkunst en Fashion. Er zijn 45 artiesten en 5 officials afgereisd naar Cayenne. Voor Literatuur zijn Rappa en Deborah Gobardhan van S’77 meegereisd. Rappa neemt deel aan het symposium en Deborah is verantwoordelijk voor de boekenexpositie. De Surinaamse delegatie wordt dit jaar vertegenwoordigd door Hindoestaanse cultuurdragers.

Eartha Silos, artistiek leider van het festival, kiest per festival steeds voor een andere etnische cultuur. Zij meent dat op deze manier meer diepgang gebracht kan worden in de cultuuruitingen, dan wanneer we alle culturen presenteren. Het vorig jaar schitterde Suriname in Guyana met de Inheemse cultuur. Het festival is 11 juli begonnen en wordt 14 juli afgesloten met een diner op de residentie van de Président de Région Guyane, Dhr. Rudolfo Alexandre.

zaterdag 2 maart 2013

Ook dáár zijn de dichters gebleven!



door René Marcellino

Ik volg al enkele maanden regelmatig (en met gepast plezier, moet ik zeggen) de publicaties op de website van de Schrijversgroep ’77. Onlangs las ik de tekst van de ‘Lezing van Rappa (Robby Parabirsing) over hedendaagse dichters in Suriname’ (klik hier) en deze trok meteen mijn meer dan gewone aandacht. In de betreffende lezing neemt Rappa als uitgangspunt de vraag die Gianni Wip in zijn gelijknamig gedicht stelt: ‘Waar zijn de dichters gebleven?’ En, om maar gelijk met de deur in huis te vallen–– nou, bijvoorbeeld óók in Frans-Guyana! Ook dáár zijn de dichters gebleven!


‘Wel, das heel fijn...’, hoor ik u al zeggen en ‘... nog bedankt voor de informatie!’, maar uiteraard gaat het mij dáár niet werkelijk om. Wat mij vooral aan het denken zette, was een aantal lastige vragen die spontaan kwamen bovendrijven. Mag of moet ik ook mijzelf rekenen tot een exponent van de Surinaamse dichtersgemeenschap? Is wat ik schrijf Surinaamse dichtkunst? Is het überhaupt dichtkunst? En als ik al een Surinaamse dichter ben, dan toch zeker niet een ‘hedendaagse dichter in Suriname’, zoals de lezing van Rappa op de website gepresenteerd wordt. Want tenslotte woon ik in Frans-Guyana!

Wellicht is mijn laatste opmerking een beetje flauw, maar soms moet men wat extra peper en zout toevoegen om de tongen los te krijgen. En overigens werd ‘t mij tijdens het lezen van Rappa’s voordracht al gauw duidelijk, dat de soep zeker niet zo heet gegeten wordt als ze met de gegeven titel lijkt te zijn opgediend. Het tegendeel zou immers betekend hebben dat (bijvoorbeeld) de dichter Shrinivási, die nu op Curaçao woont meen ik, niet zou zijn meegenomen in de lezing.

Maar goed, ik heb getracht zelf tot antwoorden te komen. Vooreerst heb ik de verschillende vragen naar de voor mij centrale kwestie teruggebracht: ben ik een Surinaamse dichter? Want als dat bevestigend wordt beantwoord, dan behoor ik automatisch tot de Surinaamse dichtersgemeenschap en is wat ik schrijf–– Surinaamse dichtkunst. Ja, toch? Nu zou men uiteraard kunnen betogen dat men niet speciaal Surinamer dient te zijn (maar bijvoorbeeld best ook Fransman) om Surinaamse dichtkunst te schrijven of dat net zo goed een Nederlander tot de Surinaamse dichtersgemeenschap kan behoren of alles juist precies andersom. Maar ook dáár gaat het mij niet om!

Waar het mij wel om gaat is of ik een Surinaamse dichter ben en dat, in de vanzelfsprekende, alledaagse, door een ieder begrepen, gevoelsmatige en onnodig nader uit te leggen betekenis. Om tot een antwoord te komen zal ik vooreerst mijn vraag opsplitsen in de twee deelvragen die haar vormen, te weten: ben ik Surinamer en ben ik dichter?

Commewijnerivier. Foto Edward Troon

Om met het laatste te beginnen. Over de dichtkunst, poëzie, zijn er vele dikke boeken geschreven en het is niet mijn bedoeling dat nog eens dunnetjes over te gaan doen. Ook is het helder dat de discussie over deze, laten we simpelweg zeggen–– taalvorm, nog lang niet bevredigend is afgesloten (als dat überhaupt al mogelijk zal blijken te zijn). Ik geef u daarom maar mijn eigen definitie en voorlopig zullen u en ik, in ieder geval in het kader van mijn betoog, het daarmee moeten doen. Nu dan, de dichtkunst is ‘talige, vorminhoudelijke beeldspraak die zowel alledaags als formeel gebruik van linguïstische uitingen naar een “intuïtief niveau” transcendeert.’ Wat dan verder precies het oogmerk van de dichtkunst is, laat ik maar gemakshalve achterwege, want er zijn geloof ik evenveel doelen en bedoelingen als er dichters zijn.

U zult ondertussen al aangevoeld hebben, dat ik ook mijn eigen (dicht)werk onder deze persoonlijke definitie schaar en mijzelf daarmee eigenmachtig als dichter bestempel. En bovendien, tegenwoordig is het de mode om zichzelf nogal gemakkelijk en overdadig, terecht al dan niet onterecht, van titels te voorzien, dus waarom ook niet ik? Maar of anderen het met mij eens zijn en mij niet slechts als versjes-en-rijmpjes-bakker inschalen, valt natuurlijk nog te bezien.

Seiseralm, Zuid-Tirol, Oostenrijk

Mijn “graad” van Surinaamsheid is een geheel andere zaak, en net als voor hen die met mij in hetzelfde schuitje zitten, al te lang een tot vervelends toe terugkerende gemoedsbelasting. Volgens de Surinaamse overheid ben ik van Surinaamse origine–– dat heet, ik ben geboren uit ‘ten minste één ouder die zelf in Suriname geboren is.’ Nochtans zag ik zelf in Oostenrijk het licht en bezit ik de Nederlandse nationaliteit–– zo gezien ben ik dus officieel Nederlander en geen Surinamer.

Nu woonde ik van juli 1972 tot eind december 1982 (vanaf mijn 4e tot en met mijn 14e levensjaar) in Suriname. Ik groeide op in een achtereenvolgens koloniaal, postkoloniaal en dictatoriaal land. Een land, dat in mijn (toen nog onschuldige) kinderogen in nauwelijks tien jaar tijd van ‘vanzelfsprekend paradijs’ tot ‘onbegrepen hel’ werd “omgekolonialiseerd”. Dat proces heeft op zijn zachtst gezegd, “diepe indruk” op mij gemaakt en is tot op heden een slecht geheelde wond. Maar hoe het ook zij, het feit is dat ik daardoor en niet te vergeten, ook vanwege familiebanden, een (be)nauw(end)e relatie met Suriname heb.

Regenwoud, Guyane. Foto Internaute

Maar voel ik mij Surinamer? Is dat misschien de betere vraag? Ik weet het niet. In mijn “Nederlandse jaren” had ik daar geen twijfels over (daar zorgde de Nederlandse maatschappij wel voor), maar tegenwoordig in Suriname zelf, voel ik dat niet meer (daar zorgen Suriname en ikzelf wel voor). Maar ik beschouw mijzelf ook zeker geen Nederlander (ook dáár zorgde Nederland voor). Ook ben ik geen “Wereldburger”, daar is de wereld lijkt mij veels te groot voor, maar in de afgelopen jaren ben ik me wel steeds meer mens gaan voelen. En hoewel mijn “Heimat-pingpong” mij tegenwoordig niet meer tot in de kern raakt, blijft het ergens toch nog wel kriebelen. Niettemin heb ik besloten het maar aan anderen over te laten om definitief uitkomst te bieden. Immers, wat maar lang genoeg door velen herhaald wordt, wordt als vanzelf “de Waarheid”! Zo is het toch?

U ziet, zo eenvoudig is het allemaal niet. Surinamer? Dichter? Surinaamse dichter? Nederlandse Surinamer of Surinaamse Nederlander? De tijd zal het leren! En bovendien doet zich in deze een interessant fenomeen voor: wordt ik namelijk nog eens tot “groot dichter” gerekend (je weet ‘t maar nooit), dan zal ik ongetwijfeld door Oostenrijk als Oostenrijker, door Nederland als Nederlander en door Suriname als Surinamer worden opgeëist. En wie dan het hardst schreeuwt, is waarschijnlijk spekkoper!

Foto Jeffry Surianto

Toch zal mijn eventuele “promotie” tot Surinaams, Oostenrijks of Nederlands staatsdichter nog danig worden gehinderd door de taal waarin ik doorgaans schrijf. Het Engels is namelijk in geen van genoemde landen een officiële- of voertaal. U moet zich daarbij zoiets voorstellen als een Chinees die enkel in het Duits publiceert–– nogal lastig om deze in China als Chinese dichter toe te eigenen, ziet u niet? Nu schrijf ik niet in het Engels om internationaal “door te breken” of om te integreren in de CARICOM, maar simpelweg omdat ik met het Engels de meest geëigende taal gevonden heb om mij in uit te drukken. Ik houd van het Engels, ik vind haar niet alleen fraai klinken, maar ik vind haar ook buitengewoon krachtig in het kort en bondig kunnen neerzetten van feiten, ideeën en emoties.

Maar misschien heeft mijn voorkeur inderdaad ook te maken met het feit dat ik het Nederlands niet als een “emotionele taal” ervaar, zoals Ismene Krishnadath in haar publicatie ‘Het literair bedrijf in Suriname, beperkingen en mogelijkheden’ aangeeft. Ik moet toegeven dat mijn overwegend negatieve ervaringen met Nederland en het “Nederlandse systeem”, een bij mij ingebakken afkeer hebben gecreëerd van het gebruik van het Nederlands als emotie-beschrijvende-taal. In mijn infantiel onbewuste beleving is het waarschijnlijk de “taal van de onderdrukker”–– of zoiets dergelijks.

Lady Europa

Maar voorlopig genoeg over mijn eventueel dichterschap en mijn “mate van Surinaamsheid”. Het is tijd om wat te zeggen over de Surinaamse dichter en de Surinaamse dichtkunst in het algemeen. In zijn lezing geeft Rappa namelijk aan, dat Gianni Wip vindt dat ‘de Surinaamse poëzie teveel wordt gebruikt als een hamer om mee te slaan’ en ook, dat Gianni probeert ‘niet tegen, maar vóór iets te zijn.’ Nu is er geloof ik in elk land meer dan genoeg om tegen aan te schoppen en Suriname vormt daarop geen uitzondering. Bovendien heeft Suriname toch echt wel de nodige extra’s in huis om wat grondiger “op te hameren”. Er is helemaal niets mis met “vooruit kijken”, maar de jongere generatie (dichters) kan zich niet zondermeer “losbabbelen” van wat nou eenmaal “harde gegevens” in de Surinaamse maatschappij zijn. Feiten ridiculiseren, negeren of verdringen brengt uiteindelijk enkel schizofrenie voort en daar is niemand en geen enkel land mee gediend. Dat echter de gevestigde orde ook de jongere generatie moet proberen te begrijpen én steunen, is, lijkt mij, net zo normaal als een ouder die zijn kind helpt opgroeien. Het valt niet te loochenen dat we in Suriname een nieuwe generatie dienen te onderkennen, eentje die zich wil los(k)weken van “de knellende banden van het verleden”, die zich zelfstandig wil ontplooien, die “iets nieuws, iets anders wil bereiken” en die simpelweg–– gelukkig wil zijn. Trouwens, net zoals wij, de “ouderen”, dat óók willen zijn.

In “Surinaams (post)koloniaal geschiedkundig licht” gezien, is het niet vreemd dat poëzie vaak als “hamer” gebruikt wordt. Dat het dan soms meer op proza dan op poëzie lijkt (zie ook sommige kritiek op het werk van Alphons Levens), is in feite niet meer dan logisch. Ik heb daar persoonlijk geen moeite mee (er bestaat immers ook proza met een poëtisch karakter), zolang er maar sprake is van “dichterlijke kwaliteit” (wat dat dan ook moge zijn). Overigens is prozaïsche poëzie een wereldwijde trend in de dichtkunst (die haar vind ik niet ontkracht of verdringt, maar juist verrijkt) en zelf noem ik haar maar gekscherend–– “protest poëzie” of proëzie. Ik maak mij daar trouwens ook zelf wel “schuldig” aan (en vandaar dat ik haar waarschijnlijk ook fervent verdedig).


Misschien menen we met proëzie veiliger onze kritiek te kunnen uiten, vooral in of over samenlevingen waarin niet alleen de suiker, maar soms ook kritiek duur betaald wordt. Dat betekent niet dat we daarmee ‘de grote menselijke emoties’ uit de weg gaan of ‘onvoldoende plek’ geven, zoals Karin Lachmising volgens Rappa’s lezing meent. Integendeel, thema’s als zelfbeschikking, zelfrealisatie en vrijheid, zijn vaak juist rauwer ingebed (via het concreet uitdrukking geven aan en overwinnen van reële angst, ongelijkheid en onderdrukking) in de dagelijkse levensrealiteit. En niet zoals zo vaak in hoog- en doorontwikkelde landen, nog slechts aanwezig als gesublimeerde geraamten van verroeste idealen. Nochtans is het, wanneer het om de verwerking van trauma’s gaat niet ‘... eerst het losworstelen van die knellende banden en dan het naar binnen kijken’, maar mijns inziens juist andersom: éérst naar binnen kijken en dáár zien wat er nog precies los-te-worstelen valt. Dit zeg ik niet slechts om vervelend te doen, maar vanwege het feit dat innerlijke (psychologische) problematiek te vaak onterecht geëxternaliseerd wordt–– het zondeboksyndroom, met alle nare gevolgen van dien.

Ik onderken dat we tegenwoordig in een wereld leven waar concepten als zelfbeschikking, zelfontplooiing en individualiteit hoog staan aangeschreven en soms zelfs als ultieme ideaal gepredikt worden. Het zijn mondiale concepten die doorsijpelen in alle (sociale) lagen van nationale bevolkingen en ze worden gaandeweg tot dé allesbepalende levens- en motivatiefactor. We zien dit proces weerspiegeld in zowel aard als vorm van producten en diensten, film, muziek en theater, beeldende kunst, proza en ook –– poëzie. Het echec van de “grote solidariteitsidealen” zoals wereldvrede, wereldwijde vooruitgang en welvaart, gelijkheid en broederschap, rechtvaardigheid, rechtschapenheid en gerechtigheid en dus in de breedste zin–– het echec van onze (beoogde) humaniteit, is daar natuurlijk grotendeels debet aan.

Ik meen echter op te merken, dat de “jongere generatie” (pakweg de groep tussen de 15 en 40 jaar, wereldwijd en niet alleen in Suriname) zich op haar beurt versterkt dreigt schuldig te maken aan apathie en lethargie, egoïsme en egocentrisme, populisme en opportunisme, uit de klauwen groeiend materialisme en angstaanjagende natuur- en (leef)milieuverkwanseling. Ik bespeur een soort van “extraverte introversie”, vergezeld gaand van het haast openlijk gepredikte motto: ‘Ikke, Nike, pakke, pikke en de rest kan stikke!’ Ik geef toe dat veel hiervan simpelweg is afgekeken van “ons ouderen”, maar eindverantwoordelijkheid afschuiven op voorgangers en zelf op oude voet doorgaan (weliswaar in een nieuw zelfontplooiingsjasje gestoken), is niet alleen ridicuul, maar vooral bedroevend. Het betekent namelijk dat de gehele mensheid niet(s) leert van haar fouten. En weliswaar zijn er steeds vaker kritische geluiden te bespeuren, in het bijzonder in geïndustrialiseerde, postmoderne samenlevingen, maar ik heb helaas het gevoel gekregen dat het er te weinig zijn of op z’n best gezien, dat zij pas om vijf-voor-twaalf hun stem laten horen. Of ik daarmee dan ook “de hoop” heb opgegeven is een andere kwestie.

Îles du Salut, Guyane; Foto France-outre

In elk geval roep ik onze jonge Surinaamse dichters (en eigenlijk alle jonge Surinamers) op tot evenwichtigheid. Want als de huidige wereld al ergens behoefte aan heeft, dan is dat aan evenwichtige mensen–– aan extremen hebben we immers onze handen (en buik) al meer dan vol. Wil men dan liever niet achteruit kijken, dan toch op zijn minst rondom ons heen en de jonge dichter mag daarom de dichtershand best ook in de boezem van de eigen generatie steken. Ik vind overigens, dat Gianni Wip (al dan niet bewust) daar zelf al een voorbeeld van geeft met zijn gedicht ‘Waar zijn de dichters gebleven?’ Of men dat nou ‘dingens uit dingens trekken’ of ‘een hamer om mee te slaan’ noemt, lijkt me meer een geval van een andere invalshoek kiezen dan een werkelijk substantieel verschil.

En ten slot. Inderdaad. Waar zijn dan de dichters gebleven? Over het eventueel gemis aan een nieuwe generatie kan ik niet veel zeggen; ik weet te weinig van de huidige jeugd van Suriname en de factoren die haar ontwikkeling bepalen. Ik ben daar denk ik te lang voor weggeweest en ik laat daarom een gepast antwoord graag over aan de jonge dichters zelf. Maar over de oudere generatie kan ik wel wat roepen: sommigen zijn (soms tegen wil en dank) in Suriname gebleven en anderen zijn (vaak tegen wil en dank) in den vreemde getrokken, sommigen zijn (hoopvol) teruggekeerd en anderen zijn gauw weer vertrokken, nog weer sommigen komen en gaan en komen opnieuw om weer te gaan. En ook zijn er (zoals ikzelf), die dankzij het Internet enkel virtueel zijn teruggekomen. En ten laatste zijn er Surinaamse zielen die ‘nergens niks’ meer van willen weten.

Vreemd opperhoofd

Laten wij vooral niet vergeten dat een omvangrijke groep Surinamers met “ernstig verstoorde” levensomstandigheden is opgezadeld. Dat heeft menigeen een fikse vertrouwensbreuk bezorgd. Bij de Surinaamse diaspora is daar (naast het moeten opbouwen van een nieuw leven) dikwijls ook een identiteit- en cultuurcrisis aan toegevoegd. Het zijn zaken waar men vaak tot op de dag van vandaag mee worstelt en doorgaans is dan het laatste waar men nog aan denkt–– poëzie schrijven. Velen zijn daar te lang en te hard voor door elkaar geschud.

Wellicht vindt u mij nu “een beetje dom”, maar zie, ik heb er vertrouwen in dat het ‘toch nog allemaal goed komt’. Ik geloof (ik moet geloven, wil ik niet krankzinnig raken) dat er een Universele Wet van Evenwicht geldt, eentje die vroeger of later openstaande rekeningen vereffent en de balans herstelt. Voor sommigen onder ons is het dan wellicht reeds te laat, voor anderen komt het misschien nog net op tijd, maar vanuit een “Universeel Plan” gezien geldt nóch tijd, nóch plaats. En misschien ‘... spreek ik nu nog in raadselen, maar niets is verborgen dat niet openbaar zal worden gemaakt en er zal geen jota of tittel vergaan vooreer alles geschied is.’ En ik zou er haast ‘Amen’ aan willen toevoegen, ware het niet dat mijn “eredienst” nu niet Onze Lieve Heer, maar de Surinaamse dichter en dichtkunst is. Ik gebruik daarom deze gelegenheid om in dichterlijke stijl en met gepast “Wipiaans” eerbetoon af te sluiten:

Dáár!!
Zijn de dichters gebleven
Ook daar!
Wordt de suiker duur betaald

Maar waar!
De suiker nog smaakt
Niet mierenzoet is
Waar men niet braakt

Ja daar, zijn ze gebleven
Waar!
Om rustig te leven
Zie daar!

Cayenne, 1 februari 2013


Blog en contact: www.renemarcellino.wordpress.com



zaterdag 22 december 2012

Amazone Museum Netwerk


In deze museumstof komen we nog een keer terug op het Amazone Museum Netwerk, waar het Surinaams Museum samen met het Museo Paraense Emilio Goeldi in Belém en het Musée des cultures guyanaises in Cayenne, deel van uitmaakt. De in de vorige aflevering aangekondigde bijeenkomst heeft inmiddels plaatsgevonden. Tientallen deelnemers uit Frans Guyana, Brazilië en Suriname vormden een inspirerende groep mensen die in St. Georges de l’Oyapock met elkaar in discussie gingen over diverse museale en daaraan gerelateerde zaken.

Saint Georges de l'Oayapock. Foto © W. von Zeidler

Vanuit Suriname deden twee vertegenwoordigers van het Surinaams Museum en een van het Tembe Art Museum in Moengo mee. Het is onmogelijk om in een museumstof de inhoudelijke discussies te bespreken. Wel kan geconstateerd worden dat, gezien de talloze positieve reacties, de bijeenkomst zeer geslaagd mag worden genoemd. Ook mag geconstateerd worden dat veel indiaanse/inheemse jongeren aan de discussies deelnamen of er als toehoorder bijzaten.

De betrokkenheid van de jongere generatie bij het behoud van de eigen cultuur was vooral merkbaar in het dorpje Oiapoque aan de Braziliaanse kant van de grens. Het daar opgezette museum Kuahí, dat de Indiaanse culturen uit de regio laat zien, leek overspoeld te worden door jonge mensen. En als we daarbij dan ook nog bedenken dat dit museum een volledig vanuit de eigen gemeenschap genomen initiatief was dat voor een belangrijk deel draait op vrijwilligers, kan het ook niet anders dan dat dit initiatief sterk ondersteund wordt door de regering van de deelstaat Amapá. Frappant was het om te zien dat de tentoongestelde objecten voor 90 procent zo uit het depot van het Surinaams Museum hadden kunnen komen, hetgeen de onderlinge verbondenheid, die zover terug gaat in de tijd, alleen maar kan bevestigen. Ook hierom is het zo goed dat die regionale samenwerking er is en verder wordt uitgebreid. In Brazilië zijn de meeste musea overheidsmusea die gratis toegankelijk zijn. In Frans Guyana vinden we zowel particuliere als overheidsmusea. Een voorzichtige, maar opvallende conclusie daarbij is dat de particuliere musea over het algemeen beter draaien en grotere bezoekersaantallen hebben.

Regina (Guyane). Foto © Agamura persica.

Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om zowel in Cayenne als in Regina, dat ligt op weg naar St. Georges de l'Oyapock, enkele musea te bezoeken evenals het depot van voornoemd museum in Cayenne. Daaruit bleek maar weer eens hoe dicht we als buren bij elkaar staan met een gelijksoortig verleden dat in een gelijksoortig erfgoed is terug te vinden. En dan hebben we het niet expliciet over het Indiaanse verleden van degenen die hier al eeuwen woonden maar vooral ook over het koloniale verleden. Presentaties over bijvoorbeeld goud, rubber, hout, maar ook de archeologie en de aanwezigheid van verschillende culturen riepen alleen maar herkenning op. Het eco-museum te Regina maakt vooral gebruik van evocatieve opstellingen. Dat zijn sfeer oproepende tentoonstellingen waarbij de suggestie wordt gewekt dat je zelf onderdeel van de tentoonstelling bent: een nagebouwde slaapkamer, een winkeltje, een kopie van een Long Tom die bij het wassen van goud wordt gebruikt e.d.

We hopen dat deze regionale samenwerking, die volledig aansluit op wat de regering propageert, nog lange tijd mag voortduren en tot wederzijds voordeel en versterking mag leiden. Over niet al te lange tijd wordt de website operationeel. We houden u op de hoogte.

Reacties op museumstof? Bel op 425871 of E-mail ons:info@surinaamsmuseum.net
Zie ook www.surinaamsmuseum.net en www.flickr.com/photos/stichtingsurinaamsmuseum voor foto's uit de collecties van het museum.

[Museumstof 207, uit de Ware Tijd, 15/12/2012]

donderdag 18 oktober 2012

Suriname in Boedapest


Verentooi van de Piarao, Venezuela
door Michiel van Kempen

Als ik uitgenodigd word om colleges te komen geven in Hongarije, dan weet ik dat ik me erop moet voorbereiden dat alles wat ik over Suriname en de Antillen (jaja, de voormalige…) ga vertellen volstrekt nieuw is voor het toeluisterend publiek, voor de studenten evenzeer als voor de docenten. Wat creolen zijn en waar die vandaan komen, wat hindostanen zijn en dat die de meerderheid van de Surinaamse bevolking uitmaken, dat boeroes en protestant blanku niet hetzelfde zijn als witte Nederlanders, wat het verschil is tussen Papiamentu en Sranantongo enz. enz. enz. Het lijkt daar waarachtig Nederland wel!


Hoe veraf en vreemd ook in tal van opzichten, er is ook heel veel dat de Hongaren herkennen in de positie van landen met een kleine cultuur aan de periferie van de grote culturen. Grote groepen landgenoten buiten het land van herkomst: de Hongaren weten er alles van. Wat nationalisme is en wat dan kan teweegbrengen: vraag het de Hongaren. Het speet me dat er daags voor mijn aankomst een opvoering was van een zwaar-romantische opera van Erkel, maar mijn gastvrouwe, prof. Judit Gera van de Eötvös Lórand Universiteit in Boedapest, smeet direct het lid op mijn neus: die vreselijke opera’s van Erkel worden alleen misbruikt door rechts-nationalistisch Hongarije. Toen ik in de metro de affiches voor de opera zag met een agressieve adelaar, begreep ik dat mijn vraag of er nog sprake was van een enigszins kritische enscenering, volstrekt buiten de orde was. Dan hadden ze die afgrijselijke adelaar wel de kleuren van Greenpeace gegeven.
Prof. dr Judit Gera

De colleges lopen zoals wel te voorzien was: met een gretig-nieuwsgierig publiek en weinig respons; het Nederlands is een lastige taal voor Hongaarse studenten. Ze vinden het fascinerend om Pierre Lauffer te horen en Edgar Cairo en Michael Slory in beeld te zien. Hilariteit is er als ik vermeld dat in 1910 de Hongaar Franz Pavel Killinger een staatsgreep in Suriname wilde plegen. (‘Waar Hongaren komen, komt er chaos,’ reageerde twee jaar geleden een glunderende Gabór Pusztai van de universiteit van Debrecen al.) En grote verbazing is er als ik iedereen uitnodig naar zijn schoenen te kijken, voordat ik Slory’s gedicht over Jan Ernst Matzeliger behandel, de Surinaamse uitvinder van de schoenmachine.


Hoofdtooi Piaroa, Venezuela

Ik had niet verwacht dat ik in een van de tientallen musea of honderden boekwinkels van Boedapest enig spoor van de Caraïben zou vinden. Het zou wel weer blijven bij de cuba libre of de Curaçao blue in een cocktailbar. Op mijn eerste dag trof ik niets aan, behalve een tag op de rots achter het beroemde mineraalbadhotel Gellert: ‘Quito Nicolaas was here.’
Maar de tweede dag pakte heel anders uit. Ik stond wat besluiteloos op de Kosuth Tér, het plein voor het indrukwekkende gotische parlementspaleis aan de Donau: er waren geen kaartjes meer voor de rondleiding, en ik besloot het plein over te steken naar het Volkenkundig Museum. De kassajuffrouw keek mij enigszins meewarig aan toen ik vroeg of het museum ook  iets tentoonstelde over Zuid-Amerika. Ja, er was wel een tentoonstelling over Amazone-Indianen, mompelde ze enigszins gegêneerd, maar (nu brak er licht door in haar stem) ik zou toch zeker niet vergeten de prachtige collectie Hongaarse volkskunst te gaan zien, met hetzelfde ticket van 8 euro? Ik beloofde het, met twee vingers zwerend op de adelaar van Erkel.

Lajos Boglár tussen de Piaroa in Venezuela, 1967-1968

Al direct in de eerste zaal van de Amazone-tenoonstelling sta ik perplex van verbazing: zekere Lajos Boglár is geboren in Sao Paulo als zoon van de Hongaarse consul. Hij zal als antropoloog zijn hele leven wijden aan onderzoek naar de Zuid-Amerikaanse Indianen en komt te werken bij dezelfde universiteit waar ik nu gastcolleges geef. Omdat hij familie heeft in Brazilië, krijgt hij als een van de weinige wetenschappers tijdens de communistische periode toestemming om veldwerk te doen in het buitenland. Hij verzamelt gegevens, maakt foto’s en films en brengt een enorme collectie voorwerpen bijeen, waarvan een honderdtal uit Suriname, vooral van de Wayana! Het is zijn collectie,  samen met de verzameling van het Volkenkundig Museum, die het fundament van de tentoonstelling vormt. Suriname prominent aanwezig in het gigantische Romeins-pompeuze museumgebouw in hartje Boedapest!
Dansmasker van de Piaroa, Venezuela
Natuurlijk gaat de tentoonstelling over de bedreigingen voor de inheemse stammen in het Amazonegebied. Maar het lijkt alsof dat maar een side-line is, die de actualiteit nu eenmaal vraagt om sshoolkindertjes naar het museum te krijgen. De expositie geeft een volwaardig beeld van het leven van de Amazone-volkeren. Tal van pottenbakkersvoorwerpen zie ik voorbijkomen, voornamelijk uit 1896 maar bijna alsof ze door dezelfde hand zijn gebakken als de Karaïbse schaal uit Galibi van een eeuw later die ikzelf in huis heb staan. Er zijn prachtig geconserveerde hoofdtooien van kleurrijke vogelveren, er zijn armbanden, voetversieringen, halskettingen. Er zijn kunstige maskers, jachtvoorwerpen, landbouwwerktuigen, kledingstukken, danskostuums, draagbanden, voorwerpen voor het bereiden van cassave en ander eten. En al legt de begeleidende tekst me uit dat zowat elke stam en elk dorp zijn eigen karakteristieken heeft, mij valt toch ook vooral op hoezeer de techniek en de versieringen van volkeren die vaak heel ver uit elkaar wonen, met elkaar overeenstemmen.

Dansmasker van de Wayana, grensgebied Frans-Guyana/Suriname

Merkwaardig is dat de catalogus die de expositie begeleidt, met geen woord van Suriname rept, alsof de collectie van Lajos Boglár pas goed is bekeken toen de catalogustekst al af was. Maar wat geeft het: de prachtige kleurenfoto’s vermelden dan wel dat dit of dat voorwerp uit Venezuela komt, mijn hoofd is zo vrij om erbij te denken: het had evengoed uit Suriname kunnen zijn. Wetenschappelijk is dat niet, maar ik ben dan ook geen antropoloog, al zou ik graag een hele middag hier college geven aan die gretige Hongaarse studenten. Want als je enthousiast kunt worden voor het schoeisel van Jan Ernst Matzeliger, dan toch zeker ook voor de kolibriveertjes in de Indianentooien.

Het gebouw van de Letterenfaculteit van de Eötvös Lórand Universiteit, Rakoczi út 5, Boedapest

Alle foto's © Michiel van Kempen

zaterdag 9 juni 2012

Elie Stephenson - Maripasoula




Je n’ai rien contre ce village

la gendarmerie

l’école

et la mission catholique

les fausses-rues

l‘hôtel des touristes

Je n’ai rien contre ce village

le blanc jouant à l’indien

l’indien jouant au citadin

le Boni faisant du négoce

et le créole la grande gueule

Je n’ai rien contre ce village

les réceptions de ministres

les élections frauduleuses

l’insolence des européens

l’assurance des fonctionnaires

Je n’ai rien contre ce village

la mairie

le bureau de poste

l’infirmerie

                la mission catholique

Je n’ai rien contre ce village

                les patrouilles des légionnaires

simplement je ne sais pas

si je suis chez Moi ou chez Eux?



Maripasoula, août 1979. Elie Stephenson: ‘Terres mêlées’, 1984, p. 46



Ik heb niets tegen dit dorp

de gendarmerie

de school

en de  katholieke missie

de straten die geen straten zijn

het toeristenhotel

Ik heb niets tegen dit dorp

de blanke spelend met de indiaan

de indiaan spelend met de stedeling

de Boni die handel drijft

en de creool met de grote bek

Ik heb niets tegen dit dorp

de ontvangsten van ministers

de frauduleuze verkiezingen

de respectloosheid van de Europeanen

de arrogantie van de ambtenaren

Ik heb niets tegen dit dorp

het stadhuis

het postkantoor

de polikliniek

de katholieke missie

Ik heb niets tegen dit dorp

de patrouilles van legionairen

ik weet gewoon niet

of ik bij Mij ben of bij Hen?


 [vertaling: Els Moor]

Maripasoula

Léon-Gontran Damas - Hik (fragment)


Hou je mond
Ik heb je toch gezegd dat je Fráns moest spreken
het Frans van Frankrijk
het Fransmannenfrans
het Franse Frans

Ramp
spreek me van de ramp
spreek me ervan

Mijn moeder die een echte
moederszoon wilde
Je hebt de buurvrouw niet gegroet
alwéér vuile schoenen
en laat ik je niet op straat
in het gras of buiten
in de schaduw van het Monument voor de Gevallenen
zien spelen en
pret maken met Dingetje
met Dingetje die niet gedoopt is



 Uit: Maryse Condé (red.): De open plek. Haarlem: In de Knipscheer, 1984. Vertaling: Fred de Haas.


vrijdag 8 juni 2012

Frans-Guyanese literatuur in een notendop

door Jerry Dewnarain en Els Moor

Tijdens de van 8 tot 11 mei gehouden 13de Internationale Conferentie van de Association of Caribbean Women Writers and Scholars (ACWWS) hield de Frans-Guyanese schrijfster Sylviane Vayabouri een presentatie over de literatuur van haar land. Ze is geboren te Cayenne in 1960 en is er grootgebracht door haar grootouders. Daarna heeft ze ook gewoond in Guadeloupe, Martinique en Frankrijk.

Sylvie Vayabouri
Vayabouri baseert haar presentatie op het boek met literatuurgeschiedenis en veel fragmenten, Introduction à la littérature guyanaise van Biringanine Ndagano, doctor in Franse literatuur, en Monique Blérald-Ndagano, docent in regionale talen en culturen aan de universiteit van de Franse Antillen en Frans-Guyana in Cayenne. Wij geven in dit artikel weer waarover Sylviane Vayabouri sprak, aangevuld met informatie en fragmenten uit het door haar genoemde boek, en andere werken over Franstalige Caraïbische literatuur, onder andere het in het Nederlands vertaalde De open plek; Bloemlezing uit het werk van 29 schrijvers van de Franse Cariben, door  Maryse Condé uit Guadeloupe.

Wat natuur betreft lijken Frans-Guyana en Suriname veel op elkaar, maar de status van beide landen is verschillend: Suriname is een onafhankelijke staat en Frans-Guyana een ‘overzees departement’ van Frankrijk. Het is interessant te zien hoe in het ‘Franse’ Guyana al meer dan een eeuw schrijvers in hun werk bezig zijn met de eigen Caraïbische identiteit.

Léon-Gontran Damas


Als er over Frans-Guyanese literatuur wordt gesproken dient volgens Vayabouri vooraf een vraag te worden gesteld: wie of wat is Frans-Guyanees? Deze vraag is sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw actueel en zorgt nog steeds voor veel discussies. Hierbij speelt de kwestie van afstamming een belangrijke rol. Deze theorie wordt ondersteund door de volgelingen van Léon-Gontran Damas (1912-1978) die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van authentieke literatuur in de Frans-Caraïbische eilanden en Frans-Guyana. Damas werd geboren in Cayenne en volgde middelbaar onderwijs in Martinique. Zijn universitaire studie deed hij in Frankrijk, waar hij met de Martiniquaan Aimé Césaire en de Afrikaan Léopold Senghor en anderen een blad publiceerde, L’étudiant noir (De zwarte student). Deze beweging groeide uit tot de ‘Négritude’, het streven naar bewustzijn van de positieve eigenheid van zwarte mensen. Terug in Guyana werd hij dichter en gedeputeerde. Zijn gedichten zijn zeer fel. Heel die westerse cultuur die men hem in zijn jeugd te slikken gegeven had, spuugde hij erin uit. ‘Hik’ is een meesterlijke spot met het Franse fatsoen dat kinderen aangeleerd werd door hun ouders, wat nu nog veel gebeurt, en echt niet alleen in Frans-Guyana. In Suriname is het de dichter Eugène Rellum (1896-1989) die beïnvloed werd door de Négritude. Bekend is zijn gedicht ‘negerschap is als bloeiende vanille...’.

Ook de band met de Frans-Guyanese grond werd een uitgangspunt om gerekend te worden tot Frans-Guyanees. De aanhangers hiervan zijn André Bonneton en Marie José Jolivet. Zij stellen dat iemand als Frans-Guyanees beschouwd kan worden wanneer die persoon geboren is in Frans-Guyana of opgevoed is door/tussen Frans-Guyanezen.



Wat literatuur betreft vindt Vayabouri echter dat er sprake moet zijn van een samenspel van allerlei factoren, dat maakt dat iemand tot de Frans-Guyanese literatuur gerekend kan worden. Belangrijk is de betrokkenheid van de schrijver bij de geschiedenis, gedachten, ontwikkelingen, gewoontes en tradities van Frans-Guyana. Als voorbeeld noemt zij een werk uit 1885 van ‘de vader van de créolité’ (creolisering), Alfred Parepou:  Atipa. De figuur Atipa is een enorme kletser en grappenmaker. Hij wordt Atipa genoemd omdat hij zoveel van die vis - bij ons kwikwi - houdt. Hij is een echte patriot, maar kan ook heel kritisch zijn, met name als het gaat over assimilatie, of over de run op goud die eind 19de eeuw speelde in Frans-Guyana. Ook  René Jadfar (1901-1947) wordt als voorbeeld van een gecreoliseerde auteur genoemd. Hij was geobsedeerd door het leven in het binnenland, van ‘botoman’, houthakkers en goudzoekers. Hij was zeer dynamisch, als mens en als schrijver, en in zijn werk is veel herkenbaar in verband ook met ons binnenland.

Veel orale literatuur is vastgelegd in Frans-Guyana. In dit opzicht is onze orale literatuur, vooral die van de verschillende volkeren in het binnenland, familie! Een veel gebruikte bundel is Contes et legendes folkloriques (1960 en 1980), samengesteld door Michel Lohier, maar ook Léon-Gontran Damas heeft veel orale vertellingen opgeschreven.


Elie Stephenson

Sylviane Vayabouri ging tijdens haar lezing ook in op de stromingen in de Frans-Guyanese literatuur. De nationalistische stroming die we hierboven gezien hebben, waarbij er wordt gestreden voor identiteit, met afkeuring van het kolonialisme, de slavernij en de Franse/westerse assimilatie. Het grote voorbeeld is en blijft Léon-Gontran Damas. Later komt Elie Stephenson (1944), die sterk beïnvloed is door Damas. Hij is de eerste Guyanese theaterman, dramaturg en ook schrijver van stukken. Stephensons werk wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hij schrijft kritisch en revolutionair. Zelf zegt hij dat schrijven voor hem getuigen is, een eigen positie innemen en engagement in praktijk brengen. Stephenson heeft ook poëzie geschreven. Verschillende bundels van hem zijn gepubliceerd. Terres mêlées (Gemengde gebieden) is van 1984. Hierin staat een gedicht over Maripasoula, een marrondorp vlak bij de grens met Suriname in het Lawagebied. In de 18de eeuw tijdens de Boni-oorlogen vluchtten veel Boni de grens over. In Maripasoula wonen nu nog steeds veel Aluku en Boni.

De tweede stroming is de regionalistische stroming die het land, zijn rijkdommen, de flora en fauna, de folklore en de vrouwen ophemelt/verheft. Enkele schrijvers zijn: Ismael Urbain (1812-1884), Christian Rollé, Assunta Renau Ferrer (1959) en Tom Dinguiou (1965).



Overigens zijn er ook romanschrijvers die niet gerekend willen worden tot een van de twee stromingen. Een bekende van deze soort is René Maran, winnaar van de Goncourtprijs in 1921 voor zijn roman Batouala. Hierin vertelt hij het verhaal van het dorpshoofd Batouala. Aan het begin van de dag, bij het ochtendgloren, begint Batouala met zijn dagelijks ritueel: geeuwen, jeuken van zijn lichaam, wrijven van zijn ogen met de rug van zijn hand en het bedrijven van de liefde met een van zijn vrouwen die nog slaapt. Handelingen die hij dagelijks uitvoert. Zijn dagen bestaan uit het roken van sigaretten, zijn dagelijks tijdverdrijf. Hij ontbijt met Yassigui’ndja, zijn eerste en favoriete, maar kinderloze vrouw. Vaak reflecteert hij over zijn leven en hij minacht het rijke, zorgeloze leven van de blanken. Spot naar beide kanten toe, dus!

De werken van deze onafhankelijke romanschrijvers zijn echter wel in genres te verdelen, zoals sociaal-realistische, avonturen-, historische en regionalistische romans. Tot de laatste groep hoort Sylviane Vayabouri zelf. Haar debuutroman, Rue Lallouette prolongée, is autobiografisch en nodigt de lezer uit haar te vergezellen op de driesprong tussen La Guyane, Frankrijk en de Franse Antillen. Op die weg ontmoet men veranderende tradities, cultuurschokken, kostbare oude herinneringen en zeer pijnlijk verdriet. Haar tweede boek, La Crique, gaat over multiculturele diversiteit en de betekenis van het leven in een plaats als Cayenne, in een Frans overzees departement dat worstelt met het multiculturele vraagstuk. Ook interessant vergelijkingsmateriaal voor ons, maar deze romans zijn helaas niet vertaald, evenals de vele andere, zodat het weinig zin heeft al die werken hier te noemen. Ons gaat het erom te laten zien dat er veel overeenkomsten zijn tussen onze literatuur en die van Frans-Guyana, dat er goed geschreven werd en wordt, kritisch, vaak fel en spottend: ze nemen geen blad voor de mond. Ook zijn er prachtige, herkenbare verhalen uit de orale literatuur en beschrijvingen van het leven van de bosnegers en inheemsen in het binnenland die evengoed in Suriname zouden kunnen spelen. Zou het geen goed idee zijn om een bundel voor Suriname samen te stellen met werk van Frans-Guyanese auteurs, vertaald uiteraard? Op deze pagina doen we alvast een kleine poging! Sylviane Vayabouri heeft ons op dit spoor gezet! Grantangi! Grand merci! 



[Bronnen: De voordracht van Sylviane Vayabouri tijdens de Internationale Conferentie ACWWS; Biringanine Ndagano, Monique Blérald-Ndagano: Introduction à la litteratuur guyanaise. CDDP Guyane, 1996. ISBN 2-908931-16-8; La plume guyanaise, revue littéraire. IBIS Rouge Editions, 2003; Maryse Condé: De open plek. In de Knipscheer, 1996]

vrijdag 10 februari 2012

Krik? Krak! Kri, Kra!: Franstalige Caraïbische literatuur

door Els Moor

Suriname maakt deel uit van het Caraïbisch Gebied, op het vasteland van Zuid-Amerika. Waarom zijn wij niet Latijns-Amerikaans? Alle andere landen werden gekoloniseerd door Spanje of Portugal (Brazilië) en het Spaans of Portugees is er de taal. Frans-Guyana, Suriname en Guyana zijn gekoloniseerd door respectievelijk Frankrijk, Nederland en Engeland en de talen van die landen zijn er de officiële taal.

Deze drie landen horen dus bij de Caraïbische eilanden, die - met uitzondering van het Spaanstalige Cuba, de Dominicaanse Republiek en Puerto Rico - Frans, Nederlands of Engels zijn of waren. Met deze landen en eilanden heeft Suriname een stuk geschiedenis gemeen - met de Nederlandse Antillen ook de taal, hoewel het Papiaments daar een veel sterkere rol heeft dan het Sranan bij ons - en culturele kenmerken. Geen wonder dat ook de literatuur van de Caraïbische landen en eilanden veel gemeenschappelijks heeft wat betreft thematiek en in andere opzichten.

‘Krik? Krak!’ is de titel van een verhalenbundel van Edwidge Danticat (1969). Zij is afkomstig uit Haïti en woont in de Verenigde Staten. Kri, Kra! Proza van Suriname (1972) is een bloemlezing, samengesteld door Thea Doelwijt. ‘Krik? Krak!’, ‘Kri, Kra!’, het is de aanhef van orale tori, ook van Anansitori. De verteller riep het en de hoofden van de luisteraars gingen omhoog, Haïtiaanse, Surinaamse: Caraïbische!

Grote thema’s in de Caraïbische literatuur zijn onder andere: slavernij en koloniale geschiedenis, ras en kleur, klassentegenstellingen, Afrika, religie, identiteit, gender en de trek naar metropolen zoals Londen, Parijs, Amsterdam en de Verenigde Staten. Die thema’s herkennen wij ook.

In dit artikel richten we ons op de Franstalige Caraïbische literatuur, van Martinique, Guadeloupe en Frans-Guyana. Deze drie zijn nu delen van Frankrijk in tegenstelling tot Haïti dat in 1804 onder invloed van de Franse Revolutie al onafhankelijk werd en een totaal andere geschiedenis beleefde, vol machtswellust, onderdrukking, corruptie en armoede. De literatuur van Haïti is zeer interessant met figuren als René Depestre (1926), een dichter die in zijn werk evolueert van zeer militant tot beschouwend. In 2002 kwam in vertaling van René Smeets in Nederland een bundel uit met een keuze uit Depestres poëzie. Hij heeft om zijn werk in de gevangenis gezeten en woont nu in Zuid-Frankrijk. Voor ons is ook het werk van Edwidge Danticat belangrijk: gedichten, twee romans, en verhalen, geschreven in het Engels en vertaald in het Nederlands.

Maar het interessantst is het werk van Kettly Mars (1958). Ondanks gewaagde thema’s in haar romans, bijvoorbeeld over het schrikbewind van de Duvaliers, woont ze nog in Haïti en schrijft ze over de worsteling met het bestaan van haar landgenoten. Ze is een laureaat van het Prins Claus Fonds vanwege haar gedurfde onderwerpen. Haar laatste roman, Wrede seizoenen, speelt in de woelige jaren zestig, is in het Nederlands verschenen bij uitgeverij De Geus. Kettly Mars was aanwezig bij de presentatie; Lucia Nankoe ook. Zij is zeer enthousiast over de roman en ook over de schrijfster als mens.

Léon Gontron Damas
Terug naar de literatuur van Martinique, Guadeloupe en Frans-Guyana. Die heeft een duidelijke indeling in periodes. Uiteraard eerst een orale fase. Veel van die verhalen zijn gelukkig overgeleverd en later vastgelegd. De slimme helden waren in de slaventijd vaak dieren. Zoals bij ons Anansi de slimmerik is, hebben Martinique en Guadeloupe hun Compé Lapin (konijn). Uiteraard zijn er ook laitori en odo overgeleverd. Dit zijn getuigenissen van slaven, die voor de rest niets achterlieten. In de tweede helft van de 19de eeuw ontstaat er een Antilliaanse poëzie, die later ‘hangmatliteratuur’ wordt genoemd, met suiker- en vanillegeur. Je zou ook kunnen zeggen ‘literair exotisme’, de natuur en samenleving gezien door een Franse bril. Langzaam maar zeker ontwaakte echter een bewustzijn van het eigene, van het neger zijn, met als oorsprong Afrika. In de twintiger jaren van de 20ste eeuw komen er lokale protestdichters, jonge anti-burgerlijke kunstenaars. Ze hadden via tijdschriften ook contact met Haïtiaanse kunstenaars. Die hadden relaties in de Verenigde Staten en zo bereikte hen de beweging van Amerikaanse zwarten, ‘Black is beautiful’, terug naar Afrika. Met als grote figuren Marcus Garvey en E. du Bois. Mede onder invloed hiervan ontstond de Négritude-beweging. Studenten in Parijs vonden elkaar en werden de grote dichters van de beweging: Leopold Senghor uit Afrika zelf, Aimé Césaire uit Martinique en Léon Gontran Damas uit Frans-Guyana.

Césaire is wel de grootste dichter van de Négritude. Hij had een brede visie en emotionele kracht. Zijn meest bekende werk is Cahier du retour au pays natale (Logboek van een terugkeer naar mijn geboorteland) in proza en poëzie. Behalve gedichten en proza schreef hij drama. Hij was auteur en politicus en werd burgemeester van Fort de France. De leukste is Léon Gontran Damas, die in zijn poëzie de spot drijft met de Franse burgerlijkheid. De Surinaamse dichter die al vroeg verwantschap toonde met de Négritude is Eugène Rellum (1896-1989). Zijn gedichten zijn vooral verwant aan die van Léon Gontran Damas uit ons buurland. Ook de Curaçaoënaar Frank Martinus Arion voelde zich aangetrokken tot de Négritude, getuige zijn bundel Stemmen uit Afrika (1957). De beweging ‘Wie Eegie Sanie’ zit eveneens op de lijn van ‘eigenheid’, zij het niet zo Afrikaans.

Na de Tweede Wereldoorlog is de terug-naar-Afrika-droom gaan slijten. Vooral opstandige jonge dichters en kunstenaars gaan begrijpen dat de Antillen een heel andere werkelijkheid vertegenwoordigen dan Afrika. De stroming Antillianiteit komt dan op. De centrale figuur hierin is Edouard Glissant (1928-2011), schrijver en dichter van Martinique. Zijn visie op de rol van de schrijver is: meewerken aan de genezing van een zieke maatschappij. Geëngageerde literatuur dus. Schrijvers zoeken naar het ware gezicht van hun land. Het verleden blijft een belangrijk thema, ook kleurvooroordelen, het leven op het platteland en de trek naar de stad.

Belangrijke schrijvers van de moderne Franstalige Caraïbische literatuur - van wie de werken in het Nederlands zijn vertaald - zijn Maryse Condé (1936) uit Guadeloupe, het echtpaar Simone en André Schwartz-Bart (zij van Martinique, hij Fransman van joodse afkomst), en Patrick Chamoiseau (1953) van Martinique. In de komende maanden zullen we werk van hen bespreken. Vooral ook in verband met keuzes ‘voor de lijst’ van de scholieren. Mijn favoriet is De oude slaaf en de bloedhond (2001) van Patrick Chamoiseau, uitgegeven door De Geus in de vertaling van Eveline van Hemert (die naar Suriname kwam om Surinaams-Nederlands te leren en dat gebruikte bij haar vertaling van het gecreoliseerde Frans van Chamoiseau). Lucia Nankoe is de samensteller van de bundel met Caraïbische verhalen, De komst van de slangenvrouw en andere verhalen van Caribische schrijfsters (Van Gennep-Novib-Ncos, 1998). Een herdruk is gewenst, want het is inspirerende leesstof voor iedereen die wil kennismaken met de Caraïbische literatuur.

woensdag 18 januari 2012

General D pleegt plagiaat


door Steven Seedo

Paramaribo - De Frans-Guyanese artiest met Surinaamse roots General D heeft met zijn nieuwe single Ay Na Yu plagiaat gepleegd. Volgens gospelzangerenrapper-Epee is het oorspronkelijk zijn lied. Het nummer zou gejat zijn van het album Hopo da Hemel dat in 2009 uitkwam. “Er is bijna niets veranderd aan het lied. De melodie is nog hetzelfde alleen de tekst is een beetje veranderd”, reageert Epee.

“Ik heb heel veel telefoontjes van mensen gekregen die het hebben opgemerkt. De meeste bellers denken dat het mijn lied is”, vervolgt hij. De gospelrapper zegt geen juridische stappen te zullen ondernemen. Hij zoekt eerst het pad van onderhandeling. Ondertussen vernemen we dat Epee en General D al on speaking terms zijn. General D - die eigenlijk Danny Alasa heet - lanceerde een week geleden tijdens een korte promotietour in Suriname Ay Na Yu die hij samen opnam met de Jamaicaanse reggaeartiest Turbulence . Van het nummer is ook een videoclip op de lokale tv-zenders te zien. General D ziet de lancering van Ay Na Yu in Suriname als een eerste stap naar meer naamsbekendheid. Het nummer is door de media op Jamaica al goed ontvangen.

[uit de Ware Tijd, 17/01/2012]