Posts tonen met het label Cairo Edgar. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cairo Edgar. Alle posts tonen

vrijdag 14 februari 2014

Famir’man sani

Surinamerivier. Foto © Lucento Mijnals

door Stuart Rahan

Ze maken hun op om fo nu en fo eeuwig af te rekenen met die kunu die op ze rust, de familie van Ma Lien met owma Ma Marjana aan het hoofd. Ma Marjana is de buik van de familie dus heeft die afrekening allenig kans van slagen als zij als een wèri wèri koningin behandeld wordt tijdens een ritueel, buiten de stad.

Dit wintiritueel kan niet in de stad gehouden worde. Lanti wil het niet. Ma Lien heeft zoveel tegenslag gekrege in der leve dan meer dan een dozijn bonuman konden genezen. Eén zoon is opgesloten in Kolera omdat hij twee meisjes had vermoord. Ma het is niet fo die moord dat ze hem in Kolera hebben opgesloten. Het is omdat hij ze toen daarna ging gebruiken, ze met fayalobi ging vereren en bij juweliers ging stelen om ze met goud te behangen. Zo iemand sem hoofd is geboord, toch! Een andere zoon moet afgeholpen worden van een kroi door die bakrafrow omdat hij z'n mond aan d'r onderbuik zet.

Edgar Cairo in 1981. Foto  © Hans van Dijk/Anefo
Oh, wat kon die Edgar Cairo zich toch prachtig uiten in het Surinaams-Nederlands. Hij had het vaak over die 'negerdinges' waar Afro-Surinamers moeite mee hebben ze onder ogen te zien maar intussen in het geniep hun winticultuur beleven. Dat was toen, nu zijn de erkenning en het respect gelukkig aardig ingeburgerd. Edgar Cairo had ook een vooruitziende blik. Niet alleen de Afro-Surinamers gaan gebukt onder een 'kunu', het hele land en alle Surinamers gaan gebukt onder de nationale vloek, de decembermoorden. Slachtoffers en nabestaanden doen er alles aan om het recht te laten zegevieren, de daders werken nog harder om te voorkomen dat het recht zijn beloop krijgt en zij alsnog achter de tralies belanden. In hun strijd de vloek de baas te zijn, laten onschuldige burgers zich willens en wetens meesleuren in het gevecht dat op drijfzand wordt gevoerd.

De verruimde Amnestiewet van april 2012 moest daders beschermen. In het verlengde daarvan organiseren regering en Nationale Assemblee een conferentie om eventueel te komen tot het proces van nationale verzoening. Processen die uit de koker van de 'verdachten' voortkomen. Gelukkig is men zich ervan bewust dat er een vloek heerst en dat er 'iets' gedaan moet worden om het land te zuiveren. Alleen bewijst de tot nu toe gevolgde weg dat er sprake is van een bittere afrekening met het verleden. Bitter voor slachtoffers en nabestaanden die geen moment betrokken zijn geweest bij het proces van verzoening, de nationale reiniging van lichaam en geest. Het meest pijnlijke aan dit zogenaamde proces is dat 'verdachten' en hun politieke 'tyamu' bepalen hoe te handelen en waarvan de uitkomst al in hun voordeel is beslist. De aanstaande anti-corruptiewet is ook zo'n voorbeeld. Op deze manier houdt de 'kunu' het land in zijn wurggreep.

Wij leven in een land waar onze afo en trotro van zowel de Afro-Surinamers als de Hindostanen en Javanen culturele waarden met betrekking tot onze 'yeye' altijd met een zekere trots hebben beleden. Karma is niet altijd wetenschappelijk te verklaren maar er zijn wel degelijk aanwijzingen die aantonen dat het persoonlijke lot ook mede bepaald wordt door mans levenswandel. Bekijken wij de omstandigheden waaronder zes leden van de 'Groep van 16' zijn overleden dan blijkt dat geen van hen 'vredig' is ingeslapen. Dat is toch een veeg teken aan de wand zijn. In het verhaal van Edgar Cairo, 'Famir'man sani/Kollektieve schuld', een zoektocht naar zelfreiniging wordt er een hoge prijs betaald. Als owma Ma Marjana uiteindelijk die bevrijdende wasi krijgt, een winti en een stevige dansi op plantage Onoribo, is zij de volgende dag dood. Een hersenbloeding werd haar fataal. Dat een kunu onze nationale saamhorigheid in de weg staat, is een feit. De sleutelfiguren zullen de sleutel echter uit handen moeten geven.


[uit de Ware Tijd, 13/02/2014] 

dinsdag 14 januari 2014

Lezing Charl Landvreugd over Edgar Cairo en de zwart-Nederlandse subjectiviteit

Kom op donderdag 20 februari 2014 naar het Tropenmuseum voor de lezing van Charl Landvreugd over Edgar Cairo en de zwart-Nederlandse subjectiviteit. In opdracht van het Tropenmuseum maakte kunstenaar Charl Landvreugd een installatie geïnspireerd op vragen uit de tentoonstelling Zwart & Wit. Hij gaat hiermee in dialoog met het werk van de Surinaamse schrijver en columnist Edgar Cairo (1948-2000).

Tijdens deze lezing licht Landvreugd zijn installatie en relatie tot Edgar Cairo verder toe. Vaak zijn rolmodellen van elders, zoals de bekende Frans-Afrikaanse schrijver Frantz Fanon, ijkpunt geworden voor het zwarte bewustzijn in Europa. Cairo zou een ijkpunt kunnen zijn vanuit de Caribische context, en verdient daarom, hernieuwde belangstelling.

Na afloop van de lezing is er een nagesprek met Wayne Modest, Hoofd Collecties & Onderzoek Tropenmuseum, rondom Edgar Cairo en de zwart-Nederlandse subjectiviteit. Het is raadzaam om vooraf de tentoonstelling Zwart & Wit te bezichtigen.


Wanneer: donderdag 20 februari 2014
Tijd: 17.00 uur

Waar: Kenniscentrum, Tropenmuseum
zwart wit monumenten reeks 2 landvreugd

Performance kunstenaar Charl Landvreugd

Charl Landvreugd
Kom op zaterdagmiddag 18 januari 2014 naar het Tropenmuseum en woon de openingsperformance van Charl Landvreugd bij. Charl Landvreugd heeft Edgar Cairo gekozen als partner voor het project Monumenten voor de toekomst. Landvreugd licht toe:

“Edgar Cairo was in zijn columns en boeken bijzonder kritisch naar hoe de Surinamer/migrant zich vormt in Nederland. Cairo was ervan overtuigd dat men zich bewust moest zijn van de persoonlijke en gemeenschappelijke geschiedenis om een evenwichtige en succesvolle factor te zijn in de samenleving. De vanzelfsprekendheid waarmee hij zijn zwartheid benoemde was voor veel Surinamers vanaf de jaren 70 tot recent choquerend. Een groot deel van de huidige generatie ziet Cairo dan ook als een voorvader van de zwarte vanzelfsprekendheid die zich op dit moment ontwikkeld in Nederland en Europa.”


Landvreugd gaat met dit gegeven in dialoog met als resultaat een monument/document voor de toekomstige burger in de vorm van een installatie.  De openingsperformance van deze tentoonstelling is op zaterdag 18 januari om 15.00 uur. Er zullen delen uit Cairo’s eerste boek Temekoe uit 1969 worden nagespeeld. Door middel van de call and response-stijl vertelt dit boek het verhaal over het doorgeven van generationele trauma’s van de slavernijgeschiedenis in de Surinaams Creoolse gemeenschap. Deze stijl van vertellen is typisch voor de West Afrikaanse gemeenschappen in Noord- en Zuid-Amerika. Tijdens Landvreugds performance staat deze vorm van vertellen ook centraal. Een koor van vijf vrouwen zal met liederen en spreekwoorden reageren op de verhalen van de verteller. Deze manier van vertellen kom je tegenwoordig bijna niet meer tegen, wat het extra bijzonder maakt. De performance wordt geflimd met IPhones.

Het werk van Charl Landvreugd & Edgar Cairo is van 16 januari t/m 2 maart 2014 te zien in de Galerie van het Tropenmuseum

Wanneer: zaterdag 18 januari 2014
Tijd: 15.00 uur
Waar: Lichthal, Tropenmuseum

zwart wit monumenten reeks 2 landvreugd

donderdag 2 januari 2014

Interview met Usha Marhé (1)

Foto © Usha Marhé
Bewustwording en empowerment lopen als een rode draad door het werk en leven van de Surinaamse schijfster Usha Marhé. Met haar eerste, taboedoorbrekende boek Tapu Sjén/Bedek je schande – Surinamers en incest trok zij veel aandacht. Een kennismaking met deze inspirerende schrijfster.

Usha wil je ons vertellen waar je geboren bent?
Ik ben geboren in het Sint Vincentiusziekenhuis in Paramaribo, dichtbij de St. Alphonsiusstraat waar mijn ouders toen woonden.

Hoe wil jij je jeugd in Suriname het beste beschrijven?
Zoet en zuur. Ik heb herinneringen die me kracht geven, en herinneringen die me pijn doen. De uitkomst van de optelsom is dat ik zeer blij ben dat ik in Suriname ben geboren en getogen.

Wat is voor jou typisch Surinaams?
Een negatieve associatie: de communicatie over het algemeen, en in het bijzonder je niet aan afspraken houden en ook niet tijdig afzeggen als je niet meer komt of niet melden dat het later wordt. Positieve associaties: het eten, en de mengelmoes van culturen inclusief de bijbehorende talen maken dat ik mij erg rijk voel. Die culturen en talen zijn als een ‘galaxy’ die je verbinden met zoveel interessante en mooie landen in de wereld, zoals onze herkomstlanden India, Ghana, Indonesië, China, en met soortgelijke landen qua geschiedenis zoals Mauritius en Guyana. Door bijvoorbeeld Hindi, Chinees en Bahasa Indonesia te kennen heb je als Surinamer aansluiting op landen met samen meer dan 2 miljard bewoners!

Vanwaar eigenlijk je interesse in schrijven?
Ik heb altijd van lezen en verhalen gehouden, ik was thuis de boekenwurm. Ik kon via al die verhalen mijn horizon verbreden, zo voelde het. Het lezen heeft mij geholpen te ontsnappen aan de autoritaire opvoeding en het autoritaire schoolsysteem die toen normaal waren in Suriname, maar die voor mij een benauwend keurslijf vormden. Eigenlijk voedde ik mezelf op door zoveel mogelijk te lezen. Hoe ik van lezen naar schrijven ben gegaan, kwam door toeval. Vanaf de vijfde klas lagere school wilde ik kinderrechter worden, ik vond dat volwassenen in Suriname niet goed omgaan met kinderen en wilde voor kinderen opkomen, als kinderrechter. Ik zat toen op de Zinniaschool. In de jaren ’80 zat ik op het Miranda Lyceum. Na 8 december 1982 durfde ik geen rechten meer te studeren, omdat juist mensen die zich daarmee hadden bezig gehouden waren vermoord. In 1986, mijn laatste schooljaar, was er een inval van militairen op het Lyceum [Dit moet zijn op het Openbaar Atheneum (HAVO-I) - red. CU], studenten werden achterna gezeten door gewapende mannen. Ik zal nooit vergeten hoe angstig we toen waren en hoe we van het schoolerf renden om niet in hun handen terecht te komen. De school werd toen twee maanden gesloten door het militair bestuur van het land, we moesten het hele schooljaar volmaken in de tijd die overbleef. Na het behalen van mijn VWO-diploma wist ik door al deze gebeurtenissen eigenlijk niet wat ik wilde doen. Ik woonde toen al zelfstandig, werkte en begon met een avondstudie op het IOL (Instituut voor de Opleiding van Leraren), maar dat was zo saai dat ik ermee ben gestopt. Het volgende schooljaar begon ik op de AHKCO (Academie voor Hoger Kunst en Cultuur Onderwijs) met de studie tot maatschappelijk werkster, ik wist dat ik iets wilde doen met en voor mensen. Intussen was ik op zoek naar een nieuwe baan. Bij het nieuwsagentschap SNA zocht de hoofdredacteur naar iemand die hij kon opleiden, en die goed was in talen en vlot was as in mensen durfde aan te spreken. Ik solliciteerde en werd aangenomen. Via een training on the job ontdekte ik mijn schrijftalent, de hoofdredacteur was net als ik blij verrast. Ik maakte mij het vak ook snel eigen omdat ik van nature nieuwsgierig ben en van verhalen hou, mijn karakter, leesgierigheid en levenshouding vielen heel goed samen met het beroep van de journalistiek. Al dat lezen kwam me nu erg goed uit, het hielp me met het begrijpelijk formuleren van berichten. Voordat ik solliciteerde had ik er nooit eerder aan gedacht om iets met journalistiek of schrijven te doen. Ik ben vreselijk blij dat ik via dit ‘toeval’ mijn talent ontdekte, en heb veel gedaan om het verder te ontwikkelen.

Intussen heb ik twee gepubliceerde boeken op mijn naam staan en heb ik veel bedrijven en mensen geholpen hun boekjes of andere publicaties vorm te geven en te publiceren. Met mijn eerste boek Tapu Sjén, over Surinamers en incest heb ik het taboe op praten en schrijven over incest binnen de Surinaamse samenleving doorbroken.

Zit er nog een boek van je aan te komen?
De schema’s voor nieuwe boeken staan in mijn pc, en intussen heb ik nog een idee ontwikkeld voor iets wat een short story of ook een boek moet worden.

Wanneer komen die boeken uit?
Ik kan geen exacte datum noemen. Maar er komt zeker weer een verhaal of een boek. Na het publiceren van mijn tweede boek heb ik besloten een aantal jaren bewust afstand te nemen. Het schrijven van fictie slokt je helemaal op, jarenlang. Je geeft je sociale leven op en je moet ervoor waken om niet te verdwijnen in die parallelwereld waaruit de verhalen komen, de personages worden je familie en lijken net echt. De scheidslijn met de realiteit kan flink vervagen omdat je steeds bij je personages in die parallelwereld vertoeft, je bent en wordt hen, want je moet precies weten wat ze denken en wat hun volgende gedachte of handeling zal zijn, om het verhaal te kunnen schrijven. Sommige auteurs raken verdwaald in die parallelwereld, dat is o.a. met Bea Vianen en Edgar Caïro gebeurd. Zij zijn mijn schrijfvoorbeelden wat Surinaamse auteurs betreft. Maar hierin zijn zij voor mij een waarschuwing: neem afstand na elk boek. De publicatie van een boek, de reacties die erop volgen, de golven die zo’n boek in de maatschappij veroorzaakt, dat alles verandert je leven en je bewustzijn, zeker als je een geëngageerde schrijver bent, ik denk dat het vergelijkbaar is met de geboorte van een kind. Beide boeken veranderden mijn leven compleet, in goede zin. De laatste tijd voel ik de schrijfkriebels weer komen.

[vervolg klik hier]

[van Nospang.com


zaterdag 14 september 2013

Carifesta XI Book Fair: Surinaamse trots afwezig

door Jerry Dewnarain

In de grote hal van de Kamer van Koophandel vond gedurende Carifesta XI de Book Fair plaats. De volgende landen waren er onder andere: Suriname, Guyana, St-Lucia, Trinidad en Tobago, Belize en Barbados. Participanten uit deze landen verkochten de beste literaire boeken van hun schrijvers en dichters. De grootste stand was - hoe kan het ook anders - van Suriname. Schrijversgroep ’77 was goed vertegenwoordigd met vooral kinderboeken. De bezoeker had een ruime keuze. Van klassiekers, zoals Anansitori, tot de meest recente werken van onze kinderboekenschrijvers waren er te koop. Zelfs cd’s van schrijvers en/of zangers in diaspora, bijvoorbeeld van Raj Mohan, waren verkrijgbaar. Even kreeg ik in de KKF-hal een trots gevoel, dat het goed gaat met de ontwikkeling van de kinderliteratuur bij het zien van zoveel kinderboeken. Of dit waar is, moet nog worden onderzocht. Er verschijnen in ieder geval jaarlijks meer Surinaamse kinderboeken dan romans. En deze groei van eigen jeugdliteratuur behoort gestimuleerd te worden. Tot nu toe zijn er namelijk veel te weinig jeugdboeken uit en over Suriname verschenen! En dat terwijl hier zoveel moois te vinden is, en er met boeken afgestemd op eigen behoeften en wenselijkheden, zeer veel positiefs valt te bereiken.

Bovendien moeten we onze culturen beter leren kennen. Pas als we meer van elkaar weten, zullen we inzien hoe rijk onze samenleving is en wat voor waardevolle bouwstenen wij met z’n allen voor de groei van de Surinaamse literatuur in het algemeen kunnen aandragen.

Bedroevend was het feit dat de Surinaamse klassieken nergens te bekennen waren. Terwijl St-Lucia zijn Nobelprijswinnaar voor Literatuur in 1992 - Derek Walcott met zijn Omeros en Collected Poems 1948-1984 - trots aanprees, Guyana werken van Edgar Mittelholzer, en Trinidad de beste boeken van V.S. Naipaul (Nobelprijs in 2001), was er nergens in de Surinaamse booth een Trefossa, Albert Helman, Bea Vianen, Edgar Cairo te zien. Dobru redde de Surinaamse eer en gelukkig maar. Hij ontbrak niet tijdens Carifesta XI. Logisch, want hij droeg eraan bij dat Suriname en niet-Engelstalige landen in de Caraïbische regio deelnamen aan het eerste Carifesta in 1972 in Guyana. Voorts leverde Dobru een grote bijdrage aan de bereikbaarheid van de Surinaamse literatuur voor het niet-Nederlandssprekend deel van het Caraïbisch Gebied. Daarom werd op verschillende Carifesta’s aandacht aan hem besteed en zijn gedicht ‘Wan’ is bekend geworden in de regio. Dus Dobru leeft voort. Over Anton de Kom was er een boekje, maar zijn werk Wij slaven van Suriname en zijn biografie ontbraken.

The Back Lot heeft wel zijn documentaire vertoond op het Carifesta-Filmfestival. Ook heeft deze organisatie interessante workshops en masterclasses over het filmwezen verzorgd (de Ware Tijd heeft er enkele besproken). Zelfs de jeugd werd betrokken bij deze educatieve trainingen van The Back Lot. De Schrijversgroep ’77 heeft ook workshops verzorgd voor zowel jongeren als volwassenen. Story-telling bleek erg in de smaak te zijn gevallen bij zowel jong als oud. Helaas ging een masterclass van dichteres Linda Deane uit Barbados over wat poëzie eigenlijk is, op donderdag 22 augustus niet door. Lezingen over literatuur zijn bij dit Carifesta helemaal niet aan bod gekomen. Al bij al, de groten uit onze literatuur ontbraken tijdens Carifesta XI, en dat is heel jammer en bekrompen.

zondag 16 december 2012

‘Kongo pré agida’


De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over Kollektieve schuld, ofwel Famir'man-Sani van Edgar Cairo.


Darkboy66. Foto © Nicolaas Porter


door Jerry Dewnarain

Zoals de Decembermoorden voor veel Surinamers nog steeds een taboeonderwerp zijn, zo zijn er meer onderwerpen in dit land onbespreekbaar door onder andere angst, schaamte, huichelarij of verloochening, maar ook door toedoen van het geloof. Zo een onderwerp is het winti-geloof. In het gekolonialiseerde Suriname werd winti, de natuurgodsdienst van de creolen, te vuur en te zwaard bestreden als barbaars heidendom door het christendom en nog steeds. Het wordt als duivels beschouwd, want als je in winti gelooft dan ben je een heiden, een ketter. Echter, ook iedere ketter heeft zijn letter! Edgar Cairo wist wel de durf aan de dag te leggen om over winti te schrijven. Hij schreef het volgende: ‘Als schrijver vecht ik fo een ander soort bevrijding: de verzoening van de negerman met zijn verdomde kultuur, kultuur die blanken ons hadden leren verwerpen en haten. Want ’t was afgodische negerachtige nonsenserij. No? In plaats van groei van de cultuur, is verlies gekomen. Want welke jongere zal het verschil weten tussen kra en jeje, tussen kra, jeje en djodjo? Tussen kra, jeje, djodjo en konfo? Welke jongere zal, onder dat gewoeker van al die vele medicijnmannen met ieder hun eigen inzicht, de rituelen stuk voor stuk kennen?’

Na afloop van een obiaprei bij de Marrons. Dit wordt ook wel Wintidansi of wintiprei in het surinaams genoemd. De dansers prepareren hun lichaam met kruiden en zijn daardoor in staat om door het vuur te dansen. Terwijl ze muziek maken (slaan op de Apinti, zingen en dansen) is het mogelijk dat de danseres in trance raken. Deze dans wordt alleen uitgevoerd bij speciale gelegenheden (zoals verjaardagen.) Foto © Lorenzo Jonathan. Tropenmuseum Amsterdam, Repronegatief.

Cairo haalde de rochel uit zijn gorogoro en beschreef hem in zijn debuutroman Kollektieve schuld. Famir’man-Sani: het leven van een uitgebreide creoolse familie die voorbereidingen treft voor een wintiprei, een rituele dansavond ter gelegenheid van de ‘goden’, de winti. De centrale figuur in deze roman is Tant’ Lien, die haar familie afloopt om hen te winnen voor deelname aan en een financiële bijdrage voor een groot winti-evenement voor de hele familie in de Para. Dit vanwege de vele problemen en ziektes, vooral ook de situatie van haar oude moeder Marjana, het familiehoofd, die zwak is en nauwelijks meer ziet en hoort. Uiteindelijk, na veel dyugudyugu, bezwaren ook vanuit de christelijke familieleden, gaan ze op een vrijdagmiddag, in een Volkswagen-busje, volgestouwd met mensen en goederen. Ze installeren zich op het terrein en langzaam maar zeker groeit de sfeer. Ze vertellen elkaar verhalen, katibo! Uit de slaventijd. Ze plegen magische handelingen, gebruiken kruiden, baden, zingen, dansen veel en fanatiek... en uiteindelijk mondt het uit in de wintiprei. ‘Kongo pré agida,/ e oen pré agida!// Mat’o, e pré agida!: Kom, bespeel de trom!/ o, bespeel de trom!// Vrienden, bespeel de trom!/ kom op! Bespeel de trom!’ Iedereen raakt in trance, ook de oude stammoeder Marjana. Ze danst, ziet weer, hoort weer en een winti-lied voor Mma Marjana luidt als volgt: ‘We fa mi nowtoe doro,/ mi no wegi kompe// Famir’man, famir’man,/ a joe moe koti genti!// Famir’man,/ san w’e meki so?: Nu mijn nood blijkt/ worden vrienden niet gewogen.// Familieleden, familieleden,/ wend het onheil af!// Familieleden,/ waarvoor dit gedoe?’
Magische bezem van een obiaman (medicijnman). Foto © Tropenmuseum Amsterdam.

Uiteindelijk sterft Mma Marjana aan een hersenbloeding. Voor het gerecht worden de ‘schuldigen’ streng berecht door de ‘kroetoebakra’. Uiteraard is dat Mma Lien en ‘Ba Fransi, een polisieman in funktie!’ In zekere zin ‘vraagt’ het verhaal om een mythisch, bovennatuurlijk slot. Maar Cairo was een realist en hij koos daarom voor het andere uiterste: het banale. Cairo trok zijn roman bewust omlaag. De voorlaatste zin luidt: ‘Kroetoebakroe deed uitspraak, bij een tjokvolle tribune, met z’n opmerking dat wie ogen sluit voor de realiteit gedoemd is roemloos ten onder te gaan.’ En de laatste regel: ‘Maar daaruit bleek dat hij ze niet begreep.’ Cairo sloot zijn ogen niet voor de realiteit en begreep ze daardoor des te beter! Kortom, Kollektieve schuld... is een klassieke Surinaamse roman over de jaren zestig, toen winti streng verboden was. Dat zien we ook op de manier zoals de doodsoorzaak is vastgesteld van Mma Marjana: ‘Doodsoorzaak: tengevolge van het opzettelijk kreëren van een toestand van lichamelijke en geestelijke opwinding, een bevlieging, winti, ontstond in de hersenen van het slachtoffer een bloeding. Hieraan is ze komen te overlijden. Deze konklusie werd door de raadsheren zwaar aangevochten. Maar ja, ze waren niet al te goed betaald... Ze stonden toch al niet positief tegenover dit soort zaken... En buitendien: P’pa lanti vond dat er nu eindelijk een eind moest komen aan dat onverantwoordelijke gedoe! De schuldigen werden streng gestraft.’

Het boek zit vol thema’s: identiteit en twijfel, creool zijn in een koloniale samenleving, beeldend en vol eigen humor. Centraal in de roman staat het zoeken naar geluk, het vinden van identiteit, verzoening van de creool met zijn beladen verleden, de trauma’s van de slavernij en het kolonialisme, schuld en schuldgevoel, slaafs, winti en ook opstandig gedrag.  

Edgar Cairo: Kollektieve schuld. Farmir'man-Sani. Baarn/ ’s-Gravenhage/ Brussel: Het Wereldvenster/ NOVIB/ NCOS, 1976. ISBN 90 293 9506 0

vrijdag 14 december 2012

De smaak van Sranan Libre

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De smaak van Sranan Libre van Edgar Cairo.

door Els Moor

Edgar Cairo

Hoe smaakt Sranan Libre? Volgens Edgar Cairo in de eerste plaats bitter. Zijn woede en verdriet na de Decembermoorden uit Cairo in zijn toen meteen snelgeschreven roman De smaak van Sranan Libre. Het verhaal speelt in Amsterdam en in Paramaribo. Een familie staat centraal met leden in Amsterdam en Paramaribo. Het Amsterdamse deel wordt verteld door ik-verteller Armand, met als dieptepunten zijn verdriet en woede vanwege de moord op zijn naar Suriname teruggekeerde broer Jusu (Jozef). Zo verscheurd als Cairo was door de Decembermoorden, zo verscheurd is ook het boek. Maar ondanks de onevenwichtigheid, enerzijds spanning, emoties en humor, anderzijds eindeloze niet binnen het verhaal functionele beweringen, moet het toch gelezen worden. Cairo heeft sterke uitspraken en de taal is van hier met soms sterke vondsten. Bovendien heeft het heel veel herkenbaars.

De 15 slachtoffers van de Decembermoorden


Het begint op 7 december met spanning: de familie heeft een voorgevoel dat er iets rampzaligs gaat gebeuren, gebaseerd op dromen en wintiverschijnselen. Bert, een ‘oom’, is ‘bonuman’. Armand zegt: ‘Hij weet alles van winti-dinges. Winti? Ja, die religie van ons, negers, die we uit Afrika als slaaf naar Suriname hebben gebracht’ (p. 15). Winti speelt een belangrijke rol in het verhaal.
Jusu was vol idealen naar Suriname teruggekeerd na 25 februari 1980. Hij geloofde in de ‘refolusie’ en wilde helpen het land op te bouwen, maar geleidelijk aan heeft hij door wat er allemaal gebeurt zijn geloof in de ‘revo’ verloren. Hij heeft dan ook niet voor niets de naam Jozef van Cairo gekregen: hij lijkt hierin op Jozef Slagveer, een der slachtoffers van de Decembermoorden.
Na een hoop spanning worden eindelijk de vermoedens van de familie bevestigd door een telefoontje uit Paramaribo van een andere oom, Frenkel. Nu weten ze het zeker: Jusu is een van de vermoorden. Mma Dina komt thuis van haar boodschappen en hoort het slechte nieuws van p’pa Kwa. Ze is radeloos, ze schreeuwt. Een van de buren zegt: ‘... Het is een pijnlijke zaak, dat wel. Maar reageert u toch beschaafd.’ ‘Beschaafd! Beschaafd! Wat fo k’ka beschaafd! roep ik (Armand). Waarmee ik aangeef dat beschaafd treuren ons echt geen reet kan schelen. [...] Ik wil huilen. Ik wil woedend zijn. Ik wil schreeuwen. Ik wil op een vreemde wijze lachen zelfs. Al die emosie! Iedereen is op een of andere wijze góéd verslagen, geknakt. Nu weet ik wat het is een bloedverwant die zo nabij is kwijt te zijn.’ (pp.42-43)

Als hij gekalmeerd is, kan hij de zaak weer van verschillende kanten bekijken. Over zijn vermoorde broer zegt hij ook: ‘[...] een wankelaar was hij, tenger lichamelijk en wankelbaar van geest, zeer vatbaar voor coupvirussen en machtsinfekties.’ (p. 119)

In Paramaribo is ook ‘Oom Frenkel’ een herkenbare figuur. Jusu woonde een tijdje bij hem. Twee zoons van ‘Oom Frenkel’ zijn in het leger. Jusu kreeg ruzie met een van ze, Carlos, die hem bedreigde met zijn geweer. Armand denkt na de dood van Jusu: ‘[...] Misschien, heel misschien, heeft Carlos in het peloton der moordenaars gestaan, denk ik. Maar dat is zaak van nu. Tóén al bleek, dat onder één dak, het onkruid van de revolutie zich in de gemoederen des huizes had genesteld, [...]’ (p. 73). ‘Oom Frenkel’ zelf is laf, angstig. Hij durft door de telefoon geen bijzonderheden te geven. ‘Het enigste wat Oom Frenkel kwijt wil, is dat Jozef is doodgeschoten. Door wie? Dat weet hij niet. Waarom? Dat kan hij niet zeggen. [...]’ (p. 54). Die angst om afgeluisterd te worden in die dagen, herinneren velen van ons zich nog, evenals het openmaken van post.

De smaak van Sranan Libre is een geëngageerde roman van een belangrijke Surinaamse auteur. Het heeft vijfentwintig jaar geduurd voordat hij werd uitgegeven, maar op 31 december 1982 en 2 en 3 januari 1983 werd de tekst als hoorspel uitgezonden door Radio Nederland Wereldomroep. Edgar Cairo zelf sprak de monoloog van Armand en Lydia Emanuels stond voor de samenstelling van de tekst en de regie. Tot slot het gedicht waarmee het boek begint:

Er is een drank waarmee
de onderdrukker proost zegt
na het lessen van bloeddorst
bij de moord op Surinames zonen.
Hij drinkt zijn rum met cola:
Cuba Libre.

Wij noemen het vergoten bloed:
Het Vrijheidsbloed van Suriname,
Sranan Libre,
omwille van de vrijheidsdrang
en uit respect voor alle leven.

Edgar Cairo: De smaak van Sranan Libre. Roman over het bloedbad van Paramaribo op 8 december 1982. Haarlem: In de Knipscheer, 2007. ISBN 978 90 6265 594 6

vrijdag 7 december 2012

Film over Edgar Cairo in De Pletterij

In 2010 overleed de Surinaamse schrijver Edgar Cairo in nagenoeg publieke anonimiteit op 52-jarige leeftijd aan een maagbloeding. Edgar Cairo, geroemd om zijn taalvirtuositeit en zijn bruisende optredens, publiceert in de ongeveer vijftien jaar van zijn actieve schrijverschap tot aan zijn psychose eind 1988 meer dan dertig romans, verhalen- en gedichtenbundels in het Sranantongo, het Surinaams-Nederlands en het Nederlands. Met zijn columns uit de Volkskrant en De Groene Amsterdammer krijgt hij een breed lezerspubliek. Pijn en schaamte over de koloniale geschiedenis van Nederland in Suriname overheerst in zijn leven en werk.

Het is beklemmend aanwezig in de documentaire Edgar Cairo: 'Ik ga dood om jullie hoofd' van Cindy Kerseborn. De film ging op 16 november 2010, de tiende sterfdag van Edgar Cairo, in première voor een publiek van genodigden.

Edgar Cairo: ‘Ik ga dood om jullie hoofd’ is donderdag 13 december 2012 te zien bij Cinema Club in de Pletterij. Regisseuse Cindy Kerseborn en uitgever Franc Knipscheer zijn aanwezig en geven toelichting en beantwoorden vragen.

Pletterij, Lange Herenvest 122, Haarlem Aanvang: 20.00 uur.
Toegang € 3,00, inclusief lidmaatschap.
Reserveren@pletterij.nl of 023 542 3540

woensdag 31 oktober 2012

Cairo-film in De Pletterij

In het najaarsprogramma van de Cinema Club van De Pletterij in Haarlem is op 13 december de film Edgar Cairo: "Ik ga dood om jullie hoofd" te zien. Pijn en schaamte over de koloniale geschiedenis van Nederland in Suriname. Dat overheerst in het leven en werk van schrijver en dichter Edgar Cairo (1948-2000). Het is beklemmend aanwezig in de documentaire over Edgar Cairo die Cindy Kerseborn maakte. 
Cindy Kerseborn. Foto © Michiel van Kempen

Op 22 mei 2011 werd een met 20 minuten ingekorte versie door de publieke omroep NTR uitgezonden bij Het uur van de wolf. Vanzelfsprekend krijgt u op deze avond de oorspronkelijke, lange versie van de film te zien.  Regisseuse Cindy Kerseborn en Franc Knipscheer (een van de geïnterviewden in de film) en uitgever van Edgar Cairo geven toelichting en beantwoorden vragen.

In samenwerking met uitgeverij In de Knipscheer.

Datum: 13 december 2011, aanvang 20.00uur  Cinema Club.
Adres: Lange Herenvest 122,  2011 BX Haarlem, Tel. 023 542 35 40
info@pletterij.nl   www.pletterij.nl
Toegang 3,00 euro   (inclusief lidmaatschap)

donderdag 25 oktober 2012

4e Srefidensi Puwema Dei



Op zondag 18 november 2012 organiseert de Evangelische Broeder- en Zustergemeente Rotterdam de vierde Srefidensi Puwema Dei. Centraal staan:

1) Fu memre Edgar Cairo “Dichter des Vaderlands”
 
2) Huldiging van de veelzijdige artieste Denise Jannah
Denise Jannah
  
Met medewerking van de dichters Orsine Walden, Astrid Maatsen-Banel, Marie Renfrum, Dichtersgroep Trifosa, Migarda Raphaela (uit Curaçao), Marius Atmoredjo, Rosita van Gom.

Muzikale optredens van Edgar Spa Muziekgroep, Edje Rust, Alfons Wielingen  en Eddy Assan
 
Plaats: Minstreelstraat 9 te Rotterdam (nabij NS Station Noord)
Entree 10,00 euro
Tijd: inloop: 13.30 uur, aanvang: 14.00 uur
 Info: Ruud: 0648404804, Wilgo: 0653395535, Ronny: 0611173469, Lucia 0631529086, Meriam : 0645096091

donderdag 19 april 2012

Edgar Cairo


Fotoportret van de Surinaamse schrijver Edgar Cairo door Nicolaas Porter. Nr. 2 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt.  De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar :
nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

zondag 29 januari 2012

Film Cairo in San Francisco

Op 2 februari wordt de film Edgar Cairo - Mi dede fu yu ede van cineaste Cindy Kerseborn vertoond in San Francisco. De avond wordt gehost door het Nederlands Consulaat in samenwerking met Brasa SF. De film wordt ingeleid door professor Jeroen de Wulf, Hoofd van de Afdeling Nederlands op de universiteit van Berkeley, waar de film in 2011 internationaal in première ging. De film gaat over de manier waarom Edgar Cairo pijn en schaamte over de koloniale geschiedenis van Nederland in Suriname tot uiting bracht. In de film belichamen het leven en werk van Edgar Cairo het zogeheten ‘negerverdriet’, dat hem uiteindelijk noodlottig werd. Edgar Cairo overleed elf jaar geleden.

Socioloog Bram de Swaan en cineaste Cindy Kerseborn in Berkeley, september 2011.
Foto © Michiel van Kempen

maandag 26 december 2011

Cairo's roman over de decembermoorden

door Ellen de Vries


‘Maar een ding weet ik: Sranan gaat niet rusten! Niet om geweld, maar om de liefde! Liefde, liefde, brandende liefde. Om liefde, vrijheid en respekt voor alle zonen, alle kinderen van één trutru en waardig Sranan. Dát is de smaak van Sranan Libre. Dát is de ware geest van ’t vrije, vrije Suriname!’
Dát schreef Edgar Cairo december 1982 naar aanleiding van de liquidatie van vijftien vermeende tegenstanders van het militaire regime in zijn rouwklacht De smaak van Sranan Libre, destijds uitgezonden als hoorspel. In 2007 – 25 jaar na de zogenoemde ‘decembermoorden’ van 1982 – verscheen het hoorspel als roman bij De Knipscheer. Het is niet het eerste boek van deze uitgeverij over de militaire staatsgreep en de ‘decembermoorden’.



In vier hoofdstukken schetst Cairo het relaas van een familie aan weerszijden van de oceaan, in Amsterdam en Paramaribo. Het verhaal begint op 7 december in Amsterdam. De ik-figuur, Armand, kan de slaap niet vatten. Als de ochtend gloort verschijnt zijn broer voor zijn geestesoog ‘bedekt met een massa aangekoekt bloed’. Armand schreeuwt het uit: ‘Help, mijn broer is dood, vermoord!’ De andere familieleden komen verschrikt aanrennen. De brief van zijn broer Jusu (Jozef) die de vorige dag arriveerde, vormt de aanleiding voor zijn droom. Jusu is na de revolutie naar Suriname vertrokken om het land te helpen opbouwen. Zijn ‘klinkende briefschrijfsels’ eindigen doorgaans optimistisch, maar de revolutie heeft rafelige randjes gekregen. De toon van zijn laatste brief is bezorgd en angstig: ‘P’pa Kwa en Mama Dina, groeten aan jullie en me broers. En aan al die mensen waarvan jullie weten dat ik die gekend heb. Ik heb dat rare gevoel dat ik… ach, laat maar! Jullie zien me heus wel terug.’ In de brief vertelt Jusu over de droom die híj heeft gehad over rookwolken en een oerwoudhoge, bloedrode golf. Winti-goden, bange voorgevoelens en voortekenen, spelen een grote rol in de roman. Als ppprrringgg… de telefoon gaat, is er bericht uit Paramaribo: Jusu is vermoord. De familie is verbijsterd. Wat er precies gebeurt is weten ze niet. Alleen dat hun zoon en broer is doodgeschoten. Er zijn branden geweest, horen ze via de radio. Executies. Later komen er verhalen los over martelingen. Armand huilt, huilt. In zijn hoofd nestelt zich de Kromanti, een hogere geest, die het zal opnemen tegen de Leba, de god die hier het kwaad symboliseert. Voor Armand doemt het beeld op van een duif die door aasvretende beesten wordt belaagd. ‘Zo wordt de Kromanti belaagd door Leba’s. (…) Zo wordt het wezen van onze vrijheid belaagd door de onheilskrachten van die moordenaars. De kromanti gaat winnen, je zal ’t zien.’

Verrassend is de korte passage waarin het perspectief wisselt en een sprong terug in de tijd wordt gemaakt. De verteller kruipt in de huid van ‘de majoor-opperbevelhebber-extra sergeant, tegelijk opperstinkdier en aanstaande dictator’ . Het is een paar weken voor de noodlottige gebeurtenissen. Ook de ‘aanstaande dictator’ kan niet slapen. Al weken niet. Boze dromen kwellen hem. Hij is verlamd door angst en paranoia. Hij heeft al een paar keer zijn uzi op zijn eigen schaduw leeggeschoten ‘En elke keer dat hij watert gaat hij zijn urine inspekteren. Om te kijken of hij niet iets vreemds te drinken heeft gekregen van zijn eigen ‘vrienden’. Of hij steekt zijn vinger aan zijn kak, ruikt en proeft zijn bilprodukt. Om te weten of hij toch niet ongemerkt vreemde dinges heeft gegeten.’ Voor de wandspiegel spreekt hij het volk toe. Hij somt op wat hij allemaal zal doen met zijn vijanden: met Daal, met de intellectuelen, de coupplegers en hun advocaten…’Professor, journalisten, student, alles. We rampeneren ze.’ Hij besluit zijn oratie met de woorden: ‘Kom uzi! We gaan slapen. Morgen is er weer een onderdrukkingsdag! Aaahh!’.

Cairo schetst hoe de ‘refolusie’ verdeeldheid zaait binnen families. In Paramaribo rukt oom Frenkel zich los uit een demonstratie al roepend, dat de vlag halfstok moet, dat het volk moet mogen rouwen. Zijn tweede zoon, neef van Armand en een overtuigd revolutionair, legt hem het zwijgen op. De roman eindigt met de constatering, dat Suriname niet zal gaan rusten voordat de vrijheid herwonnen is. Het vrije Suriname - Sranan Libre – is de ware geest van Suriname.
Het is de vraag hoe de in 2000 overleden Cairo zou terugkijken op zijn roman als hij wist dat Bouterse – in zijn roman aangeduid als ‘stinkdier met uzi’ – nu aan de macht is. Zoveel jaar na dato weten we – dankzij het decemberstrafproces dat in 2007 van start ging – meer over wat er werkelijk gebeurd is. Duidelijker is komen vast te staan dat de schietpartij niet in de nacht van 8 op 9, maar daarvóór plaatsvond. Het alibi van Bouterse is daardoor op losse schroeven komen te staan. Of Bouterse – zoals Cairo’s roman veronderstelt – de (enige) kwade genius was achter een weken van tevoren geplande liquidatie, is een van de zaken waarin de rechters hopelijk klaarheid brengen.
Michiel van Kempen merkte in een recensie eerder al op: ‘De roman vertoont alle sporen van haastwerk: rommelige opbouw, geen overtuigende karakters, weinig diepgang.’ Mee eens. Het grootste plezier heb ík beleefd – het treurige onderwerp ten spijt – aan de geestige formuleringen, de − soms platvloerse maar tegelijkertijd ook schrijnende − familietafereeltjes, de ritmiek, en speelsheid van Cairo’s taalgebruik: een mengeling van Surinaams-Nederlands, Sranan en eigen woordbrouwsels doorspekt met onomatopeeën. Toch lenen die zich naar mijn smaak misschien beter voor een orale vertelling dan voor een roman.


Edgar Cairo, De smaak van Sranan Libre; Roman over het bloedblad van Paramaribo op 8 december 1982. Haarlem: In de Knipscheer, 2007. 136 p., ISBN 978 90 6265 594 6, prijs € 13,50

[uit Oso, 2011, nr. 2]

zaterdag 17 december 2011

Edgar Cairo - Die bakra is gek!

'Die bakra is gek als ik-weet-nie wat! Die Hollander is gek ja! Hij’s pagla!’ Zo kon je horen roepen op Schiphol, daar bij kontrole-post van die douane. Ma’ wat was gebeurd zo dan?
Een doorsnee-achtige Surinamer! Hij was vakansie gaan eten toch! Ma’ nu, was hij terug aan ’t komen, met z’n oema, vrouw van ’em. Ze waren zon gaan vangen, zon, zon, zon! Aaj, mi boi! Zon die zo gedurig met je flonst: één en al zon-vrijaasje!
Douane draait z’n koffer, vindt geen nèks! Handtas gaat ondersteboven! Douane ziet: een fles tussen een hele hoop met dinges. Hoor douane:
‘Kunt u mij zeggen wat dit is?’ Douane weet al iets in ’t achterhoofd toch!
Hoor die vrouw no: ‘Is gemberbier!’ (Dan kijk d’r mond, net een kapa!)
‘Gemberbier? Aha! U bent gesnapt!’ Douane wou nu gaan bekeuren.
Bijna moest satan zelf, met z’n didibrigezicht, komen zeggen, dat ’t géén drank was met alkohol. Alleen een soort van gemberstroop! Afèn! Hij geeft ze nog een kans!: ‘En wat is dat?! Hasjkoek zeker!’ Z’n ogen vonken bijna met spanning.
‘Nee meneer! Nee meneer! Is pom! Pom ja! U weet toch? ’t Is gemaakt met tajer: zúlke grote wortelknol... dan schuur je ’t... dan zet je ’t in een oven laat ’t bakken!
Pom ja, netals roti van die hindoestanen of tjaw min.
Meneer, sommige hollanse mensen vinden ’t exótisch...!
Dan wát komt u zeggen: hasjies no? Chm!’
Hij liet ze gaan, met al hun tropenweelde aan ze! Toch vréémde Nederlanders, ondanks Hollans paspoort, no?

In: ‘Ik ga dood om jullie hoofd’, p. 61. Haarlem: Uitgeverij In de Knipscheer b.v., 1980

vrijdag 16 december 2011

Edgar Cairo: zijn we trotse hanen?

door Els Moor

Hanengevechten zijn nog populair in een aantal Latijns-Amerikaanse landen. Dat hangt sterk samen met het ‘machismo’. In het meesterlijke verhaal van Edgar Cairo, ‘De negerhaan’, is het omgekeerde aan de hand: schaamte, de neger die zich minderwaardig voelt ten opzichte van zijn Baas Eigenaar. Negerhaan is een loslopende haan op een erf vol huisjes van arme negers en vooraan het ‘blankenhuis’ van ‘Baas Eigenaar’. Die heeft een ren voor zijn kippen, waarin negerhaan weet door te dringen. Hij wil de kippetjes neuken en stuit natuurlijk op hun haan. Dat wordt een fors hanengevecht. Wie wint? Ja, negerhaan, twee keer zelfs. Hij staat er trots bij. Dan komt zijn negerbaas. Die draait hem de nek om voor het oog van ‘Baas Eigenaar’. In plaats van trots te zijn op zijn stoere machohaan schaamt hij zich. Dit verhaal speelt in het niet zo verre verleden met veel verwijzingen naar de slavernij, maar is nu ook nog herkenbaar wat vernederingen betreft die mensen worden aangedaan door ‘bazen’. Uit valse schaamte praten ze die dan naar de mond.

‘Negerverdriet’, bestaansverdriet, is een belangrijk thema in het proza van Edgar Cairo. In zijn meest bekende roman, Kollektieve schuld, ofte wel Famir’man-sani (1976) speelt het op een andere manier een rol. De centrale figuur in deze roman is Tant’-Lien, die haar familie afloopt om hen te winnen voor deelname aan en een financiële bijdrage voor een groot winti-evenement voor de hele familie in de Para. Dit vanwege de vele problemen en ziektes, vooral ook de situatie van haar oude moeder Marjana, het familiehoofd, die zwak is en nauwelijks meer ziet en hoort. Uiteindelijk, na veel dyugudyugu, bezwaren ook vanuit de christelijke familieleden, gaan ze, op een vrijdagmiddag, in een volkswagenbusje. Ze installeren zich op het terrein en langzaam maar zeker groeit de sfeer. Ze vertellen elkaar verhalen, Katibo! Sraften! Uit de slaventijd! Ze plegen magische handelingen, gebruiken kruiden, baden, zingen, dansen veel en fanatiek... en uiteindelijk mondt het uit in de wintiprei. Iedereen raakt in trance, ook de oude stammoeder Marjana. Ze danst, ziet weer, hoort weer en... sterft aan een hersenbloeding. Voor het gerecht worden de ‘schuldigen’ streng berecht door ‘Kroetoebakra´. Uiteraard is dat Ma Lien en ‘Ba Fransi, een polisieman in funktie!’ Een klassieke Surinaamse roman over de jaren zestig, toen winti streng verboden was. Met een thematiek vol identiteit en twijfel, creool zijn in een koloniale samenleving, beeldend en vol eigen humor.

Dit zijn twee voorbeelden van bestaansverdriet, negerverdriet, uit het gigantische werk van Edgar Cairo. Het thema dat in zijn totale oeuvre steeds weer op een andere manier terugkomt, niet beperkt tot Suriname. Cairo schreef ook Caraïbisch werk, een grote roman over Afrika en uiteraard over Nederland waar hij het grootste deel van zijn leven woonde. Altijd was hij bewust bezig met de taal die in zijn werk een geweldige rol speelt om het wezenlijke van Suriname, van de Surinaamse, vooral creoolse mens en de manier waarop die in het leven staat, weer te geven. Hij schreef ook veel poëzie. In 1984 kwam Lelu! Lelu! uit, de verzamelbundel, waarin Cairo zijn Sranan gedichten selecteerde en deels van nieuwe Nederlandse vertalingen voorzag. In de inleiding bespreekt hij op zijn eigen manier de Surinaamse literatuur en die van hemzelf. Cairo schreef ook drama en in Nederlandse kranten en weekbladen, vooral de Volkskrant, schreef hij columns, die gebundeld zijn. In 1980 verscheen bij In de Knipscheer ‘Ik ga dood om jullie hoofd’ (1980) met aan de sfeer aangepaste tekeningen van Noni Lichtveld en een jaar later ‘Als je hoofd is geboord’ waarin Cairo ook ingaat op de Surinaams-Nederlandse taalsituatie. Hij legt op de achterflap de titel uit: ‘Van iemand die slecht z´n dinges onthoudt, iemand die niet in de gaten heeft waar mensen ’t in een bepaalde kwestie over hebben, zegt men “zijn hoofd is geboord”, hij heeft als het ware een gat in z´n verstand.’

Behalve Kollektieve schuld wordt het werk van Cairo weinig gelezen. De taal van Cairo zal veel mensen die het Algemeen Nederlands in de koloniale tijd, maar ook nu nog, met de paplepel ingegoten kregen (en krijgen), onzeker maken.

De vraag die zich opdringt nu Edgar Cairo weer aandacht krijgt door de documentaire Ik ga dood om jullie hoofd van Cindy Kerseborn en activiteiten voor scholen, is: wat willen we met het werk van Edgar Cairo? Moet het niet veel meer onder de aandacht gebracht worden van leerlingen en studenten en daardoor ook een plaats krijgen binnen de ‘canon’ van de Surinaamse literatuur? Zeker! Het werk van Edgar Cairo is uniek. Het laat je het gewone Suriname echt meebeleven, het laat je op een creatieve, beeldende manier zien wat de koloniale, christelijke politiek met de eigenheid van Suriname gedaan heeft. Het laat je genieten van de eigenheid van gesproken taal in Suriname, die Cairo in een aantal werken nog op zijn manier heeft ‘aangedikt’ tot het Cairojaans. Cairo moet ingeburgerd worden in onze literatuur. Daartoe zijn al waardevolle stappen gezet, die tot voorbeeld kunnen dienen.

Van 28 maart tot 14 april 1998 werd in Theater Unique het toneelstuk Yorkafowru, Elzaro en de Doodsboodschapsvogel gespeeld door het ‘Theatercollectief’, in een verkorte bewerking van Sharda Ganga. Zij had ook de regie. Het stuk dat door Cairo geschreven werd voor een cast van vijftien man, werd door Sharda, met toestemming van de auteur, teruggebracht tot slechts twee acteurs, Felix Burleson en Clinton Kaersenhout. Het resultaat van de veranderingen was een stuk dat veel succes had hier en in Nederland. Edgar Cairo zag het in Amsterdam en Sharda herinnert zich nu nog dat hij er heel gelukkig mee was. Ook dit stuk is geschreven vanuit het winti-denken en ook hier zien we een worsteling met het koloniale verleden. Elzaro is een ‘ongeboren vrucht’ op weg om als mens op de wereld te komen. Hij ontmoet Yorkafowru, de geestenvogel. Die heeft de taak de ongeborene bewust te maken en identiteit te geven. Elzaro leert kijken naar de wereld, naar het leven met alle misstanden die daarbij horen, ook wat betreft het koloniale Surinamer zijn.

Een tweede ‘Cairo-hoogtepunt’ hier in Suriname was het Edgar Cairo-project van de MO-B-opleiding van het IOL in maart 2001. Cairo was toen al ruim een jaar overleden. Enkele weken lang werd er een middag per week tijdens de lestijd aandacht besteed aan Edgar Cairo. Docenten gaven college over zijn werk, en studenten (zelf docenten op vos-scholen). Het moest eenvoudig en boeiend zijn, want klassen van vos-scholen, vooral uit die van Lelydorp, participeerden. De doelstelling van het project was dan ook: het werk van Cairo naar de scholen brengen. Die doelstelling moet weer opgepakt worden en uitgevoerd! Leerlingen hebben veel plezier in het werk van Cairo, bleek toen, als het op een creatieve manier gebracht wordt. Door bezig te zijn met Cairo’s proza, poëzie en drama ga je het eigene meer waarderen en vooral de klankrijkdom, de bondigheid en geweldige humor van het Surinaams-Nederlands, dat Cairo opvoerde tot ‘zijn eigen ding’. Dan zijn we trotse hanen die zich niet de nek laten omdraaien. ‘Baas Eigenaar’ kan zelf stikken!

Achtergrondliteratuur: Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur’(2003) van Michiel van Kempen bevat alle informatie over Edgar Cairo’s totale werk en een beschrijving van zijn leven.

maandag 7 november 2011

Jesi!! Jes’ mi no?! Literaire avond over Edgar Cairo

Powisi. Foto © Jeff Grabert
Schrijversgroep '77 in samenwerking met Stichting Cimaké Foundation (Cindy Kerseborn), NAKS (Na Afrikan Kulturu fu Sranan) en studenten van de opleiding Nederlands van het Instituut voor de Opleiding van Leraren, nodigt u uit voor een gevarieerde avond over Edgar Cairo.
Edgar Cairo (1948-2000) was een gedreven schrijver, die vooral opviel door zijn authentiek taalgebruik (het Cairojaans) en zijn strijd voor waardering van het Creoolse eigene. Hij schreef gedichten, een tiental boeken, enkele toneelstukken en talloze columns.

Programma:
19.00 - 20.00u Inloop
Cindy Kerseborn op de borst van Adriaan van Dis in Berkeley,
Foto @ Sanne Landvreugd
20.00 - Geluidsfragment 'Faladan Banja' van Cairo
20.05 - Welkom door conferencier Ismene Krishnadath
20.10 - Prozavoordracht door Andy Plak
20. 20 - Slides
20. 30 - Creatief omgaan met Cairo / Studenten IOL
20.40 – Geluidsfragment Toe Moi Powisi
20.45 - Pauze
21.00 - Voordrachten Celestine Raalte
21.10 - Geluidsfragment Jesi!! Jes' mi no?!
21.15 - Meningen over Cairo / talkshow
21.45 - Optreden NAKS
22.00 - Sluiting/nababbel

Datum: donderdag 17 november 2011
Locatie: Tori Oso, Frederick Derbystraat 76, Paramaribo
Entr''ee volgens Cairo''s normen: 500 us $

"Ik wil Cairo uit de vergetelheid halen"

Cindy Kerseborn maakt met Edgar Cairo: Ik ga dood om jullie hoofd, haar eerste lange documentaire als regisseur. De documentaire gaat over de van oorsprong Surinaamse schrijver Edgar Cairo die tien jaar geleden overleed. Cairo (1948-2000) kwam meteen na zijn middelbare school naar Nederland en heeft er gewoond tot aan zijn dood. Hij werd bekend vooral vanwege zijn taalexperimenten met het Surinaams–Nederlands en het Sranantongo die tenslotte hebben geleid tot een eigen taalvariant, namelijk het ‘Cairojaans’. Cairo was enige tijd columnist voor de Volkskrant.

Kun je ons iets meer vertellen over Edgar Cairo?

Edgar Cairo was een schrijver, columnist, performer en schilder. Hij presenteerde zich provocatief als Surinaamse creool, rakelde alle tragiek en ambivalentie van het nog zo recente koloniaal verleden op èn alle ambivalentie en tragiek van die eerste omvangrijke generatie van immigranten: hij noemde dat ‘het negerverdriet’ en dat blijkt achteraf het hoofdthema van zijn oeuvre. In dat alles lag hij dwars en zocht de controverse (waarin hij impliciet aansloot bij een zeer Nederlandse literaire traditie). Dat deed hij ook nog eens in een vindingrijk, veelkleurig idioom, dat indertijd door velen voor koeterwaals versleten werd, maar dat nu onmiskenbaar de eerste neerslag in schrift blijkt te zijn van de Surinaams-Nederlandse volkstaal in de varianten die nu in Suriname en Nederland gesproken worden. In zijn laatste levensjaren wijdde Cairo zich geheel aan het schilderen. Zijn oeuvre is tot nog toe slechts bij insiders bekend en gewaardeerd. Ik hoop van harte dat het nú gaat veranderen.
Als Surinaams-Nederlandse heb ik Cairo tijdens zijn leven van nabij gevolgd. Vandaar ook dat ik het initiatief tot dit project: De culturele nalatenschap van Edgar Cairo [1948-2000] heb genomen.


[Lees verder in Oerdigitaalvrouwenblad]