Posts tonen met het label Marrenga Menno. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Marrenga Menno. Alle posts tonen

woensdag 17 oktober 2012

Saamaka: Kennismaken

door Menno Marrenga     

saamaka1.jpgMenno Marrenga woont al tientallen jaren langs de Boven-Surinamerivier. Hij deelt zijn belevenissen met de lezers.
 
Het was warm en ik moest nog ver. Daarom legde ik mijn korjaal op de zandplaat achter het eiland. Ik baadde en maakte eten klaar: kwak met zout, gemakkelijk voedsel voor lange reizen. Toen kwamen twee jongetjes, wadend vanaf het eiland, uit het dorp daarachter. In dat dorp is een ondernemer die het zonder mijn hulp goed doet, dus ik kom er wel eens, maar niet vaak. De jongens wisten wie ik was, ik zal hen vast wel eens hebben gezien, maar er zijn zo veel van, dat ik ze niet herkende. Ze groetten beleefd en vroegen toen of ik kinderen boeleer.
Ik heb afgeleerd om in Saamaka lollige antwoorden te geven op vreemde vragen. Toen ik net zo oud was, zongen wij ook kindalokka tegen elke vreemdeling, tenzij die Chinees was want dan zongen we pindalekka. Daarom antwoordde ik serieus: “nee, ik boeleer geen kinderen.” Toen was het goed. En kwak lustten ze ook, alleen liever met suiker, maar dat had ik niet.
Even later kwamen twee grote jongens. Zij waren het die gezegd hadden dat ik kinderen boeleer, klikten de twee kleintjes. En inderdaad, de groten droegen onderbroeken, waren van de leeftijd waarop jongens preuts worden en gaan vuilbekken - dat gaat samen. Toen zij klein waren, vertelden hun grote broers dat ik kinderen opat, maar de mode verandert: kannibalisme is passé, pedofilie is in.
Ze groetten beleefd en lustten ook kwak. We converseerden: inderdaad, het blijft droog. Gisteren hadden ze een anaconda gezien, de vis wilde niet bijten en ze hadden al honderd wijven geneukt, die twee. Ik feliciteerde hen met die prestatie: dat is niet mis, dat doe ik jullie niet na. “Kan je voetballen?” vroegen ze toen. Dat kon ik niet. “Achterover koppeltje duikelen?” Ook al niet. “Wat kan je dan wel?”
Bij mannetjes, groot en klein, is de plaats in de pikorde belangrijk. Zolang die niet duidelijk is, is sociaal contact maar beperkt mogelijk. Nu ben ik ouder, groter en blanker, dus rijker en geleerder. Zelfs zonder honderd wijven te neuken, voetballen en achterover koppeltjeduikelen hoor ik boven in de pikorde. Vind ik. Maar zij twijfelden nog, hadden extra bewijs nodig. Wel, dat kunnen ze krijgen. saamaka2.jpg“Ik kan rennen,” antwoordde ik, want dat imponeert toch meer dan fluit spelen of differentiaalvergelijkingen oplossen. En al ben ik bijna zestig, ik heb langere benen en meer uithoudingsvermogen en als de zandplaat maar groot en rul genoeg is, telt dat. Ze namen de uitdaging aan en renden direct weg. En toen pas realiseerde ik me het gevaar. Want er was geen startlijn, ze wachtten niet op een startschot of zo, ze renden gewoon weg en ik moest erachteraan: het werd geen hardloopwedstrijd maar een soort tikkertje. En tikkertje met onbekende kinderen is link. Er hoeft maar zo’n knaapje de dreunende stappen en het gehijg van een reuzenkannibaal steeds dichter bij te horen komen, even te vergeten dat het spel is en te gaan gillen - dan slaat de paniek direct over op de hele groep en binnen het uur gaat het verhaal het dorp door dat ik getracht heb een jongetje te vangen om op te eten of te boeleren. Je weet het toch maar nooit met die blanken. Daarom sprintte ik zo snel mogelijk de kleintjes voorbij en ging achter die van de honderd wijven aan, zo’n mannetjesputter raakt vast niet in paniek. Toen ik die had afgetikt, koos ik de op een na grootste, en toen de kleintjes aan de beurt waren, verklaarde ik me uitgeput - en dat waren zij toen allemaal ook. Maar ik was de kleintjes ruimschoots voorbij gesprint, de verhoudingen waren nu duidelijk en daar ging het om. De pikorde is vastgesteld en de volgende keer dat ik in het dorp kom, heb ik vier gidsen, die alle vier mijn tas moeten dragen en mijn hand moeten vasthouden om de anderen te tonen dat zij niet meer bang voor me zijn.

[uit Parbode, 1 juni 2012]

donderdag 3 februari 2011

Saamaka

door Menno Marrenga

Het valt niet mee de illustratie bij deze column te maken. Ik behelp me met tekeningen want foto’s werken niet. Meestal gaat het om beelden die ik me herinner van uren, dagen, weken geleden. Want zo lang duurt het voordat ik in de gaten heb waar de vertellingen in zitten. Maar dit keer had ik geluk. De kinderen hadden zelf getekend, potlood en papier had ik nog niet opgeborgen, dus toen Etto bij het vuur hurkte, kreeg ik bijna zes seconden lang de kans om de essentiële lijnen te schetsen voor hij opstond. Later kostte het wel twee uur om die schets uit te werken, maar dat geeft niet.

Koosoo, die met die pan, moest ik helemaal uit het geheugen reconstrueren. Hij hield die pan toen heel onhandig in de waterpomptang geklemd, maar hoe ook al weer precies? Hoe hield hij zijn andere hand, hoe was de gewichtsverdeling over zijn benen, waar zit precies die knik in een bukkende negerrug en hoe zien die karakteristieke Saamaka-platvoeten er uit? Ik heb wel een goed beeldgeheugen, maar voldoende fotografisch voor al dit soort details is het niet. En dat is aan mijn tekeningen te zien. Mijn verontschuldiging.

Deze tekening is een collage en het derde jongetje heb ik wel op mijn gemak kunnen uittekenen. Dat kwam zo. Ik had al zo vaak gemopperd dat mijn tafeltje geen hakblok is. Maar meubels, dat snappen ze niet. Kennen ze niet. Hebben ze thuis niet. Het tafeltje zat toch al onder de blutsen en bijlslagen want sedert de kinderen ook dit kampje ontdekt hebben als speelplaats, is er geen redden meer aan. Dus liet ik hem zijn gang maar gaan en tekende hem uit.
Hij was een speelgoedbootje aan het maken van een maripabladnerf, een cadeautje voor mij. Die motoriek: stijve pols, de slag van het kapmes wordt opgebouwd vanuit de schouder. En die zithouding, ook prachtig. Ik schetste dat allemaal in zacht potlood. In zacht potlood komen tekeningen op als foto’s in een ontwikkelbad. En toen Koosoo, die over mijn schouder mee keek, het begon te herkennen, werd hij gewaarschuwd en hij kwam kijken.
“Waarom teken je mij?”
“Omdat je mijn tafeltje molt.”
Dat maakte indruk. Een pak slaag, dat zou een logische straf zijn. Maar een tekening?
“Wat ga je met die tekening doen?”
“Publiceren. In Parbode. Dan zien alle mensen in de stad hoe jij mijn tafeltje molt.”
Dat maakt indruk – waarom zou ik daar geen gebruik van maken? Tenslotte worden ministers ook in Parbode te schande gezet als die weer eens iets stouts doen, en misschien werkt het nu wel.

Gezichten, vooral kindergezichten, hebben zacht potlood nodig. Als ik mijn potloodschetsen uitwerk in Oost-Indische inkt en invul met platte computerkleuren verdwijnen nuances. Dat moet ook; daarom heb ik deze stijl gekozen. Want ik vraag nooit toestemming voor publicatie, de geportretteerden hebben dus recht op anonimiteit. Maar dit jongetje niet, want hij molde mijn tafeltje. Om het er goed in te wrijven, gebruik ik de rest van de middag om zijn persoonlijkheid niet alleen te vangen in zijn houding, maar ook in die vijf lijntjes van niet meer dan een millimeter die deze tekenstijl me toestaat voor zijn gezicht.

Hij molt mijn tafeltje al lang niet meer, maar elke keer als hij me ziet tekenen slaat hij schuldbewust zijn ogen neer. En als later Koosoo die beroete pan op mijn tafeltje wil zetten, is hij het die mijn tafeltje redt.
“Man! Weet je niet dat dit Menno’s leestafeltje is? En dat hij niet wil dat jij daar een vuile pan op zet? Leg er iets onder. Hier.” En zorgzaam pakt hij het boek dat ik had weggelegd om te voorkomen dat de kinderen ook dat vernielen, en hij schuift het onder de pan. Soms denk ik dat ze het toch wel goed bedoelen maar gewoon te levenslustig zijn voor mijn mooie spulletjes. En William Saroyan zou het vast ook waarderen dat zijn prachtige verhaal Three swimmers and the educated grocer nu is bekroond met een kring van vettig roet.

[overgenomen van Parbode, 27 januari 2011]

Menno Marrenga leeft onder de Saramakaners aan de Boven-Suriname waar hij jongeren technische trainingen geeft. Hij beweegt zich van daar naar Paramaribo per korjaal en zelfgebouwde fiets.