Posts tonen met het label nationalisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label nationalisme. Alle posts tonen

vrijdag 3 januari 2014

Carry-Ann Tjong-Ayong - Osopasi

Mijn land mijn land zit in mijn bloed
Stuwt door mijn aderen
Kookt in mijn hart
Klopt zo gestadig met een ritme
Dat mijn voeten dansen doet
Al loop ik jarenlang niet meer
Dat mij doet lachen op de markt naar
Koopvrouw die mij frisse groente biedt
Naar koopman die een verse vis
Op handen weegt en zegt : “Die wacht op U!”
Mijn land is als het kind dat lachend
Naar de vogels kijkt en naar ze wuift
Als zij weer opvliegen
Mijn land is twintig honden die in koor
een rondje blaffen door de stad
het is de oude tamarindeboom die kromgegroeid
nog schaduw biedt
het is de fayalobi struik, die bloedrood liefde druipt
mijn land is gouden zon en blauwe lucht
en grijze regenruis en milde vlucht
mijn land is kinderlach en ouderzucht
mijn land is levenslust en lief en leed
mijn land is alles wat je nooit vergeet....


Osopasi. Foto © Carry-Ann Tjong-Ayong

zondag 1 december 2013

Archief Boeli van Leeuwen

door Brede Kristensen
  
Kortgeleden stelde Robert van Buiren in een ingezonden stuk dat de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen ‘vanzelfsprekend op Curaçao thuishoort’. Dat lijkt mij ook. Deze dagen heb ik gemerkt (mijn mailadres werd erbij vermeld) dat een onverwacht groot aantal mensen hierop instemmend via mail, telefoon en ingezonden stukken heeft gereageerd. 

Geboortehuis van Boeli van Leeuwen, Casa Blanca, op Curaçao.
Foto C.H.A. Uit: Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud.

Kennelijk leeft dit onder de mensen. Natuurlijk heeft de familie het volste recht ermee te doen wat ze wil en adviseurs en bemiddelaars in de arm te nemen die haar daarin willen bijstaan. Inmiddels begrijp ik dat ook Boeli zelf het geen slecht idee vond dat zijn literaire nalatenschap in het Letterkundig Museum van Den Haag zou worden gedeponeerd. Dat betekent echter niet dat het publiek er verder niets mee te maken heeft.
Ooit heeft Boeli besloten met zijn literaire werk naar buiten te treden. Zijn romans werden gepubliceerd, gelezen en gewaardeerd. Zo is hij een publieke figuur geworden, deel van de Curaçaose culturele en literaire historie. Een persoon waar Curaçao terecht trots op is. Zijn romans zijn tot op de dag van vandaag een bron van inspiratie, reflectie en bewustwording voor zeer veel mensen hier. Tegen die achtergrond is het ongewenst dat het archief van een zo belangrijk schrijver naar het buitenland verdwijnt.

Nota bene is Curaçao bezig iets aan 'natievorming' te doen. Curaçao moet alles in het werk stellen hier een eigen Letterkundig Museum op te richten dat aandacht schenkt aan de uitzonderlijk grote letterkundige productie van Curaçao met zijn 130.000 inwoners (Cola Debrot, Pierre Lauffer, Charles Corsen, Louis Daal, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen, Elis Juliana en dan de vele schrijvers en dichters nog in leven) Dat bij gebrek aan een goed onderkomen het archief van Boeli van Leeuwen in bruikleen wordt gegeven aan een museum in Den Haag, is als tijdelijke oplossing oké.
Maar het is in het Curaçaose publieke belang dat duidelijke afspraken worden gemaakt dat het archief teruggaat naar Curaçao zodra het hier beheerd kan worden. Indien de familie en hun adviseurs het daarmee niet eens zijn, dan zij het zo. Op zijn beurt heeft het publiek het volste recht te laten weten dit zeer te betreuren en de familie te verzoeken het besluit nog eens kritisch onder de loep te nemen. Het argument van de adviseurs dat het archief in Nederland voor meer mensen toegankelijk is, slaat nergens op. 

Klein Kwartier, Curaçao, 1929. Uiterst rechts in matrozenpakje Boeli.
Foto Japa Beaujon

Ook op Curaçao wonen mensen die het archief willen inzien en van Nederlanders, die massaal naar Curaçao reizen voor een straaltje zonlicht, mag verwacht worden dat ze die reis ook willen maken om zich door dit archief te laten voorlichten. Dan de vraag of alle archieven van in het Nederlands schrijvende auteurs in Nederland thuishoren. Dit argument riekt naar inhaligheid. Wat is het meest wezenlijk van waarde? Het werk en de persoon inhoudelijk gezien, of de taal waarin de persoon zich uitdrukt? Mij dunkt het eerste. 

In Nederland is Boeli vrijwel onbekend. Hier is hij een begrip. Daarbij komt dat de geschiedenis van Curaçao moeilijk kan worden los gezien van het Nederlands dat eeuwenlang als belangrijke taal werd gesproken. Overigens denk ik dat het Letterkundig Museum in Den Haag begrip ervoor heeft dat de nalatenschap van een Curaçaos schrijver op Curaçao thuishoort. In Nederland wordt alles gedaan om archieven van bekende schilders en schrijvers vanuit het buitenland naar Nederland terug te halen. Ik neem aan dat niet met twee maten wordt gemeten.

[uit Antilliaans Dagblad, 29 november 2013]


woensdag 20 november 2013

Boek moet discussie rond natievorming aanwakkeren

door Tascha Samuel

Paramaribo - Volgens Wim Bakker, huisarts en gewezen parlementariër, moeten discussies over natievorming weer op gang komen in samenhang met vele bestuurlijke onderwerpen. Vandaar de uitgave van zijn nieuwe boek Srefidensi, de kunst van het goede leven in Suriname. Vanwege de weinige vrije tijd waarover Bakker beschikt, heeft het ruim vier jaren geduurd om de tekst geschreven, geredigeerd en uiteindelijk geprint te krijgen. Het boek beslaat 160 pagina's en wordt morgen in Tori Oso gepresenteerd om 20.00 uur.

Assimileren
Bakker wil meer dan zijn voorgangers Frank Essed en Jnan Adhin, die op weg naar de Onafhankelijkheid hele discussies aanwakkerden over het onderwerp, het thema verder uitdiepen. "Het is een boek dat gaat over de pedagogiek en politiek van natievorming." Bakker meent dat de totale integratie van bevolkingsgroepen niet optimaal is. Zo vertelt hij dat de discussies over het onderwerp in de jaren zestig en zeventig hebben geleid tot de 'eenheid in verscheidenheid' gedachte. "Maar er was ook een andere stroming die meende dat alle culturen zich moesten assimileren tot een nationaal geheel. Men denkt dat het naast elkaar dansen van de groepen op een podium hét is. Maar dat is oppervlakkig en verdoezelt de werkelijke problematiek van dit land," zegt Bakker.

Beleid
In het boek heeft de arts drie hoofdvraagstukken aan de kaak gesteld. "Natievorming heeft allereerst te maken met zaken die zich afspelen in het eigen woongebied, de eigen volksontwikkeling en ten derde natievorming in de context van de inrichting van ons bestuur." Wat dat betreft zou er geen consensus zijn en geen duidelijk beeld waar we als natie naartoe willen gaan. "We volgen een beleid dat is uitgezet sinds de jaren zestig," geeft de arts scherp aan.

Alle visies
Hij stelt dat er ook te weinig wordt geïnvesteerd in de mens. Als er wordt gesproken over investering gaat het veelal om de grondstoffen uit de grond halen en bomen omhakken. Daarbij verwijst hij direct naar de volksontwikkeling. "Wat willen we met ons onderwijs. Niemand schijnt goed te weten waar het naartoe moet. We modderen er maar wat aan. Wat willen we zijn in de wereld? Wat is de functie van onze natie binnen het heel bestel van natiën?" vraagt Bakker zich af. Hij begrijpt dat met debatteren over natievorming alleen, niet alles in één keer opgelost zal worden. Maar hij gelooft wel dat via gedachteuitwisseling alle visies gehoord kunnen worden en daaruit kan mogelijk een oplossing komen. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat de politiek welwillend is en dat het volk daar ook zijn bijdrage levert.



[uit de Ware Tijd, 19/11/2013]

donderdag 1 augustus 2013

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (5 en slot)

door Willem van Lit
Odalys Garcia, Venezolaanse soapactrice

Latino … of niet?
Een ander fenomeen dat ik niet heb besproken in Cariben is de invloed van de Latino leefstijl. Venezuela en Colombia zijn immers vlakbij. Deze leefstijl manifesteert zich op allerlei vlak en sommigen vinden dat het zichtbaar is in de verhoudingen in de samenleving: op politiek vlak bijvoorbeeld de flamboyante sterke leider, het machismo en het hechte familieleven met hevig schommelende sentimenten en humeuren. Ik kan er te weinig van zeggen omdat ik onvoldoende weet van wat een dergelijk manier van leven precies betekent. (Op Venezolaanse tv-zenders zag men zowat dagelijks de soaps voorbij komen, waarbij toch wel om de twee of drie minuten tranen vloeiden, waarbij de ogen en het gezicht in close-up genomen letterlijk dropen van het tranenwater). Bij ons laatste bezoek op Curaçao viel in elk geval op dat er relatief veel Spaanssprekende mensen op het eiland waren. Opmerkelijk. Meer dan voorheen, maar dat was niet meer dan een eerste indruk. We hebben het niet geturfd.

Toch lijkt me dat men het belang van die Latino leefwijze op de eilanden niet moet overdrijven of er teveel naar moet verwijzen. De eilanden zijn sowieso een multicultureel reuzenrad met enorm veel invloeden van diverse nationaliteiten, talen, huidskleuren, volkeren en (deel)gemeenschappen met eigen culturele aardigheden en uitdrukkingen, allemaal met eigen patronen van samenleven, opvattingen, tinten, tonen, klanken, ritmes en ideeën. Maar dat neemt niet weg dat het Zuid-Amerikaanse land dichtbij is.

Curaçao. Foto © Bea Moedt

Enkelen willen zich erkend zien in die leefstijl; soms wordt er nadrukkelijk mee geflirt, zoals in de gevallen dat men vindt dat Nederland zich weer eens koloniaal naar voren dringt. Dan is het weer een melodie waar zindering uit klinkt: “pas op…”! het is een beetje hetzelfde als Nederlanders in een paar gevallen willen flirten met Britse, Duitse of zelfs Amerikaanse geest en het Engels om de halve zin door hun gezegdes heen vlechten. In die zin is men dan ook onecht op zoek naar niet bestaande hechting aan een geïdealiseerd waarden- of cultuursysteem. In kringen van zakendoen, bedrijfskunde of bij personeelsafdelingen zit het ordinaire gehijg in Engelse begrippen en uitleg er nogal eens in.

Wel lijkt op de eilanden de georganiseerde criminaliteit op een Latijns-Amerikaans fenomeen. Het heeft dan trekken van verderfelijke import met sentimentele meedogenloosheid. Het vertoont soms voorbeeldige sluwheid, waarvoor sommigen heimelijk bewondering hebben. Het uiterlijk lijkt misdadig heroïek met keiharde flair als rebellie tegen een vermeend gevestigde autoriteit, het steil en mat Europees moralisme. Maar misschien mag ik dat niet schrijven.
Schooljeugd van Aruba, jaren '60

Deugden en zonden
In hoofdstuk 5 van Cariben voer ik vier van de zeven hoofdzonden op, die ik als psycho- en sociodynamische krachten tegenover elkaar plaats om de complexe tegenstellingen in de Caribische samenleving beter te laten begrijpen. Het gaat dan om arrogantie en schraapzucht (van Europese oorsprong) tegenover afgunst en woede (het Afrikaanse complex). Het is in dit verband niet vreemd dat juist Frans Kerklaan – hij is vlootaalmoezenier – mij erop wijst dat er ook zeven deugden zijn als tegenhanger van de hoofdzonden. Geloof, hoop en liefde zijn de Christelijke deugden. Iedereen kent ze wel: het kruis, het anker en het hart. Fides, spes en caritas. Caritas, ja, niet amor of eros voor de liefde. Het gaat om de Christelijke naastenliefde, door velen ook tolerantie genoemd. Tja, en ik heb in Cariben nu juist betoogd dat naastenliefde geen tolerantie kán heten (Cariben, pag. 322 – 328). Naast deze zijn er nog vier wereldlijke of kardinale deugden: wijsheid of verstandigheid (prudentia), de rechtvaardigheid of rechtschapenheid (iustitia), de gematigdheid of zelfbeheersing (temperantia) en de moed of vastberadenheid (fortitudo). (Dergelijke kennis haal je dezer dagen zó van het wereldwijd web; dat is wel zo handig).

Bonaire


Hoewel ik in Cariben op diverse plekken wel iets hierover zeg, heb ik ze niet tegenover de hoofdzonden geplaatst of ze direct in combinatie daarmee besproken. Ik weet niet of dit een gemis is. Rechtvaardigheid heb ik besproken in relatie tot de uiteenzetting over de gesloten en de open samenleving (pag. 234 – 236). Ik heb toen uitgelegd dat rechtvaardigheid in een collectivistische samenleving slechts een beperkte betekenis kan hebben of heeft. Moed of vastberadenheid is de positieve kant van de thymos (onder andere pag. 303 -305). Ik heb dit opgeschreven als vervolg op het idee van het beoefenen van gematigdheid en wijsheid (pag. 300 – 303) en voorts in samenhang tot de ontwikkeling van mijn begrip over het dynamische vermogen van verdraagzaamheid.  In die zin heb ik in hoofdstuk 6 oog gehad voor de menselijke deugden. Ik realiseer me dat het voornamelijk draait om de zogeheten vier kardinale deugden.
Waaibrug Curaçao

De essentie van de lege huls
Zoals de lezer – ook die van mijn boek – al wel heeft begrepen, vind ik de ontmanteling van het land Antillen om verschillende redenen een vergissing. Ik heb dat in Cariben uitgebreid besproken. Velen (en ikzelf ook) vragen zich mogelijk in stilte nog steeds af of het nodig was en wat nu exact de bedoeling is geweest. Welk meesterlijk plan of opzet zat erachter? Wat is het geniale van deze ingreep. Als ik Van Beetz lees, dan kom ik er ook niet achter. Er worden dingen gezegd dat het efficiënter zou zijn voor het bestuur als de dubbele bestuurslaag eraf zou zijn. Men zou ook af zijn van de voortdurende onderlinge ruzies en het gekrakeel. Het zou de samenhorigheid en de dialoog tussen de eilanden bevorderen (Van Beetz pag. 89). Het land Antillen heeft zich nooit ontwikkeld tot één natie. Men kan met een schone lei beginnen (financieel) (Van Beetz, pag. 146). Men zou kunnen werken aan een betere situatie voor het volk. Dit soort doelstellingen is veelal halfslachtig en uitgesproken als wensen in soms een voorwaardelijke vorm. En die voorwaardelijkheid zou dan geleverd moeten worden door Nederland met het wegwerken van de schuldenlast in een nieuwe versplinterde situatie. Hoewel aanvankelijk veel weerstand was tegen het voorstel van werkgroep Jesurun (rapport van het najaar van 2004), was het toch het moment en de basis waarop die deconstructie is begonnen (Van Beetz pag. 98 – 99). Volgens de werkgroep zou door het verdwijnen van de bestuurslaag dit kunnen leiden tot betere normen voor goed bestuur, verbetering van de openbare financiën en verbeterde rechtshandhaving. De weerstand was om diverse redenen stug en massaal. Ook Nederland zag het niet zitten, omdat men vreesde te maken te krijgen met versplinterde verhoudingen. Maar de geest was uit de fles. Het hele proces is met horten en stoten gegaan, waarbij vooral op Curaçao de scheiding der geesten tot soms onwerkbare situaties heeft geleid (zoals vijf nieuwe bestuurscolleges in drie jaar). De polarisatie nam groteske vormen aan zoals Van Beetz geregeld beschrijft.

...een lege natie...

Het belangrijkste bezwaar is het volgende. Als we naar de bedoelingen kijken, die veelal halfslachtig zijn geformuleerd, dan kunnen we ook constateren dat ze verdedigend van aard zijn of ze zijn zogenaamd iteratief gesteld zonder een duidelijk te bereiken eindsituatie: het opheffen van, het wegwerken van, het bevorderen van, het vermijden van e.d. Een heldere visie en een daarop gebaseerd plan ontbreekt. In het boek van Van Beetz komt dit ook geregeld naar voren. Onder andere van Van Kappen (Eerste Kamer) verzucht dit met de vraag of iemand duidelijk kan maken wat de essentie is van een gezamenlijk koninkrijk en hij suggereert terecht dat een samenhangend idee ontbreekt (Van Beetz pag. 172). Van Raak (2e kamer) constateert enigszins wrang dat de armoede en de slechte zorg voor de jeugd niet wordt opgelost. Geen vooruitgang (Van Beetz pag 281 – 282). De laatste premier van de Antillen, mevrouw De Jong – Elhage zegt in de opheffingstoespraak van het land Antillen in september 2010 dat men vanaf 10 oktober kan gaan bouwen aan een nieuw perspectief (Van Beetz pag. 303), maar er is nog geen splinter, geen scherf van een inhoudelijk plan. Ik heb dat thema al in 2009 in mijn eerste boek De Caribische eilanden: het alternatief uitgewerkt, waarbij ik heb gepleit voor een integraal inhoudelijk plan voor de Antillen. Mijn voorstel was toen een samenhangend plan op tien beleidsterreinen van armoedebestrijding, ontwikkeling van jeugd en jongeren, onderwijs, milieu, democratie, enz… (hoofdstuk 4 ‘Caribische eilanden: het alternatief’). Men heeft ruim vijf jaar de tijd gehad om aan een dergelijk plan te werken. Er is niets van de grond gekomen; men heeft daarentegen aan afbraak gedaan.
Zonsondergang Curaçao


De werkelijke reden van de deconstructie was eenvoudigweg dit: voornamelijk Curaçao en St. Maarten hebben gevochten voor een zo groot mogelijke autonomie zonder rekening te houden met anderen, opportunistisch en wrokkig (Van Beetz pag. 119). Dat was het enige doel, een ‘lege’ natie omwille van alleen het merkwaardige idee van ‘natie’. Zoveel mogelijk autonoom zonder materiële inhoud: een negatief, slechts impliciet en defensief gegeven, weinig om werkelijk iets op te kunnen bouwen: de essentie van een lege huls. Curaçao is er – naar de woorden van Hodge – uit gekomen als in een nachtmerrie.

Terwijl wij ons aan deze kant van de oceaan politiek correct bleven uitsloven, allemaal hevig vóór gelijkheid en verwijtend tégen discriminatie en racisme, ging het juist op dit terrein aan de andere kant faliekant fout (zie Cariben pag. 73 – 75). De Bonairiaanse politicus en jurist Michiel Bijkerk levert momenteel juridisch strijd met Nederland over de werking van dit gelijkheidsbeginsel: de gelijkberechtiging voor de uitwerking van de AOW, die op de BES-eilanden Wet Algemene Ouderdomsverzekering BES (AOV) heet. Voor inwoners van Nederland en de BES-eilanden hanteert Nederland verschillende (onrechtmatige) criteria bij de toepassing en uitkering van de AOW en AOV. Dit komt specifiek tot uitdrukking in de hoogte van de uitkering. Ouderen op de eilanden krijgen minder dan de helft van de uitkering in vergelijking met de Europees-Nederlandse AOW-ers. Bijkerk betoogt namens een aantal inwoners van de BES-eilanden en namens een meerderheid van eilandelijke politieke partijen in een verzoekschrift dat de huidige – door Nederland gehanteerde regeling – ten aanzien van de uitkering voor de oudedagsvoorziening voor de desbetreffende eilanden onrechtmatig is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel binnen het Koninkrijk, dus in strijd met fundamentele “politieke, burgerlijke, sociale of economische grondrechten”. Dit doet hij met verve en overtuigend. Het is met dergelijke herhaald voorkomende voorvallen niet zo heel moeilijk te bedenken dat en waar het steeds zo wrang en gruwelijk fout gaat. Dat is niet overdreven gesteld. Boeli van Leeuwen vertelt het in een prangend en schrijnend verhaal (Cariben, pag. 345). Zolang Nederland dat niet kan en wil begrijpen, blijven we in de pathetische verstrengeling nog decennialang aan elkaar verbonden. Constante onrust, die geregeld oplaait. Wie niet horen wil, moet voelen; dat is hier gewoon van toepassing.

Lommel, 19 juli 2013

Legacy of Slavery and Indentured Labour, Past, Present and the Future: verslag van een conferentie


Welk verband bestaat er tussen slavernij, contractarbeid, migratie en hedendaagse maatschappelijke fenomenen?

door Rose Mary Allen

Deze vraag stond centraal tijdens de vijfdaagse conferentie Legacy of Slavery and Indentured Labour die begin juni in Suriname plaatsvond in het kader van de herdenking van 140 jaar Hindoestaanse immigratie, 150 jaar afschaffing slavernij en 160 jaar Chinese immigratie.

De conferentie was het resultaat van een samenwerking tussen verschillende Surinaamse organisaties actief op gebieden als cultuur, erfgoed en onderwijs, zoals het Institute for Graduate Studies and Research (IGSR), het IMWO, het Nationaal Archief Suriname, de Feydrasi fu Afrikan Srananman, NAKS, de Commissie 10 oktober, de Culturele Unie Suriname, Nationaal Stichting Hindostaanse Immigratie (NSHI), Sila en de opleiding Geschiedenis van het Instituut Leraren Opleiding (IOL) . De coördinatie hiervan was in handen van Maurits Hassankhan, Surinaamse historicus.. Met de conferentie wilde men een link leggen tussen enerzijds slavernij, contractarbeid en (vrije en gedwongen) migratie als historische gebeurtenissen en anderzijds hedendaagse verschijnselen en vraagstukken als mondialisering, identiteitsvorming, nationalisme en transnationalisme. Vergelijkend onderzoek met als doel nieuwe kennis en inzichten te verkrijgen was een van belangrijke speerpunten van de conferentie.

Gravure uit Verscheyde Voyagien, Zee- en Land-togten (1706)


Er waren twee keynote speakers. Prof. Stephen Small, bijzonder hoogleraar Nederlands slavernijverleden aan de Universiteit van Amsterdam, sprak over de hedendaagse erfenis van dat verleden. Hij pleitte voor het creëren van nieuwe kennis en het ontwikkelen van nieuwe perspectieven binnen de  historische wetenschap, o.a. op basis van meer internationaal vergelijkend onderzoek. Daarbij kunnen de Nederlandse Cariben volgens hem een prominente rol spelen. Dit taalgebied is zeer onderbelicht binnen de historische wetenschap, terwijl het veel te bieden heeft, zoals informatie over slavenwerk op zoutplantages, slavenverzet en marronsamenlevingen (samenlevingen van gevluchte slaven) die aan belangrijke nieuwe inzichten kan bijdragen.

Kaart van Mauritius door Johannes van Keulen, 1753


De tweede keynote spreker was Vijayalakshmi Teelock, hoofd van de afdeling Geschiedenis en Politieke wetenschappen van de Universiteit van Mauritius, die over de Truth and Justice Commission in Mauritius sprak. Deze in 2008 ingestelde commissie had als taak het opstellen van een integraal rapport over de slavernij en contractarbeid tijdens de koloniale periode en over de wijze waarop men hedentendage hiermee dient om te gaan. Mauritius, vernoemd naar de Nederlandse prins Maurits en later door de Fransen gekoloniseerd, was een kolonie gebaseerd op de slavernij van mensen uit Afrika, India en Maleisië. Na de afschaffing van slavernij werden er ongeveer 450.000 contractarbeiders uit het toenmalige Brits-Indië gehaald om op de suikerplantages te werken.Ter vergelijking: naar Suriname zijn er 35.000 contractarbeiders gebracht. In de afgelopen decennia heeft Mauritius zich in rap tempo van suikereconomie naar moderne diensteneconomie ontwikkeld. Door instelling van de commissie wilde  de regering vormgeven aan een nationale identiteit binnen een multiculturele samenleving en een snel groeiende economie.  De commissie heeft een uitgebreide studie verricht over de geschiedenis van Mauritius en heeft in december 2011 haar (lijfig) rapport uitgebracht. Voor meer informatie raadplege men http://pmo.gov.mu/English/Documents/TJC_Vol1.pdf. De organisatoren van de conferentie menen dat Suriname en andere landen iets zouden kunnen leren van de ervaringen van Mauritius.

Britse karikatuur op de afschaffing van de slavenhandel


De inleiders van de conferentie waren uit verschillende delen van de wereld afkomstig, waaronder Mauritius, Nederland, Engeland, Suriname, Guyana, Trinidad, Jamaica, Canada, de V.S. en Curaçao. Er waren 180 deelnemers en maar liefst ongeveer 100 inleidingen, waardoor er parallelsessies moesten plaatsvinden. Naast de inleiders waren er ook toehoorders, voor het grootste deel afkomstig uit Suriname.

De sessies gingen over onderwerpen als identiteit en integratie; nieuwe benaderingen in de historiografie van slavernij en contractarbeid; slavernij, contractarbeid en gezondheid;verwaarloosde onderwerpen in de slavenhistoriografie; religie; marronsamenlevingen; nabestaanden van Brits-Indische contractarbeiders; etniciteit, nationalisme en democratie in plurale samenlevingen; en terugkeer van migranten naar het land van herkomst.

Contractarbeid: contract uit 1738

Een greep uit de vele interessante inleidingen:

·         Rewriting the Narrative: Historical Archaeology and Colonial Suriname (Cheryl White)
·         Mapping the History of Slavery and Abolition: Slave-ownership andCompensation in Suriname and the Netherlands around 1863 (Dienke Hondius )
·         Meeting-grounds of Amerindians and Dutchmen: The Amazon Region and Suriname between 1595 and 1688 (Eric Jagdew en Jerry  Egger)
·         God at the Fore Deck and at the After Deck (Joop Vernooij)
·         East Indian Education in Nineteenth-Century Trinidad: Social Exclusion – Integration (Vashti Singh)
·         San-Fan-Con, the Potent Chinese Saint and His Journey to Africa via Cuba: The Impact of Chinese Indentured Immigrants on Afro-Cuban Religion (Martin Tsang)
·         Elderly Surinamese Hindustanis in the Netherlands (Nirmala Birjmohan)
·         Gender-specific Problems among Surinamese Hindustani: Suicide and Alcoholism (Indra Boedjarath)
·         Emotional Loss among Hindustani Migrants in the Netherlands (Rahina Hassankhan)
·         Socializing for Educational Success (Anita Nanhoe)
·         Space and Place for black women in the Christian religion in Suriname (Mildred Caprino):
·         The Future of Afro Surinamese religion (Rosie Zamuel- Rotgans),
·         Perspectives of Javanese Immigrants in Suriname on Return Migration to the Homeland: Why Did a Thousand Javanese Return to Indonesia in 1954? (Rosemarijn Hoefte)
·         Jakarta and Paramaribo Calling: New Challenges for the Surinamese-Javanese Diaspora?(Peter Meel)
·         Integration Styles in the Indentured Indian Diapora (Chan Choenni)
·         Mental Well-being and Cultural Identity of the Afro-Surinamese: A Slavery-informed Answer to Living in the 21stCentury (Aminata Cario)
·         Indian Muslims in Suriname:religion, traditions and globalization (Maurits S. Hassankhan / Robbert Bipat and Alie Abdoel).

Su Girigori
De twee inleiders uit Curaçao waren Su Girigori en Rose Mary Allen. Girigori sprak in haar inleiding Commemorating 150 years of legal abolition of slavery. The Process of
emancipation in a new country,
over emancipatie als een continu proces van bewustwording van de eigen geschiedenis, waarbij ook de verantwoordelijkheid wordt genomen voor het (her)schrijven van die geschiedenis. Zij behandelde de sociale gevolgen van een opgelegde afhankelijkheidsstructuur op Curaçao, die het emancipatieproces verhinderen.

Rose Mary Allen
Rose Mary Allen beschreef  in haar paper Crafting citizenship in post-Emancipation Curaçao: The experience of the formerly enslaved after Abolition, de afschaffing van de slavernij als het begin van een proces waarin een bepaalde groep mensen, die voordien als producten werden beschouwd,weliswaar burgerrechten kregen maar waarvan de  invulling in de praktijk veel complexer en moeilijker bleek te zijn. Het tot stand brengen van een nationale burgerzin is op Curaçao volgens Allen nog steeds gaande.

Al met al kan worden teruggekeken op een nuttige conferentie die ook de gelegenheid tot netwerken bood. Eén resultaat hiervan was het opstarten van de  International Association for the Study of Indenture and Migration  (IASIM). De verschillende inleidingen en aangedragen oplossingen zullen worden gebundeld en gepubliceerd.


Juni 2013


[eerder verschenen in het Antilliaans Dagblad]

maandag 29 juli 2013

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (1)

Aruba. Foto © Liliane Pietersen

door Willem van Lit

Men schreef nieuwe complotten
In februari 2013 verscheen mijn derde boek Cariben laten we het onmogelijke vragen. Ruim een half jaar na het verschijnen ontstond bij mij de behoefte een kleine beschouwing achteraf te maken. Dit had voornamelijk te maken met de actuele ontwikkelingen op de eilanden sindsdien. Op Curaçao werd een moord gepleegd op een controversiële politicus. Op Bonaire woedt op het moment van schrijven van dit naschrift (weer) een bestuurscrisis in het college. Op St. Maarten is er een bestuurscrisis geweest. Er zijn verschillende opwellingen geweest van woede en furie. Men schreef nieuwe complotten. Ook mijn bezoek in het voorjaar aan Curaçao en Bonaire en de presentatie van mijn boek deden andere inzichten ontstaan en ik realiseerde me dat ik bepaalde thema’s niet had besproken. Het gaat dan om onderwerpen die op verschillende plekken mijn betoog raken en die deels een aanvulling zijn op hetgeen ik heb geschreven. Dit betreft onder andere de invloed van de georganiseerde misdaad en de zogeheten Latino leefstijl, de invloed van het Zuid-Amerikaanse continent op de eilanden. Na ruim zes maanden staat de inhoud van mijn boek nog steeds overeind. Ik heb niets kunnen ontdekken wat ik vandaag anders zou schrijven.

Het boek is niet door heel veel mensen gelezen, maar toch voldoende om eventueel kritische opmerkingen te krijgen. Ook is het door mensen gelezen die heel nauw betrokken zijn bij het leven op de eilanden of mensen die door studie en ervaring uitgebreide kennis hebben van de Caribische eilanden. Ik weet ook dat het onderwerp ‘Antillen’ slechts weinigen van belang of interessant achten; de doelgroep is klein.

Het is zeker niet zo dat ik expliciete erkenning of bevestiging vraag. Met dit naschrift wil ik wel weer de aandacht vestigen op dit boek omdat ik de inhoud nog steeds van belang acht voor de actuele situatie en waarschijnlijk ook de ontwikkelingen in de naaste toekomst op de eilanden zelf en in de relatie van die eilanden met Nederland.

Bevrijd van een historische blunder?
Van crisis naar crisis naar crisis, enz. Dat houd je alert en betrokken. Ik schreef die eerste woorden van dit naschrift op een artikel uit ‘nu.nl’ (3 juni 2013) dat iemand op Facebook had geplaatst. Het artikel betrof een interview met Daniël Hodge, de toenmalig premier van Curaçao die een tussentijds zakenkabinet heeft geleid om orde op zaken te stellen. Hodge merkte op dat politici op het eiland vooral goed voor zichzelf zorgen en dat ze het belang van het volk en het eiland daarbij verwaarlozen. “Een kentering ten goede bespeurt hij niet: ‘we zijn gestagneerd’”, merkt hij op. In het boek van Freek van Beetz (Het einde van de Antillen) staat het nogmaals, maar dan nadrukkelijker. Op 28 februari 2013 (tweeënhalf jaar na de ontmanteling van het land Antillen) zegt Hodge: “Een schone droom is een nachtmerrie geworden”. (Van Beetz pag. 314). Hodge heeft als zakenman dit tussenkabinet geleid. Gedurende zijn premierschap was het een aantal maanden rustig… totdat op 5 mei 2013 Helmin Wiels werd vermoord.
Foto © Bea Moedt

Gestagneerd. Dat begrip staat ook centraal in ‘Cariben’. Het komt er geregeld in terug; ik heb het genoemd het resultaat van het voortdurend uitgestelde leven en de ziekmakende omhelzing. Het gedrag van politici zoals Hodge dat aangeeft, is van ondergeschikt belang. Zij vertolken slechts in een rebelse of narrige staat van bewind voeren of besturen de rol van de geest van de tragedie, waarin de cultuur van boosheid en schaamte gedijt. Het is doorgaans een verbeelding van manische aard, die in het voorjaar van 2013 op een extreem dramatische wijze tot een voorlopig dieptepunt is gekomen. Het is dit complex van krachten die tot stagnatie leidt en die ik met name beschrijf in hoofdstuk 5. (Cariben, pag. 272 e.v., pag. 290 – 295).

Foto © Helmut Newton

Van Beetz beschrijft dit uitvoerig in zijn kroniek. Vooral de politieke situatie vanaf 2003 lijkt een grote georganiseerde chaos, slechts gedreven door de puls tot een zo grondig en spoedig mogelijke afbraak: het opheffen van het land Antillen. Alsof men met schaamrood op de kaken zichzelf wilde verlossen van een bijzondere historische blunder. En bijzonder hierbij is dan ook dat dit proces grotendeels onder de regie stond van een groep mensen die zich aanvankelijk hadden verenigd onder de vlag van de héropbouw van datzelfde land: de PAR (Partido Antiá Restruktura). De Antilliaanse – en dan vooral de Curaçaose – politieke tégencultuur heeft trekken van schizofrene en paranoïde aard, terwijl plat opportunisme, grootheidswaan en het calimerocomplex er voortdurend vanaf spat onder verwijzing naar (re)kolonialisering, discriminatie, racisme, oorlog, nationalisme, patriottisme, hoogverraad, enz. Beetz verwijst er zowat óm de twee pagina’s naar. Op een zeker moment noemt hij het ‘een orgie van bestuurlijk en politiek vandalisme’ (Van Beetz, pag. 190). Het is alsof alle frustratie in deze jaren van manie zich heeft samengebald en dat men de afbraak van een land, dat nooit een natie is geworden, heeft gebruikt om zich hierop te concentreren.

Nog eens: het motief
Cariben verscheen eind februari 2013. Op 9 maart kondigde ik het uitgebreid aan en startte ik de promotie. Ik maakte vooral gebruik van het wereldwijd web, maar ik verstuurde ook per post persberichten aan diverse kranten en tijdschriften in Nederland. “Daar heb je weer zo’n gek die een boek heeft geschreven over Curaçao en zo. Lekker belangrijk”. Ik hoor het al roepen. Schouderophalend gaat mijn bericht vervolgens zonder te ritselen in de papierbak. Op internet zag ik wel reacties. Ik merk heel goed als mensen het boek wel hebben gelezen, ook mensen die ik niet persoonlijk ken. Van Bonaire kreeg ik enthousiaste reacties. Dat viel in elk geval op.

De vraag rijst weer: waartoe heb ik dit boek geschreven? Ik heb ontdekt dat het schrijfproces een ontdekkingstocht naar mijn eigen motieven is geweest. Ik heb ook dingen ontdekt die ook buiten de context van de Caribische eilanden van waarde zijn gebleken. Het is nu duidelijker dan voorheen: nationalisme is een gevaarlijke leugen, een waan van twee eeuwen waarin men elkaar gevangen houdt. En ik weet nu ook waarom dat zo is (Cariben, pag. 229 – 232 en 292 – 293). Ik weet ook wat het nefaste effect daarvan is .
...de Eros van de Caribische mens... Foto © Yannick Bruhah

Ik weet nu ook dat het historisch determinisme een grove leugen is en dat deze leugen is ingegeven door de angst keuzes te moeten maken. Een bekende Curaçaose publicist en opiniemaker zei in een reactie (op een stelling van Jacob Gelt Dekker) dat anderen (buitenstaanders) nooit in staat zouden zijn de eros (hij schreef het met een hoofdletter Eros) te doorgronden van de Caribische mens. Ik weet nu ook dat dat een mythische leugen is. Als we de eros niet kunnen doorgronden, zouden (vreemde) culturen hermetisch gesloten zijn. Ik heb aangetoond dat dat niet zo is (Cariben, pag. 155 – 165, 174 – 175 en 211 – 215). En als je het over eros hebt, dan moet je ook de thymos noemen (Cariben, pag. 22 – 23). Het is juist deze laatste kracht die in dit boek centraal staat en die we zeer wel goed kunnen doorgronden: de laaiende furie en haar gevolgen, waarvan er zeker één is dat de mythe van de ondoorgrondelijkheid in stand blijft. Ook die fascinatie heb ik ontmaskerd, waarmee niet gezegd is dat hij daarmee is verdwenen.

In een ongeregeld ritme laaien de discussies over deze thema’s op, zeker na de moord op Wiels. Men spreekt dan over etnisch nationalisme, racisme, fraude en corruptie, afgunst en ongenoegen; het wordt letterlijk allemaal zo genoemd. Hierbij wordt – in repliek – gezegd dat Wiels weliswaar een nationalist was, maar geen racist. Daarbij zei iemand dat buitenstaanders niet in staat zijn het volkssentiment te begrijpen dat Wiels vertegenwoordigde, een sentiment dat wordt ingegeven door de geschiedenis van machtsongelijkheid én het feit dat veel immigranten op Curaçao het recht zouden ontkennen dat het eiland een natie kán zijn. Het merkwaardige is dat die schrijver dan betoogt dat Wiels racisme wel weer gebruikt in weerwil van die structurele ongelijkheid en de ontkenning van dat recht. Racisme als wraak dus, de ruilinterventie van de wraak, zoals ik dat heb genoemd (Cariben, pag. 324 – 326); dat is een gevolg van de pathetische omhelzing. In die zin wordt het primaat van de cultuur en het historicisme wederom aangevoerd in een romanteske verwijzing naar het volk en hun ressentiment; iets wat buitenstaanders nooit zouden kunnen bevatten. Dezelfde sentimenten (gestuurd door eros en thymos) komen in allerlei gradaties voor in België (Vlaanderen – Wallonië), Baskenland, Schotland, Catalonië, het voormalig Joegoslavië, enz. (Cariben, pag. 231). Niets menselijks is u en ons vreemd. In het Caribische gebied komt daar de menselijke smet (van de huidskleur) nog bij als extra factor (Cariben, pag. 163 – 165, 368).

Edinburgh, Schotland. Foto © Michiel van Kempen

In deze discussie zegt een ander dat men op de eilanden gebruik moet gaan maken van eigen mogelijkheden en kansen die de samenwerking met Europa kan bieden. Men moet uitgaan van de kracht van de onderlinge menselijke betrekkingen en samenwerking zoeken om zo vooral economisch tot ontwikkeling te komen. De verbinding via Nederland biedt daarvoor goede mogelijkheden. Deze schrijver wordt door de nationalistische denker op een intellectueel-ideologische manier en toon bijna kleinerend teruggezet: het gaat om dé nátie (wat dat ook moge betekenen) en daaraan moet alles ondergeschikt zijn. In dergelijke discussies woekeren overigens ijdelheid en demonstratief intellectualisme uitbundig en voortdurend door de gesprekken heen: in woord en wederwoord kleurig bloeiend in de trant van : “kijk mij eens heel veel weten! En u kunt mij toch nooit snappen; ik ben hier de leermeester”.

[vervolg, klik hier]

zondag 27 januari 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (5)


door Willem van Lit

Dit is deel 5 van het 6e hoofdstuk van het boek dat begin 2013 verschijnt over de Nederlands Caribische eilanden. Hierin nog een mythe over de ontwikkeling van beschavingen.

Amanda. Professional Photographic Bodypainting Carl Flick

De vraag of beschavingen volwassen kunnen worden was ook een gespreksonderwerp dat met Jeroen Heuvel naar voren kwam. Dit idee komt in gesprekken regelmatig terug: men vraagt zich af of samenlevingen een groei moeten doormaken van primitief tot volledig ontwikkeld en dan op dezelfde wijze als een mensenleven: van kind tot volwassenheid. Sommigen suggereren dat Afrikaanse of West-Indische beschavingen nog verschillende stadia door moeten, zoals in West-Europa is gebeurd vanaf de duistere middeleeuwen tot de huidige modern gesofisticeerde vorm van samenleven. Dergelijke ideeën vormen een tweede doodlopende steeg in het wegenstelsel van de cultuur.

Heuvel vroeg zich af of de Antilliaanse of Caribische samenleving mogelijk net aan het stadium van puberteit toe was en dat er nog verschillende groeistuipen moesten volgen. Ik zei dat ik niet wist of je dat op deze manier moest bekijken. Instinctief heb ik moeite met het trekken van dergelijke vergelijkingen.

Ik schrijf nu naar het einde van dit boek toe, waarvoor ik vele andere ideeën en gedachten bestudeerd heb. Ik kan nu een aantal argumenten noemen die tegen dit idee van analogieën ingaan. De ontwikkelingsgang van samenlevingen is niet te vatten in sjablonen van primitief tot hoogontwikkeld of als een menselijk organisme dat groeit van kind tot volwassenheid. Dergelijke vergelijkingen lijken door hun modelmatige eenvoud aantrekkelijk. Ze veronderstellen een lineair verband van ontwikkeling, waarbij de mensheid tot een steeds groter plan of op een hoger niveau wordt getild. Misschien wel voortgedreven door een onzichtbare hand, onweerstaanbaar, zoals een organisme groeit. Als je maar eenmaal de jaren van verstand hebt bereikt, dan komt het wel goed met je.

Oude Chinees. Foto Y. Uan


Als men samenlevingen ziet als organismen, zoals het menselijk leven zelf, dan kijkt men ook naar de verschillende functionaliteiten ervan én hun positie ten opzichte van elkaar; het is de oude gedachte dat er sprake zou zijn van verbanden die vanuit de oorsprong zijn vastgelegd en die - als alles maar op zijn plaats blijft - tot een ideale samenleving zullen uitgroeien, waaraan iedereen volgens zijn vastgestelde functie zal bijdragen: een geïdealiseerde collectivistische toekomst met een utopisch karakter. Zoals we zien, ontwikkelen samenlevingen niet conform een dergelijk imaginair organisme.

Achter een dergelijk idee zit tevens de gedachte dat samenlevingen historisch zijn bepaald en dat ligt in de lijn van de eerste stelling die ik hiervoor heb beschreven: die van de hardnekkige mythe.

Een beschaving waarbij mensen met elkaar tot vormen van samenleven, -werken en -wonen komen, laat zien dat zij de natuur der dingen zijn ontstegen. Mensen gebruiken hun sociaal vermogen om tot cultuur te komen. Indien men de ontwikkeling van beschavingen ziet alsof zij groeien als organismen – autonoom en in een voorbestemde richting en grootte – dan zegt men in feite dat mensen er geen invloed op kunnen uitoefenen. Beschaving zou dan gedetermineerd zijn, terwijl het hier in de kern gaat om menselijke interactie en betrekkingen: mensen vormen zélf hun beschaving: dat is sociale ingenieurskunst. Cultuur staat hierbij centraal zoals Riemen [1] zegt dat cultuur de verzameling is van "vele wegen die de mensen kunnen bewandelen in hun zoektocht naar de waarheid over zichzelf en het menselijk bestaan".

Wandelmars, Paramaribo. Foto H. Jonkerbos


Als men cultuur niet ziet als het middel om beschaving tot ontwikkeling te brengen - dit is onder andere het onderhouden en stimuleren van het debat - dan blijft de cultuur hangen in het verwijzen naar het verleden en dat is alleen maar folklore. Folklore als fenomeen van volkse gebruiken en kunsten kan prachtig en goed zijn en het vervult waarschijnlijk ook een functie, maar het is steeds een verwijzing naar het verleden en men wil laten zien hoe schitterend dat verleden was met een nostalgische hang naar een verloren wereld. Het draagt niet werkelijk bij aan de dialoog en het dialectische vermogen van (groepen) mensen. Folklore is stilstand, doet een appel op het zuivere schoonheidsideaal van een rein verleden en een pure levenswijze. Het verhaal over de tambú van Girigori (hoofdstuk 5) is hiervan een voorbeeld.



Als we zeggen dat civilisaties volwassen zijn geworden vanaf het moment dat men geen geweld accepteert of nodig heeft, dan moeten we niet naar Europa kijken. Europa is pas zo'n vijftien jaar geleden bevrijd van een systeem dat door bloedbaden heen zichzelf in stand moest houden: het communisme. Daarnaast kan men ook verwijzen naar het fascisme en nazisme; dit zijn ook geen voorbeelden van geweldloze en dus ‘volwassen’ samenlevingen. De cultuur van het geweld heeft veel mensen langs de poorten van de hel gejaagd. Velen ervoeren dit als systemen die juist uit waren op vernietiging van de cultuur. Velen spraken zelfs over het einde van de beschaving in de periode dat Europa terug leek te vallen in barbarij. We hebben nog maar net de laatste stuiptrekkingen van deze systemen achter de rug met de oorlogen op de Balkan. Ook het nationalisme teert doorgaans op de folkloristische reflex en het heeft daarbij regelmatig succes, juist in tijden van tegenslag en crisis. Eerder heb ik het nationalisme al beschreven als een van de vormen waarin de collectivistische hang naar een gesloten samenleving tot uiting komt; het is een westerse variant van wat men elders tribalisme noemt en/of insularisme. In hoofdstuk vijf heb ik dat uitgebreid besproken.


Ontwikkelingsgang van civilisaties heeft niets te maken met de manier waarop een organisme zich ontwikkelt tot volwassenheid en het wordt ook niet bepaald door historische wetmatigheid. Dat blijkt uit de ontwikkelingsgang van de Europese beschaving, zoals ik liet zien in de vorige alinea. Uiteraard wil dit laatste niet zeggen dat beschavingen niet historisch beschreven kunnen worden. Men kan civilisaties en hun veranderingen wel geschiedkundig beschrijven en verklaren - dat is immers de wetenschappelijke taak van historici - maar dat wil niet zeggen dat ze historisch gedetermineerd zijn. Er bestaat geen wetmatige ontwikkeling van samenlevingen en hun verbanden.

[wordt vervolgd]



[1] Rob Riemen,Adel van de geest,  pag. 164

maandag 7 januari 2013

Caribbean Sovereignty, Development and Democracy in an Age of Globalization

Guyana. Foto Marina Caf

Many of the nations of the Caribbean that have become independent states have maintained as a central, organizing, nationalist principle the importance in the beliefs of the ideals of sovereignty, democracy, and development. Yet in recent years, political instability, the relative size of these nations, and the increasing economic vulnerabilities of the region have generated much popular and policy discussions over the attainability of these goals. The geo-political significance of the region, its growing importance as a major transshipment gateway for illegal drugs coming from Latin America to the United States, issues of national security, vulnerability to corruption, and increases in the level of violence and social disorder have all raised serious questions not only about the notions of sovereignty, democracy, and development but also about the long-term viability of these nations.

This volume is intended to make a strategic intervention into the discourse on these important topics, but the importance of its contribution resides in its challenge to conventional wisdom on these matters, and the multidisciplinary approach it employs. Recognized experts in the field identify these concerns in the context of globalization, economic crises, and their impact on the Caribbean.

Caribbean Sovereignty, Development and Democracy in an Age of Globalization
Edited by Linden Lewis
Published December 13th 2012 by Routledge – 258 pages
Hardback: 978-0-415-53658-5: $130.00
eBook: 978-0-203-11031-7:


zaterdag 1 december 2012

Krishnadath bewijst haar eigen ongelijk

door Rolf van der Marck
Ismene Krishnadath

Eerder heb ik hier al duidelijk gemaakt dat de door Ismene Krishnadath geponeerde stelling dat Surinaamse schrijvers ertoe hebben bijgedragen dat het nationalisme vandaag de dag aanwezig is in het collectieve denken van de Surinamers, neerkomt op het intrappen van een open deur. Die stelling had zij gelanceerd aan de vooravond van het 35-jarig bestaan van de Schrijversgroep ’77, waarvan zij de voorzitter is. Toen heb ik ook gesteld dat nationalisme alléén niet voldoende is, maar dat het moet worden gekanaliseerd tot natievorming, waarvan wij echter nog lichtjaren verwijderd zijn. Inmiddels heeft de viering plaatsgevonden, waarbij Krishbadath een lezing heeft uitgesproken met als titel: “Literatuur, nationalisme en politiek, oftewel de invloed van schrijvers op het maatschappelijk denken in Suriname vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw tot heden”.

Definities

Misschien is het goed eerst een paar definities te geven, opdat we weten waarover we praten:

Nationalisme is een politieke ideologie die stelt dat de staat als politieke eenheid congruent moet zijn aan de natie als sociaal-culturele eenheid. Er zijn verschillende vormen van nationalisme te onderscheiden, zoals etnisch nationalisme, nationaalsocialisme, liberaal nationalisme, politiek nationalisme, dekoloniserings- of bevrijdingsnationalisme en economisch nationalisme.

Nationaliteit duidt de relatie aan tussen een individu en een staat, cultuur of loyaliteit. Nationaliteit heeft een tweeledige betekenis:
1) Het bezit van het staatsburgerschap van een land of meer landen.
2) Het op grond van herkomst of afstamming behoren tot een bepaalde etniciteit; nationaliteit staat in deze definitie los van het staatsburgerschap.
Een natie wordt wel genoemd ‘een verbeelde politieke gemeenschap’. Het begrip is niet alleen academisch, maar heeft ook een sterke politieke lading en kent dan ook vele definities. Criteria kunnen objectief zijn, bijvoorbeeld verwantschap, cultuur, taal of religie. Subjectieve criteria zijn verbondenheid en solidariteit, die gevoeld worden door een groep.

Aan de hand van deze definities kan worden geconcludeerd dat nationalisme in Suriname, gezien het grote aantal uiteenlopende etnische bevolkingsgroepen, zal moeten leiden tot de vorming van een natie, een ‘verbeelde politieke gemeenschap’ dus, enkel op basis van subjectieve, door de politiek te bevorderen criteria. Geen eenvoudige opgave, daar zijn nog generaties strijdende schrijvers voor nodig.

Taal als strijdmiddel

Het is duidelijk dat de door Krishnadath genoemde schrijvers allen hun aandeel hebben in het Surinaamse dekoloniserings- of bevrijdingsnationalisme. Anton de Kom was in 1933 met zijn Wij slaven van Suriname een eenzame voorloper, internationaal bezien zelfs bijna twee decennia voordat Frantz Fanon met dezelfde ideeën als De Kom de wereld veroverde. Jammer dat Krishnadath (althans blijkens het verslag in de Ware Tijd) voorbij is gegaan aan Julius Gustaaf Arnout “Papa” Koenders, die met zijn vereniging Pohama en met zijn maandblad Foetoe-boi (mei 1946 t/m april 1956) dé grote voorvechter was van het Sranan en van de creoolse cultuur, tevens voorganger en lichtend voorbeeld niet alleen voor Eddy Bruma en diens culturele vereniging Wie Eegie Sanie, maar ook voor Trefossa en Michaël Slory.


Ook mis ik (wederom volgens het verslag in dWT) de naam van Edgar Cairo, die veel meer en veel indringender het Sranan in zijn boeken heeft verwerkt dan de door Krishnadath genoemde dialogen in Cynthia McLeod’s Hoe duur was de suiker?, maar wellicht is dat een gevolg van het door hem dikwijls gehanteerde “Cairojaans”, dat in Suriname vreemd genoeg onvoldoende op z’n merites wordt gewaardeerd, zoals nu maar weer blijkt.

De politiek-maatschappelijke positie van S’77

Aangezien mijn kritiek op Krishnadath’s stellingname dat S’77 zich graag en goed zou lenen  voor een bemiddelingsrol bij politieke tegenstellingen door haar is afgestraft met een lasterverhaal over mij, was ik uiteraard benieuwd hoe deze gedachte door Krishnadath tijdens haar lezing voor het voetlicht is gebracht, maar daar is in het dWT-verslag helaas niets over te lezen. Daar staat alleen dat inleider eindigde met de stelling: “Kritiek van Nederlandse critici werkt versterkend op de populariteit van schrijvers en personen in Suriname. (…) Ik denk dat de populariteit van Bouterse ook op die manier gestuwd wordt. Het is bekend dat hij niet gelust wordt door de Nederlandse regering. En wat zien we? Bouterse wordt gekozen tot president. Misschien heeft hij dit aangevoeld en gevoed met zijn slogan 'Neks no fout'. In ieder geval zien we dat hij momenteel als president functioneert en zijn functioneren als zodanig vrij algemeen geaccepteerd is in ons land."

Opnieuw een vreemde stelling van Krishnadath, omdat ze haar verhaal hiermee onmiddellijk politiseert. Waarom breidt ze “de populariteit van schrijvers in Suriname” uit naar “schrijvers en personen uit Suriname”? Duidelijker bewijs dat S’77 niet geschikt is voor een bemiddelingsrol bij politieke tegenstellingen kan Krishnadath niet leveren, want ze kiest hier duidelijk voor Bouterse en tegen zijn Nederlandse critici. Beter had zij zich bij haar leest gehouden en zich afgevraagd wat die Nederlandse kritiek op Surinaamse schrijvers nu precies inhoudt en of die niet even serieus te nemen is als die Nederlandse kritiek op Bouterse. Maar het ontbreekt haar ten enen male aan kritisch onderscheidingsvermogen, anders had ze niet gezegd dat Bouterse als president vrij algemeen geaccepteerd is in ons land. Schoenmaker, houd je bij je leest!

Intussen begin ik mij af te vragen hoe de leden van S’77 staan tegenover Krishnadath en de door haar geventileerde meningen en opvattingen, slikken die dit allemaal voor zoete koek? Eerder sprak ik over S’77 als een elitair clubje, maar gezien Krishnadaths uitlatingen Is het clubje allerminst elitair, gezien echter de foto met dat handjevol mensen dat naar Krishnadaths lezing luisterde (zie hier) is het wel een verdomd klein clubje van overwegend seniore burgers. Is dat wellicht de reden dat Krishnadath geen weerwerk krijgt?