Posts tonen met het label verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhaal. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

Gabriel García Márquez – Zomaar een dag

De maandag begon zoel en droog. Aurelio Escovar, niet bevoegd tandarts, die altijd vroeg opstond, opende zijn spreekkamer om zes uur. Hij pakte uit de glazen kast een kunstgebit dat nog in de gipsen vorm zat en legde een handvol instrumenten op tafel, die hij van groot naar klein rangschikte, als in een etalage. Hij had een gestreept overhemd aan zonder boord dat vanboven met een gouden knoop gesloten was en een broek die werd opgehouden met elastieken bretels. Het was een stramme, magere man en de blik in zijn ogen paste zelden bij de situatie van het ogenblik, zoals dove mensen dat wel hebben.
Toen hij alles had uitgestald op de tafel, trok hij de boor naar de behandelstoel en ging het kunstgebit zitten polijsten. Het leek of hij met zijn gedachten niet bij zijn werk was, maar hij ging gestaag door en hield het pedaal steeds in beweging, zelfs als hij de boor niet gebruikte. Na achten pauzeerde hij even om door het raam naar de lucht te kijken en hij zag twee stinkgieren die dromerig op de dakrand van het huis van de buren in de zon zaten te drogen. Hij ging met de gedachte dat het voor het eten wel weer zou gaan regenen, terug naar zijn werk. De schelle stem van zijn elfjarig zoontje haalde hem uit zijn gepeins.
‘Papa!’ ‘Wat is er?’ ‘De burgemeester vraagt of je een kies bij hem wilt trekken’. ‘Zeg maar dat ik er niet ben.’
Hij was nu een gouden tand aan het polijsten. Hij hield hem op armslengte afstand en bekeek hem met half dichtgeknepen ogen. Vanuit het wachtkamertje schreeuwde zijn zoontje weer: ‘Hij zegt dat je er wél bent, hij kan je horen.’
De tandarts bleef de tand bekijken. Pas toen hij hem op de tafel gelegd had bij de dingen die al klaar waren, zei hij: ‘Des te beter.’ Hij zette de boor weer in werking. Uit een kartonnen doosje waarin hij het werk bewaarde dat nog gedaan moest worden, haalde hij een brug die uit meerdere stukken bestond en begon het goud te polijsten.
‘Papa!’ ‘Wat?’ Zijn gezicht had nog steeds dezelfde uitdrukking. ‘Hij zegt dat hij je overhoop zal schieten als je zijn kies niet trekt.’ Zonder zich te haasten haalde hij met een rustige beweging zijn voet van het pedaal, duwde de boor van de stoel weg en trok de onderste la van de tafel helemaal open. Daar lag de revolver. ‘Best’, zei hij. ‘Dat moet hij dan maar komen doen.’ Hij draaide de stoel zo ver om, dat hij recht tegenover de deur kwam te zitten en liet zijn hand op de rand van de la rusten.
De burgemeester verscheen in de deuropening. Zijn linkerwang was geschoren, maar op de andere, die pijnlijk gezwollen was, stond een baard van vijf dagen. De tandarts las in zijn doffe ogen de wanhoop van vele slapeloze nachten. Hij schoof de la met zijn vingertoppen dicht en zei zachtjes: ‘Gaat u zitten.’ ‘Goedemorgen’, zei de burgemeester. ‘Morgen’, zei de tandarts.
Terwijl de instrumenten stonden uit te koken, leunde de burgemeester met zijn achterhoofd tegen de hoofdsteun van de stoel en voelde zich al wat beter. Een ijskoude angstgeur ging van hem uit. Het was een armoedig vertrek: een oude houten stoel, een trapboor en een glazen kast met porseleinen potjes. Tegenover de stoel was een raam met een stuk stof ervoor gespannen, tot op schouderhoogte. Toen hij merkte dat de tandarts naderbij kwam zette de burgemeester zich schrap en deed zijn mond open. Aurelio Escovar draaide het hoofd van zijn patiënt naar het licht. Nadat hij de pijnlijke kies had bekeken, deed hij met een lichte druk van zijn vingers de mond weer dicht.
‘Het moet zonder verdoving’, zei hij. ‘Waarom?’ ‘Omdat er een abces zit.’ De burgemeester keek hem recht in de ogen. ‘Vooruit dan maar’, zei hij en probeerde te glimlachen. De tandarts reageerde er niet op. Hij zette de pan met de uitgekookte instrumenten op de tafel en haalde ze met een koude tang uit het water, nog steeds zonder zich te haasten. Daarna trok hij met de punt van zijn schoen de spuwbak dichterbij en ging zijn handen wassen in de waskom. Hij deed dit alles zonder naar de burgemeester te kijken. Maar deze volgde hem voortdurend met zijn ogen.
Het was een verstandskies in de onderkaak. De tandarts ging wijdbeens staan en klemde de hete tang om de kies. De burgemeester greep zich beet aan de leuning van de stoel, zette zich schrap en voelde een ijzige leegte in zijn buik, maar er kwam geen geluid over zijn lippen. De tandarts bewoog alleen zijn pols. Zonder wrok, eerder teder, met een bittere ondertoon in zijn stem, zei hij: ‘Hiermee boet je voor twintig doden, luitenant!’
De burgemeester voelde het kraken in zijn kaak en de tranen sprongen hem in de ogen. Maar hij slaakte pas een zucht toen hij de kies eruit voelde komen. Toen zag hij hem door zijn tranen heen. Het leek hem dat die kies niets met zijn pijn te maken had en hij kon niet begrijpen dat die hem de afgelopen vijf nachten zo had gekweld. Over de spuwbak hangend, bezweet en hijgend, knoopte hij zijn uniformjasje open en tastte naar zijn zakdoek in zijn broekzak. De tandarts gaf hem een schone doek. ‘Veeg uw tranen maar af’, zei hij.
De burgemeester deed het. Hij zat te beven. Terwijl de tandarts zijn handen stond te wassen, zag hij boven zich het beschadigde plafond en een stoffig spinnenweb met spinneneitjes en dode insecten. De tandarts liep terug naar de stoel en droogde onderwijl zijn handen af.
‘U moet naar bed gaan’, zei hij, ‘en flink spoelen met zout water.’ De burgemeester stond op, bracht onverschillig de militaire groet en liep met houterige stappen naar de deur, zonder zijn uniformjasje weer dicht te knopen.
‘U stuurt de rekening wel.’ ‘Aan u of aan de gemeente?’ De burgemeester keek hem niet aan. Hij deed de deur dicht en zei toen door het gaas: ‘Dat is toch één pot nat.’


[uit: Gabriel García Márquez, Alle verhalen, derde druk. Meulenhoff/‘de Volkskrant’, 2008.]


donderdag 8 mei 2014

Een indiaanse vertelling

Zesde klassers van de school in een inheems dorp aan de rivier maakten kennis met het verhaal ‘Toewie en Kroemoe’ uit de bundel Indiaanse vertellingen van Cirino. Het verhaal staat hieronder.

Het slot is dat de jongen, Kroemoe, een grote aasgier blijkt te zijn en dat het meisje, Toewie, door hem meegenomen wordt de lucht in. Hoog aan de hemel wordt zij een stralende ster. Dit past in het beeld van de inheemse cultuur der Amerika’s: de eenheid van het heelal en de wereld met sterren, maan, zon, mensen, dieren en planten. Vanuit dit eenheidsbeeld kan alles ook in elkaar opgaan. En dat vinden we terug in veel inheemse verhalen, in Suriname en in alle andere Amerikaanse landen waar inheemsen wonen. De leerlingen van deze zesde klas waren geboeid door het verhaal en beeldden het uit. Het beeld van eenheid kennen ze niet, alleen een christelijk mens- en wereldbeeld. Zij en ook hun juf betreuren dat. In Frans-Guyana hebben de leerlingen in inheemse dorpen les in de eigen cultuur, gewoon een schoolvak!!!

Toeiwe en Kroemoe

In het dorp Pierrekondre woonde een mooi meisje. Toewie heette ze. Ze was slank en haar huid was roodbruin. Ze droeg haar haar in twee stevige vlechten over haar schouders.
Wanneer de cassave-oogst goed was geweest, werd overal in het dorp feest gevierd. Dit om de geest die voor de kostgrondjes zorgde, gunstig te stemmen en om van hem gedaan te krijgen dat hij de volgende oogst weer goed zou laten zijn. Bij zo’n feest dansten mannen en vrouwen in een groot rond kamp. Ze dansten in het rond, twee aan twee, achter elkaar. De piaimannen zaten naast elkaar op een bank hun kalebasrammelaars te draaien. Toewie en haar vriendinnen woonden zulke feesten vaak bij.

Op een dag waren de ouders van Toewie naar hun kostgrond gegaan. Het meisje was alleen thuis. Ze zat katoen te spinnen. Terwijl ze spon, neuriede ze een lied, toen ze plotseling een jonge man voor zich zag staan. De jonge indiaan was mooi uitgedost en in zijn rechterhand hield hij zijn pijl en boog. Hij keek Toewie diep in haar ogen. Ze bloosde en was een beetje bang van de vreemde jongeling. ‘Wil je met mij gaan hengelen?’ vroeg hij. ‘Wie ben je en wat kom je doen?’ vroeg zij op haar beurt. Ik heet Kroemoe en kom van ver’, vertelde de jonge man. ‘Ik heet Toewie’, zei ze, ‘maar ik kan niet met je gaan hengelen, want ik mag niet met een vreemde uitgaan.’

Even plotseling als Kroemoe gekomen was, net zo snel was hij verdwenen. Toewie bleef alleen met haar gedachten. Ze vond Kroemoe wel aardig en ze wilde de ontmoeting aan haar ouders vertellen als ze thuiskwamen. Maar toen ze thuisgekomen waren, zweeg Toewie. Ze had besloten de vreemde ontmoeting als een geheim voor zichzelf te bewaren.

Een paar dagen later ging Toewie naar de kreek om water te halen en daar stond Kroemoe ineens weer voor haar. Dat gebeurde vaker. Als Toewie alleen was, kwam Kroemoe, en Toewie vond het gezellig als hij er was.

Op een keer zaten ze samen aan de waterkant. In een boom vlakbij waren een paar aasgieren bezig zich met uitgespreide vleugels in de zon te verwarmen. Toewie wilde de vogels met steentjes bekogelen, maar Kroemoe bezwoer haar dit nooit te doen. Dat zou ongeluk brengen. Hij zei haar ook nooit zijn naam te noemen als de aasgieren in de buurt waren. ‘Je mag nooit Kroemoe zeggen, hoor’, zei hij, ‘want dat zal ook ongeluk brengen.’

Eigenlijk wilde Toewie aan Kroemoe vragen waarom dat niet mocht en op een dag zei ze: ‘Zeg, Kroe...’ en ze schrok, ‘bijna had ik me versproken. Maar zeg me, waarom mag ik je naam niet noemen. ‘Dat is de wet van mijn volk’, zei Kroemoe ernstig, ‘meer kan ik je niet vertellen.’ ‘O, Kroemoe’, riep Toewie ineens. Toen vlogen de stinkvogels in de boom vlakbij met veel lawaai op en Kroemoe veranderde in een aasgier met een rode kop en zwart-witte vleugels, een tingi-fowru-granman, een koningsgier.

Voordat Toewie bekomen was van de schrik, greep de vogel haar vast. ‘Je kent mijn geheim’, zei hij, ‘ik moet je meenemen. Ik ben het opperhoofd der stinkvogels.’ En hoe Toewie zich ook verzette en hoe hard ze schreeuwde, de grote vogel nam haar mee de lucht in.
‘We zullen afscheid nemen van je ouders en je dorp’, zei hij en hij streek met het meisje neer op een grote tak van een boom vlak bij haar dorp. De dorpelingen stroomden toe met pijl en boog, maar de vogel hield het huilende meisje als een schild voor zich.

Toen vloog Kroemoe op, hoger en hoger. De vogel en het meisje werden en stip, steeds kleiner tot ze niet meer te zien waren. En de indiaanse geestenleer zegt dat Toewie iedere avond als een schitterende ster aan de hemel wenkt naar haar familieleden op aarde. Dus als je op een avond een extra schitterende ster aan de hemel ziet, wie weet is het Toewie!

(uit Cirino: Indiaanse vertellingen, deel 1. Paramaribo: Bolivar editions, 1977 en 2000. Herdrukt in: Het meisje met de vogels en andere indiaanse verhalen. Voor de leerlingen van de O.S. Kwamalasamutu. Stichting PCOS, in het kader van het project ‘Change for Children’, december 2010. ISBN 978 99914 56 06 5

Inheemsen van Bigi Poika op de centrale markt in Paramaribo.
Foto © Michiel van Kempen



zondag 23 februari 2014

John Wladimir Elskamp - Als je achter twee herten rent...


Het laatste verhaal is op deze zelfde laptop waarop ik nu werk (mijn computer is gecrasht; ik lag in het ziekenhuis en een paar idioten letten op mijn huis); ik zat in de Dominicaanse Republiek in een peperduur hotel en ik verveelde me. Op gegeven moment kwam het volgende verhaal in mij op. Ik pakte mijn laptop, zette de kawinamuziek zachter en begon te schrijven. Binnen een halfuurtje was het verhaal klaar.


 
JT
Toen ik tien jaar oud was, ik zat dus in de vijfde klas lagereschool, was ik hopeloos verliefd op twee meisjes in mijn klas, JT en AS. Eigenlijk waren het drie meisjes, maar SJ ‘telde’ niet, omdat ik haar al vanaf mijn geboorte kende, ik riep haar moeder tante, en was al vanaf mijn zevende verliefd op haar; de ‘erecode’ weerhield mij ervan haar te ‘schijnen of zoeken’. Je gaat toch immers iemand die ‘familie’ is toch niet proberen te versieren? Dus houden wij het maar op het duo, JT en AS. Ik voelde immers mijn hart sneller kloppen als deze dametjes in mijn buurt kwamen, terwijl ik gewend was aan de aanwezigheid van SJ, ik ging immers vaak bij haar thuis spelen, zij had een broer die een jaartje ouder was, maar vanwege het stom onderwijssysteem (zijn ‘ongelukkige’ geboortedag) ook in de vijfde zat. Hij zat weliswaar niet bij ons in de klas, daar lantie er ook voor zorgde dat kinderen uit een gezin gescheiden zaten.

JT was een verwaand nest. Zij was uit Nederland gekomen en kwam hier in de vijfde klas, mijn klas. Haar verwaandheid sprong voort uit een combinatie van factoren; zij kwam uit het hoge noorden naar het achterlijk oord Suriname, zij was bloedmooi en sexy voor een tienjarige en zij behoorde tot het ‘femme fatale’ sterrenbeeld schorpioen –de kampioen onder de egoïsten en heksen. Als zij jou eenmaal de gunst had verleend tot je te praten en je mocht af en toe op audiëntie gaan bij hare schoonheid JT de Eerste, dan was je verloren; je moest die jongens met hangende tongen, als speelse puppies rondom haar zien, immer wachtend op en smachtend naar een aaitje. Tegen de tijd van de paasvakantie had zij gemerkt dat zij alle jongens van de klas om haar vingers kon winden, behalve ondergetekende, John Wladimir Elskamp, zoon van Jules Gerard Gustaaf Elskamp, Paraan bij acclamatie, mede-eigenaar van de plantages La Liberté en La Prosperité! Ja mensen, ook ik was van adel en hare schoonheid van Zorg en Hoop en omstreken, JT de Eerste, zou mij niet zomaar als een slaafje behandelen. Ik had al vanaf het begin gezien dat de enige manier om indruk op deze hinde te maken erop neerkwam vuur met vuur te bestrijden. Ik kapte het voor haar. Op de eerste schooldag al was het raak. Ik herinner mij dat ik bij het binnenkomen in de klas van juffrouw De Leeuw door haar aangesproken werd.

“Elskamp, ik heb gehoord dat jij nogal veel babbelt en ik ga je naast een meisje zetten.”
In die tijd was het een straf voor een jongen om naast een meisje gezet te worden.
“Ga daar naast het meisje met die rode jurk zitten.”

Ik deed mijn best mijn gezicht in plooi te houden. De juf had mij naast SJ gezet. Het was maandag 1 oktober. Gisteren nog was ik op de fiets bij SJ thuis gegaan en samen met haar broer hadden wij dolle pret gehad, toen wij ‘tarzan’ speelde op het grote erf. Ik was Tarzan geweest, SJ Jane en haar broer de schurk die SJ wilde ontvoeren. Wat later waren alle stoelen bezet en de juf zou met haar ‘maiden speech’ beginnen, maar er kwam nog iemand de klas binnen. Een oogverblindende schoonheid deed haar entree; zoals elke ‘edele’ vond zij het leuk laat te komen, zodat een ieder haar verschijnen kon opmerken en haar met ‘eerbetoon’ kon ontvangen. Mijn klassejuffrouw scheen het tegen mij te hebben, want JT moest voorlopig rechts van mij zitten; ik kwam dus tussen de dames. Ik was onder de indruk van hare mooiheid, maar de ban verdween toen ik mijn energie moest aanwenden om haar te counteren. Zij was namelijk linkshandig en ik rechtshandig; ergo, onze handen raakten elkaar, toen wij moesten schrijven. Zij wilde mijn hand wegduwen, maar ik duwde terug en er kwam een haal op haar schrift.
“Kijk wat je hebt gedaan”, siste zij mij toe.
“Dat heb jijzelf gedaan, je moet mijn hand niet zomaar wegstoten”, beet ik zachtjes terug.
Juffrouw De Leeuw had niets gemerkt. Die had het te druk met het rooster voorlezen en te vertellen wat voor een leuke vakantie zij had gehad.
“Is hij altijd zo lastig?” vroeg JT aan SJ.
“Hij is niet lastig, hij is mijn vriend.”
SJ

Crash Boom Bang! Blijkbaar ergerde SJ zich ook aan het arrogante gedrag van JT. Goede vriendinnen zijn die twee nooit echt geworden. Voor JT op onze school kwam, was SJ het mooiste meisje van de klas, misschien van de hele school, maar nooit had zij verwaand gedrag vertoond. Ondanks het feit had ik smoorverliefd op JT was, bakte ik haar in haar eigen vet, door ook een onverschillig air aan te nemen tegenover haar. En dat terwijl mijn hart overtoeren maakte als zij ook maar even in mijn richting keek.
Er waren twee vijfdeklassen. AS kwam onder dezelfde omstandigheden als JT de klas binnen. Zij had ook geen plaats, aangezien zij laat was. Het was een leuk meisje van Hindostaanse afkomst en bezat al alle schoonheid en gratie die de actrices uit India hadden. Zij kwam van een ‘koelieschool’, waar zij werd gepest door leerlingen en leerkrachten, omdat zij roomskatholiek was en geen sanathan dharm, zoals je van haar familienaam zou verwachten. Zij deed niet mee met de puja, de hindu-eredienst en at elke dag vlees, maar nog erger was dat zij toegaf dat er thuis ook gay-ghos (rundvlees) werd gekookt. Het plan van de ouders om haar in de vierde klas op een ‘koelieskoro’ te zetten werd een fiasco. Vooral waar zij ook weigerde sarnami-hindi te praten en kafri’s te veroordelen. Zij kon zich groen ergeren wanneer die achterlijke meisjes hun ‘kakere kakere’ spraken in de pauzes. Gelukkig kwam zij weer op een openbare school in de vijfde; einde Ohm Nama Shiva en Ohm Bhur Bhuwa Swaha Tat Sawitur Varinjam. Haar moeder kon haar weer rustig met een broodje zoutvlees naar school sturen. In tegenstelling tot JT was AS een en al vriendelijkheid en haar kuiltjes waren vaak te zien. Een wonder gebeurde. AS kwam bij ons in de klas te zitten, toen na een week, een schoolbank werd aangevoerd en in ons klaslokaal werd geplaatst. JT en AS kwamen naast mekaar te zitten op de nieuwe plaatsen. En zij werden goede vriendinnen, de meisjes met hun totaal verschillend karakter. Arme ik, ik werd ook op AS verliefd. Zij was ook een schoonheid voor haar leeftijd. En sexy hoor, een soort van combinatie tussen Lara Dutta, Neha Dupia en Karishma Kapoor. In die periode waren sommige van de genoemde actrices nog niet eens geboren, maar ik associeerde AS met Zeenat Aman, de ster uit Hare Rama, Hare Krishna.

In dat schooljaar ontdekte ik in mijzelf een eigenschap, waarop ik in het geheel niet trots was. Ik kon geen of moeilijk keuzes maken.  Ik was verliefd op de bloedmooie, maar superverwaande JT en ik was verliefd op de bloedmooie, supersympathieke AS, lievelingetje van de klas. De heks JT had een lief poppengezichtje en de hinde AS had een lief poppengezicht. Als JT lachte, hoorde ik belletjes rinkelen, maar als AS lachte, verscheen de zon direct van achter de wolken. Ondanks het feit dat ik het strak kapte voor JT, zag ik wel een later huwelijk met haar zitten. Ik wilde liefst vier of vijf kinderen met haar. Een huwelijk met AS behoorde ook tot de mogelijkheden. En ik wilde ook vier of vijf kinderen uit haar schoot. JT had supermooie benen en trok alleen korte rokjes aan; zij was een sexy kip voor een tienjarige. AS trok korte jurkjes aan en had supermooie benen. Zij was ook een sexy kip voor een tienjarige. Tegen het einde van het vijfde schooljaar had ik nog geen beslissing genomen.

In de zesde kwam een soort van wapenstilstand tussen JT en ik, dankzij de bemiddeling van AS. Die heks bleek wel degelijk belangstelling voor mij te hebben, ondanks haar gespeelde onverschilligheid; ik was de enige die ‘weerstand’ had geboden tegen haar ‘magic spells’, ik was de enige die niet uit haar hand at en als een puppie achter haar aanholde. Bijna had ik eens een beslissing genomen. Het gebeurde op het feest van een klasgenoot. Hij had rijke ouders en zijn opvoeding was redelijk liberaal te noemen. Hij was op een zaterdag jarig en er zou gedanst worden. De voorzaal werd lekker verduisterd en er kon flink geschuurd worden. De ouders lieten zich ‘wijselijk’ niet zien. Na een tijdlang met verschillende meisjes van de klas gedanst te hebben, vroeg ik JT ten dans. Ik schuurde haar zo hard en ik voelde dat zij ook ‘kras’ werd. Op het einde van ‘A Whiter Shade Of Pale’ had zij mij zowaar gekust en ‘getongd’. Wij dansten nog een paar slows en kusten de sterren van de hemel. Op dat moment ‘wist’ ik het; JT zou later mijn vrouw worden. Een uur later was ik van mening dat  AS mevrouw Elskamp zou worden. JT was een beetje vroeg afgehaald, omdat zij de volgende dag vroeg zou vertrekken naar Colakreek. Ik ging met AS dansen en hetzelfde als met JT gebeurde; ik zag de vier of vijf doglakoelie kindertjes al voor mij. Toen ik mijn lagerschooldiploma op zak had, had ik nog steeds geen beslissing genomen en ik herinnerde een odo:

Ef ie long baka toe dia, ie n’e soet no wang foe den toe (hatsjee!)

AS
Hoe waar was dit stukje ‘negerwijzheid’. Ik was er zelf het slachtoffer van! Affen, ik ging naar de Poolschool, JT naar de Wulfinghschool, AS naar de Hendrikschool en SJ ging, net als haar broer, naar de Graaf von Zinzendorfschool. Het contact werd minder en minder, zelfs met SJ en mijn leven begon een andere routine aan te nemen. Ik kreeg andere meisjes onder de loep, maar zij konden echt niet tippen aan het duo; eigenlijk trio, want SJ moest ook niet vergeten worden. Het was grappig, want juist deze SJ verscheen letterlijk en figuurlijk terug in mijn leven. Op een mooie zondag, ik was inmiddels zestien jaar en zat op de middelbare school, was ik alleen thuis. Lekker genietend van een koude frisdrank, muziek lekker zacht en lui achterover op een sofa, werd ik plotseling ‘gestoord’ door twee knallen. Toen ik ging kijken, bleek het dat er een meisje met een bromfiets voor mijn deur stond. SJ met een soort van ‘mobieletbrom’. Het onding had de knallen gegeven. Zij was gaan wandelen en had plotseling motorpech gekregen. Wetend dat ik niet ver van de plek des onheils woonde, dirigeerde zij het brommertje naar mij huis. De knallen werden door een slechte ontsteking veroorzaakt. Gelukkig had ik wel verstand van zaken. Terwijl SJ van een sapje genoot, maakte ik haar carburator schoon (die van die brom, dommie), schuurde wat vuil van de bougies weg en stelde het een en ander bij. Daarna werkte het perfect. Aangezien wij oudbekenden waren en zij geen haast had, zaten wij later gezellig te babbelen op de sofa. Toen plots stokte het gesprek en begonnen wij mekaar automatisch te kussen. SJ liet mij mijn gangetje gaan, totdat ik haar slipje wilde uittrekken. Zij verklaarde nog niet gereed te zijn voor ‘dat te doen’ en ik respecteerde dat. Aangezien wij doorgingen met kussen en aanraken, raakte zij later zo verhit, dat zij wel toestemde in orale seks. Het ontmaagden kon wel wachten.

Dat gebeurde twee jaar later, toen wij beiden achttien waren en zij een autootje reed. Vandaag aan de dag hebben wij vijf kinderen, twee jongens en drie meisjes, alhoewel ik op mijn tiende nooit had durven dromen dat ik juist SJ de titel van mevrouw zou geven. Ik had toentertijd  gedacht dat het JT of AS zou worden, maar ik denk, dat als je achter twee herten aanholt… de derde hond er met het been vandoor gaat!

(Santo Domingo, 19/20 november 2007)

Zo, dan heb ik niets meer te vertellen... 

zaterdag 22 februari 2014

John Wladimir Elskamp - Strafoe

Het volgend verhaal is weer een “Lolitaverhaal” (Nabakov, ie sab’ ete toch?). deze is zelfs “erger” dan Pandra Beries. Je moet echter weten dat liefde liefde is; het laat zich niet ketenen en zeker ook niet berekenen. Liefde is geen wiskunde of scheikunde en zeker geen natuurkunde; liefde laat zich niet in formules omzetten. Het gebeurt gewoon dat je iemand ontmoet en het verraderlijk hart begint sneller te kloppen....leeftijd speelt hier geen rol.



Ik zat op het bankje voor mijn huis te Abrabroki, toen een inheemse dame met een jongen op mij afkwam en mij bij mijn naam riep, terwijl zij mij als een oude bekende groette. Ik keek haar een paar seconden aan en toen kwam de herinnering als in een flits.
"Strafoe?", vroeg ik
"Je kent me nog"
Wij begonnen elkaar innig te omhelzen terwijl het jongetje er maar gelaten bij stond.
"Jouw zoon?" vroeg ik later toen wij elkaar losgelaten hadden.
"Daarover ben ik komen praten."

Even later zaten wij binnen en ik had ook kennis met Maurice gemaakt. Wij dronken lekkere stroop; ik had altijd stroop in een ijskan, voor het geval ik bezoek kreeg. Imelda had mij iets te vertellen. Maurice was niet alleen haar zoon, hij was ook míjn zoon. Het kon kloppen, maar laat mij eerst vertellen hoe ik dit meisje ontmoette en wat er jaren daarvoor was gebeurd.

Ik woonde toen niet op Abrabroki, maar op Ondrobon. Het erf was redelijk groot en mijn huis was het vijfde huis op links. Ik hield ervan om voorop te staan als de scholen uitgingen, want ik schijnde schoolmeisjes. Tegen twaalven stond ik op, baadde, at en ging vervolgens mij strategisch voorop opstellen.  Ik was twintig en zat op het IOL, waar ik scheikunde studeerde. Het was een avondcursus en ik nam overdag mijn kiek. Elke dag passeerde een piepjong meisje met haar lagereschooluniform. In die tijd was het uniform nog niet 'uniform'; zij trok een soort van blueblack korte jurk aan, met daaronder een geruite blouse. Ondanks haar jonge leeftijd had zij mooi gevormde benen en haar voorgevel vertoonde een zekere 'topografie'. Ik probeerde altijd oogcontact met haar te maken, maar zij ontweek mijn blikken handig. Later probeerde ik het met standaardzinnetjes als;"Dag lieve dame", "Hallo mooie dame", "Goedemiddag schoonheid". Maar zij deed alsof zij doof was en vervolgde haar gang. Het noodlot hielp mij een handje. Terwijl ik haar de bewuste middag al van een afstand zag aankomen, zag ik ook hoe een onverlaat haar tas trok en er vandoor ging. Hij maakte de fout om in mijn richting te komen. Een handige judogreep en wat opdoffers maakten een einde aan zijn kortstondige vlucht.
"Hier is jouw tas terug, ik vraag mij af wat deze idioten bezielt om de tas van een schoolmeisje te trekken"
"Dank je. Mijn busgeld zit erin. Anders zou ik tot naar Zorg en Hoop moeten lopen."
Terwijl wij wachtten op de politie, maakte ik kennis met Imelda. Zij was van het dorp Sipaliwini, heel dicht bij de Braziliaanse grens en ging in de stad naar school, omdat haar vader het beter achtte. Zij bleef in het internaat aan de Commewijnestraat, tegenover Oase. Toen ik voorstelde haar later op de brom naar huis te brengen wilde zij niet, omdat zij bang was om op een bromfiets te zitten, maar ik liet haar beloven dat zij op een zondag zou komen om bromfiets te leren rijden. Toen ik haar naar haar leeftijd vroeg, verraste zij mij doordat zij pas elf jaar was. Zij zag er als vijftien uit. Ik was verbaasd. Maar als je a hebt gezegd, moet je ook b zeggen. Vanafdien stopte zij even om een praatje te maken en soms bracht ik haar naar de bus. Een enkele keer kocht ik een vleesbroodje en een soft voor haar. Ik maakte vaker het grapje dat zij een goedgevormd lichaam had, maar dat ik 'strafoe' riskeerde als ik seks met haar had. Zij lachte alleen maar en verklaarde dat zij al gevoelens op dat gebied had en het niet erg zou vinden indien ik 'het' met haar deed. Zo kreeg zij de bijnaam van 'strafoe', zodat ik mijzelf eraan kon herinneren wat mijn lot zou zijn indien ik seks met Imelda had.  Af en toe wees zij mij seksboekjes, vertellende dat de meisjes op het internaat veel ouder waren en 'het' al deden, enkelen werden zogenaamd door hun 'oom' op de vrijdag opgehaald en zondag weer netjes afgeleverd; de goedgelovige zusters van het internaat dachten dan dat hun pupillen het weekend bij familie doorbrachten. Het waren ook die meisjes die clandestien de sexboekjes binnen brachten en die rouleerden. Het leek wel alsof die aan niets anders dachten. Imelda gaf toe dat als zij naar de boekjes keek, zij een soort van 'krasigevoel' van binnen kreeg en naar een manspersoon verlangde. Via de oudere meisjes had zij het 'vingeren' geleerd en deed het vaker als de lichten uitgingen. Maar zij voelde dat er 'wat' ontbrak. Misschien dat zij een echte man nodig had? Daarbij keek zij mij zo lief en onschuldig aan dat het koud zweet mij uitbrak. Het was een regelrechte uitnodiging seks met haar te hebben, maar vooralsnog hield ik mezelf onder controle.

Tijdens de grote vakantie ging mijn moeder met haar reisclub naar Curaçao, de leden hadden bijkans een jaar gespaard en fundraisingsaktiviteiten gehouden. Verder zou een zusterorganisatie op het eiland de verblijfskosten dekken, waardoor het gezelschap bijkans een maand zou kunnen vertoeven. Aangezien mijn vader een jaar daarvoor met een Guyanese deern was gaan wonen, zou ik het rijkelijk alleen hebben; ik bezat geen broertjes en zusjes, alleen een oudere zus, maar die was al getrouwd en het huis uit. Ondertussen kwam Strafoe elke zondag leren bromrijden. Zij kwam meestal tegen twee uur in de middag en wij reden dan naar Paramaribo Noord, waar zij in de rustige straten voorzichtig, door mij gecoacht, leerde bromrijden. Ik mocht zeggen dat zij er aanleg voor had, op gegeven moment nam zij de 'achten' - een reeks van rechtse bochten, gevolgd door linkse -  feilloos. Zij genoot ook ervan als het duidelijk te voelen was dat ik een erectie kreeg als ik achter haar zat. Zij drukte zich expres tegen mij aan. Ondanks haar jonge leeftijd wist zij instinctief dat mijn weerstand en 'bezwaren' met de dag minder werden.
De dag na het vertrek van ma kwam Strafoe met haar reiskoffer. Ik had haar geld gegeven en zij was met de taxi gekomen. De zusters dachten dat zij naar haar dorp ging. Zij hield van Hindostaans eten en ik had masala kip gemaakt met boulanger en gele pesie als ondersteuning. Imelda at met smaak de dhal-bhat-bhatha op. Zij had een niemendalletje van een short van 'borstrokkenstof' aan en een okselmouw truitje. Voor een elfjarige had zij reeds goedontwikkelde borsten, een pracht van een voorgevel. Toen wij klaar waren met eten, ruimde zij spontaan op en waste vaat. Ik mocht niet meehelpen.
"Ga maar baden en liggen" commandeerde zij.
Ik gehoorzaamde.

Nadat ik een tijdje op bed lag, ventilator strategisch aangezet, stopte het vaatwassen en kwam Strafoe even de kamer in om haar baddoek en een directoire te halen, waarna zij ook een bad ging nemen in de badkamergroep achterop. Later kwam zij de kamer binnen met alleen een stukje textiel dat een slipje moest voorstellen.
"Mag ik bij je komen liggen?" vroeg zij.
Het mocht.

Tegen het einde van de vakantie ging Strafoe weer mooi naar het internaat. Trots liep zij naar de poort, toen ik haar dichtbij afzette. Zij was geen meisje meer, zij was een vrouw nu. Thans had ze ook wat aan de anderen te vertellen. Het was een leuke  tijd geweest, Imelda en ik als man en vrouw. Het meisje leek in het geheel geen elf jaar, zij had het lichaam van een vijftienjarige. Bij haar ontmaagding had zij even een kik gemaakt, maar voor de rest had zij genoten en was zelf bij haar eerste keer al klaar gekomen. Ook had zij niet zoveel gebloed als ik gedacht zou hebben. Bij de tweede keer ging het al beter en bij de derde keer leek het alsof wij het al jaren deden. Strafoe had veel van mij geleerd, maar ook ik had het een en ander van het inheems meisje geleerd. Instinctief wist zij de juiste handelingen te plegen of de juiste houdingen aan te nemen. Het leek wel genetisch in haar vastgelegd. Het viel hard haar terug naar het internaat te brengen, maar mijn moeder kon anytime terugkeren en ook de school zou beginnen. Ik voelde mij leeg toen ik Imelda die zondag, voor de school zou beginnen, wegbracht op mijn brom.

De volgende dag, maandag, de eerste schooldag poseerde ik mij weer voor de poort. Ik had die morgen een brief vanuit Curaçao gekregen dat mijn moeder pas over een week zou komen, dus konden Strafoe en ik nog 'wat' doen voor ma terugkeerde. Die middag verscheen zij niet. Ook de volgende dag niet. En de dag daarop. En de dag dagen daarop. In feite zag ik haar pas weer toen ik voor mijn deur op Abrabroki stond en zij met haar zoon aankwam.

Imelda vertelde mij wat er toen gebeurd was. Toen zij die bewuste zondag bij het internaat aankwam, wachtten haar vader en de hoofdsoeur haar op. Hij had haar gezegd dat hij haar die vakantie niet zou komen halen, maar had toch tegen het einde van deze periode een boro kunnen nemen met een vlucht van de hoofdkapitein, waardoor hij alsnog zijn dochter met een bezoek kon verrassen. Een verrassing was het wel, toen bleek dat zij bij het begin van de vakantieperiode 'naar haar dorp' was vertrokken. Strafoe zweeg als het graf, alle bedreigingen ten spijt en liet niets los over haar doen en laten. De teleurgestelde vader haalde haar toen van het internaat af en bracht haar terug naar het dorp. Na een bepaalde tijd werd het overduidelijk dat zij zwanger was. Weer zweeg zij als het graf en gaf geen antwoord op de door haar vader en het dorpshoofd gestelde vragen. Ook bij de openbare zweepslagen en de mieren bleven haar kaken stijf. Er zat niets anders op dan dat haar ouders dat moesten accepteren, vooral de vader was teleurgesteld; hij had zulke grote plannen voor Imelda gehad. Tien jaar daarna was Imelda in de stad komen wonen, zij bleef bij een tante, en het had haar een jaar gekost om achter mijn verblijfplaats te komen.

(Vandaag aan de dag is mijn huis een stukje gezelliger. Ma is er niet meer, maar ik heb niet meer dat knagende eenzame gevoel. Maurice was elf toen hij hier kwam wonen, nu is hij twintig en heeft twee zusjes bij. En Strafoe is alweer zwanger!)

Zwangere vrouw met haar kinderen te Galibi. Deze vrouw heeft uiteraard niets te
maken met het fictionele relaas van Elskamp. Foto @ National Geographic Nederland



zaterdag 15 februari 2014

John Wladimir Elskamp - Geluk per ongeluk


Vroeger lachte het geluk mij niet altijd toe. Mijn leven volgde een wisselvallend patroon; soms had ik geluk, soms had ik pech, soms had ik geluk dat ik pech had en soms had ik pech dat ik geluk had. Gek no? Maar anders kan ik het niet beschrijven. Ik probeerde allerhande hossels, legaal en illegaal, maar niets pakte echt uit. Ach, vergeef mij mijn onbeschoftheid. Jullie weten niet eens wie tegen jullie praat. Sorry voor dat; mijn naam is Jimmy van der Blad. Ik ben geboren op 31 januari 1978 te Paramaribo. Mijn vader was een bakra en mijn moeder een inheemse, met wat negerbloed vermengd. Mijn moeder zag er extra sexy uit en was piepjong toen zij mij kreeg, waardoor zij altijd door mijn schoolvrienden aangegaapt werd, als zij weer eens moest verschijnen om van de directie te horen hoe ondeugend ik wel was. Mijn vader was een liberaal denkende blonde man uit Gelderland en hield niet van straffen. Mijn broertje en ik mochten nagenoeg alles doen waarin wij zin hadden, vandaar dat wij de ondeugendste jongens van de buurt en van de school waren. Robby was in feite nog erger dan ik, hij puilde uit van dekati en scheen zelfs de duivel niet te vrezen. Toen onze ouders bij een aanrijding stierven, besloten mijn broertje en ik het criminele pad op te gaan.

Toen de verkoop van schildpadeieren mislukte, schakelden wij over op  de verkoop van wiet. Robby werd opgepakt en moest vier maanden brommen; in die tijd probeerde ik legaal wat vruchten te verkopen, maar er was geen koopkracht. De bodem van onze schatkist werd zichtbaar en de kans bestond dat wij ons knus huisje op Zorg en Hoop zouden moeten verkopen. Vanuit de nor regelde Robby het met een paar nieuwe ondrogrong-vrienden zodanig dat wij een voorschot kregen, met de belofte dat wij later bolletjes zouden slikken. Onze eerste trip naar Nederland verliep nagenoeg vlekkeloos, omdat het slikken nog niet zo bekend was. In totaal maakten wij vijf trips en bij de laatste trip bleef mijn broertje met zijn schatje ondergedoken in Holland. In Suriname ging het toen weer een beetje slecht aan toe; ik moest weer de eindjes aan elkaar knopen, want niets raakte zo snel op als geld. Ik hoorde ook drie jaar niks van mijn broertje.

In het jaar 2003, begon het geluk mij echter eindelijk toe te lachen. Het begon met bericht van Robby, dat hij het eindelijk gemaakt had en dat hij eindelijk zijn MVV zou krijgen, maar dat hij daarvoor eerst terug moest naar Suriname. Geld was geen probleem, ik moest naar die en die gaan om een ‘bedragje’ in ontvangst te nemen. Zo gezegd, zo gedaan. Het bleek om een behoorlijk bedrag te gaan en voor het eerst sinds jaren kon ik weer vrij leven. Robby bleek grote man te zijn geworden in de onderwereld van P’tata; zijn lef, neus voor ‘zaken’ en intelligente geest hadden hem een zeer welvarend man gemaakt. Het werd tijd om het zaakje wit te wassen. Voor een astronomisch bedrag kocht hij een pand in het centrum van de stad en tijdens zijn verblijf in Suriname liet hij de zaak verbouwen. Er kwam een Securitybedrijf beneden, als een soort dekmantel voor de onderwereldvrienden van mijn broertje en boven mocht ik mijn intrek nemen, nadat ons ouderlijk huis was omgebouwd tot een soort van appartementencomplex. Ik werd de beheerder over de zaken van mijn broertje en hij wees mij een soort systeem aan om het zwarte geld dat hij stuurde, samen met het geld dat legaal gemaakt werd, te storten op de rekeningen en zo deze te witten. Verder moest ik ook zijn politieke vrienden, volgens een bepaald systeem, ‘wat’ toestoppen.

Via de politici werd ik ‘geregeld’ op een departement van een bepaald ministerie, waar het niet zo zwaar werken was. Al op de eerste dag, een week voor de arbeidersdag, zag ik dat het kantoor een plaats was waar mensen door politieke vrienden aan een werk geholpen werden. Er was niets bijzonders te doen dan wat formulieren in te vullen en door te sturen naar een chef, die daarna een handtekening onderin plaatste. Vervolgens werden de formulieren doorgestuurd naar ‘ergens’. Mijn medewerkers waren gezellige mensen, eeuwig glimlachten zij en hadden een relaxte uitdrukking op het gelaat. De meest opvallende was vrouw Wonnie, een sexy vijftigplusser, met goed ontwikkelde dijen. Haar make-up was niet overdreven; hier en daar geraffineerd aangebrachte kleur- , geur- en smeerstoffen maakten haar zeer gewild bij het ander geslacht. Haar verhaal was stereotiep. Nadat zij op vijftienjarige leeftijd zwanger raakte van een getrouwde man, moest zij van school. Het werd een miskraam. Wonnie zag daarna de boosdoener niet meer terug. Het enige werk wat zij toen kon vinden, was als schoonmaakster. Zij trouwde, maar haar man verliet haar, toen bleek dat zij niet meer zwanger kon raken. Mannen vond zij bij de vleet, omdat zij eruit zag als de verzoeking zelve. Aangezien zij niet vies was van een biertje, had zij de gewoonte elke zaterdag haar zuurverdiende geld in een dure bar in Paramaribo-Noord te verkwanselen. Zij zag het meer als een investering; als je anjoemara’s wilde vangen, moest je niet bang zijn jouw sriba’s op te offeren. Het lukte. Vaak genoeg belandde zij met een of andere jongeling in een hotelkamer en ging zij met meer geld naar huis dan waarmee zij de straat opgegaan was. Zo gebeurde het dat zij die ene politicus ontmoette; hij spierde niet meer, maar hield ervan vrouwen te ‘eten’, terwijl jij hem met een zweepje moest bewerken. Hij had ook handboeien, waarmee je hem aan het bed moest vastbinden. Via de ‘njangmouski’ kwam zij als beleidsmedewerker in dienst, maar zij beheerde meer de kantine van het kantoor; heerlijk waren haar broodjes en haar lunches.

Ondank het feit dat ik financieel een beetje vrij kon leven, voelde ik toch het gemis van een vrouw in mijn leven. Geld alleen maakt niet gelukkig. Het thuiskomen van het werk, waarbij vrouw en kinderen jou begroetten; dat was pas geluk. En dat bezat ik niet, ondanks de vele euro’s die mijn handen passeerden. Maar ook dat zou veranderen.

Ik herinner mij nog dat twee feestdagen na elkaar zouden volgen (ik weet niet meer welke, maar een ‘negerdag‘ en een ‘koelidag’; Phagwa en Manspasie misschien) en dat die juist op een donderdag en vrijdag zouden zijn, waardoor wij een long weekend zouden hebben. Woensdag was het dus feesten geblazen op het werk en tegen tienen zat een ieder in de kantine de bruine flessen aan te spreken en gebakken kip te eten. De njammer van onze kantinebeheerdster had diep in zijn buidel getast (we moesten immers het komend jaar op zijn partij stemmen) en wij genoten. Tegen drieën was echter alles op, omdat er ook gasten van nabijgelegen kantoren waren gekomen. Ik was al behoorlijk aangeschoten, maar kon nog wat verdragen. De meesten voelden ook zo. Er werd besloten dat wij ergens nog wat zouden gebruiken. Vrouw Wonnie had mij al die tijd zeer geil aangekeken en had mij vaker, als de anderen het niet zagen, aangeraakt in mijn kruis. Ik was zowat de enige man met wie zij niet naar bed was geweest, op die ene oema wedje na, maar die parkeerde achteruit, hij was geen zender maar een ontvanger. Misschien dat ik niet flink genoeg reageerde naar de zin van vrouw Wonnie, want toen ik voor de zoveelste maal uit het toilet (dat helemaal aan de andere kant van het gebouw was) kwam, stond zij voor mij en trok mij in een berghok.

Toen wij na zowat een kwartiertje terugkeerden zei niemand wat. Men kende de vrouw en wist dat zij niet zou rusten voor zij iets met mij gedaan had. Ik vermoedde dat velen reeds met het berghok kennis hadden gemaakt. Er stond zelfs een afgeschreven oude sofa in en ik kon maar raden naar de oorsprong van de vele vlekken op. Ik had ook wat bijgevoegd. Toen alles op was en werd besloten om ergens wat te gaan gebruiken, gaf ik te kennen eerst naar huis te gaan, omdat ik even wat zaken aangaande het bedrijfje beneden zou regelen en mij later bij hen voegen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik bereikte echter nooit de plaats van bestemming, omdat mijn lotsbestemming een andere wending zou nemen.

Aangezien er twee feestdagen zouden volgen, werd op de woensdag de koopavond gehouden en de stad was redelijk druk. Stapvoets reed mijn taxi door de straten van het centrum. Vanwege de drukte waren extra agenten ingezet om het verkeer in goede banen te leiden, maar zij zorgden voor meer verkeerschaos, omdat zij niet met een tijdslimiet werkten, zoals de verkeerslichten, maar het verkeer door lieten rijden, zolang zij auto’s zagen. Waardoor er aan de andere straat van het kruispunt een enorme file ontstond. Op die manier raakten ook de overige straten verstopt, want een ieder begon tegelijkertijd een boropasi te zoeken om de drukte te ontwijken, daarmede de drukte naar kleinere straten verplaatsend. Straten die niet berekend waren op de toestroom. Ik zat echter relaxed in de taxi. Ik had thuis een flink bad genomen en had schone kleren aangetrokken. Verder had ik geen haast. Vrouw Wonnie had zoveel genoten van het vluggertje in het berghok, dat zij mij had uitgenodigd de avond met haar door te brengen. Terwijl de chauffeur zuchtend zich door het als stroop zo traag stromende verkeer worstelde, nam ik heel rustig de stadsdrukte in mij op, genietend van het vrouwelijk schoon.

Mijn ogen vielen op een inheems meisje in uniform. Fier stond zij voorop een grote zaak. Zij zag er prachtig uit in het uniform van securityguard, het was ook een mooi uniform. Plots keek zij recht in mijn richting, de afstand was niet ver want de zaak was links van de weg en ik zat aan de linkerkant van de auto. Ik knikte haar glimlachend toe en zij knikte weer. Ik maakte een kusbeweging met mijn hand en plots zag ik haar gezicht veranderen in een soort van enthousiasme. Druk gebarend wenkte zij mij om bij haar te komen. Even was ik in tweestrijd, maar al gauw betaalde ik de chef het volle pond voor de rit naar Paramaribo-Noord en stapje daar pardoes midden in de stad, eigenlijk niet zo gek ver van mijn huis, uit.
Greicy

Sommige zaken hebben geen logische verklaring, maar terwijl ik naar de dame toeliep begon mijn hart sneller te kloppen en ik zag haar ook zenuwachtig naar mij kijken, alsof zij bang was dat ik in de laatste seconde weer in de taxi zou stappen; deze stond nagenoeg nog op dezelfde plek. Toen ik mijn hand uitstak, deed zij alsof zij die niet zag, of het gebaar niet begreep, want zij omhelsde mij als een oude kennis. Ik weet niet wat er op dat moment in mij omging omdat er belletjes rinkelden, klokken luidden, bloemen uit de grond kwamen en ik had ook het gevoel dat ik begon te zweven. Met haar ging het volgens mij ook niet anders. Ik had wel gehoord van liefde op het eerste gezicht, maar ik geloofde niet erin, maar het was wel een feit dat het al vanaf de eerste seconde klikte. Zij luisterde naar de naam Roxanne en was van Apoera. Zij was pas een maand in de stad en logeerde bij haar zuster. Dit was haar eerste job, nadat zij werk had gevonden bij een securitybedrijf en een tweeweekse training had gevolgd. Ik bleef met haar babbelen tot sluitingstijd en daarna liepen wij, als vanzelfsprekend, naar mijn huis.

Vrouw Wonnie had mij eerst boos aangekeken toen ik maandag aan het werk verscheen, maar had toch begrip getoond toen ik haar vertelde wat die woensdag gebeurd was. Zij had mij veel geluk en sterkte toegewenst en had mij weer speels in mijn kruis gehouden, waarbij zij opperde dat zij ‘dat ding van mij’ zou missen. Het was een mooi long weekend geweest met Roxanne (de meeste meisjes van Apoera hadden Engelse namen). Het geluk begon mij vanaf toen toe te lachen; ik zal jullie niet lastigvallen met details van de beginperiode. Roxanne werd een soort supervisor binnen mijn bedrijf en ik nam ontslag bij mijn lanti-job. Onze relatie scheen wel vruchtbaar te zijn want mijn schatje werd binnen vijf jaar drie keer zwanger en wel in de volgorde; meisje-jongen-meisje. Carla, John en Elisabeth. Wij bouwden in een nieuwe wijk en het werd een pracht van een huis. Mijn broer kwam naar Suriname en nam de zaken over. Ik werd gewoon een werknemer van hem, met een rijkelijke vergoeding.

Maar het begon op die ene mooie woensdag, toen ik het geluk ‘per ongeluk’ vond.

(Vele mensen vinden dat mijn verhalen niet “opvoedend” zijn; ik stimuleer het verkopen en smokkelen van drugs en het drinken van alcohol. We luku no; laten we nou een keertje met die bullshit huichelachtige mentaliteit van ons ophouden.)


vrijdag 7 februari 2014

John Wladimir Elskamp - É melhor fazer amor em portugués

(Wat dat betekent merk je wel)


Ik ben vele malen naar Brazilië geweest, meestal voor het werk, maar ik ben ook voor studie geweest. Vandaag aan de dag hoef je als Surinamer niet meer naar het land van samba en voetbal te gaan; Brazilië is naar Suriname gekomen. Om tegenwoordig Portugees te spreken hoef je niet meer die dure passage naar ons zuiderbuurland te betalen; je loopt gewoon de Tourtonnelaan in. Ik ben de taal redelijk machtig, zelf de diepere uitdrukkingen en sommige typisch Braziliaanse “dingen” versta ik ook. Het is ook publiek geheim dat ik vele relaties met de dames uit het zuiden heb gehad, ik heb zelf een dochter die anno 2010 17 jaartjes neertelt op haar kalender.


Surinaamse kers
Pitanga in het Braziliaans
Foto © Bert Ernste
Ik was op een mooie zaterdagmorgen in de stad om wat sportspulletjes te kopen. Het werd tijd om de draad weer op te pakken met het voetballen, basketballen, volleyballen en ook de moeder der sporten. Vroeger was ik een kei. Ik rende de 100m, 200m en deed aan hoog- en verspringen. In de balsporten was ik ook ongenaakbaar. Drank en vrouwen hadden echter hun tol genomen, en hoe!.  Ik was ronder dan ‘Maradopa’ (a no mi sen eng foe gebruik poeirie) geworden. Maar daar zou ik een einde aan maken. Ik had een bepaald dieet ontworpen en ik had ook een weegschaal gekocht, om mijn gewichtsverlies van dag tot dat te volgen en te noteren. Ik had ook al een loopband en een home trainer-fiets  aangeschaft en het enige wat ik moest doen was sportkleding kopen.

Toen ik een nieuwe zaak zag met vlaggen van onze zuiderburen, voetballen, monta’s, noem maar op, ging ik spontaan naar binnen. Er klonk ook bijpassende muziek uit een home theater system. Toen het meisje voor mij kwam staan, keek ik haar een paar seconden aan. Geen twijfel aan. Een Braziliaanse en wat voor eentje! Strakke jeansbroek, met lage ceintuur; naveltje zichtbaar. Zweefbloesje dat meer weg had van een gecamoufleerde bh. Zwaar geplamuurde kersrode lippen. En daar onderaan deed mij denken aan de hood van een VW-kever (nee joe dommie, a no wang insect). Lichtgrijze ogen, maar dat waren valse lenzen. “Meenemen of hier gebruiken?” scheen haar lichaam te vertellen. Toen verbrak zij de betovering door mij te vragen:”Kan ik u helpen?”
Mijn antwoord lag al klaar. “Sorry, maar ik was bezig woorden ik het Portugees te vormen, ik dacht dat je Braziliaanse was.”
“Ik ben Braziliaanse, maar ik ben hier al tien jaar, ik ben op mijn zesde gekomen en ben hier naar school gegaan.”
“Eu sou John, muito prazer para te conhecer”, stelde ik mij in haar moedertaal voor.
“Eu sou Jandira (spreek uit ‘sjaan-djie-ra’) e ou prazer e o meu”, sprak zij terug en natuurlijk moest ik haar de drie ‘standaardkusjes’ op de wang geven.

Om de betovering maar niet te verbreken, sprak ik haar door in het Portugees aan, om aan te geven waarom ik de winkel in was gelopen.
“Eu estou precisando um tenis, meias, camisa de meia e uma calsa.”
Een half uurtje later stond ik weer op straat met een paar truien, een paar sportbroeken, een trainingspak, twee paar sokken, drie paar sportschoenen, het adres van Jandira, haar telefoonnummer en een veeg lipstick op mijn wang, van een vluchtige afscheidskus.

Het ging gestaag met mijn trainingsprogramma. Het buikje was er bijna af en mijn atletische gestalte begon zich weer af te tekenen. Wij waren weer drie maanden verder en ik had vele kilootjes verloren. Ik forceerde mij niet meer op de 100 en 200 meter, maar deed het rustig op de 3km. Ik had het zo druk dat ik Jandira niet gebeld had en ik dacht eraan dat zij mijn nummer niet had; ik was helemaal vergeten haar mijn gegevens te verstrekken die dag in de sportzaak. Het werd echter weer tijd een bezoek aan dezelfde winkel te brengen en de ‘diplomatieke betrekkingen’ met het sexy meisje weer te verstevigen.

Zij was een beetje boos dat ik zo lang had gewacht met het nemen van contact met haar, maar was toch blij dat het tenminste gebeurd was. Mijn ‘nieuwe’ lichaamsbouw kreeg veel complimentjes, ook de baas van de zaak, een grijzende Braziliaan, herinnerde zich mij nog en gaf mij spontaan een trui cadeau.

Zo begon mijn relatie met het supersexy meisje met haar overdreven make-up. Ik deed nog steeds mijn oefeningen en ik hield mij min of meer nog aan het dieet, maar ik ging ook veel uit met mijn nieuwe vlam. Op de eerste dag dat wij uitgingen, verzocht Jandira mij Nederlands tot haar te spreken (opschepperig als ik was, sprak ik haar in het Portugees aan, zodat mensen konden zien dat ik de taal machtig was), omdat mensen anders zouden denken dat zij een hoer was. Ik gaf haar gelijk, mijn landgenoten met hun vooroordelen zouden inderdaad denken dat ik met een meisje van één of andere tent liep.

De eerste paar keren dat wij uitgingen, bleef het bij wat kussen en daarna bracht ik haar netjes thuis. Op een zaterdagavond waren wij naar een verjaardag gegaan; één van mijn collega’s was een biegie jarie geworden en er was een dj. Mijn schatje had een strakke legging aan en een trui, die als een tweede huid om haar zat. Tijdens het dansen van de vele soulplaten, voelde ik haar ademhaling dieper worden als ik haar op zijn ouderwets schuurde in het donker.  Zij anticipeerde ook goed op mijn bewegingen, maar dat was ook de bedoeling van soulmuziek, het was een vorm van droogneuken. Na de dansi reed ik gewoontegetrouw richting haar huis, maar zij gaf te kennen liever naar mij thuis te gaan.
 
Catalina Otavaro. Foto © Soho
Ik woonde alleen in een groot huis, omdat mijn ouders acht kinderen hadden, waarvan ik de jongste was. Als nakomertje was de zuster die voor mij volgde, tien jaar ouder. Alle broers en zussen woonden in het buitenland en men vond het al goed dat ik was blijven wonen in het ouderlijk huis, na de dood van mijn ouders. Ik had de beschikking over vele kamers en ik hield allemaal netjes en gereed, want het was gebruikelijk en vanzelfsprekend dat als familieleden uit het buitenland kwamen, of als ze uit Nickerie kwamen, dat zij bij mij bleven. Ik verwisselde ook vaak van kamer, alhoewel mijn favoriete de grote kamer met ingebouwde bad en toilet was. Sinds mijn programma had ik ook de laatste kamer als een gym ingericht. Jandira koos voor de grote kamer met bad en toilet.
“Laten wij eerst een bad nemen”, stelde ik voor.
“Oké.”
Toen wij naakt onder de enorme douche stonden en wij begonnen te kussen, onderbrak Jandira deze bezigheid even.
“Agora pode falar português”, gaf zij te kennen (Nu kan je Portugees spreken)
“Porque?” (waarom?), vroeg ik. Ik was al eraan gewend Nederlands tot haar te spreken.

“Porque é melhor fazer amor em português” (omdat het beter is de liefde te bedrijven in Portugees), zei ze en plantte haar lippen weer op de mijne. 

maandag 3 februari 2014

John Wladimir Elskamp - Pandra beries

Foto© Stuart Vrede
(Tu saram dewe palwár ke)

Het eerste dat mij bij het meisje opviel, was het feit dat zij een goedontwikkelde boezem had. Pittig en vrijpostig staken haar 'bobbetjes' naar voren. Ik wist dat zij een oogje op mij had en om mij steeds weer in de winkel van Moenalal kwam. Zij keek mij altijd uitdagend aan, ik zat meestal bier te drinken aan het tafeltje onder de tent voor de winkel, om vervolgens de winkel in te gaan om iets onzinnigs te kopen. Zij zag er jong en fris uit, maar vooralsnog wilde ik geen 'wanpipeltoestanden' hebben. Zij was een Hindostaanse en ik een Creool (eigenlijk een dogla, maar voor mijn baywa's maakte het niet uit). Ik was ook een behoorlijk aantal jaren ouder; zij was een tiener en ik was toen dichtbij de dertig, maar ja... hoe jonger de duif, hoe krachtiger de soep.

Ik ontdekte de winkel van Moenalal min of meer per ongeluk, toen ik de verkeerde zijstraat nam om ergens met een 'koelieband' te gaan oefenen. Lekker gelegen, met veel parkeerruimte en een tent voor de winkel om de 'zuipgasten' te accommoderen, lekkere masalavlees en gebakken vis; kortom, de plaats was ideaal. Moenalal legde mij die dag uit dat ik niet hoefde te draaien, maar verderop, via een andere zijstraat, in de juiste straat zou komen. Niet ver vandaar was de oefenlokatie. Ik dacht het meisje ook die dag in de winkel gezien te hebben, maar ik kon mij ook vergissen. Daags daarna was ik weer bij Moenalal. Ik werd vaste gast. Vaker bracht ik een van de bandleden mee en het was meer regel dan uitzondering dat wij Hindostaanse muziek ten gehore brachten, waarbij de tafels als tabla en dholek gebruikt werden. De eigenaar vond het niet erg, hij genoot er juist van en het bracht klanten naar de zaak.

Het meisje woonde schuins tegenover de winkel. Zij zat een keertje bij het raam van haar eenvoudig houten huisje en ik wuifde voor haar en maakte kusbewegingen. Prompt gaf zij dezelfde response. En zo kwam zij haar show maken en gekke dingen als snoep, lollipop, popcicle en dergelijke kopen. De meeste gasten deden alsof zij niet zagen dat het jong meisje zich aan mij wilde opdringen; ik was een soort van celebrity geworden bij Moenalal. Een kafri die alle Hindostaanse liedjes uit het hoofd kende en ook goed het ritme op de tafeltjes van de bar kon slaan.

Ik herinner mij nog die regenachtige dag, een vrijdagmiddag. Het had nagenoeg de hele dag geregend in de stad, maar tegen vieren klaarde het weer een beetje op. Wij zouden oefenen met de band, maar dat zou pas tegen zessen beginnen. Desondanks was ik al bij Moenalal, omdat ik alvast “iets” in het bloed wilde hebben; Hindostaanse muziek klonk en speelde beter als jouw bloed wat ethanol bevatte en ik wilde ook het meisje ontmoeten. De vorige avond had ik een natte droom gehad, mijn deken bevatte een spermatozoïde, liquide stof, met een bepaalde viscositeit (a mang John ey gebruik wan l’o hoge woorde; zeg gewoon dat trek op die vokkieng deken was). Ik wist zeker dat zij de protagonist (a mang John, praat normaal no!) in de droom was. En het was geen “bolliewoetdroom” hoor; er werd echt “iets” gedaan in mijn droom. Het meisje had pittige borsten en waar haar benen bij elkaar kwamen, had zij ook een indrukwekkende driehoekvorm. Het werd tijd om van de verboden vrucht te proeven.

Ik had mijn auto strategisch geparkeerd. Bijna niemand kwam achter de winkel, slechts een enkele boromang van de andere straat riskeerde een slangenbeet om zo tijd te besparen om Moenalal te bereiken. Nauwelijks zat ik met mijn sopie, of het meisje kwam en nauwelijks was zij onder de tent, of de regen kwam en hoe! Met bakken tegelijk viel Gods water over Gods akker. Ik wenkte haar met mij in de auto te gaan zitten en zij hapte toe. De auto zat ook onder het dak van de tent, omdat de eigenaar zelf zijn voertuig daar zette en dus de tent naar de achterkant verlengd had. Ik had mijn lippen al op de hare en zou net mijn tong introduceren in het spel, toen een barse stem klonk; “Sunita, kha behl. Tu saram dewe palwár ke. Pandra beries....”*. de rest van zijn woorden gingen verloren in het lawaai van de regen op het dak van de tent, maar ook omdat hij verder liep; het was een van de zeldzame boromangs van de andere straat die de “binnendoor route” achter het erf van de winkel namen. Ik had echter al genoeg gehoord. De man vroeg aan Sunita wat ze deed en zei dat ze haar familie schande gaf. Verder zei hij iets in de geest dat zij pas vijftien jaar oud was. Als bij instinkt trok ik haar bloesje naar beneden; twee tennisballen vielen eruit. Een stukje stof viel op uit haar jeans. Ik trok eraan en een hele lap stof kwam tevoorschijn. Mevrouwtje had dus mij willen verleiden door ouder te lijken; tennisballen om de bobbetjes te “vergroten” en lapje stof om de poenie een bollere vorm te geven. Het hoefde geen betoog dat ik haar flink de levieten gaf en haar naar huis stuurde. Daarna verontschuldigde ik mij bij de mannen in de bar.

(Men knikte begrijpend; in deze “koeliebuurten” worden er – verborgen voor de buitenwereld- relatief veel zedendelicten gepleegd.)

* Pandra beries = vijftien jaar oud

zondag 2 februari 2014

Triple P

Elodie Heloise
door Elodie Heloise

De vrouw tegenover me was meer dan intimiderend vrouwelijk. Net als ik een veertiger en alles aan haar was zeer goed verzorgd. Glanzend mooi lang haar, nagels als kunstwerken bewerkt, mooie ronde welvingen. Ze droeg een korte witte bodyfit jurk met een indrukwekkend décolleté en een open rug. Haar hakken zo hoog dat zelfs ik als toeschouwer de pijngrens voelen kon. Haar make-up, outfit en accesoires tot in de puntjes op elkaar afgestemd. Het soort verschijning dat hoofden, van mannen en vrouwen, doet draaien tot hoeken die het onmogelijke benaderen.  “Dress to impress, baby”, zei ze tegen me toen ik haar belde en vroeg wat ze aan zou doen.


Dat was waar ik bang voor was. Het duurt precies vijftien minuten voor mij om me ‘klaar’ te maken. Of het nou voor werk is of om uit te gaan. En in geval van een gewone werkdag is dat inclusief ontbijt maken, aankleden en opmaken. Vrouwen zoals zij maken met hun verschijning mijn latente gevoel van ‘achterstallig onderhoud’ wakker. Ze trekken alles uit de kast om vooral zo goed mogelijk voor de dag te komen en doen alsof daar geen greintje moeite voor gedaan is. Zoals zij uit het vliegtuig stapte na een reis van vijftien uur is voor mij hogere kunst. Geen haar van zijn plek, make-up die nergens uitgelopen is, een kreukloze jurk. Fris en fruitig, alsof er niets aan vooraf gegaan is. Hogere kunst neigend naar een wonder.

De wonderbaarlijke vermenigvuldiging van (delen van) Heidi Montag

De vrouw die tegenover me zat is Colombiaanse en we delen de vriendschap van onze kinderen. Ze was op bezoek op het Curacao waar ze een tijdlang woonde voordat zij scheidde van haar man en wilde graag ‘even uit’ met mij. Ze woont inmiddels al heel lang in Nederland, leeft samen met een Nederlander en vloekt in het Nederlands. Tegelijkertijd is ze zoals zij dat zegt op en top ‘Latina’ zij het met een speciale touch: ze heeft zich namelijk naar eigen zeggen de Hollandse directheid eigen gemaakt en zegt het zoals het is. We ontmoetten elkaar bij een van de vele strandtenten die dit land rijk is en die regelmatig van eigenaar wisselen omdat de horecabusiness op Curacao nou eenmaal geen gemakkelijke is.  ”Je ziet er mooi uit”, zei ze die er veel beter uitzag dan ik en begon over de exersitie die zij zich had moeten getroosten om eruit te zien zoals zij dat deed. De kapper, de nagelspecialist, het kiezen van haar outfit, het douchen en klaarmaken… meer dan drie uur was ze kwijt geweest. “Ik ben Latina, zo gaat dat bij ons. We moeten wel want er is veel concurrentie. Van al die andere Colombiaanse en Dominicaanse vrouwen. Die gaan ervoor en laten niet los wanneer ze een man ‘te pakken’ hebben. Believe me, baby.” Terwijl ze aan het praten was, werd ze ge-eyeballed door mannen van allerlei leeftijden. Een schalkse blik van een oudere meneer ving ik op, een verlegen stiekeme grijns van een stagiaire die hier ongetwijfeld een mooie droom aan overhouden zou, een ober die bijna met blad en al tegen een tafel aanliep omdat hij omkeek en behalve dat bijna zijn nek verrekte. De reacties vanuit de entourage bevestigden zonder meer dat ze een punt had.
Serena Williams

“Triple P daar gaat het om.”  En ze schetste vervolgens een beeld van haar thuisland en hoe Colombiaanse mannen in relatie tot hun partners of vriendinnen zwaar te kort schieten. “Kleine bruine piemeltjes, dat is het probleem. En dat onze mannen kennelijk niet verder komen in bed dan erop en eraf te gaan. Er wordt niet nagedacht wat wij als vrouwen fijn en lekker vinden. En daar praten vrouwen dus over. Dat er toch meer moet zijn dan dat.” Ze roerde daarmee de eerste ‘p’ van de drievoud aan ‘p’s’ aan. “Het is een belangrijke reden om verder te willen kijken. Zij die dat doen ontdekken inderdaad dat het ook anders kan.”
Bijschrift toevoegen

De tweede ‘p’ waaraan zij met klem refereerde was de p van paspoort. “Alles beter dan Colombia. Nou niet alles, maar Europa doet het goed.” Ze stak twee vingers op en benadrukte wat ze me zojuist had verteld. “Piemel en paspoort. Wanneer je die twee kan regelen zit je al veel beter dan waar je zat. Maar er is nog een belangrijke p-factor. Laat me je dat zeggen.” De derde ‘p’ was die van poen. Zo legde ze me uit. “En wanneer deze vrouwen alledrie die ingredienten in hun bereik ruiken… dan gaan ze erop af. Of die mannen nou getrouwd zijn of niet. Het maakt niets uit. Ze gaan ervoor, helemaal. Met valse wimpers, siliconen…en believe me Colombia is silicone country…alles om het beter te krijgen wordt aan het werk gezet. Triple P, zo simpel is het. En met die laatste ‘p’ moet je slim omgaan. Het goed regelen als je begrijpt wat ik bedoel. Zodat je goed achterblijft wanneer hij er niet meer is of wanneer een van je jongere concurrentes dreigt toe te slaan. Altijd oppassen en alert blijven. Vooral wanneer je ouder wordt. Zo werkt het. Vooral hier op Curacao.” Ik kon het niet helpen en bekeek haar nog eens goed. Ze raadde mijn ongeuitte vraag. “Ja hoor, ik heb ook een heleboel laten doen. Dat mag iedereen weten. Ik maak nergens een geheim van.” En bluntly honest liet ze me weten wat, waar en hoe terwijl ze me ondertussen haar potentiele vervangsters aanwees.

Het Columbiaanse model Angie Sanclemente werd in Argentinië
veroordeeld tot 7 jaar en 8 maanden wegens drugssmokkel.
 Opgave 1: wijs de verbouwingen aan in de linkse foto
Daar zaten we dan, twee vrouwen van ergens in de veertig, beiden opnieuw begonnen vanuit een alleenstaande met kinderen perspectief. Zij verhuisde om die reden naar Nederland. “Er zijn te weinig mannen op Curacao.” Ze was daar eerst onafhankelijk en vond daarna een partner. “Zelf werken en wanneer je samen bent de ‘p’ van poen goed regelen. Nu ben ik aan de beurt en alles wat ik nu doe in mijn latina-zijn, doe ik omdat ik het wil doen. Niet meer voor een man. Het geluk moet je in jezelf zoeken.”
De vrouw die tegenover me zat komt uit een andere cultuur dan ik. Met heel andere gebruiken en toch, zo ontdekte ik delen we het vrouw-zijn met elkaar. Haar conclusie is ook de mijne. Beiden hebben we een lange weg afgelegd om daar te komen. Beiden hebben we ons geluk afhankelijk gesteld van mannen. Elk op onze eigen wijze en nu wij de veertig zijn gepasseerd gaat het om andere dingen zoals simpelweg gelukkig zijn. Allereerst met jezelf op de manier en met de dingen van het leven die je dat geluk brengen. We zijn die avond met z’n tweeen de dansvloer opgegaan. Zij in haar bling bling outfit, ik in mijn hippietenue en toen wij de dansvloer afgingen omdat haar extensions te heet werden zijn we schaterlachend aan de wijn gegaan. Proost, op het leven!

[van de blogspot van Elodie Heloise]


donderdag 5 december 2013

Frans Lopulalan - Zwarte Sinterklaas

Sinterklaas bestond wel degelijk in het nog tamelijk verse Indonesië van de jaren 1950.
De Grote Kindervriend – in het dagelijks leven ook wel bekend onder de naam Soekarno – deelde uit de goedheid van zijn bisschoppelijk, heilig hart per presidentieel decreet op 5 december 1957 banen uit aan de kinderen van Merdeka.
Die banen nam de Sint niet eens uit Spanje mee, nee die liet hij door zijn Zwarte Pieten afpakken van weer andere kinderen. Van kinderen die de stommiteit hadden begaan niet over de Indonesische, maar over de Nederlandse nationaliteit te beschikken.
“Maar Lieve Sinterklaas,” dorsten sommige van die stomme kinderen uit te brengen. “Ik ben helemaal geen Nederlander – Zwarte Piet mag mij onbekrompen met de roe geven als ik dat wel zou zijn – ik ben hier geboren en getogen. Het is toch zeker mijn schuld niet dat mijn overgrootmoeder beslapen werd door een Duits/Tsjechische priester uit 's-Hertogenbosch?”
Daar zat de Sint heus wel een beetje mee in zijn maag, want daar hadden die stoute kindertjes toch warempel een punt van heb ik jou daar.
Indische Sint, 1938

“Hoe moet dat nou?” bracht hij naar voren in conclaaf met alle Pieten.
“Ach wat,” sprak dekolonisatie-Piet. “U moet zich niet zo laten leiden door sentimenteel, al te empatisch geleuter.” De maren en de mitsen vlogen als pepernoten over tafel totdat de vloot-Piet met een lumineus plan kwam. Zoals eenieder weet kan de stoomboot onmogelijk uitvaren als niet eerst de boot-Piet daar zijn technisch verantwoorde goedkeuring aan gehecht heeft. Maar een enkele stoomboot is natuurlijk niet voldoende om tussen de derde zaterdag van november en de verjaardag van Sinterklaas alle kinderen zowel op Java als op Sumatra, zowel op Borneo als op Celebes, zowel op Ceram als op Bali van 'twee kaatsballen in een net – een letter van banket' te voorzien. Vandaar dat het ieder jaar weer een armada vanjewelste is die koers zet naar de Indonesische eilanden. Dan gaat het over schepen als de Atlantis en de Asturias. Over de Groote Beer, de Fairsea en het Zuiderkruis.
“Ik leg de vergadering een plan voor,” sprak de armada- ook wel de vloot-Piet. “Als we strakjes toch terugvaren, Sint … dan nemen we ze gewoon voor de aardigheid mee, al die huilebalken.”
“Geweldig, geweldig,” reageerde dekolonisatie-Piet. “Dat zie ik zo voor me, Goedheiligman.”
“Ja maar, ja maar,” probeerde Sint nog, maar voor hij het wist waren zijn knechten al over het ganse land uitgezwermd om al die zogeheten Nederlandse kindertjes naar Tandjoeng Priok, naar Semarang, naar Makassar te dirigeren, waarvandaan zij per boot vertrokken naar het Beloofde Nederland. Waar zij na een pleziervaart van enkele weken de zon boven de schitterende blanke top der duinen mochten zien opkomen. Waar zij in commissie met de Noordzee Neerlands smalle kust mochten begroeten.
Maar of zij daadwerkelijk hebben gezongen “Ik heb u lief, mijn Nee-hee-derland”, dat mag met recht van rede betwijfeld worden. Want wie er samen met hen in Amsterdam en in Rotterdam ook van boord gingen, Sinterklaas was er na die 5e december 1957 – ook wel Zwarte Sinterklaas genoemd – niet meer bij. Daarentegen kregen deze Indo's, deze zogeheten Indische Nederlanders wel heel vaak bezoek van een Inktzwarte Incasso-Piet, die hen kwam vertellen dat Sinterklaas helemaal niet bestaat en dat zij de kaartjes voor de bootreis dientengevolge aan de Staat der Nederlanden dienden terug te betalen.
“Jullie zagen toch de zon boven de blanke top der Hollandse duinen opkomen? Nou, dát lieve kindertjes, dát was voor niets … Maar nu … ” En zoals het een zichzelf maar al te serieus nemende Inktzwarte Incasso-Piet betaamt dreigde hij met roe en zak als men niet jaren achtereen maandelijks 60 % van het inkomen aan de quasi-Sint zou afstaan.
Sindsdien worden er in kringen van Indische Nederlanders ieder jaar rond deze tijd liedjes gezongen zoals “O kom maar niet kijken wat ik in mijn schoentje vind. Alles te danken aan die fijne Sint.”


dinsdag 3 december 2013

Eerste winter

Foto © Havé Moriaan


door Rihana Jamaludin

Dertien hoog besloegen de ruiten een hele wand. Achter het kille glas brandde de verwarming hoog. Dikke sneeuw bedekte de spoorbaan en de weilanden, in de verte lag het IJsselmeer roerloos wit. In het landschap was geen mens te zien. Gedempt klonk het gedender van de treinen, ieder uur zes maal. De hemel strekte zich grijs uit, door niets gehinderd.
Vanachter mijn werktafel zag ik de meeuwen wegtrekken met het daglicht. Als de avond was gevallen lichtte het witte landschap nog altijd op, verlaten en bewegingloos. In de flat werd het stiller naarmate de nacht vorderde. Zonder televisie gaan de uren trager.
Mijn vingers bewogen zorgvuldig. Over de gladde linoleumplaat schilde de punt van het mes groeven en sneden. De roller op de glasplaat mengde de plakkerige verf, de kamer rook naar drukinkt en terpentijn. Op de vloer lagen bonte afdrukken op oude kranten te drogen. Wat het uitzicht buiten aan kleur ontbeerde, was des te feller op de prints te zien. In de herfst was ik naar Nederland gekomen, het palet van de tropen in mijn kielzog. Herinneringen, ervaringen, wachtten sindsdien om aan het linoleum toevertrouwd te worden.

Als de linosnede gereed was, veegde ik alle afgesneden krullen en restjes eraf, verschoonde de kranten op tafel en drukte de verf uit de tubes op de glasplaat. Met rollers inktte ik de linosnede grondig in. Daarna werd het papier er voorzichtig op gelegd en aangedrukt. Vervolgens verhuisde de snede met papier en al naar de vloer, waar ik er met kousenvoeten op ging staan. Bij gebrek aan een drukpers, drukte ik de prints af met mijn gewicht. En dan kwam het moment suprême: het papier werd voorzichtig verwijderd en liet de verrassende afdruk zien. Alsof een kind geboren werd, iedere keer opnieuw, iedere afdruk, elke kleurige afbeelding bracht weer euforie.

Terwijl ik de rollers met doeken schoon poetste, sloeg de buitendeur en klonken voetstappen op de gang. Stemmen van ganggenoten klonken, woorden in een andere taal. Ik wist dat ze weer buiten waren geweest. Midden in de nacht was de omgeving draaglijker. In het donker vielen de verschillen weg, raakten de huizen op de achtergrond, en waar nog licht brandde was het feest. Of wat daarvoor doorging: het rokerige café, de sjofele studentendiscotheek. Zij waren ontheemden als ik; asielzoekers, vluchtelingen, migranten. Als schimmen slopen ze door de gang, slenterden over straat, wachtten op de hoek of er iets van hun oude leven terug zou keren. Het hoofd vol van een andere tijd, van een vervlogen verleden, dat ´s nachts naar voren trad en hen liet spoken over pleinen, dwalen als een oergeest tussen torenflats. Hunkerend naar de oude rituelen en worstelend om verflauwde herinneringen levendig te houden. Zoekend naar een bekend gezicht, of naar vergetelheid.
In gedachten zag ik hoe ze onbewust de krijtlijnen trokken van een nieuwe rite. Hoe de straatstenen hun rouw opsloegen en plantsoenen dolenden lokten. Zelfs als hun lichamen al lang weer terug waren in hun eenzame kamers, hing hun geest nog in de nevelige straten van de slapende stad.
Dan sloop ik daar rond om de sporen te lezen en dromen te vangen. Met mijn gereedschap schetste ik een uitweg in de doolhof van lantaarnpalen en graffiti. Kraste tekens en aanwijzingen voor de zwervers. Met het paletmes groef ik tussen de klinkers, wroette in de koude aarde, tekende wortels, ijl als lucht.

Tot de slaap kwam met zachte tred.
Bij dageraad verschool de geest zich in de schaduwen van de gevels en wachtte. De morgen kwam met het geronk van auto´s en de drukte ving aan, de geest beidde zijn tijd in een lange wake, waarin de klokwijzers traag verschoven, geluiden van de dag in betekenisloze parade voorbij trokken. Tot de straten leger werden, het verkeerslawaai wegstierf, de nachtschuimers naar de stad kwamen. De geest trad uit zijn nis.

dinsdag 12 november 2013

De kat en de muizenrechten

Een fabel

door Theo Hiemcke


Er was eens een kat die meende een verhaal te moeten vertellen over muizenrechten. Ze meende dat veel muizen daar te weinig begrip voor hadden en dat ze hen moest uitleggen hoe het daarmee zat. De muizen luisterden aandachtig naar haar verhaal in de veronderstelling dat ze er iets van konden leren. De kat vertelde dat ze het goed meende met de muizen en het beste met hen voor had. Ze hield echt van muizen en respecteerde hun ideeën en gevoelens. Ze wist alles van muizen en had veel voor hen over. Ze verbleef graag in de buurt van muizen om hen nog beter te leren kennen en begrijpen. Na deze uitleg hoefde niemand meer aan haar goede bedoelingen te twijfelen. Als ze goed naar haar verhaal luisterden zouden ze beseffen dat ze een echte muizenvriend was. Veel muizen vonden het een mooi verhaal en complimenteerden de kat. Er waren onder de muizen echter een paar scherpzinnige types die het mooie verhaal van de kat niet vertrouwden en haar verweten dat ze muizen kwelde en zelfs opvrat. Ze beweerden dat de kat hen pijnigde en onrecht aandeed en dat muizen zich in haar nabijheid onveilig voelden. Dat de wijze waarop ze meende van muizen te houden hen niet aanstond. Dat haar verhaal diende om de muizen gerust te stellen zodat ze ongehinderd met haar levenswijze kon doorgaan. Ze meenden dat ze puur uit eigenbelang ongevoelig was voor hun gerechtvaardigde bezwaren. Dat viel bij de kat absoluut niet in goede aarde. Ze begreep er niets van en verweet de muizen haar vijandig en vals te bejegenen en ten onrechte haar goede bedoelingen verdacht te maken. Dat ze muizen opat was juist het bewijs hoeveel ze van hen hield. De muizen vergistten zich volgens haar en wilden haar reputatie alleen maar beschadigen.      
De kat en de muizen konden het maar niet met elkaar eens worden en dat is sindsdien zo gebleven.