door Els Moor
Na lange tijd ontvingen we weer een OSO en wel half oktober 2013 het nummer van mei 2013. Jaarlijks is het
mei-nummer voor een groot deel gewijd aan het colloquium dat in november van
het jaar ervoor gehouden werd door de stichting Instituut ter Bevordering van
de Surinamistiek (IBS). In november 2012 was het thema ‘Taal Tori: Kultura den
Boka’. Het uitgangspunt van het colloquium was dat taal levend is en dus
verandert.
Drie artikelen zijn er waarin de Surinaamse taalsituatie een
rol speelt en twee over die van Curaçao. Uiteraard bevat deze OSO recensies van recent verschenen
werk en van Michiel van Kempen is er ‘In memoriam Jan van Donselaar’. We
berspreken hier alleen de artikelen die te maken hebben met de taalsituatie in
Suriname.
In de eerste bijdrage geeft Pieter Muysken - hoogleraar taalwetenschap
aan de Radboud-universiteit Nijmegen - een overzicht van de ‘Meertaligheid in
het Caraïbisch Gebied en Suriname’. Hij begint met een beeld van meertaligheid
in het algemeen. Waarom is er niet één taal in de wereld? Een interessante
vraag. Taal is een stuk identiteit en het ene volk is anders dan het andere. Zo
is het gegroeid en zo gaat het nog steeds.
![]() |
| Foto © H. Nanpersad |
Twee opvattingen van Muysken doen vragen rijzen. Zo beweert
hij dat creooltalen, ook het Sranantongo, ondergewaardeerd worden. Letterlijk
zegt hij: ‘Een creooltaal wordt dan vaak ook als iets waardeloos beschouwd.’
Dit mede omdat creooltalen eenvoudiger zijn qua verbuigingen en vervoegingen
dan de officiële talen, bij ons dus het Nederlands. Maar creooltalen horen toch
juist heel sterk bij de ‘identiteit’? Is die identiteit dan minderwaardig?
Muysken geeft tevens een schematische indeling van talen waarbij ze als het
ware op een ladder te zien zijn. ‘Hoog’ zijn talen voor onderwijs en bestuur, ‘Midden’
talen op straat en op het werk en ‘Laag’ talen die thuis gesproken worden,
onder vrienden en in intieme situaties. Ik zou ‘hoog’ als volgt willen
interpreteren: hoe hoger op de ladder, hoe verder van de grond, van de
dagelijkse werkelijkheid, van de identiteit. Maar of de wetenschappers ‘hoog’ en
‘laag’ ook zo uitleggen? Als professor ben je immers ‘hoog’ en als jager en
kostgrondjeshouder in een dorp in het binnenland, die zijn eigen taal spreekt, ben
je dan ‘laag’? Wel dicht bij je eigen grond! In Suriname is het Nederlands
natuurlijk ‘hoog’, het Sranan en vaak ook het Sarnámi ‘midden’ en veel
thuistalen van volken in het binnenland ‘laag’. Muysken geeft toe dat er nog
veel onderzoek verricht moet worden om alle talen hun plaats te geven. Pieter
Muysken heeft achter zijn bureau op de Nederlandse universiteit zijn betoog
opgebouwd. Als talen inderdaad ‘levend’ zijn, moet je dat echter laten zíén.
Hoe talen functioneren in Suriname, binnen de leefwereld van verschillende
groeperingen, wat voor Nederlands ons Surinaams-Nederlands is... daarvan zien
we niets. Talen hebben onderscheiden functies en sommige talen worden
geschreven en andere niet. Het Nederlands is ook de onderwijstaal en voor heel
veel kinderen hier is dat een probleem. Maar ook vanuit je eigen taal,
identiteit en leefwereld, kun je die vreemde andere taal leren en gelukkig
gebeurt dit al op sommige scholen in het binnenland. In ieder geval ‘leeft’ de
taal dan voor degene die hem leert! In de wetenschappelijke artikelen vinden we
heel weinig over de manieren waarop men in Suriname omgaat met de
taalproblemen, met name in het onderwijs. Sommige thuistalen leven niet meer,
gaan dood, zoals sommige inheemse talen in Suriname, Muysken noemt het Warao.
Dat komt vaak doordat jongeren vervreemden van hun eigen taal en steeds meer
een eigen taal met elkaar spreken, hier vaak een mengsel van Surinaams-Nederlands
en de lingua franca het Sranan. Maar dat vermeldt de auteur niet.
![]() |
| Foto © Neizvecten |
Het tweede artikel van Sjaak Kroon & Kutlay Yagmur - ook
hoogleraren - gaat over ‘Taalbeleidsonderzoek en taalbeleidsontwikkeling voor
het onderwijs in Suriname’. Ze doen verslag van het landelijk
thuistaalonderzoek in Suriname dat van 2007 tot 2009 werd uitgevoerd op
initiatief van de Nederlandse Taalunie en het Minov door de universiteit van
Tilburg. Bij dit onderzoek werden 22.643 leerlingen van de klassen 4, 5 en 6
van glo en van lbgo en mulo gevraagd naar hun thuistaalsituatie. Het doel was
gegevens te verschaffen ten behoeve van het taalbeleid in Suriname: moeten ook
andere talen dan het Nederlands een rol gaan spelen in het onderwijs? Leerkrachten
ondersteunden de leerlingen en de antwoorden waren makkelijk te geven via het
aankruisen van een bolletje. Wat de schrijvers op pagina 25 zelf ook aangeven
is de vraag of deze methode, binnen de school en met hulp van de klassenleerkracht,
wel leidt tot het weergeven van de werkelijke taalsituatie. Of geven de
jongeren sociaal wenselijke antwoorden? In totaal hebben de leerlingen 52 talen
genoemd die thuis gesproken worden. Dat is verrassend. Op grond van de
resultaten hebben de onderzoekers een top 14 samengesteld. Daarin staat in
bijna alle districten Nederlands op de eerste plaats als thuistaal. Alleen in
Brokopondo niet, daar is dat het Saramakaans. Vaak staat het Sranan op de
tweede plaats, in Saramacca en Nickerie het Sarnámi en in Sipaliwini het
Saramakaans. Veel leerlingen geven via de vragen ook aan dat ze het Nederlands
goed beheersen. Dit onderzoek is uitermate vaag. De meeste leerlingen wonen in de
stad en nabije districten, waar het Nederlands inderdaad bijna door iedereen redelijk
tot goed gesproken wordt. Hoe zit het met kinderen uit de volkswijken in de
stad, in de verdere districten en vooral in het binnenland tot het uiterste
zuiden, waar niemand meer Nederlands spreekt en de schooltaal dus zowat
onmogelijk is voor de kinderen? En al die kinderen en vooral jongeren die niet
meer op school zijn? Degenen die op lbgo en mulo terechtkomen, hebben de toets
gehaald, zijn voornamelijk uit de stad en de nabije districten, maar hoe verderaf
je komt, hoe meer het afneemt.
![]() |
| De Europese geleerde bril. Foto © P. Muysken |
Het derde artikel is van Margot van den Berg. Zij is
wetenschapper aan de universiteit van Nijmegen. Het is een verslag van een
onderzoek naar contacten tussen talen en daarmee samenhangend
taalveranderingen. Taal wordt daarbij aan identiteit gekoppeld. In het
onderzoek wordt taalvariatie aangetoond in verschillende talen, het Sranantongo,
het Sarnámi en het Aukaans. Het onderzoek laat zien dat de talen steeds meer op
elkaar gaan lijken. De talen in Suriname veranderen wel degelijk. (Zoals
overal: hoe is het Nederlands niet veranderd in de laatste dertig jaar. Het is
veel meer aangepast aan de ‘platte’ taal van het volk, de elite spreekt vaak
nog ‘netjes’.) Hein Eersel heeft in 1983 al gezegd: ‘Het systeem is aan het
veranderen’. Dat doet het nog steeds, alles wat leeft verandert, meestal onder
invloed van anderen. Taal leeft! De drie artikelen zijn helaas niet echt uit
het ‘taal-leven’ gegrepen! OSO is een
‘Tijdschrift voor Surinamistiek’, maar helaas is die surinamistiek steeds meer
vanuit Europese geleerde brillen. Dat zie je ook aan de literatuurlijsten bij
de artikelen. En dat terwijl er ook vanuit Surinaams perspectief veel over
geschreven is.
KIT Publishers: OSO
Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch Gebied; jaargang 32, nr.
1, mei 2013. ISSN 0167-4099
Opmerking van de redactie van dWTL: terwijl we bezig waren
met deze pagina ontvingen we de nieuwe His/her
TORI, Tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, nummer 4 van
juli 2013. We zullen het zo gauw mogelijk bespreken. Het gaat over ‘feestdagen’
in Suriname. Het onderwerp geeft hoop dat we actuele en historische informatie
krijgen, vanuit Surinaams ‘levend’ perspectief!









.jpg)