Posts tonen met het label Kagie Rudie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kagie Rudie. Alle posts tonen

dinsdag 29 oktober 2013

Bikkel & Kagie: een stukje onverwerkt verleden temmen

door Walter Lotens

De jonge Nederlandse journalist Rudie Kagie vertrekt naar Suriname op een ogenblik dat geen enkele Nederlandse krant zit te wachten op een correspondent in de West. Dat was net voor de militaire coup van 25 februari 1980 waardoor 16 sergeanten onder leiding van een zekere Desi Bouterse de macht overnamen. Vanaf toen ging de aandacht van de wereld, en zeker van Nederland, uit naar dat landje waar nooit iets gebeurde en toch zeker geen staatsgreep. Kagie krijgt een opdracht van NRC-Handelsblad en beschrijft wat er gebeurt in dat gewezen wingewest van Nederland.

Fred Ormskerk in TRIS-uniform met echtgenote Silvy (l.) in de haven van Paramaribo, 1962.
Privébezit Henk Doorn


Een gewezen wingewest, Suriname voor en na de staatsgreep is ook de titel van het werk dat hij in 1980 schreef op basis van zijn dagbladreportages. Het is een goed geschreven boek van een journalist - hij bedankt de linkse Surinamer Sandew Hira voor zijn speurwerk en kritische zin - die niet onsympathiek stond ten aanzien van ‘onze jongens’ die op dat ogenblik van velen het voordeel van de twijfel kregen. Zijn verhouding met de militairen krijgt echter een heel andere wending wanneer hij verneemt dat Fred Ormskerk, een oud-militair van Surinaamse origine die net terug was in het land, in zeer verdachte omstandigheden om het leven was gekomen in de grootste kazerne van Paramaribo. Op een nacht in 1980 wordt hij onzacht van zijn bed geplukt en voor ondervraging overgebracht naar de Memre Boekoe-kazerne waar hij door leden van de Nationale Militaire Raad (Desi Bouterse, Chas Mijnals, Roy Horb en Stanley Joeman) aan een zeer hardhandig kruisverhoor wordt  onderworpen. De militairen verwijten hem een handlanger te zijn van het koloniale Nederland en verbieden hem, op gevaar van erger, om nog over het geval-Ormskerk te publiceren. Na die dreigementen pakt de Nederlandse journalist zijn koffer en verlaat via een sluipweg het land.


Fred Ormskerk op patrouille met het 3de Peloton A-compagnie in 1971. Foto Ger Loeffen

De dood van Fred Ormskerk werd afgedaan als een ‘incident’, ook door een voorzichtig Nederland dat het voordeel van de twijfel gaf aan de militairen. Door de Surinaamse ziekenhuisarts Albert Vrede die als patholoog-anatoom optrad werd een hersenoedeem als gevolg van inwerking van stomp geweld geconstateerd. Het stoffelijk overschot werd naar Nederland overgebracht, waar het op 19 mei 1980 opnieuw werd onderzocht, nu door dr. Jan Zeldenrust. Deze constateerde onderhuidse bloeduitstortingen en diverse versplinterde ribben. Ormskerk was Nederlands staatsburger, maar het toenmalige kabinet-Van Agt reageerde zeer omzichtig. In zijn antwoord op schriftelijke vragen van PvdA-kamerleden verzweeg minister van Justitie Job De Ruiter het door Vrede geconstateerde hersenoedeem en meldde hij slechts dat door Zeldenrust de doodsoorzaak niet definitief kon worden vastgesteld omdat deze nog op het sectierapport van Vrede wachtte, dat uiteindelijk slechts een zeer summier A4’tje bleek te zijn.

Als op 8 december 1982 vijftien prominente Surinamers worden doodgeschoten in het militaire cellencomplex van Fort Zeelandia, verliest het Bouterse-regime echter heel veel krediet en vervalt het voordeel van de twijfel ten aanzien van het militaire bewind in Suriname voor Nederland. ‘Op de vlucht neergeschoten,’ luidde het officieel en weinig vindingrijk. De toedracht van de zogenaamde decembermoorden werd gedurende vijf jaar diepgaand door de Surinaamse justitie onderzocht, maar nadat de hoofdverdachte Desi Bouterse Surinaams president is geworden, werd een  amnestiewet uitgevaardigd waardoor hij en de andere verdachten waarschijnlijk verder buiten schot zullen blijven. Ook de daders van de moord op Fred Ormskerk werden nooit opgespoord.
Daarom trekt Rudie Kagie, meer dan dertig jaar na de feiten en nu werkzaam voor Vrij Nederland - volop in het Bouterse-tijdperk -, opnieuw naar Suriname om meer te vernemen over wat hij in de ondertitel van zijn boek als de eerste politieke moord van het Bouterse-regime bestempeld.
Bikkel is het journalistieke onderzoek naar de dood van Fred Ormskerk, naar de omstandigheden van zijn overlijden, maar ook naar zijn drijfveren om in het Suriname na de militaire staatsgreep op te duiken en tevens naar de persoonlijkheid van deze bikkelharde militair, die vandaar de roepnaam ‘bikkel’ kreeg.

Ormskerk wordt omschreven als ijzervreter, driftkop, bloedfanatiek, streng maar rechtvaardig, keihard voor zichzelf (en zijn negen kinderen...), Spartaans, militair in het kwadraat en bovendien uitzonderlijk sterk. Iedereen, zo merkt Kagie op, sprak met veel respect over deze volbloed militair. Na het vertrek van de TRIS (Troepenmacht in Suriname) in 1975 treedt Ormskerk in dienst van de gloednieuwe Surinaamse KrijgsMacht (SKM), maar hij vindt dat de bevelhebber, kolonel Elstak, er een potje van maakt. En hij is niet de enige. Dat vinden Bouterse en zijn kompanen ook. Elstak wordt door velen een verwaande grappenmaker genoemd. De verhouding tussen Elstak en de (onder)officieren verslechtert al snel en is zeker een van de belangrijke redenen geweest die geleid hebben tot de militaire coup van 25 februari 1980. Op dat ogenblik was Ormskerk al uit dienst. Om persoonlijke redenen vertrekt hij in 1979 - hij is dan 56 jaar - met pensioen naar zijn gezin in Nederland. Maar deze militair-in-hart-en-nieren kan niet wennen in een keurige rijtjeswoning en zijn opvoedingsmethoden worden hem door zijn vrouw ook niet in dank afgenomen. Zij noemt hem 'totaal verslaafd' aan het leger en zó streng voor de kinderen dat die blij waren als hij er niet was (p. 54).

In Nederland hoort de gepensioneerde militair dat er een coup heeft plaatsgevonden in Suriname. Hij is in het geheel niet verbaasd, want al sinds 1979 circuleerden er verschillende initiatieven voor een staatsgreep. Ormskerk is integendeel zeer enthousiast. Zijn ‘jongens’ hebben het toch maar voor elkaar gekregen! En is hij niet een god voor die ‘jongens’? Hij belt met Suriname in de veronderstelling dat ze hem daar goed kunnen gebruiken, maar Bouterse zit niet op hem te wachten. Volgens auteur Kagie moet er toen iets in Ormskerk geknapt zijn en wordt hij van medestander tegenstander. Als hij na een aantal geheimzinnige besprekingen met andere tegenstanders van de NMR in Nederland plotseling zijn gezin meldt dat hij er even 'tussenuit' moet naar Parijs, is zijn vrouw blij. Ze heeft hem niet meer levend gezien. Een paar dagen later duikt hij op in Frans-Guyana, reist via Albina naar Paramaribo en wordt gearresteerd met al zijn coupplannen in zijn bagage.

Ormskerk wordt tijdens zijn verhoor op 1 mei geslagen en zodanig mishandeld dat hij overlijdt. De volgende ochtend wordt hij dood in zijn cel aangetroffen, waarna het militaire regime van Suriname meldde dat Ormskerk was omgekomen bij een vluchtpoging. Van een feitelijke couppoging is later niets gebleken.
Begrafenis Ormskerk; zijn weduw strooit
 bloemen over de kist

Rudie Kagie probeert aan de hand van zeer vele gesprekken met betrokkenen, zowel in Suriname als in Nederland, de gebeurtenissen van toen te reconstrueren – waarschijnlijk wilden de militairen hun vroegere instructeur niet doden en is de hardhandige ondervraging waaraan hij onderworpen werd uit de hand gelopen. De zwart-witte militaire logica waarvan Fred Ormskerk de vertolker was, is door zijn ‘jongens’ zeer goed toegepast en heeft hem zelf - o ironie - het leven gekost.
Rudie Kagie stond voor een zeer moeilijke opdracht. Hij geeft trouwens zeer eerlijk toe dat hij zich details van dertig jaar geleden niet goed meer herinnert. En er is niet alleen de slijtage van het geheugen, maar ook de ‘blinde muren’ waartegen je in Suriname als onderzoeker voortdurend aanbotst, zeker dan als je Nederlander bent. Het zou echter zeer onheus zijn om het werk van Kagie af te doen als het zoveelste betweterige boek van de zoveelste Nederlandse journalist die zijn licht laat schijnen over Suriname. Rudie Kagie is trouwens ook zeer kritisch voor het Nederlandse beleid dat om staatsredenen het vieze potje van de affaire-Ormskerk liever niet wilde openen. “Nederland had op zijn minst bij Suriname moeten aandringen op een grondiger onderzoek dan het simpele A4’tje waarmee de zaak werd afgedaan.” (p. 199)

Bikkel is een boeiend boek en tevens een uitzonderlijk document omdat in een land als Suriname onderzoeksjournalistiek nog steeds als een vies woord beschouwd. Het is een van de weinige publicaties over de zwarte bladzijden van de recente Surinaamse geschiedenis. “De zwartste bladzijden uit de geschiedenis zijn meestal de leerzaamste,” besluit Kagie. Kan een boek als Bikkel ook nu nog een maatschappelijk effect hebben, wetende dat de zaak uit 1980 is verjaard en dat het te laat is om de vermoedelijke daders nog voor het gerecht te slepen? In Nederland stelde het Kamerlid Harry van Bommel van de Socialistische Partij naar aanleiding van het boek schriftelijke vragen over onder andere de betrokkenheid van Hardjoprajitno. In Bikkel verklaren drie getuigen dat John Hardjoprajitno, één van de zestien onderofficieren van de militaire coup, betrokken was bij de dood op Ormskerk. Paul Bhagwandas en Roy Horb, allebei intussen overleden, zouden ook betrokken geweest zijn bij het verhoor dat Ormskerk fataal werd.

En in Suriname onder president Bouterse? Hoe werd daar het boek onthaald? Kagie trok in april 2013 naar Paramaribo om het boek te promoten. Er verscheen onder meer een positieve bespreking in de toonaangevende krant de Ware Tijd en de auteur werd ook geïnterviewd door Apintie-televisie en gaf diezelfde avond ook een lezing in literair café Tori Oso. Een lezing over een van die zwarte bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis waarbij de huidige president betrokken was. Zou ze indruk gemaakt hebben in het nieuwe Bouterse-tijdperk? Ik weet het niet, maar ik hoop dat het boek kringen maakt en dat het meer in Suriname dan in Nederland zal worden gelezen. “Alles gaat voorbij, behalve het verleden,” schreef de socioloog Luc Huyse in een boek over omgaan met een traumatisch verleden van geweld en burgeroorlog, zoals in Zuid-Afrika en Rwanda. “Het verleden temmen, daar gaat het steeds weer om. En, als het kan, rust brengen in het hoofd en hart van wie vandaag en morgen leeft. Maar wat voorbij lijkt, wijkt niet.” Dat gaat ook op voor Suriname, ook al probeert de huidige regering-Bouterse alle sporen van dat verleden uit te wissen.
Bikkel is de zeer lovenswaardige poging van een betrokken en zoekende einzelgänger om een stukje onverwerkt Surinaams verleden te helpen temmen en daarnaast is het ook nog een spannend boek geworden.

Rudie Kagie, Bikkel, Het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime, Bert Bakker, Amsterdam, 2012, 216 blz. ISBN 9789035137561

zondag 18 augustus 2013

Opening van het letterenseizoen bij Ons Suriname

Benoît Verstraete
Op zondag 8 september 2013 presenteren de Vereniging Ons Suriname, de Werkgroep Caraïbische Letteren en de Leerstoel West-Indische Letteren van de Universiteit van Amsterdam een Letterendag bij Ons Suriname in Amsterdam.

De dag begint met drie lezingen van promovendi die onderzoek doen bij de Leerstoel West-Indische Letteren (prof. Michiel van Kempen). Zij presenteren delen van hun onderzoek en geven het publiek alle gelegenheid tot vragen stellen.


Inloop 13.30 uur.
14.00 Benoît Verstraete – Over de Deens/Surinaams/Nederlandse zendeling/schrijver P.M. Legêne
14.30 Joe Fortin – Over de verhaalkunst van de Arubaanse schrijver Jossy Tromp
15.00 Ellen de Vries – Over de rol van de media ten tijde van de Binnenlandse Oorlog in Suriname
 
Joe Fortin
Vanaf 15.30 uur

Boekenmarkt

Stephan Sanders

Met korte interviews met de volgende schrijvers:
Rudie Kagie – Bikkel
Saiye Safdar Zaidi – De suiker die niet zoet was
Diederik Samwel – Jelaya
Stephan Sanders – Iets meer dan een seizoen (over Anil Ramdas)
Antoine de Kom - Ritmisch zonder string

Karin Amatmoekrim leest uit haar nieuwe, nog te verschijnen roman

Alle schrijvers signeren hun boeken! Boekentafels aanwezig.
Sanne Landvreugd

Muzikale omlijsting door de saxofoniste Sanne Landvreugd.

Locatie: Vereniging Ons Suriname
Hugo Olijfveldhuis
Zeeburgerdijk 19a
1093 SK  Amsterdam
(nabij de molen en het KIT in Oost; vanaf CS stadsbus 22 stopt bij de Nicolaaskerk tegenover CS, richting Indische buurt, 8 min.)
Toegang 3,50.




zaterdag 22 juni 2013

‘Een militair werkt nu eenmaal niet met een ballpoint’

Desi Bouterse
door Christine F. Samsom

Niet alleen in ons land worden in de politiek zaken die het daglicht niet kunnen verdragen nogal eens met de mantel der liefde bedekt, zogenaamd om het grotere belang niet te schaden. Ook in het ex-moederland gebeurt dat. Vandaar de schande van archieven die de eerste dertig jaar niet open mogen. Dat is niet alleen zwak, het is ook hard, bikkelhard, onder anderen voor historici, maar ook voor nabestaanden van mensenrechtenschendingen. Rudie Kagie, momenteel redacteur van het Nederlandse weekblad Vrij Nederland, is kort na de coup van 1980 enkele maanden correspondent van NRC-Handelsblad in Suriname. Hij sympathiseert met de coupplegers, voelt een nieuw elan. Begin mei 1980 vertelt een informant hem over de dood ‘bij een mislukte contracoup’ (p. 13) van Ormskerk. Kagie heeft dan nog nooit gehoord van deze man, dus laat hij zich verder informeren. 
Hans Valk

Als hij hoort dat Ormskerk de Nederlandse nationaliteit heeft, belt hij met niemand minder dan Hans Valk, militair attaché op de Nederlandse ambassade. Ja, die kennen we toch? Heeft die de onderofficieren niet geadviseerd inzake de coupplannen voor 25 februari? Valk weet ervan, maar zegt dat hij geen uitspraken kan doen zonder de ambassadeur te raadplegen. Kagie belt daarna met Jozef Slagveer, woordvoerder van de Nationale Militaire Raad, met wie hij een goede relatie heeft, maar die nu heel vreemd reageert, hem vraagt waar hij die informatie vandaan heeft en hem aanraadt zich er verder niet mee te bemoeien om problemen te voorkomen. Het wantrouwen van de journalist is gewekt en wordt nog groter als ook in Nederland de dood van Ormskerk onder de pet wordt gehouden, ‘mogelijk gevoed door neokoloniaal schuldbesef’ (p. 9). Je kan zeggen dat uit dat wantrouwen uiteindelijk vorig jaar het boek Bikkel, het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime voortkomt.
De militaire coupplegers van 1980

Kagie wordt om half twee ’s nachts gesommeerd om naar de kazerne te komen en daar wordt hij onder felle bedreigingen ondervraagd over zijn bron. Hoe hoog is de prijs van een primeur in de journalistiek, een spagaat tussen de vrijheid van het beroep en de dreiging om opgepakt te worden? Op advies van de Nederlandse ambassade vertrekt Kagie diezelfde avond halsoverkop via Cayenne, Belém en Rio naar Nederland. Uit het boek blijkt dat de moord op Ormskerk hem blijft bezighouden en hij begint een lange zoektocht naar de persoon van Frederik Ferdinand Ormskerk (1923-1980), bijgenaamd Bikkel, naar zijn onstuimige leven en naar de omstandigheden waaronder hij omkwam. Hij interviewt tientallen mensen, met wisselend succes. Het boek leest om die en meerdere redenen als een trein voor degenen die inzicht willen krijgen in de recente geschiedenis van ons land, maar ook al het een en ander weten van die andere ex-kolonie, Nederlands-Indië, nu Indonesië.
Fred Ormskerk

Ormskerk was de zoon van een scherpschutter bij de koloniale troepen die ‘Swalanja’ (zure oranje) werd genoemd, omdat hij altijd boos keek, die na zijn pensioen landbouwer was geworden in het district Para. Fred woonde daarom als kind vanwege het onderwijs bij een tante in de Heerenstraat. Hij wordt omschreven als een durfal. Het zal dan ook niemand verbaasd hebben dat hij zich in de Tweede Wereldoorlog als jonge man aanmeldde bij de Schutterij. Van 1944 tot ’51 zat hij bij de KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, in Australië en Indië. Later vertelde hij trots over zijn belevenissen in het zelfstandig wordende Indonesië, waar Nederland met politionele acties probeerde die onafhankelijkheid op vaak wrede manier tegen te houden. Dat Ormskerk daar trauma’s aan heeft overgehouden, staat voor zijn dochter Silvia, psycholoog in Duitsland, vast. Voor pacifisten onder de lezers van Bikkel... zijn de details over de wreedheden alleen maar een bevestiging van hun levenshouding om legers en bewapening af te wijzen. ‘Krijgsromantiek’ wordt dat genoemd. Brrrr!

De TRIS in actie in Suriname

Ook TRIS’ers, Nederlandse dienstplichtigen die dienden bij de TRoepenmacht In Suriname (TRIS) vóór de onafhankelijkheid komen in Bikkel... aan het woord. Velen hebben Ormskerk gekend. Hij wordt omschreven als ijzervreter, driftkop, bloedfanatiek, streng maar rechtvaardig, keihard voor zichzelf (en zijn negen kinderen...), spartaans, militair in het kwadraat, uitzonderlijk sterk! Na het vertrek van de TRIS in 1975 treedt Ormskerk in dienst van de gloednieuwe Surinaamse KrijgsMacht, SKM, maar hij vindt dat de bevelhebber, kolonel Elstak, er een rommel van maakt. En hij is niet de enige. Elstak wordt door velen een grappenmaker genoemd. De verhouding tussen Elstak en de (onder)officieren verslechtert al snel. Door persoonlijke omstandigheden vertrekt hij in 1979 met pensioen naar zijn gezin in Nederland. Maar deze militair-in-hart-en-nieren kan in een keurige rijtjeswoning niet wennen en zijn opvoedingsmethoden worden hem door zijn vrouw ook niet in dank afgenomen. Zij noemt hem ‘totaal verslááfd’ aan het leger en zó streng voor de kinderen dat die blij waren als hij er niet was (p. 54).

Als hij hoort van de coup van 25 februari 1980, is hij eerst heel enthousiast: Zijn jongens hebben het toch maar voor elkaar gekregen! En is hij niet een god voor die jongens? Hij belt met Suriname in de verwachting dat ze hem daar goed kunnen gebruiken, maar Bouterse zit niet op hem te wachten. Volgens auteur Kagie moet er toen iets in Ormskerk geknapt zijn en wordt hij van medestander tegenstander. Als hij na een aantal geheimzinnige besprekingen met andere tegenstanders van de NMR in Nederland plotseling zijn gezin meldt dat hij er even ‘tussenuit’ moet, is zijn vrouw blij. Ze heeft hem niet meer levend gezien.
Henk Chin A Sen

Een paar dagen later duikt hij op in Frans-Guyana, reist via Albina naar Paramaribo, wordt gearresteerd met al zijn coupplannen in zijn bagage en bij de ondervraging zodanig mishandeld dat hij overlijdt.

Kagie beschrijft indringend de houding van Nederland: Sinds de coup was er verdeeldheid binnen de Partij van de Arbeid, de dood van de Nederlander Ormskerk zat de politici dwars. De zittende regering echter besloot tot stille diplomatie om de regering Chin A Sen niet te hinderen in haar poging de democratie te herstellen. Wat Nederland niet door had, was de heftige richtingenstrijd tussen links en meer gematigd binnen de NMR en tussen de NMR en de regering Chin A Sen.
Enkele opvallende uitspraken in het boek: Oud-beroepsmilitair en topatleet Sammy Monsels over Ormskerk: ‘een bikkelharde commando die de pech heeft dat hij in een te soft leger terecht is gekomen.’ (p. 66) Eva Essed-Fruin, weduwe van Frank Essed: ‘De houding van de Nederlandse overheid was teleurstellend.’ (p. 163) D.D. Bouterse: ‘Wij zijn militairen. Wij marcheren links, rechts, links, rechts’, naar aanleiding van de zwabberende politieke koers van het militair gezag. (p. 171) Michel van Rey: ‘Bouterse zit opgesloten in permanent politieke gevangenschap... Hij leidt niet, hij wordt geleid en hij lijdt.’ (p. 184) Laurens Neede: ‘De militaire discipline is een totaal andere dan in de burgermaatschappij’ en ‘een militair werkt nu eenmaal niet met een ballpoint.’ (p. 186) De auteur Rudie Kagie zelf ten slotte: ‘De zwartste bladzijden uit de geschiedenis zijn meestal de leerzaamste.’ (p. 200)

Rudie Kagie, geheel links, signeert zijn boek Bikkel...


De ondertitel van het hier besproken boek luidt: Het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime. Ik vraag mij na lezing van het boek af: was de moord op Ormskerk wel een politieke moord? Volgens de mensen die Ormskerk hebben gekend en die in het boek worden geciteerd, heeft Ormskerk zelf gezegd dat militairen zich niet met regeren moeten bezighouden. Regeren is politiek bedrijven. Als militair heeft hij de tegencoup willen plegen om de democratie terug te brengen en hij is daarvoor op militaire manier, wegens verraad, gestraft, zo gezegd een uit de hand gelopen ongeval binnen het militaire bedrijf...

Wat ik Kagie wil nageven: hij maakt niet zoals veel Nederlandse journalisten, de fout om de betweter te spelen, hij laat daarentegen heel veel betrokkenen aan het woord. Dat maakt dit boek alleen maar geloofwaardiger.

Rudie Kagie: Bikkel, het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime. Amsterdam: uitgeverij Bert Bakker, 2012. ISBN 978 90 351 3756 1


donderdag 9 mei 2013

Dit land is een reservaat voor pechvogels

Rudie Kagie. Foto @ Suzanne van de Kerk

Rudie Kagie is in Suriname om zijn boek Bikkel, over een politieke moord van het Bouterse-regime, te promoten. Niet alles verloopt volgens plan. „Hier lopen voorbereidingen stelselmatig in de soep.”

door Rudie Kagie

Zaterdag 27 april
Het valt niet mee om in het vliegtuig met de laptop op schoot te werken, maar er staan me de komende week ongetwijfeld zwaardere beproevingen te wachten. Ik ben op weg om in Suriname mijn boek Bikkel. Het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime onder de aandacht te brengen. De Surinaamse schrijversgroep S77 die zich over de organisatie van de promotour ontfermt, heeft me per e-mail gewaarschuwd: „We zullen behoedzaam moeten opereren.” Het thema van mijn boek ligt gevoelig, ook al beschrijf ik een moord van drieëndertig jaar geleden. Slachtoffer was de in Nederland wonende Surinaamse oud-adjudant Fred Ormskerk (1923-1980), bijgenaamd Bikkel, die kort na de coup opdook in zijn geboorteland, zich curieus gedroeg en uiteindelijk aan een hardhandig verhoor in de kazerne bezweek.

Het boek gaat ook een beetje over mezelf. In het voorjaar van 1980 werkte ik als correspondent voor NRC Handelsblad in Paramaribo. Nadat ik bij het militair gezag naar het lot van Ormskerk had geïnformeerd, werd ik ’s nachts van mijn bed gelicht en onder aanvoering van juntalid Bouterse ruw verhoord over mijn bronnen. Er werd gevloekt, geschreeuwd en gescholden. Als ik iets over de zaak Ormskerk zou publiceren, wachtte mij de kogel. Enkele uren na mijn vrijlating zat ik in het vliegtuig. Tabé Suriname. In dit land viel voor een journalist niet meer te werken.
En nu ga ik terug om te vertellen dat de contracoup waar Ormskerk destijds van werd beticht nooit heeft bestaan. Ik zocht de zaak voor mijn boek tot op de bodem uit. De tragische eenling Ormskerk werd in zijn cel doodgeknuppeld door militairen die hij zelf had opgeleid. In ronkende verklaringen draaiden militairen de werkelijkheid om: door Ormskerk uit te schakelen, was zogenaamd een catastrofe verijdeld. Daarna escaleerde het geweld en stapelden de leugens zich op. Een tropische regenbui teistert de vliegtuigraampjes als het vliegtuig op Jopie Pengel Airport landt. Ik had een paraplu moeten meenemen.

Bevelhebber Yngwe Elstak decoreert Fred Ormskerk


Zondag
Guesthouse Amice bevindt zich pal om de hoek van de Memre Buku kazerne waar ik destijds werd vastgehouden. De zondag begint om half acht met een gezond rondje rennen door de uitgestorven Dr. Sophie Redmondstraat, waar bij bar dancing El Molina de laatste doorzakkers naar buiten waggelen. Terug op mijn kamer begin ik een belronde langs mensen die hadden beloofd de komende week van alles te organiseren. Het draait uit op een treurig feest der herkenning. In Suriname lopen voorbereidingen zo stelselmatig in de soep dat mooie plannetjes bijna per definitie mislukken. Eigenaar Frits Terborg van boekhandel Eftee ziet af van de geplande signeersessie. De ontmoetingen met mensenrechtenactivisten, met de schrijversvakschool, de journalistenvereniging en andere organisaties waar in e-mails sprake van was, staan in geen enkele agenda.
De openbare Bikkel-avond, later in de week, gaat in ieder geval door. Rappa, schrijversnaam van Robby Parabirsing, coördineert de bijeenkomst, maar hamerde in een e-mail op het belang van een terughoudend pr-beleid. „Vooral gezien het nog steeds controversiële onderwerp moet er geen opzichtig vlagvertoon plaatsvinden. Voorzichtigheid blijft geboden. Als er dertig mensen komen en vijftien kopen een boek, dan mogen we al blij zijn.” De angst voor de militante achterban van Bouta’s NDP zit diep.

Maandag
De laksheid van de schrijversgroep verbaast me. Ik besluit zelf de promotie maar ter hand te nemen en ga proberen of een van de zes commerciële televisiestations van Suriname de korte YouTube-trailer voor het boek wil uitzenden. Ik stap binnen bij Apintie TV, waar de jonge Javaanse achter de balie met toegeknepen oogjes naar het beeldscherm tuurt: ‘Bikkel moet dood! Het verhaal dat de regeringen van Nederland en Suriname liever niet lezen’. Ze moet dit even overleggen met haar baas. Aan het einde van de middag belt de chef van dienst: „Dit uitzenden is vragen om moeilijkheden.”

Leden van het Militair Gezag kort na de coup van 1980. Rechts Roy Horb, nasst hem Desi Bouterse.


Dinsdag
Toen vandaag precies drieëndertig jaar geleden Beatrix tot koningin werd gekroond, zat ik in Suriname. Op de dag waarop zoon Willem-Alexander haar opvolgt, zit ik er wéér. Bij dagblad De Ware Tijd geef ik de tekst van een advertentie door voor de Bikkel-avond. Andere media mail ik een persbericht. ’s Middags loop ik binnen bij televisiezender ABC om te vragen wat het kost om de reclamespot voor Bikkel uit te zenden. Directeur Henk Kamperveen wordt erbij gehaald. „Wij zijn niet gauw bang”, zegt hij. Tegen betaling van een paar tientjes zal ABC het spotje komende vrijdag ’s avonds zes keer uitzenden. Voorwaarde is dat de vijf seconden bewegend beeld van een jeugdige Bouterse eruit wordt geknipt. Rond borreltijd wacht de kroningsreceptie bij de Nederlandse ambassade, waar we onder aanvoering van de zaakgelastigde met applaus en driewerf hoera afscheid nemen van Hare Majesteit. Om half negen levert een taxi me af bij de studio van staatsomroep SRS waar Arlette Codfried me drie kwartier doorzaagt in haar literaire programma Skrifmanani. Ze heeft het boek niet gelezen, maar is complimenteus en lijkt oprecht geïnteresseerd in de mens achter de schrijver.

Woensdag
Vandaag viert Suriname Wrokoman Dei, de Dag van de Arbeid, met volstrekte passiviteit. ’s Middags voor het eerst de in Paramaribo wonende Ormskerk-dochter Annelies (60) ontmoet. Tot dusver spraken we elkaar alleen telefonisch en we mailden. Ze heeft het boek over haar vader sinds drie maanden in huis, maar durft het nog steeds niet in te zien. In de vooravond belt ABC-directeur Kamperveen om me voor de volgende ochtend uit te nodigen voor het goedbeluisterde radioprogramma Aktueel.

Donderdag
Het doorbladeren van De Ware Tijd zet een domper op het begin van de dag: mijn advertentie staat er niet in. Hoe weten mensen nu dat er vanavond een bijeenkomst voor mijn boek is? Dit land is een reservaat voor pechvogels. Ik moet straks langs bij de krant om het geld voor de niet geplaatste advertentie terug te vragen, maar eerst wijd ik voor de ABC-microfoon uit over het boek, waarbij ik kans zie om enkele keren terloops de Bikkel-avond aan te kondigen. Terug in het guesthouse lees ik de mededeling dat ik contact moet opnemen met Willy Albertga van Apintie. Een kordate dame, zo blijkt. Ze verwelkomt me met de woorden: „Zie zo, we gaan eerst een gesprekje van tien minuten met u opnemen voor ons tv-programma In de branding, dat vanmiddag om half zes wordt uitgezonden. Daarna gaan we de radiostudio in voor het interviewprogramma Niet zomaar een gesprek, een uur op vrijdagavond dat zondagochtend wordt herhaald.”

’s Avonds wacht de grootste verrassing: praathuis Tori Oso zit zo vol dat een deel van het publiek moet staan. Helaas is men vergeten een geluidsinstallatie te regelen, dus stemverheffing is onvermijdelijk. Ik heb me de afgelopen week geen moment bedreigd gevoeld, zeg ik. Gefeliciteerd, de democratie in Suriname is sterk genoeg ontwikkeld om de controversiële waarheid over de coup van Ormskerk aan te kunnen.

Rudie Kagie
Voordat Rudie Kagie (Den Haag, 1950) in 1992 toetrad tot de redactie van Vrij Nederland, waar hij nog steeds werkt, was hij ruim vijftien jaar freelance journalist voor onder meer NRC Handelsblad. Hij publiceerde dertig non-fictieboeken, waaronder Een gewezen wingewest; Suriname voor en na de staatsgreep (1980). Twee jaar geleden verscheen het ‘memoir’ Schuifkaas, waarin Kagie naar aanleiding van een reünie terugblikt op zijn verleden als voogdijpupil in kindertehuis Nieuw Voordorp. Zijn meest recente boek is Bikkel; De eerste politieke moord van het Bouterse-regime (2012). Kagie woont samen met de onderwijssociologe Uulkje de Jong.

Coup van Bouterse
Suriname kreeg in 1980 een militair regime na een coup onder leiding van Desi Bouterse. Na verkiezingen in 1987 kwamen de militairen in 1990 weer via een coup kort aan de macht. De moord op ‘Bikkel’ (zie Hollands Dagboek) is niet de enige door militairen onder leiding van Bouterse. Bij de Decembermoorden in 1982 werden 15 opposanten doodgeschoten. Ook anderen kwamen in de militaire periode onder verdachte omstandigheden om. Sinds 2010 is Bouterse de gekozen president van Suriname.


[uit NRC Handelsblad, zaterdag 4 mei 2013]

vrijdag 18 januari 2013

Een feestje voor oude blanken (3 en slot)


door Rudie Kagie

Het n-woord

Koningin Beatrix bij het onthullen van het Slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark, 2002. Foto: ANP

Roy ‘Kaikusi’ Groenberg, activist uit Amster­dam-Zuidoost, voormalig welzijnswerker en sinds tien jaar voorzitter van de stichting Eer en Herstel Betalingen Slachtoffers van Slavernij in Suri­name, hoopt in het kader van het herdenkingsjaar 2013 op een ontmoeting met koningin Beatrix. ‘Ik wil met Hare Majesteit onder het genot van een kopje koffie terugblikken en vooruitkijken. Het wordt tijd om een dikke streep te zetten onder het slavernijverleden. Dat verleden heeft mijn generatie opgehouden omdat het nog niet verwerkt was. Ik vind dat mijn kleinkinderen niet meer over slavernij moeten praten. Ze behoren te weten wat de geschiedenis van hun voorouders is, maar ze moeten zich vooral bezighouden met cultuur, wetenschap, politiek, huizen kopen. Ze moeten voort in het leven.’

De eerste grote triomf oogstte Groenberg in 2001, toen zijn stichting met succes ageerde tegen de omschrijving van het woord ‘neger’ in de Dikke Van Dale. Het lukte niet om het n-woord geschrapt te krijgen, maar met de toevoeging dat de aanduiding door sommigen als krenkend wordt ervaren, waren de activisten tevreden.
Wijlen de negerzoenen

In 2006 richtte Groenberg zijn peilen op de chocoladespecialiteit de negerzoen. De firma Van der Breggen uit Tilburg, die de fabricage van de firma Buys had overgenomen, reageerde niet op brieven van de stichting. ‘We wilden een cultureel historisch centrum bouwen in Nederland. Als we voor elke doos negerzoenen die in al die jaren zijn verkocht één kwartje zouden krijgen, hadden we aan de vijfentwintig miljoen gezeten die we nodig hadden.’ Dat de opdruk van de gele dozen voortaan ‘Negen zoenen’ in plaats van ‘Negerzoenen’ vermeldde, zal de omzet geen kwaad hebben gedaan. ‘Achteraf blijkt dat we dat bedrijf met onze actie aan enorm veel free publicity hebben geholpen. Daar hebben we geen bloemetje voor gehad.’

Vorig jaar kwamen Groenberg en zijn stichting in opstand tegen Het negerboek, de Nederlandse vertaling van The Book of Negroes van de Canadese romancier Lawrence Hill. De titel werd als beledigend ervaren, maar uitgeverij Nieuw Amsterdam voelde er niets voor om te capituleren voor de eis dat de publicatie uit de handel zou worden genomen. Groenberg: ‘We stonden op het punt om via een juridische procedure te bereiken dat we twee euro per verkocht exemplaar zouden krijgen als genoegdoening. Uiteindelijk hebben we dat niet gedaan omdat de indruk zou kunnen ontstaan dat we een stelletje geldwolven zijn. Omdat we ons gekrenkt voelden, hebben we in het openbaar de kaft van het boek verbrand. Dat was wereldnieuws, we hebben daar zelfs het achtuurjournaal van de Canadese televisie mee gehaald.’

Zwarte holocaust

In de herstelbetalingen waar het bij de oprichting van de stichting om was begonnen, zit vooralsnog weinig schot. Advocaat Gerard Spong zag wel mogelijkheden om naar Amerikaans voorbeeld claims in te dienen bij bedrijven die zich eeuwenlang aan de slavernij verrijkten. Zo zou Hudig, inmiddels eigendom van het Amerikaanse Aon, vroeger slavenschepen hebben verzekerd. De Nederlandse handelsmaatschappij, een van de voorlopers van ABN Amro, kan ook een rol hebben gespeeld in de Surinaamse plantage-economie. ‘Dat we daar toen niet uitgekomen zijn, is een geldkwestie,’ zegt Roy Groenberg. ‘Voordat Spong namens onze stichting een zaak zou aanspannen, moest er een bedrag op zijn rekening worden gestort. We hadden hem gevraagd om het pro deo te doen, maar dat bleek niet mogelijk. Het idee dat Nederland een gebaar zou moeten maken tegenover de nazaten van de slaven is niet van de baan, maar dat betekent niet dat we met geopende portemonnee klaarzitten om de miljoenen op te vangen. De herstelbetaling zou bijvoorbeeld ook kunnen bestaan uit vijftig jaar adopteren door Nederland van het peuteronderwijs in Suriname. Dat zou bijdragen tot echte bevrijding. Iemand die elke maand een formulier moet invullen om zijn geld te krijgen, noem ik niet bevrijd.’


Het geharrewar over geschiedschrijving, herstelbetalingen en excuses voor de gruweldaden die Nederland in de koloniale tijd beging, heeft primair met perceptie te maken, legt Sandew Hira uit. Zelfs ruimdenkende, meegaande progressieve mensen onder zijn gehoor beginnen ongemakkelijk te zuchten zodra hij de Zwarte holocaust ter sprake brengt, die volgens hem in mening opzicht de grimmigheid overtrof van de Holocaust (‘de Holocaust heeft vijf jaar geduurd, de slavernij heeft vijfhonderd jaar geduurd. De Holocaust kostte het leven aan zes miljoen mensen, slavernij aan tweehonderd tot vierhonderd miljoen mensen’). ‘Als mensen mij op grond van die uitspraak in de gevangenis willen stoppen, moeten ze dat vooral doen,’ zegt hij. ‘Maar zo uitzonderlijk is het niet wat ik beweer. In literatuur van Amerikaanse wetenschappers kwam je dergelijke analyses al tientallen jaren geleden tegen, maar in Nederland is dit een betrekkelijk nieuw geluid. Daar schrikken die witte hoogleraren van, ze zijn niet gewend dat ze worden tegengesproken. Zwarte intellectuelen beginnen kritische vragen te stellen. In dat proces zitten we nu. De tijd dat zwarte mensen een stijve nek overhielden aan het gedwee ja en amen knikken en onderdanig luisteren naar wat de witte professor te zeggen heeft, is voorgoed voorbij.’

donderdag 17 januari 2013

Een feestje voor oude blanken (2)


door Rudie Kagie

Antikoloniale optiek

Sandew Hira

De vooraanstaande Nederlandse academici die álles van slavenhandel en de Gouden Eeuw meenden af te weten, schrokken hevig van de stroom publicaties waarin Hira hun zekerheden bekritiseert, becommentarieert of weghoont. De eminente emeritus-hoogleraar Piet Emmer, auteur van het standaardwerk De Nederlandse slavenhandel 1500-1850, verkondigde de volgens Hira ‘onbeschaafde’ stelling dat het afschaffen van de slavernij een kenmerk van de westerse beschaving was. ‘Maar wie heeft de slavernij dan ingevoerd? Dat waren zeker weer de Marokkanen?’ De historicus Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden en kenner van het koloniale verleden in de West, zou volgens Hira ‘geen wetenschap maar ideologie’ bedrijven, een verwijt dat de geattaqueerde auteur ‘intermenselijk gezien zwaar beneden de gordel’ noemde. Wijlen socioloog Rudolf van Lier, een autoriteit binnen zijn vakgebied, tuimelde bij Hira al eerder van zijn sokkel omdat hij in Samenleving in een grensgebied (1949) schreef dat Suriname tot stand is gekomen door een soort sociaal contract waarbij mensen afspraken om gemeenschappelijke doelen na te streven. Hira wijst erop dat bij zijn weten geen slaaf ooit met zijn meester had afgesproken om hem uit Afrika weg te plukken.

Alex van Stipriaan (links) en Henk den Heijer

De hoogleraren Alex van Stipriaan en Henk den Heijer – ach, best aardige lui om een biertje mee te drinken, maar volgens Hira collectief behept met een naïeve inschatting van wat het mensonterende slavendom in Suriname en op de Antillen aanrichtte. Een dieptepunt dunkt hem de in het najaar van 2011 uitgezonden vijfdelige serie De Slavernij, gemaakt onder auspiciën van Oostindie, Van Stipriaan en Den Heijer en gepresenteerd door Daphne Bunskoek en Roué Verveer, volgens Hira ‘de Sjors en Sjimmie van de NTR’. Op de site van zijn International Institute for Scientific Research (IISR) begeleidde Hira elke aflevering met kritisch commentaar. Wekelijks zag hij de oude leugens over het scherm voorbijtrekken die al eeuwenlang over slavernij worden verkondigd. Het doortrekken van de lijn uit het verleden naar het heden, zoals de makers deden (Roemeense vrouwenhandel of kinderarbeid in India zijn óók vormen van slavernij) berustte volgens hem op een dubbele denkfout. ‘Ten eerste, de transatlantische slavernij was gesanctioneerd door staten en geen aangelegenheid van particulieren. (…) Ten tweede, de moderne slavernij is niet het fundament van de wereldeconomie in wording.’

Sandew Hira zal laten zien hoe je zo’n televisieserie over slavernij ook vanuit een kritische, antikoloniale optiek kunt maken. Hij schreef een script voor een twaalfdelige documentaire over de geschiedenis van zijn geboorteland (Van Columbus tot Anton de Kom) en debuteert tijdens de inmiddels in Nederland en Suriname begonnen opnamen als televisiepresentator. De Surinaamse zender Sky TV zal het resultaat – twaalf afleveringen van veertig minuten – te zijner tijd op het scherm brengen. Boze tongen beweerden dat Bouterse het project financiert, maar hoewel diens politieke partij NDP aan Sky is gelieerd, verzekert Hira dat het project uitsluitend gefinancierd wordt door SKY en IISR en de regering en zijn partij er niets mee te maken hebben. ‘In Nederland zal de serie op dvd worden uitgebracht,’ zegt hij. ‘Nee, niet op de televisie. Misschien dat de publieke omroep over veertig jaar zover is om een zwart geluid te laten horen.’

De controversiële afbeelding op de Gouden Koets. Foto: Peter Hilz


Verzoenende rol

Bij een broodje in het centrum van Den Haag vertelt Barryl Biekman over de wapenfeiten van het Landelijk Platform Slavernijverleden (LPS) dat ze in 1998 hielp oprichten en waarvan ze sindsdien voorzitter is. Ze werd voor haar verdiensten voor de multiculturele samenleving geridderd in de Orde van Oranje Nassau. Dankzij inspanningen van haar forum werd bereikt dat koningin Beatrix tien jaar geleden het slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark onthulde, al was het de toegestroomde menigte helaas niet vergund om een glimp van de ceremonie op te vangen. Nadat de dranghekken tegen de grond waren geduwd, kreeg het tafereel van blanke politieagenten die de nazaten van slaven met getrokken latten op afstand probeerden te houden een naargeestige symboliek, zeker in het licht van de aard van de plechtigheid. ‘Vreselijk dat deze dag in het tegendeel is verkeerd van wat de bedoeling was,’ zou toenmalig burgemeester Job Cohen er later over zeggen.

Dekoloniale geschiedschrijving

Dat in 2002 het instituut voor slavernijverleden NiNsee zijn deuren opende, was eveneens de verdienste van Barryl Biekman en haar landelijk platform. Al botste de radicale visie van de beoogde directeur Rick Derveld met de mening van het dagelijkse bestuur van het NiNsee. Derveld, onlangs overleden, vond dat het NiNsee het zwarte perspectief moest hanteren en vanuit de slachtoffers naar het verleden moest kijken. Die opvatting strookte niet met de verzoenende rol die de door rijk en gemeente gefinancierde instelling was toebedeeld en de directeur werd, terwijl zijn sollicitatie al was goedgekeurd, enkele weken later medegedeeld dat hij niet meer welkom was.

Biekman vindt het jammer dat de noodzaak van het NiNsee niet goed uit de verf is gekomen door de richting waarin het instituut zich heeft ontwikkeld. Ze verwijt het Nederlandse kabinet de ‘hypocriete’ manier waarop en de argumenten waarmee de financiering van het NiNsee is gestopt. Het instituut, dat zowel een nationaal als een internationaal perspectief had moeten hebben, is nu verworden tot een stedelijke instelling die blij mag zijn met de gunsten van de stad Amsterdam. ‘De Nederlandse staat heeft hiermee gedemonstreerd dat zij geen enkele verantwoordelijkheid wenst te dragen voor de verwerpelijke barbaarse handelingen van de slavendrijvers, wettelijk toegestaan door de toenmalige Nederlandse gezaghebbers inclusief het koningshuis.’

De heer Nicolaas op zijn knol

Het was het platform niet alleen te doen om een slavernijmonument en een instituut, maar ook, zegt Biekman, om de bestrijding van ‘alles wat refereert aan de racistische ideologieën die het mogelijk maakten om het slavernijsysteem te consolideren’. ‘Wij zijn sinds 2001 betrokken bij de VN-mensen­rechten­activiteiten die racisme bij de wortel willen aanpakken. En dat heeft zijn nut al bewezen. Dat de slavernij en kolonialisme tot misdaad tegen de menselijkheid zijn verklaard, komt mede door de acties van mensen van Afrik­aanse afkomst wereldwijd. Ook het LPS heeft daaraan een belangrijke bijdrage geleverd. Toen ik dertig jaar geleden als voorzitter van de Afro-Europese Vrouwenbeweging riep dat Sinterklaas een racistisch feest is, kreeg ik nog een storm van verontwaardiging over me heen. Tegenwoordig staat het voortbestaan van Zwarte Piet maatschappelijk ter discussie. De actie van het LPS heeft er in ieder geval voor gezorgd dat de Unesco weet hoe mensen van Afrikaanse afkomst in Nederland over dit festijn denken. Nederland zal het moeilijk krijgen om pakjesavond op de lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed te krijgen.’

Met justitie en politie loopt een levendige correspondentie over de kenmerken die in profielen van verdachten worden gehanteerd. ‘Die zijn doordrenkt van racistische vooroordelen. Men spreekt in rapporten bijvoorbeeld van een negroïde man.’


Een negroïde man
De aanklacht tegen de afbeelding op de Gouden Koets die naar de slavernijperiode zou verwijzen, bleef vooralsnog zonder resultaat. ‘We waren echt geschokt over de wijze waarop dit thema werd opgepakt door het kabinet en de politiek,’ zegt Barryl Biekman. ‘De Gouden Koets is een vernedering voor ons zwarte mensen. Stel je voor dat de koningin zou rondrijden in een koets die refereert aan de Joodse Holocaust! We kwamen met een voorstel: kabinet, we denken graag met jullie mee, vervang dat paneel door een schildering die verwijst naar de multiculturele samenleving. Die koets kan verder blijven zoals die is, maar dat element van de slavernij gaat eruit. Nodig kunstenaars uit om een creatief alternatief te bedenken. Wat denk je? Totaal geen reactie. De vraag is waarom wij niet serieus worden genomen. Er is totaal geen respect voor ons. Vanuit de homobeweging wordt wel begrip gevraagd en worden allerlei maatregelen getroffen om discriminatie tegen te gaan, maar als zwarte mensen iets naar voren brengen, dan heeft dat totaal geen waarde. Daar haat ik Nederland voor, maar dat mag ik niet zeggen, hè?’

De opzet voor het herdenkingsjaar slavernijverleden beantwoordt niet aan de voorstellen die het LPS had ingediend. ‘Ze gaan het breed trekken, met aandacht voor moderne slavernij, prostitutie en kinderarbeid. Terwijl die onderwerpen al nationale aandacht hebben. Kinderarbeid is al strafbaar. Vrouwenhandel is ook al strafbaar. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat er van alles bij de herdenking wordt betrokken om de stilte rond slavernij te consolideren. Een Amsterdamse stichting gaat het organiseren, terwijl dit een nationaal verhaal had moeten worden over de misdaad tegen de menselijkheid die Nederland honderden jaren heeft begaan. Er is net zo lang gesleuteld, genuanceerd en afgezwakt totdat uiteindelijk dit programma eruit rolde.’

[wordt vervolgd]

Een feestje voor oude blanken (1)

door Rudie Kagie



Het Nederlandse slavernijverleden wordt dit jaar volop herdacht. Niet naar ieders zin. ‘Er is gesleuteld, genuanceerd en afgezwakt.’


De openbare verkoop van een slavin en haar twee kinderen in Suriname op een prent uit Benoits Voyage à Surinam, 1839. 


Bij de jaarlijkse kranslegging in Amsterdam op 1 juli, de dag waarop de afschaffing van de slavernij wordt herdacht, sprak Mark Rutte afgelopen jaar over het lot ‘van al die vrouwen, mannen en kinderen die plotseling niet meer over hun eigen leven konden beschikken’.
Slavernij ontmenselijkt, vond de premier. ‘Slavernij reduceert mensen tot productiemiddelen en het stelt het gewin van een kleine groep boven de waardigheid van velen.’ Mooi gesproken, maar hoe valt dit regeringsstandpunt te rijmen met het besluit om de subsidie aan het NiNsee (Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis) per 1 januari 2013 stop te zetten? De vraag werd vanachter het katheder onverwacht opgeworpen door spreekster Barryl Biekman van het Landelijk Platform Slavernijverleden. De premier antwoordde na afloop, buiten het bereik van camera’s en microfoons, dat hij het ook niet helpen kan dat stevig op culturele instellingen moet worden bezuinigd. Dankzij een gulle geste van de gemeente Amsterdam die anderhalve ton per jaar beschikbaar stelt, lukte het om een sterk afgeslankt NiNsee van de ondergang te redden, zij het na inlevering van de riante huisvesting en ontslag voor zeven betaalde krachten.
Toni Morrison

Desondanks zal slavernij als onderwerp komend jaar in vele varianten voorbijkomen. Geholpen door een Amsterdamse subsidie van zevenenhalve ton tamboereert de Stichting Herdenking Slavernijverleden 2013 een jaar lang ter gelegenheid van de mijlpaal die anderhalve eeuw geleden werd bereikt: op 1 juli 1863 kwam officieel een einde aan de slavernij in de Nederlandse koloniën. Tientallen manifestaties, tentoonstellingen, concerten, een massaal Keti Koti-ontbijt op het Leidseplein, redevoeringen (gedacht wordt aan Michelle Obama, Angela Davis en Toni Morrison), boeken, films en theatervoorstellingen moeten de terugblik tot een succes maken. Zelfs de Boekenweek doet mee. Thema: Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden.

Onbe­schaafde mensen

Van zo veel aandacht voor zijn stokpaardje moet het humeur van Sandew Hira opbeuren, zou je denken, maar in zijn kantoor in het Haagse Statenkwartier toont de van oorsprong Surinaamse historicus zich allerminst onder de indruk. ‘Dit wordt gewoon een feestje voor een paar oude blanke mannen en vrouwen – and that’s it,’ zegt hij. ‘Er wordt een rond getal gebruikt om iets te vieren. In 2014 is iedereen het weer vergeten. Als er geen slavernij had bestaan, zou Europa het hebben uitgevonden om het te kunnen afschaffen. De afschaffing van de slavernij wordt als het hoogtepunt van de Europese beschaving beschouwd, maar eigenlijk was het een dieptepunt. Beschaafde mensen beginnen met de erkenning dat er een misdaad tegen de menselijkheid heeft plaatsgevonden, bieden hun excuses hiervoor aan en compenseren de slachtoffers voor de schade en het leed dat ze geleden hebben. Onbe­schaafde mensen ontkennen de misdaad, vragen om dankbaarheid van het slachtoffer en compenseren de dader. Bij de afschaffing van de slavernij heeft Nederland de slavenhouders gecompenseerd, niet de slachtoffers. Eigenlijk interesseert dat hele slavernijverleden Nederland geen reet. Als het echt niet anders kan, dan moet het maar herdacht worden – maar gelukkig staat het onderwerp na dat ene jaar niet meer op de kaart. Dat is het beleid in dit land.’

Het Keti Koti-festival bij het Slavernijmonument, 2011. Foto: Amaury Miller


Eeuwenlang was de geschiedschrijving van de Nederlandse slavernij in Suriname en op de Antillen het specialisme van blanke experts die volgens hun zwarte critici vanuit een ‘Eurocentrisch perspectief’ redeneerden. Des te meer opzien baart Hira met een radicale, antikoloniale visie op het verleden. Hij schrijft er polemische columns en boeken over. Van Den Helder tot Maastricht leidde hij tot dusver achtenzeventig keer een workshop over het thema dat hij in zijn veelbesproken pamflet Decolo­nizing the Mind (2009) aan de kaak stelt.

Onlangs stak de auteur zijn verhaal af op uitnodiging van zwarte studenten van de Hogeschool Rotterdam. Hij vertelt: ‘Toen ik begon, kwam een witte vrouw binnen en ging zitten. Achteraf bleek zij de mentor van die werkgroep te zijn. Toen ik de verschrikkingen van de Zwarte holocaust in kaart begon te brengen, zag ik haar helemaal in elkaar krimpen. O jee, dacht ik, die komt straks psychisch in de problemen. In de pauze ging ik naar haar toe. Ik heb het gevoel dat je me persoonlijk beschuldigt, zei ze. Interessant. Ineens realiseerde ik me dat zich hier een identiteitskwestie openbaarde. Die vrouw is opgevoed met het idee dat ze tot een goed volk behoort. En dan kom ik langs om te vertellen dat wat de Nederlandse uitbuiters in de negentiende eeuw hebben aangericht, veel erger was dan wat de Duitse nazi’s deden. Niet leuk om te horen. Maar als je nou eens gewoon zou beginnen met te erkennen dat je voorouders een misdaad tegen de menselijkheid hebben begaan, zei ik tegen die vrouw, dan kun je toch afstand nemen van wat ze gedaan hebben? Sinds de Duitsers hebben verklaard dat nazisme geen deel van de Duitse cultuur behoort te zijn, heeft de opgroeiende generatie in de Bondsrepubliek geen reden meer om zich schuldig te voelen over wat tijdens de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Waarom kunnen de Nederlanders niet hetzelfde doen met kolonialisme en slavernij? Na de pauze hebben we dat thema als onderdeel van de workshop verder bediscussieerd. Na afloop zag ik die mentor met een somber gezicht vertrekken. Ik dacht: die komt hier geen tweede keer. Zo’n twee maanden later belde ze me op. Ze vertelde me dat ze de directie van de Hogeschool over mijn bezoek had verteld en dat ze eigenlijk vond dat al haar collega’s kennis moesten nemen van mijn verhaal. Ik was stomverbaasd. Het gevolg was dat ik een paar weken later wéér op die Hogeschool was, nu om voor een gehoor van zo’n zeventig voornamelijk witte medewerkers mijn exposé over de slavernij af te steken. De directeur introduceerde mij met de mededeling dat ik dingen zou gaan zeggen die misschien shocking waren, maar dat het vanuit wetenschappelijk oogpunt toch goed was om kennis te nemen van mijn standpunt. Toen ik dat hoorde, dacht ik: gewéldig, er is hoop voor Nederland. Een beschaafd land heeft de plicht om excuses te maken en een herstelbetalingstraject in gang te zetten als slavernij als misdaad tegen de menselijkheid wordt erkend. Ik ging er steeds van uit dat de erkenning van die misdaad nog minstens een halve eeuw op zich zou laten wachten, maar na die ervaring in Rotterdam denk ik dat het misschien sneller kan.’

[wordt vervolgd]

[uit Vrij Nederland, 15 januari 2013]

vrijdag 7 december 2012

Bikkel

Het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime
Vaandeldrager adjudant Ormskerk op onafhankelijkheidsdag 25 november 1975


De illustere Surinaamse militair Fred Ormskerk (1923-1980), bijgenaamd Bikkel, woonde na zijn pensionering korte tijd in Nederland. Hij kon niet aarden en wilde terug, vooral nadat Bouterse en zijn kameraden hun 'sergeantencoup' hadden gepleegd. 'Ik ben een god voor die jongens,' zei Ormskerk in een interview. Toen hij opdook in zijn geboorteland, wekte dat argwaan bij het militair gezag. Wat kwam hij precies doen? De oud-adjudant werd opgepakt en in de kazerne zo hardhandig verhoord dat hij het niet overleefde. De officiële lezing was dat Ormskerk op het punt had gestaan om met een huurlingenleger de macht over te nemen. De formele doodsoorzaak was: levenloos aangetroffen in de cel. Zo stapelden de leugens zich op. Achteraf blijkt de moord op Ormskerk een keerpunt in de geschiedenis van de jonge republiek Suriname. Op het brute optreden van militairen tegen opponenten stonden geen sancties. Het geweld escaleerde, met als dieptepunt de Decembermoorden op vijftien prominente Surinamers in 1982.
Ormskerk deed 'frontervaring' op in Nederlands-Indië. Hij voedde zijn kinderen op volgens de regels van militaire discipline. Uiteindelijk zou hij worden doodgeknuppeld door 'jongens' die hij zelf had opgeleid. Deze reconstructie van zijn leven kan worden opgevat als een allegorie over loyaliteit en verraad.

Rudie Kagie (1950) is redacteur van Vrij Nederland. Hij werkte in 1980 als dagbladcorrespondent in Paramaribo, totdat hij werd opgepakt vanwege vragen die hij de militairen had gesteld over de dood van Ormskerk.

Rudie Kagie, Bikkel; Het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime. Amsterdam: Prometheus, 2012. ISBN 9789035137561. Prijs € 19.95 

Fragment
'Het hoofdhaar is zwart, kroes, iets grijzend. De oogleden zijn gesloten. De oogkleur is bruin. Het hoornvlies is erg troebel. De oogbollen zijn slap, het oogwit wat gelig, evenals het bindvlies van de oogleden.
[...]
Officieel wordt niet één (oud)militair verdacht van de moord op Ormskerk. Onofficieel circuleren er diverse namen van ondervragers die met stokken inbeukten op de gepensioneerde instructeur die hun ooit de fijne kneepjes van het militaire verhoor bijbracht. Ik ga naar die mannen op zoek, ik wil met ze praten. Deze zaak intrigeert me al tientallen jaren. Toen het drama zich voltrok, was ik allerminst toevallig in Paramaribo.'

woensdag 3 oktober 2012

Jimmy van der Lak (2)





Van schildersmodel tot souteneur?


Op het terras van beeldend kunstenaar Nola Hatterman (1899-1984) is verhuisd van het Amsterdams Historisch Museum naar het Stedelijk in Amsterdam. In 2009 koos criminoloog Frank Bovenwerk het schilderij voor de kaft van zijn boek Etniciteit, criminaliteit en het strafrecht. Hij wierp nieuw licht op de man die ervoor model stond: de Surinaamse Jimmy van der Lak (1903-1990). Was Van der Lak behalve schildersmodel, kelner, danser, bokser, acteur, eigenaar van een boksschool, ook pooier, zoals Bovenkerk suggereerde? Doét het er eigenlijk toe wat ie was?

door Ellen de Vries

Ongetwijfeld zocht hoogleraar criminologie Frank Bovenkerk met zorg deze illustratie uit voor het omslag van Etniciteit, criminaliteit en het strafrecht: de redevoering waarmee hij afscheid nam van het Utrechtse Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen.
In het voorwerk van de uitgave verklaart hij:

'Het schildersmodel heette Jimmy van der Lak. (...) Uit de beschrijving van de man, (…) in het Amsterdams Historisch Museum, blijkt dat Jimmy problemen had met de zedenpolitie. (1) Was hij een van de eerste loverboys (of po's - pooiers - zoals Surinamers zeggen)?' (2)

Bovenkerk schreef zijn boek toen Jimmy nog in het Historisch Museum hing. In een interview met de Volkskrant vertelt Bovenkerk, hoe Jimmy in Parijs destijds een café aan diggelen sloeg en in Amsterdam rondhing in een jazzclub die later gesloten werd vanwege het rekruteren van prostituees. Bovenkerk was een van de eersten die het taboe op het openbaren van misdaadcijfers onder migranten doorbrak. Verrassend genoeg concludeert hij aan het eind van zijn loopbaan: 'Ik keer mij (...) tegen de welhaast onweerstaanbare neiging om de misdaad in de multiculturele samenleving te herleiden tot een etnisch of cultureel probleem.'(3)  
In de Volkskrant stelt hij: 'Vandaag de dag zou Jimmy loverboy heten. Maar wat was nou zijn cultuur? Hij was niet typisch Surinaams, voldeed aan alle stereotypen van een Amerikaanse neger in die tijd. Jimmy was een cultureel hybride crimineel avant la lettre.' (4)

Amstel
Cultureel hybride crimineel avant la lettre? Het klinkt haast als een compliment. Toch weet ik niet of ik het een geruststelling vind, dat Jimmy niet 'typisch Surinaams' was, maar aan alle 'stereotypen van een Amerikaanse neger' voldeed. Ik kijk nog eens goed naar de te donker uitgevallen reproductie van Op het terras. Voor mijn ogen verandert de man op het schilderij van een gedistingeerde gentleman in een duistere figuur. De gebalde vuist voorspelt ineens niet veel goeds. De leren handschoenen op het tafeltje evenmin. Voor je het weet heeft hij ze van tafel gegrist en je er een striemende slag mee in je gezicht gegeven. Wat een ander onderschrift: Etniciteit, criminaliteit en het strafrecht wel niet vermag! De originele titel Op het terras daarentegen, wekt associaties op met een lome, zomerse vakantiedag.

Tijdens mijn research voor de biografie van de schepper van dit werk - de Amsterdamse kunstenares Nola Hatterman - kwam ik Jimmy's naam zelden tegen. Zeker niet als pooier of crimineel. Wel las ik in De eerste neger van journalist Rudie Kagie, dat generatiegenoten van Jimmy van pooierij beschúldigd werden. Namen werden niet genoemd.(5) Mij kwam slechts een verhaal over Jimmy ter ore. Dat is de anekdote die Nola Hatterman haar oud-leerling, pleegzoon en lieveling Armand Baag vertelde. Nola zou van de Amstelbrouwers opdracht hebben gekregen om een deftige heer te schilderen die op een terras een glas Amstelbier drinkt. Nola schilderde een deftige, zwárte heer. Verschrikt zouden de brouwers hebben afgezien van de aankoop. De huidige eigenaar van Amstel, Heineken, kon het verhaal niet bevestigen. Nola had – ontdekte ik – een grote fantasie, maar helemaal onvoorstelbaar is haar verhaal niet. Zeker niet als je bedenkt dat reclamemakers zwarte mensen vooral vereenzelvigden met hun huidskleur. (6) Uitheemse producten als koffie en cacao, maar ook oer-Hollandse als kachelglans en zoute drop werden aan de man gebracht met afbeeldingen van breed lachende 'negers' op de verpakking. In advertenties voor zeep werd de zwarte huid juist dankbaar aangegrepen om eens fijn 'schoon' te schrobben. Een zwarte consument die producten aanprees voor de Nederlandse markt? Dat gaf geen pas! Het aantal zwarte migranten - veelal Surinamers - was verwaarloosbaar klein en vormde dus nog geen interessante doelgroep voor marketeers.

Een naam
De anekdote stelde discriminatie aan de kaak. Over Jimmy zelf vertelde Nola blijkbaar niets dat degenen die ik over haar sprak is bijgebleven. Ik vermoed dat Nola en Jimmy - die in hetzelfde uitgaanscircuit verkeerden - elkaar vaak moeten zijn tegengekomen. Maar misschien behoorde Jimmy niet tot haar intimi. Ze gaf het doek in elk geval niet de naam van de geportretteerde mee, zoals ze wel deed met het zoekgeraakte schilderij Surinamer (Frits Frezer) dat in hetzelfde jaar verscheen. Lange tijd was onduidelijk wie de terrasganger was. In recensies uit de jaren dertig werd hij slechts aangeduid met 'neger' of 'man'. Pas in 1999 kreeg hij een naam: Jimmy van der Lak. Dat was te danken aan de kunsthistoricus Karin Söhngen die het schilderij selecteerde voor de tentoonstelling Magie en Zakelijkheid - realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945. De gelijknamige catalogus schetste voor het eerst zijn bestaan. Het schilderij, eigendom van het Stedelijk Museum, was tot 2012 in bruikleen van het Amsterdams Historisch Museum. Daar stond Jimmy min of meer model voor de Surinaamse nieuwkomers die in de jaren twintig en dertig werk vonden in de sport, jazz- en amusementsindustrie.
Suikerplantage Merveille. Diorama van Gerrit Schouten

Journalist Rudie Kagie sprak Jimmy een half jaar voor zijn dood in 1990. Zestien jaar later deed Jimmy in de herziene druk van De eerste neger (2006) postuum zijn relaas. Désiré Max Jules Constantijn van der Lak - beter bekend als Jimmy van der Lak, alias Jimmy Lacky of Jimmy Lucky - werd in 1903 geboren in Paramaribo. Hij was de nazaat van slaven, afkomstig van de suikerplantage Merveille (ook bekend als Adjakka) langs de Surinamerivier. (7) Aan Kagie vertelde hij dat zijn vader architect was en bruggen ontwierp. Het lijkt onwaarschijnlijk dat Jimmy uit een dergelijk milieu afkomstig was, maar hoe dan ook: als jongetje droomde Jimmy van verre landen voorbij de bruggen en einders. In een interview met Elsevier uit 1970 pochte hij over zijn danstalent. Het revuegezelschap van de Amerikaan Louis Douglas dat Suriname aandeed, zou Jimmy hebben meegevraagd op tournee naar Trinidad. Vandaar trok het gezelschap naar Europa. In Parijs stapte Jimmy om onduidelijke redenen uit de groep en nam de trein naar Amsterdam. (8) Om met Albert Helman - pseudoniem voor de Surinaamse schrijver Lou Lichtveld - te spreken: 'Herinneringen zijn als schuwe vogels die fladderen van dak tot dak, die nauwelijks de toppen raken en weer zweven in de lucht'. Het is aannemelijker dat Jimmy als verstekeling aan boord van motorschip de Cottica uit Paramaribo vertrok. In elk geval wijst de gezinskaart van het Stadsarchief Amsterdam uit dat Jimmy van der Lak in 1926 in Amsterdam werd ingeschreven. Als 'plaats waarvandaan de persoon is gekomen' werd 'Paramaribo' en niet 'Parijs' genoteerd. Achter 'ambt, beroep of bedrijf': 'knecht' in plaats van 'danser'. Dat dansen moet van later datum geweest.


Verstekeling
Jimmy was niet de enige die de oceaan overstak. Studie was in die tijd de meest voor de hand liggende reden voor de overtocht naar Nederland. In Suriname waren de mogelijkheden beperkt. Vaak waren de studenten afkomstig uit rijke, lichtgekleurde Surinaamse elite. De andere groep die Nederland aandeed bestond uit varensgezellen. En dan waren er nog gelukzoekers zoals Jimmy. (9)
In reclames werden ze misschien belachelijk gemaakt, in de horeca en amusementsindustrie waren zwarte mensen in de jaren twintig, begin jaren dertig bijzonder gewild. Dat gold ook voor de kunstwereld. Nederland volgde Parijs. In de lichtstad had de belangstelling voor jazz en de zwarte cultuur die was overgewaaid vanuit New-Yorkse wijk Harlem, zich ontwikkeld tot een ware negrofilia. (10) Op schilderijen, foto's, in populaire muziek, dans, literatuur, theater en meubelontwerpen, 'negercabarets' overal was de invloed van de Afrikaanse en Afro-Amerikaanse zwarte cultuur zichtbaar. (11)  Ook Nederlandse schilders lieten zich erdoor inspireren. De meeste Surinamers in Amsterdam kenden elkaar. Het zong zich als snel rond dat je als schildersmodel een centje kon bijverdienen. Vanaf 1926 poseerden Surinaamse en Antilliaanse modellen voor studenten op de Rijksacademie, andere onderwijsinstellingen en individuele schilders. (12) Via haar privéleraar Charles Haak kwam Nola met Jimmy in aanraking. Hij moet een van haar eerste modellen zijn geweest. (13) 
   
Revue
Op het terras beeldt, conform de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid waartoe het gerekend wordt, attributen af die iets vertellen over de Jimmy's functie in het dagelijks leven. (14) In het opengeslagen avondblad lezen we advertenties voor de operette Wenn der weisse Flieder wieder bluht, en de revues O, Yes Kitty, Hallo! met Lou Bandy en Sonny Boy. Heel goed mogelijk dat Jimmy figureerde of danste in een of misschien wel alle afgebeelde producties. In het interview met Elsevier in 1970 bevestigt hij dat hij met Lou Bandy in Carré op de planken stond. Jimmy had met andere woorden zijn knechtenbestaan ingeruild voor de revue. Of zijn gebalde vuist en leren handschoenen dan al naar zijn bokscarrière verwijzen en het pilsje naar zijn kelnerschap, weet ik niet helemaal zeker.
Willy Walden

Zo rond 1930 vermoed ik, moet Jimmy naar Parijs zijn vertrokken om te dienen in het Nederlandse restaurant van Leo Faust, vlak achter Place Pigalle. Het was befaamd om zijn 'Hollandsche Gerechten, opgediend door Hollandsche kellners'. Hier in Parijs zou hij, zoals Bovenkerk suggereert, een café aan diggelen hebben geslagen en Frankrijk zijn uitgezet. Hoe het ook zij, Jimmy keerde rond 1932 weer terug naar Nederland; in het voorjaar danste en zong hij in de revue Blank en Bruin van Willy Walden en Frits Schakels uitgedost als Afrikaan. (15) Wanneer zijn professionele carrière als bokser precies begon, is ook niet duidelijk. Boksen leerde hij in de Amsterdamse boksschool De Jonge Bokser in de Wagenstraat. Pas in 1934 duikt zijn naam op in Het Vaderland. In de krant van 9 februari wordt de mededeling gedaan dat Jimmy zijn training - blijkbaar na een pauze - hervat. Nog geen maand later op 8 maart 1934 volgt de aankondiging van een internationale bokswedstrijd in de Dierentuin te Den Haag waaraan Jimmy Lacky deelneemt: 'bekend Haagsch negerinstructeur'. Dat sloeg op het feit dat Jimmy inmiddels een boksschool was gestart in Den Haag aan de Elandsstraat 54. Aan Kagie vertelde Jimmy dat de wedstrijd in de Dierentuin zijn laatste was. Jimmy verscheen gedrogeerd door hoffmanndruppels, die zijn middagdutje hadden moeten bespoedigen, in de ring. 'Ik kreeg een enorm pak slaag. De scheidsrechter kwam tussenbeide en dat was het einde van mijn bokscarrière.' (16) Hierna vond Jimmy emplooi als kelner in café-restaurant De Sport in Scheveningen. De zaak liep als 'jewelste'. De zwarte Jimmy zou een bezienswaardigheid zijn geweest. Als hij er niet was kon de eigenaar de tent wel sluiten. Op straat hielden mensen Jimmy aan. 'Bussen stopten. (...) Ik was een attractie.'  (17)

'Negercabarets
'
In Parijs was de rage alweer op zijn retour, maar in de Randstad schoten 'negertenten' als paddestoelen uit de grond. Jimmy keerde terug naar Amsterdam en vond werk in de Negro Kit Cat Club in de Wagenstraat, vlakbij de school waar hij zijn eerste bokspartijtjes speelde. De Negro Kit Cat Club was - evenals the Negro Palace - razend populair. Zwarte obers serveerden mixdrankjes met exotische namen als Bamboo cocktail en East-Indian. Jimmy was bevorderd tot chefkelner. Terwijl zwarte jazzmusici - onder wie de legendarische Teddy Cotton en Kid Dynamite - zich de longen uit het lijf bliezen, wervelden verhitte mannen en vrouwen over de dansvloer. De hoofdinspecteur van politie de heer Versteeg, sloeg het bezorgd gade. Hij had het niet zo op deze muziek en vergeleek een bezoek aan The Negro Kit Cat Club met een uitstapje naar Artis. 'In dat dierenparadijs kan men de fratsen van de apen nog waarderen. In The Negro Kit Cat Club is echter het optreden dezer "mensapen" walgelijk om aan te zien.' (18) In het politiedossier met als titel Negercabarets dat in het Stadsarchief ligt opgeslagen, bevindt zich een brief waarin Versteeg waarschuwde voor de 'naar onze inzichten onsmakelijk uitziende, sexueel uitermate veel presteerende negers'. Hollandse meisjes waren het met het eerste zeker niet eens en het tweede vormde misschien juist reden voor bezoekjes aan de clubs. Er kwamen klachten over onzedelijk gedrag. Een van die klachten waarvan op 27 november 1936 rapport werd opgemaakt, had betrekking op - jawel - Jimmy van der Lack.

'Op 21 november jl werd aan bureau Zedenpolitie door een onbekend gebleven man telefonisch medegedeeld dat de oberkellner Jimmy Lucky en de eerste kellner genaamd Emanuel (...) er hun werk van maakten om plm. 18 jarige vrouwen die meergenoemde zaak bezoeken [Kit Cat Club] in contact te komen. Ze maken dan een afspraak met die vrouwen om hen na sluiting van de zaak omstreeks 1.30 uur 's nachts op te wachten. De vrouwen worden dan volgens denzelfden man mee naar de kamers van die kellners genomen, waar dan allerlei ontucht wordt gepleegd. Zelfs moet het wel voorgekomen zijn, dat die kellners een meisje naar binnen hebben gesleept. Namen van de meisjes kon de zegsman niet noemen.'

Blonde Geertje
De Zedenpolitie begaf zich op vrijdag 27 november 1936 naar de Negro Kit Cat Club om poolshoogte te nemen. Ze vatten twee vrouwen in de kraag: Hermina Burggraaf en haar vriendin Geertruida de Boer, beiden circa 18 jaar oud. De blonde Geertruida - Geertje of Gray genoemd - bleek verliefd op Jimmy. Desgevraagd ontkende Jimmy tegenover de zedenpolitie seks met haar te hebben gehad. Als reden gaf hij op: '(...) omdat ik trouwplannen met haar heb.' In het dossier bevinden zich twee brieven van Jimmy aan Gray. Uit de tweede brief van 19 november 1936, blijkt dat Gray problemen heeft thuis.

'Baby, hoe hard en ellendig of je 't ook thuis heb, houd dit altijd voor oogen, er is toch iemand, een jongen die met me mee leefd en voel en dat is Jimmy. Die gedachte alleen helpe je leed verzachten. Nu Gray, je weet wat we hebben afgesproken. Ik ben iedere middag van 1 tot 2 in de Cityhal. Daarna ben ik thuis tot 4 uur. Je kan altijd naar me toekomen.'
Teddy Cotton

Het lijkt erop alsof Gray niet geheel tegen haar zin met Jimmy omging. De zwaarste verwijten richting Jimmy kwam van dezelfde anonieme bron, die later ontmaskerd werd als de Surinamer Frederik Willem Reigman, artiestennaam Kid Johnson. Reigman beschuldigde Jimmy ervan 'hoofd van een Surinaamsche bende' te zijn die 'voor talloze minderjarige Hollandse meisjes' een gevaar vormen. Tot de Surinaamse bende behoorden muzikanten en kelners die in de Negro Kit Cat Club werkten. Onder anderen de namen van de muzikanten Walter Rens, Michael Hidalgo en Teddy Cotton vielen. Volgens Reigman waren het eigenlijk souteneurs, die meisjes trouwden om ze de baan op te sturen. Rancune leek een rol te spelen. Jimmy zou Reigmans baan als chefkelner hebben ingepikt. Het was Reigman die stelde dat Jimmy in het café van Leo Faust de boel kort en klein had geslagen, tot drie maanden gevangenis was veroordeeld en in 1930/1931 zou zijn uitgewezen.

Ontucht
Wat er werkelijk gebeurd is, wordt uit het dossier niet duidelijk. Wel lees ik wat Geertje de Boer tijdens een verhoor over Jimmy vertelde. Zij verklapte op dinsdag 9-2-37, dat ze nadat ze door de inspecteurs was aangehouden, Jimmy was blíjven zien. Ze zocht hem op in zijn woning aan de Prinsengracht 755. Geertje gaf uiteindelijk toe 'intiem' te zijn geweest met Jimmy, maar ontkende 'ontucht met verschillende mannen' te hebben gepleegd. De inspecteurs rapporteerden:

 'Op onze vraag hoe zij dan aan geld kwam, verklaarde zij zich drie maal als mannequin beschikbaar te hebben gesteld, waarmeede zij gezamenlijk f 30 had verdiend. Zij wilde echter niet zeggen voor welken firma dit was geweest waarom wij rapporteurs deze verklaring in twijfel trokken.'

Ook verklaarde Geertje dat Jimmy haar, in zijn woning meermalen om geld had gevraagd en dat zij hem bedragen variërend van f 1 tot f 2,50 had gegeven.

'Ook had ze wel tegen hem gezegd wanneer hij om geld vroeg, dat zij geen geld bezat. Hij onderzocht dan haar tasch en wanneer hij dan geld vond, dan kreeg zij een pak slaag van hem, omdat zij hem had voorgelogen. Eenmaal had hij haar zo’n harde klap in haar gezicht gegeven, dat ze op de grond viel. Daarom gaf ze hem, uit vrees steeds haar geld. Haar genegenheid voor hem was volgens haar bekoeld doch zij durfde den omgang met hem niet te verbreken, omdat hij haar had bedreigd wanneer zij den omgang zou verbreken, dat hij dan haar gezicht zou verminken. Tenslotte verklaarde ze nog dat zij des morgens omstreeks 9 uur van huis ging en dat zij daarin pas tegen middernacht terugkwam. De tijd daartusschen bracht zij door, in de woning van Jimmy en in dancings, ondermeer La Gaité in de Reguliersbreestraat alhier. Deze zaak is daarmee doorgegeven aan het bureau Zedenpolitie alhier.'

Uit een dossier van bureau Zedenpolitie zou ook blijken dat Jimmy in pension Van den Berg aan de Prinsengracht no 636 enige nachten sliep met een toen nog minderjarig meisje dat hij op straat had leren kennen en dat zich volgens de pensionhouder vervolgens 'aan prostitutie overgaf.'

Ontslagen
Op woensdag 31 maart 1937 werd Jimmy zelf gehoord, 'zonder vast beroep, wonende Singel 387 boven'. Vreemd genoeg zegt hij tijdens dat verhoor, dat ie vanaf 1931 in Nederland woont, wat bewijsbaar onjuist is. Bedoelde hij misschien: wéér?

'Ik ben vanaf 1931 in Holland. Voorheen heb ik gewerkt in Parijs, Spanje, België en Duitsland als kellner, bokser, danser en zanger. Ik pak alles aan. Vanaf 1931 heb ik gewerkt als zoodanig in Den Haag, Rotterdam en andere grote steden. In october 1936 ben ik weer in Amsterdam teruggekeerd. Ik heb ook boksles gegeven,alsmede dansles en gymnastiekles.'

Toen de rapporteur vroeg of hij in Parijs had werkt in een Hollands café, ontstak Jimmy in woede.

‘Nu begrijp ik wie of u die inlichtingen heeft verstrekt. Mijn kop er af als Johnson [Reigman] u die inlichtingen niet heeft verstrekt. (...) Johnson is de grootste kinderverkrachter die er rondloopt. Verscheidene meisjes hebben een kind van hem, waar hij zich niets van aantrekt. Hij is de grootste oplichter die er rondloopt.' 

Hij begreep niet 'dat de Politie van zo iemand inlichtingen wil ontvangen'. Reigman was inderdaad niet van onbesproken gedrag. Jimmy liep kwaad weg. De rapporteur schreef bedrukt: 'Al mijn pogingen om het verhoor voort te zetten, faalden. Van der Lak bleef bij zijn besluit, om niet meer te antwoorden, reden waarom geen uitvoerig gehoor plaats kon hebben.’ Vanwege alle klachten over onzedelijk gedrag was het zwarte personeel van 'negerclubs' inmiddels ontslagen.

Wel of niet?
Was Jimmy een pooier? Als je de rapporten leest, lijkt hij geen brave borst. Toch werd Jimmy voor zover mij bekend niet veroordeeld. De inspecteur deed blijkbaar evenmin pogingen om hem nog eens te verhoren. Het zou kunnen dat hij een tijdje de pooier uithing, maar keiharde bewijzen ontbreken.
Doet het ertoe? Het is verleidelijk - en misschien ook wel de kracht van de voorstelling - om heden, verleden en de toekomst erin te projecteren. De rapporten van de zedenpolitie dateren van 1936-1937; Op het terras is van 1930.
Nola Hatterman

Uit de beschrijvingen - ook van kunsthistorici - lijkt het verhaal achter de man op het schilderij in toenemende mate van belang te zijn geworden. In het bijschrift dat het Stedelijk naast Op het terras plaatste wordt behalve over Jimmy nu ook informatie verschaft over Nola Hatterman die – misschien wel om af te rekenen met het koloniale milieu waaruit ze afkomstig was – beweerde zich ‘van binnen een neger’ te voelen. Het zijn notities om bij weg te dromen en je fantasie de vrije loop te laten. Maar zijn ze van  belang? Zit de zeggingskracht van Op het terras 'm niet vooral in het werk zelf, in plaats van de onderschriften die het model en de motieven van de schilder in een tijdsbeeld proberen te vangen. Een verslaggever van het Algemeen Handelsblad schreef in 1939, zich van dit alles niet bewust, onbekommerd: 'Het groote portret van den man voor zijn café is zoowel in zijn expressie als door zijn compositie en kleurencombinatie een getuigenis van diepe innerlijke beschaving en smaak.' (19) Of zoals de jonge verkoper in de boekwinkel van het Stedelijk - die feilloos wist in welke zaal Jimmy hing - opmerkte: ‘Cool schilderij.’


[Dit artikel is een bewerking van het artikel dat in 2009 werd gepubliceerd op de website Researchlab Black is beautiful.]

Ellen de Vries is publicist en auteur van Nola - Portret van een eigenzinnig kunstenares.

Literatuur

Archer-Straw, Petrine (2000). Negrophilia, Avant-Garde Paris and Black Culture in the 1920s. New York: Thames & Hudson.
Bovenkerk, Frank (2009). Etniciteit, criminaliteit en het strafrecht. Den Haag: Boom Juridische uitgevers in samenwerking met het Willem Pompe Instituut voor Strafwetenschappen in Utrecht
Cottaar, Annemarie (2004), Cornelis Kogeldans en Carmen van Vliet: Surinaamse modellen aan de Rijksacademie, in: De kunst van het overleven - Levensverhalen uit de twintigste eeuw, uit de serie: Cultuur en Migratie in Nederland, (o.r.) Wim Willems. Den Haag: Sdu-Uitgevers.
Haarnack, Carl en Schreuder, Esther (2008), Op het terras, Jimmy van der Lak, p. 312-313, in: Black is beautiful - Rubens tot Dumas, Kolfin, Elmer en Schreuder, Esther (red.) (2008). Zwolle: Waanders Uitgevers.
Kagie, Rudie (2006). De eerste neger. Amsterdam: Mets & Schilt
Nederveen Pieterse, Jan (1990). Wit over zwart - beelden van Afrika en zwarten in de westerse populaire cultuur. Amsterdam: Koninklijk Instituut voor de Tropen
Oostindie, Gert en Maduro, Emy (1986). In het land van de overheerser II - Antillianen en Surinamers in Nederland 1634/1667-1954. Leiden: Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde
Schreuder, Esther (2008), Afrika in het onderbewuste 1920-1960, p 317, in: Black is beautiful - Rubens tot Dumas, Kolfin, Elmer en Schreuder, Esther (red.) (2008). Zwolle: Waanders Uitgevers.
Söhngen, Karin (1999), De thematiek van het nieuwe realisme, het eerherstel der genres p.61-88. In: Magie en zakelijkheid, realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945, Blotkamp, Carel en Koopmans, Ype (or). Zwolle: Waanders Uitgevers
Vries, Ellen de (2e herziene druk 2009). Nola - Portret van een eigenzinnig kunstenares. Amersfoort: Klapwijk en Keijsers Uitgevers.


 
Noten:
 
[1] Die beschrijving luidt: 'De meeste Surinamers die in de jaren 20 en 30 naar Nederland emigreerden, kwamen terecht in het amusement of de sport. Zo ook Jimmy van der Lak (artiestennaam Jimmy Lucky) die in 1903 geboren was in Paramaribo. Na een verblijf in Parijs trok hij naar Amsterdam waar hij zijn geld verdiende als bokser, zanger, tapdanser en filmacteur. Ook was hij chef-kelner in de Negro Kit Cat Club in de Wagenstraat, totdat in 1937 op aandrang van Hoofdcommissaris van Politie Versteeg al het zwarte personeel van de 'negercabarets' ontslagen werden na klachten over verleiding van Nederlandse meisjes.'
[2] Bovenkerk, 2009
[3] Bovenkerk, 2009:28
[4] 'Meten en benoemen', interview met Frank Bovenkerk, door Janny Groen en Annieke Kranenberg, in de Volkskrant van 6 juni 2009.
[5] Kagie, 2006:106-115
[6] Nederveen Pieterse, 1990:198-199
[7] Schreuder en Haarnack, 2008:313
[8] 'Het hart op de tong' - interview met Jimmy van der Lak door Frits van der Molen, in Elsevier van 10 januari 1970 
[9] Oostindie en Maduro, 1986: p 26 e.v., p. 45-e.v. 
[10] Bedoeld wordt de Harlem Renaissance: een culturele stroming van zelfbewuste zwarte schrijvers, muzikanten, kunstenaars, activisten en politici in de New Yorkse wijk Harlem die tot 1929 bestond.
Zie Archer-Straw, 2000: 159 e.v.
[11] Archer-Straw, 2000:9-16
[12] Cottaar: 2004:67
[13] De Vries, 2009:45
[14] Haarnack en Scheuder: 2008:313
[15] Kagie, 2006:84
[16] Kagie,2006:84-85
[17] ibidem
[18] Kagie, 2006:110
[19] In het Algemeen Handelsblad (avondblad) van 8 maart 1939