Posts tonen met het label Binnendijk Chandra van. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Binnendijk Chandra van. Alle posts tonen

zaterdag 11 januari 2014

Oonya Kempadoo over de uitdaging van het schrijven

Oonya Kempadoo. Foto © Bags End
door Desiree Seebaran

De Guyanese schrijfster Oonya Kempadoo woont in Grenada. Ze vertelt in dit interview waarom het schrijven van haar derde roman All Decent Animals zoveel tijd in beslag nam, en over haar passie voor maatschappelijk ontwikkelingswerk. Oonya groeit op in een ‘alternatief’ gezin: haar ouders waren een soort hippie-socialisten die hun kinderen thuis zelf onderwijs gaven, met een internationaal curriculum. Daardoor werd ze iemand die de wereld wil onderzoeken, die probeert te zien wat niet gezien mag worden, zegt ze zelf.

‘Ik ben mijn ouders echt dankbaar voor het internationale perspectief dat ze ons hebben bijgebracht. Dat geeft mij het gevoel dat ik overal kan wonen, dat ik overal naar toe kan gaan en dat ik alles kan doen wat ik maar zou willen. Ik denk ook dat het me een innerlijke verplichting heeft gegeven om bij te dragen aan de samenleving, ongeacht waar ik ben.’

In Buxton Spice speelt seksualiteit een belangrijke rol. In die periode zocht Kempadoo naar literatuur over hedendaagse Caraïbische vraagstukken en ongeromantiseerde levens. ‘Praten over seksualiteit is iets dat we in het Caraïbisch Gebied enorm omzeilen. Maar ik schreef er niet over om een statement te maken. Eerder om trouw te willen blijven aan de stem van het kind en aan delen van mijn eigen achtergrond - in mijn opvoeding werden we aangemoedigd om te discussiëren en te debatteren, en om op een heel liberale en experimentele manier over dingen te praten. Ik denk dat sinds het verschijnen van Buxton Spice seks in fictie meer is verkend en onderzocht, maar dan in een meer politiek correcte taal.

Mijn tweede boek, Tide Running, kwam uit in 2001. Ik werkte toen al aan All Decent Animals, maar dat liet ik liggen want ik voelde dat het een groter boek was dan ik kon schrijven als een derde roman. Maar ik denk vooral omdat ik schrijven toen nog als tamelijk vanzelfsprekend beschouwde. Misschien had ik er ook niet voldoende respect voor. Ik wilde op een directere manier bijdragen aan de Caraïbische samenleving en ik begon met maatschappelijke ontwikkelingsprojecten. Daarbij was ik ook nog steeds bezig een balans te krijgen tussen de druk van een parallelle carrière om daar een inkomen uit te krijgen en het schrijven. Want elke carrière vraagt een bepaalde hoeveelheid toewijding om het goed te kunnen doen. Met mijn consultancywerk kwam ik op een punt waar ik voelde dat ik moest kiezen tussen schrijven en maatschappelijk onderzoekswerk. En de keuze was schrijven, hoewel dat mijn leven wel moeilijker maakt.

St. George's, Grenada
Uiteindelijk, in 2010, legde ik al het andere werk neer en keerde terug naar All Decent Animals om het af te maken. Ik heb geaccepteerd dat ik altijd zal blijven schrijven - omdat ik ook blijf schrijven wanneer ik probeer om het niet te doen. Dus ik ga door met het zoeken naar creatieve manieren om het schrijven van fictie te verbinden met sociale ontwikkeling. Waar ik echt naar toe wil is grotere betrokkenheid bij het onderwijs en als beleidsmaker voor sociale ontwikkeling. Deze forums betrekken gewoonlijk geen kunstenaars. De maatschappij ziet schrijvers als kunstenaars en kunstenaars worden vaak alleen maar als entertainment beschouwd, niet als wetenschappers die van invloed kunnen zijn op besluiten die zijn gebaseerd op de realiteit. Maar multitasken kan ik niet. In elk geval niet in combinatie met het schrijven van fictie, nee. Alleen maar om weer terug te komen in de personages vraagt al zo enorm veel hoofdruimte. Ik schrijf nog steeds op de ouderwetse manier, met pen en papier. Typen is de eerste ronde van redactie. Ik wil zo waarheidsgetrouw zijn als ik maar kan met de personages, met hun omgeving, met details, met beelden, geluiden, aanrakingen, smaken.

Welk boek het moeilijkst was om te schrijven? Elk nieuw werk is iets op zichzelf, dus er is geen antwoord op die vraag. Ik denk dat dat de uitdaging is van het schrijven: gaandeweg verruim en verleg je je grenzen. Je duwt jezelf en je verbeeldingsvermogen echt naar nieuwe plekken’.

[uit Caribbean Airlines, May/June 2013. Vertaling/ bewerking: Chandra van Binnendijk]

Twee romans van Oonya Kempadoo

Oonya Kempadoo

door Chandra van Binnendijk

Oonya Kempadoo (1966) groeide op in Guyana, het land van haar ouders. Na een kunstopleiding in Amsterdam keerde ze terug naar het Caraïbisch Gebied en woonde in Trinidad, St. Lucia, Tobago en tegenwoordig in Grenada. Haar eerste roman Buxton Spice verscheen in 1998, kreeg lovende recensies en werd in zes talen vertaald. Haar tweede boek Tide Running (2001) werd aan beide zijden van de oceaan goed ontvangen. Haar beide romans zijn genomineerd voor de Internationale Literatuurprijs IMPAC Dublin, in respectievelijk 2000 en 2003. Oonya Kempadoo is door de jury van de Orange Prize uitgeroepen tot ‘Great Talent for the Twenty-First Century’ en is winnaar van de prijs van Casa de las Americas. In 2011 kreeg ze een beurs toegekend voor het International Writing Program aan de universiteit van Iowa. Kempadoo wordt alom beschouwd als een begaafde representant van een nieuwe generatie in de Caraïbische literatuur.



Buxton Spice
Buxton Spice, het debuut van Oonya Kempadoo, is een semi-autobiografische roman. De schrijfster ontpopt zich hierin als bijzonder levendig en scherpzinnig waarneemster. Het speelt zich af in het begin van de jaren zeventig, in het postkoloniale Guyana ten tijde van president Forbes Burnham, een periode die gekenmerkt wordt door bloedige aanvaringen tussen de hindostanen en creolen. De hoofdpersoon is Lula, een slim en gevoelig 13-jarig meisje met een voorliefde voor het bestuderen van de medemens. Haar kleine leventje in het kleine stadje Tamarind Grove is daardoor alles behalve klein maar juist boordevol ontdekkingen. Een centraal thema in het boek is de eerste verkenning van de vrouwelijke seksualiteit. Kempadoo toont hierin een fraai staaltje van origineel schrijverschap. Ze brengt het fijnzinnig onder woorden, en qua herkenning en openheid zal dit een verademing zijn voor elke jonge meid in de puberteit die met dezelfde onzekerheden worstelt. Het komt immers niet vaak voor in de literatuur dat over de lustgevoelens van vrouwen door vrouwen zelf wordt geschreven, en zeker niet vanuit het perspectief van een jong meisje.
Een ander centraal gegeven is de politieke situatie. Allerlei kenmerken daarvan komen voor in Lula’s belevenissen: rantsoenering van levensmiddelen, snel toenemend geweld en criminaliteit, botsingen tussen de twee etnische groepen. De steeds aanwezige stille toeschouwer van alle gebeurtenissen is de wijze manjeboom (de Buxton Spice soort) die zijn takken uitspreidt over de woning van de familie. Wanneer de politiek echt dichtbij komt, raakt uiteindelijk het hele bestaan van het zachtmoedige gezin van Lula aangetast - het betekent het definitieve einde van een onbezorgde kindertijd in een tropisch land.

Tide Running
Kempadoo’s tweede roman, Tide Running, is een prikkelend, beeldend verteld verhaal over de intieme maar uiteindelijk rampzalige relatie van een jongeman op Tobago met een echtpaar dat er vakantie houdt. Cliff is 20 jaar en zwalkt doelloos door het leven in het slaperige Plymouth. Terwijl zijn vrienden in de misdaad belanden of aan de drugs raken, komt hij in aanraking met de charmante openheid van een gemengd stel dat een vakantiehuis in zijn buurt heeft: Bella, een Trinidadiaanse fotografe, haar Engelse man Peter, een bedrijfsjurist, en hun zoontje. Zij idealiseren het eiland en beginnen evenzo Cliff te idealiseren en er ontstaat een plezierige verhouding tussen het drietal. Maar dan begint Cliff te stelen van het echtpaar en dat verandert alles. Kempadoo veroordeelt wijselijk niet de rijke buitenstaanders voor het misbruik maken van Cliff’s gebrek aan privileges, maar geeft elk personage de ruimte voor zijn of haar eigen zelfrechtvaardiging. Bella houdt er een ietwat naïeve romantische kijk op Cliff’s grassroot achtergrond op na; Peter, die ouder is dan zijn vrouw, meet zijn mannelijkheid op een semi-plagerige manier aan die van Cliff, terwijl Cliff zelf een raadselachtige figuur blijft. Kempadoo heeft een diepe kennis van het klassenbewuste gedrag en toont een fijne gevoeligheid voor het taalgebruik van de eilandbewoners. Ze wordt nergens sentimenteel, waardoor haar verhaal bruist van sprankelende en scherpzinnige helderheid. Tide Running schetst het leven van jongemannen op een klein eiland tegenover dat van toeristen die uitsluitend gericht zijn op hun eigen luxueuze leventje en geen oog hebben voor het werkelijke leven van de bewoners.



[in: ‘dWTL’ nr. 580 van 8 mei 1999. De Nederlandse vertaling van Buxton Spice is van Irma van Dam en is in 1998 uitgegeven door uitgeverij Prometheus]


woensdag 23 oktober 2013

Karin Amatmoekrim in Suriname

V.l.n.r. Karin Amatmoekrim, Chandra van Binnendijk, Marieke Visser, Tessa Leuwsha. Foto Marcel Accord
Afgelopen zaterdag, 19 oktober, hield Karin Amatmoekrim haar nieuwe, vijfde roman, De man van veel, ten doop in Suriname, in hotel Torarica. Het boek gaat over een psychotische periode die Anton de Kom in zijn leven doormaakte. Wat de biografische feiten betreft steunt het sterk op de De Kom-biografie van Rob Woortman en Alice Boots, maar Amatmoekrim gebruikt haar eigen verbeelding om op te roepen wat De Kom doormaakte.

woensdag 20 februari 2013

Geschiedenis vrijmetselarij Suriname te boek gesteld


door Joop Vernooij

In november 2011 bestond de vrijmetselaarsloge Concordia, de oudste van Suriname, 250 jaar. De oorsprong van de vrijmetselarij in het algemeen ligt in de late middeleeuwen toen gildes, verenigingen van vakgenoten, ontstonden. De bouwvakkers gebruikten hun werkgereedschap als symbolen voor hun vereniging die zich rond 1717 - 1720 vormde en inmiddels is uitgegroeid tot een wereldbroederschap. Met een vakvereniging heeft de vrijmetselarij nu niets meer van doen.
De loge is het pand waar de bijeenkomsten worden gehouden. Er wordt aparte kleding gedragen en er vinden allerlei rituelen plaats. De orde maakt veel gebruik van symboliek, zoals getallen en tijdsaanduidingen, maar ook van symbolen van de oude vakvereniging zoals de passer en winkelhaak. Zij is alleen toegankelijk voor leden, wat haar enigszins exclusief en geheimzinnig maakt.

Personeel van het Roode Kruis voor het 'Nepveu-huis' aan de Gravenstraat, waar de Loge Concordia was gevestigd. Collectie Surinaams Museum


Het bestuur van Loge Concordia heeft de journalisten Marieke Visser en Chandra van Binnendijk gevraagd een gedenkboek samen te stellen op basis van haar 250-jarig jubileum. De keuze voor deze auteurs is opvallend, omdat de vrijmetselarij een mannenaangelegenheid is en wil blijven. De jubilerende Loge Concordia wil met dit boek de Surinaamse gemeenschap inzage geven in haar doen en laten, omdat er veel geheimzinnigheid heerst en onwaarheid over haar de ronde doet. Soms is er zelfs sprake van grove vooroordelen van niet-ingewijde tegenstanders. De vrijmetselarij in Suriname heeft bovendien te maken met de krimp van haar ledental. Met een informatieve publicatie zouden jongeren geïnteresseerd kunnen raken.
Munt geslagen voor Loge Concordia 1761-1986

Behalve in de literatuur vonden de auteurs informatie bij het Cultureel Maçonniek Centrum in Den Haag en hebben zij een mooi aantal interviews afgenomen. Bovendien hebben ze interessante illustraties op de kop weten te tikken. Het resultaat is een zeer fraai en vakkundig uitgegeven boekwerk met mooie foto’s en afbeeldingen. De kaft toont op de voorkant de klopper van de hoofddeur van loge Concordia en op de achterkant een afdruk van het schilderij Alziend Oog van Arend Veninga. Op het wapen van Loge Concordia staat de Latijnse tekst Concordia creat felicitatem, eenheid van hart schept geluk. De datum van uitgave staat volgens de tijdrekening van de vrijmetselaars vermeld: ‘de 17e dag van de 9e maand in het jaar 6011 A.L’. Provinciaal Grootmeester Hans Hanenberg heeft het voorwoord geschreven (pp. 7-9).

Tijdens de bijeenkomsten in de loge wordt gediscussieerd en worden lezingen gehouden. Mannen kunnen het lidmaatschap aanvragen en ondergaan vervolgens een introductietijd. Er zijn allerlei taken of ambten te vervullen zoals een provinciaal grootmeester, provinciaal groot-secretaris, thesaurier of meester van eer. De loge is een plaats voor groei in wijsheid, een plaats van dienstbaarheid en biedt een weg naar persoonlijke volmaaktheid. Bij de vrijmetselarij is sprake van een ontwikkeling van eigen, humane spiritualiteit, waarin religie een plaats heeft en gerespecteerd wordt. Het gaat om de groei van het geestelijk leven en de orde heeft daarentegen niets van doen met haat, bestrijding van andere groepen of het uitschakelen van mensen. De broederschap is universeel: logistiek en spiritueel.

Het huis van gouverneur Jan Nepveu, Gravenstraat 9, waar later de Loge Concordia was gevestigd, en nog later de Staten van Suriname hun intrek namen; foto uit de collectie Surinaams Museum

Loge Concordia is in 1761 gesticht door toenmalige Nederlanders in de kolonie Suriname. Notaris Samuel Nassy, in 1684 als zodanig door gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck benoemd, had in zijn zegel duidelijke symbolen van de vrijmetselarij, zodat men kan aannemen dat hij een van de eerste vrijmetselaars in Suriname is geweest. De loge kon dankzij het contact met het hoofdbestuur in Nederland worden opgericht. De activiteiten waren wisselend en soms op een laag pitje. Een interessant detail is dat de katholieke missie in de tweede helft van de negentiende eeuw het gebouw van Loge Concordia in de Saramaccastraat voor f. 7.000.- kocht en er de Rosakerk van maakte.

De Rosakerk in Paramaribo. Foto Sensaos


Behalve Loge Concordia bestaan er in Suriname de Loges De Stanfaste nr. 238, De Gouden Driehoek nr. 245 en De Provinciale Grootloge Suriname; ze zijn allemaal tussen 1964 en 1970 opgericht. Bovendien bestaat sinds 1917 in Suriname het instituut van Gedelegeerde van het Hoofdbestuur.
De loges bestonden lange tijd alleen uit witte mensen. Frank Essed en Jules Sedney waren de eerste Surinaamse kleurlingen die lid werden. De strikte organisatie, de vervulling van de ambten en de behoefte aan geestelijke groei maken dat de loges het goed doen, maar graag versterking nodig hebben. Loge Concordia heeft veertig leden.

De auteurs hebben in het bijzonder aandacht voor de ontwikkelingen in de negentiende en twintigste eeuw en voor de meest recente historie. Ze laten zien dat de ontwikkelingen rustig en waardig zijn verlopen, zonder zwakke perioden of feiten. De interviews springen er letterlijk uit door de grijze kleur van het papier. De pas negentig jaar geworden Jules Sedney spreekt over zijn leven als vrijmetselaar. Hij merkt op dat de rituelen wellicht meer protestanten dan katholieken trekken. Volgens hem is de vrijmetselarij een verrijking in de samenleving die op zoek moet naar haar geestelijke groei; dat zou verloedering tegengaan. Natuurlijk kan, zo stelt hij, de samenleving zonder religie en vrijmetselarij, maar zij maken de samenleving geestelijk rijper en rijker. Regie Kort geeft eveneens zijn visie op zijn persoonlijke groeien, en ook zijn vrouw Cornelie Kort, John Tjon a Meeuw, Terry Rustwijk, Rob Buth, Hetty Fazal Ali Khan, Fred Watson, Bram Brandon, Agnes de Miranda, Glenn Sedney, Tim van Ommeren en Charles de Back komen aan het woord. Verder is er enige aandacht voor de overleden leden: Julius Dennert (1898-1963), dominee Christoffel Paap (1909-1999), Frank Essed (1919-1988), Pretap Radhakishun (1934-2001), Frits Tjong-Ayong (1912-1993), John Thijm (1916-2006), Baltus Lochem (1924-2010) en John de Miranda (1931-2010). De leden stralen een sereen en zelfbewust karakter uit. Hun keuzes dwingen respect af. Opvallend is dat Rob Butt, actief in de katholieke gemeente, aan het woord komt om te bewijzen dat de eeuwenlange weerstand van de katholieke kerk voorbij is.

De auteurs hebben een lijst met de belangrijke data (pp. 114-115) opgenomen en een lijst met de voorzittende meesters, de provinciaal grootmeesters en gedelegeerden (pp. 116-117). Deze uitgave is naar vorm en inhoud een aanwinst. Er blijven ook vragen, want hoe dachten de vrijmetselaars over slavernij en hoe zij stonden tegenover de afschaffing daarvan? Hoe zag de vrijmetselarij het koloniaal bewind en wat vond zij van de positie van contractarbeiders uit Azië? Die vragen kunnen andere onderzoekers gaan natrekken.

Marieke Visser & Chandra van Binnendijk, Bouwstenen voor een betere wereld; 250 jaar vrijmetselarij in Suriname. Paramaribo: Leo Victor, 2011. 120 p., isbn 978 99914 7 139 6.

[uit Oso 2012.1]



maandag 7 januari 2013

‘TOR. A People’s Business’: ‘We zijn veel meer dan een hotel’

door Jerry Dewnarain
Kunstwerk van Noni Lichtveld bij de entree van Torarica

Torarica werd op 10 juli 2012 vijftig jaar. Het is een hotelbedrijf waar we niet omheen kunnen: het heeft een gevestigde reputatie. Het hotel heeft een 24 uurs-business en speelt een belangrijke rol in de Surinaamse samenleving. Bij het plannen van het jubileumjaar begin 2011 werd daarom besloten een gedenkboek uit te geven, een present voor de gemeenschap. Waarom een boek voor de samenleving? Hoe betrokken is Torarica bij de samenleving of andersom? TOR. A People’s Business. Een halve eeuw Hotel Torarica kwam uit in december 2012. Chandra van Binnendijk en Marieke Visser hebben een memorandum geschreven waarin de vijftig jaar geschiedenis van dit 100% Surinaams bedrijf is vastgelegd.

De pier van hotel Torarica


Cynthia Mc Leod gaf het boek een toegevoegde waarde met haar historische verhalen over de omgeving van Torarica, de Combé. Deze historische beschrijving van Torarica’s locatie maakt onder meer duidelijk dat de Combé vroeger een chique buitenplaats was voor rijken.

Café Het Koffiehuis, Torarica, 1962, architect P.J. Nagel

Het boek telt acht hoofdstukken en bevat interessante feiten, levendige interviews, prachtige pentekeningen, sfeervolle foto’s op glanzend papier en boeiende historische vertellingen en anekdotes. Zo’n anekdote staat op pagina 63: Aan de achterzijde van het Pool Terrace staat al tachtig jaar een bekende boom: een amandelboom. Deze amandelboom stond vroeger langs de oever van de Surinamerivier. De omgeving stond toen al bij velen bekend als de Kleine Combé. ‘In de periode 1920 - 1940 stond onder deze zelfde amandelboom een keet met een houten vloer. In het weekend speelde er een orkest en de jeugd van Paramaribo verzamelde zich hier bij deze uitspanning, Halikibe genaamd, om te genieten van de muziek en van elkaar. De naam Halikibe (...) roept bij vele senioren herinneringen op uit hun tienerjaren, bijvoorbeeld van jeugdliefde of van... Bububitsjori, een bekende fanatieke danser van toen. Hij was zo lelijk dat niemand met hem wilde dansen. “Je gedraagt je als een Halikibe-prinses!” was een verwijt aan al te uitbundige tieners. (...) Voor tien cent per persoon kon je één keer dansen in de keet Halikibe. (...) Het meisje dat “Halikibe-prinses” genoemd werd, was de favoriet.’

Muurschildering in Torarica met de bevolkingsgroepen van Suriname


Het boek is voor zowel de huidige generatie als voor ons nageslacht een (sociaal) naslagwerk dat het ontstaan, de groei en de rol van een halve eeuw Torarica beschrijft en herinneringen oproept. TOR. A People’s Business vertelt niet alleen over de geschiedenis van Torarica als bedrijf, maar veel meer onderwerpen komen aan bod, zoals de kunstcollectie die het hotel heeft opgebouwd in de loop der jaren. Uiteraard komt ook de bouwgeschiedenis van het hotel ter sprake. Dat de samenleving betrokken is bij het wel en wee van Torarica blijkt uit het volgende. Als wordt besloten om bijvoorbeeld de lobby te renoveren, moet rekening gehouden worden met zijn originele kleur of de kleur van de stoelen, enzovoort. Deze ruimte met zijn meubels roept heel wat nostalgie op. Velen zijn getrouwd in dit hotel, feesten en shows zijn er georganiseerd. Veranderingen aan het gebouw kunnen dus niet zomaar plaatsvinden. Er wordt rekening gehouden met de gemeenschap. Er bestaat immers heel veel emotie van Surinamers en buitenlanders rond het begrip Torarica. Daarom ‘A People’s Business’!


Belangstelling voor TOR

Elk hoofdstuk maakt steeds een andere boeiende kamerdeur open. TOR. A People’s Business is geen standaard gedenkboek, het geeft geen opsommingen van allerlei bezettingsgraden van de hotelkamers door bezoekers. Een aantal facetten is in kaart gebracht. In het eerste hoofdstuk krijg je de 24 uurs-service te zien, alles wat er gebeurt achter en voor de schermen. Naarmate je verder leest, krijg je steeds meer pareltjes of gouden weetjes aangereikt, het wordt duidelijk dat vijftig jaar Torarica geworteld is in de Surinaamse samenleving en professioneel inspeelt op de behoeftes van toeristen en de economische ontwikkeling in het land zelf. Dit is een waardevol aspect dat door de schrijvers is vastgelegd. Bovendien leggen de foto’s van veel bekende artiesten, missverkiezingen en andere foto’s een stukje sociale geschiedenis van het land vast.
Verkiezing Miss India Suriname, in Torarica, 2006

Zoals die van de jaren tachtig. In die periode beleefde het hotel een zeer slechte tijd en toch sloot het zijn deuren niet. Dit gedenkboek geeft veel meer informatie dan vijftig jaar geschiedenis. De samenstellers hebben zich namelijk ook beziggehouden met de vraag hoe het leven in Paramaribo was voordat Torarica bestond, vóór 1962 dus. Waar logeerden de toeristen voorheen? Middels interviews blijkt dat vele pensionnetjes, die hun eigen huisregels hadden, de toeristen opvingen. Hoge gasten zoals koninklijk bezoek, potentiële handelaren en investeerders werden opgevangen dankzij de Surinaamse gastvrijheid. Maar doordat er adequate en professionele opvang ontbrak, werd de roep om een goed hotel op te zetten groter. De bouw van de stuwdam (eind jaren vijftig) en andere sociaaleconomische ontwikkelingen zorgden voor een serieus plan om Hotel Torarica te bouwen. Die bouw duurde bijna twee jaar. Prinses Irene verrichtte op 10 juli 1962 de opening. Dat Torarica veel meer is dan een hotel komt goed uit de verf in dit gedenkboek. TOR. A People’s Business is een hebbeding voor elke boekenkast! 

Chandra van Binnendijk & Marieke Visser: TOR. A People’s Busines. Een halve eeuw Hotel Torarica met historische verhalen van Cynthia Mc Leod. Paramaribo, 2012. ISBN 978-99914-7-183-9

zondag 26 februari 2012

Taalunie benoemt jury voor de Prijs der Nederlandse Letteren 2012

Het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie heeft de jury voor de 20e editie van de Prijs der Nederlandse Letteren ingesteld.

De jury bestaat uit:
· Herman Pleij (NL, voorzitter), emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam;
· Chandra van Binnendijk (SUR), publicist, redacteur (foto rechts);
· Leen van Dijck (B), directeur Letterenhuis Antwerpen;
· Iris van Erve (NL), docent Nederlands, hoofdredacteur Passionate Magazine, adviseur Nederlands Letterenfonds;
· Judit Gera (HON), hoogleraar moderne Nederlandse Letteren Eötvos Loránd Tudományegyetem Universiteit Boedapest, literair vertaler;
· Ruth Joos (B), radiomaker VRT;
· Michiel van Kempen (NL), bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren Universiteit van Amsterdam;
· Hans Vandevoorde (B), docent Nederlandse literatuur Vrije Universiteit Brussel.

De Nederlandse Taalunie kent de prijs om de drie jaar toe aan een auteur waarvan het werk een belangrijke plaats inneemt in de Nederlandstalige literatuur. Er is een bedrag van € 40.000 aan verbonden. De ene keer overhandigt de Belgische koning de prijs, de andere keer de Nederlandse koningin.

De prijs is voor het eerst toegekend in 1956, aan Herman Teirlinck. De laatste keer was in 2009. Cees Nooteboom ontving toen de prijs uit handen van Koning Albert II.

De Nederlandse Taalunie is een beleidsorganisatie waarin Nederland, Vlaanderen en Suriname samenwerken op het gebied van de Nederlandse taal en letteren en het onderwijs in en van het Nederlands. De Taalunie ziet het als haar opdracht om ervoor te zorgen dat alle Nederlandssprekenden hun taal op een doeltreffende manier kunnen gebruiken. Meer informatie over de Taalunie is te vinden op www.taalunieversum.org.

Meer informatie over de Prijs der Nederlandse Letteren is te lezen op de website http://prijsderletteren.org/

maandag 9 januari 2012

Vrijmetselarij in boekvorm

Op woensdag 11 januari wordt Bouwstenen voor een betere wereld; 250 jaar Vrijmetselarij in Suriname gepresenteerd. Het boek is samengesteld door Chandra van Binnendijk en Marieke Visser. In de Ware Tijd van zaterdag 7 januari 2012 verscheen een lovende recensie over het boek van de hand van Joop Vernooij. De Vrijmetselarij is een voornamelijk spirituele beweging ontstaan uit de bouwvakkersgilden in de Europese Middeleeuwen. De Vrijmetselarij bestaat al 250 jaar in Suriname. Ordes als de Vrijwetselarij hebben door de in 2003 verschenen bestseller De Da Vinci Code van Daniel Brown wereldwijde aandacht gehad. Ook in Suriname hangt om de Loges en sfeer van geheimzinnigheid. Met dit boek wordt een tip van de sluier gelicht.

De presentatie is om 19.30u. De columnist Giwani Zeggen interviewt de schrijfsters en enkele actieve Vrijmetselaars.
Locatie: Loge Concordia, hoek Van Idsingastraat / Kwattaweg, Paramaribo

zaterdag 25 juni 2011

Volkse reclame?



door Gerard Boon

Schaafijs & Wilde Bussen; Straatkunst in Suriname is een heel mooi boek over de levendige cultuur van geschilderde reclames in Suriname. Met honderden foto’s van plaatjes op schaafijskarretjes, op bussen en op muren. De beelden vormen een kleurige, uitbundige, steeds veranderende, en gedeeltelijk bewegende bijdrage aan het stedelijk landschap. De schilderingen zijn vluchtig: deuken, blutsen, krassen, de felle zon, de hitte en de vochtigheid leiden tot verval. En tot vernieuwing en uitbreiding. In de wereld van deze verleiding gaat de zon nooit onder, wat direct werd geleefd gaat zich in een voorstelling verwijderen.

De visuele explosie dateert van de zeventiger en tachtiger jaren. Het begon met de bussen. Na de ondergang van het openbaar vervoer bloeide het particuliere busvervoer, de ‘wilde’ bussen. Bushouders lieten ze meer en meer beschilderen, om klanten te lokken. Ze sloten aan bij de belevingswereld van de beoogde passagiers en de tijdgeest. Motieven, stijl en portretten werden eerst vooral ontleend aan sterren uit de wereld van de muziek, film en politiek, zoals James Brown, Elvis Presley, Arnold Schwarzenegger of Gandhi, later ook Bin Laden, Saddam Hoessein, (samen met Bush) en Bouterse. Met het optreden van een ‘technisch perfect’ schilderende familie worden sinds 1995 ook sterren uit de Indiase filmwereld een thema. Bussen worden van binnen en van buiten, tot aan de spatlappen toe, overdekt met schilderingen. En met teksten als: “Catch me if you can”, “Don’t look for trouble”, of “Power of Love”.



Oogverblindende donkere vrouwen, in strakke, glimmende kleding en uitdagende poses zijn onder de beelden dominant. Dat geldt niet alleen voor de wilde bussen maar ook voor de schaafijskarren. De verkoop van schaafijs is een oude maar niet exclusieve Surinaamse vorm van straathandel: men schaaft ijsjes van stangen ijs op karretjes en maakt ze met siroop op smaak. De handel is een laagdrempelig beroep. Geïnspireerd door de bussen werd het beschilderen van de ijskarren een rage die zijn hoogtijdagen in de negentiger jaren beleefde. De karren werden toen groter; hoe groter en hoger de kar, hoe minder ambulant maar des te meer ruimte voor afbeeldingen en teksten. Naast pikante dames ook hier veel zwarte helden zoals Martin Luther King, Bob Marley, Ruud Gullit, Stevie Wonder, Mandela, Obama. Maar ook romantische paartjes en landschappen. Foto’s uit tijdschriften, stripfiguren en platenhoezen zijn vaak voorbeelden. Religieuze of andere stichtelijke woorden, spreuken met levenswijsheden, ook in het Surinaams, zijn vaak aan de binnenkant van de kar aangebracht, bijvoorbeeld: “Netheid is mijn naam”, “Bidt en werk”, “Ik zal zien”, of “Let them talk”.

Een ansichtkaart van de Keizerstraat uit 1905 toont aanbevelingen voor sigaren en fietsen. Reclames voor waren op wanden zijn al oud, tegenwoordig zijn in Suriname bijna alle muren bezet. Tussen de opdrachtgevers - de winkels en de merken - en de uitvoerders van de commerciële muurschilderingen opereren ook intermediairs, in Paramaribo zijn zo’n vijftien schildersploegen actief. Veel voorkomende beelden tonen bruine bonen in potten of een biermerk, soms worden hele hoekpanden aan één merk gewijd. Het is een hectische markt, een reclame-oorlog waarin schilders soms over elkaar heen schilderen. Dat ergert sommigen mateloos. Winkeliers maken het overtreden van de informele normen op dit gebied soms makkelijker door een wand of winkel die ze willen veranderen alvast wit te kalken

De foto’s in het boek zijn voor een groot deel gemaakt door twee van de drie samenstellers, die bij het KIT werken. Het plaatjesboek bevat ook serieuze beschouwingen die het een en ander in hun context plaatsen. De derde auteur van deze gezamenlijke essays is de bekende Surinaamse journaliste en publiciste Chandra van Binnendijk. Het lijkt alsof de samenstellers met iedereen gesproken hebben die zich met deze beelden bemoeid heeft, en vooral met de schilders. De grootste aandacht gaat uit naar het kleinste verschijnsel, de schaafijskarren. Tegenwoordig zijn er nog een stuk of twintig, vroeger wel vier keer zoveel. Daar zijn de schilders het minst professioneel, soms zijn ze zelf ook de ijsverkoper en eigenaar van de schaafijskar. De eigen inbreng van de maker is bij de karren groter dan bij de bussen of muren. Het boek is wat nostalgisch: men betreurt het verdwijnen van deze individualiteit, ‘de ziel’ en maakt zich zorgen over digitalisering. Een schaafijswagen geheel gehuld in bedrijfsreclames wordt een zorgelijke ontwikkeling genoemd.



De samenstellers noemen het volkskunst. De schilders komen uit alle bevolkingsgroepen en hebben zelden een (kunst)opleiding afgemaakt. Talenten ontwikkelen zich in de praktijk; de schilders zien het als een ambacht en verdienen er soms een aardige boterham aan, wat met “vrije kunst” slecht mogelijk is. Op het hoogtepunt van hun bekendheid emigreren ze trouwens vaak. Afgezien van de plaatjes van al die verleidelijke jongedames spelen vrouwen, behalve als toeschouwers en mogelijke kopers, in deze bedrijfstak geen enkele rol van betekenis.

Om dit nou ‘volkskunst’ te noemen, het blijft reclame. Dat de opdrachtgevers bij hun propaganda de creativiteit bevorderen is niet hun doel. Deze opvatting van ‘volkskunst’ of ‘straatkunst’ is ook anders dan in veel andere landen omdat er, naar de mening van de auteurs, in Suriname vrijwel geen grafitti voorkomt. Met dat laatste ben ik het niet eens. Maar dat zal komen omdat ik dit soort onbetaalde, vaak kritische, berichten al zo lang interessant vind. Ik weet nog goed dat ik bij mijn eerste bezoek aan Suriname in september 1979 kon lezen: “Ontsla de bazen”. Dergelijke geschreven interventies in de openbare ruimte zijn er sindsdien volgens mij altijd wel geweest hoewel het bij hun aard hoort dat ze vaak snel verwijderd worden. Sommige blijven trouwens wél langer zitten. Ik ben benieuwd of er op de sokkel van het standbeeld van koningin Wilhelmina aan de Waterkant bij Fort Zeelandia nog steeds het woord “SHIT” te lezen valt.


Schaafijs & Wilde Bussen; Straatkunst in Suriname
Tammo Schuringa, Paul Faber en Chandra van Binnendijk
KIT Publishers – Amsterdam
ISBN 978-9460220548
158 bladzijden

[geschreven voor Oerdigitaal Vrouwenblad]

zaterdag 19 februari 2011

Tori Oso-avond over Coronie

De laatste woensdag van februari, de 23ste, is het weer Tori Oso avond van Schrijversgroep ’77. De avond wordt gewijd aan het district Coronie, op speciaal verzoek van Sombra (foto), die er geboren en getogen is. De avond start met slides van Coronie, van de dvd die de FVAS maakte in het kader van het kunstproject Coronie in 2004, waar ook Sombra aan meedeed. Daarna zal Sombra vertellen over de geschiedenis van Coronie en de huidige situatie. Zijn voordracht heet Fa a du kon tak Coronie tan so no no de en is in het Sranan. Hij gaat in op de rol van de kerk en de politiek. Vervolgens presenteert Els Moor het boek Dromers, doemdenkers en doorzetters; verhalen van mensen en gebouwen in Coronie van Fineke van der Veen, Dick ter Steege and Chandra van Binnendijk. Dit boek maakt deel uit van de expositie De verleiding van Coronie, die momenteel te bezichtigen is in Den Haag, Nederland. Het boek zal te koop zijn op de Schrijversgroepavond. Na de pauze zingt Carla Rees over Coronie en Irene Welles leest een verhaal voor. Dan is het tijd voor vragen, opmerkingen en aanvullingen vanuit het publiek. Het belooft een interessante avond te worden.
De toegang is vrij.
Tori Oso. Frederik Derbystraat 76., Paramaribo.
Tijd 20.00 – 22.00u.
Meer info: Sombra (8571510) of Ismene Krishnadath (8912005)

[Bericht van Schrijversgroep '77]

Majoie Hajary

door Carry-Ann Tjong-Ayong

De familie
Ze had maar een dochter, Carolina Beatsheba Andresa Essed. Verder had ze zeven zonen en waren er een paar babies vroegtijdig gestorven in het kraambed. Maar haar Willemientje was haar gudu. Ze was flink en intelligent, vrolijk en opgewekt. Carolina had graag meer van zulke dochters gehad.
Al vroeg ging Willemien na school werken en hielp ze de jongere broers grootbrengen. Die waren dol op zus Mien, die tegen alle verwachtingen in, trouwde met een Hindoestaan, een vooruitstrevend economisch expert, die zijn handtekening op nieuwe bankbiljetten mocht zetten. Wij, de neefjes en nichtjes, kregen allemaal een gesigneerd tientje van hem. Hij was bovendien erg muzikaal en speelde viool. Paake werkte bij het ministerie van Financien en was Statenlid.

Ze kregen drie beeldschone dochters, begaafde meisjes, even muzikaal en creatief in dans en theater als de trotse ouders. Maake en Paake vormden een centrum van gezelligheid en feesten in hun hoekhuis aan de Grote Hofstraat 1, met het balkon rondom.

De dochters
Majoie Marie, Rieke, genoemd, was de oudste van de drie. Zij werd geboren op 16 augustus 1921 te Paramaribo, en was de trots van haar jonge ooms. Op de familiefoto’s zie je hen allemaal gegroepeerd rond Ouma Carootje.

Al jong bleek ze zeer muzikaal en werd ze naar Nederland gestuurd waar ze aan het conservatorium van Amsterdam piano en compositie ging studeren bij de docenten Wagenaar en Andriessen. In 1943 behaalde ze daar haar diploma en tevens de Eerste Prijs voor haar pianospel. Dit succes opende de wereld voor haar. Ze gaf concerten in Amsterdam, Praag, Wenen, New York, Caracas, Berlijn, en Tokio. Met haar Indiase uiterlijk was zij een opvallende verschijning in haar elegante kleurige sari. De ooms waren lyrisch, de neefjes en nichtjes keken vol ontzag naar haar op als ze in Suriname concerten kwam geven. Zij was de trots van de familie, deze muzikaal begaafde grote nicht.

Recensies uit die tijd roemen haar talenten
Haar vermogen de klassieke muziek van haar opleiding te verbinden met de veelkleurigheid van de muziek van haar afkomst, India, Afrika, Zuid-Amerika, en ook de jazz. Als enige componist slaagde zij er in een transcriptie te maken van de Indiase raga's. Zij heeft er interessante LP’s van opgenomen. Zij was als pianiste bevriend met Alicia de Larocha. Het concertpubliek werd voortdurend geïmponeerd door haar magistrale interpretaties van klassieke werken, de moeilijke toccata van Schumann, het concert opus 16 van Grieg, het 3e van Beethoven of het 1e van Liszt.

Nadat de jonge pianiste reeds een zekere reputatie verworven had, kwam zij in 1948 op bezoek in Suriname, en gaf er enkele recitals, met groot succes.

We hoorden dat zij in 1950 naar Parijs verhuisde, om compositie te studeren bij Nadia Boulanger en Louis Aubert (compositie), Annette Dieudonné (contrapunt) en Yves Nat (piano). Zij trad er in het huwelijk met de gelijknamige neef van de oorlogsheld en vliegenier Roland Garros, zoon van een bekende Franse industrieel en ondernemer, die directeur was van Air France. Zij kregen een dochter Zita, en een zoon Sébastien.

Legendarisch zijn de verhalen in de familie
Dat Roland zijn eigen vliegtuig bouwde op het balkon en daarmee naar Amsterdam vloog.
Dat Majoie en hij een speciaal hoedje hadden, dat zij opzetten, als ze niet aangesproken wilden worden, om hun privacy te garanderen.
Dat Majoie die voortdurend componeerde, de ooms en neefjes en nichtjes uitnodigde om haar composities te zingen. Zo werd bijvoorbeeld Da Pinawiki fu Jezus geoefend. dat zij schreef in de jaren zestig, met teksten uit de Srananvertaling van de Bijbel. De uitvoering hiervan werd met familie opgenomen en in de lijdensweek voor Pasen uitgevoerd.
.

Later bereisde zij met haar echtgenoot de halve wereld, verbleef in India, op Madagascar en in Japan, maar keerde telkens weer terug naar Frankrijk, dat haar basis was geworden.

Door de gemeenschappelijke interesse voor yoga correspondeerde zij met de violist Yehudi Menuhin en zij kwam er toe hierover een boek te schrijven, Yoga voor de pianist. Deze handleiding voor pianisten van uiteenlopend niveau heeft ten doel de dagelijkse studie tot een minimum te beperken. Door het oefenen van de vele yogahoudingen en technische patronen zal de pianist een solide techniek aanleren en zich op ontspannen wijze snel nieuwe muziekstukken eigen kunnen maken.
Yedhudi Menuhin zegt over dit boek: ‘Ik vind het heel interessant te zien hoe het principe van yoga kan worden toegepast op elke menselijke activiteit, in het bijzonder wanneer het fysieke, intellectuele en spirituele samengaan. De erkenning dat ons bewustzijn tot stand komt via onze zintuigen en ons lichaam is de belangrijkste bijdrage die yoga levert aan het westers denken, dat aanneemt dat ons lichaam louter een belemmering is voor ons denken. In werkelijkheid zijn lichaam en geest één en “denken” wij ons lichaam zoals ons lichaam onze gedachten leeft.' (Uitg. Strengholt, paperback).

In Surinaamse kring is een van haar bekendste werken Perun-Perun, variaties op een bekend Surinaams kinderliedje. In 1994 voerde zij dit werk nog uit op een concert van het Surinaams Muziek Collectief in Den Haag.

“Majoie Hajary is echter veel meer dan alleen de verbinding met haar geboorteland Suriname. Wie kennis neemt van haar indrukwekkende oeuvre, spreekt met recht over een Grande Internationale Dame,” zegt Anton Jie Sam Foek in een interview met haar. Ze had een jet-set-achtig leven en reisde de hele wereld af met haar echtgenoot, terwijl ze muziek schreef en uitvoerde. Maar zij is altijd in de schaduw van de publiciteit blijven staan. “Alles wat ik doe, is voor Suriname, daar is mijn ziel en mijn ziel is in deze muziek,” zegt zij zelf.

John Leefmans schreef over haar: “Bij het concert van het Centrum Nederlandse Muziek in de Beurs van Berlage in 1996, bracht de pianiste Marjès Benoist enkele van Hajary's piano-composities ten gehore." Hajary heeft een groot aantal composities tot stand gebracht, waaronder een oratorium Da Pinawiki, en een kleine opera op haar eigen Franse tekst, oorspronkelijk geheten La larme d'or [De gouden traan], maar sinds er een poëtische vertaling van bestaat in het Sranan, kan men dit werk beter Na Gowt' Watr' Ai noemen. Deze nieuwste, in vier talen vertaalde opera, werd enige jaren geleden in Montenegro opgevoerd.

Het is ietwat ironisch, dat Hajary, die zich nooit heeft laten voorstaan op het feit dat zij Surinaamse is, die zelfs toestond dat men haar terwille van de publiciteit vaak als Indiase vermeldde en uitbeeldde, en dat men haar roemde vanwege haar pogingen Indiase en westerse muziek te kruisen, dat juist zij in haar werk motieven en melodieën verwerkt uit de creoolse volksmuziek. Desondanks, en ondanks haar vroegere successen in de wereld, is het werk van Majoie Hajary met name onder Surinamers onvoldoende bekend. Helaas ontbreekt het aan de middelen om op afzienbare termijn bijvoorbeeld het oratorium of de opera te laten opvoeren, of een geacheveerde opname van deze stukken te laten maken.

Er zijn ook CBS-grammofoonplaten met haar composities, waaronder Requiem voor Mahatma Ghandi en Ragas in Tumri-style.

Belangrijkste composities:

- Concert pour piano et orchestre; Hindoustani fantaisie (première door het Concertgebouworkest Amsterdam; uitgave Broekmans & Van Poppel, 1943);
- La Flûte de Jade (stem, 2 fluiten, altviool, cello, 1954);
- Play Koto (Tokyo, 1965)
- samen met Roger Guerin schreef zij La Passion selon Judas, een groots oratorium, dat door CBS in 1975 werd opgenomen;
- Liederen (in het Duits, tekst van Helle Von Heister, Unesco Paris, 1950);
- New Sound From India (CBS, 1967);
- Requiem pour Gandhi (CBS, 1968);
- Chants du Gita Govinda (Chants du monde), tekst van Marguerite Yourcenar, gelezen door Maurice Béjart, 1974;
- Da Pinawiki – oratorium, jaarlijks gezongen met Pasen in Paramaribo, 1975;
- La Passion Selon Judas (CBS, 1975);
- Variations 87X1, 1976;
- Blue Râga pour piano et orchestre, 1977;
- La Larme d’Or – opéra en un prologue et trois actes, 1996;
- Râga du Prince; “il ritratto dell’amore”, gespeeld door Egon Mihajlovic en Jeremias Schwarzer (Cybele, 1999).

Boekpublicaties:

- Le Yoga du Pianiste, Paris 1987, réédité en 1991 (Sedim éditeur), vertaald in het Nederlands (Strengholt-Naarden, Den Haag 1989);
- L’Art du Piano, une méthode à la portée de tous, Paris 1989 (Choudens éditeur, ID Musique);
- La forme du Râga, Paris 1991.

Vertalingen uit het Nederlands in het Frans:

- La Planification du Professeur Jan Tinbergen, Prix Nobel (Univers de la connaissance-Hachette - Paris 1967);
- Max Havelaar de Multatuli (Edouard Douves Dekker) premiére traduction en France (les précédentes étant belges) (éditions universitaires - Paris 1968);
- Télémaque au village de Marnix Gijsen (éditions universitaires - Paris 1969);
- Les plantes du monde de H. De Witt (Hachette, 3 tomes, Paris 1966-1968-1969);
- Peuples et coutumes en voie de disparition : l’Afrique Noire de G. Pubben et C. Gloudemans (Grund-Paris 1979).

Fragmenten van een interview dat Benny Ooft van de Wereldomroep in de lijdensweek van 1972 met Majoie Hajary maakte, zijn op You Tube te horen. Verder sprak Anton Foek met andere personen uit de Surinaamse muziekwereld, zoals Mavies Noordwijk, John Leefmans, Fine Kenswil en John Helstone. De gesprekken zijn aangekleed met fragmenten uit het werk van Majoie Hajary.

Dat ook haar jongste zus, Jetty Hajary, pianiste werd is minder bekend, al trad ook zij op in het CCS (Cultureel Centrum Suriname) van de jaren ’50. Zij was getrouwd met schilder-beeldhouwer Erwin de Vries en met dirigent Harmen Haakman. Zij woont al jaren in Canada met haar drie kinderen en is daar muziekpedagoge.

De middelste van de drie talentvolle zussen, Toetie Hajary, bekwaamde zich in klassieke Indiase dansen en werd tevens bekend als actrice. Samen met haar man Wim van Binnendijk trad zij vaak op in Theater Thalia. Haar oudste dochter Ilse-Marie Hajary werd een bekende balletdanseres. Ook de tweede dochter Chandra van Binnendijk werd bekend door haar vele publicaties over kunst en literatuur. De twee jongste kinderen wonen in Nederland.

De familie Hajary zal echter nog lang van zich doen spreken.

dinsdag 15 februari 2011

Nieuwe Surinaamse verhalenbundel Voor mij ben je hier

door Chandra van Binnendijk


Wat maakt een verhalenbundel voor veel lezers zo aantrekkelijk? Dat is vooral de afwisseling, de variatie van de inhoud – als het ene verhaal je verveelt, sla je gewoon een paar bladzijden om en je bent bij al bij een nieuwe story die hopelijk beter bevalt. In een roman is die keuze er niet en moet je maar doorbijten tot het al dan niet bittere einde. Die veelheid aan aanbod binnen hetzelfde kaft geeft een lekker gevoel van ruim kunnen kiezen – een soort verwennerij. Zo een ruime keuze biedt de pas verschenen bundel Voor mij ben je hier; Verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers zeker wel: er staan zestien verhalen in van evenveel auteurs. Maar wordt de lezer daarmee ook verwend?
.

John Leefmans was een van de twee "oudgedienden" die de eerste exemplaren van Voor mij ben je hier kregen aangeboden

Vrijwel alle auteurs in deze bundel hebben al titels op hun naam staan, eentje zelfs een heuse bestseller (Clark Accord met De koningin van Paramaribo). Het gaat hier dus niet om nieuw en pas ontdekt talent, hoewel de ondertitel dat eigenlijk wel suggereert. Ook de tekst op de achterflap versterkt deze indruk nog eens, want die vermeldt wel héél érg nadrukkelijk – in vier achtereenvolgende zinnen maar liefst driemaal – dat het hier ‘de jongste generatie schrijvers/de jonge schrijvers/deze jonge generatie schrijvers’ betreft. Dergelijke terminologie schept verwachtingen. Qua leeftijd wordt die verwachting in ieder geval niet waar gemaakt – de gemiddelde leeftijd van de auteurs is vrij middelbaar, de oudste, Monkau, is 75 en de jongste, Karin Amatmoekrim, 34 jaar.

Deze ‘jonge Surinaamse schrijvers’ bevinden zich grotendeels buiten Suriname. De meesten zijn wel in Paramaribo geboren, maar ze waaierden later uit naar koudere streken elders op de aardbol. Zou dit een reden kunnen zijn voor het licht internationale sfeertje dat de bundel ademt? De verhalen spelen zich namelijk niet uitsluitend af in het land van herkomst zoals vaak het geval is met verhalen van Surinaamse schrijvers, maar ook in Havana (Clark Accord), India (Mala Kishoendajal), Haïti (Ismene Krishnadath) en Limburg (Guilly Koster). Een interessante uitbreiding van de horizon.

In zijn voorwoord maakt samensteller Michiel van Kempen melding van nog een andere uitbreiding, die van de kwantiteit. Hij rekent uit dat in de eerste tien jaar van de 21ste eeuw het aantal prozaschrijvers zodanig is toegenomen dat het er meer zijn dan alle schrijvers van de 19de en de 20ste eeuw samen. Dit is zeker een opmerkelijke ontwikkeling in het landschap van de Surinaamse letteren. Van Kempen is blij met deze literaire oogst en geeft de lezer het bevel om optimaal te genieten van de mooie verhalen. Dat is soms gemakkelijker gezegd dan gedaan.

De lezer zal zich in elk geval niet vervelen met deze bundel, want de inhoud is afwisselend genoeg om onderhoudend te zijn. De thema’s zijn aangenaam variërend: vrouwenleed en hartzeer, de vermeende gekte van een man, afscheid van en herinneringen aan een stervende vriendin, de worsteling van een migrantenjongen om een thuis te vinden in een nieuw land, gepieker over een zorg behoevende schoonmoeder en dan ook nog een plots opduikende geilheid van een vrouw op een pater, evenals die van een vrouwelijke dominee op een toevallige mannelijke bezoeker, de levensloop van een statige zwarte vrouw – met hier en daar ook nog wat brokken geschiedenis, cultuur en godsdienst die tussen de verschillende verhaallijnen zijn geweven.

Die vrouwelijke dominee van Surinaamse afkomst in het verhaal van Guilly Koster, nota bene in een klein dorp in het Nederlandse Limburg zegt aan het einde van het verhaal, na haar neukpartij met haar toevallige bezoeker op zijn vraag, ‘Hoe…rijm je dit?’: ‘Als ik ermee kan leven, dan kan God dat ook.’ Werkelijk een slot dat pakt, dat je even geweldig doet lachen.

De kwaliteit van de verhalen is eveneens wisselend. Van sommige auteurs zoals Tessa Leuwsha zijn we beter gewend dan wat we hier aantreffen. Van anderen zou het al te wijdlopige verhaal met een strakke redactie vlot getrokken kunnen worden zoals bij Mala Kishoendajal – haar gruwelijk prachtige scène (op p.107) bijvoorbeeld verdrinkt in de al te uitleggerige woordenzee er omheen. Sommige verhalen zijn vermoedelijk persoonlijke belevenissen die meer indruk op de auteur hebben gemaakt dan ze kunnen overbrengen (Guilly Koster, Herman Monkou) - anderen springen er bovenuit, zoals Marylin Simons en Annette de Vries die met vaardige pen een indringend verhaal vertellen dat blijft hangen. In deze korte bespreking kunnen uiteraard niet alle verhalen aan de orde komen.

Garrie van Pinxteren, NOS-correspondent in China, las een fragment voor uit het verhaal van Iraida Ooft

De meest verrassende auteurs in dit gezelschap zijn voor mij Iraida Ooft, wel een Surinaamse schrijfster in Suriname zelf en Johannes Herrenberg. Ooft maakt in deze bundel sterk en overtuigend haar prozadebuut. Subtiel en ingehouden qua stijl, weet ze een sfeer op te bouwen waarbij de lezer zijn eigen verbeeldingskracht kan aanspreken. Herrenberg is smakelijk en origineel, en hanteert een geheel eigen taalgebruik, met frisse beeldspraak. Enkele juweeltjes: ‘de omfloerste dreun van een levende stad met vogels die daar onzichtbaar zingend gaatjes in pikten’ (p. 190) en ‘Een spijkerbroek zo smerig dat je er de geur bijna vanaf kon lezen’ (p. 195). Hopelijk horen we meer van hen!

Beeldend geschreven, boeiend en spannend of emotioneel van inhoud en met een creatieve, functionele structuur, dat zijn de kenmerken van goede verhalen en die vinden we helaas niet in alle verhalen van deze bundel uitgewerkt.

Tot slot: de woordenlijst achter in het boek is tamelijk overbodig, want veel van de daarin opgenomen zinnetjes en woorden zijn in de verhalen zelf al vertaald of verklaard.

Voor mij ben je hier; Verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers, Michiel van Kempen (red.) Amsterdam: Meulenhoff, 2010, ISBN 978 90 290 8679 0


[ook verschenen in de Ware Tijd Literair, 12 februari 2011]

Foto's: @ John Treffer

vrijdag 4 februari 2011

Expo en boekpresentatie over Coronie in Den Haag

Op zaterdag 12 februari, 16.00 uur vindt in de Haagse Kunstkring, Denneweg 64, Den Haag, de opening plaats van de expositie De Verleiding van Coronie/2, en tevens de boekpresentatie van Dromers, doemdenkers en doorzetters; verhalen van mensen en gebouwen in Coronie. Coronie is het kleinste district van Suriname, met nog geen 3.000 inwoners.

Het begon zoals veel liefdes beginnen, met de verleiding door uiterlijk schoon: de oude houten huizen met de ruime erven; het vele groen; de wuivende kokospalmen. Ook de plaatsnamen intrigeerden: Inverness, Mary’s Hope, Hague, John, Bantaskine, Burnside. Waar kwamen die namen vandaan? Al snel volgden meer vragen: wie wonen hier, wat leeft er achter de rustige façade? Hoe was het hier vroeger; waar zijn de oude verhalen? En welke toekomst heeft dit schaars bewoonde gebied? Kunnen de karakteristiek gebouwen beschermd worden voor verder verval? Is Coronie een voorbeeld van een nostalgisch paradijs, of van een plattelandsstreek die langzaam leegbloedt – zoals elders in de wereld?
.

Langzaam rijpte het idee om de oude huizen en de verhalen van de inwoners te documenteren, vast te leggen voor het nageslacht. Zeker omdat het voor een deel een verdwijnende wereld betreft: veel oude huizen zakken langzaam in elkaar; de ouderen die over vroeger kunnen vertellen zijn van zeer hoge leeftijd. Zo ontstond het boek Dromers, doemdenkers en doorzetters; verhalen van mensen en gebouwen in Coronie.

Coronie is ook een inspiratiebron voor kunstenaars. Op het welkomsbord dat je ziet bij binnenkomst van het district staat: Coronie: Vredig, Vrij en Vriendelijk. Maar al snel merk je, dat onder de zichtbare vredigheid de onvrede broeit. En vrij? Vrij om iedere paar jaar te stemmen, maar niet gehoord te worden? Vriendelijkheid, ja, dat is precies onze zwakke plek, zei iemand, want omdat we vriendelijk zijn, denkt iedereen dat ze ons Coronianen in de maling kunnen nemen. Maar is Coronie wel zo vriendelijk? Nee, zeggen diverse mensen, er heerst achterdocht en jaloezie. Ja, zeggen anderen, het is een heerlijke, rustige plaats om te leven. De paradox van Coronie is een bron van inspiratie voor kunstenaars. Je kunt je eigen projecties maken, je eigen ‘Coronie’ scheppen: de groene rust van Coronie werkt als een spiegel die je eigen dromen, nachtmerries en beelden weerspiegelt.

In de expo De verleiding van Coronie/2 laten acht Surinaamse kunstenaars (en een uit Den Haag) hun visie op Coronie zien. Een ander deel van de expositie, gemaakt door Dick ter Steege en Fineke van der Veen, sluit aan bij het boek en laat de realiteit van Coronie zien. Panelen met bouwhistorische informatie die het resultaat tonen van onderzoek naar de meest karakteristieke gebouwen van Coronie. Foto’s van Coronianen en van fenomenen als het openluchtmuseum en de ruïne van de kokosfabriek – ooit de trots van Coronie.

Over de auteurs

Fineke van der Veen (1947). Opleidingen in onderwijs, journalistiek en beeldende kunst. Zij werkte tot 2006 in diverse beleidsfuncties bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, o.a. op het terrein van gender, vrede en veiligheid, met name in Zuid-Amerika en het Caribische Gebied; Afghanistan en Soedan. Momenteel werkt zij via haar bureau Art & Story (beeld & tekst) aan (internationale) projecten zoals 'Coronie!' en 'Cross Point', een samenwerkingsproject van Europese beeldend kunstenaars.

Dick ter Steege (1949). Na zijn opleiding tot architect aan de TU Delft werkte hij meer dan 30 jaar in een groot aantal ontwikkelingslanden. De laatste tien jaar heeft hij zich gespecialiseerd in de revitalisering van historische steden en gebouwen in o.a. Indonesië, Yemen, Ghana, Roemenië en Azerbeijan. Na een recente opleiding tot bouwhistoricus legt hij zich meer toe op de analyse van gebouwen en historische structuren. Hij is momenteel naast in Suriname actief in Indonesië, Iran, Georgië en Zambia.

Chandra van Binnendijk (Paramaribo, 1953) werkt in Suriname als publicist en redacteur. Na jaren in de journalistiek - voor zowel lokale als Caribische media - verplaatste haar werkterrein zich naar kunst en cultuur, voornamelijk de beeldende kunst. Ze was als schrijfster, samensteller en mederegisseur betrokken bij lokale documentaires en deed onderzoek en productie voor diverse projecten van filmmakers. Voor KIT Publishers schreef zij met co-auteur Paul Faber Sranan, Cultuur van Suriname (1992); Twintig jaar beeldende kunst in Suriname 1975-1995 (1995) en Beeldende kunst in Suriname, de twintigste eeuw (2000). In 2010 was ze betrokken bij de tentoonstelling en het boek Paramaribo SPAN, Hedendaagse beeldende kunst in Suriname en de tentoonstelling en de publicatie Schaafijs en wilde bussen, Straatkunst in Suriname.
.

Dromers, doemdenkers en doorzetters. Verhalen van mensen en gebouwen in Coronie.
Auteurs: Fineke van der Veen, Dick ter Steege en Chandra van Binnendijk,
ISBN 9789460221163
Paperback, 192 pagina’s, € 24,50
Uitgever: KIT Publishers
Verkrijgbaar in boekhandel, bij de uitgever en via internet.

De expositie De verleiding van Coronie/2 in De Haagse Kunstkring, is te zien van 12 februari t/m 1 maart 2011



Afbeeldingen: boven: Roddney Tjon Poen Gie, Close to the ocean, acryl op doek, 155x116 cm; onder: Fineke van der Veen, Coroniaans huisje.

zaterdag 11 december 2010

Coronie blues!

door Stuart Rahan


Als ik aan Coronie denk, denk ik aan een kort gedichtje. K'koloni, klein maal plettig, Zo je lenne, Zo je valle, Zo je bleke je stene balle. Grappig voor allochtone Coronianen, maar de oer-Coroniaan kan daar niet om lachen. Coronie leeft bij veel Surinamers slechts in de herinnering, omdat een levendige voorstelling weinig tot de verbeelding spreekt. Kokosnoten, honing, varkens en een steeds kleiner wordend gebied als gevolg van de opslokking door de zee zijn reacties die je krijgt als je over Coronie praat. O ja, vergeet de muskieten niet. Over ontwikkeling wordt nauwelijks gesproken want in plaats van een bevolkingstoename tonen bevolkingscijfers aan dat er sprake is van een negatieve geboorteaanwas. Klinkt raar, maar er verlaten meer bewoners hun Coroniaanse geboortegrond dan er Coroniaantjes ter wereld komen. Hoe weinig mensen er wonen, bleek ook tijdens de afgelopen verkiezingen. Toen de stembussen landelijk om 19.00u sloten, wisten Anton Paal en Remie Tarnadi om 19.05u dat zij de nieuwe assembléeleden waren van hun district.

.


Zo snel waren de weinige stemmen geteld in het district, dat rond de drieduizend bewoners telt. Het lijkt allemaal somber als je bedenkt dat ontwikkeling voornamelijk door menselijk kapitaal tot stand komt. Van de volwassenen werkt bijna tachtig procent in overheidsdienst – een vorm van verkapte bijstand – of krijgt geld van Sociale Zaken. Een man op een bank in de schaduw vraagt: “Zie je die drie dames aan de overkant? Ze zijn aan het werk, ze zijn van Milieubeheer.” “Ze zitten te zitten”, zeg ik en ik schiet in de lach. “U lacht”, zegt de man. “Ik kan ook huilen”, zeg ik, “want het is triest.” We praten nog wat tot de man zegt dat ik een andere keer terug moet komen, hij moet nu met de bus naar Paramaribo. Ik neem afscheid. Als ik na een uur dezelfde weg terug wandel, zitten niet alleen de drie dames nog op dezelfde plek, maar ook de man. “Is de bus niet gekomen?”, vraag ik. “Hij komt zo”, is het antwoord. Dit zou zomaar een scenario kunnen zijn uit een slapstick maar helaas is dit de pure werkelijkheid in het Coronie van 2010, opgetekend in Dromers, doemdenkers en doorzetters. Verhalen van mensen en gebouwen in Coronie. De samenstellers zijn Fineke van der Veen, Dick ter Steege en Chandra van Binnendijk en de uitgever is KIT Publishers Amsterdam.

De overwegend verveloze en vaak krom en scheef staande woningen, die overigens ooit in prachtige bouwstijlen zijn neergezet, geven een beeld van een landschap dat langzaam dreigt weg te zakken in een moeras van de eigen vergane folkloristische glorie. De wil en moed om er een halt aan toe te roepen lijken vergaan. Dat Coronie nu op deze manier vastgelegd wordt, is prijzenswaardig. Prijzenswaardig omdat met het tempo van verval wij misschien over enkele decennia zullen zeggen: “Gelukkig hebben wij de foto's nog.” Maar de uitgave van dit historische overzicht kan ook gezien worden als een initiatief om te komen tot serieuze wederopbouw. Het boek bevat ook bouwtekeningen van de bestaande architectuur en met een beetje geld, inzet en creativiteit kan het comateuze kokosdistrict weer tot leven worden gewekt. Jaren geleden verhuisde ik mijn grootmoeder naar Wageningen toen op de vroege ochtend een varken zo groot als een ezel voor mijn auto opdook. Remmen en ontwijken lukten niet meer. Ik sloeg het beest omver. Na een paar seconden stond het beduusd op en liep door als uit een coma ontwaakt. Dit varken kan symbool staan voor Coronie want zoals Coronianen over hun district zeggen: A tranga n'agu, a swit' n'agu nanga a moi n'agu. [Het is sterk als een varken, lekker als een varken en mooi als een varken.]

[uit De Ware Tijd, 2 december 2010]

Foto: Coronie, @ Stephan Ferrier

dinsdag 23 november 2010

Dromers, doemdenkers en doorzetters

Bij KIT Publishers verscheen onlangs Dromers, doemdenkers en doorzetters; Verhalen van mensen en gebouwen in Coronie, van Fineke van der Veen, Dick ter Steege en Chandra van Binnendijk.

"Het begon zoals veel liefdes beginnen, met de verleiding van uiterlijke schoonheid: de oude houten huizen met de ruime erven; het vele groen; de wuivende kokospalmen. Ook de plaatsnamen intrigeerden: Inverness, Mary’s Hope, Hague. Waar kwamen die namen vandaan? Al snel volgden meer vragen: wie wonen hier, wat leeft er achter de rustige façade? Hoe was het hier vroeger; waar zijn de oude verhalen? En welke toekomst heeft dit schaars bewoonde gebied? Kunnen de karakteristiek gebouwen beschermd worden voor verder verval?"

Coronie is een unieke plek met een unieke geschiedenis. Het district grenst in het noorden aan de Atlantische Oceaan, in het westen aan Nickerie, in het zuiden aan Sipaliwini en in het oosten aan de Coppenamerivier. Het district beslaat 3.902 km² en ontleent zijn naam aan de Coronakreek. Aan weerszijden van de huidige autoweg waren vroeger plantages die vanaf 1808 door Engelse en Schotse kolonisten zijn aangelegd. Uit die periode stammen plaatsnamen als Burnside, Totness, Iverness en Hamilton. Het werk op de plantage werd gedaan door slaven. Daar kwam een einde aan na 1 juli 1863, de dag waarop na Engeland en Frankrijk ook Nederland eindelijk de slavernij afschafte.

In 1863 waren er in Coronie een grote suikerplantage, negen katoenplantages en een aantal kleinere plantages met voornamelijk voedselgewassen. De plantage-eigenaren waren niet in staat de nu vrije arbeiders loon te betalen. Het gevolg was dat de arbeiders delen van de plantages tegen gunstige voorwaarden konden kopen. Op de nieuwe percelen werden kokospalmen geplant, een teelt die ook nu nog belangrijk is voor Coronie. Daarnaast zijn de varkensteelt, visserij, rijstbouw van belang. Uit Coronie komt ook de zeer gewaardeerde Parwahoning.

Met deze middelen van bestaan leefden de bewoners van Coronie na 1863 in redelijke welstand, wat ook tot uiting komt in de woningbouw. Uit die tijd stammen de historische houten huizen en (overheids)gebouwen. De meeste bebouwing ligt aan weerszijde van de hoofdweg die parallel aan de zeekust loopt.

Tot de jaren '40 van de vorige eeuw lag Coronie nogal geïsoleerd wegens het ontbreken van een weg. Er was een schelpenrits die diende als weg voor lokaal verkeer. Het district was verder uitsluitend te bereiken over het water. Dit veranderde toen de Saramaccaweg werd doorgetrokken naar Boskamp, de verbinding over water tussen Boskamp en Jenny werd verbeterd en de weg van Jenny doorliep naar de belangrijkste plaats, Totness.

Na de periode van welstand is het district al jaren geplaagd door verval en trekken jongeren weg naar Paramaribo.

In Dromers, doemdenkers en doorzetters wordt een momentopname gepresenteerd: een documentaire van oude huizen en van verhalen van bewoners van Coronie. Gevat in een historisch kader en ruim voorzien van foto's en tekeningen. Daarnaast bevat het boek 48 pagina's bouwhistorisch cahier met dvd.

dinsdag 26 oktober 2010

Een wervelwind van beelden

door Chandra van Binnendijk


Paramaribo is een buitengewoon fotogeniek onderwerp. Daar hebben de twee hoofdfotografen van Paramaribo in Pictures, Hijn Bijnen en PLU (Hedwig de la Fuente), een goed oog voor. Bewezen vakmannen zijn het en ze richten hun camera met graagte op de veelsoortigheid aan mensen, dieren, gebouwen, sieraden, bordjes met handgeschilderde opschriften, transportmiddelen en allerlei situaties die zich in de stad voordoen - markttaferelen, krabbenverkopers, wandelmars, blonde stagiaires op de fiets, begrafenissen, noem maar op. Het is een wervelwind van beelden die je al bladerend als een film door je handen laat gaan. Wie van plaatjes kijken houdt, zal er van genieten.

Er is veel te zien en de samensteller heeft duidelijk veel werk gemaakt van het rangschikken van de foto's. Ze staan niet kris-kras door elkaar, maar met ordening, zoals gebouwen of sfeerbeelden van de oudejaarsviering. Soms gebeurt dat met 'tongue in cheek': in grappige combinaties zoals de brandweer in actie en op de andere pagina kinderen bij een erfkraan met emmers water (pp. 154-155). Of op de pagina's 164 en 165 met links een Chinese vrouw achter de beveiliging van haar winkel en rechts een doorkijkje door een tralieraampje op Fort Zeelandia. Tenminste, ik denk dat het Fort Zeelandia is. Maar echt zeker weet ik het niet, want Paramaribo in Pictures doet niet aan bijschriften. En dat is erg jammer.

Wie iets meer zoekt of zou willen weten of begrijpen van al die beelden, komt er bekaaid af. Door de tweetaligheid, Nederlands en Engels, is het boek uitstekend geschikt voor buitenlandse bezoekers. Maar die moeten het dan wel met heel erg weinig tekst doen. Een kleine inleiding (van Toon Fey) verklaart summier hoe Suriname zo'n melting pot is geworden (eerst waren er slaven, toen contractarbeiders) en bestaat verder uit wat persoonlijke observaties en ontboezemingen van de auteur die ons vertelt dat hij graag op een terras in de schaduw zit, rumcola drinkt aan de Waterkant en hier in een oude auto van zijn Surinaamse tante rondrijdt.
Nu weten wij toevallig dat Fey de maker is van een rijk uitgevoerd boek dat eerder over Suriname verscheen. Die wetenschap geeft zijn woorden gewicht, een gewicht dat een oningewijde lezer/bezoeker niet meekrijgt. Hetzelfde gemis speelt bij de foto's. Het zou het boek enorm verrijken, al was het maar met een klein regeltje dat de lezer vertelt dat het beeld op pagina 95 een tap' kromanti is. Of dat er 's ochtends vroeg aan Tai Ji gedaan wordt in de Palmentuin (p. 229). En het is interessant om te weten dat du-uma Elly Purperhart een speciale swit' watra maakt om het nieuwe jaar in te gaan (p. 221). Deze meerwaarde kreeg het boek helaas niet mee. En dat vind ik een gemiste kans van de uitgever. Het hoeven heus geen lange ingewikkelde of antropologisch en historisch verantwoorde verhandelingen te zijn - kleine toelichtingen zoals in de fraaie Rotary-agenda wordt gedaan zijn al ruim voldoende.


Uitgeversmaatschappij Vaco i.s.m. Scriptum Publishers en Mets Travel & Tours: Paramaribo in Pictures, fotografie: Hijn Bijnen en PLU (Hedwig de la Fuente). Paramaribo, zonder jaar. ISBN 978-99914-0-088-4

[enigszins ingekort overgenomen van De Ware Tijd Literair, 2 oktober 2010]

Foto: Toon Fey (niet uit besproken boek)

maandag 31 mei 2010

Expositie Schaafijs & wilde bussen

Opening expositie Schaafijs & wilde bussen: Straatkunst in Suriname

Vanaf de jaren zeventig ontwikkelde zich in Suriname, met name in de hoofdstad Paramaribo, een verrassende vorm van popular art. Op de particuliere ‘wilde’ bussen, en op schaafijskarretjes werden schilderingen en teksten aangebracht, gaandeweg met een steeds uitbundiger uitstraling.

In dezelfde periode maakten reclameschilders een vergelijkbare ontwikkeling door. Anno 2010 bloeien deze vormen van straatkunst in Paramaribo als nooit tevoren. Honderden bussen vormen een rijdende tentoonstelling met afbeeldingen van afro-amerikaanse en Indiase sterren, treinen, trompetten en fraai gekalligrafeerde teksten; schaafijskarren geven kleurige accenten in het straatbeeld en complete gebouwen worden ingepakt in enorme hyperrealistische reclameschilderingen.
.



Deze straatkunst groeit nog steeds, zowel in omvang als in kwaliteit, en begeeft zich op het grensgebied van autonome en toegepaste kunst. Het maakt Paramaribo tot een levend en inspirerend openluchtmuseum. In dit boek wordt de geschiedenis van de Surinaamse straatkunst gereconstrueerd en maakt u kennis met de belangrijkste makers. Maar bovenal geeft Schaafijs & wilde bussen een overdonderende visuele impressie van deze weinig bekende kunstexplosie.

De opening van de expositie in Nederland opv4 juni om 17:00 uur bij CBK Zuidoost, Anton de Komplein 120, Amsterdam.

CBK Zuidoost presenteert van 4 juni t/m 19 augustus 2010 werk van 13 meesters van de Surinaamse straatkunst (Winston van der Bok, Ramon Bruyning, Ray Daal, Manoodj Gangadin, Johnny Khodabaks, Nishar Khodabaks, Bietje Kramer, Amatsoedir Mohamadigsan, Dennis Riebeek, Hendry Singoredjo, Elvis Sim Sjoe, André Sontosoemarto en Lloyd Wolff).

De schilderijen worden aangevuld met fotocollages van straatbeelden uit Suriname, tekstborden met achtergrondinformatie en een film met interviews met diverse schilders.

Artists in residence: Kwakoe Zomerfestival

Ramon Bruyning en André Sontosoemarto zijn twee weekenden aan het werk te zien op het Kwakoe Zomerfestival;zaterdag 31 juli, zondag 1 augustus, zaterdag 7 en zondag 8 augustus.

Schaafijs en Wilde bussen is nog te zien in Heden Hier (Den Haag) van 11 september t/m 25 oktober en in CBK Rotterdam.

Boekgegevens
Titel: Schaafijs & wilde bussen. Straatkunst in Suriname
Auteurs: Tammo Schuringa, Paul Faber en Chandra van Binnendijk,
ISBN 978 94 6022 054 8
Paperback, 160 pagina’s, € 19,50
Uitgever: KIT Publishers
Verkrijgbaar in boekhandel, bij de uitgever en via internet.



Op de foto: een schaafijskar op het strand van Galibi met op de achtergrond de nieuwbouw die kapitein Pane heeft gerealiseerd

donderdag 11 februari 2010

Schaafijs en wilde bussen

Op 12 maart 2010 wordt in Suriname het boek Schaafijs en wilde bussen over straatkunst in Suriname gepresenteerd tijdens de opening van de gelijknamige tentoonstelling in Fort Nieuw Amsterdam. Deze tentoonstelling opent op 4 juni in Amsterdam, en reist tot december door Nederland.
.

Schaafijswagen van Sherwood van Axwijk, geschilderd door Ramon Bruyning. Fotograaf: Paul Faber, 2009


Vanaf de jaren zeventig ontwikkelde zich in Suriname, met name in hoofdstad Paramaribo, een verrassende vorm van informele schilderkunst. Op de particuliere wilde bussen en op schaafijskarretjes werden schilderingen en teksten aangebracht die steeds uitbundiger werden. Tegelijkertijd maakten reclameschilders een vergelijkbare groei door. Anno 2010 bloeien deze vormen van straatkunst als nooit tevoren. Honderden bussen vormen een rijdende tentoonstelling vol Afro-Amerikaanse muzikanten en Indiase filmsterren, treinen, trompetten en fraai gekalligrafeerde teksten. Schaafijskarren vormen kleurige driedimensionale kunstwerken in het straatbeeld, en complete gebouwen worden ingepakt in hyperrealistische reclameschilderingen. In dit boek wordt de geschiedenis van de Surinaamse straatkunst gereconstrueerd en maakt u kennis met de belangrijkste makers. Maar bovenal geeft Schaafijs en wilde bussen een overdonderende visuele impressie van deze weinig bekende kunstexplosie.


Auteurs
Chandra van Binnendijk is redacteur, woonachtig in Suriname en co-auteur van o.a. Twintig jaar beeldende kunst in Suriname. Paul Faber is conservator Afrika in het Tropenmuseum Amsterdam en auteur van o.a. Twintig jaar beeldende kunst in Suriname. Tammo Schuringa is docent aan de Gerrit Rietveld Academie, Amsterdam en initiator van dit project. De vormgeving van het boek is in handen van Sabine Verschueren.

Tentoonstellingen Suriname en Nederland
De tentoonstelling staat van 12 maart tot eind april in Fort Nieuw Amsterdam, Suriname. Daarna is de tentoonstelling te zien in Nederland, bij Centrum Beeldende Kunst Zuidoost te Amsterdam, van 4 juni t/m 21 augustus. Vervolgens in oktober in Heden, Den Haag en in CBK, Rotterdam in november/december.

Tijdens de tentoonstelling in CBK komen twee Surinaamse schilders naar Nederland voor een artist-in-residenceprogramma.
.



Duoschildering: John Abraham & Bipasha Basu, schildering door Nishar Khodabaks Fotograaf: Tammo Schuringa, 2007



Chandra van Binnendijk, Paul Faber, Tammo Schuringa, Schaafijs en wilde bussen.
ISBN 9789460220548. € 19,50. Uitgegeven door KIT Publishers in samenwerking met CBK
Verkrijgbaar in boekhandel, of bij de uitgever KIT Publishers.