Posts tonen met het label 19de eeuw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 19de eeuw. Alle posts tonen

zondag 11 mei 2014

Rihana Jamaludin over de wording van De zwarte Lord

Rihana Jamaludin. Alle foto's © Michiel van Kempen

door Michiel van Kempen

Al in 1983 had Rihana Jamaludin het idee voor een roman die vanaf het begin de titel De zwarte Lord droeg. Zij speelde met de gedachte aan verschillende boeken, onder meer om een kinderboek te schrijven. Uiteindelijk pakte zij in 2002 het schrijfwerk weer op en zij smeedde de verschillende concepten aaneen tot de grote historische roman De zwarte Lord die, 525 pagina’s dik, in 2009 zou verschijnen.
Pagina uit het werkschrift
met schetsen van de
figuren van la Troupe

Dat vertelde de auteur op een werkcollege op vrijdag 8 mei j.l. in de reeks Caraïbische dromen aan de Universiteit van Amsterdam. Zij had een werkschrift/plakboek meegebracht aan de hand waarvan zij de wording van de roman illustreerde. Dat zij voorstellingen van 19de-eeuwse schrijvers/tekenaars als P.J. Benoît en Théodore Gray tot uitgangspunt nam voor bepaalde beschrijvingen in haar boek. Hoe zij zich trachtte voor te stellen welke kleding er in het midden van de 19de eeuw werd gedragen in Nederland en in Suriname en welke vlinders er in Zuid-Amerika rondvlogen. De geschiedenis van enkele Nederlandse gouvernantes die naar Suriname verhuisden om daar emplooi te zoeken, had zij bestudeerd. Hoe foto’s van gekleurde modellen haar hielpen zich een voorstelling te maken van het uiterlijke van bepaalde personen.

Het werkschrift bevat ingeplakte foto's van gekleurde modellen, zoals dit Molukse model

In het werkschrift staan ook verschillende eerste versies van fragmenten die later in de roman zijn terechtgekomen, bijvoorbeeld van de toneelteksten die in het tweede deel van het boek voorkomen en die een belangrijke rol spelen bij de theatergroep La Troupe die uit Frans Guyana is overgekomen naar Suriname.
Toneelfragment in het werkschrift

De schrijfster merkte op dat zij het gemakkelijker vond om zich te verplaatsen in een lichtgekleurde vrouw als ik-figuur dan in een slaaf – een ‘eis’ die bijvoorbeeld Egmond Codfried in zijn recensie had gesteld. Bovendien zou een roman geschreven vanuit het perspectief van een Nederlandse gouvernante de toegang voor een Nederlands publiek tot een verhaal over de nadagen van de slavernij gemakkelijker maken.


Uiteraard ging zij ook in op de altijd precaire verhouding tussen historische werkelijkheid en fictie. Een roman moet getrouw zijn aan de historische werkelijkheid, maar de auteur heeft de vrijheid om bepaalde zaken in te vullen of aan te vullen.


Dat deed Jamaludin door een toneelgroep uit Frans Guyana op te voeren, die onder invloed van Das Kapital van Karl Marx, kritische voorstellingen bracht op de theaterplanken in Paramaribo. Jamaludin stond daarbij voor ogen hoe het Doe-theater van Henk Tjon en Thea Doelwijt maatschappijkritische stukken bracht in de jaren ’70 en ’80. De Frans-Guyanese groep wordt dan ook geconfronteerd met vervolging of een rechtszaak. Open vraag natuurlijk of zo’n toneelgezelschap in 1848 überhaupt wel de kans zou hebben gekregen om kritisch theater op de planken van Thalia te presenteren.

Intensief lezen van romanfragmenten, rechts de schrijfster Rihana Jamaludin

vrijdag 9 mei 2014

De zwarte Lord herlezen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De zwarte Lord uit 2009 van Rihana Jamaludin.


door Egmond Codfried

Een zeer verdienstelijke debuutroman van Rihana Jamaludin (Paramaribo 1959) van 525 bladzijden, inclusief bijlage en verklarende woorden- en begrippenlijst. Deze uitbundige historische roman die zich deels in Nederland en voor de rest in Suriname voltrekt, speelt rond het revolutionaire jaar van 1848. Door zijn benadering vormt dit werk een aanzet tot een vernieuwende en eigen postkoloniale, Surinaamse historische roman. Ondanks de titel gaat het boek over Regina Winter, een Brabantse gouvernante die naar Suriname gaat om een jonge plantage eigenaar, die als bijnaam heeft De Zwarte Lord, onderricht te geven. In een jaar maakt Regina zoveel mee, ze is deel van of getuige van zoveel bewegingen en incidenten die verbonden zijn met de Surinaamse geschiedenis, dat zij totaal veranderd is. Van een wat nuffig, kleurloos en benepen Nederlandse is ze een warmbloedige, levenslustige Surinaamse geworden. Ze heeft in zekere zin haar roots gevonden, of eerder bevochten, om de persoon te worden die ze moest zijn. Dit is een heel goed doordacht werk want op een metaniveau personifieert Regina Winter Suriname.

Het betreft ook een veelomvattend werk, Jamaludin heeft veel over te dragen. Ze richt zich, als product van de diaspora, niet tot de Surinaamse lezer, maar tracht de Nederlanders een beeld te geven van de Surinaamse geschiedenis, de overweldigende natuur, de Surinaamse beschaving, de kleurrijke cultuur, de vele talen, religies en de vele etniciteiten die samen met elkaar Suriname vormen. Misschien dat Nederlanders kunnen begrijpen hoe vreemd en uiterst negatief en nutteloos hun huidige xenofobische campagne op Surinamers overkomt. Hoewel Nederland als koloniserende entiteit en geoliede veroveringsmachine niet met Suriname te vergelijken is. Het boek vormt daartoe een mix van reisgids, geschiedenis boek, filosofische gesprekken, een verhandeling over flora en fauna, een liefdesverhaal en een aanklacht tegen koloniale onderdrukking en exploitatie van slaven en arbeiders. De revolutionaire gebeurtenissen, de neergang van de adel en de volksopstanden in het roerige Europa vinden hoe dan ook hun weerslag in Suriname, wat zeer tegen de wensen van de koloniale overheerser ingaat volgens Jamaludin’s gepresenteerde visie op Suriname. Deze benadering is in mijn persoonlijke beleving, als historische onderzoeker en schrijver, de grootste verdienste van Jamaludin en schept een band met een leeftijdsgenoot. Ze gebruikt veel verhaallijnen met veel bijpersonages die op het eind krachtig en dynamisch samenkomen in een toneelstuk en een rechtszaak tegen de toneelgroep. Het einde van de roman is pure virtuositeit van de schrijfster en deed mij denken aan de ademloos spannende boeken over solidariteit ondanks levensgevaar, onderduiken en vluchten tijdens de periode 1940-1945 die ik las als bronnen voor mijn essay Komt er weer een Holocaust? (2010).

Jan Vos

Ik moest dit boek lezen, dus dwong ik mezelf door het kleurloze begin te ploeteren, welke op geen enkele manier een voorspelling inhield van het mooie wat zou komen. Intensieve research maakt een Surinaamse nog niet tot een Nederlandse, dus is Jamaludin in het begin niet erg overtuigend, maar geforceerd. Pas in Suriname is zij in haar element en krijgt zij vleugels en raakt duidelijk opgewonden door haar materiaal, waar door er een functioneel contrast optreedt met de koudheid, de benepen ambities, het obsessieve standsbewustzijn, de verstikkende seksuele moraal en berekening van Regina in Nederland. Helaas is de schrijfster te vaak aan het vertellen, in plaats van door handeling haar verhaal door de lezer zelf te laten verbeelden. Show, don’t tell of ‘t doen gaat voor het zeggen, zoals de 17e eeuwse zwarte schouwburg regent Jan Vos (1610-1667) de gouden regel verwoordde. Verder gebruikt ze te veel abstracties die de vertelling als een beoogde continue droom in de gedachte van de lezer verstoren. Hierdoor blijkt dat ze zich soms onvoldoende in details of teveel in de onnodige details heeft ingeleefd. Details die daarom verder ook niet ter zake doen en even goed geschrapt kunnen worden omdat er ook weinig bruikbare informatie uit volgt. Enkele clichés zoals weerbarstige krullen, hoewel deze soms verkiesbaar zijn boven vreemde vondsten die door hun geforceerdheid weer kunnen afleiden. Regina is de verteller, maar ze weet dingen die de eerste persoon verteller niet kan weten, waardoor de verteller soms als een geschiedenisboek en toeristische gids klinkt. Deze informatie, zoals een uitgebreid verslag over de zeeschildpadden van Galibi, is vaak losgekoppeld van de handeling en draagt niet bij aan de plot. Verder stoor ik mij altijd aan schrijfsters die wat ik de vrouwelijke seksuele mystiekdoctrine noem, aanhangen. Ook omdat ik vermoed dat de schrijfsters zich teveel zorgen maken om hun eigen seksuele reputatie. Alsof zij, ondanks hun intellectualiteit zich niet hebben vrijgemaakt van hun tweederangspositie als vrouw en dus kuis moeten zijn. Zij lijken juist hun lezers te bevestigen in de algemene sociale hypocrisie en de onderworpenheid van vrouwen aan de dubbele moraal propageren. Wat ik wel erg mooi vond is de verandering in stijl als andere personages hun eigen verhaal in monoloogvorm afsteken, waardoor het perspectief voor even verandert en monotonie wordt vermeden. Ook de theaterteksten vind ik prachtig in hun subtiliteit en zeer effectief toegepast.
...seksuele mystiekdoctrine...
Foto Annette Lamothe Ramos

De plot is opgehangen aan de mysterieuze zwarte lord, maar de intrige rond deze zwarte slavenhouder is niet altijd geloofwaardig of doorleefd en soms zelf potsierlijk. Ook omdat de echte belangrijke gebeurtenissen die het verhaal voortjagen spelen rond de bijpersonages en niet de hoofdfiguren. Die blijven toeschouwers die de keus hebben om weg te lopen. Dit ervaar ik als het grootste gebrek aan dit zeer waardevol werk. Het is erg jammer dat het politieke verzet en het experimenteren met nieuwe sociale en politieke verhoudingen niet centraal staan in de ontwikkelingen van het hoofdpersonage. Regina Winters spuit revolutionaire ideeën, maar leeft ze niet uit. Ze kan zich zodoende steeds onttrekken aan de gevolgen, claimt soms dronkenschap als verklaring voor een uitspatting, waardoor haar uiteindelijke marginale verandering voor de kritische lezer onbevredigend is. Ze heeft zich aangepast aan een ongewenste situatie en een ongewenst economisch systeem van slavernij. Dus in feite een pessimistische boodschap, omdat ze zover heeft gereisd en zoveel meemaakt en zoveel tranen vergoten zonder een wezenlijke verandering te ondergaan. Regina als de personificatie van de geschiedenis van Suriname?

Koloniaal Suriname. Foto © Michiel van Kempen

Wij kijken echter naar een aanzet tot een nieuwe soort van Surinaamse roman die zich minder houdt aan de smalle kaders van de opgelegde, kolonialistische historiografie en laat zien dat Suriname minder geïsoleerd en ongeïnformeerd zou zijn als de vroegere schrijvers beweren. Een feit dat mijn historische onderzoeken bevestigen. Ook de Nederlandse commentaren op dit werk illustreren dat de Nederlanders een remmende werking uitoefenen op de ontwikkeling van de Surinaamse literatuur. Zij zijn nog steeds Suriname aan het ontdekken en zijn zich nog steeds aan het verwonderen over de zaken over zichzelf die Surinamers alle in geuren en kleuren kennen of dat Surinamers ook zelf romans schrijven. De nieuwe Surinaamse auteur gebruikt het verleden om iets over vandaag, iets dat Surinamers aangaat, te verklaren. En als een virtueel laboratorium om een gewenste verandering te visualiseren. Waarom Surinaamse schrijvers en schrijvers in het verleden en heden gehaat worden door plaatselijke en buitenlandse politieke elites.

Rihana Jamaludin
De historische romanvorm leent zich meer voor ongebreidelde, realistische politieke fantasie dan een verhaal dat zich in het heden afspeelt. Het heden is beter bekend bij de lezer, dus is de schrijver beperkt in zijn uitwerking van ideeën. Een historische evaluatie kan pas achteraf, maar kan ook als een vorm van een kritiek of een satire opgevat worden van wat vandaag gebeurt. De onderdrukkende staat houdt daarom graag een monopoly op de historiografie en behoudende krachten haasten zich om het publiek te waarschuwen voor fictie. Een roman is per definitie fictie, maar vaak onmisbaar om de lacunes tussen de historische bronnen te vullen om historische personen tot leven te brengen, om hun innerlijke motieven te kunnen onderzoeken. Zelf autobiografieën kunnen een vervalst beeld geven van deze personen.

Bij Jamaludin bespeur ik toch een tweestrijd om twee meesters te dienen, in plaats van onbevreesd te kiezen voor een helemaal vrije en anti-kolonialistische benadering. Omdat ik mij verdiept heb in de eerste, oorspronkelijke Cabale, wat in feite een RepublikeinseSurinaamse beweging was die tussen 1743-1753 Suriname onafhankelijk probeerde te maken, en er een studie, een romanmanuscript en een toneelstuk over schreef, begrijp ik niet waarom de auteur de Cabale als iets afzonderlijks en iets negatiefs beschreef. Ik herken een bron die zij letterlijk citeert wanneer Regina stelt dat latere, opeenvolgende gouverneurs ook geconfronteerd werden met een Cabale. Dat betreft overigens één van de beweringen waar de ik-verteller, correct toegepast, geen weet van kon hebben zonder een glazen bol. De protestbewegingen in haar boek zouden de Cabale moeten vormen, een beweging binnen de rijkste en gesurinamiseerde families, in plaats als een korte verwijzing naar een negatieve beweging. Hiermee speelt zij in tegenstelling tot haar eerdere stellingneming juist de koloniale beeldvorming onterecht in de kaart.

Plantagedirecteur
Tekening van Théodore Bray

Storend vond ik het verkeerde gebruik van de titel Gran Masra, Grootmeester voor een nederige directeur, terwijl dit de grandioze aanspreektitel was van de schatrijke Administrateurs, de machtige politici die naast hun eigen extensief plantagebezit, ook meerdere plantages en slavenmachten beheerden. Ik had graag meer details over 19e-eeuwse kleding en gebruiksvoorwerpen of meubels gezien, omdat ‘vroeger’ voor veel Surinamers slechts één brei is zonder kennis van ideeën, stijlen en neostijlen. Dat Jamaludin zich nationalistisch toont maar de slaven geen stem geeft, is conform de kolonialistische geschiedvervalsing. Terwijl ze wel een stem hadden. Arme, ongeletterde mensen kunnen hun situatie heel goed verwoorden, hoewel niet altijd gehoord door hun onderdrukkers. Alsof de schrijfster zich opnieuw niet voldoende heeft ingeleefd. Dit is extra pijnlijk omdat tot vandaag Surinamers, de afstammelingen van slaven en contractarbeiders, in Nederland nog steeds geen stem hebben. Surinaamse schrijvers worden op neokolonialistische wijze door Nederland geselecteerd, kostenbesparend uitgegeven, besproken en beperkt gepromoot als tweederangs literatuur. Daarom zijn Marokkaanse en Pakistaanse auteurs in Nederland vrijwel alleen die jonge, knappe vrouwen die schrijven hoe verschrikkelijk de Marokkaanse of Pakistaanse cultuur is. Precies wat de Nederlanders over moslims willen horen.

Het bedenken van een plot en intrige zijn moeilijke dingen en men moet soms zijn toevlucht nemen tot haast onmogelijke zaken. Dat geef ik toe en ik bewonder Jamaludins prestaties. Maar om een kleurlinge op te voeren die niet te onderscheiden zou zijn van andere witten, gaat mij toch te ver. Het klinkt als de rechtszaken rond de overtreding van Amerikaanse one-drop-rule waar zwarten zich uitgeven voor witten en trouwen met witten waar hen dat expliciet is verboden. Waar rechtsjury’s zich moesten buigen over het probleem of deze persoon zwart is, en of de ‘bedrogen’ partner dat had kunnen weten, of een schadevergoeding verdient. Een veronderstelde zwarte wetsovertreder moest zelf haar geslachtsdelen aan de jury tonen, want daar blijft bij gemengde zwarten de zwarte kleur het langst. Dat soort drama’s zijn allang ontmaskerd als pogingen om zwarten en witten in het gareel te houden en zwartheid als een ernstige besmettelijke aandoening te presenteren. Wat mij daarom ook erg stoort in deze roman is de suggestie dat zwarten pas mooi zijn als ze gemengd zijn en witte voorouders hebben. Tegelijk praat de schrijfster ook een beetje over Black History, dat zwarten wel degelijk een hoge beschaving hadden vóór de Europeanen Afrika aandeden. Het lijkt mij dat het vooral over Black History zou moeten gaan, als wij een eigen, postkoloniale Surinaamse literatuur nastreven.

Blackamoor. Frans schilderij


De actrice die in 2000 in mijn historisch toneelstuk speelde was een blonde, witte Nederlandse. Intussen beschouw ik het personage van Maria Susanna Du Plessis (1739-1795) als een zwarte Surinaams Europese. Ook vanwege een portret van haar neefje met sterke Afrikaanse gelaatstrekken en het feit dat haar tweede echtgenoot gekleurd was. Het betrof kolonisten die vanwege hun zwarte en gekleurde etniciteit tot de Europese elite behoorden. Blauw bloed is zwart bloed (1500-1789), en was de identiteit van de Europeanen die afstamden van de oorspronkelijke Europeanen, die uit Afrika kwamen en onderling huwden, ter behoud van kleur. In 1500-1789 heerste het Ancien Régime, welke zich identificeerde met de Moor, een klassieke Afrikaan, op adellijke portretten, in familiewapens, familie- en geografische namen. Ze waren ook in hun uiterlijk herkenbaar als afstammelingen van de blauwe mannen, de benaming van Europese zwarten in de middeleeuwen. De adel ontstond aan het eind van de Middeleeuwen en introduceerde afbeeldingen van de centrale zwarte koning bij de geboorte van Jezus rond 1100-1200. Rond 1500 was dit motief in heel Europa aangenomen, en markeert het begin van de Renaissance. Europa zoals wij haar vandaag kennen is het resultaat van de Renaissance. De Franse Revolutie (1789-1795) was het einde van de zwarte overheersing welke de vorm had van Omgekeerde Apartheid. Er is dus wel degelijk een oorzaak van racisme tegen zwarten aan te wijzen en een datum te noemen. Nadien waren er verschillende restoraties, maar vanaf 1848 was het voorgoed gedaan met de macht van de zwarte en gekleurde adel. Eurocentrisme en rassenleer zijn bedacht om deze episode te verbergen, en daarom lijkt het alsof zwarten, de eerste Mens, geen deel van de geschiedenis vormen. Dat vanwege de revisionistische mythe van witte superioriteit alle ontdekkingen en beschaving van witte mensen komt, terwijl witten albino’s zijn, afgeleide van zwarten. Dus niet superieur aan zwarten.

Racisme kan daarom gedefinieerd worden als een overdreven bevrijdingsideologie om witten te bevrijden van zwarte adel en koningen, welke in de aanloop naar de Franse Revolutie werd bedacht. Hoewel de Franse Revolutie in de eerste plaats het werk was van de hogere, gestudeerde burgerij als Hume, Voltaire en Rousseau en progressieve adel die zwart en gekleurd was. Slavernij van Afrikanen ontstond onder deze gekleurde Europeanen en is geen uiting van racisme, maar van hebzucht en ongenadige uitbuiting. Het woord blanke moet opgevat worden als een Europeaan en niet dat deze personen perse ook wit waren. Mogelijk lichter dan sommige Afrikanen, maar vaak zal er geen verschil in kleur en trekken zijn geweest. De gekleurde Europeanen oogden als een gefixeerd mulattenras, waarvan sommigen meer Afrikaans, Aziatisch of wit oogden. Hun hoge status hing samen met hun gekleurde uiterlijk, wat de reden was om uitsluitend onderling te huwen.

De Surinaamse planters waren tot in de 19e eeuw zwarte en gekleurde mensen, even als de gouverneurs. Dat is de reden waarom wij hen zelden te zien krijgen. De kleindochter van gouverneur Cornelis van Aerssen wordt door haar neef James Boswell beschreven als zwart als een schoorsteen en haar man, Aarnoud Joos van der Duyn, een baron van de oudste en hoogste adellijke familie als schoorsteenveger. Boswell, een Schotse baron met een Nederlandse grootmoeder, beschrijft zichzelf als zwart. Hij beschrijft Rousseau als een zwarte man. Rousseau beschrijft zijn weldoener Pierre-Alexander Du Peyrou, een Surinamer, schrijver en rijke plantagehouder als donkerbruin. Componist Van Beethoven werd De zwarte Spanjaard genoemd en zijn leermeester Haydn The Blackemoor. Charles II Stuart (1633-1685) was de Engelse koning die Willoughby een vergunning verleende om in Suriname een kolonie te beginnen, stond bekend als The Black Boy vanwege zijn zwart uiterlijk. Deze feiten worden voor ons verborgen doordat men ons uitsluitend de gewitte, propagandistische portretten toont. Er was blijkbaar een traditie bij de zwarte elite om zich als witten af te laten beelden, maar ook als zwarten. De witte portretten vormden een soort legitimatie en deferentie aan de witte ondergeschikten. Echter bestaan er kostbare boeken uit adellijke collecties die met mensenhuid zijn gekaft, wat een betere indicatie vormt van de waardering van de adellijke elite voor hun witte onderdanen. Nederland bracht de archieven tot 1795, van het zwarte Ancien Régime naar Nederland, zodat Surinamers een zwarte en gekleurde natie, deze feiten niet zouden kennen. Noch dat de Surinaamse planters beschaafde en gestudeerde mensen waren die al twintig jaar vóór de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd in opstand tegen Nederland waren gekomen.

Veel Surinaamse bronnen zijn openbaar, maar een deel is nog in privé bezit en dient door zwarte en gekleurde onderzoekers nageplozen te worden. Nicolaas Beets bijvoorbeeld schrijft over een koloniale familie met een ‘West Indisch’ uiterlijk. De naam Beets komt ook voor in 18e-eeuws Suriname, een schoonzuster van Maria Susanna Du Plessis. Verder correspondeerde Beets met nakomelingen van gouverneur Crommelin. Een kleindochter van de gouverneur was getrouwd met een zoon van de schilder Jean-Etienne Liotard, die heel afrocentrische zelfportretten van zichzelf maakte. Dit is dus het dilemma welke speelt bij het schrijven van mijn roman Maria Susanna Du Plessis welke uitsluitend zwarte en gekleurde Europese en Afrikaanse personen betreft. Daarom moet ik de historische visie van Jamaludin en haar zorgvuldig uitgewerkt kleurschema ook op dit punt afwijzen en besef tegelijk dat mijn werk daarom nooit door een Nederlandse uitgever zal worden uitgegeven.

Den Haag, 28 maart 2010

[van freethinker.nl]

zondag 9 februari 2014

"Janny de Heer te verkiezen boven Cynthia Mc Leod"

Een tentboot. Uit Fermin

door Ko van Geemert

Janny de Heer (1955) debuteerde in 1999 met Landskinderen van Curaçao. Historische verhalen. Voor haar meest recente boek, Gentleman in slavernij, deed zij uitgebreid historisch onderzoek in Suriname, Nederland en Duitsland.

Hoofdpersoon is Johann Dieterich Horst, een jongeman uit een welgestelde Duitse familie, die in 1827 zijn geluk zoekt in Suriname. In de loop der jaren klimt hij op tot administrateur op diverse plantages. Als hij zeker weet dat hij in Suriname wil blijven, koopt hij zelf plantages. Het liefst zou hij de slaven willen behandelen zoals hij vroeger thuis op het landgoed van zijn vader geleerd heeft met het personeel om te gaan. Speciaal voelt hij zich betrokken bij het lot van de slavin Candasie en haar kinderen. Horst krijgt een zoon met haar, maar trouwt met haar dochter.

In het Woord Vooraf schrijft De Heer: ‘De levensloop van Johan Dieterich Horst is bijzonder en avontuurlijk geweest maar het is vooral de tijd waarin hij leefde die zijn geschiedenis interessant maakt. Hoe was het om in die maatschappij waarin slavernij een feit was te leven (te werken, te leren, te wonen)? En vooral hoe ging je om met de mensen uit de verschillende bevolkingsklassen? Hoe hield je je staande in een milieu waarin het alleen in het geniep werd geaccepteerd dat blanke mannen en zwarte vrouwen samen kinderen kregen en het andersom, zwarte man blanke vrouw, al helemaal niet werd getolereerd. Hoe stichtte je een gezin in die samenleving? Hoe konden vriendschappen bloeien terwijl er zoveel wetgeving tussenstond?’
 
Paramaribo. Grote Combéweg rond 1880. Foto Tropenmuseum
Elk hoofdstuk begint met een korte informatieve tekst over de ontwikkelingen van de slavernij in Suriname, achterin het boek is een foto van de hoofdpersonen geplaatst, samen met een stamboom en een bronnenlijst. Het zou helemaal mooi zijn geweest wanneer er ook een plattegrondje zou zijn afgedrukt van de in het boek genoemde plantages, waardoor je de reizen van Horst beter had kunnen volgen.

In het nawoord lees je hoe het de hoofdpersonen vergaan is; het maakt  nieuwsgierig naar de levens van de nakomelingen! Gentleman in slavernij is hier en daar wat wijdlopig en De Heer vervalt wel eens in herhalingen, maar voor degene die van familieromans houdt, is het een heerlijk boek om te lezen. Het zou wel eens kunnen dat dit boek meer  geapprecieerd wordt door vrouwen dan door mannen: het hoofdpersonage is weliswaar een man, maar de levens van de vrouwen worden, wellicht niet onbegrijpelijk, door de schrijfster wat meer uitgewerkt.

Natuurlijk dringt zich de vergelijking met Cynthia McLeod op. Gemeen hebben ze zeker het doorzettingsvermogen om grondige research te verrichten. Ik ben geneigd Janny de Heer te verkiezen boven Cynthia McLeod als het op stijl aankomt.


Het motto van dit boek is: ‘ik had me het pak van de christenen aangemeten / maar het zat zo slap aan het lichaam van een neger’, van de dichter Jozef Slagveer, in 1982 vermoord. Toen was Johann Dieterich Horst al 150 jaar dood.

Janny de Heer, Gentleman in slavernij. Uitgeverij In de Knipscheer, ISBN 978 90 6265 832 9  NUR 301
330 pagina’s, € 24,50


[uit Parbode, februari 2014,  jaargang 8 nr. 94]

maandag 22 april 2013

Een gedeeld verleden

Museumstof 210

Tweede van rechts, Lien Tunk.


Het is alweer wat afleveringen geleden dat we over historische foto’s spraken: een foto van Cateau van Rosevelt te midden van emigranten. Dat de foto’s van het museum op internet nog steeds zeer gewild zijn, mag wel blijken uit het feit dat het aantal ‘hits’ intussen in de richting van de 1,4 miljoen gaat.

Dat is dan ook de reden waarom we sinds de fotosite operationeel is, relatief vaak aandacht aan oude foto's besteden, omdat we weten dat die ook zeer tot de verbeelding spreken. In januari ontvingen we een viertal foto's van de heer Kruyt die toevallig op onze fotosite terechtkwam. Na enige correspondentie heeft hij de foto's met veel genoegen aan het museum geschonken. Omdat de achtergrondinformatie zo bijzonder is en door hem zo helder voor ons op papier werd gezet, nemen we zijn verhaal integraal over.

"Met enige regelmaat bekijk ik foto's van oud-Suriname op de Flickr Photostream. Geweldig leuk om op die manier een breed overzicht te krijgen van een land en zijn inwoners. Hoogwaardigheidsbekleders naast de 'gewone mens', lintjesdoorknippers naast hardwerkenden in barre omstandigheden."

"Mijn creoolse oma Lien Tunk werd geboren in Suriname in 1892 en opgevoed door een zendeling en zijn zuster, de heer en mevrouw Voet, in Paramaribo. Van mijn oma heb ik twee originele jeugdfoto's, gemaakt door Augusta Curiel. Een prachtig groenige passe-partout met een bloemenrand die er als het ware boven op ligt. Op beide foto's staat mijn oma met een aantal vriendinnen, allemaal keurige jongedames en in deftige kleren, met hoeden en lange zwarte haren. De ene foto is gemaakt op de brug in de Palmentuin; op de andere foto vormen zij een geposeerd 'theekransje'. Ik denk dat de meisjes rond de vijftien jaar oud zijn. Was het 1907?"

"Na de Eerste Wereldoorlog kwam mijn opa vanuit Nederland naar Suriname. Hij was officier machinist bij de koopvaardij. Lang, blond, wit uniform met glimmende knopen. Hij werd verliefd op Lien Tunk en nam haar uit Suriname mee naar het blanke Nederland, waar zij in 1921 trouwden. Uit het huwelijk werd een tweeling geboren, twee jongetjes, Jan en Jopie. De een had blauwe ogen en blond haar, de andere bruine ogen en donkere krullen."

"De zoon van mijn oma, mijn vader, ging later in Groningen studeren. Een goede studievriend was Jos Smidt, wiens grootvader gouverneur van Suriname was geweest in de periode rond 1885. Ook van gouverneur H.W. Smidt heb ik twee originele foto's. Op één ervan legt hij de eerste steen van de Willemschool in Paramaribo op 17 februari 1887. De koning was op die dag jarig en dus werd de school naar hem genoemd. De andere foto laat de optocht zien in de Heerenstraat op diezelfde dag."

De Heerenstraat in Paramaribo, vóór 1920. Kerncollectie Fotografie Museum Volkenkunde.


"Wie de foto's van gouverneur Smidt heeft gemaakt weet ik niet. De foto's hebben wel een prachtig zwierig onderschrift met locatie en datum, maar de naam van de fotograaf staat er niet bij. Misschien kunt u die achterhalen? Qua compositie lijken de foto's op de foto's die ik op de website van het Surinaams Museum heb gezien."

"Mijn oma en gouverneur Smidt hebben niet van elkaars bestaan geweten. Twee heel verschillende levens en op verschillende momenten, maar wel allebei in Paramaribo. Hij legt de eerste steen van de school waar zij later les gaat geven. Het leuke is dat hun levens wel min of meer samen komen in … mijn woonkamer. Ik ben kleinzoon van Lien Tunk, en gouverneur Smidt liet in Paramaribo een prachtige archiefkast maken die via zijn zoon en zijn kleinzoon in mijn woonkamer terechtgekomen is. De beide foto's van de opa van Jos lagen in de kast."

"In overleg met mijn moeder willen wij deze vier foto's graag afstaan aan het Surinaams Museum. Het gaat om meer dan onze familieleden. De foto's maken deel uit van de geschiedenis van een ander land. We zijn blij dat het onze voorouders waren, maar voor het land van herkomst is de betekenis en de waarde wellicht groter: als een puzzelstuk dat het verleden completer maakt."

"De foto's kan ik binnenkort meegeven aan een Surinaamse kennis van mij die naar Paramaribo komt voor een lange vakantie bij haar familie."

Met vriendelijke groet, Johan Kruyt.

En zo hebben we dankzij deze schenking weer een stukje geschiedenis, vastgelegd in woord en beeld, aan de collectie van het museum kunnen toevoegen. De beide foto's van de Willemschool en de optocht kunnen worden toegeschreven aan Julius Muller. De foto's zelf staan binnenkort op de website.

Reacties op museumstof? Bel op 425871 of e-mail ons:info@surinaamsmuseum.net
Zie ook www.surinaamsmuseum.net en www.flickr.com/photos/stichtingsurinaamsmuseum voor foto's uit de collecties van het museum. Voorts www.amazonian-museum-network.org

[uit de Ware Tijd, 20/04/2013]

dinsdag 26 juni 2012

Onderzoek naar Amsterdamse slaveneigenaren

Historicus Dienke Hondius van de Vrije universiteit is in samenwerking met haar studenten en het Amsterdamse Stadsarchief bezig met een onderzoek naar een substantiële groep slaveneigenaren die zich ten tijde van de afschaffing van de slavernij niet in de kolonies, maar in Amsterdam bevonden.
Veel slaveneigenaren woonden niet op dezelfde plek als hun slaven in Suriname en de Antillen, maar lieten hun zaken regelen door vertegenwoordigers. Die afwezige eigenaren vormen een heel interessante groep: zij brengen de slavernijgeschiedenis, meestal gezien als iets dat ver weg en lang geleden heeft plaatsgevonden, terug in het hart van de Europese steden. Het onderzoeksteam onder leiding van Dienke Hondius geeft inzicht in de Amsterdamse connecties met de slavernij door middel van een kaart, die zij op basis van hun onderzoek ontwikkelden.


Slaveneigenaren in Amsterdam 1863 weergeven op een grotere kaart

Meer op de website van het Stadsarchief. Momenteel is men bezig met de voorbereidingen op een website en presentatie die volgend jaar te bezichtigen zouden moeten zijn. 

dinsdag 13 december 2011

A Voyage to the Demerary (1807)

door Carl Haarnack


A Voyage to the Demerary, Containing a Statistical Account of the Settlements There, and by those on the Essequibo, the Berbice, and other Contiguous Rivers of Guyana. By Henry Bolingbroke, Esq, Deputy Vendue Master at Surinam. London: Richard Phillips, 1807.

Wie belangstelling heeft voor de geschiedenis van Suriname moet vaak verder kijken dan de eigen landsgrenzen. Het buurland Guiana (Brits-Guyana) behoorde vroeger ook tot het Nederlandse koloniale rijk. Tot 1814 was dit gebied in handen van Nederland. Het bestond uit Demerary, Essequibo en Berbice. Aan het eind van de 18e eeuw bezetten de Engelsen de Nederlandse koloniën op het Zuid-Amerikaanse vaste land.

Henry Bolingbroke werd gedurende dit zg. Engelse Tussenbestuur in 1807 tot vendumeester in Paramaribo benoemd. Een vendumeester organiseerde en leidde openbare verkopingen van slaven.

Deze afbeelding komt niet uit het besproken boek, maar uit Daenisch Westindien.

Bolingbroke heeft naar alle waarschijnlijkheid zo’n zeven jaar in Demerary geleefd. Gezien zijn werk als velingmeester was Bolingbroke geen voorstander van de afschaffing van de slavernij. Volgens Wolbers genoot hij een jaarsalaris van maar liefst fl. 10.000,–. Hij schrijft veel over de eigenaardigheden van Nederlandse planters in Demerary. Als de planter opstaat kleedt hij zich aan en vraagt hij zijn foetoe-boi om een washand om gezicht en handen mee te wassen. Bolingbroke schrijft dat hij in Nederlandse plantage-huizen vrijwel nooit een wasbak zag, ook als er blanke vrouwen woonden. Dit stond in schril contrast met de properheid van de huizen. Deze werden iedere morgen met citroen geschrobt wat een heerlijke geur verspreidde.

Interessant is ook zijn beschrijving van een markt waar ‘the negroes’ hun waren aanbieden zoals fruit, groente, gevogelte en eieren. Hij maakt melding van vrije zwarte vrouwen die naast zoutvlees, vis, varkensvlees, brood, kaas en tabak ook Europese manifacturen in kleine hoeveelheden verkopen; ‘to enable the negroes to supply themselves agreeably to the length of their purse’. Deze vrouwen kopen hun waren weer in grotere hoeveelheden van kooplieden met een krediet van twee of drie maanden. Veel van deze vrouwen (hij spreekt over ‘hucksters’) zijn volgens Bolingbroke rijk en bezitten soms tien, vijftien of twintig slaven die ze allemaal in zetten bij de kleinverkoop. Het is gebruikelijk dat de verkopers gedurende een aantal weken van plantage naar plantage trekken om hun waren bij de ‘negerhuizen’ te verkopen. De goedkeuring van de plantage-directeur is hiervoor wel een vereiste.

Wie geen geld heeft kan via ruilhandel aan de spullen komen die men nodig heeft. Vooral de gekleurde vrouwen zijn dol op kleding. Het boek van Bolingbroke is met name interessant omdat het voor een belangrijk deel betrekking heeft op de veelal onbekende geschiedenis van Demerary, Essequibo en Berbice. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het leven aan het begin van de 19e eeuw in deze gebieden wezenlijk verschilt met dat van Suriname.

[van Buku Surinamica]

dinsdag 8 november 2011

De begrafenis van priester Joannes Vitus Janssen te Paramaribo in 1843

door Wilfr. Dierick

Anoniem, ca. 1843. De begrafenis van priester Joannes Vitus Janssen te Paramaribo in 1843. Canvas, 53,5 x 70 cm. Rijksmuseum Amsterdam.


In de jaren 1933-1939 schreef Frater M. R. Fulgentius Abbenhuis, die toen in Suriname bij het onderwijs werkzaam was, voor het Koloniaal Missie Tijdschrift een reeks artikelen onder de titel: ‘Het Apostolisch Vicariaat van Suriname. Een historische schets’. Over enige tijd zullen deze stukken onder de titel Een Paapjen omtrent het Fort door ondergetekende in Paramaribo worden uitgegeven. In een artikel over de uitvaart van de priester Ludovicus van der Horst, die ‘bezweek na een week lijdens aan een hevige rotkoorts op den 31 Juli 1825′ schreef Fulgentius Abbenhuis: ‘In het Rijksmuseum moet zich een schilderij bevinden, voorstellende de begrafenis van een R.K. geestelijke, tusschen de jaren 1820-1830. Waarschijnlijk is het de plechtige lijkstatie van V. d. Horst’ (1). Na de dood van zijn confrater Antonius Wennekers in 1823 was Van der Horst als enige priester in Suriname overgebleven, zodat bij zijn overlijden de president van het kerkbestuur het tabernakel moest verzegelen en de geestelijke verzorging van de gelovigen -waar dat mogelijk was - aan leken moest overlaten.

In het depot van het Rijksmuseum te Amsterdam bevindt zich inderdaad een primitief en zeer charmant ‘verhalend’ schilderij, dat gecatalogiseerd is als Noord-Nederlandse School? ca. 1820 en als titel heeft: Katholieke begrafenis in West-Indië (53,5 x 70 cm) Dat het hier niet om de begrafenis van Van der Horst gaat, zal spoedig duidelijk zijn (afb. hierboven). We zien er namelijk drie priesters op afgebeeld: één bij de ingang van de begraafplaats en twee in de stoet achter de kist.

[Lees hier verder op Buku Bibliotheca Surinamica]

woensdag 18 mei 2011

Plantage Onverwagt al 130 jaar niet meer van de kolonialen

Plantage Onverwagt viert woensdag het feit dat het 130 jaar geleden werd gekocht door voormalige slaven. Op 18 mei 1881 kochten de families Pinas, Pique, Vyent, Crisis, Loswijk en Kensi de plantage.

Tegenwoordig is Plantage Onverwagt de dichtstbevolkte plantage met zo'n 800 inwoners. De plantage legt zich meer op het toerisme en wil een toeristische trekpleister worden, net zoals dat het geval was in de de jaren '60 en '70. Op dit moment is men bezig met het opschonen van de Hooykreek.

De viering gaat gepaard met een dankdienst en een kranslegging bij het monument van de kopers van de plantage. De Districtscommissaris en andere prominenten in Para zullen morgen hun felicitatieboodschap uitspreken.

De plantage werd in de 17de eeuw gesticht door de Duitse Kolonist Frederik Coenraad van Bosse. Hij begon een houtplantage. De werkzaamheden van de slaven bestonden overwegend uit het hakken van hout en dit verwerken tot balken en planken. Ze legden kostgronden aan met napi, njams en cassave om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.

Ten tijde van de afschaffing van de slavernij in 1863 waren er 171 slaven op de plantage. In 1877 besloten de voormalige slaven de plantage te huren van de koloniale eigenaar en op 18 mei 1881 werd de plantage gekocht door de families Pinas, Pique, Vyent, Crisis,Loswijk en Kensi. Hun nazaten vormden in 1951 het eerste formele plantagebestuur. Dit bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van 8 familiehoofden.

[uit Starnieuws, 18 mei 2011]

woensdag 16 februari 2011

De geschiedenis van Simon Blaauwkool

door Carl Haarnack

Christian Gotthilf Salzmann (1744-1811) was een Duitse pedagoog die veel opvoedkundige werken en romans op zijn naam heeft staan. De geschiedenis van Simon Blaauwkool is één van zijn minder bekende romans. De Duitser Simon komt toevallig in Suriname terecht. Omdat hij groot en sterk is én omdat hij kan lezen en schrijven, wordt hij door plantage-eigenaar Jessen aangenomen als blankofficier.

Op de plantage worden de slaven slecht behandeld. ‘Het zijn honden en ze kunnen alleen met de zweep beteugeld worden’, zegt Jessen. Simon Blaauwkool heeft hier hele andere gedachten over. Hij behandelt ze met respect en geeft ze af en toe een ‘mutsje rum’ en geeft ze ook de ruimte om op hun eigen kostgrondje te werken. De slaven dragen hem op handen en werken veel harder dan bij de andere opzichters. Dat zet natuurlijk kwaad bloed. Die anderen beramen een aanslag op Simon Blaauwkool. Maar de slaven krijgen lucht van deze plannen en redden zijn leven.
De planter Jessen overlijdt en nu eisen de opzichters van de weduwe dat Blaauwkool de laan uit wordt gestuurd. De weduwe is eigenlijk zeer tevreden over hem maar is ook bang voor de wrede opzichters. Zij vraagt Simon ten huwelijk waardoor hij nu plantage-eigenaar is. Zo wordt het ‘humane’ regime voortgezet en mogen de slaven zelfs sparen om zich vrij te kopen en zich als vrije arbeider op de plantage te vestigen. Aan het eind van het verhaal, als zijn vrouw en dochter zijn overleden, keert Blaauwkool terug naar Duitsland.

De auteur Salzmann is nooit in Suriname geweest. Toch heeft hij met zijn roman bijgedragen aan de beeldvorming in Europa over de slavernij in Suriname. De behandeling van de slaven die Salzmann beschrijft, is bijzonder slecht. Zo slechts zelfs dat de vertaler, de Nederlandse predikant Willem Ockerse (1760-1826), zich genoodzaakt voelt om in een voetnoot duidelijk te maken dat niet alle Hollandse planters zo zijn en dat de slechte reputatie niet alleen Hollandse planters geldt. De manier waarop de vertaler hier uit zijn, normaal gesproken toch anonieme, rol stapt, is toch op zijn zachtst gezegd opmerkelijk te noemen. Maar Salzmanns boeken werden in zeer brede kring gelezen. En na Oroonoko (Behn), Candide (Voltaire) en Stedman zou een ongenuanceerd negatief beeld van Salzmann over de behandeling van slaven in Suriname misschien net iets te veel zijn.

De geschiedenis van Simon Blaauwkool. C.G. Salzmann. Amsterdam: Johannes van der Hey, 1813
[overgenomen uit Parbode]
Carl Haarnack houdt op donderdag 17 februari 2011 een lezing over de Duitsers in Suriname. Klik voor meer informatie hier.
Klik hier voor een interview met Carl Haarnack.

dinsdag 15 februari 2011

Surinaams-Nederlandstalige literatuur is volgroeid

Kuis kolkt en kookt van sensualiteit



Met dank aan Gotu Lobi Jewels. Foto © Kick Smeets. 


door Sharida Mohamedjoesoef

Met haar fijnzinnig taalgebruik en Dickensiaanse plotwendingen is ze één van de best bewaarde literaire geheimen van de jongste generatie Surinaams-Nederlandse schrijvers: Rihana Jamaludin.

In haar romans druipt tropisch Suriname van de pagina’s, maar in de Tilburgse woning van Rihana Jamaludin (1959, Paramaribo) is het zoeken naar herinneringen aan de voormalige kolonie; hooguit enkele aardwerken zeeschildpadden gemaakt door Indianen van het natuurgebied Galibi. Terwijl op de achtergrond de opzwepende mengmuziek weerklinkt van sitar, tabla en techno, legt de kleine Javaans-hindoestaanse schrijfster bijna verontschuldigend uit dat ‘iedereen integratie op zijn eigen manier inkleurt’.

Om de huishoudpot te spekken houdt Jamaludin lezingen en maakt ze illustraties en linodrukken. Daarnaast runt ze een eigen tekstbureautje. Plotseling haalt de schrijfster een map tevoorschijn die zowat uit zijn voegen barst van gedachtekronkels, foto’s en kattebelletjes uit tijdschriften en vergeelde kranten, ofwel het voorwerk voor De Zwarte Lord dat vorig jaar uitkwam. Tegen de achtergrond van Franse revolutionairen, Britse abolitionisten en angstige Hollandse slaveneigenaren, tekende Jamaludin in deze filmische debuutroman met rake stroken de historische en etnische rijkdom van Suriname op.

Ook in roman nummer twee krijgen die etnische schakeringen ruim baan. Kuis verhaalt over Ramesh met zijn juwelierszaak op de Albert Cuyp. De hindoestaanse goudsmid heeft zijn kuisheid opgedragen aan de hindoegodin Parvati. Dan ontmoet hij Ashmana voor wie hij in opdracht van haar vriend een kuisheidsgordel moet vervaardigen. Hij valt als een blok voor haar.

Dat boekomslag. Uw idee?
‘Mijn man Theo vond de foto op het internet. De gerenommeerde Zuid-Afrikaanse juwelier Uwe Koetter had deze kuisheidsgordel in 2002 gemaakt voor een schatrijke man in Londen. Wij mochten de foto gebruiken voor de omslag. De juwelier wilde niets kwijt over de identiteit van zijn vermogende klant, maar vertelde wel dat de gordel, bezet met 50 parels en 5 diamanten, door de bruid van de klant werd gedragen op haar huwelijksdag.’

De verhaallijn klinkt als Kuis…
Kuis was toch echt al geschreven toen dit nieuws bekend werd, maar de publicatie ervan duurde even, omdat ik tussendoor bezig was met De Zwarte Lord.’

Waarom zou een vrouw een kuisheidsgordel willen dragen? ‘Ashmana ziet het dragen ervan aanvankelijk als een spel. Ze heeft niet door dat ze wordt gemanipuleerd door haar vriend Bennie die haar als zijn bezit ziet, waar letterlijk een slot op moet. Ashmana’s instemming is op zich niet vreemd. Je ziet dat vaker bij mensen die opgroeien in meer beschermende culturen terwijl de tijdgeest een vrijere kant op gaat. Bij Ashmana domineert eerst haar Turkse vader. Later neemt haar Nederlandse moeder het over en krijgt ze meer vrijheid.’

Welke rol speelt de godin Parvati in het verhaal?
‘Parvati is de hindoegodin die met haar dans de schepping in stand houdt. Als Ramesh mediteert, verschijnt ze voor hem en danst. Zijn relatie met de godin wordt steeds aardser en mondt zelfs uit in een hallucinerende vrijage. Deze symbolische vereniging van man en vrouw is een aspect wat terugkomt in het hindoeïsme. Het is ook de verstrengeling van het aardse met het mystieke. Ik weet alleen niet of hindoes dat stuk in het verhaal ook zo zullen zien.’

In Kuis geen rauwe taal. Gekuist?
‘Dat ruwe past niet bij mij. Mijn opvoeding speelt daarbij ongetwijfeld een rol. In mijn alledaagse taalgebruik zou ik ook niet zo praten. Wat voegt het toe?’

U schrijft zelf vanaf 2000. Waarom zo weinig aandacht voor Surinaams-Nederlandstalige literatuur?
‘Ik kom nog maar net kijken. Met mijn romans wil ik meer laten zien van onze gedeelde geschiedenis. Waar wij in Suriname veel moesten leren over Nederland, lijkt die Surinaams-Nederlandse geschiedenis hier weggemoffeld. Als je weinig weet van je eigen geschiedenis, dan accepteer je misschien niet zo gemakkelijk de nieuwe Nederlanders. Je wereldbeeld wordt anders. De Verenigde Staten zijn al begonnen met een herijking van de eigen geschiedenis. In Nederland begint het langzaam te komen.’

Waarom duurt het zo lang?
‘Het lijkt wel alsof Nederlanders bang zijn dat hun heroïsche zeevaardersavonturen teniet worden gedaan. Dat is onwaarschijnlijk, want de wapenfeiten van toen zijn tenslotte geen geringe prestatie. Maar je moet wel de gevolgen ervan onder ogen zien evenals de banden die zijn ontstaan.’


[Dit artikel verscheen eerder bij dagblad De Pers.
Kuis is uitgegeven door KIT Publishers, Amsterdam]

Kuisheidsgordel
Een kuisheidsgordel is een door vrouwen gedragen gordel met slot die geslachtsgemeenschap onmogelijk maakte. Bron: Van Dale

Lezing

Graag willen we u attenderen op een lezing die Rihana Jamaludin op 18 maart om 16.30 uur geeft over haar roman Kuis. De lezing wordt gehouden in de Leeszaal van de KIT Bibliotheek in Amsterdam en wordt georganiseerd door het KIT in samenwerking met Aletta, instituut voor vrouwengeschiedenis. Reserveren noodzakelijk: 020-568 8462 of via: library@kit.nl

zondag 16 januari 2011

Black Venus: de verontrusting van het kijken


door Michiel van Kempen

Er stonden twee dametjes voor me aan de kassa. Het was toch geen film waar je met een rotgevoel uit kwam?, vroegen ze bezorgd aan de kassajongeman. Want ze waren gewoon een gezellig avondje uit. Nou eeehh…. Dan toch maar Woody Allen? In ieder geval was me na 157 minuten wel duidelijk dat ze met Vénus Noire – oftewel Black Venus ˗ van de Marokkaanse meesterfilmer Abdellatif Kechiche hun gezellig avondje niet gevonden zouden hebben. Zelden heb ik een publiek na een film zo stil de zaal zien verlaten. Bedrukt bijna. Er valt met de geschiedenis van Saartjie Baartman, de 19de-eeuwse ‘Hottentot Venus’ die met haar geweldige achterwerk en lange schaamlippen als een kermisattractie werd tentoongesteld, weinig te lachen. Voor de Londense rechtbank verklaarde ze dan wel dat ze een actrice was en zich als zakencompagnon van haar Zuid-Afrikaanse ‘master’ vrijwillig tentoonstelde, er zat in haar ‘acteerwerk’ geen minimum aan menselijke waardigheid. Er werd aan al de graaiende handen van het op sensatie beluste publiek flink verdiend, en de hoogste adelskringen en wetenschappelijke onderzoekers wilden voor dit ‘object’ maar al te graag betalen, maar op het moment dat zij haar intiemste delen weigerde te tonen, ging het met haar bergafwaarts. Ze eindigde als prostituee en stierf straatarm aan de gevolgen van de infecties van een geslachtsziekte. Na haar dood mocht de wetenschap eindelijk haar lichaam bekijken zoals dat eerder niet lukte, omdat Saartjie het weigerde.

Er zit een suspense in Black Venus als in de engste horrorfilm, maar die suspense wordt veroorzaakt doordat de horror werkelijkheid was, je kunt niet even wegkijken en denken: dit is de fantasie van een vindingrijk filmer (ook daarom is het zo goed dat de film in het Zuid-Afrikaans, Frans en Engels gesproken wordt en niet in onwaarschijnlijk Hollywood-Engels). Het is geen spanning die je je ongemakkelijk doet voelen, maar pure gêne. Als er al momenten in dit verhaal zitten die je komisch zou kunnen noemen, dan straft de regisseur je lach direct ongenadig af. Want elke vorm van inleven met de vele toeschouwers die binnen de film optreden, geeft je direct het idee dat je iets heel fout doet. Voortdurend word je als toeschouwer geconfronteerd met je eigen verontrusting. In dat hele spektakel – letterlijk: dat circus van kijken en kijkers ˗ is er eigenlijk maar één figuur die waardig blijft: Saartjie Baartman zelf, hoe intens treurig haar levensverhaal ook geweest is. Dat te bereiken zonder dat de film ergens larmoyant wordt, is een buitengewone cinematografische en psychologische prestatie.

Zie ook hieronder de berichten van 13 januari.
Lees hier een recensie van 8weekly van 8 februari 2011.


Yahima Torres als Saartjie Baartman in Vénus Noire

donderdag 13 januari 2011

Saartjie Baartman

Saartjie Baartman (1789-1815) was de beroemdste van ten minste twee Khoikhoivrouwen die tentoongesteld werden als attractie in Europa onder de naam Hottentot-Venus, in de 19e eeuw.

Saartjie Baartman werd geboren in een Khoisanfamilie vlakbij de Gamtoosrivier (in de Oost-Kaap van Zuid-Afrika). De naam Saartjie (wordt uitgesproken als: Saarkie) is de Zuid-Afrikaanse variant van de Nederlandse naam Saartje. Dit was niet de Khoi-naam van Saartjie Baartman, die onbekend is gebleven.

Baartman was een slavin van Nederlandse boeren in Kaapstad, en sprak vloeiend Nederlands. Hendrick Cezar, de broer van haar eigenaar wilde haar tentoonstellen in Londen. Hij beloofde haar dat ze hierdoor als een rijke vrouw terug zou keren. Saartjie werd tentoongesteld omdat blanke Europeanen haar lichaamsbouw wilden zien. Saartjie was namelijk erg klein, had een zwarte huidskleur, een groot achterwerk, lange schaamlippen en dikke lippen, zoals vooral bij de Khoi wel meer voorkwam.

Saartjie Baartman reisde later af naar Parijs (Frankrijk) en stierf uiteindelijk op 29 december 1815 aan een infectieziekte, mogelijk pokken maar ook andere mogelijkheden zoals longontsteking worden geopperd. De beroemde anatoom Georges Cuvier verrichtte sectie op haar en maakte een aantal anatomische preparaten waar hij ook over publiceerde. De resten van Saartjie werden na een campagne in 2002 overgebracht naar Zuid-Afrika en liggen nu begraven in haar oorspronkelijke geboortestreek.

[uit Wikipedia]

Op de foto: gedenksteen voor Saartjie Baartman in Hankey, Zuid-Afrika
klik voor groter formaat

Het lot van Hottentot Venus

Eerst wordt haar schedel opgemeten. Daarna volgen haar tepels. De Zuid-Afrikaanse Sarah Baartman ondergaat stilzwijgend een afgrijselijk anatomisch onderzoek, waarbij de dienstdoende wetenschapper rept van een treffende gelijkenis met de orang-oetan, de mensaap.

We zijn in de Franse 19de eeuw. De meest barbaarse handeling moet dan nog komen, als na het overlijden van de Zuid-Afrikaanse vrouw, in 1815, haar hersenen en genitaliën op sterk water worden gezet, en tentoongesteld in het Musée de l’Homme in Parijs. In dezelfde zaal werd haar skelet opgehangen, en pronkte tot 1976 een gipsen replica van haar lichaam.
Het levensverhaal van Sarah Baartman, die onder meer opdook in schrijfsels van Baudelaire, is verfilmd door de Frans-Tunesische regisseur Abdellatif Kechiche, die ooit begon als acteur in films van onder anderen André Téchiné, en die in tien jaar tijd een prachtig klein oeuvre opbouwde met zijn bekroonde speelfilms La Faute à Voltaire, l’Esquive en het familiedrama La Graine et le Mulet.
Kechiche’s vierde speelfilm Black Venus is in meerdere opzichten een unicum te noemen. Het is bij mijn weten de eerste keer dat een regisseur van Arabische origine, afkomstig uit Noord-Afrika, de moeite neemt om de woestijn over te steken, en naar Zuid-Afrika te kijken, naar een vrouw die door een Hollandse kolonist naar Europa werd gelokt met de belofte van een betere toekomst.

In plaats daarvan werd ze onder de ’artiestennaam’ Hottentot Venus gedwongen de rol van de getemde wilde te spelen op Londense kermissen en in Parijse salons. Ze eindigde in het bordeel en bezweek waarschijnlijk aan een combinatie van longontsteking en geslachtsziekte.

Via Baartmans verhaal confronteert Kechiche ons met westers racisme, discriminatie en exploitatie, en laat hij ons nadenken over de verhoudingen toen en nu. Tegelijkertijd waakt hij ervoor om van haar lijdensverhaal een tearjerker te maken. David Lynch speelde met zijn meesterlijke drama The Elephant Man – het verwante verhaal van de als freak tentoongestelde, zwaar misvormde 19de-eeuwer John Merrick – dertig jaar geleden veel directer in op het gemoed.
Kechiche maakte van Black Venus een film die zich continu bewust lijkt van zijn eigen theatraliteit, en die in Brechtiaanse zin niet de emotie maar de ratio aanspreekt. Het is ook de geschiedenis van een lichaam en zijn mutilatie. Bijna twee eeuwen duurde het voordat het rust vond en de overblijfselen van Sarah Baartman in Zuid-Afrika werden begraven. We hebben het over 2002; dat is ontstellend dichtbij.


[Uit Trouw, 6 januari 2011]


Bovenste afbeelding: een 19de-eeuwse karikatuur van Saartjie Baartman
Onderste foto: Olivier Gourmet en Andre Jacobs in Black Venus

donderdag 11 november 2010

Rihana Jamaludin leest uit De Zwarte Lord in Tilburg

Op 24 november a.s. houdt Rihana Jamaludin een lezing bij boekhandel Selexyz Gianotten in Tilburg.

De Zwarte Lord is een historische roman die zich afspeelt in Suriname en Nederland in de 19e eeuw. De Bossche gouvernante Regina wordt in dienst genomen om in Suriname onderwijs te geven aan Walther, een jonge kleurling die van zijn blanke vader een grote plantage heeft geërfd. Walther wordt binnen de élite met wantrouwen bekeken vanwege zijn buitenissige gedrag. Is de zwarte dandy werkelijk gek of doet hij alsof?
Het jaar is 1848, een woelig jaar voor de wereld, met de opkomst van het socialisme, volksopstanden en de roep om vrijheid, in Europa maar ook in het Caraïbisch gebied.

Locatie: boekhandel Selexyz Gianotten, Emmapassage 17, Tilburg
Datum: woensdag 24 november 2010
Tijd: 19.00 uur; iedereen is welkom, toegang vrij.
.

vrijdag 5 november 2010

401 slaven uit Mozambique (onderweg 131 doden)

door John Brouwer de Koning

Op http://www.slavevoyages.org/tast/database/search.faces
kan je de hele geschiedenis van de transatlantische slavenhandel volgen vanaf 1514. De site heeft een wat aparte gebruiksaanwijzing. Grasduinen ten behoeve van mijn historische database levert dit soort dingetjes op:

2 januari 1822:

* prof. Rudolph JE Clausius+, Duits theoretisch fysicus: thermodynamica/Über das Wesen der Wärme
* William Elliott Simms+, Amerikaans Congreslid/Geconfedereerd kolonel/senator Kentucky 1862-5
* Macquarie Harbour, Tasmanië: strafkamp op Sarah Island (Settlement Island) gesticht
* Rio de Janeiro, Brazilië: kapitein Domingos Joaquim Marques' schip Sao José Americano arriveert met 750 slaven uit Cabinda (onderweg 58 doden)
* George Joy/Maury & Latham schrijven James Madison
* Missouri: Clay County officieel gesticht

14 februari 1822:

* Charles James Munnerlyn+, Amerikaans kolonel/Geconfedereerd-Congreslid Georgia 1862-4
* Nennhausen: Friedrich Baron de La Motte-Fouqué schrijft Willibald Alexis * Rio de Janeiro, Brazilië: kapitein João Rodrigues Carrilho's schip Triunfo do Brasil arriveert met 401 slaven uit Mozambique (onderweg 131 doden)

Misschien neemt iemand de moeite om de slaventransporten richting Suriname en Curaçao verder uit te diepen dan ik al gedaan heb?

vrijdag 8 oktober 2010

Wereldburgerschap

'Wereldburgerschap' is het thema van het jaarlijkse symposium van de Werkgroep De Negentiende Eeuw van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Het wordt gehouden op vrijdag 10 december 2010 in de Doelenzaal van de UB Amsterdam, Singel 425, Amsterdam.
Kosten: 25 euro (inclusief lunch) te voldoen ter plekke.

Aanmeldingen voor 20 november 2010 bij Jenny Reynaerts, secretaris: J.Reynaerts@rijksmuseum.nl,



Programma
Ochtend
9.30. -10.00 Registratie, inloop met koffie en thee
10.00-10.05 Prof.dr. Henk te Velde (Universiteit Leiden, voorzitter Werkgroep De negentiende eeuw) - Opening
10.05-10.20 Dr. Eveline Koolhaas (Werkgroep De negentiende eeuw) - Inleiding op het thema
10.20-10.50: Dr. Lotte Jensen (Radboud Universiteit Nijmegen) - Wereldburgerschap als verzetsdaad. Helmers' visie op de wereldburger
10.50-11.10 Koffie / thee
11.10-11.40 Dr. mr. Robert Verhoogt (Ministerie OC&W) - De grenzeloze wereld vanuit een luchtballon. Over de wonderbaarlijke luchtreizen van Jean-Pierre Blanchard en Eduard Spelterini11.40-12.10 Dr. Jan Oosterholt (Carl von Ossietzky Universitat, Oldenburg) - De Muzen in het spanningsveld tussen Europa en het vaderland.

12.10-14.00 lunch

Middag
14.00-14.30 Prof. dr. Wessel Krul (Rijksuniversiteit Groningen) - De spijskaart van de wereldburger
14.30.-15.00 Drs. Leen Dresen (Radboud Universiteit Nijmegen) - Wereldburgerschap als kracht of als karakterzwakte. De waardering voor cosmopolitisme van planten in de Nederlandse natuurjournalistiek, 1850-1900
15.00-15.15 Theepauze
15.15-15.45 Drs. Tom Bohn (Multatuli Genootschap) - Want boven vaderland staat de mensheid. Multatuli en het wereldburgerschap
15.45-16.15 Drs. Frans Timmermans (Lid Tweede Kamer, PvdA) - Over wereldburgerschap en de actualiteit van het verleden
16.15-16.45 Discussie

Aansluitend: borrel

Afbeelding: de verschijning van de heteluchtballon door Jean-Pierre Blanchard

donderdag 15 juli 2010

Cultuur en macht op Curaçao

Di ki manera? by Rose Mary Allen focuses on the dynamics of Afro-Curaçaoan social life from 1863 until 1917, with special emphasis on the close relationship between culture and power in daily life. This study explores the ways the formerly enslaved Curaçaoans contested the asymmetric power relations dominated by the colonial state, the former slave-owners and the Roman Catholic Church. In the face of continuing racial, social and economic inequality, Afro-Curaçaoans carved out their own social practices, political and spiritual beliefs.

The use of oral history has been central in this study, enabling the author to present and analyze long forgotten or hidden information about the Afro-Curaçaoan community. The speakers expose, in their own words, the diversity and complexity of their social reality. The combination of various types of written and oral data, coupled to extensive literature research, has enabled the author to attain a better understanding of cultural dynamics among the Afro-Curaçaoan population.

Rose Mary Allen (1950) is a Curaçaoan cultural anthropologist with a long-standing research experience in several islands of the Netherlands Antilles, in particular among the descendants of enslaved Africans. The present study is her doctoral dissertation, defended at Utrecht University

Di ki manera?; A Social History of Afro-Curaçaoans, 1863-1917
Rose Mary Allen
SWP Uitgeverij, Amsterdam
ISBN: 978-90-6665-851-6
304 pagina's
Eerste druk 2007

dinsdag 23 februari 2010

Suriname in de 19de eeuw was meer dynamisch dan gedacht



door Rihana Jamaludin

Op zaterdag 6 februari heeft De Ware Tijd Literair een hele pagina gewijd aan mijn historische roman De Zwarte Lord. Vier recensenten hebben het boek zeer zorgvuldig en met enthousiasme gelezen en vanuit verschillende invalshoeken besproken. Graag wil ik hen hiervoor danken, dat men het een voor Suriname belangwekkend boek vindt, is een bijzondere erkenning.
Het artikel echter dat de historische achtergronden van De Zwarte Lord bespreekt, geschreven door Hilde Neus, beschrijft veel vermeende fouten in De Zwarte Lord. Zoveel dat ik er toch maar even op moet reageren, ook al brengt dat ons in een positie als van Regina en Walther, die een discussie voeren - wat op zich ook wel grappig is.
Voor mijn boek heb ik veel onderzoek gepleegd in boeken en op internet, waar overigens ook veel archieven te vinden zijn.

CorrectiesTerecht worden enige fouten door Hilde Neus gecorrigeerd; een volgeladen tentboot had een volgeladen vlot moeten zijn, bakhuis en regenbak zijn door elkaar gehaald en in de hoogste kringen trouwde men niet uitsluitend in eigen land, maar wel uitsluitend met blanke vrouwen, liefst uit eigen kring. * (zie voetnoot)
Deze fouten zullen in een herdruk worden gecorrigeerd, dank voor de opmerkzaamheid.
De rest van Hilde Neus´ bezwaren moet ik echter tegenspreken, wat ik hieronder per onderwerp zal doen.

Goudzoeken
Neus betwijfelt of in de jaren 20 van de 19e eeuw, de vader van Regina wel getroffen zou kunnen zijn door de goudkoorts die volgens haar pas in de jaren 70 van die eeuw weer opleefde. Maar fortuin maken in de Nieuwe Wereld is bij de meeste kolonisten de drijfveer geweest. De goudkoorts sloeg bij vlagen toe, maar in feite is er vanaf de komst van de Spanjaarden gezocht naar goud. Niet altijd in grote groepen tegelijk, maar zeker voor een nieuweling in de kolonie als Regina´s vader, voor wie het fortuin niet vlug genoeg kwam, was goudzoeken een mogelijkheid.

Vredesverdragen met Marrons
Hilde Neus betoogt verder dat de vredesverdragen met de marrons eerder in 1760 en 1772 en niet onder Van Heeckeren werden gesloten. Onder gouverneur van Heeckeren (1832 - 1838) werden echter de verdragen met de Saramaccaners, Aucaners en Matoeari-negers vernieuwd. Als één van de karakters uit het boek hierover praat, ligt het voor de hand dat hij de meest actuele verdragen aanhaalt, en niet die van een eeuw daarvoor. (bron: Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië)

Crucifix van mijnheer De MezaEen zilveren crucifix op de borst van een man met een overduidelijk joodse naam doet volgens Hilde Neus vreemd aan, maar deze zinsnede is een verwijzing naar de in de loop van de tijd in Suriname steeds verder verwaterde joodse erfenis. Na de Beurscrisis van 1773 vertrokken reeds veel joodse plantersfamilies naar Brazilië of Europa, maar halverwege de 19e eeuw ging het de Surinaamse Joden steeds beter. Zij vervulden hoge functies bij de rechtbank en in de geneeskunde. Kort daarop echter, begin 20e eeuw, zakte deze aanzienlijke positie weer weg als gevolg van de trek naar Holland, vermenging met andere groepen en verwaarlozing van het geestelijk erfgoed.
In het boek is dus duidelijk dat mijnheer De Meza voor een ander geloof gekozen heeft. Ook Samuel Lobato heeft zijn geloof verwaarloosd. Er zijn nog meer verwijzingen naar de teloorgang van deze eerste Surinaamse planterselite, de oplettende lezer zal die wel tegenkomen.

BrandEn hoeveel panden werden nu getrofffen door de grote branden in Paramaribo in de 19e eeuw, 460, zoals Neus aangeeft in haar artikel, of is het getal van meer dan 1000 juist, dat in De Zwarte Lord genoemd wordt?
De 19e eeuwse landbouwkundige en schrijver Marten Douwes Teenstra vertelt ons over de brand van 1821: ´Wat dan ook de oorzaak zij, dat het rijkste gedeelte der stad verloren ging, dit is zeker, 400 woonhuizen, 800 pakhuizen en bijgebouwen werden, behalve de in 1811 gebouwde Gereformeerde koepelkerk, de R.K. kerk, het hof van policie, ´s Lands waag, de weeskamer, een schouwburg en de burgerwacht eene prooi der vlammen; de geheele waterkant, de Oranjetuin en vele straten, het beste gedeelte der stad uitmakende, zijn geheel verwoest en plat gebrand.´
In het boek raakt Herr Konrad geëmotioneerd als hij tracht de omvang van deze ramp samen te vatten, door de aantallen van huizen en pakhuizen bij elkaar op te tellen: meer dan 1000 dus. (bron: De landbouw in de kolonie Suriname - Marten Douwes Teenstra)

Slavernij in NederlandEr bestond nooit slavernij in Nederland, de opmerking van Regina dat die al tien jaar is afgeschaft, snijdt dus geen hout, aldus Hilde Neus. Dat is niet juist. Juridisch werd de slavernij op Nederlandse bodem afgeschaft in 1838, zoals de hoofdfiguur Regina in het verhaal zegt. Vóór die tijd was het telkens een netelige kwestie als kooplieden uit de West naar Nederland kwamen en hun slavenbedienden meenamen. Er waren diverse regels waardoor slaven die langere tijd in een land zonder slavernij hadden geleefd, zich hierop konden beroepen en zo trachten de vrijheid te verwerven. Zeker was dit echter niet, de rechter kon aanvoeren dat voor de slaaf de wet van de kolonie gold. In 1838 werd dus de slavernij in Nederland formeel afgeschaft.
(bron: ´Over ´natuurgenooten´en ´onwillige honden´ beeldvorming als instrument voor uitbuiting en onderdrukking in Suriname 1842 - 1862´ - Patricia Gomes)

Gekleurde acteurs in Thalia
Het heeft zeker nog tot ver in de 20e eeuw geduurd voordat gekleurde mensen op het podium van Theater Thalia stonden, zegt Hilde Neus.
Dit is een interessant item dat het waard is onderzocht te worden door een deskundige. Stonden er tot ver in de 20e eeuw geen gekleurde mensen op het podium van Thalia, dat is maar de vraag.
In 1837 werd het ´Tooneel-Gezelschap Thalia´ opgericht. De vier bestuursleden Vlier, Wesenhagen, Blancke en Helb acteerden zelf ook. Waarschijnlijk waren Vlier en Wesenhagen kleurlingen. Verschillende gegevens doen hieraan denken, zoals het feit dat mogelijke familieleden: de advocaat Vlier en de procureur Palthe Wesenhagen kleurlingen waren, en het feit dat hun namen in verband werden gebracht met de Maatschappij der Weldadigheid die Joden en kleurlingen als leden had. (bronnen: Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië' en DBNL ´Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur Deel 3 - Michiel van Kempen)

Linkse La Troupe in ThaliaHet conservatieve Thaliabestuur zou, zoals Hilde Neus terecht zegt, zeker geen opruiende toneelstukken op haar podium hebben toegestaan, maar in het boek wordt het theaterbestuur om de tuin geleid door La Troupe, die eerst enkel kluchten opvoert, om zich later te ontpoppen tot een gevaar voor de kolonie. Overigens kan ook gezegd worden dat, hoewel er in werkelijkheid alleen ´brave´ stukken zijn opgevoerd in Thalia, sommige leden individueel misschien minder conservatief waren dan gedacht. Minstens een lid van de familie Vlier heeft zich uitgesproken tegen slavernij. (bron: DBNL ´De negerslaven in de kolonie Suriname´ - Marten Douwes Teenstra)

Jonge blanke vrouw zonder chaperonne woont in een huis met haar zwarte pupilWat Hilde Neus echter het meest verbaasde in de roman is dat Regina, die het gehele boek door zich bijzonder druk maakt over haar reputatie, er geen enkel probleem mee heeft om als jonge blanke vrouw ongechaperonneerd alleen in een huis samen te wonen met een jonge zwarte man. Dit is in die tijd gewoonweg uitgesloten, zegt Neus.
Zeker was het gewaagd voor een jonge vrouw om zonder chaperonne te verblijven bij een man, en nog wel een kleurling. Regina wordt dan ook door de omgeving regelmatig ondervraagd over haar woonsituatie, zelfs de gouverneur wil weten of ´de huiselijke omstandigheden naar wens zijn.´ Ongebruikelijk was het dus ongetwijfeld, er was echter wel al een grote kleurlingenelite en er vonden reeds huwelijken plaats tussen blanken en vrije kleurlingen. De segregatie op kleur leek misschien wel op de hedendaagse ´scheiding´ tussen verschillende Surinaamse bevolkingsgroepen, de uiterlijke tekenen aanwezig, maar zonder ernstige barrière voor de sociale vermenging, behalve waar het de Hollandse elite in de kringen rond de gouverneur betrof, deze hield zich apart. (bron: Samenleving in een grensgebied; een sociaal-historische studie van Suriname - R. van Lier)
Michael Bakoenin

Communisme
Hilde Neus betwijfelt of het communisme in Suriname reeds bekend was. Hoewel Marx in de huidige tijd degene is die het best bekend is, was hij niet de enige die voor veranderingen in politiek en sociaal opzicht zorgde. Socialisme, communisme en anarchisme kwamen vrijwel gelijktijdig op en zorgden op verschillende plekken in Europa voor veel beroering. Marx´ tijdgenoten Proudhon, Louis Blanc en Bakoenin zijn er dan ook niet met de haren bijgesleept maar waren de voormannen van die tijd. En ook al jaren vóór 1848 internationaal actief. O.a. via Europese reizigers, kranten, boeken en via Frans Guyana, konden radicale ideeën Suriname binnen zijn gekomen. Dit kan wel of niet gebeurd zijn, het boek blijft immers fictie geplaatst in een bestaande periode, zoals in historische romans vaak genoeg gebeurt.

Het is waar, berichten bereikten Suriname inderdaad laat. Het nieuws uit Europa kon wel pas twee maanden later in Suriname verschijnen. Als schrijfster heb ik echter gekozen voor het synchroon verlopen van de gebeurtenissen in Europa met die in Suriname, omdat het anders voor de lezer veel te verwarrend zou worden.

Waarom een Nederlandse in de hoofdrol
Hilde Neus betreurt dat De Zwarte Lord is geschreven vanuit het perspectief van een blanke vrouw, en de Zwarte Lord slechts een bijfiguur blijft.De Zwarte Lord is echter niet alleen voor Suriname geschreven, maar ook voor Nederland. Surinaamse koloniale geschiedenis is namelijk ook Nederlandse koloniale geschiedenis, al wordt ze in Holland in het onderwijs gewoonlijk weggemoffeld. De Gouden Eeuw wordt nog steeds uitgebreid besproken, maar de koloniën komen er in het geschiedenisonderwijs bekaaid van af. Een vorm van geschiedvervalsing die niet meer in deze tijd past.
Hand in hand met Regina kan de Nederlandse lezer meer te weten komen over Nederlands koloniaal verleden. Tegelijk kan de Surinaamse lezer het vroegere Suriname leren kennen en een beeld krijgen van hoe het er in koloniale tijden uit kan hebben gezien.

[Verschenen in De Ware Tijd Literair, 20 februari 2010]

* Voetnoot
Na inzending van mijn artikel voor DWT, kwam ik tot nog een andere ontdekking en correctie: In de hoogste kringen, de bewindvoerders die door Nederland tijdelijk waren uitgezonden, huwde men het liefst binnen de eigen stand. Toch vond ook hier al soms vermenging plaats door middel van huwelijken met blanke creoolsen. Zoals dat het geval was bij mr. A.F. Lammens, President van het Hof van Justitie, die met de dochter van de creoolse kunstenaar Gerrit Schouten was gehuwd. (RJ)

De recensie van Hilde Neus staat in het bericht hierboven.

donderdag 29 oktober 2009

Gouvernantes in Suriname

door Rihana Jamaludin


De nieuwe gouvernante meldt zich bij een koopmansfamilie;
olieverfschilderij van Vasily Perov, 1866 -
The Russian Museum St. Petersburg

´Opgetogen liet Walther de globe ronddraaien, betastte de bol en bekeek dromerig het beschilderde oppervlak.
Ik kan niet ontkennen dat mijn leraressenhart sneller sloeg bij het aanschouwen van mijn pupil, die gretig boek na boek opensloeg en de bladzijden bestudeerde, waarderend mompelde of een verraste uitroep slaakte. Mijn zelfvertrouwen groeide, een oudere leerling onderwijzen was misschien nog meer vervullend dan een jongere, omdat de uitdaging groter was.´
Het beroep van gouvernanteRegina Winter is een toegewijde gouvernante in de historische roman ´De Zwarte Lord´, die zich in Suriname afspeelt. Gouvernantes in Suriname, er is weinig over hen bekend. Toch moeten ook deze werkende vrouwen de kolonie bezocht hebben, zij het waarschijnlijk in mindere mate dan hun mannelijke tegenhangers, de huisleraren.
Gouvernante worden was voor jongedames uit de hogere standen, die de pech hadden afkomstig te zijn uit een verarmde familie en geen kans hadden op een huwelijk, een van de weinige mogelijkheden om een inkomen te verwerven. Dienstmeid of fabrieksmeisje worden zat er voor arme vrouwen van stand niet in, zo zat de maatschappij niet in elkaar. Studeren of een beroep uitoefenen kon echter ook niet, want dat waren mannenzaken, te ingewikkeld voor een vrouw.
Wat nog net door de beugel kon, waren beroepen waarin de typisch vrouwelijke eigenschappen van pas kwamen, zoals verzorging van zieken of van kinderen. Gezelschapsdame zijn voor welgestelde bejaarde vrouwelijke familieleden, lesgeven aan jonge kinderen of oudere meisjes chaperonneren.
In de 19e eeuw nam het aantal gouvernantes fors toe door het tekort aan huwbare mannen - de Napoleonistische oorlogen hadden hun tol geëist. Ook was er grote werkeloosheid waardoor jonge mannen probeerden fortuin te maken buiten Nederland en wegtrokken naar de koloniën. Vele jonge vrouwen moesten dus zelf hun brood zien te verdienen.
Het beroep van gouvernante was niet beschermd. Iedereen die niet tot de arbeidende klasse behoorde kon gouvernante worden. Een goede gouvernante had onderwijs op school of van een privélerares genoten, en met zelfstudie veel bereikt. Haar positie lag nogal gevoelig; niet zo nederig als die van de dienstmeid, maar als inwonend lid van het personeel toch bescheiden op de achtergrond.
Een gouvernante uit verarmde adel afkomstig, zou moeite kunnen hebben zich dienstbaar op te stellen. Aangenomen werd dat de beste gouvernantes onderwijzersdochters of domineesdochters waren, vanwege hun veronderstelde kennis, deugden en godsdienstzin.

.

Gouvernante en pupil, 1854
- Mary Evans Picture Library







´In de avond kon het gebeuren dat de jonge meester prijs stelde op mijn gezelschap. Dan zaten we in de voorzaal en lazen elkaar voor en voerden gesprekken. Insecten, aangetrokken door de olielampen kropen over de tafel en moesten met handgewapper worden weggejaagd van onze thee en beschuiten.´

Gouvernantes in Suriname
In het algemeen kregen jongens vaker en meer uitgebreid onderwijs dan meisjes, die zich immers toch aan het huishouden zouden wijden. Daarom kwamen er vermoedelijk eerder huisleraren dan gouvernantes naar de koloniën.
In het kielzog van rijke vooraanstaande burgers of hoge ambtenaren met jonge dochters, moeten er echter ook gouvernantes naar de tropen zijn afgereisd. Vanuit Indische kring is meer over deze leraressen bekend, in de vorm van damesromans. Door het tekort aan blanke vrouwen in de koloniën, lag daar voor menige gouvernante immers de kans op een huwelijk en gezin.
Misschien ligt het aan de voor het beroep vereiste bescheidenheid, maar van gouvernantes in Suriname is nauwelijks iets bekend. Twee dames echter, hebben de annalen weten te bereiken vanwege hun betrokkenheid bij de politiek. In de 18e eeuw vestigde Charlotta van der Lith haar reputatie met haar grillige en soms bijna sinistere levensloop, terwijl Elise Haighton in de 19e eeuw naam maakte als feministisch activiste.

Charlotta Elisabeth van der Lith (1700 - 1753) was de dochter van een Luthers predikant, hoogleraar in de filosofie. Haar grootvader van moeders kant was een bekende Haagse medicus, dokter Helvetius. De familie verkeerde in de hoogste kringen, bij de doop van Charlotta waren vertegenwoordigers van de Duitse adel aanwezig.
In 1722 reisde Charlotta naar Suriname samen met het echtpaar Temming en hun dochter Catharina, van wie zij de gouvernante was. Hendrik Temming was juist benoemd tot gouverneur-generaal van Suriname.
Kort na de aankomst in Paramaribo stierf de vrouw van de gouverneur.
Bijna twee jaar later trouwde Charlotta met de weduwnaar. Zij kregen een dochter, maar de gouverneur maakte de eerste verjaardag van het kind niet meer mee, hij stierf in 1727. Temming liet zijn vrouw, hun dochter en haar stiefdochter zijn plantage Berg en Dal na. Charlotta bleef echter in de gouverneurswoning aan het Plein wonen. Haar zuster Philippina was intussen uit Nederland overgekomen. Zij zou in Suriname blijven wonen en in 1732 ongehuwd sterven ´na een razende ziekte´.
In 1728 arriveerde een nieuwe gouverneur, Hendrik de Cheusses, zwager van de inmiddels getrouwde stiefdochter van Charlotta. De nieuwkomer bevond zijn ambtswoning bewoond door de weduwe van zijn voorganger, maar dat bleek geen probleem, al na twee maanden gingen zij in ondertrouw en vierden een half jaar later de bruiloft. De Cheusses herbouwde het houten gouverneurshuis in steen, ondertussen woonde Charlotta op Berg en Dal. De geïsoleerde plantage doorstond in 1730 een aanval van marrons. Een jaar later werd hun dochter geboren. Maar ook dit huwelijk duurde kort, in 1734 overleed de man, slechts 32 jaar oud.
De Cheusses werd opgevolgd door zijn broer Jacob Alexander, die getrouwd was met Charlotta´s stiefdochter. Hij stierf echter kort na zijn ambtsaanvaarding. De beide weduwen bleven in het gouverneurshuis wonen, maar konden niet erg goed met elkaar overweg en hadden ook regelmatig ruzie over de door hen geërfde plantage Berg en Dal.
Bijna twee jaar later kwam er weer een vrijgezelle gouverneur naar Suriname. Joan Raye trof de weduwen de Cheusses aan in het gouverneurshuis. Zou er ook concurrentie geweest zijn tussen de beide vrouwen, nu er weer een man in huis was? Joan en Charlotta waren van dezelfde leeftijd, beiden midden dertig. In ieder geval trouwden zij ruim een jaar later, in 1737. Stiefdochter Catharina vertrok toen voorgoed uit Suriname.
Raye kreeg grote problemen met de kolonisten, die meestal hun best deden het de gouverneurs zo moeilijk mogelijk te maken. Bemoeienis van de Nederlandse overheid was door de vrijbuiters in de kolonie verre van gewenst. Getergd diende Joan Raye zijn ontslag in, maar stierf nog voordat hierover een besluit was gekomen. Hij was nauwelijks twee jaar gouverneur geweest. Charlotta erfde zijn plantage Breukelerwaard. Zij hadden samen een zoon, die enkele maanden na de dood van zijn vader geboren was.
Misschien dat trouwlustige heren zich door het ongeluk dat de weduwe achtervolgde lieten afschrikken, maar in Suriname was er nu eenmaal gebrek aan blanke vrouwen en voor de meer vromen waren uitspattingen met slavinnen geen optie.
De Waalse predikant Antoine Audra trouwde bijna vijf jaar later met Charlotta. Maar in 1744 stierf hij op plantage Breukelerwaard, na slechts anderhalf jaar huwelijk.
Weer vier jaar later huwde een predikant van de Franse gemeente met de weduwe Audra, Martin Louis Duvoisin. Hij stierf in 1751.
Naast haar huwelijken met drie bijna opeenvolgende gouverneurs, werd Charlotta vooral bekend door haar aanvaringen met de latere gouverneur Mauricius. Zij was een van de leden der Cabale, zoals de groep plantersfamilies die Mauricius het leven zuur maakte, door hem werd.
Gouverneur Mauricius
- beeldbank.amsterdam.nl



genoemd. Jan Jacob Mauricius kwam in 1742 met zijn gezin in Suriname. Hij zou er negen jaar gouverneur zijn. Tijdens zijn bestuur kreeg hij een conflict met leden van de Raad van Politie waardoor hij de aan elkaar verwante plantersfamilies tegen zich in het harnas joeg. Stelselmatige en jarenlange tegenwerking was het gevolg. Ook Mauricius liet zich niet onbetuigd en de ruzies, beledigingen en protesten liepen zo hoog op dat tenslotte een poging werd ondernomen hem uit zijn ambt te laten ontzetten.
Mauricius noemde in zijn dagboek overigens nog een andere gouvernante, mevrouw Scherpingh, die hij vermeldde als ´dat kwaaie wijf, de gouvernante van de Waterkant´. Zij zou hem en zijn echtgenote hebben uitgescholden toen zij in hun koets voorbijreden.
Misschien was mevrouw Scherpingh, die aan de Waterkant nummer 30 woonde, ooit gouvernante geweest of gaf ze later les aan kinderen. In ieder geval was ze geboren als Suzanne Nutty (1701 - 1761). Niet vermeld is of ze in Nederland of Suriname geboren was. Voor ze met Ephraim Scherpingh, secretaris van het Hof van Politie, trouwde was ze de weduwe van Abraham Schedyn en daarna van Adriaan van der Beets geweest.
Het was echter Charlotta, die door Mauricius als het brein van het tegen hem gerichte complot werd beschouwd. In 1751 werd de gouverneur op non-actief gesteld, maar na onderzoek werd hij in 1753 door de Staten-Generaal van alle blaam gezuiverd en werd hem eervol ontslag verleend.
Charlotta overleed drie maanden na Mauricius´ eerherstel. Zij werd begraven op het fort Zeelandia.
Door Mauricius´ dagboek staat zij bekend als kwaadaardig, heerszuchtig en driftig. Anderen noemden haar echter een zeer verstandige, sterke en moedige vrouw.

´Juffrouw Winter, gelooft u dat kunst het volk kan inspireren tot opstand?´
Over deze plotselinge zijsprong midden in onze les esthetiek moest ik even nadenken. ´Eh, wel, Géricault en Delacroix leverden met hun schilderijen ´De Medusa´ en ´Vrijheid leidt het volk´ kritisch commentaar op de gebeurtenissen in hun tijd. Misschien leidde hun werk niet tot opstand, maar het inspireerde zeker. In ieder geval maakte hun werk deel uit van de sociale beroering.
Een beter voorbeeld is misschien de opera ´De Stomme van Portici´, die in Brussel tijdens de opvoering de gemoederen zo sterk verhitte, dat er oproer uitbrak. Niet lang daarna volgde de Belgische Opstand en sindsdien behoren de Zuidelijke Nederlanden niet meer bij Holland maar vormen een apart koninkrijk: België.´
´Zo!´ was Walthers verraste reactie, ´Een opera had dat effect?´
.

Elise Haighton
- Centraal Bureau voor Genealogie





Elise Adelaïde Haighton (1841- 1911) kwam uit de middenstand, als dochter van een vroegere kantoorbediende die zich had weten op te werken tot commissionair. Toen Elise 25 jaar was, stierf haar vader en liet haar moeder met tien kinderen en zonder kapitaal achter. Elise nam haar lot in eigen hand en behaalde in 1870 als een van de eerste vrouwen in Nederland de akte Middelbaar Onderwijs Nederlands. Zij begon artikelen te schrijven voor kranten, waarin vooral de kwestie van de vrouwenemancipatie belicht werd. Ook werd ze lid van de vrijdenkersvereniging De Dageraad en volgde de internationale ontwikkelingen aan het vrouwenfront op de voet. Tijdens de openbare vergaderingen van De Dageraad kon Elise haar ideeën nader uiteen zetten en zij stelde dat de positie van vrouwen niet wezenlijk verschilde van die van slaven. Zij verweet vrouwen uit de hogere burgerij en de middenstand dat ze niets deden om hun positie te verbeteren uit gemakzucht en gebrek aan ambitie. Maar ook de lage lonen voor arbeidsters, de bij wet geregelde onmondigheid en handelingsonbekwaamheid voor gehuwde vrouwen, stonden de emancipatie in de weg. Vrouwen moesten zich organiseren om gelijke rechten te kunnen verkrijgen.
In 1883 ontstond in socialistische kringen onenigheid over de te volgen weg. Dit leidde tot veel kritiek op Haighton en uiteindelijk tot een scheuring in De Dageraad. Toen ook nog Elises hartsvriendin Aletta Jacobs een vrij huwelijk aanging met iemand van de tegenpartij, gooide Elise de handdoek in de ring.
Zij vertrok in 1885 naar Suriname als gouvernante van de kinderen van de nieuwe gouverneur H.J. Smidt. In 1893 was zij weer terug in Nederland.
Het is merkwaardig dat er niets vermeld is in haar biografie over de acht jaren die zij in Suriname doorbracht. Was Elise door liefdesverdriet overmand niet in staat iets met haar idealen in Suriname te doen? Was zij door de politieke status van haar broodheer en de bescheiden positie van gouvernante gedwongen zich stil te houden? Beschouwde zij de tijd in Suriname als een exotische vakantie, dan wel verbanning uit haar eigen kring?
In 1883 bestond er geen slavernij meer in de kolonie en het Tienjarig Staatstoezicht waaronder de voormalige negerslaven verplicht waren nog tien jaar op de plantages te blijven werken, was reeds voorbij. Er waren al contractarbeiders uit China en India, en tegen het eind van haar verblijf ook uit Java. De woon- en werkomstandigheden van de arbeiders in Suriname liet veel te wensen over.
In Nederland was Haighton verweten geen aandacht te hebben voor de arbeidersvrouw en slechts te spreken voor de vrouwen uit de hogere burgerij en de middenstand. Hoewel uit haar geschriften en daden in Europa het tegendeel bleek, rijst toch de vraag of en waarom Elise in de kolonie niet van zich liet horen.
Waarschijnlijk beperkten de idealen van het socialisme en van de vrouwenbeweging zich tot de blanken, voor de inlanders golden op een of andere wijze andere normen. Hulp voor de armen in nood kwam van de kant van de kerk en van andere liefdadige organisaties. Elise had zich al eerder in Nederland van de kerk afgekeerd, die zij als belemmerend zag voor de ontplooiing van de vrouw.
In Suriname verkeerde Elise in de hoogste kringen. De gouverneur en zijn entourage hielden afstand van de bevolking om het gezag in stand te houden en wellicht kwam zij er daardoor niet toe zich bij een liefdadige organisatie aan te sluiten. Toch blijft het opmerkelijk dat een socialistische activiste zich jarenlang in een elitair milieu bleef afzonderen.
Na haar terugkeer in Nederland schreef zij een serie handleidingen voor de economisch zelfstandige vrouw en was op diverse fronten zeer actief in de vrouwenbeweging. Bij de organisatie van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 was zij lid van de voorbereidingscommissie van enkele van de congressen aldaar en was er tevens spreekster met een lezing over het gevangeniswezen. Zij pleitte voor opleiding en arbeidsbemiddeling in plaats van opsluiting van vrouwelijke gevangenen.
Ook was zij mede-organisatrice van de expositie afdeling West-Indië. Hier werd duidelijk hoe Elise de jaren in Suriname beleefd had. Tijdens de voorbereiding van de tentoonstelling schreef ze dat ze wel wilde meehelpen bij de organisatie van het paviljoen voor West Indië, maar dat dit deel van de tentoonstelling niet absoluut noodzakelijk was omdat er toch zo weinig bekend was over de koloniën.
Elise werkte ook internationaal door alle Vrouwencongressen in Europa te bezoeken als journaliste en soms als spreekster. Tot haar dood in 1911 bleef ze actief in de vrouwenbeweging.

Conclusies (niet wetenschappelijk) uit deze twee voorbeelden van gouvernantes in Suriname, zijn dat van de gouvernantes die Suriname bezochten, sommigen inderdaad getrouwd raakten en bleven, terwijl anderen na enige jaren dienst weer naar het moederland terugkeerden, voortijdig overlijden daargelaten. Vermenging met de bevolking en participatie in het koloniale leven gebeurde in het eerste geval meer dan in het tweede. Hoe hoger de status van de opdrachtgever, hoe meer afstand er - ook voor de gouvernante - tot de bevolking was. De koloniale visie dat de plaatselijke bevolking ten dienste stond van de machthebbers en dus letterlijk ´onderdaan´ was, belemmerde niet alleen de sociale omgang, maar ook een sociale visie.

Fragmenten:
De Zwarte Lord, Rihana Jamaludin, Amsterdam 2009
Bronnen:

Tussen salon en souterrain - Gouvernantes in Nederland, Greddy Huisman, Amsterdam 2000
Historie Suriname

Plantages Nationaal Archief Suriname
Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, Anna de Haas
Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland, Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging
Subjects and Citizens: Gender and Racial Discrimination in Dutch Colonialism at the End of the 19th Century, Berteke Waaldijk, Universiteit Utrecht