![]() |
| Keti koti Paramaribo |
![]() |
| Lucia Nankoe |
![]() |
| Jules Rijssen |
![]() |
| George Padmore |
![]() |
| Édouard Glissant |
![]() |
| Nicolaas Porter - Facing truth |
![]() |
| Foto Anabella |
Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
![]() |
| Keti koti Paramaribo |
![]() |
| Lucia Nankoe |
![]() |
| Jules Rijssen |
![]() |
| George Padmore |
![]() |
| Édouard Glissant |
![]() |
| Nicolaas Porter - Facing truth |
![]() |
| Foto Anabella |
![]() |
| Aimé Césaire |
![]() |
| Above: Martinique Regional Council President Serge Letchimy at a ceremony Wednesday |
Guyana zijn gekoloniseerd door respectievelijk Frankrijk, Nederland en Engeland en de talen van die landen zijn er de officiële taal.![]() |
| Léon Gontron Damas |
an Martinique. In de komende maanden zullen we werk van hen bespreken. Vooral ook in verband met keuzes ‘voor de lijst’ van de scholieren. Mijn favoriet is De oude slaaf en de bloedhond (2001) van Patrick Chamoiseau, uitgegeven door De Geus in de vertaling van Eveline van Hemert (die naar Suriname kwam om Surinaams-Nederlands te leren en dat gebruikte bij haar vertaling van het gecreoliseerde Frans van Chamoiseau). Lucia Nankoe is de samensteller van de bundel met Caraïbische verhalen, De komst van de slangenvrouw en andere verhalen van Caribische schrijfsters (Van Gennep-Novib-Ncos, 1998). Een herdruk is gewenst, want het is inspirerende leesstof voor iedereen die wil kennismaken met de Caraïbische literatuur.
Op donderdag 26 januari organiseerden de heren dr. Hein Eersel, mr. Carlo Jadnansing en dr. mr. Edwin Marshall een causerie over de Caribische literatuur. De gastspreker was Lucia Nankoe. Zij trad in dialoog met Hein Eersel en het publiek.
De dialoog begint met de vraag van Hein Eersel, taalkundige, aan Nankoe welke literatuur gerekend mag worden tot de Caribische literatuur. Nankoe laat duidelijk blijken dat zijn geen voorstander is om de Caribische literatuur in te delen vanuit een geografisch optiek. Deze kenner van de Caribische literatuur kiest evenmin voor een historische indeling.
Volgens Nankoe is de tijd aangebroken om naar stromingen te kijken, want achter deze stromingen gaan ook veel ideeën, gedachtes en verwachtingen schuil. “Er moet eerder gekeken worden wat er is geschreven en welke stromingen aanwezig zijn”, vindt deze literatuurwetenschapper. Heel duidelijk en met veel enthousiasme onderbouwt Nankoe haar mening. Zo vrij als een vis zich in het water voelt, zo vrij en boeiend vertelt Nankoe over de geschiedenis van de Caribische literatuur waarin de vele literaire stromingen aan de orde komen. Zij geeft veel voorbeelden van schrijvers die thuishoren bij de verschillende stromingen. Ook worden de thema’s bij elke stroming kort belicht.
De Négritude
Zij begint met de jaren zestig
en zeventig van de vorige eeuw waarin auteurs uit de verschillende Caribische eilanden toentertijd Afrika idealiseerden. Alles wat Caribisch Gebied was, was Afrika. Afrika was het moederland, Europa, Azië enz. telde niet mee. Frank Martinus Arion met zijn boek Stemmen uit Afrika is een duidelijk voorbeeld hiervan.
Er was een opkomst van auteurs die zich in een beweging, de Négritude, bundelden met name uit het Frans Caribische eiland Martinique. Deze Négritude-schrijvers stelden Afrika centraal in hun werken.
Gedurende de dialoog kwam Nankoe enkele keren terug op het thema Afrika. “Wat je ziet in de Caribische literatuur is aan het begin van de twintigste eeuw en zeker in Londen en met name Parijs dat er studenten uit de verschillende koloniën bijeenkomen.” Deze aanstaande ‘zwarte’
intellectuelen gaan op zoek naar hun verleden. Uit Martinique is bekend geworden Aimé Césaire (Martinique, 26 juni 1913-17 april 2008). Uit Frans-Guyana kwam Léon-Gontran Damas (28 maart 1912-januari 1978). Uit Afrika, Senegal, Léopold Sédar Senghor (9 oktober 190620 december 2001), die later ook nog president wordt. Zij richtten op de Négritude-beweging.
Deze beweging is volgens Nankoe heel erg belangrijk in de literaire geschiedenis van het Caribische Gebied. Er ontstaat zodoende een link tussen Frans-Guyana (Damas) en de rest van de Frans Caribische eilanden (o.a. Cesairé) en een link met Afrika via Senghor. Afrika werd geïdealiseerd, het moederland, maar dit was de eerste aanzet om het Caribische Gebied te herwinnen of te hervinden. Een belangrijke thema hierbij was het idealiseren van de zwarte vrouw. Alle zwarte personages in hun werken waren de mooiste vrouwen of zwarte godinnen. De gedichten van René André de Rooy (Paramaribo, 1917) staan bekend om de verheerlijking van de zwarte vrouw.
Négritude in Suriname: een voorbeeld
Met deze thematiek (Négritude) toonde ook de Surinaamse Eugène Rellum zich verwant aan dichters uit de négritude-beweging en dan met name met de van Cayenne afkomstige Léon Gontron Damas. Een van de bekendste gedichten over de Surinaamse neger zou ‘Negerschap’ worden:
Negerschap
is als bloeiende vanille
hoog in de bomen van het bos;
in wijde omtrek
laat de geur niemand los,
hij dwingt een ieder
om naar hem
omhoog te kijken
Antillanité
Langzamerhand verandert de ‘Back to Africa’-gedachte in de Antillianiteit (Antillanité) met als bekende schrijver Eduard Glissant (21 september 1928 3 februari 2011). Hij is de absolute grote denker die pleit voor het Antilliaan zijn. Daarom moet, volgens Nankoe, deze schrijver uit Martinique zeker op de leeslijst voorkomen van studenten. “Wij zijn niet meer Afrika, India, en China, wij zijn Antillianen! Daar schrijft Glissant over.”
In Suriname lijkt gedurende de jaren ‘60 en de eerste helft van de jaren ‘70 het merendeel van alle schrijvers - en zeker van alle dichters - er zich terdege rekenschap van gegeven te hebben dat hun inzet een ernstig en concreet realiseerbaar doel diende: de strijd voor de onafhankelijkheid van Suriname! De maatschappelijke betrokkenheid van auteurs was ook altijd groot, maar vanaf het einde van de jaren ‘60 zijn alle maatschappelijke ontwikkelingen praktisch van dag tot dag te volgen in vooral de poëzie. De auteurs identificeerden zich met hun land in de meest letterlijke zin. Eugène Rellum:
Sranan na mi,
mi na Sranan.
Suriname ben ik;
ja, ik ben Suriname.
In dit opzicht was de literatuur van Suriname helemaal in lijn met de massa van niet-westerse letteren.
Creolité
Vervolgens komt de nieuwe generatie van auteurs. Hun stroming wordt de la Creolité genoemd. Bekende auteurs zoals Patrick Chamoiseau (Martinique, 1953), Jean Bernabé (Martinique, 1942), Raphaël Confiant (Martinique, 1951). “Dat zijn drie wilde jongens die gigantische veel schrijven. Zij schrijven niet alleen gedichten en of romans. Zij gaan verder. Zij probeerden bepaalde gedachtengoed te verwoorden”, weet Nankoe dit op een humorvolle manier het publiek mee te delen.
In het Frans Caribische Gebied komen de auteurs op het punt dat de natuur belangrijk werd. Uit de andere taalgebieden zou er een raakvlak getrokken kunnen worden om te kijken welke auteur binnen deze stroming past, “want er zijn nog steeds mensen die leven vanuit de literaire ervaring met de Afrika-gedachte”’, eveneens met de ‘India-gedachte’”, volgens Nankoe.
“Dit betekent dus dat de we het Caribisch Gebied de indeling van letterkunde in talen zouden moeten loslaten, concludeert Eersel. “Een regio met een eigen cultuur, een eigen geschiedenis die tot uitdrukking komt in minimaal vier talen: het Engels, het Spaans, het Nederlands en het Frans. Nankoe vult aan, dat tegenwoordig ook het Frans Creools een erkende taal is. Vooral Haïti schijnt hele goede schrijvers in deze taal voort te brengen.
Thema’s
De thema’s die vaak dan nog aan de orde komen zijn: het slavernijverleden, de koloniale geschiedenis, ras, kleur, exodus naar de metropool etc. Eersel geeft een mooi voorbeeld van de Cubaanse dichter Nicolás Guillén (Nicolás Cristóbal Guillén Batista, 10 juli 190216 juli 1989). In een van zijn mooiste gedichten ‘Balada de los dos abuelos’ probeert hij een duidelijke tegenstelling tussen blank en zwart op te lossen in het mulat zijn.
Ook de klassentegenstellingen komen aan de orde. De Surinaame Dobru heeft het over de bakadyari. Dobru doorbreekt het taboe door het naar buiten brengen van het leven op de bakadyari (achtererven) te beschrijven. Maar niet dit alleen, hij doorbreekt ook het taboe op winti en dat is zeker een groot verdienste van deze grote Surinaamse dichter geweest!
Nankoe vervolgt haar gesprek door te vertellen dat auteurs op gegeven moment naar de metropool (moederland) gaan: Parijs, Londen en Amsterdam. Zij geraken ver weg van de Caribische ervaring. De vraag is in hoeverre zijn deze auteurs nog Caribische auteurs. Als voorbeeld wordt de jonge schrijver Karin Amatmoekrim genoemd. Deze schrijfster is geboren in Suriname, maar is opgegroeid in Nederland. In hoeverre is zij nog een Surinaamse auteur? Want in sommige romans zijn deze auteurs weggeraakt van de Caribische context, want hun verhalen spelen dan ook in Europa af.
En als je verweg bent geraakt van de Caribische cultuur, ben je dan nog een Caribische auteur of een Nederlandse auteur?, werpt Nankoe deze vraag op aan de aanwezigen. Misschien een leuk onderwerp voor een volgende causerie! Nankoes babbeltje in Sukru Oso heeft ongetwijfeld zelfs de aanwezige leek in de Caribische literatuur op deze avond absoluut een interessant beeld over de Caribische literatuur gegeven!
[uit DWT, 28-01-2012]
Foto's: Carmen Lie (behalve die van de Arion, Cesaire en Rellum)
r van Curaçao, betekend had, die me de schok bezorgde. Ik pakte de telefoon en belde Henry Habibe op, die me de bijzonderheden verschafte.
Die term “Afrikaanse literaturen” is natuurlijk erg verwarrend, je kan er alle kanten mee uit. In Frankrijk beschouwt men veelal de roman Batouala van René Maran als het beginpunt. Maar dat is relatief. In Ethiopië werden al in de dertiende eeuw teksten geschreven in het Ge’ez, en er is poëzie in het Swahili die dateert uit de vroege achttiende eeuw. De slaaf Olaudah Equiano schreef zijn autobiografie in het Engels, einde achttiende eeuw. Dat zijn maar enkele voorbeelden.
De Surinaamse Schrijversgroep ’77 ligt onder vuur, sinds de groep niets maar dan ook helemaal niets deed om de 75ste verjaardag van dichter Michaël Slory te vieren. Het was Els Moor (foto hier rechtsonder) die in de Ware Tijd Literair van 21 augustus 2010 de kat de bel aanbod, en zich afvroeg waar de Surinaamse trots is, als zelfs de enige organisatie van schrijvers Slory negeert. Het bestuur van Schrijversgroep ’77 reageerde met een ingezonden schrijven op 2 oktober j.l., ook in de Ware Tijd Literair. Beide stukken volgen hier, en ook Michiel van Kempen geeft zijn reactie.
ag kwam aan de orde tijdens de ontmoeting van de Schrijversgroep '77 met Ernest Pépin, auteur uit Guadeloupe, op 12 augustus in Tori Oso. Helaas kon ik vanwege de late aankondiging zelf niet op de avond aanwezig zijn en put ik deze informatie uit het artikel van Carmen van Zijl in de Ware Tijd van 14 augustus.
n dus. Hij schreef zijn gedichten in het Sranan en Nederlands. Bekend is zijn gedicht 'Negerschap': 'Negerschap/ is als bloeiende vanille/ hoog in de bomen van het bos;' […]. De gedichten van Damas zijn fel: heel die westerse cultuur die men hem in zijn jeugd te slikken had gegeven zou hij walgend uit willen spugen. Zijn bundel Pigments uit 1939 geeft dat duidelijk weer. Een vertaald fragment uit zijn gedicht 'Hik': […] 'Mijn moeder die een zoon wilde met goede tafelmanieren/ handen boven tafel/ brood snij je niet/ brood breek je/ brood verknoei je niet/ brood van God/ brood van het zweet des aanschijns van je Vader/ brood van brood' […]. De poëzie van Césaire is omschreven als een stijl tussen artistiek modernisme en zwart bewustzijn, tussen surrealisme en negerbewustzijn. We zien bij beide dichters dus een duidelijk samengaan van in die tijd moderne Europese stromingen met zwart bewustzijn. Césaire wordt nog steeds door velen gezien als de grootste dichter en auteur van de Franse Antillen. Zijn oeuvre is veelzijdig. Zo heeft hij in 1962 een biografie geschreven van de bevrijder van Haïti, Toussaint Louverture, en in 1968 publiceerde hij Une Tempête, een eigen versie van Shakespeare's toneelstuk The Tempest (De Storm). In de vertaling van hun docent brachten de MO-B-studenten Nederlands van het IOL in het kader van hun 'Caraibische literatuurstudie' Een Storm in 2000 op de planken onder leiding van Sharda Ganga. Van het traditionele stuk van Shakespeare maakte Césaire een omgekeerde wereld van slaaf en meester. Caliban die in de oorspronkelijke versie door kolonisator Prospero tot slaaf gemaakt wordt en gevormd tot zijn eigen beeld en cultuurpatroon, is in de versie van Césaire zichzelf, een symbool van een vrij mens die uit durft te komen voor z'n eigen mening, niet ontdaan van humor.
sultaat is een vertaling die de creolisering van het origineel evenaart.
Slory en Van Kempen
Michiel van Kempen om commentaar gevraagd, zegt: ‘Ik wil er niet veel over kwijt. Het is vooral sneu voor Slory. Elke organisatie moet keuzes maken. Dus als de Schrijversgroep ’77 ervoor kiest Slory’s verjaardag niet te vieren: jammer dan. Ze hebben hem wel gefeliciteerd in hun Nieuwsbrief, dus dat is al niet mis. En het is waar dat er een verschil is tussen verjaardagen in Nederland en in Suriname. Toen ik in Suriname woonde heb ik het meegemaakt dat er daags voor een verjaring nog niets was georganiseerd, maar toch was het een groot en goed georganiseerd feest de volgende dag. Dus ik was wat vroeg toen ik drie weken voor Slory’s verjaardag de zaak al aankaartte. Dat zo'n groep dan durft te zeggen "er was geen financieringsvoorstel bij dit verzoek", vind ik 35 jaar na de onafhankelijkheid een vorm van slaafs handje-ophouden. Maar belangrijker lijkt mij deze vraag: Slory heeft meer gepubliceerd dan het hele bestuur van de Schrijversgroep bij elkaar, en meer prijzen gekregen dan alle leden van de Schrijversgroep bij elkaar. Is het dan niet vreemd dat een Hollandse patat als ik bij de Schrijversgroep moet aankloppen om erop te wijzen dat de grootste in Suriname levende dichter 75 wordt? Kon het hele verzamelde intellect van de Schrijversgroep daar niet zelf op komen?
Overigens moet ik er bij zeggen dat ook het Directoraat Cultuur zich schandelijk heeft opgesteld. Bij monde van de heer Johan Roozer werd telefonisch steun toegezegd als iemand Slory’s 75ste jaardagsfeest wilde organiseren. Ja, stel je voor dat ze bij Cultuur moeten gaan werken! Het Surinaams Museum wilde de viering wel op zich nemen, maar toen trok het Directoraat zich schielijk terug, er was geen cent voor de viering in het Fort Zeelandia.’