Posts tonen met het label Lit Willem van. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lit Willem van. Alle posts tonen

donderdag 1 augustus 2013

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (5 en slot)

door Willem van Lit
Odalys Garcia, Venezolaanse soapactrice

Latino … of niet?
Een ander fenomeen dat ik niet heb besproken in Cariben is de invloed van de Latino leefstijl. Venezuela en Colombia zijn immers vlakbij. Deze leefstijl manifesteert zich op allerlei vlak en sommigen vinden dat het zichtbaar is in de verhoudingen in de samenleving: op politiek vlak bijvoorbeeld de flamboyante sterke leider, het machismo en het hechte familieleven met hevig schommelende sentimenten en humeuren. Ik kan er te weinig van zeggen omdat ik onvoldoende weet van wat een dergelijk manier van leven precies betekent. (Op Venezolaanse tv-zenders zag men zowat dagelijks de soaps voorbij komen, waarbij toch wel om de twee of drie minuten tranen vloeiden, waarbij de ogen en het gezicht in close-up genomen letterlijk dropen van het tranenwater). Bij ons laatste bezoek op Curaçao viel in elk geval op dat er relatief veel Spaanssprekende mensen op het eiland waren. Opmerkelijk. Meer dan voorheen, maar dat was niet meer dan een eerste indruk. We hebben het niet geturfd.

Toch lijkt me dat men het belang van die Latino leefwijze op de eilanden niet moet overdrijven of er teveel naar moet verwijzen. De eilanden zijn sowieso een multicultureel reuzenrad met enorm veel invloeden van diverse nationaliteiten, talen, huidskleuren, volkeren en (deel)gemeenschappen met eigen culturele aardigheden en uitdrukkingen, allemaal met eigen patronen van samenleven, opvattingen, tinten, tonen, klanken, ritmes en ideeën. Maar dat neemt niet weg dat het Zuid-Amerikaanse land dichtbij is.

Curaçao. Foto © Bea Moedt

Enkelen willen zich erkend zien in die leefstijl; soms wordt er nadrukkelijk mee geflirt, zoals in de gevallen dat men vindt dat Nederland zich weer eens koloniaal naar voren dringt. Dan is het weer een melodie waar zindering uit klinkt: “pas op…”! het is een beetje hetzelfde als Nederlanders in een paar gevallen willen flirten met Britse, Duitse of zelfs Amerikaanse geest en het Engels om de halve zin door hun gezegdes heen vlechten. In die zin is men dan ook onecht op zoek naar niet bestaande hechting aan een geïdealiseerd waarden- of cultuursysteem. In kringen van zakendoen, bedrijfskunde of bij personeelsafdelingen zit het ordinaire gehijg in Engelse begrippen en uitleg er nogal eens in.

Wel lijkt op de eilanden de georganiseerde criminaliteit op een Latijns-Amerikaans fenomeen. Het heeft dan trekken van verderfelijke import met sentimentele meedogenloosheid. Het vertoont soms voorbeeldige sluwheid, waarvoor sommigen heimelijk bewondering hebben. Het uiterlijk lijkt misdadig heroïek met keiharde flair als rebellie tegen een vermeend gevestigde autoriteit, het steil en mat Europees moralisme. Maar misschien mag ik dat niet schrijven.
Schooljeugd van Aruba, jaren '60

Deugden en zonden
In hoofdstuk 5 van Cariben voer ik vier van de zeven hoofdzonden op, die ik als psycho- en sociodynamische krachten tegenover elkaar plaats om de complexe tegenstellingen in de Caribische samenleving beter te laten begrijpen. Het gaat dan om arrogantie en schraapzucht (van Europese oorsprong) tegenover afgunst en woede (het Afrikaanse complex). Het is in dit verband niet vreemd dat juist Frans Kerklaan – hij is vlootaalmoezenier – mij erop wijst dat er ook zeven deugden zijn als tegenhanger van de hoofdzonden. Geloof, hoop en liefde zijn de Christelijke deugden. Iedereen kent ze wel: het kruis, het anker en het hart. Fides, spes en caritas. Caritas, ja, niet amor of eros voor de liefde. Het gaat om de Christelijke naastenliefde, door velen ook tolerantie genoemd. Tja, en ik heb in Cariben nu juist betoogd dat naastenliefde geen tolerantie kán heten (Cariben, pag. 322 – 328). Naast deze zijn er nog vier wereldlijke of kardinale deugden: wijsheid of verstandigheid (prudentia), de rechtvaardigheid of rechtschapenheid (iustitia), de gematigdheid of zelfbeheersing (temperantia) en de moed of vastberadenheid (fortitudo). (Dergelijke kennis haal je dezer dagen zó van het wereldwijd web; dat is wel zo handig).

Bonaire


Hoewel ik in Cariben op diverse plekken wel iets hierover zeg, heb ik ze niet tegenover de hoofdzonden geplaatst of ze direct in combinatie daarmee besproken. Ik weet niet of dit een gemis is. Rechtvaardigheid heb ik besproken in relatie tot de uiteenzetting over de gesloten en de open samenleving (pag. 234 – 236). Ik heb toen uitgelegd dat rechtvaardigheid in een collectivistische samenleving slechts een beperkte betekenis kan hebben of heeft. Moed of vastberadenheid is de positieve kant van de thymos (onder andere pag. 303 -305). Ik heb dit opgeschreven als vervolg op het idee van het beoefenen van gematigdheid en wijsheid (pag. 300 – 303) en voorts in samenhang tot de ontwikkeling van mijn begrip over het dynamische vermogen van verdraagzaamheid.  In die zin heb ik in hoofdstuk 6 oog gehad voor de menselijke deugden. Ik realiseer me dat het voornamelijk draait om de zogeheten vier kardinale deugden.
Waaibrug Curaçao

De essentie van de lege huls
Zoals de lezer – ook die van mijn boek – al wel heeft begrepen, vind ik de ontmanteling van het land Antillen om verschillende redenen een vergissing. Ik heb dat in Cariben uitgebreid besproken. Velen (en ikzelf ook) vragen zich mogelijk in stilte nog steeds af of het nodig was en wat nu exact de bedoeling is geweest. Welk meesterlijk plan of opzet zat erachter? Wat is het geniale van deze ingreep. Als ik Van Beetz lees, dan kom ik er ook niet achter. Er worden dingen gezegd dat het efficiënter zou zijn voor het bestuur als de dubbele bestuurslaag eraf zou zijn. Men zou ook af zijn van de voortdurende onderlinge ruzies en het gekrakeel. Het zou de samenhorigheid en de dialoog tussen de eilanden bevorderen (Van Beetz pag. 89). Het land Antillen heeft zich nooit ontwikkeld tot één natie. Men kan met een schone lei beginnen (financieel) (Van Beetz, pag. 146). Men zou kunnen werken aan een betere situatie voor het volk. Dit soort doelstellingen is veelal halfslachtig en uitgesproken als wensen in soms een voorwaardelijke vorm. En die voorwaardelijkheid zou dan geleverd moeten worden door Nederland met het wegwerken van de schuldenlast in een nieuwe versplinterde situatie. Hoewel aanvankelijk veel weerstand was tegen het voorstel van werkgroep Jesurun (rapport van het najaar van 2004), was het toch het moment en de basis waarop die deconstructie is begonnen (Van Beetz pag. 98 – 99). Volgens de werkgroep zou door het verdwijnen van de bestuurslaag dit kunnen leiden tot betere normen voor goed bestuur, verbetering van de openbare financiën en verbeterde rechtshandhaving. De weerstand was om diverse redenen stug en massaal. Ook Nederland zag het niet zitten, omdat men vreesde te maken te krijgen met versplinterde verhoudingen. Maar de geest was uit de fles. Het hele proces is met horten en stoten gegaan, waarbij vooral op Curaçao de scheiding der geesten tot soms onwerkbare situaties heeft geleid (zoals vijf nieuwe bestuurscolleges in drie jaar). De polarisatie nam groteske vormen aan zoals Van Beetz geregeld beschrijft.

...een lege natie...

Het belangrijkste bezwaar is het volgende. Als we naar de bedoelingen kijken, die veelal halfslachtig zijn geformuleerd, dan kunnen we ook constateren dat ze verdedigend van aard zijn of ze zijn zogenaamd iteratief gesteld zonder een duidelijk te bereiken eindsituatie: het opheffen van, het wegwerken van, het bevorderen van, het vermijden van e.d. Een heldere visie en een daarop gebaseerd plan ontbreekt. In het boek van Van Beetz komt dit ook geregeld naar voren. Onder andere van Van Kappen (Eerste Kamer) verzucht dit met de vraag of iemand duidelijk kan maken wat de essentie is van een gezamenlijk koninkrijk en hij suggereert terecht dat een samenhangend idee ontbreekt (Van Beetz pag. 172). Van Raak (2e kamer) constateert enigszins wrang dat de armoede en de slechte zorg voor de jeugd niet wordt opgelost. Geen vooruitgang (Van Beetz pag 281 – 282). De laatste premier van de Antillen, mevrouw De Jong – Elhage zegt in de opheffingstoespraak van het land Antillen in september 2010 dat men vanaf 10 oktober kan gaan bouwen aan een nieuw perspectief (Van Beetz pag. 303), maar er is nog geen splinter, geen scherf van een inhoudelijk plan. Ik heb dat thema al in 2009 in mijn eerste boek De Caribische eilanden: het alternatief uitgewerkt, waarbij ik heb gepleit voor een integraal inhoudelijk plan voor de Antillen. Mijn voorstel was toen een samenhangend plan op tien beleidsterreinen van armoedebestrijding, ontwikkeling van jeugd en jongeren, onderwijs, milieu, democratie, enz… (hoofdstuk 4 ‘Caribische eilanden: het alternatief’). Men heeft ruim vijf jaar de tijd gehad om aan een dergelijk plan te werken. Er is niets van de grond gekomen; men heeft daarentegen aan afbraak gedaan.
Zonsondergang Curaçao


De werkelijke reden van de deconstructie was eenvoudigweg dit: voornamelijk Curaçao en St. Maarten hebben gevochten voor een zo groot mogelijke autonomie zonder rekening te houden met anderen, opportunistisch en wrokkig (Van Beetz pag. 119). Dat was het enige doel, een ‘lege’ natie omwille van alleen het merkwaardige idee van ‘natie’. Zoveel mogelijk autonoom zonder materiële inhoud: een negatief, slechts impliciet en defensief gegeven, weinig om werkelijk iets op te kunnen bouwen: de essentie van een lege huls. Curaçao is er – naar de woorden van Hodge – uit gekomen als in een nachtmerrie.

Terwijl wij ons aan deze kant van de oceaan politiek correct bleven uitsloven, allemaal hevig vóór gelijkheid en verwijtend tégen discriminatie en racisme, ging het juist op dit terrein aan de andere kant faliekant fout (zie Cariben pag. 73 – 75). De Bonairiaanse politicus en jurist Michiel Bijkerk levert momenteel juridisch strijd met Nederland over de werking van dit gelijkheidsbeginsel: de gelijkberechtiging voor de uitwerking van de AOW, die op de BES-eilanden Wet Algemene Ouderdomsverzekering BES (AOV) heet. Voor inwoners van Nederland en de BES-eilanden hanteert Nederland verschillende (onrechtmatige) criteria bij de toepassing en uitkering van de AOW en AOV. Dit komt specifiek tot uitdrukking in de hoogte van de uitkering. Ouderen op de eilanden krijgen minder dan de helft van de uitkering in vergelijking met de Europees-Nederlandse AOW-ers. Bijkerk betoogt namens een aantal inwoners van de BES-eilanden en namens een meerderheid van eilandelijke politieke partijen in een verzoekschrift dat de huidige – door Nederland gehanteerde regeling – ten aanzien van de uitkering voor de oudedagsvoorziening voor de desbetreffende eilanden onrechtmatig is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel binnen het Koninkrijk, dus in strijd met fundamentele “politieke, burgerlijke, sociale of economische grondrechten”. Dit doet hij met verve en overtuigend. Het is met dergelijke herhaald voorkomende voorvallen niet zo heel moeilijk te bedenken dat en waar het steeds zo wrang en gruwelijk fout gaat. Dat is niet overdreven gesteld. Boeli van Leeuwen vertelt het in een prangend en schrijnend verhaal (Cariben, pag. 345). Zolang Nederland dat niet kan en wil begrijpen, blijven we in de pathetische verstrengeling nog decennialang aan elkaar verbonden. Constante onrust, die geregeld oplaait. Wie niet horen wil, moet voelen; dat is hier gewoon van toepassing.

Lommel, 19 juli 2013

woensdag 31 juli 2013

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (4)

Willem van Lit
door Willem van Lit

Curaçao
Natuurlijk namen we op Curaçao de gelegenheid om weer contact te hebben met de mensen die we kennen van weleer. Men is geïnteresseerd en het boek ging rond. Ik verkocht er ook een tiental aan Mensing’s Caminada, de grootste boekhandel op het eiland. Ik legde ook nieuwe contacten, maar het verliep ietwat stroef allemaal. Op vrijdag 19 april presenteerde ik mijn boek op het landhuis Ascención. Frans Kerklaan, de vlootaalmoezenier, had me daarvoor uitgenodigd in december van vorig jaar, toen ik ook nog voor een kort bezoek op Curaçao was.

Landhuis Ascención. Foto © Tarnix Bulder


Ascención. Prachtige plek met dierbare herinneringen voor mijzelf. Mijmerplek. Ik vind het bijzonder dat ik hier mocht presenteren. Ik vertelde mijn verhaal met powerpointplaatjes en geluiden. En dat voor een aardig gezelschap van mensen die mij kennen. Ook hier had ik wat meer mensen verwacht. Maar goed… er ontstond ook discussie. En dat scherpt je weer in de uitleg van sommige beweringen. Bij deze lezing waren ook onze kinderen (met aanhang) en de kleinkinderen aanwezig. We waren hier ook voor vakantie.

Jeroen Heuvel, verslaggever bij het Antilliaans Dagblad (AD) hield kort een interview en schreef een artikel. Het is altijd moeilijk na te gaan wat de effecten zijn van een dergelijke publicatie. ‘Het onmogelijke vragen’ kopte het AD. Heuvel schreef onder andere: “Stelt Van Lit zich op als een vader die meent te weten wast het beste is voor een puber, of heeft deze makamba – en dat gebruik ik hier in de oorspronkelijke betekenis van ‘iemand die niet van ons is maar die we wel als vriend beschouwen – genoeg mensenkennis en inzicht in de ‘Curaçaoënaar’ om een geduldiger, goede dialoog aan te gaan”? en dat omdat ik “het onmogelijke vraag”, een retorische slotvraag van Heuvel in dit artikel. Het artikel is ook te vinden op deze blogspot (klik hier). Op 23 april vlogen we terug naar Nederland en op 24 april waren we weer thuis in België. De winter was nog niet over.
Helmin Wiels

“Een langdurig langzaam groeiend conflict”
Ik blijf in contact met Donny Wout op Bonaire. Hij vertelde me dat bij Bon FM bij andere interviews mijn boek ook nog is gepasseerd. Iemand vroeg zich af of ik de gebeurtenissen kan voorspellen. Ik schreef onder andere: “Er is teveel confrontatie. Men scheldt en schuwt geen verbaal geweld. Nog steeds alleen maar verbaal geweld.” (Cariben pag. 161.) Op 5 mei werd Wiels vermoord. Ik kán niets voorspellen, natuurlijk niet. De angst voor anarchistisch, hard en ongenadig geweld nam toe in de dagen na de aanslag. De trein van speculaties, verwijten en verwijzingen versnelde. Was het de georganiseerd misdaad? Wraak (persoonlijk of van criminele aard)? Een politieke daad? Naijver? Iedereen gruwt; men is ontzet. Sommigen roepen Wiels plots uit tot nationalistische martelaar en ze vergelijken hem met Martin Luther King of Mandela; anderen roepen hel en verdoemenis uit. Men vreest meer geweld. Wiels was nationalist en schuwde zelf geen gescheld en geschreeuw. Hij ruide mensen op, lokte verzet uit en dat deed hij op harde en scherp confronterende toon. Sommigen noemden hem racist. En nu… soms is er paniek; men probeert het voorval te doorgronden.

...een langdurig conflict, leidend tot moord...

“Mijn theorie is dat het een langdurig, langzaam groeiend conflict was dat leidde tot een samenzwering tot moord”, schreef Jacob Gelt Dekker ergens op internet. Een langdurig, langzaam groeiend conflict… een structureel diep gewortelde maatschappelijke ruzie, waarin de complexen van woede, schaamte, schuld, enz. al decennialang smeulen, traag branden. Geregeld laait die maatschappelijke veenbrand op, furieus en vlammend. Zo is het; dergelijke gloed is onvoorspelbaar en genadeloos en richt zich bij de uitbarsting tegen iedereen die toevallig op zijn weg komt. Ik heb wel geschreven over de sociale veenbrand met het thymotisch fluïdum van zogenaamd miskend historicisme en mystiek psychologisme, de constante verwijzing naar het determinisme van een hermetisch gesloten cultuursysteem, de gevaarlijke utopie, de manie van zeurend nationalisme en de rabiate latente gramschap door beschaming; dit – zo denken velen – is allemaal de motor van de geschiedenis. Bij een dergelijke explosieve sociale mix gooit men allicht wel eens met stenen of … vallen soms schoten.

Anderen veronderstellen dat de moord ook gepleegd kan zijn door een ordinaire crimineel in opdracht van de georganiseerde misdaad. Over georganiseerde misdaad heb ik het niet gehad in het boek. Het is een gemis, vind ik zelf nu. Het is wel degelijk aanwezig op de eilanden. Het is meermalen aangetoond en de verwevenheid tussen onder- en bovenwereld is er ook. Niet alleen op Curaçao; ook St. Maarten is berucht en Aruba staat eveneens onder invloed van dit soort harde criminaliteit. Op andere eilanden is het mogelijk wat minder aanwezig of minder opvallend.

Vreemd is het niet. Wilde handel, smokkel, lorrendraaierij (zoals dat in de 17e en 18e eeuw heette); het is van alle eeuwen. De grens tussen reguliere en criminele handel is in het gebied altijd flinterdun geweest: wapens, mensen, genotsmiddelen, enz. De grens tussen wat toegestaan is en niet, is wel steeds scherper getrokken. In het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw – toen ik voor het eerst op de eilanden was – waren Curaçao en Aruba al transitopunten voor drugs. Geregeld was er sprake van geheimzinnige vliegtuigjes of bootjes. Illegaal ja. Er werd over gefluisterd, maar men wilde er weinig of niets tegen organiseren. Ook in de jaren tachtig van de vorige eeuw was met Claude Wathey (St. Maarten) de grens tussen wat geoorloofd was en wat niet, flinterdun. Nederland heeft toen rechtstreeks ingegrepen, terwijl er nu nog een standbeeld van Wathey is te vinden op het desbetreffende eiland.
Standbeeld voor Claude Wathey, St. Maarten.
Foto © Leo Koolhoven

Het Caribische gebied is een overslaggebied. Het is strategisch gelegen op knooppunten van continenten. De wilde handel was steeds de basis voor wankele welvaart en dit heeft ook altijd veel invloed gehad op de verhalen van mensen, de verhalen die de constructie vormen van de maatschappelijke context waarin mensen dagelijks met elkaar verkeren, werken en leven. Het narratief vormt het zwaartekrachtveld van de samenleving, de constructie van de sociale structuren: hoe men op elkaar is ingesteld. Hieruit ontstaan ook de mythen, een zeker gehalte ‘omerta’, het mysterieuze, waarover men praat achter de hand, gedempt en voorzichtig. Het is een variant en een aanvulling op ‘iedereen weet’ (Cariben, pag. 210 – 218).

Deze besmuikte vertellingen werken belemmerend op de gemeenschap. Naast de fnuikende invloed van de overal opduikende misdaad, het latente wantrouwen, de voortdurende dreiging en het geweld (onder andere door afrekeningen en overvallen) is dit hetgeen mede oorzaak is voor de algehele stagnatie (Cariben, pag. 289 – 295). Het is tevens een factor die het immer voorlopige bestaan in stand houdt. Mensen zijn gewoonweg bevreesd voor een situatie waarin totale anarchie los barst als men écht onafhankelijk zou worden. Door de aanwezigheid van de georganiseerde misdaad heeft men in feite een drieledig excuus of – anders gezegd – is er een drietal redenen waarom men zo moeilijk tot ontwikkeling kan komen. Als er bestuurlijk gezien beslissingen worden genomen die ruiken naar nepotisme of vriendjespolitiek kan men de invloed van criminele krachten suggereren. Dit leidt af van andere factoren die hierbij in het spel zijn (zoals beschreven in Cariben). Een tweede is dat men niet alles kan of mag zeggen omdat men wraak of afrekening vreest. En dit werkt mythevorming in de hand. Het derde is dat men (voorlopig) niet écht onafhankelijk moet worden omdat de beer dan helemaal los is; nu is er nog enigszins toezicht en worden er middelen en mogelijkheden ter beschikking gesteld om die criminaliteit nog wat in de hand te houden (zoals politie, opsporingsmiddelen, onafhankelijke rechtspraak en de kustwacht).

[vervolg, slot - klik hier]

dinsdag 30 juli 2013

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (3)

Bonaire

door Willem van Lit

Liseo Boneriano en Bon FM

Bonaire. Ik heb in de jaren dat ik mijn  boeken schreef, op dit eiland diverse mensen leren kennen. Niet is er wat het lijkt, zegt Van Bennekom. Toch kom ik er steeds graag terug, vooral ook om de mensen die ik er heb leren kennen, maar ook hier speelt de fascinatie van schoonheid. Het eiland heeft bijzonder licht. Dat is niet te vertellen. Mogelijk komt het door de zoutpannen en de kleuren van lucht, zee en land die daardoor in bijzondere contrasten komen te staan ten opzichte van elkaar. Voorts ook de rust, soms de landerigheid van de middagen en fenomenale zonsondergangen boven Klein Bonaire en de zee. Op Bonaire heb ik vanaf de eerste keer dat ik er kwam (begin jaren 70 van de vorige eeuw) een milde zachtheid en een eigenaardig welkom ervaren. Maar deze fascinatie is ook bedrog, zoals ik heb beschreven in Cariben en dat laat ik graag zo… die waan, bedoel ik.

Onthulling van de naam van het Liseo Boneriano

Connie Marijs had mij uitgenodigd een lezing te geven bij het Liseo Boneriano (het Bonairiaans Lyceum). Zij is docent Nederlands. Op maandag 8 april zijn we in de ochtend al even gaan kijken op het liseo. De ontvangst door de staf en de docenten was groots. Daarbij werd ik spontaan gevraagd bij een vwo-klas iets over mijn boek te vertellen. Half en half improviserend. Voor mij was het de eerste keer dat ik voor een groep jongeren van – zeg – 17/18 jaar iets kwam vertellen. Hilariteit en opwinding: vrienden van yüffrou Connie. Toch kreeg ik aandacht met lichtvoetige ernst. Ze waren geïnteresseerd. Kritisch ook en verwonderd min of meer dat er iemand – zomaar onverwacht – een verhaal had dat hen aanging. Connie regisseerde nog even wat didactische elementen en stimuleerde de klas tot vragen stellen.

Connie Marijs

Diezelfde maandag heb ik ’s avonds mijn lezing gegeven voor het algemeen publiek. De opkomst was zeer matig. Sommigen hadden wel gezegd dat ze er zouden zijn, maar die heb ik uiteindelijk niet gezien. De mensen die er waren (onder andere Monique Reekers en Donny Wout), waren wel geïnteresseerd en ik kreeg vragen en weerwoord. Prima. Natuurlijk interactie, hoewel ik het gevoel had dat ik door mijn verhaal heen raasde. Afijn. De docent geschiedenis en maatschappijleer van het liseo (dhr. Wiessing) was ook bij het publiek en de volgende dag mocht ik bij hem in een havo-klas mijn verhaal nog een keer doen. Hij moedigde de kritische geest van zijn pupillen aan door opmerkingen te maken en vragen te stellen … het begin van een debat. Hij zei me dat blij is dat hij ook eens mensen van buiten – schrijvers – voor de klas te kunnen halen om de jongeren ook eens andere stemmen te laten horen. Ook in deze klas dezelfde verbazing en interesse. Wonderlijke ervaring voor mijzelf. De scholieren lieten een onverholen en felle ergernis blijken over de ambtenaren die uit Nederland zijn gestuurd om even te vertellen hoe ‘wij’ het anders moeten doen en die in de weekeindes uitbundig hun verblijf vieren met opzichtige feesten. Waarom verbaasde me die verontwaardiging niet? Waarom was ik verbaasd over mijn niet-verbaasd zijn? De felheid van de scholieren: ha!


Op dinsdag 9 april introduceerde Donny Wout mij bij Bubui Cecilia, de directeur van het radiostation Bon FM. Het is een Papiamentstalige zender, die naast muziek ook de actualiteit op een uitgebreid terrein, politiek, economie, maatschappelijk leven, kunst en cultuur, enz. in zijn programma heeft met onder andere dagelijkse interviews. In het dagelijks magazine ‘Bon dia, Boneiru’ werd ik gedurende een uur door Bubui geïnterviewd over de thema’s van mijn boek. Het gaat onder andere over de voorlopigheid van het bestaan in de Euro-Caribische verhoudingen en de effecten daar: de stagnatie. Ik legde uit hoe ik denk dat de onderlinge menselijke betrekkingen mede zijn gevormd door de geest van anarchie, de ongebreidelde pioniersgeest, maar ook de complexen van woede, schaamte en hooghartigheid. Toen ik een aantal dagen later het interview beluisterde, viel me op dat ik bepaalde beweringen nogal voorzichtig formulerend uitsprak. Ik zoek naar mijn woorden. Het is altijd vreemd je eigen stem, waaraan je gemoedsuitrusting is verkleefd, terug te horen. Een bescheiden toon. Ik benadrukte het belang van het debat; ik heb de oplossingsrichting geschetst en dit kan de basis zijn voor de dialoog; dat is de kern van mijn betoog (in navolging van de classicus Guépin en de filosoof Popper, waarvan ik gehoord en gelezen heb dat ze zelf niet zo soepel zouden zijn geweest in het debat – iets wat zij zelf wel propageerden, maar dat terzijde).

Klein Bonaire

Een luisteraar vroeg me het begrip insularisme nog eens goed uit te leggen. Bubui spitste op het eind toe tot de vraag of het zin heeft een publieke campagne te voeren over tolerantie. Ik zei dat dat nonsens is; er zit altijd de ondertoon in van verwijt en dat is de kiem van – wederom – beschaming. Een dergelijke campagne werkt meestal averechts (Cariben, pag. 363 – 364).


Bonairianen worstelen momenteel vooral met de nadrukkelijke bemoeienissen van Nederland: er groeit onbehagen. Dat tekent mogelijk de interesse voor mijn boek. Bij vertrek liet ik nog een aantal exemplaren achter bij Bon FM. Ze werden allemaal verkocht. Eigenlijk was het jammer dat we die avond terug moesten naar Curaçao. Het ging ook nog met vertraging, maar dat is niets nieuw. Vlak voor we incheckten ontmoette ik Michiel Bijkerk nog, die net teruggekeerd was van Curaçao. Met hem heb ik bij de presentatie van mijn eerste boek veel contact gehad. We spraken elkaar kort in de hal van het vliegveld. Hij zei mijn eerste boek (De Caribische eilanden: het alternatief) beter te vinden dan Cariben. Er was geen gelegenheid om nog verder te praten. Jammer ook.

[vervolg afl. 4 - klik hier]

maandag 29 juli 2013

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (2)

door Willem van Lit

In Lommel en dan … naar de overkant
Op 27 maart presenteerde ik mijn boek aan het publiek in Lommel. De lezing was hier een mix van toeristische en geografische uitleg enerzijds en het centrale thema van het boek Cariben anderzijds. Een deel van het publiek wist nog niet goed waar ik het over heb als ik het Caribische gebied noem. Ik vertelde over de wonderlijke schoonheid ervan en over het bedrog van de fascinatie, juist door die schoonheid. Hier sluit het thema van het boek goed op aan. Opvallend was dat er voor mijn verhaal een aantal mensen soms honderd kilometer of meer had gereisd. Ik ben verbaasd over hun verhalen en hun motieven om zo ver te reizen: men is zeer geïnteresseerd in het thema en de manier waarop het is uitgewerkt in het boek. Het zijn mensen die de eilanden (en hun bewoners) kennen, soms van heel dichtbij.

Willem van Lit. Foto © Michiel van Kempen

Het schrijven van dit boek (met de wekelijkse publicaties als een feuilleton op Facebook in de periode 2011 – 2013) bracht mij ook in contact met vele anderen. In dit geval wil ik vooral Michiel van Kempen, hoogleraar Nederlands-Caraïbische literatuur bij de Universiteit van Amsterdam noemen, die in mijn boek een aanbeveling heeft geschreven. Hem wil ik voornamelijk danken omdat hij mijn geschriften via de blogspot van de Caribische letteren op het wereldwijd net onder de aandacht heeft gebracht van vele anderen: http://caraibischeletteren.blogspot.nl/p/werkgroep-caraibische-letteren.html .Daarbij heb ik eveneens het genoegen gehad hem persoonlijk te leren kennen op een koude en winderige dag in dit voorjaar.

Op 2 april vlogen mijn vrouw en ik naar Curaçao. Er gingen boeken mee. Ik had er ook al een deel opgestuurd. We gingen voor de presentatie van het boek, maar we wilden ook vakantie. Drie weken. En met een verblijf van enkele dagen op Bonaire. Vlak voor ons vertrek kocht ik nog het boek van Trix van Bennekom De tragiek van Bonaire; vooral om me actueel op de hoogte te brengen over de situatie op dit eiland, de nieuwe buitengewone gemeente – ‘openbaar lichaam’ genoemd (tja waar haal je zo’n benaming vandaan?)– van Nederland, het Caribische Nederland. Van Bennekom schrijft journalistiek; ze onderzoekt op deze manier de gebeurtenissen en verschijnselen. Ik lees in haar boek zeker dingen die passen in het thema van ‘Cariben’. Bonaire … het broeit en smeult er; zoveel is duidelijk.

Bonaire, zoutwinning. Foto © C. Ridley

Het onwaarachtige ‘we zijn allemaal gelijk’ heeft gezorgd voor een toneelspel dat al decennia duurt. Met argwaan, verwijten en ergernis in de hoofdrol. Het klinkt niet aardig maar het Koninkrijk doet me vaak denken aan een dysfunctionele familie. Volkomen verziekte verhoudingen. De kans dat het nog ooit goed komt, is minimaal. Af en toe staat er iemand op die een verzoeningspoging waagt, maar dat is tijdelijk. Structureel zit het helemaal fout. Daarvoor is generaties lang teveel misgegaan”. Mijn hoofdstuk 2 gaat daarover, over die generatielange teloorgang, maar ook op andere plaatsen in ‘Cariben’ schrijf ik over de duurzaam moeizame verhoudingen (pag. 316 – 322, 354 – 355, 358 – 363). Dat blijft zo. Onlangs heeft minister Plasterk aangegeven dat Nederland niks zal ondernemen tegen de al decennia durende ecologische en humanitaire ramp van de raffinaderij op Curaçao (die toch een erfenis is van Nederlands ondernemen) en dat met verwijzing naar artikel … enz. Maar ja, wél treiterbeleid op de eilanden die ‘openbaar lichaam’ zijn. Van Bennekoms boek staat er vol van: het ‘satisfait’, de hooghartigheid van de bovenmeester (zie Cariben pag. 317 – 319, 358 – 368). Van Bennekom: “In feite zegt Nederland tegen Bonaire: ‘Je bent wel een deel van Nederland, maar wij beschouwen jullie als tweederangsburgers. Jullie hebben niet dezelfde behoefte als wij en kunnen best met wat minder toe’”. (Van Bennekom, pag. 160).

Douane van Bonaire. Foto © Geha

Treiterbeleid. Dat merkte ik direct bij aankomst op Flamingo Airport op Bonaire. Ik had twintig exemplaren van mijn boek meegenomen, die ik op Bonaire wilde verkopen of weggeven (o.a. aan de bibliotheek). Dat ging zó maar niet. Of ik maar invoerrechten wilde betalen of – en dat was de keuze – onmiddellijk de helft inleveren. De douaneambtenaar (een jongeman van het eiland) bleef keurig, netjes en bedaard rigoureus. Hij bleef mij geduldig uitleggen waarom ik moest betalen en hoe dat komt. Ik kon mijn verbazing heel moeilijk verbergen en beteugelen, maar ik wilde geen gedoe. Uiteindelijk kwamen we tot een voorlopige oplossing. Ik heb geen zin het allemaal tot in detail uit te zoeken en me te verdiepen in een naar mijn idee volkomen idiote douaneregeling bínnen Nederland. In Europa kan ik met vrachtwagens vol van land tot land rijden zonder één keer op de rem te hoeven trappen bij een douanestal tussen de landen.

Tóch wil ik de jongeman van de douane vanaf dit geschrift complimenten geven met de wijze waarop hij mijn verontwaardiging zo waardig kon pareren. Ook dat heeft me getroffen, moet ik zeggen.

L.J. Brinkhorst: ijdel en zuur

Het lijken details, maar dit treiteren past volkomen in het patroon waarin de krampachtige Euro-Caribische verhoudingen zich al honderden jaren bevinden. Dat patroon, zoals ik het zelf heb beschreven in Cariben met de onder andere de brandende effecten van het zogeheten politiek correct handelen en denken, komt steeds weer naar voren. Van Beetz bespreekt deze relaties van dichtbij. Hij zat er als Nederlands adviseur in de binnenste cirkel van de politieke arena bij. Hij heeft het politieke en bestuurlijke manoeuvreren direct meegekregen. Sprekend zijn de momenten waarop hij in deze positie als Nederlands ambtenaar, verbonden en uitgeleend aan de Antilliaanse regering op een tweetal momenten persoonlijk te maken kreeg met de navrante kregeligheid van Nederlandse politici. Hij beschrijft het in zijn kroniek op een rustige toon, maar je leest de verbazingwekkende verontwaardiging er duidelijk doorheen. Indringend. (Van Beetz, pag. 31/32 ‘Op het matje…’ en pag. 156 – 160 ‘De lezing van een ijdele minister’; het gaat om L.J. Brinkhorst in dit geval). Hier wordt de duurzaamheid van de zurige verhoudingen zelfs persoonlijk.

Verdonk: snauwend en denigrerend


Zijn relaas zit voorts vol van constateringen over narrig en ergerlijk gedrag van Nederlandse zijde (o.a. pag. 137 – 138), slordig handelen en denken (pag. 149), hooghartigheid (pag .65 – 66, 169), desinteresse en gebrek aan betrokkenheid (onder andere bij de ondertekening van het Slotdocument op 9 september 2010), gebrek aan werkelijkheidszin, snauwend en denigrerend optreden (o.a. van minister Verdonk op verschillende momenten, maar ook van minister Ter Horst – pag. 259).
Gijs de Vries: verraad

In dit verband moeten we zeker ook niet het zogenaamde verraad van staatssecretaris Gijs de Vries vergeten in 2001 ten opzichte van de Antilliaanse premier Miguel Pourier. Dit voorval is een van de belangrijke factoren geweest die geleid hebben tot de ontmanteling van het land Antillen. Van Beetz beschrijft dat uitvoerig met de daarbij behorende uitputtende excuses van Nederland in latere jaren, maar ja, toen was het te laat. En het uiteenvallen van de Antillen is eigenlijk hét zure koekje van eigen deeg dat Nederland zichzelf als poets heeft gebakken: de geschiedenis keert zich tegen de nalatige; Nederland wíl eigenlijk helemaal geen openbare lichamen beheren in een lauwe kom Caribisch water. Dat is alleen nóg maar eens meer lastig, brrr…

[vervolg, deel 3, klik hier]

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (1)

Aruba. Foto © Liliane Pietersen

door Willem van Lit

Men schreef nieuwe complotten
In februari 2013 verscheen mijn derde boek Cariben laten we het onmogelijke vragen. Ruim een half jaar na het verschijnen ontstond bij mij de behoefte een kleine beschouwing achteraf te maken. Dit had voornamelijk te maken met de actuele ontwikkelingen op de eilanden sindsdien. Op Curaçao werd een moord gepleegd op een controversiële politicus. Op Bonaire woedt op het moment van schrijven van dit naschrift (weer) een bestuurscrisis in het college. Op St. Maarten is er een bestuurscrisis geweest. Er zijn verschillende opwellingen geweest van woede en furie. Men schreef nieuwe complotten. Ook mijn bezoek in het voorjaar aan Curaçao en Bonaire en de presentatie van mijn boek deden andere inzichten ontstaan en ik realiseerde me dat ik bepaalde thema’s niet had besproken. Het gaat dan om onderwerpen die op verschillende plekken mijn betoog raken en die deels een aanvulling zijn op hetgeen ik heb geschreven. Dit betreft onder andere de invloed van de georganiseerde misdaad en de zogeheten Latino leefstijl, de invloed van het Zuid-Amerikaanse continent op de eilanden. Na ruim zes maanden staat de inhoud van mijn boek nog steeds overeind. Ik heb niets kunnen ontdekken wat ik vandaag anders zou schrijven.

Het boek is niet door heel veel mensen gelezen, maar toch voldoende om eventueel kritische opmerkingen te krijgen. Ook is het door mensen gelezen die heel nauw betrokken zijn bij het leven op de eilanden of mensen die door studie en ervaring uitgebreide kennis hebben van de Caribische eilanden. Ik weet ook dat het onderwerp ‘Antillen’ slechts weinigen van belang of interessant achten; de doelgroep is klein.

Het is zeker niet zo dat ik expliciete erkenning of bevestiging vraag. Met dit naschrift wil ik wel weer de aandacht vestigen op dit boek omdat ik de inhoud nog steeds van belang acht voor de actuele situatie en waarschijnlijk ook de ontwikkelingen in de naaste toekomst op de eilanden zelf en in de relatie van die eilanden met Nederland.

Bevrijd van een historische blunder?
Van crisis naar crisis naar crisis, enz. Dat houd je alert en betrokken. Ik schreef die eerste woorden van dit naschrift op een artikel uit ‘nu.nl’ (3 juni 2013) dat iemand op Facebook had geplaatst. Het artikel betrof een interview met Daniël Hodge, de toenmalig premier van Curaçao die een tussentijds zakenkabinet heeft geleid om orde op zaken te stellen. Hodge merkte op dat politici op het eiland vooral goed voor zichzelf zorgen en dat ze het belang van het volk en het eiland daarbij verwaarlozen. “Een kentering ten goede bespeurt hij niet: ‘we zijn gestagneerd’”, merkt hij op. In het boek van Freek van Beetz (Het einde van de Antillen) staat het nogmaals, maar dan nadrukkelijker. Op 28 februari 2013 (tweeënhalf jaar na de ontmanteling van het land Antillen) zegt Hodge: “Een schone droom is een nachtmerrie geworden”. (Van Beetz pag. 314). Hodge heeft als zakenman dit tussenkabinet geleid. Gedurende zijn premierschap was het een aantal maanden rustig… totdat op 5 mei 2013 Helmin Wiels werd vermoord.
Foto © Bea Moedt

Gestagneerd. Dat begrip staat ook centraal in ‘Cariben’. Het komt er geregeld in terug; ik heb het genoemd het resultaat van het voortdurend uitgestelde leven en de ziekmakende omhelzing. Het gedrag van politici zoals Hodge dat aangeeft, is van ondergeschikt belang. Zij vertolken slechts in een rebelse of narrige staat van bewind voeren of besturen de rol van de geest van de tragedie, waarin de cultuur van boosheid en schaamte gedijt. Het is doorgaans een verbeelding van manische aard, die in het voorjaar van 2013 op een extreem dramatische wijze tot een voorlopig dieptepunt is gekomen. Het is dit complex van krachten die tot stagnatie leidt en die ik met name beschrijf in hoofdstuk 5. (Cariben, pag. 272 e.v., pag. 290 – 295).

Foto © Helmut Newton

Van Beetz beschrijft dit uitvoerig in zijn kroniek. Vooral de politieke situatie vanaf 2003 lijkt een grote georganiseerde chaos, slechts gedreven door de puls tot een zo grondig en spoedig mogelijke afbraak: het opheffen van het land Antillen. Alsof men met schaamrood op de kaken zichzelf wilde verlossen van een bijzondere historische blunder. En bijzonder hierbij is dan ook dat dit proces grotendeels onder de regie stond van een groep mensen die zich aanvankelijk hadden verenigd onder de vlag van de héropbouw van datzelfde land: de PAR (Partido Antiá Restruktura). De Antilliaanse – en dan vooral de Curaçaose – politieke tégencultuur heeft trekken van schizofrene en paranoïde aard, terwijl plat opportunisme, grootheidswaan en het calimerocomplex er voortdurend vanaf spat onder verwijzing naar (re)kolonialisering, discriminatie, racisme, oorlog, nationalisme, patriottisme, hoogverraad, enz. Beetz verwijst er zowat óm de twee pagina’s naar. Op een zeker moment noemt hij het ‘een orgie van bestuurlijk en politiek vandalisme’ (Van Beetz, pag. 190). Het is alsof alle frustratie in deze jaren van manie zich heeft samengebald en dat men de afbraak van een land, dat nooit een natie is geworden, heeft gebruikt om zich hierop te concentreren.

Nog eens: het motief
Cariben verscheen eind februari 2013. Op 9 maart kondigde ik het uitgebreid aan en startte ik de promotie. Ik maakte vooral gebruik van het wereldwijd web, maar ik verstuurde ook per post persberichten aan diverse kranten en tijdschriften in Nederland. “Daar heb je weer zo’n gek die een boek heeft geschreven over Curaçao en zo. Lekker belangrijk”. Ik hoor het al roepen. Schouderophalend gaat mijn bericht vervolgens zonder te ritselen in de papierbak. Op internet zag ik wel reacties. Ik merk heel goed als mensen het boek wel hebben gelezen, ook mensen die ik niet persoonlijk ken. Van Bonaire kreeg ik enthousiaste reacties. Dat viel in elk geval op.

De vraag rijst weer: waartoe heb ik dit boek geschreven? Ik heb ontdekt dat het schrijfproces een ontdekkingstocht naar mijn eigen motieven is geweest. Ik heb ook dingen ontdekt die ook buiten de context van de Caribische eilanden van waarde zijn gebleken. Het is nu duidelijker dan voorheen: nationalisme is een gevaarlijke leugen, een waan van twee eeuwen waarin men elkaar gevangen houdt. En ik weet nu ook waarom dat zo is (Cariben, pag. 229 – 232 en 292 – 293). Ik weet ook wat het nefaste effect daarvan is .
...de Eros van de Caribische mens... Foto © Yannick Bruhah

Ik weet nu ook dat het historisch determinisme een grove leugen is en dat deze leugen is ingegeven door de angst keuzes te moeten maken. Een bekende Curaçaose publicist en opiniemaker zei in een reactie (op een stelling van Jacob Gelt Dekker) dat anderen (buitenstaanders) nooit in staat zouden zijn de eros (hij schreef het met een hoofdletter Eros) te doorgronden van de Caribische mens. Ik weet nu ook dat dat een mythische leugen is. Als we de eros niet kunnen doorgronden, zouden (vreemde) culturen hermetisch gesloten zijn. Ik heb aangetoond dat dat niet zo is (Cariben, pag. 155 – 165, 174 – 175 en 211 – 215). En als je het over eros hebt, dan moet je ook de thymos noemen (Cariben, pag. 22 – 23). Het is juist deze laatste kracht die in dit boek centraal staat en die we zeer wel goed kunnen doorgronden: de laaiende furie en haar gevolgen, waarvan er zeker één is dat de mythe van de ondoorgrondelijkheid in stand blijft. Ook die fascinatie heb ik ontmaskerd, waarmee niet gezegd is dat hij daarmee is verdwenen.

In een ongeregeld ritme laaien de discussies over deze thema’s op, zeker na de moord op Wiels. Men spreekt dan over etnisch nationalisme, racisme, fraude en corruptie, afgunst en ongenoegen; het wordt letterlijk allemaal zo genoemd. Hierbij wordt – in repliek – gezegd dat Wiels weliswaar een nationalist was, maar geen racist. Daarbij zei iemand dat buitenstaanders niet in staat zijn het volkssentiment te begrijpen dat Wiels vertegenwoordigde, een sentiment dat wordt ingegeven door de geschiedenis van machtsongelijkheid én het feit dat veel immigranten op Curaçao het recht zouden ontkennen dat het eiland een natie kán zijn. Het merkwaardige is dat die schrijver dan betoogt dat Wiels racisme wel weer gebruikt in weerwil van die structurele ongelijkheid en de ontkenning van dat recht. Racisme als wraak dus, de ruilinterventie van de wraak, zoals ik dat heb genoemd (Cariben, pag. 324 – 326); dat is een gevolg van de pathetische omhelzing. In die zin wordt het primaat van de cultuur en het historicisme wederom aangevoerd in een romanteske verwijzing naar het volk en hun ressentiment; iets wat buitenstaanders nooit zouden kunnen bevatten. Dezelfde sentimenten (gestuurd door eros en thymos) komen in allerlei gradaties voor in België (Vlaanderen – Wallonië), Baskenland, Schotland, Catalonië, het voormalig Joegoslavië, enz. (Cariben, pag. 231). Niets menselijks is u en ons vreemd. In het Caribische gebied komt daar de menselijke smet (van de huidskleur) nog bij als extra factor (Cariben, pag. 163 – 165, 368).

Edinburgh, Schotland. Foto © Michiel van Kempen

In deze discussie zegt een ander dat men op de eilanden gebruik moet gaan maken van eigen mogelijkheden en kansen die de samenwerking met Europa kan bieden. Men moet uitgaan van de kracht van de onderlinge menselijke betrekkingen en samenwerking zoeken om zo vooral economisch tot ontwikkeling te komen. De verbinding via Nederland biedt daarvoor goede mogelijkheden. Deze schrijver wordt door de nationalistische denker op een intellectueel-ideologische manier en toon bijna kleinerend teruggezet: het gaat om dé nátie (wat dat ook moge betekenen) en daaraan moet alles ondergeschikt zijn. In dergelijke discussies woekeren overigens ijdelheid en demonstratief intellectualisme uitbundig en voortdurend door de gesprekken heen: in woord en wederwoord kleurig bloeiend in de trant van : “kijk mij eens heel veel weten! En u kunt mij toch nooit snappen; ik ben hier de leermeester”.

[vervolg, klik hier]

zaterdag 20 april 2013

‘Het onmogelijke vragen’

Nieuw boek van Willem van Lit

Een sociaalfilosofische ‘beschouwing over een pregnant en sentimenteel verschijnsel’, zo noemt Willem van Lit zelf Zijn boek Cariben, laten we het onmogelijke vragen. In 400 bladzijden neemt de auteur ons mee op zijn speurtocht naar de oorzaken van schoonheid en schaamte in Curaçao, de andere Nederlands Caribische eilanden, of een nog iets grotere regio: de Cariben. Op vrijdag 19 april (2013) presenteerde hij zijn boek in landhuis Ascencion. Van Lit is van beroep organisatieadviseur bij het Ministerie van Defensie en heeft een deel van zijn loopbaan bij de Koninklijke Marine op het eiland Curaçao gewerkt.
Deze Caribische gemeenschap stelt Van Lit voor een aantal raadsels: waarom werken mensen elkaar tegen in plaats van samen te werken aan een algemeen belang? Waarom wekt het de indruk een onaf land te zijn? In verschillende hoofdstukken probeert hij met zijn rede verklaringen te geven voor de soms zo tegenstrijdige emoties. Heeft het te maken met een menselijk gedrag dat pubers eigen kan zijn? Zijn we nog slaven van het verleden, in plaats van meesters van het heden (en de toekomst). Gaat het om de effecten van Europese expansie en veroveringsdrift? Waarom is er zoveel boosheid en onbegrip over en weer?
Uit de enorme hoeveelheid aan door de auteur aangedragen mogelijke verklaringen die hij heeft gedestilleerd uit werk van veel sociologen, politicologen en psychologen – wat een mooie taal is het Nederlands toch, zouden deze wetenschappers zoveel over het verleden liegen? – noem ik het verschil tussen de maritieme en de continentale geest, de migrantengeest, het cultuurrelativisme, de westerse hebzucht en hooghartigheid versus de Afrikaanse woede en afgunst. Maar ook de aantrekkingskracht van de Cariben op buiteneilanders. Van Lit: “En toch kom je er niet los van,” dankzij de onwerkelijke fascinatie voor de schoonheid van de omgeving.
Willem van Lit na de presentatie van
 zijn boek bij landhuis Ascencion
De auteur wil graag in dialoog raken, zonder te pretentie te hebben dat hij een oplossing kan aanreiken. Hij veronderstelt daarbij het vermogen tot tolerantie. Hij behandelt een top tien van stellingen, als een soort programma.
Stelt Van Lit zich op als een vader die meent te weten wat het beste is voor een puber, of heeft deze makamba – en dat gebruik ik hier in de oorspronkelijke betekenis van ‘iemand die niet van ons is maar die wij wel als vriend beschouwen – genoeg mensenkennis en inzicht in de ‘Curaçaoënaar’ om een geduldige, goede dialoog aan te gaan?
Misschien zijn er mensen die denken: ‘Laat hem in Nederland of in ‘Het Westen’ gaan onderzoeken wat daar allemaal fout gaat, hij kijkt naar de splinter in andermans oog, zonder de balk in zijn eigen oog te zien. Waarom geeft de auteur ongevraagd advies?' Ik denk dat dat vooral voortkomt uit zijn bezorgdheid. Want laten we eerlijk zijn. Het kan weliswaar veel slechter gaan met de Curaçaose maatschappij, maar het kan ook echt beter. Bovendien weet Willem dat hij het onmogelijke vraagt.

maandag 18 maart 2013

Cariben laten we het onmogelijke vragen


Willem van Lit presenteert: Cariben laten we het onmogelijke vragen. Sinds tweeëneenhalf jaar is het Koninkrijk der Nederlanden op een unieke en merkwaardige manier versplinterd geraakt. De verhoudingen in het Koninkrijk worden echter al tijdenlang gekenmerkt door schijntolerantie, bloedeloze onverschilligheid, hysterie, een cultuur van verzet  en furie. Het Europese Nederland is nadrukkelijker in de verhoudingen verstrikt geraakt.

In dit boek speurt Willem van Lit naar de oorzaken van de obsessie voor schoonheid en schaamte in de relaties binnen het Koninkrijk, waar woede constant lijkt te heersen. De Nederlands Caribische eilanden staan centraal met bijzondere aandacht voor de situatie op Curaçao. Hij vertrekt vanuit een inleiding op het fenomeen woede en de maatschappelijke effecten daarvan op de eilanden. Menselijke relaties zijn door nijd aangetast. Waar komt die gramschap vandaan? Hij staat stil bij de filosofie van de globalisering, de westerse veroverings- en ontdekkingsgeest en wat de pioniers in hun delirium van expansie in vijf eeuwen hebben aangericht. Westerse veroveraars hebben in hun dadendrang in ongeveer 350 jaar circa 11 miljoen West-Afrikanen in ijzers afgevoerd. Door schuld, schaamte en angst is er een verzetscultuur gegroeid, waarin ‘daders’ en ‘slachtoffers’ elkaar in een pathetische omhelzing geklemd houden. Deze verziekende verstrengeling heeft zowel mentale als sociale dimensies. De omhelzing leidt tot een situatie van ‘een voortdurend uitgesteld leven’ (zoals de auteur dat noemt) en is de grondslag voor de ernstige stagnatie van de samenleving. De verschijnselen van schuld en schaamte gaan samen met een bijna onwerkelijke fascinatie voor schoonheid en vitaliteit (van de eilanden, de mensen en hun schitterende omgeving). De patronen worden nog complexer door de verweving van de (dominante) westerse mentale instelling met de restanten van de van oorsprong Afrikaanse. Het fluïdum van de geregeld oplaaiende thymos is levensgevaarlijk in het breekbare huis van schuld en schaamte, waar men gedwongen met elkaar samenwoont.

Pigeon Point, Tobago. Foto © TobagoTours

Tenslotte geeft Willem van Lit een aanzet tot een oplossing voor deze situatie van sociale boycot en blokkade. Zijn stelling is dat het menselijk vermogen tot tolerantie de enige uitweg vormt. Zijn idee van verdraagzaamheid is echter een andere dan waaraan men doorgaans gewend is. “Het is wederzijds, nadrukkelijk wederzijds en nooit eenzijdig, waarbij men de andere de wang toekeert als men op de ene klappen krijgt. Tolerantie komt niet voort uit eenzijdig gepreekte naastenliefde maar uit het op gang brengen van de dialectiek, de wederzijdse bejegening, die niet zómaar ontstaat door er maar enerzijds veel in te pompen”. Hierbij stelt hij een praktisch program voor met leiderschap als vernuft voor het ontwerp van constructieve menselijke betrekkingen in een open samenleving.
Curaçao. Foto © Bea Moedt

Michiel van Kempen, Hoogleraar Nederlands-Caraïbische literatuur Universiteit van Amsterdam schrijft in de aanhef van dit boek: “Willem van Lit dringt diep door in de Antilliaanse samenleving.  Hij speurt naar de historische wortels van cultuur en psyche en verbindt met groot gemak inzichten uit de psychologie, sociologie en de cultuurwetenschappen, om te komen tot soms verrassende vergezichten op verschijnselen waar de Antilliaanse samenleving elke dag mee te maken heeft. Dat levert een boekenkast vol stof tot nadenken op.”
Willem van Lit (1953) heeft in een eerder boek (De Caribische eilanden: het alternatief, 2009) een alternatief geschetst voor de situatie op de Nederlands Caribische eilanden. In dit nieuwe boek verdiept hij de analyse van toen en gaat een stap verder.

Prijs: 20,95 euro (indien in of via de boekhandels in Nederland of België besteld). Tevens online te bestellen via www.freemusketeers.nl of via de schrijver zelf: willemvlit@gmail.com .
Op Curaçao, Bonaire en de overige eilanden kan de prijs door omrekening in plaatselijke valuta en andere omstandigheden afwijken. Vanaf de tweede week van april zal het boek eveneens direct plaatselijk te verkrijgen zijn bij o.a. Mensing’s Caminada op Curaçao.

Op 27 maart 2013 houdt de auteur een lezing over dit boek in Lommel. Klik hier.

Op 8 april a.s. geeft de auteur een lezing bij het Liseo Boneriano op Bonaire vanaf 16.30 uur.
Op 19 april een lezing op Curaçao bij het Landhuis Ascencion vanaf 10.30 uur.
Hierbij bestaat tevens de gelegenheid het boek te verkrijgen.

zondag 17 maart 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (17 en slot)


door Willem van Lit

Het laatste deel van deze serie is het slot van dit boek: de finale overweging over de fatsoenlijke mens en de essentie van de vraag ‘hoe te leven’?



Waar moeten we nu het zwaartepunt van de redenering zoeken? Dat is de kernvraag aan het slot van dit boek. Het draait allemaal om de kwestie van de geprangde stelligheid van de menselijke smet, die de verhoudingen in het Caribische gebied met zoveel wrange verbetenheid bepaalt: daar waar men elkaar in een stalen greep vasthoudt, ziekmakend, wurgend en verstikkend. Hierdoor wordt de algemene ontwikkeling voortdurend geremd. Hoe ontsnapt men aan de terreur van schuld en schaamte, de fascinatie van elkaars vermeende postuur en gruwelijke intentie?
Hende drechi?

Een aantal dagen geleden las ik een discussie over het begrip hende drechi. Het is een begrip dat op Curaçao gebruikt wordt om fatsoenlijke mensen te typeren. Het is vanouds een beladen begrip, want het heeft direct te maken met een (impliciete) veroordeling én dus beschaming van mensen die níet tot deze groep zouden behoren. Vanouds bepaalde de katholieke kerk wie drechi was en wie niet. Daar hoorden bijvoorbeeld niet bij de vrouwen die buitenechtelijk kinderen hadden gekregen, terwijl het meer dan eens gebeurde dat vrouwen (als ‘bijvrouw’) zwanger raakten van hun shon of baas. Die baas kwam er dan zelf wél mee weg, terwijl het kind van de vrouw niet gedoopt kon worden of niet begraven mocht worden in gewijde grond (kindersterfte was in vroeger tijden niet ongewoon). Wie behoort tot de hende drechi? Wie niet? Wie treft de beschaming? Hoe zit men gevangen in het wij/zij-systeem, waar men zwijgend toe behoort of waarvan men buitengesloten is: niemand kent ons, iedereen weet en niemand spreekt. De discussie kwam weer op naar aanleiding van de politieke crisis op Curaçao in september 2012, toen men met trekken en duwen een ministersploeg aan de kant heeft gezet… omdat ze niet zouden deugen, omdat ze ondemocratisch zijn, leugenaars, bedriegers, volksverlakkers, opruiers en racisten.

Curaçao. Foto @ Bea Moedt

Drechi. Wie bepaalt dat dan? Een deel van deze ministers vertegenwoordigt de harde kant van de traditionele ‘slachtoffergroep’, zij die zeggen dat ze het meest te lijden hebben van blank racisme, (neo)kolonialisme en discriminatie. Zij eisen op harde toon onafhankelijkheid. En dit is de groep die opzij werd gezet door degenen die zichzelf als hende drechi zien. Daar ging de discussie over. Het schofferen en het te schande zetten vanuit het wij/zij explodeerden weer eens: schelden, dreigen, hard sarcasme en gitzwarte ironie in de meest banale teksten en afbeeldingen. Met alle geweld en herrie.

En ik maar pleiten voor verdraagzaamheid.

Ik las het boek van Philip Roth over de menselijk smet[1]. Ik schreef soms zelfs mee met wat hij me liet lezen. De uitgangspunten van dit hoofdstuk speelden in mijn achterhoofd mee: vrijheid, waardigheid en waarheid, menselijke waarden. Terwijl de woede-uitbarstingen op Curaçao tot een dieptepunt reikten in september 2012, schreef ik: het is alsof de prestatie van de vrijheid – een essentie om het menselijk bestaan te vervullen – in niets anders dan in schaamte en beschaming is geworteld. Dit laat niets heel van een samenleving waarin alle ruimte tot denken wordt gelaten, máár waarin elke complexiteit die de menselijk verbeelding aanzwengelt niet buiten de onwrikbare trouw aan een canon van traditionele regels mag liggen: de canon van wij en zij. Dit laatste schreef Roth over Coleman Silk die juist wilde ontsnappen aan die dwingende conventies van het wij/zij, het dodelijke mechanisme van schuld en schaamte, waar voortdurend de furie doorheen raast. En als één individu dat al niet kan, hoe zou een hele samenleving daaruit kunnen wegkomen? Silk behield het als geheim en juist daardoor raakte hij verloren en ging hij ten onder in een niemandsland (van: niemand kent mij), waar het iedereen-weet als strikken is uitgezet op een kennelijk doofstomme vlakte (van: niemand spreekt). De hende drechi, de fatsoenlijke mens… In het Europese deel van het Koninkrijk kennen we die als de politiek correcte mensen.

Het streven naar werkelijke autonomie van het individu zit gevangen in die complexen, vervuld van arrogantie en hebzucht tegenover afgunst en woede. Niemand lijkt nog het geheim te kennen van de reële onafhankelijkheid in waardigheid, waarbij men zich kan bekommeren om het ongeluk van anderen. Alles wordt gebagatelliseerd en banaal gemaakt rondom leugens omdat men het geheim niet wíl kennen. Het geheim van de protagonist van Roth die het voor zichzelf wilde houden. Het is het vergeten geheim, dat men vindt buiten de schansen. Het is het avontuur van het concept dat de zin van het leven heet en waarin de essentie en de bedoeling van ‘hoe te leven’ – dit wil zeggen de zoektocht naar de steeds weer verschuivende waarheid – verborgen is. Dit is het beginsel van civilisatie, zoals ik eerder in dit hoofdstuk heb aangegeven. Juist in die bedoeling van hoe te leven wordt het beeld van de mensen ernstig vertekend door het wij/zij, de beschaming en de razernij. Het belemmert de opdracht veranderbaar en zelfredzaam te zijn, de plicht tot oefenen van eerbied, het vermogen tot tolerantie. Wederzijds verziekt.

Vasthouden aan het eigen complex betekent dat men van de ander eist dat hij dat alleen maar respecteert, terwijl men die ander juist negeert en men tegen hem zegt dat hij ons (in dat rotsvaste wij-complex) – hetzij uit hooghartigheid óf uit afgunst – tóch nooit kán en mág snappen: ‘ons heilige geheim ligt verborgen in de geschiedenis, de tradities, en de ideeën, die u nooit zal kunnen begrijpen’. Dit wordt uitgesproken met een narrige ondertoon of met hooghartige onverschilligheid, vlak en emotieloos, afhankelijk van wie het zegt. En dát betreft nu juist de grote leugen omdat men zichzelf het avontuur ontzegt van de dynamiek van authenticiteit en identiteit.

Eliades - Ochun y Yemaya



[1] Roth, Philip, De Menselijke Smet. Uitg. Meulenhoff, Amsterdam, 2000, vert. Else Hoog.

zaterdag 16 maart 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (16)

Vrouwen in Kabele, Oeganda, 2007


door Willem van Lit

In deel 16 het onderhoud van de dynamiek van het vermogen verdraagzaam te zijn; hert verlaten van het monopolie van de waarheid, het fanatisme en dogmatisme of de onverschilligheid. De cruciale rol van leiderschap.


Ontwikkeling van het vermogen tot tolerantie is steeds een menselijk, dus redelijk proces, dat in de staat van onderhoud steeds matigheid nodig heeft. Men kan zich niet afwenden van het ongeluk van anderen, zoals Spinoza dat bedoelde, omdat dit de kern van de menselijke conditie is. Bij het redelijk of rationeel handelen hoort dat men dit enkel kan doen als men de eigen positie goed in de gaten heeft. Anderen moeten dit kunnen zien en ervaren door hun eigen positie te waarderen. Het is wederzijds, nadrukkelijk wederzijds en nooit eenzijdig waarbij men de andere wang toekeert als men op de ene klappen krijgt. Tolerantie komt niet voort uit eenzijdig gepreekte naastenliefde maar uit het op gang brengen van de dialectiek, de wederzijdse bejegening, die niet zómaar ontstaat door er maar enerzijds veel in te pompen. Dit laatste werkt beledigend de apathie en lethargie in de hand waarbij het geweld van de beschaming op de loer ligt. De belerende tolerantiecampagne van de Nederlandse overheid eind 2012 op de tv, waarbij men zogenaamd ‘vrijblijvend’ witte pakjes ‘TOLERANTIE’ ronddeelde, is als mislukt van de zenders gehaald. Men maakt zich belachelijk door juist het benadrukken van die eenzijdigheid.
Charles Darwin

Het begrip rationeel is onder druk van de meritocratie van het neoliberalistische waanidee steevast verkeerd uitgelegd en gehanteerd, waarbij men voortdurend mensen de hoek in heeft gedreven, de hoek van het zogenaamd gebrek aan vermogen of onwil te groeien. Het neoliberalistische idee van rationalisme is een sociaaldarwinistische belediging voor de hele mensheid. Het ontkent het beginsel dat men zich niet mag afwenden van het ongeluk van anderen. Door ongebreidelde arrogantie en schraapzucht is het neoliberaal rationalisme een klap in het gezicht, het uitgangspunt van hernieuwde beschaming die tot meer geweld zal leiden en hierdoor wordt civilisatie ontkend. Ook hier lost het zeker niets op de andere wang toe te keren omdat ze je daar dan net zo vrolijk en nog harder zullen treffen. Zonder scrupules.

Maar ook door socialistisch-christelijk politiek correct dwingen staat de rede onder druk. Sommigen gaan zó ver dat men de eigen door de verlichting verworven democratische beginselen en stelsel ter discussie zou willen stellen. Er zijn mensen die er bijvoorbeeld voor pleiten de sharia in bepaalde sectoren van onze samenleving toe te laten. Men realiseert zich niet meer dat ons systeem van scheiding van kerk en staat en trias politica  uit de bloedige brij van religieuze wanorde en fanatisme naar boven is gesleurd: de desastreuze godsdienstoorlogen uit vroeger eeuwen in Europa. De tolerantie van het laisser-faire of ‘Weg met ons Cultuur’, zoals Ida Lamers dat noemt geeft dit soort verstikkend en bloederig dogmatisme weer een kans tot vernietiging. Het was hetzelfde religieus fanatisme dat – geautoriseerd – als ideologie werd gebruikt om inheemse gemeenschappen en culturen in Amerika om zeep te helpen.

Bescherming en bewaking van ons democratisch stelsel en gedachtegoed vergen voortdurende inzet van de redelijkheid. De balans tussen sociaal-, christen-, en liberaal-democratische krachten met alle mankementen en in allerlei varianten verdient ver de voorkeur boven razend fanatisme en dogmatisme van het eigen gelijk of boven een schijnbare onverschilligheid van tirannie waarin bloedvergieten en knechting als ‘schone’ methoden voor handhaving van evenwicht worden gepropageerd. Het verdient tevens ver de voorkeur boven het absurd beschamend nihilisme van neoliberalistische onverschilligen.

Laisser-faire verdraagzaamheid laat binnen het Koninkrijk toe dat de cultuur van verzet en woede, de patronage, fraude en eenzijdige begunstiging op de Caribische eilanden kan doorgaan. Sterker nog, dit zelfde politiek correcte idee van eenzijdige tolerantie staat patronage toe, doet mee aan de beschamende kracht van het kolonialisme van de gunst: eenzijdig, waarbij de bruisende kracht van woede wordt uitgelokt.

Ik pleit in dit boek voor een samenleving waar er plaats is voor tolerantie op basis van ruilinteractie, de dialectiek van wederzijdse bejegening. Hetzelfde idee moet eveneens toepassing vinden in het Koninkrijk der Nederlanden. We weten dat de verhoudingen tussen het Europese en het Caribische deel in macht en kracht ongelijk is; het Europese deel voert de boventoon. Juist door dit besef is de ontwikkeling van tolerantie op basis van deze ruilinteractie van groot belang. Het is de noodzakelijke voorwaarde waardoor de pathetische omhelzing en de strikken van schuld en schaamte los kunnen komen.

Met behoud en toepassing van de dynamiek van de rede. De mens heeft allereerst de kunst moeten leren met elkaar te leven. Eerder in dit boek (hoofdstuk 1 en 3) heb ik geschreven dat ik Popper volg als hij zegt dat “de mens, of zijn voorouder, eerst een sociaal en daarna pas een menselijk wezen was”. Eveneens was er eerst de gemeenschap en daaruit is taal ontstaan. “Maar dat betekent dat sociale instellingen, en daarmee ook typisch sociale regelmatigheid of sociologische wetten al bestonden voordat er sprake was van zoiets als wat sommigen graag ‘de menselijke natuur’ en de menselijke psychologie noemen”. Hij zegt verder dat het menselijk bewustzijn, zijn noden, verwachtingen, angsten, de hoop, motieven en zijn ambities hoe dan ook het product zijn van de samenleving zelf en niet de scheppers ervan. De structuur van de sociale betrekkingen zijn mensenwerk en niet het werk van God of van de natuur. De mens heeft zijn eigen omgeving ontworpen en ontwikkeld op basis van eigen menselijk handelen en besluiten en deze structuren kunnen alleen worden gewijzigd door datzelfde menselijk handelen en zijn besluiten. De mens is ingenieur van zijn eigen sociale realiteit. Het bewustzijn is ontstaan uit en is samen met de ontwikkeling van die sociale structuren en culturen gevormd. Op deze manier ontwikkelt zich de rede, die eveneens samen met de voortdurende ontwikkeling van diezelfde sociale realiteit en betrekkingen is ontstaan. En dat is de reden dat de redelijkheid constant onderhoud vergt.[1]
Bertrand 1969

Identiteit en authenticiteit zijn dan dynamisch sociaal gedefinieerd, waarbij men zich wel bewust is van de vorming van cultuur in een eigen maatschappelijke en historische context, maar waarbij men zich actief bewust veranderbaar opstelt. Dit vergt voortdurende oefening van eerbied, aandacht voor het ongeluk van anderen. Gemeenschapszin waaraan iedereen meedoet, is onvoorwaardelijk noodzaak. Strikt wederzijds. De basisvoorwaarde is dat men álle groepen bevrijdt uit het geweld van de armoede, waarbij waardigheid en besef van vrijheid loskomt van de gunst van de gift, de cultus van patronage, de woede, afgunst en fanatisme. Zelfredzaamheid is een pijler voor het onderhoud van de redelijkheid, slachtofferisme vernietigt dit. En dit alles vergt leiderschap, als organisator van de menselijke betrekkingen.

In mijn boek De Caribische eilanden, het alternatief[2] heb ik gezegd dat het bij de Nederlands Caribische eilanden om drie fundamentele problemen draait: de armoede, de zorg voor de jeugd en het leiderschap. Dit is nog steeds zo. Het probleem met leiderschap liep toen als een rode draad door het boek. Nu kom ik er weer bij uit. Het ontwikkelen van tolerantie, zoals het hier bedoeld is, gaat niet vanzelf. Leiderschap is van enorm belang bij het op gang krijgen en houden van het vermogen tot verdraagzaamheid. De kenmerken van het leiderschap dat hierbij naar voren moet komen, zal ik in het kort hieronder herhalen.

1)      In een Caribische omgeving past het een uitgesproken en tot de verbeelding sprekende vrouw of man in een voortrekkersrol te hebben. Zij of hij moet charisma hebben.
2)      Hij of zij moet integriteit waarborgen en uitstralen: onkreukbaar zijn.
3)      De leider moet een helder en uitgesproken idee hebben over de toekomst: hij/zij moet een duidelijke visie hebben.
4)      Hij of zij moet voor mensen ruimte scheppen en ook grenzen trekken waar nodig, maar zeker niet afrekenen. Hij/zij moet mensen in geest en mogelijkheden vrijheid kunnen bieden tot ontplooiing te komen: positief mensgericht leiderschap.
5)      De grondslag voor goed leiderschap is optimisme. Men moet in staat zijn boven de geest en sfeer van voortdurende crisis en teloorgang uit te groeien en niet steeds verwijzen naar anderen.
6)      De leider moet bruggen slaan tussen uiteenlopende groepen, segmenten, sociale lagen, rassen, enz. Hij/zij moet deze kunnen verzamelen en afstemmen rond één idee met afstemming van belangen.
7)      Leiderschap vergt verstandige oriëntatie op alle relevante maatschappelijke functies (sociaaleconomie, gezondheid, jeugdzorg, wetenschap, veiligheid, ecologie, enz.) en de leider moet in staat zijn deze te groeperen rondom de idee voor de toekomst.
8)      De Caribische stijl van leidinggeven vergt voorts een positief constructieve manier van knutselen: bestuurlijk manoeuvreren van dag tot dag met het oog op de toekomst.
9)      Zijn of haar gezagsbasis is de democratie (niet patronage), de legitieme grondslag voor integer en geciviliseerd bestuur.

(slot volgt)

...stevige identiteit...




[1] Popper, De open samenleving en haar vijanden, pag. 333. Als in mijn eerste hoofdstuk heb ik dit in een voetnoot toegelicht onder de subtitel ‘Smeulende herinneringen’. Deze redenering is de basis voor het verklaren van de (ontwikkeling van de) menselijke rede, die als beginsel van matigheid in denken en handelen tevens de basis vormt voor het vermogen tot tolerantie.
[2] Van Lit De Caribische eilanden, het alternatief, pag. 135 – 141.