Inleiding
Jules de Palm
vertelde me eens een kostelijke anekdote over Cola Debrot. Cola Debrot en hij moesten
eens iemand met de auto afhalen bij het Centraal Station in Amsterdam. Cola Debrot
zat achter het stuur en Jules de Palm naast hem. Aangekomen bij het Centraal
Station parkeerde Cola Debrot de auto pardoes en pontificaal voor de uitgang
van het Centraal Station, terwijl dat uitdrukkelijk verboden was. Prompt werd
hij daarop aangesproken door een agent. Cola Debrot wees toen naar Jules de
Palm en zei tegen de agent “Ziet u die
man die naast mij zit? Dat is een gevaarlijke gek. Van hem moet ik de auto hier
parkeren”. Verbouwereerd droop de agent af.
Bij het
herlezen van Mijn zuster de negerin met het oog op mijn presentatie over dit
boek op 9 november 2013 bij de “Dutch Caribbean Book Club” moest ik erg denken
aan deze anekdote, want bij herlezing trok tot mijn stomme verbazing de labiele
geestestoestand van de hoofdpersoon mijn aandacht en niet zozeer de
rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat.
Onderstaand
ga ik eerst in op de inhoud van dit boek en vervolgens op de door de auteur
gekozen vorm.
- Beknopte inhoud van Mijn zuster de negerin: “Een zuster gevonden, een minnares verloren”
De dertigjarige
hoofdpersoon Frits Ruprecht is na een afwezigheid van veertien jaar terug op
zijn geboorte-eiland om zijn erfenis af te wikkelen. Aangezien zijn ouders zijn
overleden en hij geen broer of zus heeft is hij de enige erfgenaam. De erfenis bestaat
uit een woonhuis in de stad, het bijbehorend koetshuis met daarin geparkeerd de
oude Ford en de plantage Miraflores.
Maar er is
ook een andere reden waarom hij is terug gekeerd. Hij heeft genoeg van Europa
waar hij als zestienjarige naar toe was gegaan. Hij wil “bij een negerin leven”
en hij haatte “in Europa de bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun
gebrek aan broederlijke en zusterlijke sympathie”.
![]() |
| ...bleke gezichten, met hun visachtige kilheid... |
Reeds op het
schip waarop hij aankomt, overhandigt de notaris hem de sleutels van de
stadswoning, het koetshuis en de plantage Miraflores. Achter zijn rug wordt
gefluisterd dat hij zijn vader al veel geld heeft gekost en dat het niet lang
meer zal duren alvorens hij ook deze erfenis er doorheen zal jagen. Een uitnodiging van de notaris om bij hem thuis
een hapje te eten met zijn vrouw en hun dochter Tonia, slaat Frits Ruprecht beleefd
maar resoluut af.
Als hij het
schip verlaten heeft en hij alleen op de kade staat moet de eerste
opwelling van “niets dan heerlijkheid” de
nodige plaats inruimen voor een bepaalde sombere en wordt hij overvallen door zelfmoordneigingen
(“Frits werd tegelijk bevangen door het gevoel maar dadelijk hara-kiri te
zullen plegen”). Hij weet de zelfmoordneigingen te bedwingen en hij wandelt van
de kade naar zijn stadswoning. Onderweg
verbeeldt hij zich dat zijn nicht die zo’n hekel aan hem had, hem weer staat
uit te lachen achter een van die opengeklapte jaloezielatten.
Bij de stadswoning aangekomen doet zijn ouderlijk huis hem denken aan een mausoleum. Hij durft niet naar binnen te gaan, want volgens zijn gevoel waren zijn ouders niet begraven op het kerkhof, maar lagen zijn ouders “in het dichte huis naast elkaar met de ogen wijd open gericht naar het plafond”.
Hij stapt in de oude Ford van zijn vader en rijdt niet naar het kerkhof om het graf van zijn ouders te bezoeken, maar gaat naar “Miraflores”. Op weg stopt hij bij zijn jeugdvriend Karel die inmiddels districtmeester is geworden. De aanvankelijke amicale sfeer van het gesprek slaat om als Karel opmerkt dat hij graag had gezien dat Frits een schim was gebleven en nu niet in levende lijve voor hem had gestaan met jaloezie opwekkende verhalen over Europa. Deze opmerking schiet Frits in het verkeerde keelgat. Hij breekt het gesprek abrupt af en beent boos weg. Hij stapt in de auto en rijdt weg.
Als Frits vertrokken is, vraagt hij zich af of Karel inderdaad zo onvriendelijk was geweest of dat hij misschien woorden had gehoord die nooit zijn uitgesproken, want behalve zelfmoordneigingen, heeft hij ook hallucinaties.
Tegen
zonsondergang komt hij aan in Miraflores. Rentmeester Wantsjo doet het hek voor
hem open. De door slaven opgetrokken muren zijn “Krijtachtig wit, als een gil
in de doorzichtig-groene avond”.
Aangekomen
bij het landhuis schreide “diep in hem een oude, bijna dode stem” als hij denkt
aan zijn moeder die vaak schommelde op het terras van het landhuis. Het gevoel
dat hij nooit meer zijn moeder zou zien schommelen op het terras vervult hem
van “een grote bijna misselijke leegheid”.
Hij loopt
het landhuis binnen. Als hij de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil
gaan “was het of iemand of iets met gloeiende ogen uit de duisternis een sprong
naar hem terugmaakte, hem bij de schouders greep, hem in de oren gilde”.
Doodsbleek slaat hij de deur van de slaapkamer dicht.
“Miraflores” is voor Frits Ruprecht “a trip down memory lane”. Jeugdherinneringen dringen zich op. Hij ziet nog voor zich hoe hij vroeger ging jagen met Karel die hem nu zo vijandig bejegent en hoe zijn nicht met haar helderblauwe ogen en goudkleurige haren hem vaak uitlachte.
“Miraflores” is voor Frits Ruprecht “a trip down memory lane”. Jeugdherinneringen dringen zich op. Hij ziet nog voor zich hoe hij vroeger ging jagen met Karel die hem nu zo vijandig bejegent en hoe zijn nicht met haar helderblauwe ogen en goudkleurige haren hem vaak uitlachte.
Maar vooral
moet hij denken aan Maria, de kleindochter van de rentmeester, die samen met
hem is opgegroeid en waarmee hij vaak op een bankje in de palmentuin zat te
luisteren naar koerende duiven.
Hij heeft
gehoord dat Maria nu onderwijzeres is in de stad en dat zijn vader haar opleiding had bekostigd. Hij vindt dat
verdacht want waarom zou zijn vader de studie van Maria betalen. “Wat den mens
het meest verraadt, blijft nog steeds zijn eigen hart”, merkt hij op. Was zijn
vader ook de vader van Maria en niet Theodoor zoals de officiële vader van
Maria heet. Ondertussen lijkt hij in het schemerdonker een schim van Maria te
zien in het huis, maar dat kan niet, want Maria is onderwijzeres en woont in de
stad.
Voor alle
zekerheid gaat hij in het achterhuis naar de voormalige slaapkamer van Maria. Tot
zijn verbazing is zij daar. Zij is heel blij om hem te zien en zij is na
veertien jaar een volwassen vrouw geworden. Maar net als zij intiem worden,
klinkt er gerammel aan de voordeur. Frits gaat ontstemd naar de voordeur en
treft daar Wantsjo aan. Boos laat hij hem niet uitpraten. “Op het ogenblik, dat
hij de deur voor de neus van Wantsjo wilde dichtsmijten, hoorde hij een gillen
even onwerkelijk als daarstraks toen hij de deur opende van zijn moeders
slaapkamer: “Maria is de dochter van uw vader !!”” Na deze dramatische anticlimax blijft Frits onthutst
en ontnuchterd achter. En zo heeft hij
een zuster gevonden, maar een minnares verloren.
[vervolg klik hier]
[vervolg klik hier]















.jpg)





.jpg)