Posts tonen met het label Jadnanansing Carlo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jadnanansing Carlo. Alle posts tonen

vrijdag 3 januari 2014

Vonnis Cojo, Mentor en Present


door Carlo Jadnanansing

In het zojuist verschenen Surinaams Juristen Blad (SJB 2013 nummer 3) is er een interessant vonnis geplaatst uit 1833 inzake Het Politiek Ministerie ca Cojo of Andries, Mentor of Geluk en Present. Aan laatstgenoemden werd tezamen met nog zes andere beklaagden (verdachten) brandstichting ten laste gelegd. Dit laatste mag als algemeen bekend worden verondersteld. Een voor velen verrassend aspect dat in het vonnis naar voren komt, is dat de brandstichting in verband gebracht werd met een poging om het toenmalige wettige gezag omver te werpen en de staatsmacht over te nemen. Voor zover mij bekend komt dit aspect in de geschiedenisboeken die voor onderwijsdoeleinden op de Surinaamse scholen worden gebruikt niet naar voren.

Uit het vonnis blijkt dat Cojo, Mentor en Present samen met Winst en Tom gezamenlijk een kamp hadden opgezet in het 'Picornobosch' dat aan de rand van Paramaribo moet hebben gelegen. Hun werd ten laste gelegd dat zij onder het plengen van vloeistoffen op de grond een eed gezworen hadden om overal waar zulks mogelijk was, brand te stichten en zoveel mogelijk goederen te bemachtigen. Hierna zouden zij trachten zich te verenigen met andere weggelopen negers en zich met hen te verenigen en een groter kamp op te richten op een verlaten plantage aan de Boven-Surinamerivier. Op deze plantage bevond zich de bekende weggelopen slaaf Pasop die zich aldaar ophield met andere weglopers. Cojo, Mentor en Present zouden met Pasop hebben afgesproken dat zij na deze vereniging met andere weglopers (bedoeld wordt Marrons; CRJ) tegen de blanken en 'vrijlieden' zouden vechten, de stad zouden aanvallen en wanneer zij van voldoende wapens voorzien zouden zijn, zich van het land meester zouden maken. Cojo zou verklaard hebben dat wanneer zij het land hadden overwonnen, hij zich tot opperhoofd daarvan zou laten uitroepen en het land onder zijn mensen zou verdelen.

Wellicht zouden Cojo, Mentor en Present de eersten in de geschiedenis kunnen zijn die een couppoging tegen het wettig gezag hebben beraamd. Cojo, Mentor en Present werden echter na de brandstichtingen gevangen genomen en na hun berechting op barbaarse wijze terechtgesteld. Zij werden door het Gerechtshof ter dood veroordeeld en op de wijze dat zij aan palen vastgebonden, levend verbrand moesten worden.
Het vonnis werd uitgevoerd ten overstaan van het voltallige Hof, de procureur-generaal en de griffier. 

[van Starnieuws, 2 januari 2014]

woensdag 25 september 2013

Rechtsgeldigheid traktaten nader bekeken

door Bert Eersteling

Ik heb zeer bruikbare reacties gekregen op het eerder verschenen artikel naar aanleiding van het artikel van Mr. Carlo Jadnanansing over de kanttekening van Prof. Walther Donner op de vredestraktaten met de bosnegers in de jaren 1760, 1762 en 1764 [zie hieronder – red. CU]. De heer Donner vroeg zich af of de traktaten rechtsgeldigheid hebben. Hij maakte een vergelijking tussen de totstandkoming van het traktaat in Jamaica en de traktaten in Suriname. Hij constateert dat het traktaat in Jamaica onder gezag en met machtiging van de koning van Engeland tot stand is gekomen, terwijl de traktaten in Suriname niet onder gezag/machtiging van de koning zijn geschied, maar onder gezag van de gouverneur en de Raad van Politie en Criminele Justitie. De heer Donner vroeg zich af of Suriname in die periode een onafhankelijke status kende.

De Republiek der Zeven Verenigde Provinciën


Hierop heb ik gereageerd door te stellen dat de heer Donner een retorische vraag heeft opgeworpen, omdat hij zelf weet dat Suriname pas in 1975 een onafhankelijke status heeft gekregen. Uit de reacties die ik kreeg en het raadplegen van enkele historische bronnen, blijkt dat zowel de heer Donner als ik niet erop hebben gelet dat Nederland van 1588-1795 een Republiek werd die uit zeven onafhankelijke staten of provincies bestond. In de Franse tijd werd Nederland zelfs een Eenheidsstaat, die aangeduid werd als de Bataafse Republiek. Deze Eenheidsstaat duurde van 1806-1813. In 1813 herwon Nederland zijn vrijheid en in 1815 riep de uit ballingschap teruggekeerde Willem Frederik, bekend als Koning Willem I, zich uit tot Koning van het Koninkrijk der Nederlanden.


Het is dus logisch dat de Koning nooit de traktaten met de bosnegers kon hebben getekend of onder diens gezag of machtiging kon zijn aangegaan, omdat de koning of het koninkrijk der Nederlanden in de periode van de traktaten in Suriname gewoonweg niet bestonden. Ik ben dan verplicht de denkfout mijnerzijds te corrigeren. Ik schreef namelijk als reactie op de redenering van de heer Donner voor wat betreft de status van Suriname tussen 1760-1764 het volgende: "Omdat Suriname geen onafhankelijk land was, zijn de traktaten dus onder gezag en met machtiging van de koning tot stand zijn gekomen". Dit is zoals eerder betoogd incorrect. Deze foutieve vaststelling is gemaakt zonder goed in herinnering te nemen de kennis die wij hebben opgedaan bij het vak vaderlandse geschiedenis.

In elk geval blijft mijns inziens, ondanks de correctie als hierboven gepleegd, de opgeworpen stelling van de heer W. Donner met betrekking tot de vredestraktaten recht overeind. Het is van belang in de nadere bestudering van dit vraagstuk mee te nemen het feit dat de traktaten herzien zijn na herstel van het koninkrijk der Nederlanden. Ik neem gevoeglijk aan dat de ondertekening van de herziene traktaten wel in naam van het herstelde koninklijke gezag moet zijn geschied.
Dus zijn de traktaten zoals herzien in respectievelijk 1835 en 1837 wel of niet rechtsgeldig?

[uit Starnieuws, 25 september 2013]



Juridische status vredestraktaten vaststellen

door Bert Eersteling

In het artikel 'Marronverdragen zijn een kopie van de Jamaicaanse' van de hand van mr.Carlo Jadnanansing, wordt melding gemaakt van de stelling van mr.dr Walther Donner aangaande de rechtsgeldigheid van de traktaten. In het bedoelde artikel van de heer Carlo Jadnanansing lijkt het erop dat de heer Walther Donner de rechtsgeldigheid van de traktaten met de Aucaners, de Saramaccaners en de Matawai in twijfel trekt, omdat deze traktaten niet in naam van de koning, maar onder gezag of in naam van de gouverneur zouden zijn gesloten. Tenminste indiceert hij in het artikel, door de rechtsgeldigheid aan de orde te stellen, dat er iets juridisch niet in orde zou zijn met de traktaten.

The Maroons in Ambush on the Dromilly Estate in the parish of Trelawney, Jamaica. The painting was done by J. Bourgoin and engraved by J. Merigot. It was published by J. Cribb (London, 1801).


De heer Donner maakt in het artikel, dat verschenen is in het juristenblad, een vergelijking tussen de traktaten van Jamaica en Suriname voor wat betreft de totstandkoming. In Jamaica zou het traktaat namens en met machtiging van de koning tot stand zijn gekomen. In Suriname zou het eerste traktaat (1760) gesloten zijn met de gouverneur en de Raad van Politie en Criminele justitie, die toen als een soort parlement fungeerde. Naar aanleiding van de constatering zoals hierboven aangehaald is, stelt de heer Donner zich de vraag of Suriname toen als een soevereine staat kon worden beschouwd, die zelfstandig bevoegd was om traktaten te sluiten. Overigens een vraag die retorisch van aard is.

Orale geschiedenis
De hoogleraar Donner concludeert volgens het artikel dat er contacten hebben bestaan tussen de Jamaicaanse slaven en de Surinaamse slaven, omdat Araby van de Aucaners, bij een contact met een delegatie van de gouverneur, gerefereerd zou hebben aan het traktaat dat gesloten werd met de Maroons in Jamaica.


Of de voornoemde conclusie van de heer Donner met de door hem aangehaalde onderbouwing correct is, kan ik niet beoordelen. Het kan wel zo zijn dat de heer Donner ook kennis draagt van wat zeker in de orale geschiedenis bekend is, namelijk dat een van de Aucaanse onderhandelaars, de heer Boston Band, een bijzonder belangrijke rol vervuld heeft bij de totstandkoming van het traktaat met de Aucaners in 1760. Deze Boston Band behoorde tot de Compai clan of lo, en zou het schrijven en lezen machtig zijn. Hij was slaaf in Jamaica, maar belandde later (niet bekend hoe en wanneer) in de kolonie Suriname.

Hij ontvluchtte de slavernij en voegde zich bij de clan/lo der compai-nenge. Deze clan/lo komt voor in de dorpen Mpusu, Poowi en Tjong-tjong aan de Tapanahony. Een grote groep compai-nenge uit Poowi woont ook in het misidjan-nenge dorp Lebidoti aan de Sarakreek. Kennelijk heeft Boston Band de ervaringen van Jamaica voor wat de vredesverdragen betreft naar de bossen van Suriname meegenomen. Dr. Silvia de Groot heeft in een van haar pennenvruchten gewag gemaakt van de wezenlijke bijdrage van Boston Band aan het vredesverdrag met de Aucaners. De conclusie van de heer Donner kan ook aan deze informatie van S. de Groot haar grondslag gehad hebben.

In elk geval heb ik met de twee voorbeelden willen aangeven dat het geen nieuwe inzichten of assumpties zijn dat een verband gelegd kan worden tussen de vredesverdragen van Jamaica en Suriname. Er kunnen ook meerdere bewijsbare argumenten bestaan, die goed en helder de relatie tussen de twee vredesverdragen aangeven. Vooralsnog houd ik het op deze informatiebronnen, namelijk de orale lezing die de afkomst van Boston Band aangeeft en de vermelding van Silvia de Groot over de bijdrage van Boston Band aan het vredesverdrag met de Aucaners.

Rechtsgeldigheid Surinaamse traktaten
Ik weet niet waarom, en met welk juridisch argument de heer Donner meent te moeten vaststellen of vermoeden, dat er verschil bestaat in het tekenen van het traktaat in Jamaica in naam van de Koning en onder zijn machtiging en de in Suriname getekende traktaten door de gouverneur en een soort parlement.

Suriname was in 1760 absoluut nog een kolonie van Nederland waarbij alles in naam van de Koning en onder diens machtiging werd gepleegd. Het lijkt mij interessant om de ordonnantiën van die periode te raadplegen om goed vast te stellen welke correspondentie heeft plaatsgevonden tussen het koloniaal bestuur en het koningshuis voor, tijdens en na de totstandkoming van de vredestraktaten. Het is ook voer voor juristen, historici en anderen om aan de hand van feitenmateriaal vast te stellen of er sprake is van rechtsgeldigheid of niet van de vredestraktaten.


Onverminderd het resultaat van het bovenstaande, blijkt dat de traktaten in Suriname, zeker voor een periode hun functionaliteit hebben bewezen. Want er was een afbakening waarbinnen de bosnegers zich vrijelijk konden bewegen. Er waren controleposten waar posthouders geplaatst waren. Het traditionele gezag functioneerde buiten of naast de jurisdictie van het gezag in Paramaribo.

Het traject dat de bosnegers moesten volgen om zaken te doen in Paramaribo was ook bekend. Bij de herziening van het vredestraktaat van 1760 is na onderhandeling dit traject gewijzigd. Er zijn, zij het zeer marginaal, mensen overgeleverd aan het koloniaal bestuur. De ordenings- en rustscheppende functie van de traktaten hebben voor bepaalde momenten in onze geschiedenis waarde gehad. Uiteraard is gedurende deze periode onder ander de Boni-oorlog ontstaan. Een oorlog die overigens een ruimer bevrijdingsdoel had.

Conclusie
Ik vind dat de professor, zoals ik hem van zijn artikelen ken, met zijn bijdrage een poging heeft ondernomen om Surinamers aan het denken te zetten over het onderhavige vraagstuk. Dat moet als zeer lofwaardig gezien worden. Met dit specifieke onderwerp wil hij kennelijk bevorderen dat er van uit het nationaal oogpunt een Suricentrische benadering wordt gegeven aan onze geschiedbeschrijving. Laat de Surinamers een goed onderbouwde mening geven over de vredestraktaten. Immers er zijn mensen die de vredestraktaten als bron/middel willen gebruiken om de 'grondenrechten' aan te vechten. De vraag is daadwerkelijk om vast te stellen wat de juridische status of waarde van deze vredestraktaten zijn.

Ik heb mijn persoonlijke visie over deze traktaten. Om strikt strategische reden ga ik hierover geen uitspraak doen. Ik feliciteer de Saramaccaners met het feit dat op 19 september 1762 het vredestraktaat met hun voorouders getekend werd. De Aucaners herdenken over drie weken het feit dat op 10 oktober 1760 het vredestraktaat getekend werd met hun voorouders. Ook alvast gefeliciteerd.

[uit Starnieuws, 22 september 2013]

'Marronverdragen zijn een kopie van de Jamaicaanse'

door Carlo Jadnanansing

In het zojuist verschenen tweede nummer voor 2013 van het Surinaamse Juristen Blad heeft Mr.Dr.W. Donner in een belangwekkend artikel een nieuw licht doen schijnen op het karakter van de Marronverdragen. Het is bij velen niet bekend dat er een historische relatie bestaat tussen de verdragen die in de toenmalige kolonie cq het wingewest Suriname gesloten waren met de Marrons en die welke in Jamaica waren afgesloten met de aldaar wonende Marrons. Hieruit blijkt overigens dat de term Marrons niet uniek is voor Suriname, maar wellicht een vertaling is van het Engelse Maroons.
 
Jamaican Maroon Captain Leonard Parkinson, 1796.
 Engraver Abraham Raimbach.
 From B. Edwards, The Proceedings of the Governor
 and Assembly of Jamaica, in Regard to the Maroon Negroes.
In de 18e eeuw kwamen in Jamaica twee vredesverdragen tot stand tussen de Maroons en het bestuur aldaar, namelijk in 1737 en 1738. In Suriname kwam nauwelijks twintig jaar daarna, in 1760 het traktaat met de Aukaners, dat thans als nationale dag wordt gevierd, tot stand en in 1762 het traktaat met de Saramaccaners.

Donner verwijst naar zijn boek over de Marronoorlogen, waarbij hij stelt dat de toenmalige gouverneur een delegatie stuurde naar de opperbevelhebber der Aukaner Strijdkrachten Araby om tot een vergelijking te komen. Dat er contact bestond tussen de Marrons in Suriname en die van Jamaica blijkt uit het feit dat Araby verwees naar de verdragen die in Jamaica waren gesloten met de Engelsen. Hij was bereid onder dezelfde voorwaarden als op Jamaica vrede te sluiten.

Donner wijst erop dat de verdragen in Jamaica gesloten waren namens en met machtiging van de Koning. In Suriname werd het eerste traktaat gesloten met de gouverneur en de Raad van Politie en Criminele Justitie, dat toen als een soort parlement fungeerde. Donner vraagt zich af of Suriname toen als een soevereine staat kon worden beschouwd, die zelfstandig bevoegd was om traktaten te sluiten. Hij stelt de rechtsgeldigheid van zowel de Surinaamse als Jamaicaanse aan de orde. De vraag is of de Marrons een eigen staat vormden.
Om te kunnen spreken van een staat is de afbakening van het grondgebied, territorialiteit, noodzakelijk. Noch de Jamaicaanse, noch de Surinaamse Marrongebieden zijn ooit door een soevereine staat als nationale staat erkend. Vandaar dar de auteur zijn twijfel uitspreekt over de rechtsgeldigheid van de traktaten.

Behalve het artikel van Donner bevat het jubileumnummer van het SJB, dat haar 50-jarig bestaan met dit jaar 2013 viert, vele andere interessante artikelen onder andere over het Surinaams Ruimtelijk Ordeningsrecht dat middels het Ministerie van ROGB regelmatig in de belangstelling staat van de hand van twee Nederlandse rechtswetenschappers Turenhout en Verbruggen. Verder van de hand van Van Genderen-Naar een artikel over de voorlopige toepassing van verdragen en overeenkomsten zoals de EPA en de Grondwet van Suriname. Belangrijk is verder ook de herplaatsing van een artikel van Halfhide over eigendom van delfstoffen, welk artikel door de auteur (oud-advocaat) geactualiseerd is.

[uit Starnieuws, 15 september 2013]


woensdag 21 augustus 2013

Oorstrelende Fusion Jazz op Carifesta

door Carlo Jadnanansing


In een totaal uitverkochte bankethal van Hotel Torarica vond op 18 augustus 2013 de jazzaftrap plaats van het Carifestafestijn onder regie van Ann Hermelijn. Ik beperk mij in deze bespreking tot de Surinaamse groepen.
Pablo Nahar. Foto @ Michiel van Kempen

Pablo Nahar, onze (contra) bassist van internationale allure, was in dit gebeuren de leidende figuur. Eerst trad hij op met zijn Pablo Nahar Trio, dat naast hem bestond uit Harvey Wirht, een drummer van Surinaamse afkomst, die in de USA woont en vele internationaal beroemde artiesten heeft begeleid, en Robin van Geerke die als toetsenist vooral in Nederland zijn sporen heeft verdiend.
Het trio werd aangevuld met twee kundige blazers uit Nederland, Efraim Trujillo en Michael Simon. Pablo is één van de grondleggers van een in Nederland ontwikkelde nieuwe stroming in de jazz, “de Paramaribop”. Dit laatste is een unieke combinatie van Afro-Surinaamse en Caribische ritmes en de meer abstracte en complexe harmonieën uit de Jazz & Bebop.

Vermeldenswaard is dat Pablo in New York in de leer is geweest bij Frank Foster voor het componeren en arrangeren van muziek. De naam ervan doet reeds de vermoeden dat deze stijl veel kaseko-elementen bevat. Maar behalve Paramaribop werd het geestdriftige publiek dat voor een belangrijk deel uit echte jazzliefhebbers leek te bestaan, tijdens het optreden van meer dan één uur ook getrakteerd op internationale nummers.
Sonny Khoeblal

Voor mij was echter de grote verrassing van de avond het Afro Bhole Jazz Project. De naam geeft aan dat het gaat om een jazz fusion met Afrikaanse en Indiase invloeden. De samenstelling van het ensemble was Pablo Nahar (bass), Sonny Khoeblal (keyboards), Shailendra Madari (tabla), Wilgo Telting (saxofoon) en Harvey Wirht (drums). Vermeldenswaard is dat Harvey recentelijk als gastdocent drie maanden jazzlessen heeft verzorgd in India en daardoor ook kennis gemaakt heeft met de Indiase muziek. Het resultaat van de samenwerking van deze musici is ronduit verbluffend. De composities/arrangementen van Sonny in samenwerking met Pablo bevinden zich nog duidelijk in een experimentele fase, maar houden een grote belofte in voor de toekomst. Het publiek genoot zichtbaar van het vraag- en antwoordspel tussen keyboards en tabla, maar ook tussen de twee percussie-instrumenten tabla en drums.
Harvey Wirht

Wellicht de grootste verrassing van de avond was het niet aangekondigde optreden van de meester-fluitspeler Ronald Snijders. Hij bracht zijn gehoor in vervoering met zijn eigen compositie Tabla, waarbij hij op magistrale wijze het geluid van de tabla op de fluit liet horen. Maar toen hij zijn kort optreden eindigde met Saramacca, eveneens een eigen compositie, stond het publiek op en danste mee op de aanstekelijke kasekotonen. Gran Tangi Maestro!

De slotsurprise van de geslaagde jazzmanifestatie was het optreden van de Assemble of the Green Conservatory of Suriname. Helaas begon dit optreden pas om kwart over elf in de avond waardoor een belangrijk deel van het publiek de zaal reeds verlaten had. De overgeblevenen hebben echter kunnen genieten van een sprankelende show. Het is bijna niet te geloven dat het studenten waren die op het podium stonden. Een niet-ingewijde fluisterde mij zachtjes toe: “Ik hoor geen verschil tussen deze studenten en de professionals hiervoor”. Vooral de blaassectie bestaande uit vier blazers kwam sterk naar voren. Het nadeel was dat supertalent Jason Eduards (basgitaar) iets minder goed hoorbaar was.
Ronald Snijders

De geluidsweergave was excellent. Begrijpelijk, want niemand minder dan onze befaamde toetsenist/componist Etienne Stadwijk had hierover de leiding. Overigens vond ik dat de rol van Etienne bij de openingsceremonie onvoldoende is belicht. Behalve music-director tevens toetsenist heeft hij ook vrijwel alle composities die op de indrukwekkende openingsceremonie van 16 augustus 2013 te horen waren, zelf geschreven en wel in een recordtijd! Het unieke duel tussen tabla en gamalan is bijvoorbeeld zijn creatie.

M.C. Alida Neslo overdreef niet toen ze opmerkte dat je voor goede jazz niet speciaal naar Noth Sea Jazz hoeft te gaan.
Carifesta XI kan ook!

[uit Dagblad Suriname, 21-08-2013]


zaterdag 3 augustus 2013

Humor, weemoed en ontroering in Jouw mooie kapitein

Subliem acteerwerk van Maikel van Hetten

 door Carlo Jadnanansing

Een stoel, een kapmes, een afgedragen jas, een matras op de grond en een cassetterecorder op een wankele tafel, vormden het povere decor van het toneelstuk Jouw mooie kapitein dat op 25 juli 2013 in Surinaamse première ging in theater Unique.

De airconditioning was uitgedaan om het geluid beter tot zijn recht te doen komen. De daardoor ontstane drukkende tropisch hitte versterkte de emotioneel geladen sfeer die het stuk opriep. Er was maar één speler, de Haitiaanse gastarbeider Wilnor, werkzaam in Guadeloupe, verpersoonlijkt door de in Nederland wonende Surinaamse acteur Maikel van Hetten.

Maikel van Hetten

Toch was er een constante dialoog in het door de Franse schrijfster Simone Schwarz-Bart geschreven werk. Dit komt omdat Wilnor via een cassetterecorder communiceerde met zijn in Haïti wonende vrouw Marie-Ange (stem van de bekende Curaçaose zangeres Izaline Calister).
De prachtige Nederlandse vertaling is van de hand van Lucia Nankoe, een in Nederland wonende literatuurwetenschapper en expert in de Caribische literatuur, naar wier idee het drama is gemaakt. Het thema van het stuk is universeel en tijdloos. Het is het eeuwige verhaal van een man uit een arm land die om zijn gezin te verzorgen in een rijk land gaat werken met achterlating van huis en haard. De problemen die daarbij ontstaan hebben eveneens een universeel karakter. Hoe zit het met de huwelijkstrouw in de periode van de scheiding door middel van een latos (living apart together overseas) relatie?  “Een vrouw heeft een man nodig en een man heeft een vrouw nodig. Dit is de wet van het leven, teneinde te bewerkstelligen dat het leven voortgang vindt”, aldus de boodschap van het stuk.

Als Marie-Ange per cassetterecorder opbiecht dat ze – zij het onder druk – bezweken is voor de charmes van de koerier die haar de enveloppe met geld moest brengen, breekt de hel los voor Wilnor. Hij kan zijn emoties nauwelijks de baas, maar weet zich op bewonderenswaardige wijze te herstellen. Hiermee toont hij inderdaad een waardige kapitein te zijn die het schip van het leven op kundige wijze weet te besturen.

Van Hetten geeft op unieke wijze niet alleen met woorden, maar nog meer door zijn robotachtige maar ritmische dansbewegingen, uitdrukking aan zijn emoties. Zijn dans lijkt pijlen af te vuren op het publiek, die rechtstreeks het hart treffen. Het literaire taalgebruik is eveneens doeltreffend.
“Scheiding is als een oceaan, waarin menigeen verdrinkt”.


“Tussen waarheid en verdichtsel ligt een glibberig pad”
Van Hetten is er geslaagd vanaf hij het podium betrad, zijn kapmes op de grond wierp,  en een slok nam uit de bijna lege fles met rum, tot aan het einde van het  één uur durende theaterstuk, de aandacht van het publiek vast te houden.

Tijdens de discussie die na het stuk volgde, zei Lucia Nankoe dat zij getroffen was door de waardigheid en vergevingsgezindheid van de hoofdpersoon. De Caribische man zou naar haar zeggen op een voetstuk geplaatst zijn.

Dat een toneelstuk voor verschillende interpretaties vatbaar is, is duidelijk gebleken. Anders dan Nankoe waren enkelen van mening dat Wilnor wel begrip getoond heeft voor het overspel en de daardoor ontstane zwangerschap van zijn vrouw, maar dat het geenszins zijn bedoeling was naar haar terug te keren. Hij zou haar alleen het beste hebben toegewenst en dus slechts afstand gedaan hebben van wraakgevoelens waar velen last van hebben.

Hoe het ook moge zijn, Van Hetten heeft als Wilnor een personage neergezet dat het publiek afwisselend liet lachen en ontroerde. Nu onze oudste theatergezelschap Thalia zich primair lijkt toe te leggen op het verhuren van haar accommodatie, is het voor het theaterminnende publiek een verrassing om op een dergelijk stuk van hoog niveau vergast te worden, ook al moet het van overzee komen. Het verzoek om voorstellingen voor de middelbare-schooljeugd kon door Nankoe niet worden ingewilligd, daar de speler en technici binnen enkele dagen weer moeten vertrekken.
Merci beaucoup au beau capitain Wilnor et toute la organisation!

[uit Dagblad Suriname, 30-07-2013]


zondag 5 mei 2013

Ode aan muzieklegende Helstone

Geoffri Bel brengt Helstone tot leven

door Carlo Jadnanansing

Postzegel met J.N. Helstone

Op het Kerkplein te Paramaribo staat er een monument voor de musicus Helstone. De meeste voorbijgangers lopen achteloos verder zonder enig besef te hebben van de verdiensten die deze grote zoon van Suriname voor Mama Sranan gehad heeft op het gebied van de muziek. Ook buiten onze grenzen en met name in Duitsland, geniet Helstone bekendheid. De Nationale Volksmuziekschool heeft besloten de componist/musicus wederom voor het voetlicht te halen. Dit gebeurde door het organiseren van een concert op dinsdag 30 april 2013 in Thalia.
De Stichting Ilse Boon Fonds heeft dit gebeuren financieel mogelijk gemaakt. De officiële voornamen van Helstone zijn Nicodemus Johannes, maar hij noemde zichzelf “Johannes Nicolaas Helstone”. In de volksmond stond hij bekend als “Masra Klaas”. Hij werd geboren op 11 januari 1853 te plantage Berg en Dal. Helstone studeerde aan het Koninklijk Conservatorium van Leipzig, waar hij in 1894 cum laude afstudeerde. Ondanks vele aanbiedingen om in het buitenland te werken, verkoos Helstone in zijn geboorteland te blijven wonen en te arbeiden. Zijn favoriete instrument was het klavier (piano). Hierop werden zijn composities geboren.
Zij beroemdste creatie, waarmee hij tot buiten onze grenzen bekendheid verwierf, was Het Pand Der Goden (opera).
“Op 24 april 1927 sliep onze componist in knielende houding zachtkens in” (citaat Kerkbode in het programmaboekje van het concert).
Het Helstonemonument, opgericht in 1948 aan het Kerkplein. Foto: C.R. Singh

De Nationale Volksmuziekschool slaagde erin een indrukwekkend orkest van bijkans vijftig musici op de been te brengen met Riëlle Mardjo en Bud Gaddum als dirigenten. De arrangementen, orkestraties en programmasamenstelling zijn van Waldemar Ong Alok. Het orkest werd ondersteund door het gemengd koor Troki onder leiding van dirigent Harold Telgt en koorschool Kokriki Plus onder leiding van Mavis Noordwijk, welke beide koren ook goed waren voor ongeveer vijftig personen.

Het podium van Thalia leek te klein voor het imposante aantal musici en zangers en dreigde uit zijn voegen te barsten onder het muzikale geweld (in positieve zin) dat zich op en boven haar planken afspeelde. Het orkest bestond uit studenten en docenten van de Nationale Volksmuziekschool aangevuld met enkele gastspelers. Vrijwel alle instrumenten die voor een symfonieorkest benodigd zijn, leken aanwezig te zijn. Opvallend was vooral de grote vioolsectie bestaande uit zowel zeer jeugdige als oudere violisten. De organisatoren hebben knap werk verricht. Zij zijn erin geslaagd van deze melange van spelers van verschillend niveau, toch een harmonisch geheel te maken. Het concert werd ademloos beluisterd door het goed opgekomen publiek dat de duur van bijkans een uur duidelijk te kort vond. Na het einde bleven velen zitten, blijkbaar wachtend op meer!
Het optreden van Geoffri Bel, steracteur van On Stage (Richard III), gaf het geheel een bijzonder karakter. In een door Karin Lachmising geschreven en door Helen Kamperveen geregisseerde monoloog beeldde Geoffri op schitterende wijze enkele hoogtepunten uit het leven van Helstone uit. Dit gebeurde simultaan met het spelen van het orkest, echter zonder dat de gesproken teksten de muziek hinderden. Prachtige theatrale vondst van On Stage! Het is wel jammer dat een dergelijke muzikale en dramatische krachttoer slechts als éénmalig bedoeld was. Ik doe een dringend beroep op de organisatie om meerdere uitvoeringen te verzorgen vooral voor de oudere schooljeugd. Sponsors voor een dergelijk cultureel hoogstandje kunnen zeker worden gevonden. Als het in Thalia gepresenteerde op onze Carifesta gebracht zou worden, ben ik ervan overtuigd dat ons land een goede indruk op het publiek zou maken.

In ieder geval is Helstone op waardige wijze herdacht en de organisatie heeft ervoor gezorgd dat ik mijn hart verpand heb aan Het Pand der Goden.

[uit Dagblad Suriname, 04-05-2013]


maandag 26 november 2012

Jadnanansing in de slag met Evers & Van Maele


Evers & Van Maele

door Rolf van der Marck

De gepensioneerd notaris en rechtskundige Carlo Jadnanansing is ongetwijfeld een veelzijdig scribent, want behalve rechtskundige verhandelingen in vaktijdschriften, dikwijls ook in de krant maar dan in begrijpelijke taal, zien wij – sinds hij er de tijd voor heeft – ook veel muziekrecensies van hem in de krant. Nu heeft hij vriend en vijand verrast met twee volle pagina’s boekrecensie van het boek Bouterse aan de macht van de journalisten Evers & Van Maele in Dagblad Suriname, echter hinderlijk verdeeld over twee dagen (23 en 24 november), zodat je ergens aan begint waarvan je niet weet hoe het afloopt. Zou dat opzettelijk zijn omdat hij ook nog niet wist hoe het zou aflopen?

Dat vond ik al irritant, evenals de veel te lange en ingewikkelde kop, die luidt: “Reflecties naar aanleiding van: ‘Bouterse aan de macht’ | Pleidooi (contrecoeur) voor ons staatshoofd? (deel 1).” Wat ik me afvroeg voor ik eraan begon, bleek achteraf juist, Jadnanansing komt er evenals de auteurs van Bouterse aan de macht niet uit, vandaar waarschijnlijk dat hij het ‘reflecties’ noemt. Jadnanasing volgt als het ware met instemming de benadering van Evers & Van Maele in hun boek, een soort golfbeweging van nauwelijks verholen bewondering voor de ‘good guy’, zo hier en daar onderbroken door de ‘bad guy’, de drugsveroordeelde en van meervoudige moord verdachte couppleger, waar ze uiteraard niet omheen kunnen.

Aan het slot verschuilt Jadnansing zich echter achter de auteurs van het boek waar hij zegt: “Het lijkt erop dat de auteurs aan het einde van hun verhaal gekomen zijnde, beseffen dat de redelijk positieve toon ervan met betrekking tot ons staatshoofd weleens in hun nadeel zou kunnen uitvallen. (…) Vandaar dat de slotzin in mineur geschreven moest worden, teneinde de verkoopbaarheid van het boek niet negatief te beïnvloeden.” Met andere woorden, ook het slot van het boek had in feite redelijk positief van toon moeten zijn. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Jadnanansing daarin volledig meegaat. Hoe dan ook, we komen niet te weten of het een pleidooi is of een pleidooi?.

Carlo Jadnanansing
Het verwijt van Jadnanasing dat Evers & Van Maele veel te wijdlopig zijn, treft ook hemzelf, twee volle pagina’s DB is wel heel veel van het goede. Met een kritische instelling en een rode pen in de aanslag had hij hooguit driekwart pagina overgehouden, ruimschoots voldoende om zijn boodschap over te brengen. Nu heeft hij ongetwijfeld potiëntiele lezers voortijdig doen afhaken.

Jadnanansing besluit met twee door de auteurs genoemde gevleugelde Surinaamse zegswijzen te citeren, waarvan ik deze wil aanhalen: “Het ondenkbare is in Suriname denkbaar”. Waarom realiseren Evers & Van Maele zich dat al op pagina 28 (volgens Jadnanansing) van hun boek, zonder daar consequenties uit te trekken? Want dat Bouterse president werd, was ondenkbaar. Waarom hebben zij niet gereflecteerd op dat ondenkbare gegeven?  En, hoe het ondenkbare weer denkbaar te maken? Ook vanwege de verkoopcijfers?

maandag 2 april 2012

Anil Ramdas krijgt bijzondere herdenking

door Euritha Tjan A Way


Paramaribo - Met de jazzy tonen van het muziekensemble onder leiding van Sonny Khoeb-lal, werd de juiste sfeer gecreëerd om afscheid te nemen van schrijver en journalist Anil Ramdas.

Gepast, omdat Ramdas een muziekliefhebber was en zeker de pittige bastonen op prijs gesteld zou hebben. Tijdens het eerste deel van de avond kwamen vertegenwoordigers van de organisatie Sociëteit Republiek Suriname (So-res), Multiculturele Televisie Nederland (MTNL) en Organisatie Hindoe Media (OHM) aan het woord om allen het belang van het werk van Anil Ramdas aan te geven. Ruud Chander ex-directeur MTNL vertelde over de karaktereigenschappen van Ramdas.



Carlo Jadnanansing leest een stuk voor uit het boek Badal van Anil Ramdas.




“Onze gesprekken waren diepgaand, maar soms botsend. We waren een religieuze omroeporganisatie en de ouderen vonden de onderwerpen die Anil besprak niet altijd even prettig. Maar voor hem was de boodschap belangrijk en dat konden wij wel waarderen.” De rest van de sprekers gaf ongeveer hetzelfde beeld van Ramdas; een man die geen blad voor de mond nam, de grens opzocht, zeer rechtvaardig was en zijn toehoorders aanzette tot nadenken.

Boeken
Middels voorleessessies kon de goedgevulde TBL-zaal woensdag ook kennis maken met het geschreven werk van Ramdas. Lila Gobardhan en Carlo Jadnanansing lazen elk een stuk voor uit twee van zijn boeken, waarbij duidelijke werd dat Ramdas een taalvirtuoos was. Gobardhan: ”Hij weet je met de eerste zinnen al te pakken en dan moet je gewoon doorlezen.” De voorleessessies waren zo indrukwekkend dat Hennah Draaibaar die de avond aan elkaar sprak en zelf aangaf Ramdas niet zo goed te kennen, zijn laatste boek Badal gelijk wilde aanschaffen (had ze zich goed voorbereid, dan was dat natuurlijk al gebeurd).

Documentaire
Het tweede deel van de avond bestond uit een korte documentaire over het leven en werk van Ramdas. Kennissen, collega’s en mensen die geparticipeerd hadden aan zijn televisieprogramma kwamen aan het woord en vertelden over Anil. De documentaire laat ook zien waarom Ramdas niet ieders favoriet was. Hij was scherp in zijn oordeel en keek kritisch naar de hindostaanse cultuur en multicultureel Nederland. Eén van zijn gewezen makkers Stephan Sanders las een uitspraak voor van Ramdas die luidde: Hindostanen willen in twee werelden leven. Ze willen de tradities van het Oosten en de vooruitgang van het Westen.

In de documentaire is te zien dat Ramdas onderwerpen bespreekbaar maakte en presenteerde, die baanbrekend waren. Hij presenteerde ook het eerste programma waarbij hindostaanse vrouwen openhartig spraken over mishandeling en echtscheiding. Jammer genoeg kwam niemand van zijn familie aan het woord. Bezoeker Annet Callender vond deze herdenking absoluut waard.” Zijn taalgebruik was bijzonder, hij was een goede observer en gaf dingen zo plastisch weer, waarbij hij iedereen besprak, zowel hindostaan als creool. Jammer dat er geen discussie aan gekoppeld was. Maar deze documentaire moet beslist voor een groter publiek vertoond worden.”

Zelfmoord
Zowel Jadnanansing als Gobardhan vond de avond geslaagd en het aantal aanwezigen was boven verwachting. Op de vraag waarom geen van de sprekers iets heeft gezegd over zijn zelfmoord op 16 februari jongstleden op 54-jarige leeftijd, menen beiden dat het niet aan hun is iets erover te zeggen. Gobardhan: “ Je moet iemand zijn besluiten respecteren, dus ik zal daar niets negatiefs over zeggen.” Eén van de uitspraken van Ramdas was dat zelfmoord de hoogste vorm van beschaving is.


[uit de Ware Tijd, 30/03/2012]

donderdag 29 maart 2012

Sores herdenkt Anil Ramdas in TBL

door Euritha Tjan A Way


Paramaribo - Anil Ramdas was niet ieders favoriet, maar zijn schrijftalent wordt wel door velen erkend. Om zijn nalatenschap te eren en om het belang van zijn werk te accentueren, organiseert De Sociëteit Republiek (Sores) in samenwerking met TBL Cinemas een herdenkingsbijeenkomst. Carlo Jadnanansing die daarvan de trekker is, meent dat het werk van de op 16 februari overleden Ramdas Suriname bekendheid gaf.

Decor“Het was niet altijd positief, dat moet ik toegeven, maar hij gebruikte Suriname altijd als decor voor zijn verhalen en dat gaf bekendheid.” Ramdas was volgens Jadnanansing vooral bekend bij de autochtonen in Nederland en de literaire wereld in Suriname. “Zijn boeken waren op een hoog niveau geschreven en niet voor iedereen even makkelijk te lezen. Onder de Hindostaanse bevolking in Nederland verkreeg hij meer bekendheid door zijn radioprogramma’s bij de Organisatie Hindoe Media (OHM... red.) en bij de VPRO.”


Rechts: De vorige maand overleden schrijver Anil Ramdas.
Columnist Sandew Hira onderschrijft het talent van Ramdas in zijn column door te schrijven dat het overlijden van Anil een enorm verlies aan schrijverstalent betekent: “Je kunt het oneens zijn met iemand en toch zijn talenten onderkennen. Ramdas is ontegenzeggelijk een imposante intellectueel geweest. Samen met zijn virtuoze beheersing van de taal was hij in staat in zijn columns, artikelen en boeken complexe vraagstukken van cultuur, identiteit en de multiculturele samenleving te pakken in treffende bewoordingen. In de grote discussies van deze tijd stond hij aan de goede kant: tegen het groeiende racistische klimaat in Nederland, voor erkenning van diversiteit en vrijheid van meningsuiting en tegen de arrogantie van de macht.”

MuziekfanOmdat Ramdas ook van muziek hield, is er ook een muzikaal deel verbonden aan de herdenking. “In zijn laatste boek Badal, merk je duidelijk hoeveel hij ervan hield. Dus Sonny Khoeblal zal met een jazzformatie enkele favoriete muziekstukken van de schrijver ten gehore brengen.” De herdenking is morgen van 19.00 tot 20.30 uur in één van de zalen van TBL Cinemas. Er zal ook een door OHM-Nederland gemaakte productie over de schrijver worden vertoond, terwijl enkele sprekers hun ervaringen met Ramdas, met het publiek zullen delen.

De overleden schrijver is onderscheiden met de prestigieuze E. du Perronprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2011 bracht hij zijn eerste en laatste roman Badal uit. Dit boekwerk handelt over de overlevingsstrijd die een gekleurde intellectueel moet voeren in een als tolerant bekend staande (blanke) samenleving, waar naar de mening van de auteur racistische tendensen weer de kop op beginnen te steken.

[uit de Ware Tijd, 28/03/2012]

Foto: @ Ivo van der Bent

zondag 15 januari 2012

Vader Surinaams volkslied geëerd

door Donovan Mijnals

Paramaribo - Zesendertig jaar na de staatkundige onafhankelijkheid van Suriname werd donderdag een kopstuk van Henry Frans de Ziel onthuld. Het kopstuk is vervaardigd door Erwin de Vries. Nadat de eerste versie door onverlaten is gestolen en daarna nooit is teruggevonden, maakte De Vries uit eigen middelen een tweede.

De Ziel die beter bekend staat als Trefossa was de schrijver van het nationale volkslied en de bedenker van het woord Srefidensi. Srefidensi is het Sranan-equivalent van het woord onafhankelijkheid.



Trefossa is donderdag vereeuwigd met een door Erwin de Vries vervaardigd kopstuk aan de oostzijde van het Presidentieel Paleis. Het Surinaams volkslied is door hem geschreven. Rechts op de foto Erwin de Vries. (Foto: @ Stefano Tull)

Totstandkoming

De stichting H.F. De Ziel, Carlo Jadnanansing en verzekeringsmaatschappij Self Reliance hebben allen een bijdrage geleverd bij de totstandkoming van dit kunstwerk. Maar ook vanuit de regering is ondersteuning verleend.



Twee kinderen helpen de gedenkplaat bij het kopstuk van Trefossa te onthullen. Op de plaat staat het door de dichter geschreven Surinaams volkslied gegraveerd. (Foto: @ Stefano Tull)

Gedurende Trefossa zijn leven heeft de dichter zich voortdurend ingezet voor de erkenning van het Sranan als een taal waarin eveneens prachtig geschreven kan worden. Hij gaf daarbij het voorbeeld door zelf gedichten in die taal uit te brengen. Ook maakte hij zich sterk voor natievorming. In de tekst van het volkslied, waarin hij oproept het land op te bouwen, komt dat ook heel sterk naar voren. “Helaas is die droom van natievorming nog geen realiteit geworden”, benadrukte Johan Roozer, voorzitter van de stichting F. H. de Ziel in zijn speech.

Onthulling

Bij de onthulling waren enkele hoogwaardigheidsbekleders en andere bekende Surinamers aanwezig. Denise Jannah bracht een gedicht van Trefossa ten gehore dat ze op muziek gezet heeft. Verder kon het publiek ook genieten van de Politie kapel. Helga Held was namens de familie afgevaardigd om bij de plechtigheid aanwezig te zijn. In een zeer bewogen speech deelde Held met het publiek dat ze met een dubbel gevoel aanwezig was. De familie moest onlangs afscheid nemen van Hilda de Ziel, een zus van Trefossa.

Hilda was onder meer naar Suriname afgereisd om de vereeuwiging van haar broer speciaal mee te kunnen maken, maar zag die wens niet in vervulling gaan. “Ze was zoveel van plan. Onder meer zijn nalateschap nader bekijken en naar het archief gaan...” Maar dan stokt haar stem en ze krijgt het even te kwaad.

Toch gaat ze dapper verder met haar relaas. “Hilda, als ik er niet meer ben, zorg dat de kinderen toegang hebben tot alles wat ik heb geschreven”, zou Trefossa zijn zus in de laatste momenten van zijn leven gesmeekt hebben. “Ik laat dit na aan het Surinaamse kind.” Held hield de menigte verder voor dat hoewel er geen mannelijk nageslacht is om de naam De Ziel voort te zetten, die toch zal blijven bestaan, en wel in eenieder.

“Want ieder mens heeft een ziel”.-.


Gronmama

Mi a no mi solanga mi brudu
fu yu a n’e trubu
na ini den dusun titei fu mi
Mi a no mi solang mi lutu
n’e saka, n’e sutu
mi gronmama
Mi a no mi solang m’no krari
fu kibri, fu tyari
yu gersi na ini mi dyodyo.
Mi a no mi solanga y’ n’e bari
f’ prisir’ ofu pen
na ini mi sten.


Trefossa, pseudoniem van Henri Frans de Ziel
(Paramaribo, 15 januari 1916 — Haarlem, 3 februari 1975)

Trefossa was in Suriname onderwijzer, redacteur en bibliothecaris. Hij schreef het volkslied van Suriname ‘God zij met ons Suriname’ (Opo! Kondreman): God zij met ons Suriname. Hij verheff’ ons heerlijk land. Hoe wij hier ook samen kwamen. Aan zijn land zijn wij verpand.

Wat Trefossa kon, deed hij met taal. Door alle Surinamers één taal te geven, wilde hij eenheid in het land brengen. De boodschap die Surinamers te vertellen hadden, moest worden gehoord. En ze moest worden uitgesproken in een ‘eenheidstaal’ die alle verschillende bevolkingsgroepen met elkaar zou verbinden. Trefossa maakte duidelijk dat de Surinaamse taal, het Sranan, meer was dan een soort Neger-Engels, slaven- of markttaal. Hij maakte er literatuur van, verdichtte de werkelijkheid in het Sranan en bedacht nieuwe woorden.


Trefossa en zijn vrouw Hulda Walser

De dichter Henny de Ziel was een van de eersten die gedichten schreef in de Surinaamse taal (het Sranan). Deze auteur van het Surinaams Volkslied publiceerde in 1957 onder het pseudoniem Trefossa de dichtbundel Trotji wat in het Sranan ‘aanhef’ of ‘voorzang’ betekent. Hierin toonde hij de veelzijdigheid van het Sranan als literaire taal en demonstreerde dat ideeën en emoties zich op een heel persoonlijke wijze in deze taal laten uitdrukken.

De uitgave van Trotji, de eerste dichtbundel in het Sranan, was een initiatief van Voorhoeve, die de gedichten had geselecteerd en van annotaties, vertalingen en een verklarend essay had voorzien. Hij had de taalkundigen Hellinga en Pée bereid gevonden de bundel in te leiden.Trotjiwordt nog altijd beschouwd als een mijlpaal in de Surinaamse literatuur.

Met zijn bundel Trotji gaf Trefossa in 1957 de opmaat tot een waaier van literaire activiteit. Verschillende dichters hebben getuigd van de inspiratie die uitging van zijn poëzie, “…Nooit eerder werd over zo’n breed front een heroriëntatie gezocht op het eigene als in de jaren na 1957, en nooit eerder was de eigen identiteit zo indringend object van literaire verbeelding.”

Dankzij Trotji werd het Sranan erkend als een volwaardige literaire taal en een hele generatie dichters trad in de voetsporen van Trefossa. Trefossa verhief het Surinaams tot universele poëzietaal.

[uit de Ware Tijd, 14/01/2012]

vrijdag 13 januari 2012

Borstbeeld Henri de Ziel, eerbetoon voor markante dichter

'Srefidensi', het Surinaamse woord voor onafhankelijkheid, is bedacht door Henri Frans de Ziel (pseudoniem Trefossa). De talentvolle Surinamer die de zielen van meer dan een half miljoen mensen beroert bij het zingen van het volkslied, is zichtbaar vereeuwigd. Zijn kopstuk werd donderdag ceremonieel onthuld aan de oostzijde van het presidentieel paleis. Het kunstwerk is vervaardigd door Erwin de Vries.


Borstbeeld van Trefossa aan de oostzijde van het presidentieel paleis. (Foto: René Gompers)

Carlo Jadnanansing, de stichting H.F. de Ziel en assurantiemaatschappij Self Reliance hebben ervoor gezorgd dat dit project kon worden uitgevoerd. Er is ook alle medewerking gekregen van de regering.
Alle betrokkenen zijn het roerend met elkaar eens. De Ziel is één van de grootste dichters van Suriname. Voorzitter van de stichting Johan Roozer benadrukt de bijdrage die de dichter heeft geleverd aan het verheffen van het 'Sranan'.

Wan enkri gado-momenti
Maurice Roemer, directeur van Self Reliance, zegt dat hij zich vereerd voelt als verzekeraar om een financiële bijdrage te kunnen leveren aan dit project. Jadnanansingh is verheugd dat het gedicht 'Wan enkri gado-momenti' is gegraveerd op de sokkel. Schrijfster Cynthia McLeod heeft de dichter goed gekend. Zij vertelde dat De Ziel in gedachten verzonken was en de straat overstak in Amsterdam. Ineens remden een tram, een auto en een motorfiets voor hem. Het was een hachelijk moment. Toen hij thuis aankwam, schreef hij het gedicht, waarbij hij in een oogwenk geconfronteerd raakte met de dood. "En op dat moment, roep je om je moeder. Het gedicht is tijdloos."

Minister Raymond Sapoen roemde De Ziel om zijn verdiensten die zijn sporen heeft nagelaten. Hij was een markante persoonlijkheid. De bewindsman merkte op dat ook 35 jaar na zijn dood steeds meer wordt beseft hoe belangrijk het geloof in eigen kunnen is. Namens de familie bedankte Helga Held iedereen die een bijdrage heeft geleverd om dit project te realiseren. Hoewel er geen mannelijke nakomelingen zijn, "leeft De Ziel in ieder mens", zei Held treffend.

Wan enkri gado-momenti

Wan enkri gado-momenti, nomoro,
e poko na wi mindri.
ma en meti span
lek te hondro jari
sinta na wan

Sisi, mi m'ma,
agen mi moe kari joe nen.
Kibri mi!
mi na wan péri
di soetoe kon dja
eloe foe mi!
ef mi no doro
foe boro
boeba foe ten.

Trefossa

[van Starnieuws, 13 januari 2012]

Prachtige plaats gloednieuwe Trefossa-kop

door Tascha Samuel- Aveloo



Paramaribo - Aan de oostzijde van het Presidentieel Paleis - buiten het terrein - zal het borstbeeld van Henri Frans de Ziel beter bekend als Trefossa worden onthuld tijdens een speciale ceremonie gehouden door de Henri Frans de Ziel Stichting. Dit gebeurt op donderdag 12 januari om 17.30 uur.

Het oprichten van een borstbeeld is onderdeel van een in het jaar 2006 gestart proces om Henri Frans de Ziel binnen de actuele beleving van natieontwikkeling van de Surinamers te plaatsen. “Het borstbeeld is vervaardigd door de kunstenaar Erwin de Vries. Het is mooi en heeft flink wat gekost. De sokkel is van graniet en het gehele werk heeft ruim SRD100.000,- gekost. Self-Reliance, De Henri de Ziel Stichting, Carlo Jadnanasing en het ministerie van Openbare Werken hebben de kosten gedekt voor dit mooie project.



Het (beschadigde) grafmonument van Trefossa.

Daarnaast zijn we de regering dankbaar dat ze toestemming hebben verleend voor de mooie ligging, die nu verfraaid is door het ministerie van OW”, legt Johan Roozer uit, voorzitter van de Henri de Ziel-stichting. De onthullingsceremonie gaat gepaard met een aantal speeches waaronder die van de financierders, Roozer zelf en de minister van Onderwijs en Volksontwikkeling Raymon Sapoen. De onthulling zal geschieden door minister Sapoen samen met Helga Held een vertegenwoordiger van de familie De Ziel. “Jazzgrootheid Denise Jannah zal enkele van de gedichten van Trefossa voordragen”, vertelt Roozer verder.

Grafmonument
Op 21 november 2005, bijna dertig jaar na zijn dood in Nederland, kreeg de Surinaamse volksdichter alsnog een laatste rustplaats in zijn vaderland. Ter gelegenheid daarvan werd er een grafmonument voor Trefossa onthuld op de begrafenis aan Dr. Sophie Redmondstraat in Paramaribo. De urnen met de as van Trefossa en zijn vrouw Hulda Walser, werden op die dag bijgezet. Trefossa worstelde met zijn gezondheid en kwam in 1969 terecht in herstellingsoord Zonneduin in Bloemendaal. Daar ontmoette hij de toenmalige directrice Hulda Walser met wie hij in 1970 trouwde. De Ziel leefde van 15 januari 1916 tot 3 februari 1975.

Hij is de schrijver van het Surinaamse volkslied en hij gaf ons 55 jaar geleden de eerste gedichtenbundel in het Sranan. “ Ik moet jammer genoeg wel aangeven dat iemand het bovenste gedeelte van het grafstuk heeft meegenomen. Dat vind ik echt heel erg dat men dat durft”, besluit Roozer. Het grafmonument, dat in de vorm van een piramide is, restaureren is een ander project.

[uit de Ware Tijd, 12/01/2012, taalfouten en verkeerde gespelde namen gecorrigeerd]

vrijdag 25 november 2011

SORES organiseerde succesvol internationaal baithak gáná-festival

Baithak gana; kunstwerk door Krishna Ramdew

Harry Sewbalak en Rampersad Ramkhelawan benoemd tot“baithak gáná guru”

door Carlo Jadnanansing

Sores organiseerde wederom een internationaal baithak gáná festival in De Olifant aan de Lachmonstraat te Paramaribo op zaterdag 19 november 2011. Aan dit gebeuren namen dit keer behalve ons land ook Guyana en Trinidad deel. Baithak (zittend) gáná (muziek/zang) is een uit India (Bihar, Uttar Pradesh) door de toenmalige immigranten meegenomen muziekvorm die zich ontwikkeld heeft tot een Indo-Caraibische muziekstijl met een eigen karakter. In principe zijn voor een baithak gáná formatie maar drie muziekinstrumenten nodig nl. de harmonium (een op een orgel lijkend draagbaar toetseninstrument dat op de vloer geplaatst wordt)meestal bespeeld door de zanger die de melodie aangeeft) de dholak (trom; afbeelding links) en de dantál (klankstaaf; afbeelding rechtsonder). Interessant is dat dit laatste instrument in India niet (meer?) bekend is. Het is echter niet zeker of het van Surinaamse oorsprong is. Baithak gáná was tot ongeveer de zeventiger jaren zeer populair bij het hindostaanse deel van onze bevolking, maar heeft steeds meer terrein verloren aan de moderne, sterk verwesterde Bollywood muziek. Het leek er zelf op dat deze muziekstijl aan het uitsterven was. Dit is de reden geweest waarom SORES het mede tot haar taak gesteld heeft baithak gáná te conserveren en te promoten. Hiervoor is waardering en ondersteuning gekregen van het Minov (directoraat Cultuur) hetgeen onder meer tot uiting gekomen is in het feit dat dit ministerie, samen met Combé Markt en het notariaat Jadnanansing, hoofdsponsor was van het baithak gáná spektakel. De organisatie was aangenaam verrast door het aantal bezoekers dat het verwachte getal van 800 verre overtrof.

Het grootste aantal deelnemers aan de show kwam, zoals te verwachten was, uit Suriname. Onze landgenoot Rajesh Sewnandan mocht met zijn zuivere en volumineuze stem de spits afbijten. Hierna was het de beurt van Priya Singh uit Guyana. Zij heeft een welluidende stem maar bracht voornamelijk filmliederen. Dit strookte niet helemaal met het karakter van de show. Gelukkig bracht haar landgenoot Ramkissoon daar verandering in. Naar ik vernomen heb maakt baithak gáná in ons buurland moeilijke tijden door.



De Trinidadiaanse afvaardiging met als sterzanger de jeugdige Ravi Jagroop liet merken dat baithak gáná in Trinidad nog steeds op niveau wordt beoefend. Ook zijn drummer liet prachtige staaltjes van percussie horen. Opmerkelijk is dat de dholakspelers uit dit land hun instrument op een andere wijze bespelen dan hun Surinaamse collega’s. Jagroop veroverde de harten van het publiek door een evergreen van onze eigen (overleden) ustad (maestro) Ramdew Chaitoe te laten horen, namelijk: Ho pritam pyari tu kahán basat ho … (o, mijn allerliefste waar heb je je genesteld). Ook onze chutney queen Motimala Bholasing en een van onze jongere talenten Tulsie Malaha hebben voor een goed stuk entertainment gezorgd. Alle artiesten traden in twee fasen op. Vóór de pauze werd voornamelijk religieus getinte muziek gebracht weliswaar van een goed niveau, maar iets teveel voor het vermoeid rakende publiek dat na bijkans twee uren toch wel iets anders wilde horen. Gelukkig werd dat na de pauze geheel goedgemaakt. Motimala wist het tot dan toe apatisch lijkende publiek met haar chutney muziek voor een deel zelfs op de dansvloer te krijgen. Dit zorgde direct voor een andere sfeer bij het helemaal weer opgeleefde auditorium. Voor mij als liefhebber van goede instrumentale muziek was het optreden van een muziekgroep o.l.v. Lando Ramdin het hoogtepunt. Laatsgenoemde had een scala van percussionisten aangevuld met twee gitaristen en een keyboardspeler bijeengebracht. Het geheel klonk als een professioneel jazzensemble met invloeden van hindostaans muziek.
Ik denk dat de groep bij alle grote muziekevenementen in ons land geen gek figuur zou slaan.

Een ander hoogtepunt van de avond was de benoeming van twee oude ustads namelijk Harry Sewbalak en Rampersad Ramkhelawan (vader van onze internationaal bekende baithak gana artiest Kries Ramkhelawan) tot “baithak gana–guru”. In zijn korte toespraak memoreerde Sores – voorzitter Rudi Ardjoen de grote verdiensten van de ustads. De certificaten werden hun uitgereikt door baithak gáná ká sanrakshak (beschermheer van de baithak gáná) en exVHPvoorzitter Ram Sardjoe.
De geluidsweergave van de show was van een behoorlijk niveau.
Van bezoekers aan een baithak gáná manifestatie wordt een goed uithoudingsvermogen verwacht. De duur van dergelijke shows bedraagt vele uren. Het evenement begon, zoals bij dit soort presentaties veelal het geval is, meer dan drie kwartier later dan de aangegeven aanvangstijd van acht uur en eindigde omstreeks twee uur in de ochtend. Het goed opgekomen publiek heeft echter waar voor zijn geld gekregen (het entreegeld was slechts SRD 15,) en vergat gedurende enkele uren alle sores (zorgen).
Proficiat Sores!

[uit de West, 25 november 2011]

zondag 31 juli 2011

Zevende vedantaprijs naar James Ramlall

Paramaribo - De vedantaprijs 2011 is woensdagavond in theater Unique overhandigd aan dichter, vormingswerker, filosoof en vedantist James Ramlall (26 januari 1935). Het was de zevende keer dat de stichting Jnan Adhin Fonds deze prijs, die tweejaarlijks wordt uitgereikt, weggaf. De keuze viel op Ramlall vanwege zijn bijdragen aan een gezonde en evenwichtige persoonlijkheidsontwikkeling en de bevordering van wijsgerige, wetenschappelijke, kunstzinnige en andere culturele activiteiten in de geest van het vedantisch universalisme.

“Vedanta is een millennia oude universalistische eenheidsleer uit het oude India met als fundamenteel uitgangspunt de eenheid van al het bestaande. Populair gezegd: eenheid in verscheidenheid”, deed Rakesh Adhin, voorzitter van het Jnan Adhin Fonds, uit de doeken. Met een passage uit het boek Vedanta, the ultimate truth van Bhagwan Shree Rajneesh illustreerde hij dat er geen afstand bestaat tussen individu en God. “Het goddelijke kan geen object van een zoektocht zijn. Je zult het nergens kunnen vinden, want het is overal. Indien je het goddelijke wilt ervaren, dan is het eerste wat je je moet herinneren: het is waar je nu bent. Je ademt erin en erdoor. Er is daarom geen pad naar God.” Met verschillende activiteiten, waaronder ook de uitreiking van de vedantaprijs, probeert de stichting sinds haar oprichting in 2000 de eenheidsgedachte in Suriname te bevorderen. Carlo Jadnanansing, voorzitter van de Raad van Toezicht van het Jnan Adhin Fonds, die de toekenning van de vedantaprijs aan Ramlal motiveerde, loofde onder andere zijn dichtkunst. Ramlal debuteerde in 1962 met acht van zijn gedichten in Soela onder de naam Bhai (broer). Twintig jaar later, in 1982, verscheen van zijn hand zijn enige bundel Vindu. Hiermee sleepte Ramlall de literatuurprijs van Suriname voor de jaren 1980-1982 in de wacht. Zijn tweede bundel Avinash (onsterfelijk) komt binnenkort uit. Ramlall heeft zich ook op politiek vlak bewogen als actief lid van de Hernieuwde Progressieve Partij (HPP). Zijn motto in de politiek luidt: een ieder mag verdienen, maar dient ook te dienen. “Het leven van de laureaat staat in het teken van de universalistische eenheidsfilosofie, niet alleen van lichaam en geest, maar ook van de eenheid van al hetgeschapen in het universum. Het Jnan Adhin Fonds vindt het daarom een eer Ramlall te belonen met de vedantaprijs”, zei Jadnanansing. In zijn dankwoord toonde Ramlall zich een meester in de filosofie en voerde het publiek met zijn woordenspel naar ongekende momenten en situaties. De vedantaprijs werd eerder uitgereikt aan Jef Crab (2001), Shrinivasi (2002), Abdoelgaffar Muradin (2003), Nico Waagmeester(2005), Vera Kaffiluddin (2007) en Roshnie Radhakishun (2009).

Historie voor hem en voor haar: uitgave tweede editie van His/her Tori

door Cobi Pengel

Het Instituut voor Maatschappij Wetenschappelijk Onderzoek (IMWO) van de Anton de Kom Universiteit van Suriname heeft met de uitgave van het tweede nummer (juni 2011) van het op jaarbasis te verschijnen tijdschrift His/her Tori, tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, opnieuw een belangrijke bijdrage geleverd aan de informatievoorziening op het gebied van de twee genoemde disciplines. De ‘prominente historicus’ die suggereerde dat ‘bij verschijning van slechts één nummer per jaar de lezers het tijdschrift misschien al vergeten zijn wanneer de volgende uitgave verschijnt’ (zie ‘Ten geleide'), krijgt ongelijk: een tijdschrift op dit niveau wordt uitsluitend gekocht door de werkelijk geïnteresseerden, die het na lezing zorgvuldig bewaren en uitzien naar het volgende nummer.

Ook de tweede His/her Tori biedt de lezers deskundig geschreven artikelen met een scala aan interessante informatie. Het tijdschrift ziet er verzorgd uit, heeft een smaakvolle, stevige omslag, leest prettig door de lettergrootte en de indeling in twee kolommen en is voorzien van functionele illustraties.

Veel aandacht wordt er besteed aan de proclamatie van de masteropleiding geschiedenis van het Institute for Graduate Study and Research (IGSR) van de Anton de Kom Universiteit op 15 maart 2011. Dit gebeurt in de introductie van Hilde Neus, in het integraal weergegeven openingscollege van directeur Marten Schalkwijk (foto rechts) en het daaropvolgende artikel van Maurits Hassankhan. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat de tweede uitgave van His/herTori dan wel niet geheel, maar wel voor een deel in het teken staat van deze mijlpaal van de Anton de Kom Universiteit. Na het college van Schalkwijk en het artikel van Hassankhan volgen er nog zeven artikelen. Aan elk artikel kan helaas vanwege de beperkte ruimte slechts beknopt aandacht worden besteed.

Het openingscollege IGSR master geschiedenis, 15 maart 2011: ‘Uitdagingen en valkuilen in de geschiedenis van Suriname’ is de titel van Schalkwijks tekst. Een boeiend artikel over onder andere het grote belang van het (her)schrijven van de geschiedenis van Suriname vanuit het eigen, Surinaams perspectief en het verzamelen van feiten en verhalen uit verschillende bronnen in het belang van de betrouwbaarheid. Ook noemt Schalkwijk Wij slaven van Suriname van Anton de Kom ‘een geschiedkundige eye-opener voor vele Surinamers, omdat De Kom ‘op indringende wijze de sociaal-economische geschiedenis van het koloniale Suriname beschrijft en daarbij expliciet kiest voor het perspectief van de onderdrukten.’

Ook Maurits Hassankhan (foto rechts) benadrukt in zijn artikel ‘Een masteropleiding geschiedenis in Suriname; Een stap op weg naar versurinamisering van de geschiedschrijving van Suriname’, het eigen perspectief van waaruit de Surinaamse geschiedenis geschreven en/of herschreven moet worden en dus: het grote belang van ‘eigen’ historici. Hassankhans artikel leert ons dat de masteropleiding geschiedenis een eenmalige opleiding zal zijn, waarbij ‘zal worden samengewerkt met bevriende instituten en wetenschappers in het buitenland’ (p. 15).

In de tot artikel bewerkte mo-b-scriptie van Helga Banks (foto links), ‘Integratie van Suriname in de Caricom in historisch perspectief, 1973-2008 een moeizaam maar positief proces’, wordt de toetreding van Suriname tot de Caricom behandeld. Wie alles weten wil over de diverse door Suriname doorlopen stadia in de loop der jaren en de rol die Suriname speelde en speelt in de Caricom, leze dit bol van informatie staande maar toch goed leesbare artikel.

‘Het nieuwe zelfbeeld van de Marronvrouw anno 2011 de traditiegetrouwe tegenover de geïntegreerde en de ontwortelde vrouw vrouw’ is de bijdrage van Martina Amoksi aan deze His/her Tori. Na het lezen van Amoksi’s artikel ben ik de mening toegedaan dat zij in een volgende uitgave niet mag ontbreken. Aandachtig en met plezier heb ik haar boeiende, op een prettige manier geschreven informatie over dit onderwerp gelezen. Amoksi belicht expliciet de ontwikkelingen van de afgelopen
50-60 jaar binnen de Marrongemeenschappen die het zelfbeeld van de hedendaagse Marronvrouw beïnvloedden en veranderden. Het is jammer dat ik door ruimtegebrek niet dieper op dit artikel kan ingaan.

‘Religieus erfgoed onder de mahoniebomen in Paramaribo, de congregatie Dochters van Maria Onbevlekt Ontvangen’ is geschreven door Mildred Caprino (foto links). De rode draad is de geschiedenis (sinds 1817) van de RK missie in Suriname en het materiële en immateriële erfgoed dat in de loop der jaren werd opgebouwd. Interessant zijn de informatie over de ‘inlandse zusters’ en de conclusies over nieuwe bestemmingen voor de religieuze gebouwen met grote cultuurhistorische waarde in de buurt van de kathedraal.

Ook het artikel van Michel Jubithana ‘Soemberredjo in historisch perspectief. Een Javaans dorp in het district Coronie’ is een tot artikel bewerkte scriptie (mo-a). Waarschijnlijk weten velen niet hoe het gekomen is dat zich in Coronie een Javaanse gemeenschap vestigde. Van de trek van Javaanse immigranten uit Nickerie naar Coronie tussen de jaren 1930 en 1960 beschrijft Jubithana enkele uiteenlopende oorzaken. Eén daarvan was de werkloosheid die in Nickerie ontstond toen in 1934 de rijstbouw werd gemechaniseerd, terwijl in Coronie in 1933 een machinale oliepers in gebruik was genomen, wat juist arbeidsplaatsen opleverde.

‘ "Vreemd" en "eigen" met het oog op globalisering: Kwamalasamutu':
Voor dit artikel, geschreven door Els Moor (foto rechts), geldt hetzelfde als voor dat van Martina Amoksi: het zou een langere bespreking verdienen dan de ruimte hier toelaat. Weet Martina Amoksi alles over de Marronvrouw, Els Moor is ‘thuis’ in het inheemse dorp Kwamalasamutu. Zij bezocht het dorp drie jaar lang maandelijks in het kader van het onderwijsproject ‘Change for Children’ en verpandde in die tijd haar hart aan ‘haar Kwamala’. Zij vertelt niet alleen over het onderwijsgebeuren, maar ook over de totale leefgemeenschap. Zoals de titel vermeldt, heeft zij zich in haar artikel toegelegd op dat wat ‘vreemd’ is voor de dorpsbewoners en op dat wat ‘eigen’ is, maar zij vestigt ook de aandacht op de zaken die ‘vreemd’ waren maar steeds meer ‘eigen’ worden. Interessant is de vermelding van de ‘cultuurschool’ voor de oudere leerlingen, naast de ‘gewone’ openbare lagere school van het Ministerie van Onderwijs, waarmee het behoud van tenminste een deel van de eigen cultuur wordt beoogd.

Met ‘Richard Korsten en Heinrich Helstone: twee amateurhistorici’ heeft Jerome Egger behalve een gedegen geschreven artikel, de lezer een goede kijk geboden op het fenomeen ‘amateurhistoricus’. Egger benadrukt het grote belang van ‘historici die geen formele opleiding hebben genoten’ (p. 65) in het algemeen en in het bijzonder de amateurhistorici Korsten en Helstone die waardevolle bijdragen hebben geleverd aan onze Surinaamse geschiedschrijving, elk op een verschillende wijze. De verdiensten van Korsten zijn vooral zijn interviews met voor de historie van Suriname belangrijke persoonlijkheden in het personeelsblad van DSB, Bank Notes. Helstone daarentegen was een onderzoeker, die in zijn vrije tijd in archieven naar materiaal over vooral het Surinaamse slavernijverleden zocht. Samen met Joop Vernooij publiceerde hij Documentatie: Afschaffing van de slavernij in Suriname (Paramaribo, Eigen beheer, 2000) Egger biedt met dit artikel de lezer meer dan alleen informatie: het is tevens een eerbetoon aan de vorig jaar kort na elkaar overleden Richard Korsten en Heinrich Helstone.

Het laatste artikel van deze His/her Tori is een bijdrage van Carlo Jadnanansing (foto rechts, samen met Miss Hindustani 2007). Het is een recensie over het boek Kahe Gaile Bides, wat betekent ‘Why did you go overseas’ of ‘Waarom men wegging’. Het boek is een studie over de hindostanen die uit India zijn weggetrokken, maar er toch in zijn geslaagd generaties lang zekere aspecten van hun cultuur in ere te houden.

Aanbeveling: His/her Tori moet niet alleen in de boekhandel liggen. Dat het ook op de universiteit te verkrijgen is, mag ik zonder meer aannemen, maar ik hoop dat het ook op de middelbare scholen terecht zal komen. De meeste artikelen zijn bijzonder geschikt voor bespreking tijdens een les en voor het voeren van discussies. Het redactieteam, aangevuld met Jan Bongers en Ton Wolf, heeft goed werk verricht. Slechts één opmerking: op p.5 (‘Formele start masteropleiding geschiedenis’) wordt aangekondigd dat de thesis van Marten Schalkwijk ‘integraal in deze editie zal worden afgedrukt’, hetgeen blijkbaar een vergissing is. Zijn openingscollege - eveneens aangekondigd - is wèl afgedrukt.