Posts tonen met het label Toussaint Louverture. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Toussaint Louverture. Alle posts tonen

zondag 9 maart 2014

Toussaint Louverture: Zwarte Jacobijn of Afrikaanse leider

Curaçao – Hoogleraar Politieke Theorie Meindert Fennema geeft donderdag een lezing over Toussaint Louverture in Museo di Kòrsou. Fennema gaat in op de Haïtiaanse slavenopstand onder leiding van Louverture en hoe zij hun Afrikaanse cultuur wisten te behouden. De toegang gratis.


De lezing is van 19.30 tot 20.30 uur. De avond wordt afgesloten met een borrel.

maandag 24 juni 2013

Verzet tegen slavernij

door Sandew Hira

Ik ben onlangs gedoken in de Encyclopedia of Slave Resistance and Rebellion, een tweedelige uitgave onder de redactie van Junius Rodriquez, in totaal 743 pagina’s. De encyclopedie bevat een enorme hoeveelheid detailgegevens over verzet tegen slavernij in de Amerika’s.

Rodriguez heeft een geweldige job gedaan. Hij laat met veel gedetailleerde verhalen zien dat het beeld dat historici uit het wetenschappelijk kolonialisme schetsen over slavernij als zouden Afrikanen gedwee slavernij hebben geaccepteerd, volledig vals is. Maar nog belangrijker is de manier waarop hij dat gedaan heeft. Hij toont de Afrikanen als strategische analisten die heel goed nadachten over hoe ze een machtig systeem van Europese slavernij konden bevechten. Het systeem dat ze bevochten was een wereldsysteem. De kolonie was te allen tijde onderdeel van een machtig leger in Europa dat klaar stond met een geweldige vuurkracht en onmetelijke militaire capaciteiten om iedere opstand neer te slaan.

Het verzet begon al in Afrika. Toen ze eenmaal aan bood waren gebracht van de schepen, was de geest van verzet nog niet gebroken. De Afrikanen waren geketend in het ruim van de schepen. Ze spraken elkaars talen niet. Ze wisten niet waar ze naartoe gingen. Er waren geen mogelijkheden om te vluchten. Vanuit een strategisch opzicht zijn er twee mogelijkheden: zelfmoord of moord. De getraumatiseerde Afrikaan koos voor de eerste optie. De zelfbewuste Afrikaan koos voor de tweede optie. Maar die optie was niet altijd beschikbaar. De mogelijkheid tot verzet kwam van vrouwen en kinderen die meer bewegingsvrijheid hadden op de schepen.

Neem het geval van de opstand op het schip Bristol. Op dat schip had Captain Tomba, een Afrikaan die getekend was in het ruim, het plan opgevat om het schip te veroveren. Maar de meeste mannen waren te bang om hem te joinen. Eén man en een vrouw deden mee. Op een avond zag de vrouw dat vijf matrozen die op wacht stonden, lagen te slapen. Zij gaf Tomba een hamer waarmee hij zijn ketenen kapot sloeg. Hij wist drie matrozen te vermoorden, maar in dat proces werd alarm geslagen.Tomba werd gevangen genomen. De kapitein executeerde hem en liet zijn medestrijder zijn hart en lever opeten als straf. Daarna werd hij op wrede wijze vermoord. De vrouw werd gezweept en met een mes over haar hele lichaam bewerkt totdat ze stierf. Intussen moest de rest van de tot slaaf gemaakte Afrikanen toekijken naar dit alles.

Voor de getraumatiseerde Afro’s is de nederlaag het belangrijkste feit om te herdenken. Voor de assertieve en zelfbewuste Afro’s is de daad van verzet het belangrijkste feit om te herdenken.

In de kolonie nam het verzet tegen slavernij verschillende vormen aan. De belangrijkste vorm was de algehele opstand. Twee opstanden hebben de aandacht getrokken. De opstand in de Nederlandse kolonie Berbice (Guyana onder Nederlands bestuur) onder leiding van Coffy en Accara en de opstand op Haïti onder leiding van Toussaint Louverture.

Beide opstanden brachten de kolonie langere tijd onder controle van Afrikanen. In Berbice hadden de vrijheidsstrijders een belangrijk deel van de kolonie gedurende 14 maanden onder controle. In Haïti hebben ze definitief een onafhankelijke zwarte staat weten te vestigen. Het verschil tussen nederlaag en overwinning werd bepaald door leiderschap. In Berbice was er een splitsing in de leiding. Coffy hoopte door onderhandelingen met de Nederlanders een situatie te bereiken waarbij een deel van het land in Nederlandse handen bleef en een ander deel een vrije zwarte staat zou worden. Acara geloofde het niet en trok zijn eigen lijn van verzet. De Nederlanders kregen steun van troepen uit Suriname en wisten de opstand uiteindelijk neer te slaan. De Nederlandse criminelen executeerde 128 Afrikanen op wrede wijze en herstelden slavernij in Berbice. Ze werden geradbraakt (de botten gebroken met ijzeren staven), opgehangen en levend verbrand.

In Haïti hadden ze al vroeg geleerd dat een compromis over slavernij niet mogelijk was. De Franse criminelen zouden geen onafhankelijke zwarte staat tolereren. L’Ouverture wist dat zonder een groot en goed getraind leger het niet mogelijk was om stand te houden. Zijn grote verdienste is dat hij wist hoe je zo’n leger moest opbouwen en onderhouden. Hij trainde de soldaten en wist een strak management van het leger op te zetten. Door zijn strategisch inzicht was hij in staat het Franse leger – en ook de Engelsen die de Fransen kwamen helpen – te verslaan.

Deze twee algemene opstanden brachten een heel land voor kortere of langere tijd onder controle van zwarten die slavernij afschaften in hun gebied. Ze vormen waardevolle lessen in de strijd voor vrijheid.


[van Starnieuws, 24 juni 2013]

maandag 27 mei 2013

Carry-Ann Tjong-Ayong - Te paard

Mijn vrijheid is de hoge rug van Magnus, stoere Shire
Met hem doorkruis ik bossen, heuvels, velden
Zoals eeuwen geleden ridders, schone vrouwen
voor hun religie streden
Mijn voorouders reden nog niet zo vaak op paardjes
muildieren in de Afrikaanse streken
brachten hen van dorp naar stad
en onverwachts kwamen zij in die grote boot terecht
bereden zij de golven niet in vrijheid, maar geknecht
maar ik,
vier nu mijn vrijheid  op de warme hoge rug van Magnus,
zonder eigen benen rijd ik door Magnus sterke benen
mijn vrijheid hier gegeven
door het geschonken leven
sta ik even
hoog op de heuvel
in mijn streven
naar wat vroeger
reeds
mijn
volk
hier
vrijheid
bracht

Toussaint Louverture


zondag 11 november 2012

Driemaal de slavernij in de literatuur

door Eric de Brabander
Eric de Brabander

150 Jaar geleden werd de slavernij op onze eilanden afgeschaft. Ik kan me het honderdjarige jubileum nog voor de geest halen alsof het gisteren was. Ik zat in de vierde klas van de lagere school bij meester Larmonie. Een bevlogen, levendige man, onderwijzer in hart en nieren. Hij liet zijn leerlingen toneelstukjes opvoeren die van doen moesten hebben met het slavernijverleden. Ik was een van de twee blanke jongetjes in de klas dus voor mij was er altijd wel een rol te vervullen, een rol die later, in de pauze, op de speelplaats bestraft werd. Toen al was het rollenpatroon dat opgelegd werd omdat het toneelstukje dat vereiste, niet geheel helder, ondanks dat duidelijk werd gemaakt dat het ging over goeden en slechten, zwart en wit, cowboys en indianen. En ook nu ik ruim volwassen ben heb ik moeite met deze zaken uit ons gezamenlijk verleden een etiket op te plakken. Wat zou het mooi zijn als we jaarlijks een krans bij het Tula-monument konden leggen, en het daarbij te laten, ons te concentreren op onze gezamenlijke vooruitgang nu. En te waken voor discriminatie in welke vorm dan ook, homo’s joden, lesbo’s, blank en zwart, ga zo maar een tijdje door. Om bij sollicitaties te gaan voor kwaliteit en niet voor ras of stand of een of andere 80-20-regeling. 

Boeken over het slavernijverleden zijn er in de Amerikaanse literatuur te kust en te keur. Wie kent niet The saga of an American family van Alex Haley, in de jaren tachtig ook een populaire televisieserie. Of Uncle Tom’s cabin van Harriet Beecher Stowe. Of, om een minder populaire maar zeker niet mindere te noemen: The Journal of Darien Dexter Duff, an emancipated slave, van K.J. McWilliams. In het Nederlands beperkt hetgeen over slavernij geschreven is zich tot non-fictie, enkele uitzonderingen daargelaten. De Surinaamse auteur Cynthia McLeod schreef met Hoe duur was de suiker? een zinderende roman waar gedegen historisch onderzoek aan vooraf ging. En onze Curaçaose Carel de Haseth schreef de prachtige novelle Slaaf en Meester, ook in het Papiaments uitgebracht onder de titel Katibu di Shon, een boek dat omgewerkt wordt tot een opera met in de hoofdrol Tania Kross en muziek geschreven door Randal Corsen.



Het eiland onder de zee
Van een vriendin kreeg ik onlangs een boek cadeau, als dank voor een noodreparatie aan een voortand, die er vlak voor een reis naar het buitenland uitviel. Isabel Allendes roman, Het eiland onder de zee, in het Spaans getiteld  La isla bajo el mar, kwam in 2010 uit. Nu had ik me jaren geleden voorgenomen nooit meer iets van Isabel Allende te lezen. Toentertijd vond ik dat ze met Het huis van de geesten haar top bereikt had, en dat wat daarna volgde een hoog keukenmeidenromangehalte had.  Ik had me vergist. Het lijvige boek van de nicht van de afgezette president van Chili had ik in enkele avonden uit. Het eiland onder de zee speelt zich grotendeels af op Hispanola, het deel van het eiland dat nu Haïti heet, aan het einde van de 18de eeuw, in de tijd van de slavenopstand van Toussaint Louverture, die uiteindelijk leidde tot het eerste Caribische land waar de voormalige slaven het voor het zeggen hadden. Zarité wordt op haar negende als slavin verkocht aan de Fransman Toulouse Valmorain, de eigenaar van een grote suikerplantage, zo vermeld de achterkant van het boek. Ze werkt voor zijn zenuwzieke Cubaanse echtgenote, verzorgt zijn zoontje en wordt zijn concubine. Algauw verwekt hij een kind bij haar. Als de slaven in opstand komen tegen de plantagehouders moet Zarité kiezen. Ze kan zich ontdoen van het juk van haar meester, of ze kan hem omwille van zijn kinderen helpen het eiland te ontvluchten. Met de steun van sterke vrouwen, van wie sommigen magische krachten bezitten, neemt ze uiteindelijk de juiste beslissing. De familie Valmorain vlucht uiteindelijk via Cuba naar Louisiana waar Toulouse Valmorain een nieuwe plantage opzet.
Allende heeft ervoor gekozen om om de paar hoofdstukken Zarité aan het woord te laten  en is er op die manier in geslaagd het tijdsbeeld zowel een Europese als een Afrikaanse kleur te geven. Het is ontzettend knap dat ze de hoofdpersonen heel aannemelijk achttiende-eeuws maakt in hun denken, hun handelen en in hun levensfilosofie. Maar wat bovenal opviel is de geweldige historische onderbouwing.  


Tula – Verloren vrijheid
En dat is nou precies wat mist bij het boek Tula-verloren vrijheid van Jeroen Leinders dat deze maand uitkwam bij de Nederlandse uitgeverij Conserve. Jeroen Leinders schreef Tula niet uitsluitend als boek, maar ook als filmeditie. En aan de film wordt momenteel gewerkt met grote namen als Derek de Lint en Jeroen Krabbé. Over Tula is eerder geschreven. De Curaçaose schrijver en dichter Guillermo Rosario schreef in 1969 in het Papiaments E raȉs ku no ke muri, uitgegeven door de Bezige Bij. En Carel de Haseths Katibu di Shon is geïnspireerd door het verhaal van Tula. Ik vermoed dat de Haseth gekozen heeft de novelle een volledig fictief karakter te geven omdat over het werkelijk verhaal zo weinig bekend is, en dat hem dit de vrijheid gaf zijn eigen draai aan het boek te geven. Het is Leinders grote verdienste dat hij het verhaal van Tula internationaal onder de aandacht brengt op het witte doek.  Maar over de novelle waar het filmscript op gebaseerd is, heb ik mijn bedenkingen, met name wat betreft de historische context . Zo maakt Leinders in zijn nawoord een vergelijking tussen het neerslaan van de opstand van Tula en de gebeurtenissen na 30 mei 1969. ‘Hoewel het verhaal van Tula belangrijk is in de geschiedenis van Curaçao werd het verhaal lang genegeerd door de Nederlandse machthebbers. Op de scholen op het eiland werd niet over Tula gesproken. De staking van 1969 op Curaçao, waarin nog steeds werd gestreden voor gelijke rechten voor blank en zwart, is opnieuw door Nederland hard neergeslagen….’ Nou, zo kan die wel weer.   
   
Slavenpaar. Johann Moritz Rugendas (1802-1858). Collectie Buku Bibliotheca Surinamica
                  
Het verhaal begint met een voorwoord waarin de gebeurtenissen op Curaçao aan het einde van de 18de eeuw in verband worden gebracht met de mondiale situatie van die tijd. ‘De wereld aan het einde van de eeuw wordt gekenmerkt door grote onrust en een drang naar vrijheid en zelfbeschikking. Amerika zal zich in 1776 losmaken van Engeland, de Franse revolutie vindt plaats in 1792. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden heeft net de laatste oorlog met Engeland achter de rug, terwijl het land intern verscheurd wordt door de strijd tussen de patriotten en de koningsgezinden. In 1795 wordt deze strijd in het voordeel van de patriotten beslecht. Het jonge patriottische Frankrijk bezet Utrecht, het laatste bolwerk van de koningsgezinden. De Bataafse Republiek onder Frans regime is nu een feit. Stadhouder Willem V vlucht naar Engeland. Frankrijk verklaart Engeland de oorlog.’ Tot zover het boek. Wat dan volgt is een verhaal dat qua stijl, woordgebruik en compositie misschien beantwoordt aan de voorwaarden van een filmscript, maar dat als novelle tamelijk kleurloos overkomt. De hoofdpersonen geven niet het gevoel achttiende-eeuws te zijn, iets wat misschien moeilijk is maar waar Isabel Allende wel in is geslaagd. Op de kaft is een foto te zien van een weldoorvoede mulat die zeker niet lijkt op de Tula die ik voor ogen heb. Op de tweede pagina van Leinders boek staat: Tula - verloren vrijheid. Filmeditie. Dat is wat verwarrend, omdat nergens vermeld wordt dat de Amerikaan Curtis Hawkins het script geschreven heeft. Nu vertelde de Curaçaose cineaste Sherman de Jesus me tijdens een bezoek van hem aan zijn eiland, dat het een misverstand was om boek en filmscript te vergelijken. Volgens hem kan dat helemaal niet omdat de scriptschrijver alle vrijheid moet hebben om dialogen te scheppen, dialogen die in het boek vaak niet nodig zijn omdat het verhaal spreekt. En om de film tastbaar te maken met de audiovisuele middelen die hem ter beschikking staan en die de auteur van het boek niet heeft. Wat er toe leidt dat boek en script vaker dan niet weinig met elkaar van doen hebben, met uitzondering van het onderwerp en de verhaallijn. Ik heb het script van Hawkins niet gelezen en ben dan ook zeer benieuwd naar de film. Ik hoop dat die behalve spanning en sensatie ook didactische kwaliteiten zal hebben, zodat onze schoolgaande jeugd er zijn voordeel mee kan doen.

Verhalen uit Gabon, Oman, Curaçao
Het debuut Verhalen uit Gabon, Oman, Curaçao van de huisarts Bob Schuringa werd onlangs gepresenteerd. Op de voorkant prijkt een mysterieuze foto van de schrijver zelf, gehuld in muskietengaas. In het boek zijn twee novellen opgenomen en enkele korte verhalen. De verhalen zijn, zoals de achterflap vermeldt, semi-autobiografisch en spelen zich af in landen waar Bob Schuringa werkzaam was als Shell-bedrijfsarts. De laatste novelle speelt zich af op Curaçao, waar de Nederlandse Titia Aggenbach, een pas afgestudeerde kunstenares, komt te wonen op het godverlaten landhuis Ronde Klip. Op een avond hoort ze in de mondi (de auteur heeft het abusievelijk maar halsstarrig over kunuku) het gehuil van een kind. Ze besluit de volgende ochtend op onderzoek uit te gaan. Op de speurtocht belandt Titia in een verlaten huisje aan de Sint Jorisbaai. Het huisje blijkt toch niet zo verlaten te zijn en Titia wordt deel van een magisch verhaal waarin ze teruggaat in de tijd, en voor haar ogen het verleden van haar voorouders zich ontrolt, die in de slaventijd het landhuis Ronde Klip en de plantage bezaten. Het kind van Landhuis Ronde Klip is een kunstig in elkaar gezette novelle die zeker geschikt is voor de literatuurlijsten van onze middelbare scholieren.

Prachtig vond ik de novelle Het achtste graf, een verhaal dat zich afspeelt nadat een mengvorm van het HIV-virus en het Ebolavirus de wereldbevolking gedecimeerd had. Paul, een Shell-arts in Gabon was met zijn zeiljacht de Fuyard de zee opgevaren om aan besmetting te ontkomen. Terwijl hij op zijn boot aan het overleven was, verspreidde het dodelijke virus zich over Afrika. Dorpen en steden hielden op te bestaan en werden overwoekerd door het oerwoud. En al gauw bereikte de epidemie de rest van de wereld. Uiteindelijk komt Paul aan in Australië waar hij verliefd wordt, en zijn nieuwverworven vrouw aan het virus prijs moet geven. Uiterst beklemmend beschrijft Schuringa de onoplosbare eenzaamheid van Paul op zijn schip de Fuyard, nadat hij zijn zwangere geliefde aan de golven prijs heeft gegeven. Paul besluit terug te zeilen naar daar waar alles begonnen was, Gabon. Hij verliest zijn jacht en gaat over land verder, vergezeld van een hond die hij Kwark noemt. Aangekomen bij de mysterieuze en verlaten plantage Margraff lijkt het erop dat Paul zijn  eindbestemming heeft bereikt. Hij beseft dat pas nadat hij door een dodelijk giftige slang gebeten wordt. Ook hier weet Schuringa de magie in zijn novelle wonderschoon gestalte te geven. Kwark blijft alleen achter. Wat te denken van de slotzin: ‘De wereld staat stil, hier op de afgelegen landtong. Alleen de zon beweegt met tegenzin. Dan omsluit de natuur het trouwe beestje met een deken van genegenheid.’ Chapeau! 
         
Er is een ding dat me zal blijven verbazen in de schrijfsels van Nederlandstaligen als het over Curaçao gaat. Het gebruik van het Papiaments. Als ik een verhaal over Duitsland zou moeten vertellen en daarbij een en ander onvertaald laat, dan zorg ik er natuurlijk voor dat het gebruikte Duits foutloos is. Daar heb je woordenboeken voor, of leraren Duits. Of vertalers. Zowel Jeroen Leinders als Bob Schuringa maken zich schuldig aan fouten in het Papiaments die de taal maken tot een soort apentaal. Ik noemde al ‘kunuku’, dat landbouwgrond betekent, en geen wildernis. Wildernis is ‘mondi’. Of het gebruik van het woord pika, als doorn of ander scherp uitsteeksel bedoeld wordt. Een doorn is een sumpiña. Pika is een werkwoord. E ta pika, het prikt. Aan dit soort taalgebruik maken beslist niet alléén Jeroen Leinders en Bob Schuringa zich schuldig. Ik ben bang dat het Papiaments in het Nederlands een eigen leven is gaan leiden, en misschien heeft dit ongeëigende gebruik van Papiaments met de jaren bestaansrecht verworven. Misschien bestaat er zoiets als Papiaments voor Nederlanders, die door de knoek lopen, in pika’s trappen en koño zeggen zonder de intrinsieke beledigende betekenis van het woord in te voelen. Want Miep Dieckman deed het ook al, in De boten van Brakkeput, en Marijn bij de lorredraaiers. En dat is toch een hele tijd geleden.

dinsdag 24 januari 2012

New film: Philippe Niang's Toussaint Louverture




The long overdue film of Haitian revolutionary Toussaint Louverture, directed by Philippe Niang, is produced and will be aired on the network France 2 in February or March 2012.

Jimmy Jean-Louis stars as the title character in what will be a 2-part TV-movie, and he's joined by French actresses Aïssa Maïga (Paris, Je T'Aime, Bamako) as Toussaint's wife, Suzanne, and Sonia Rolland (Moloch Tropical, Midnight In Paris) as Marie-Eugénie Sonthonax, wife of abolitionist L.F. Sonthonax



Kreylicious (the hub for young, upwardly mobile Haitian-Americans) interviewed Haitian born star Jimmy Jean-Louis about the film. Some snippets of the interview.

How did you get involved?
The producers contacted me. You have to understand they have tried to make this movie for the past 20 years. And Danny Glover tried to make this movie for the past 15 years. And many other names have tried to make it. It was a long overdue movie. I was called by the producers to play the role, because they felt I fit the character. I had to do a lot of exercises. I had to learn how to ride a horse. I took lessons for a couple of months. [I had to learn how to] do sword-fighting. I took lessons in California and France.

Why was the movie filmed in Martinique and not in Haiti? A lot of people feel it would have brought a lot of publicity to Haiti, and it only seemed natural that it should be filmed in Haiti and not another island.
Haiti falls short on some requirements. I think the production tried, but it’s difficult to get insurance to insure a place like Haiti right now. From what I’ve been told, that’s one of the reasons why we couldn’t go there and shoot. The structure in Haiti is not the best either. Electricity. The roads are still pretty bad. As a Haitian, I would love to have shot it there.

Check out the full interview at http://kreyolicious.com

The film is produced by the Martinique based production company Eloa Prod

dinsdag 17 januari 2012

Welcome Biography by Outstanding Novelist of Haiti

by Bert Korn "Benyamin"

Toussaint Louverture: A Biography by Madison Smartt Bell brings a writer's touch and deep empathy to the life of this towering but long-neglected 18th-Century black revolutionary. The biography is straight-foward, detailed, judicious and as well-researched as could be, considering the paucity of available primary sources on its subject's life. Particularly helpful are the careful placement of the Haitian revolution against the background of the French revolution, without loss of focus on the strategic brilliance (and weaknesses) of the book's central character.

Bell's is a much-needed corrective to the standard but outdated treatment of Toussaint Louverture by the Caribbean Marxist writer C.L.R. James, whose work on Louverture in now more than 60 years old. Bell treats the island's complicated race relations and the interaction of the Roman Catholic and Voudo religions with a remarkable depth and sensitivity, which he had already demonstrated in much greater depth in his acclaimed trilogy of novels on the Haitian revolution. He has done us a favor by taking up the biographer's pen, in place of the novelist's.

The book would have benefitted from a list of characters and a few better maps. And one aches to have more on the effect of the Haitian revolt on the early American republic, diplomacy, slave relations, abolitionism, the Louisiana Purchase, subsequent Haitian history, and so on, those these have been treated at least to some extent in other English-language sources.


Toussaint Louverture: A Biography by Madison Smartt Bell
Hardcover: 352 pages
Publisher: Pantheon
ISBN-10: 0375423370
ISBN-13: 978-0375423376

donderdag 15 juli 2010

Nederlands slavernijverleden leidt tot verhitte discussies

Keti Koti (donderdag 1 juli), de dag waarop Surinamers en Antilianen de afschaffing van de slavernij vieren, is nog maar net een week voorbij of intellectuelen rollen over elkaar heen over het Nederlandse slavernijverleden. Vooral ‘slavernijprofessor’ Piet Emmer weet de aandacht op zich gericht.

Toen emeritus hoogleraar in de geschiedenis van Europese expansie dr Piet Emmer (Universiteit Leiden) zijn boek Who abolished slavery? Resistance and accomodation in the Dutch Caribbean (2008) publiceerde, kwam hem dat naast lofprijzen op felle kritiek te staan. Toen hij uitgerekend op de ‘Dag der Vrijheden’ (Keti Koti) in een publicatie in de Volkskrant aan zijn boek refereerde, wist hij de discussie over het Nederlandse slavernijverleden opnieuw aan te jagen. Intellectueel Nederland kroop weer in de pen om hem goed van repliek te dienen. Zij benadrukten hún visie op de slavernij nog duidelijker op bijeenkomsten. Wat stuit deze criticasters zo tegen de borst dat zij een reactie niet kunnen nalaten?

Politiek correct
Om te beginnen zegt Emmer in het stuk dat Surinamers en Antilianen de afschaffing van de Trans-Atlantische slavenhandel en slavernij te danken hebben aan ‘de kliek deftige, oude, blanke, mannelijke leden van Europese en Amerikaanse parlementen’. ‘Moet je daar een feestelijk gezicht bij trekken?’, vraagt hij zich af. Hij voert aan dat de opstanden van de tot slaaf gemaakten – behalve die in Haïti - vrijwel niets hebben bijgedragen aan het besluit een punt achter de slavernij te zetten. Emmer vindt studies, die het slavenverzet als belangrijkste oorzaak van de afschaffing van de slavernij noemen, maar ‘politiek correct’.

Sociaal-historicus Michaël Deinema, promovendus in sociale geografie en Hebe Verrest, universitair docent ontwikkelingsstudies, beiden verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, haasten zich 4 dagen later in dezelfde krant bezwaar te maken tegen de opvattingen van Emmer. ‘Emmer ziet enkele cruciale en bekende feiten over het hoofd die de gangbare "politieke correcte" interpretaties ondersteunen’, stellen ze. Zij wijzen op de abolitionisten die zich juist door het ‘zwarte verzet’ hebben laten inspireren. ‘Was het toeval dat de eerste golf van het Britse abolitionisme uitbrak net nadat in 1791 de slaven in Saint Domingue in opstand waren gekomen?’ Zo noemen

zij meerdere opstanden in andere ex-koloniën die van grote invloed zijn geweest op de beweging van abolitionisten zoals de beroemde opstand van François Dominique Toussaint Louverture (afbeelding hierboven), die als vrijgemaakte negerslaaf in opstand kwam tegen de Franse kolonisten in Haïti.

Een dag later deed Anil Ramdas, publicist, in NRC Handelsblad er nog een schepje bovenop. Hij vindt het slavernijdebat ‘harteloos en rancuneus’ en noemt Emmer ‘landskampioen zakelijk spreken over de slavernij.’

Koe Bertha
Het is niet de eerste keer dat Piet Emmer het vuur aan de schenen krijgt gelegd. Sandew Hira, historicus en auteur van het boek Decolonizing the mind (2010) wist niet wat hij hoorde toen Emmer de afschaffing van de slavernij als een ‘typisch kenmerk van de Westerse beschaving’ bestempelde. ‘Als de afschaffing van de slavernij een typisch kenmerk is van de Westerse beschaving, dan kan de invoering daarvan geen typisch kenmerk zijn van diezelfde beschaving’, betoogt Hira. Verbolgen is hij over Emmers stelling ‘dat Afrikaanse slaven het brandmerken als een bewijs zagen dat hun nieuwe eigenaar voor hen zou zorgen.’ Emmer zegt geen enkel bewijs te hebben gevonden dat tot slaaf gemaakten het brandmerken als gruwelijk en pijnlijk ervoeren. Deze interpretatie is een gruwel in de ogen van Hira. ‘Is dit serieuze wetenschap van de Universiteit Leiden? Een hoogleraar die zich bezighoudt met slavernijgeschiedenis en die zwarte mensen beschrijft zoals je koe Bertha beschrijft, die stelt dat ze geen notie van vrijheid hadden en dankbaar waren voor hun brandmerk, die concludeert dat ze graag in slavernij wilden leven?' vraagt hij retorisch. 'Die hoogleraar is geen wetenschapper, maar een racistische kwakzalver’, aldus Hira. .



Waar is Emmers bewijs?
Aan de kring van ‘Emmercritici’ kan ook Stephen Small worden toegevoegd. Small werd op 29 juni benoemd tot bijzonder hoogleraar Nederlands Slavernijverleden en erfenis aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. ‘Ik geloof niet dat hij voldoende onderzoek heeft gedaan om tot zulke conclusies te komen. Mijn vraag aan hem is: waar is je bewijs? En zijn je bevindingen gebaseerd op de zienswijze van de witte gemeenschap of heeft de zwarte gemeenschap hier ook aandeel in?’
Small gaat vanaf september één dag in de week onderzoeken hoe men in Nederland omgaat met het slavernijverleden. Hoe denkt men over deze donkere periode in de Nederlandse geschiedenis? Hoe wordt daarover gediscussieerd in boeken, het dagelijkse leven, op school, in de kunst en cultuur sector en in de media? ‘Ik ben specifiek geïnteresseerd in de mening van de zwarte gemeenschap. Juist hún bijdrage maakt het onderzoek wetenschappelijker, rijker en meer humaan.’
De recente en geruchtmakende studie Herstelbetalingen van Armand Zunder is Small niet ontgaan. ‘Zijn boek opent de deur voor het debat over wie nu echt van de slavernij hebben geprofiteerd. Boeken als dat van Zunder zijn belangrijk voor het slavernijdebat’, zegt Small.

‘Witte studies’
De vraag is waarom de overwegend ‘witte studies’ een totaal ander beeld geven van het Nederlandse slavernijverleden dan zwarte onderzoekers? ‘Zij presenteren dit deel van het verleden bewust als fabel dan als systeem van onderdrukking en uitbuiting’, weet Hira. ‘Opvattingen zoals het mijne circuleren in tegenstelling tot in Nederland reeds langer in wetenschappelijk Amerika. Zunder is bijvoorbeeld de eerste die het onderwerp van reparaties in Nederland op de agenda zette.’ Small is het hartgrondig met hem eens. ‘Nederland loopt goed achter op landen zoals Brazilië en de Verenigde Staten.’ Daarmee wil hij niet beweren dat de situatie in die landen perfect is. ‘Maar je ziet dat landen met goed georganiseerde zwarte sociale bewegingen het veel beter doen. Neem als voorbeeld de civil rights movement in the Verenigde Staten die de universiteiten en intellectuelen hebben gedwongen om beter onderzoek te verrichten. Nederland heeft in zijn onderzoeken de zwarte gemeenschap totaal genegeerd.’

Piet Emmer was niet bereikbaar voor een reactie.

[Bron: Wereldjournalisten, 7 juli 2010]