Posts tonen met het label Fatah-Black Karwan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Fatah-Black Karwan. Alle posts tonen

vrijdag 20 december 2013

(Post)koloniale literatuur nu ook pluricontinentaal bekeken


door Karwan Fatah-Black

Op het omslag van Shifting the Compass; Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature, geredigeerd door Jeroen Dewulf, Olf Praamstra en Michiel van Kempen,  prijkt een kaart met daarop prominent een windroos in beeld en een tekening van een zeventiende-eeuws scheepje. Het vaartuigje oogt weifelend; hoewel het vóór de wind lijkt te gaan, wappert een van de zeilen doelloos langs de mast. Aan de randen van de kaart zien we drie onherkenbare continenten.
De bundel is een verzameling essays waarin verschillende auteurs pogingen doen om de Nederlandse koloniale literatuur en geschiedenis te bezien vanuit een pluricontinentaal perspectief. Daarmee verschuiven de auteurs de verteltrant richting de veelheid aan verbindingen en relaties die er ontstonden als gevolg van de Nederlandse kolonisatie in de Amerika's, Afrika en Azië. In plaats van de nog steeds dominante nadruk op de relatie en verhouding tussen kolonie en kolonisator, zoeken de auteurs juist naar de verbindingen tussen 'Oost'  en 'West'. Deze opzet is geslaagd. Hoewel dergelijke bundels vaak maar moeizaam tot coherentie en eenheid komen, lukt het in Shifting the Compass wel degelijk overtuigend een stap voorbij het postkolonialisme te zetten.
V.l.n.r. Olf Praamstra, Adriaan van Dis, Ena Jansen
Foto © Michiel van Kempen

Naast de academische artikelen die de hoofdmoot van de bundel vormen, verzorgen Adriaan van Dis en Giselle Ecury aan het begin en het einde van het boek een persoonlijke reflectie op het thema. Van Dis doet dat vanuit zijn rijke ervaring in postkoloniale literaire kringen, om te eindigen met een bespiegeling over wat postkoloniale schrijvers heeft verbonden: ervaringen met racisme, discriminatie, maar vooral ook het onderzoek naar de Nederlandse cultuur en het verschil met het eigene. Ecury schetst een genealogische geschiedenis die reikt van de Antillen tot Duitsland en die eindigt rond de opening van een museum in het gebouw dat ooit haar overgrootmoeders shap (winkel) was. De twee stukken leggen sterk de nadruk op levenslopen en familiegeschiedenissen, wat ook een aantal andere artikelen in de bundel kenmerkt. Naast dergelijke ‘microgeschiedenissen’ biedt de bundel ook onderzoeken naar koloniale inspiratiebronnen voor Nederlandse literatuur, en meer historische bijdragen.

Het is uiteraard niet mogelijk om alle artikelen in de zo uiteenlopende bundel recht te doen, mijn aantekeningen in het boek zelf en op mijn kladblok overschrijden ruim de gestelde limiet aan het aantal woorden dat in OSO beschikbaar is voor een recensie. Het zal moeten volstaan om er drie stukken wat meer uit te lichten, en in een afrondende alinea de balans van het gehele project op te maken.

Rudolf Mrazek
Foto © Michiel van Kempen

Op het stuk van Van Dis volgt het artikel van Rudolf Mrazek. In vier delen bespreekt hij het overlappende werk en leven van drie mannen: Dr. Louis Schoonheyt, Chalid Salim, en Anthony van Kampen. De belangrijkste decors voor het verhaal zijn de gevangenenkampen Boven Digoel waar vanaf het einde van de jaren 1920 tot 1943 (vermeende) Indonesische communisten werden opgesloten en Jodensavanne waar (vermeende) Indische nazi-sympathisanten tijdelijk vast zaten. Aan de randen van het uiteenvallende Nederlandse imperium schetst Mrazek hoe Schoonheyt, geïnterneerd in Jodensavanne vanwege zijn NSB-sympathieën na vijftien jaar arts te zijn geweest in Boven Digoel, er niet aan ontkomt de parallel te zien tussen hemzelf en de opgesloten communisten. Salim daarentegen, in zijn jonge jaren als communist opgesloten in Boven Digoel, schrijft zelfs na de massamoord van Soeharto op de Indonesische communistische beweging bewonderingsvol over ‘onze president’. De vervlechting van de verhalen en levenslopen en de schuivende ideologische perspectieven lenen zich voor bespiegelingen over de manier waarop aan  geschiedenis en literatuur betekenis wordt gegeven en hoe die zelden goed lijken te rijmen met de beleving van degenen die de ideologisch geïnterpreteerde gebeurtenissen doormaakten.
Nicole Saffold Maskiel
Foto © Michiel van Kempen

Een andere bijdrage aan de bundel waarin de interkoloniale uitwisselingen en netwerken sterk worden geïntegreerd is het mooie onderzoek van Nicole Saffold Maskiel naar de lange lijnen van slaafeigendom tussen de Nederlandse Caraïben en Nieuw Nederland (tegenwoordig New York). In het artikel bespreekt Maskiel de lange ketens van slaafeigendom die door de geschiedenis van de Noord Amerikaanse heersende klasse lopen. Via de familie Stuyvesant die van Curaçao naar Nieuw Amsterdam ging, is slavernij onlosmakelijk onderdeel van de familiegeschiedenis van het vooraanstaande geslacht Bayard geworden. Maskiel laat zien dat via interkoloniale en interimperiale handelsverbindingen slaafgemaakte Afrikanen in Noord Amerika terecht kwamen, en hoe de vertrouwdheid met het eigendom van mensen door overerving van generatie op generatie werd doorgegeven.
Michiel van Kempen
Foto © Sanne Landvreugd

Suriname en de Caraïben keren in de gehele bundel regelmatig terug. Aan het eind van de verzameling zit een stuk van Michiel van Kempen waarin hij onderzoekt hoe men in ‘nieuwe naties’ literatuur begint te lezen, en komt tot ‘postkoloniale canonformatie.’ Hij richt zich in het stuk met name op Suriname, maar het gebrek aan resultaat van de Surinaamse canoncommissie haalt de angel wat uit het stuk. Het is duidelijk dat er ook zonder een formele canon, iedereen met kennis van de Surinaamse literatuur zonder problemen een lijst op zou kunnen stellen van belangrijke werken. Typisch Surinaams-Nederlandse vraagstukken, zoals of de diaspora wel op zo’n lijst mag figureren spelen natuurlijk onmiddellijk op. Van Kempen legt veel nadruk op de celebrity culture dynamiek in Suriname. In het stuk van Van Kempen blijft het ‘pluricontinentale’ aspect buiten beeld.

Over het geheel genomen is de bundel een boeiende verzameling van stukken geworden. Het verschuiven van de aandacht van postkoloniaal naar pluricontinentaal is door de meeste auteurs met succes omarmd. De redacteuren zijn er in geslaagd om in een pluricontinentaal project een lezenswaardige en belanghebbende eenheid te creëren.

Jeroen Dewulf, Olf Praamstra en Michiel van Kempen (ed.), Shifting the Compass; Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature. Newcastle upon Tyne: Cambridge Scholars, 2013. 286 p., ISBN 978 14 4384 228 0,  prijs £ 44,99.




dinsdag 19 februari 2013

Wat er gebeurde na de Columbiaanse Uitwisseling



Aankomst van Columbus in de Nieuwe Wereld
door Karwan Fatah-Black

Na Charles Mann’s boek 1491 over Amerika vóór de Columbiaanse Uitwisseling, verscheen in 2011 zowel de Engelstalige editie als de Nederlandse vertaling van 1493 over de wereld ná de Columbiaanse Uitwisseling. Het boek van Mann is een indrukwekkende geschiedenis over de mondiale gevolgen van de uitwisseling van mensen, ziekten, dier- en plantensoorten die op gang kwam nadat Colón (Columbus) in 1492 van Europa naar Amerika en terug voer.

Microcyclus ulei
Deze uitwisseling is na 420 jaar nog niet voltooid en 1493 is dan ook niet alleen een historisch boek. Mann profeteert over het verwoestende effect dat de schimmel Microcyclus ulei zou kunnen hebben zodra die vanuit de Amazone de rubberbomen achterna zou reizen naar de onmetelijke monoculture rubberplantagegebieden in Zuidoost-Azië (pp. 351-362). Er zijn nog geen directe vluchten tussen de Amazone en deze gebieden, waardoor de schimmel de oversteek nog niet heeft gemaakt. Maar zodra de verbinding er is, zou de schimmel industrie en mobiliteit op grote schaal kunnen ondermijnen. Het massaal afsterven van rubberbomen zou bijvoorbeeld betekenen dat er geen betrouwbare banden meer geproduceerd kunnen worden waarop vliegtuigen veilig kunnen landen. Dat scenario is apocalyptisch, maar sluit naadloos aan op zijn bespreking van voorbeelden uit de geschiedenis van de catastrofale effecten van Plasmodium vivax uit Europa, Plasmodium falciparum uit Afrika (beide zijn vormen van malaria) of Phytophthora infestans (aardappelziekte) uit Amerika.
Charles C. Mann

Mann vraagt zich af of deze en andere ziekten het ontstaan van de trans-Atlantische slavenhandel en de moderne landbouw op hun geweten hebben. Hij baseert zich in zijn boek op recent wetenschappelijk onderzoek en is de wereld rondgereisd om de plekken te bekijken waarover hij schrijft. Zijn journalistieke pen in de Engelse editie is vlot, en ook de Nederlandse vertaling van Bart Voorzanger is uitstekend. De 145 pagina's aan voetnoten en literatuurverwijzingen onderstrepen hoezeer Mann (journalist bij Science) voor zijn boek de state of the art van de wetenschap weergeeft. Hoewel het belang van de Columbiaanse Uitwisseling al langer onderkend wordt, is Manns aandacht voor het effect daarvan op Azië verfrissend.
                Hij ziet niet alleen grote ontwikkelingen, maar heeft ook oog voor details. Mann ontrukt de honderdduizend Chinezen aan de vergetelheid die als slaven een bijrol hadden in de menselijke geschiedenis door voor de kust van Peru de soms wel twaalf verdiepingen hoge eilanden van vogeluitwerpselen af te graven ten behoeve van de Europese landbouw (met wellicht als onbedoeld gevolg het uitbreken van de Ierse great famine). Mann zoekt de global history op met zijn bespreking van de bijdrage van de Uitwisseling aan het verwijden van de kloof tussen het machtiger wordende Westen tegenover het terugvallende China. Hij volgt hoe het verbouwen van aardappelen en maïs China politiek en ecologisch veranderde en suggereert een verband met de tanende macht van het keizerrijk.

Vogeluitwerpselen op het schiereiland Paracas, Peru. Chinese slaven delfden de vogelmest voor export naar Europa


Het boek is niet alleen een onbedoelde-gevolgen-geschiedenis van biologische uitwisseling. De verspreiding van desastreuze ziekten of van gewassen zijn in de visie van Mann niet losgezongen van de sociale context. Phytophthora infestans is op zichzelf geen natuurramp, maar werd een catastrofe omdat Ierse boeren vanuit Engeland gedwongen werden tot schaalvergroting. Het opgeven van hun oude landbouwmethode had als bijkomend effect de snelle verspreiding van de ziekte. Mann betrekt in zijn verhaal ook de ontwikkelingen in de landbouwcultuur, urbanisatie en etnische verhoudingen. Hier laat Mann zich van een heel andere kant zien. Met gevoel voor deze beladen debatten schetst hij aan de hand van voorbeelden uit het Spaanse rijk hoezeer de racialisering van sociale verhoudingen pas in de loop van de Columbiaanse uitwisseling vorm heeft gekregen.
                Het verhaal schakelt moeiteloos over van de levenscyclus van muggen en schimmels naar biografieën van geplaagde ontdekkingsreizigers en uitvinders, naar ontwikkelingen in staten en naar herschikte sociale verhoudingen. Die onderwerpen hebben bij Mann allemaal een rol in de enorme breuk in de geschiedenis die de Uitwisseling volgens hem is. De verandering van de wereld na 1492 is volgens Mann zo groot dat er met het begin van de Uitwisseling een nieuw tijdperk is aangebroken: het homogenoceen. Dit homogenoceen is het herstel van een verbonden wereld die met het uiteendrijven van Pangaea verloren was gegaan en is 'wellicht wel de belangrijkste gebeurtenis sinds het uitsterven van de dinosauriërs' (p. 25).

Wat zou dit goed ontvangen en breed verspreide boek kunnen betekenen voor de Surinamistiek? Mann heeft een paragraaf over Suriname waarin malaria een hoofdrol krijgt toebedeeld als veroorzaker van Europees absenteïsme op de plantages en het goeddeels mislukken van de Europese veldtochten tegen de marrons. De relevantie van het boek zit niet in deze wat willekeurig aandoende pagina's (pp. 471- 475). Interessanter is het idee van een mondiale verbondenheid sinds de Columbiaanse Uitwisseling, en dat deze uitwisseling nog steeds gaande is. In dit global history-perspectief gaat het niet om een eenzijdige beïnvloeding, maar om een wederkerig proces waaraan niet alleen de Atlantische kustregio's, maar ook die aan de Pacific deelhebben.


Charles C. Mann, 1493; Hoe de wereld zich ontwikkelde na de ontdekking van Amerika. Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2011. 688 p., isbn 978 90 46810 34 7, prijs € 34,95.

[uit Oso 2012,1]

donderdag 1 november 2012

Geschiedschrijving


door Karwan Fatah-Black

In oktober 2012 vond in Suriname aan de Anton de Kom Universiteit een congres plaats over de dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. In de jaren tachtig vond er voor de eerste keer een dergelijk congres plaats. Nu, zevenentwintig jaar later, werd de discussie van toen weer opgepakt. De lange stilte tussen het eerste en het tweede congres waren aanleiding tot verwondering bij veel congresgangers en de organisatoren, waarvan er een aantal ook de eerste editie actief hadden bijgewoond. De vraag die in de oproep en openingslezingen van het congres gesteld werd was waarom de dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving in die tussenliggende jaren niet had plaatsgevonden.

Maar al tijdens de inleiding van Maurits Hassankhan bleek dat de tijd allerminst had stilgestaan. De late jaren tachtig en negentig waren een periode van snelle wetenschappelijke ontwikkeling. In Nederland begonnen postkoloniale migranten, alleen al door hun aanwezigheid, in hoog tempo onderzoeksagenda’s te bepalen. Via tijdschriften als OSO en series als de BSS werd er veel over Suriname geschreven, maar vaak alleen vanuit Nederland, en onbedoeld altijd verbonden met de postkoloniale migratie na 1975. Hassankhan stelde in zijn keynote een autonome benadering van geschiedenis voor, vrijgemaakt van koloniale en neokoloniale percepties, maar ook voorbij het dogmatische antikolonialisme. Zijn inspiratie haalde hij uit discussies in de Aziatische context, ver bij de smalle Nederlands-Surinaamse debatten vandaan.

Papiergeld uit Demerara en Essequibo, 1823


Als er een gevoel overblijft na het driedaagse congres, dan is het dat Surinamers in Suriname en de Surinaamse diaspora uit elkaar zijn gegroeid. De Surinaamse discussie was boeiend om te volgen. Het ging over de evaluatie van de onafhankelijkheid, de poging tot het vormen van een nationale identiteit, de benadering van etniciteit en religie, en welke selecties de samenstellers van een bacheloropleiding moeten maken. Het waren allemaal levendige en open discussies. 

Opvallend was dat belerende en onnodig scherpe bijdragen aan de discussie vrijwel altijd uit de hoek van de Surinaamse diaspora afkomstig waren, alsof men bang was de greep op de Surinaamse ontwikkeling te verliezen. Zo stelde Chan Choenni keer op keer dat er misschien maar helemaal geen universitaire geschiedenisopleiding moest komen. Ook Hans Ramsoedh benadrukte dat de Surinaamse historici zich vooral niet (van stemmen uit de diaspora) moesten isoleren. Hakiem Nankoe, sinds de onafhankelijkheid in de VS, vond het nodig om zijn halve presentatietijd te besteden aan een uitleg waarom hij niet was teruggekomen om het land op te bouwen, om vervolgens de discussietijd van zijn panel in te pikken om op belerende toon open deuren in te trappen. De wat superieure houding vanuit de diaspora bemoeilijkte op een aantal momenten een gelijkwaardige uitwisseling van ideeën.

...de opbouw van een eigen geschiedeniscurriculum...


Over het geheel genomen lijkt het prima te gaan met het opbouwen van een eigen geschiedeniscurriculum. Het punt is, zoals op zoveel plekken, dat historici duidelijk moeten maken dat zij niet als luxeproduct buiten ministeriële begrotingen gehouden mogen worden. Beleidsmakers overtuigen van het belang van autonoom geschiedenisonderzoek vraagt tijd en doorzettingsvermogen. Dit is een kwestie tussen Surinamers in Suriname, en gezien de welwillendheid van het ministerie om bij te dragen aan het congres, is hopelijk het opzetten van een BA-opleiding niet ver weg. 

Tijdschriften als His/Her Tori bieden daarnaast een mooi platform voor verdere discussie, en het congres over migratie, diaspora en identity formation in Paramaribo in 2013 zal ongetwijfeld opnieuw een impuls geven. Tijdens een rondleiding door het prachtige Nationaal Archief bleek dat de expertise op het gebied van archiefbeheer van over de hele wereld wordt ingevlogen, van Korea tot Brazilië. Terug in Nederland lijkt het moment aangebroken voor historici in de Surinaamse diaspora om te reflecteren op de eigen rol in hun nieuwe thuisland, los van Suriname.