![]() |
| Minke deelt ballonnen uit, de vraag is groot. ‘Ik heeft nok keen blaas’. Foto: Tinde van Andel |
Het
Saramaccaans is een stuk moeilijker dan het Aucaans of het Sranantongo. De
Saramaccaners vluchtten veel eerder het bos in (sommigen al voor 1700), en veel van hen waren slaven van
uit Brazilië weggestuurde Joodse plantagehouders. Dus zit er behalve Engels,
Nederlands, Indiaans en Afrikaans ook een hoop Portugees in. Laat dat mengsel
van talen een paar honderd jaar gisten in een verafgelegen oerwoud, gooi zoveel
mogelijk medeklinkers eruit en je krijgt Saramaccaans.
We doen ons
best het te verstaan, mensen komen ons tegemoet met hun versie van het
Sranantongo. Net als je denkt dat je alles begrijpt, gaan ze met elkaar praten:
niet alleen het volume wordt met 100 decibel opgeschroefd, ook versta je er
opeens geen klap meer van. Zo kom je er achter dat je al die tijd in een soort
Saramaccaans voor sukkels bent toegesproken. De toeristen die hier komen,
spreken geen woord met de lokale bevolking. Voor mensen die hier komen en toch
eens een praatje willen maken, hieronder onze klunzige samenvatting:
wóóóy = Hé,
jij daar! (kan ook geroepen worden in een telefoon)
un dé
noooooo = (lett. wij zijn er): hoi
i kon akii?
= (lett. ben jij gekomen?): hoi
weki-oooooooo
= goedemorgen
mi weki
taangaaa = (lett. ik ben sterk wakker geworden): ook goedemorgen
duumi weki =
(lett.: slapen wakker worden): slaap lekker
saai
sèèèèèèèfi = van hetzelfde
Let op als
mensen zich voorstellen met een bekend klinkende naam: zo heten ze dus niet.
Niemand kent ze bij hun paspoortnaam, je moet hun bijnaam weten:
Georgio heet
Jamesi, Agnes heet Akkie, Cor heet Abèlle, George heet Sioorie, Angelo heet
Djanko, Hesdy heet Adadu
Moni (geld):
kwaliki = kwartje (0,25 Surinaamse dollar)
tiensensi =
dubbeltje (0,20 SRD)
dala = 1
Surinaamse dollar (100 ct) in de stad zeggen ze ‘doller’
gaan dala,
baaka dala (grote / zwarte dollar) = 250 ct
tu yuuu te
mi doooo (lett. twee uur tot ik deur) = ik ben er pas om twee uur.
alibi –
boontje (een soort klein bruin capucijnertje)
alibi alibi
– boontje-boontje (Senna occidentalis), onkruid met oneetbare boontjes
baaka =
zwart, blauw of paars of wit (bakra)
Saalaaamakka
stilaati in Palamaliboo = Saramaccastraat te P’bo, hier pak je de bus naar ‘t
binnenland. Je hoort het Aucaans en Saramaccaans al op de stoep.
mi lij, mi
lij = ik rij al (roept Doksi in zijn cell als er nog iemand mee wil die te laat
is)
Ik ben geen
rasta, ik draai gewoon mij haar.
Djamaika =
toeristenverblijf op Jawjaw, niet het eiland. Bob Marley? Wie is dat?
Hoe oud ben
jij zonder vrijpostig? = Mag ik zo onbeleefd zijn te vragen hoe oud je bent?
Ik heeft nok
niet blaas = ik heb nog geen ballon (dus mag ik er een?)
![]() |
| Saramakaners in Atjoni, waar goederen uit de busjes worden overgeladen in korjalen. Foto C. van der Hoeven |
sembe buka
(lett. iemands mond): kwalijke dingen die mensen over je kostgrondje zeggen,
zodat er niets meer groeit. Om dit tegen te gaan plant je een pakopesi
(Canavalia brasiliensis, een hele grote oneetbare boon) aan de ingang van je
veldje. In Benin gebruiken voodoo priesters een boon van Canavalia ensiformis
tijdens rituelen, die heet….akpaku.
tinde =
klein vogeltje dat de rijst opeet. Je schiet erop met je ‘slinger’ (katapult).
Niemand
heeft hier dus moeite met mijn naam uitspreken
kakisa =
huid, schil, boombast.
mi nango
bakasei (lett. ik ga naar de achterkant) = ik ga het bos in
switi mofo
(lett. zoete mond) = vlees uit het bos of een lekkere vis
disi boy no
taki neks = deze jongen zegt niets (Jorik heeft moeite met Saramaccaans)
djanga futu
= hert (eet alle napibladeren op)
genge = twee
pannendeksels die op elkaar klapperen om vogels weg te jagen.
blina bal-
een zoet broodje dat bakker Betsy bakt (Berliner bol)
hanse muyee
= lekker wijf (van ‘handsome’ (Engels) en ‘mulher’ (Portugees)
loli =
slijmerig, zoals sesambladeren in een kruidenbad
lolo =
rollen
luile =
ruilen
lalu = oker
kalu = mais
palu =
Heliconia
beee =
brood bee = buik be = rood
Als dus wil
zeggen: “mijn rode buik zit vol brood”, dan klink je als een sukapu (schaap)
ketre kendi
kendi kendi -pas op die ketel is heet!
Ik ga voor
jou een onderkomen bouwen hier = ik vind jou leuk
sakwati
kula: ‘dat is een vrijpostig ding, dat draagt een man in zijn broek!’
[van bushblogsuriname, woensdag 7 augustus
2013]



































_Detailfoto.jpg)


“Ik kan rennen,” antwoordde ik, want dat imponeert toch meer dan fluit spelen of differentiaalvergelijkingen oplossen. En al ben ik bijna zestig, ik heb langere benen en meer uithoudingsvermogen en als de zandplaat maar groot en rul genoeg is, telt dat. Ze namen de uitdaging aan en renden direct weg. En toen pas realiseerde ik me het gevaar. Want er was geen startlijn, ze wachtten niet op een startschot of zo, ze renden gewoon weg en ik moest erachteraan: het werd geen hardloopwedstrijd maar een soort tikkertje. En tikkertje met onbekende kinderen is link. Er hoeft maar zo’n knaapje de dreunende stappen en het gehijg van een reuzenkannibaal steeds dichter bij te horen komen, even te vergeten dat het spel is en te gaan gillen - dan slaat de paniek direct over op de hele groep en binnen het uur gaat het verhaal het dorp door dat ik getracht heb een jongetje te vangen om op te eten of te boeleren. Je weet het toch maar nooit met die blanken. Daarom sprintte ik zo snel mogelijk de kleintjes voorbij en ging achter die van de honderd wijven aan, zo’n mannetjesputter raakt vast niet in paniek. Toen ik die had afgetikt, koos ik de op een na grootste, en toen de kleintjes aan de beurt waren, verklaarde ik me uitgeput - en dat waren zij toen allemaal ook. Maar ik was de kleintjes ruimschoots voorbij gesprint, de verhoudingen waren nu duidelijk en daar ging het om. De pikorde is vastgesteld en de volgende keer dat ik in het dorp kom, heb ik vier gidsen, die alle vier mijn tas moeten dragen en mijn hand moeten vasthouden om de anderen te tonen dat zij niet meer bang voor me zijn. 

