Posts tonen met het label Saramaka. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Saramaka. Alle posts tonen

zaterdag 2 november 2013

Saramaccaans voor beginners

Minke deelt ballonnen uit, de vraag is groot. ‘Ik heeft nok keen blaas’. Foto: Tinde van Andel

door Tinde van Andel

Het Saramaccaans is een stuk moeilijker dan het Aucaans of het Sranantongo. De Saramaccaners vluchtten veel eerder het bos in (sommigen al  voor 1700), en veel van hen waren slaven van uit Brazilië weggestuurde Joodse plantagehouders. Dus zit er behalve Engels, Nederlands, Indiaans en Afrikaans ook een hoop Portugees in. Laat dat mengsel van talen een paar honderd jaar gisten in een verafgelegen oerwoud, gooi zoveel mogelijk medeklinkers eruit en je krijgt Saramaccaans.

We doen ons best het te verstaan, mensen komen ons tegemoet met hun versie van het Sranantongo. Net als je denkt dat je alles begrijpt, gaan ze met elkaar praten: niet alleen het volume wordt met 100 decibel opgeschroefd, ook versta je er opeens geen klap meer van. Zo kom je er achter dat je al die tijd in een soort Saramaccaans voor sukkels bent toegesproken. De toeristen die hier komen, spreken geen woord met de lokale bevolking. Voor mensen die hier komen en toch eens een praatje willen maken, hieronder onze klunzige samenvatting:

wóóóy = Hé, jij daar! (kan ook geroepen worden in een telefoon)
un dé noooooo = (lett. wij zijn er): hoi
i kon akii? = (lett. ben jij gekomen?): hoi
weki-oooooooo = goedemorgen
mi weki taangaaa = (lett. ik ben sterk wakker geworden): ook goedemorgen
duumi weki = (lett.: slapen wakker worden): slaap lekker
saai sèèèèèèèfi = van hetzelfde

Let op als mensen zich voorstellen met een bekend klinkende naam: zo heten ze dus niet. Niemand kent ze bij hun paspoortnaam, je moet hun bijnaam weten:
Georgio heet Jamesi, Agnes heet Akkie, Cor heet Abèlle, George heet Sioorie, Angelo heet Djanko, Hesdy heet Adadu

Moni (geld): kwaliki = kwartje (0,25 Surinaamse dollar)
tiensensi = dubbeltje (0,20 SRD)
dala = 1 Surinaamse dollar (100 ct) in de stad zeggen ze ‘doller’
gaan dala, baaka dala (grote / zwarte dollar) = 250 ct

tu yuuu te mi doooo (lett. twee uur tot ik deur) = ik ben er pas om twee uur.

alibi – boontje (een soort klein bruin capucijnertje)
alibi alibi – boontje-boontje (Senna occidentalis), onkruid met oneetbare boontjes

baaka = zwart, blauw of paars of wit (bakra)

Saalaaamakka stilaati in Palamaliboo = Saramaccastraat te P’bo, hier pak je de bus naar ‘t binnenland. Je hoort het Aucaans en Saramaccaans al op de stoep.

mi lij, mi lij = ik rij al (roept Doksi in zijn cell als er nog iemand mee wil die te laat is)

Ik ben geen rasta, ik draai gewoon mij haar.
Djamaika = toeristenverblijf op Jawjaw, niet het eiland. Bob Marley? Wie is dat?

Hoe oud ben jij zonder vrijpostig? = Mag ik zo onbeleefd zijn te vragen hoe oud je bent?

Ik heeft nok niet blaas = ik heb nog geen ballon (dus mag ik er een?)

Saramakaners in Atjoni, waar goederen uit de busjes worden overgeladen in korjalen. Foto C. van der Hoeven


sembe buka (lett. iemands mond): kwalijke dingen die mensen over je kostgrondje zeggen, zodat er niets meer groeit. Om dit tegen te gaan plant je een pakopesi (Canavalia brasiliensis, een hele grote oneetbare boon) aan de ingang van je veldje. In Benin gebruiken voodoo priesters een boon van Canavalia ensiformis tijdens rituelen, die heet….akpaku.

tinde = klein vogeltje dat de rijst opeet. Je schiet erop met je ‘slinger’ (katapult).
Niemand heeft hier dus moeite met mijn naam uitspreken

kakisa = huid, schil, boombast.

mi nango bakasei (lett. ik ga naar de achterkant) = ik ga het bos in

switi mofo (lett. zoete mond) = vlees uit het bos of een lekkere vis

disi boy no taki neks = deze jongen zegt niets (Jorik heeft moeite met Saramaccaans)

djanga futu = hert (eet alle napibladeren op)

genge = twee pannendeksels die op elkaar klapperen om vogels weg te jagen.

blina bal- een zoet broodje dat bakker Betsy bakt (Berliner bol)

hanse muyee = lekker wijf (van ‘handsome’ (Engels) en ‘mulher’ (Portugees)

loli = slijmerig, zoals sesambladeren in een kruidenbad
lolo = rollen
luile = ruilen
lalu = oker
kalu = mais
palu = Heliconia

beee = brood    bee = buik   be = rood
Als dus wil zeggen: “mijn rode buik zit vol brood”, dan klink je als een sukapu (schaap)

ketre kendi kendi kendi -pas op die ketel is heet!

Ik ga voor jou een onderkomen bouwen hier = ik vind jou leuk

sakwati kula: ‘dat is een vrijpostig ding, dat draagt een man in zijn broek!’




[van bushblogsuriname, woensdag 7 augustus 2013]

zaterdag 26 oktober 2013

Talen leven in het leven, maar ook in de wetenschap?


door Els Moor

Na lange tijd ontvingen we weer een OSO en wel half oktober 2013 het nummer van mei 2013. Jaarlijks is het mei-nummer voor een groot deel gewijd aan het colloquium dat in november van het jaar ervoor gehouden werd door de stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS). In november 2012 was het thema ‘Taal Tori: Kultura den Boka’. Het uitgangspunt van het colloquium was dat taal levend is en dus verandert.

Drie artikelen zijn er waarin de Surinaamse taalsituatie een rol speelt en twee over die van Curaçao. Uiteraard bevat deze OSO recensies van recent verschenen werk en van Michiel van Kempen is er ‘In memoriam Jan van Donselaar’. We berspreken hier alleen de artikelen die te maken hebben met de taalsituatie in Suriname.

In de eerste bijdrage geeft Pieter Muysken - hoogleraar taalwetenschap aan de Radboud-universiteit Nijmegen - een overzicht van de ‘Meertaligheid in het Caraïbisch Gebied en Suriname’. Hij begint met een beeld van meertaligheid in het algemeen. Waarom is er niet één taal in de wereld? Een interessante vraag. Taal is een stuk identiteit en het ene volk is anders dan het andere. Zo is het gegroeid en zo gaat het nog steeds.
Foto © H. Nanpersad

Twee opvattingen van Muysken doen vragen rijzen. Zo beweert hij dat creooltalen, ook het Sranantongo, ondergewaardeerd worden. Letterlijk zegt hij: ‘Een creooltaal wordt dan vaak ook als iets waardeloos beschouwd.’ Dit mede omdat creooltalen eenvoudiger zijn qua verbuigingen en vervoegingen dan de officiële talen, bij ons dus het Nederlands. Maar creooltalen horen toch juist heel sterk bij de ‘identiteit’? Is die identiteit dan minderwaardig? Muysken geeft tevens een schematische indeling van talen waarbij ze als het ware op een ladder te zien zijn. ‘Hoog’ zijn talen voor onderwijs en bestuur, ‘Midden’ talen op straat en op het werk en ‘Laag’ talen die thuis gesproken worden, onder vrienden en in intieme situaties. Ik zou ‘hoog’ als volgt willen interpreteren: hoe hoger op de ladder, hoe verder van de grond, van de dagelijkse werkelijkheid, van de identiteit. Maar of de wetenschappers ‘hoog’ en ‘laag’ ook zo uitleggen? Als professor ben je immers ‘hoog’ en als jager en kostgrondjeshouder in een dorp in het binnenland, die zijn eigen taal spreekt, ben je dan ‘laag’? Wel dicht bij je eigen grond! In Suriname is het Nederlands natuurlijk ‘hoog’, het Sranan en vaak ook het Sarnámi ‘midden’ en veel thuistalen van volken in het binnenland ‘laag’. Muysken geeft toe dat er nog veel onderzoek verricht moet worden om alle talen hun plaats te geven. Pieter Muysken heeft achter zijn bureau op de Nederlandse universiteit zijn betoog opgebouwd. Als talen inderdaad ‘levend’ zijn, moet je dat echter laten zíén. Hoe talen functioneren in Suriname, binnen de leefwereld van verschillende groeperingen, wat voor Nederlands ons Surinaams-Nederlands is... daarvan zien we niets. Talen hebben onderscheiden functies en sommige talen worden geschreven en andere niet. Het Nederlands is ook de onderwijstaal en voor heel veel kinderen hier is dat een probleem. Maar ook vanuit je eigen taal, identiteit en leefwereld, kun je die vreemde andere taal leren en gelukkig gebeurt dit al op sommige scholen in het binnenland. In ieder geval ‘leeft’ de taal dan voor degene die hem leert! In de wetenschappelijke artikelen vinden we heel weinig over de manieren waarop men in Suriname omgaat met de taalproblemen, met name in het onderwijs. Sommige thuistalen leven niet meer, gaan dood, zoals sommige inheemse talen in Suriname, Muysken noemt het Warao. Dat komt vaak doordat jongeren vervreemden van hun eigen taal en steeds meer een eigen taal met elkaar spreken, hier vaak een mengsel van Surinaams-Nederlands en de lingua franca het Sranan. Maar dat vermeldt de auteur niet.

Foto © Neizvecten

Het tweede artikel van Sjaak Kroon & Kutlay Yagmur - ook hoogleraren - gaat over ‘Taalbeleidsonderzoek en taalbeleidsontwikkeling voor het onderwijs in Suriname’. Ze doen verslag van het landelijk thuistaalonderzoek in Suriname dat van 2007 tot 2009 werd uitgevoerd op initiatief van de Nederlandse Taalunie en het Minov door de universiteit van Tilburg. Bij dit onderzoek werden 22.643 leerlingen van de klassen 4, 5 en 6 van glo en van lbgo en mulo gevraagd naar hun thuistaalsituatie. Het doel was gegevens te verschaffen ten behoeve van het taalbeleid in Suriname: moeten ook andere talen dan het Nederlands een rol gaan spelen in het onderwijs? Leerkrachten ondersteunden de leerlingen en de antwoorden waren makkelijk te geven via het aankruisen van een bolletje. Wat de schrijvers op pagina 25 zelf ook aangeven is de vraag of deze methode, binnen de school en met hulp van de klassenleerkracht, wel leidt tot het weergeven van de werkelijke taalsituatie. Of geven de jongeren sociaal wenselijke antwoorden? In totaal hebben de leerlingen 52 talen genoemd die thuis gesproken worden. Dat is verrassend. Op grond van de resultaten hebben de onderzoekers een top 14 samengesteld. Daarin staat in bijna alle districten Nederlands op de eerste plaats als thuistaal. Alleen in Brokopondo niet, daar is dat het Saramakaans. Vaak staat het Sranan op de tweede plaats, in Saramacca en Nickerie het Sarnámi en in Sipaliwini het Saramakaans. Veel leerlingen geven via de vragen ook aan dat ze het Nederlands goed beheersen. Dit onderzoek is uitermate vaag. De meeste leerlingen wonen in de stad en nabije districten, waar het Nederlands inderdaad bijna door iedereen redelijk tot goed gesproken wordt. Hoe zit het met kinderen uit de volkswijken in de stad, in de verdere districten en vooral in het binnenland tot het uiterste zuiden, waar niemand meer Nederlands spreekt en de schooltaal dus zowat onmogelijk is voor de kinderen? En al die kinderen en vooral jongeren die niet meer op school zijn? Degenen die op lbgo en mulo terechtkomen, hebben de toets gehaald, zijn voornamelijk uit de stad en de nabije districten, maar hoe verderaf je komt, hoe meer het afneemt.
De Europese geleerde bril. Foto © P. Muysken

Het derde artikel is van Margot van den Berg. Zij is wetenschapper aan de universiteit van Nijmegen. Het is een verslag van een onderzoek naar contacten tussen talen en daarmee samenhangend taalveranderingen. Taal wordt daarbij aan identiteit gekoppeld. In het onderzoek wordt taalvariatie aangetoond in verschillende talen, het Sranantongo, het Sarnámi en het Aukaans. Het onderzoek laat zien dat de talen steeds meer op elkaar gaan lijken. De talen in Suriname veranderen wel degelijk. (Zoals overal: hoe is het Nederlands niet veranderd in de laatste dertig jaar. Het is veel meer aangepast aan de ‘platte’ taal van het volk, de elite spreekt vaak nog ‘netjes’.) Hein Eersel heeft in 1983 al gezegd: ‘Het systeem is aan het veranderen’. Dat doet het nog steeds, alles wat leeft verandert, meestal onder invloed van anderen. Taal leeft! De drie artikelen zijn helaas niet echt uit het ‘taal-leven’ gegrepen! OSO is een ‘Tijdschrift voor Surinamistiek’, maar helaas is die surinamistiek steeds meer vanuit Europese geleerde brillen. Dat zie je ook aan de literatuurlijsten bij de artikelen. En dat terwijl er ook vanuit Surinaams perspectief veel over geschreven is.


KIT Publishers: OSO Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch Gebied; jaargang 32, nr. 1, mei 2013. ISSN 0167-4099
Opmerking van de redactie van dWTL: terwijl we bezig waren met deze pagina ontvingen we de nieuwe His/her TORI, Tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, nummer 4 van juli 2013. We zullen het zo gauw mogelijk bespreken. Het gaat over ‘feestdagen’ in Suriname. Het onderwerp geeft hoop dat we actuele en historische informatie krijgen, vanuit Surinaams ‘levend’ perspectief!


zondag 22 september 2013

Donner over Marronverdragen in Juristenblad

Groep Aukaners van de Sarakreek, ca. 1900-1940. (Collectie KIT.)

In het zojuist verschenen tweede nummer voor 2013 van het Surinaamse Juristen Blad heeft Mr.Dr.W. Donner een nieuw licht doen schijnen op het karakter van de Marronverdragen. In de 18e eeuw kwamen in Jamaica twee vredesverdragen tot stand tussen de Marroons en het bestuur aldaar, namelijk in 1737 en 1738. In Suriname kwam nauwelijks twintig jaar daarna, in 1760 het traktaat met de Aukaners, dat thans als nationale dag wordt gevierd, tot stand en in 1762 het traktaat met de Saramaccaners. Donner verwijst naar zijn boek over de Marronoorlogen, waarbij hij stelt dat de toenmalige gouverneur een delegatie stuurde naar de opperbevelhebber der Aukaner Strijdkrachten Araby om tot een vergelijking te komen. Dat er contact bestond tussen de marrons in Suriname en die van Jamaica blijkt uit het feit dat Araby verwees naar de verdragen die in Jamaica waren gesloten met de Engelsen. Hij was bereid onder dezelfde voorwaarden als op Jamaica vrede te sluiten. Behalve het artikel van Donner bevat het jubileumnummer van het SJB, vele andere interessante artikelen onder andere over het Surinaams Ruimtelijk Ordeningsrecht dat middels het Ministerie van ROGB regelmatig in de belangstelling staat. Verder een artikel over de voorlopige toepassing van verdragen en overeenkomsten zoals de EPA en de Grondwet van Suriname. Belangrijk is verder ook de herplaatsing van een artikel van Halfhide over eigendom van delfstoffen, welk artikel door de auteur (oud-advocaat) geactualiseerd is.

[mededeling Schrijversgroep '77]

zaterdag 21 september 2013

Nine eleven

Atjonie

door Carry-Ann Tjong-Ayong

11/9 is voor ons geen doomsday.
Wij rijden naar Atjonie over de nu glad geasfalteerde weg met nog herinneringen aan 14 jaar geleden, toen wij hobbelend en buitelend in een tot bus omgebouwde oude vrachtauto van de bloemenveiling Aalsmeer zaten, met een groep medereizigers, de enorme bagage opgestapeld in een hoek, manden, reistassen, vormeloze bundels, zakken, en andere “lay”. Onze voeten steunden op een palet om de gaten in de vloer te maskeren, maar dat verhinderde niet, dat het rode stof en als het had geregend, de rode modder zich een weg baande naar onze kleren.

Nu glijden wij over de weg en zijn een paar uur later aan de oever van de Surinamerivier met de rijen korjalen en de gezellige drukte van gaande en komende reizigers. Veel Marrons, kleurig gekleed, vooral de vrouwen, die steeds moderner en sexier worden. Jongens met veelkleurige haren verplaatsen winkelwaren op hun steekwagentjes. Hier en daar een “bakra”-stel met rugzak, zoekend naar verder vervoer.

“Mami yu doro!” Drie mannen komen verheugd op mij af en schudden mij de hand, omhelzen Wim. De boot ligt al tegen de oever op een gunstige plek, waar zij mij straks, over een andere korjaal, met rolstoel en al zullen tillen.
Eerst nog een biertje drinken met Wim, de bagage in de boot zetten, water kopen, benzine halen. De vaste rituelen voor het vertrek. “Mami un dé”.
We kunnen vertrekken.

De euforie van het opspattend water, het zoemen van de buitenboordmotor,
De eeuwig groene woudwanden, die mijn verborgen religieuze gevoelens naar boven halen. Meneer Gullith kon zo mooi vertellen op de Stähelinschool.



Tegen 16.00 uur zijn we bij Masiakriki en leggen aan bij de trap van Masia Paati, het eiland aan de overkant. Hier zullen we logeren in de primitieve traditionele hut met pina dak, kunstig gevlochten en heerlijk koel bij de naderende oktoberhitte.  De aarden vloer is bestand tegen kalebassen water en de lage deur kan ‘s nachts open blijven, zodat je vanuit je hangmat op de maanverlichte rivier kan kijken. We gebruiken geen klamboe, want hier zijn geen muskieten. Het balkonnetje aan de waterkant, waar ik graag zit te schrijven, wordt helaas langzaam verorberd door houtluis en moet binnenkort vervangen worden.

Het is bijna volle maan, munkenki, en voor de hut kun je ’s avonds heerlijk in het maanlicht zitten praten met een  drankje. Geen smog, geen stadslawaai, maar gesjirp van krekels, gekwaak van padden, ver gebrul van babun, en af en toe een vrouwenstem van oever tot oever. Het is hier heerlijk slapen.

Toch heeft mijn bezoek dit keer een wrange smaak. Het overlijden en de rituelen rond de begrafenis en puru blaka van kabiten Allifons zijn aan mij voorbij gegaan. Ik was net in die maanden tussen december en juli niet in Suriname en daarna was het Carifesta en de bigiyari van mijn zuster. We maken nog net de puru blaka van de eerste vrouw van Allifons mee. Zij is zes weken in eenzame opsluiting in haar hut gebleven om te rouwen met als menselijk contact alleen iemand die haar de maaltijden brengt. Nu wordt zij naar Pikin Slee gebracht waar zij in in het geheim een kruidenbad krijgt, waarna zij weer aan het gewone leven mag deelnemen.

Wij mogen haar bezoeken.  Ik schrik als ik de eens zo trotse, statige vrouw, oud, grijs en kromgebogen, bijna op handen en voeten haar hut uit zie komen. Dat doet verdriet en eenzaamheid met je, denk ik geëmotioneerd. Tradities en rituelen hebben hier de tijd overleefd.

En weer laat ik mij door het hele dorp voeren, om al mijn vrienden en bekenden te groeten, een praatje te maken, handen te schudden met de mensen, die na veertien jaar als familie zijn geworden. De jongste zoon van Allifons kijkt mij treurig aan. “Aduú ...” omhelzen wij elkaar op zijn Saramakkaans.

cat, 18/9  2013


Standaardisatie Saamaka Tongo kent vele aspecten





door Audry Wajwakana
Kenneth Lazo

Paramaribo - Om te komen tot één spelling- en schrijfwijze voor de Saamaka Tongo dient er rekening gehouden te worden met de vele varianten en klanken van de taal. Dat gaven delen van het goed opgekomen publiek donderdagavond mee aan Stichting Saamaka Akademiya, bij de lezing ‘De media en Saamaka Tongo’. Het is precies een jaar geleden dat de stichting het proces heeft ingezet om de taal samen met het directoraat Cultuur te institutionaliseren.
Marijke Agwenze, voorzitter Stichting Saamaka Akademiya

Invloed
Inleider Kenneth Lazo schetste de huidige positie van de Saamaka Tongo in de media. Als radio- en televisiepresentator heeft hij waargenomen dat de taal het best aan bod komt bij de radio. "Dat komt door de overheid die voorlichtingsprogramma's vertaalde. Ook ngo's hebben meegewerkt door hun boodschap via dit medium te verspreiden", zegt hij. De reikwijdte van de verschillende radiozenders vanuit Paramaribo en community radiozenders in de verschillende dorpen heeft hieraan ook meegeholpen. Bij de televisie gaat dat er ietwat anders aan toe, vanwege de beperkte reikwijdte en zendmasten die in het binnenland ontbreken.
Waldi Ajaiso

De binnenlandbewoners hebben deze opgevangen middels video-opnames en gebruikgemaakt van dvd-spelers om beeldinformatie te krijgen. "Als we kijken naar de relatie tussen taal en cultuur, zien we dat veel Afrikaanse films in trek zijn bij marrons vanwege de cultuurovereenkomsten", haalt Lazo aan. Hierdoor hebben ze interesse voor de inhoud van die films. "Jongeren in Paramaribo hebben daarop ingespeeld door de inhoud van de films te vertalen." Dat is volgens de inleider ook een manier om te zien welke invloed de taal via het medium televisie heeft op mensen. "Een wereld gaat open voor die mensen", zegt hij. Als bewoner uit Santigron heeft hij meerdere keren meegemaakt dat de mensen uren over de inhoud van een film kunnen discussiëren.

Rapper Scrappy W bewijst met het lied Super Saamaka hoe trots hij is op zijn culturele identiteit. Bij de lezing 'De media en de Saamaka Tongo' bracht hij het lied a capella ten gehore. Foto: Claudio Barker.


Bijdrage
Bij de discussieronde van de lezing is echter afgeweken van het thema 'De media en Saamaka Tongo'. Vanwege de complexheid en moeilijkheidsgraad van de taal, riep Johan Roozer van het directoraat Cultuur andere organisaties en Saamaka-mensen op om hun bijdrage te leveren aan het proces.
Johan Roozer van het Directoraat Cultuur

"De taal is een stukje erfgoed, waarin heel wat geschiedenis verborgen is", geeft hij de aanwezigen aan. Vanwege het emancipatieproces dat zich bij verschillende marrongroepen voltrekt, vindt hij dat er haast geboden is om de normering van de taal bij wet te laten vastleggen. "Mensen worden oud en het doorgeven van verhalen geschiedt op een traditionele manier die voor de niet-Saamaka onbegrijpelijk is." Ondanks dat algemeen bekend is dat de letters 'g' en 'r' niet in de taal voorkomen, hebben de verschillende Saamaka-woorden vele uitspraakmogelijkheden. Los van die mogelijkheden hebben de verschillende Saamaka-dorpen ook andere intonaties..

[uit de Ware Tijd, 21/09/2013]

Een deel van het publiek



Alle foto's, tenzij anders aangegeven: @ Stichting Saamaka Akademiya

zondag 25 augustus 2013

‘Eindelijk VRIJ!’... ???

door Christine F. Samsom

Spannend! De kleinkinderen, Ayana en Zoë, hangen aan oma’s lippen. Ze zijn net in het binnenland geweest en hebben gezien hoe de kinderen in hetzelfde groengeruite bloesje als in de stad naar school gaan en hoe ze in de middag heerlijk ravotten in de rivier, hoe hun moeders daar de vaat en kleren wassen en maripa verwerken tot spijsolie, en hoe de kinderen helpen met stampen in de mata, hoe mannen gaan vissen, boten besturen met vracht, familie of toeristen, hoe ze van bomen met een kettingzaag planken zagen voor een huis of een boot. Ja, ze hebben zelfs een jager gezien met een echt geweer en ze snappen dat als er geen slager is, je afhankelijk bent van wat jagers aan vlees vinden.

Dus als hun oma begint te lezen over Toutu, Waka, Lodi en Nini uit het dorp Kulekule aan de Surinamerivier, die wachten op de laatste bel van het bijna afgelopen schooljaar, dan zijn ze vol aandacht. Gelukkig, de hoofdpersonen zijn alle vier ‘over’! ‘Yeeeeh, yeeeeh, vakantie!’ De prachtige illustraties in het boekje spelen een belangrijke rol: Ayana ziet dat de kinderen zijn getekend, maar de bomen, het gras, de school, de huizen, zijn ‘echt’. Ze heeft gezien, hoe die kinderen van het binnenland in hun eigen omgeving leven en ze begrijpt, hoe belangrijk het is als een oom van Nini ‘gbamba’ (vlees van zelfgeschoten kapasi en bofru) komt brengen, nadat het viertal al een paar weken geen vlees heeft gegeten.
Samen met Zoë is Ayana benieuwd wat Nini zal vinden als ze, op zoek naar leguaneneieren, iets ziet onder de kerk. Er komt een metalen kistje tevoorschijn, maar zelfs de sterke Waka kan hem niet open krijgen. Dus rennen ze naar het huis van de dominee. Maar het lukt ook de dominee niet en intussen wordt het donker en moeten de kinderen snel naar huis, want ze weten wat er thuis op de barbakot ligt... ‘Duumi u weki ee!’ (Welterusten!) roept de dominee hen achterna. ‘Sö i seei ooh!’ (U ook!) roepen de vier nog snel. Ook voor Ayana en Zoë is het bedtijd. De spanning zit erin: wat zou er in het kistje zitten?

Tja, en dan volgt de volgende avond toch wel een beetje een teleurstelling. Want in het kistje blijkt geen schat te zitten: gouden munten of een kaart die wijst waar de schat te vinden is. Zo gaat dat in andere kinderboeken. De dominee heeft brieven gevonden waarin verhalen staan van de voorouders van de Saramakaners. Nu komt er een verhaal over de slavernij en het wegvluchten van de plantages. Daarvoor zijn Ayana (7) en Zoë (5) nog een beetje te jong, en al helemaal als de vrijheid van slavernij in het boek ondergeschikt wordt gemaakt aan de vrijheid die het geloof in de Here Jezus geeft. ‘... pas als de Here Jezus jouw vriend is, ben je werkelijk vrij.’ (p. 12) Oei!
Dan brengt dominee de kinderen naar Ma Tii in Pokigron die veel kan vertellen over de geschiedenis en over de helden uit die tijd: over de jonge vrouw Pansa die op het idee kwam om rijst-aren in haar dikke vlechten te verbergen voordat ze vluchtte van de plantage; over Johannes Alabi en over Johannes King. Uiteindelijk krijgen de kinderen nog een verrassing: een schooltas met schoolspullen en... een bijbel.

Ayana en Zoë slapen allang als oma het boek dicht doet. Ze denkt aan haar eigen bevrijding, bevrijding van de dwang en het liefdeloze fanatisme van veel kerken (anti-homoseksualiteit, achterstelling van de vrouw, apartheid, goedpraten van oorlogsgeweld...). Ze kent veel Saramakaners, christenen en niet-christenen, en vraagt zich vaak af, denkend onder andere aan de vreselijke dyugudyugu anderhalf jaar geleden rond de begrafenis van Stanley Abini: ‘Moet je mensen met een bestaand geloof en de daarbij behorende vaak eeuwenoude culturele uitingen, overtuigen van het belang van een ander geloof en hen ertoe brengen hun oorspronkelijke geloof af te zweren?’

Maar het moet gezegd: Het boekje is mooi uitgegeven, foutloos, een goede lay-out met prachtige illustraties van Ginoh Soerodimedjo, met in het ‘Nawoord’ van de voorzitter, Hyacinth Bos-Halfhide, van de stichting Hosea, de uitgever van het boekje, een zin die ons van de Ware Tijd Literair goed doet: ‘Het idee van dit boekje heb ik gekregen, toen ik [...] Nederlandse kinderboeken naar het binnenland van Suriname bracht. Ik schaamde mij, omdat de verhalen in deze boekjes zo ver verwijderd waren van de belevingswereld van deze kinderen.’ Schrijfster Annelies den Boer-Aside, de kinderen van het binnenland verwachten meer van u! Maar laat kinderen vrij in hun geloofskeuze.


Annelies den Boer-Aside: Eindelijk VRIJ! Paramaribo: Stichting Hosea, 2013. ISBN 978-99914-7-228-7




dinsdag 30 juli 2013

‘Slavernij? Zand erover’

In Abenaston telt het verleden niet: “De stadsnegers hebben niks gedaan”


Zonder slavernij zou Suriname nu geen tientallen Marrondorpen hebben. Immers, die dorpen werden opgezet door weggelopen slaven en nu bewoond door hun nazaten. Parbode bezocht een van de Marrondorpen: Abenaston aan de Boven-Suriname. En ontdekte dat het slavernijverleden daar, zoals in vele andere dorpen, nauwelijks meer telt.
 
Abenaston; foto @ Geoview


De geschiedenis van Abenaston is, zoals van zoveel Marrondorpen in het binnenland, van tijd tot tijd roerig geweest. Jamens Zandveld en basja Jules Joonaa weten nog iets van die geschiedenis. Maar, benadrukken ze meermaals, het is een verhaal dat van generatie op generatie is overgedragen, dus of alle feiten precies kloppen zoals zij vertellen, weten ze niet zeker. Wat wel vaststaat, is dat Abenaston vanaf het begin het domein was van de Evangelische Broedergemeente (EBG). Ruim honderd jaar geleden verrees het dorp op de huidige plek. Enkele decennia eerder vestigde zich een groep Marrons zich even verderop aan de rivier, maar al snel bestond daar onderlinge onenigheid. Na verloop van tijd en nog wat omzwervingen trok het ene deel naar de plek waar nu Botopasi ligt, het andere deel stichtte Abenaston. De kerk speelt vandaag de dag nog altijd een belangrijke rol. “Iedereen is gedoopt, maar niet iedereen gaat meer naar de kerk”, zegt hoofddienaar Jamens Zandveld met voelbare spijt. Om er haastig aan toe te voegen: “Maar er is geen sprake van vijandschap hoor”. In het verleden heeft de Gemeente Gods Bazuin wel pogingen ondernomen om voet aan de grond in Abenaston en omringende dorpen te krijgen, overigens zonder veel succes. “Ze hebben destijds van het dorpsbestuur alle kansen gekregen, maar toen ze een overledene vlak naast een kreek wilden begraven, zorgde dat voor veel opschudding.” Dat betekende exit Gods Bazuin, ze moesten vervolgens aan de overzijde van de rivier hun heil en zieltjes zoeken. Marrontradities en religie gaan volgens Joonaa goed samen. “Ondanks de cultuurverschillen wordt daar goed mee omgegaan. Alleen de azampau, de geestenpoort bij de ingang van het dorp aan de rand van de rivier, staat de EBG niet toe. In tegenstelling tot de katholieke kerk.”

Een azampau. Foto @ Michiel van Kempen


Toch lijkt de EBG ook in Abenaston terrein te verliezen. Volgens Zandveld is er vooral de laatste decennia veel veranderd in Abenaston. Het wegtrekken van vooral jonge mannen naar de stad, vindt hij een kwalijke zaak. “En de jeugd van nu heeft weinig respect meer voor de ouderen. Ze schreeuwen tegen hun moeders en presteren slecht op school. Ik ga ook regelmatig naar de klassen om ze te vertellen dat ze respect moeten hebben en beleefd moeten zijn, maar het heeft niet veel effect. Kunt u straks niet even naar school gaan om de kinderen toe te spreken? Misschien dat ze wel naar u luisteren.” We bedanken vriendelijk voor het aanbod, maar gaan er niet op in. De viering van de afschaffing van de slavernij zal in de meeste Marrondorpen ongemerkt voorbijgaan. Het leverde immers alleen de huidige stadscreolen de vrijheid op, de Marrons hadden die al zelf weten te krijgen door weg te lopen. Dus het is niet hun feestje. In Abenaston denkt iedereen daar zo over, ook de jongeren. “Als er geen slavernij was geweest, was ik er nu ook niet”, zegt de dertienjarige Willem. Daar valt geen speld tussen te krijgen; bij de lessen over voortplanting heeft hij kennelijk goed opgelet. “Het is een stadsfeest, voor ons is de Dag der Marrons belangrijker. We kijken ook niet met wrok op de slavernijperiode terug”, zegt Zandveld. “Wat in het verleden is gebeurd, was fout. Maar door de slavernij af te schaffen, hebben de Hollanders dit ook erkend. Dus zand erover. “De zwarten en de blanken kunnen nu niet meer zonder elkaar. Daarom krijgt een zwarte als hij bij een blanke komt of andersom, altijd een bordje eten. Er bestaat bij ons dus absoluut geen wittenhaat. We zien elkaar wel degelijk staan. Mijn zoon is zelfs getrouwd met een blanke. We kunnen elkaar helpen. En als de blanken hier ontwikkeling willen brengen, dan zijn ze van harte welkom.” De roep van de stadscreolen om een slavernijmonument, begrijpt hij niet helemaal. “Waarom moet dat in de stad komen, waarom niet in een van de bosnegerdorpen.” Dat sommige nazaten in Paramaribo herstelbetalingen van Nederland eisen voor het onrecht dat hun voorouders is aangedaan, vindt hij onzin. “Maar ja, als Nederland toch wil betalen, dan ga ik natuurlijk geen nee zeggen. Het geld moeten ze echter niet aan de stadsnegers geven, maar aan hen die gevochten hebben en de vrijheid hebben afgedwongen. De bosnegers dus, de stadsnegers hebben niks gedaan.”

 
Abenaston. Foto @ Miriam Stikkel
Marrondorpen en de slavernij

Slaven die de kans kregen, vluchtten weg van het onmenselijke leven op de plantages. Zij werden ‘Marrons’ genoemd, afgeleid van het Spaanse woord ‘címarrón’, waarmee ontsnapt vee werd aangeduid. De bewoners van de Marrondorpen gebruiken dit woord zelf nauwelijks, ze geven de voorkeur aan ‘bosnegers’. Al in de tijd van de Engelse kolonisatie waren er in Suriname Marrons. De meeste van hen waren alleen of in kleine groepjes weggelopen. Volgens schattingen nam in de achttiende eeuw ruim tien procent van alle slaven de vlucht. Om uit handen van de plantage-eigenaren te blijven, trokken ze naar de meest ontoegankelijke gebieden. De veiligste manier was om de rivieren naar het zuiden te volgen. Na het passeren van stroomversnellingen waren de Marrons vaak veilig. Vaak vonden de weggelopen slaven elkaar in het bos, bouwden hutten en legden kostgrondjes aan. Zo ontstonden de eerste Marrondorpen, vooral in het gebied tussen de Surinamerivier en de Saramacca. De mannen waren destijds veruit in de meerderheid. Marrondorpen hadden dus altijd een gebrek aan vrouwen. Ook naar voedsel, geweren, kogels, buskruit, kapmessen, zaai- en pootgoed was men altijd op zoek. Zowel voor vrouwen als voor de schaarse producten waren de Marrons aangewezen op de plantages. Dat leidde tot vele aanvallen op plantages, waarbij veel blanken werden gedood en plantages in vlammen op gingen. Bij de aanvallen werden vrouwen- en kinderslaven ontvoerd en werden wapens en producten gestolen. Tussen 1760 en 1767 werd er officieel vrede gesloten met de belangrijkste Marrongroepen. Er werd onder andere afgesproken dat de marrons jaarlijks de benodigde artikelen van de koloniale overheid zouden ontvangen. Hierdoor zouden ze geen plantages meer hoeven te plunderen. In ruil daarvoor werden de Marrons verplicht om gevluchte slaven uit te leveren aan het koloniale bestuur.


[uit Parbode, 1 juli 2013]

zaterdag 8 juni 2013

Overdracht Saamaka-cultuur broodnodig

door Tascha Samuel
  
Paramaribo - “Ik ben als Saamaka-vrouw erg geïnteresseerd in mijn cultuur. Ik merkte dat ik heel wat dingen van vroeger niet wist, omdat de tijden en gewoonten zijn veranderd. Hierdoor dreigen tradities verloren te gaan. Zelfs ouderen doen het niet meer. Het is dus van groot belang dat we zulke activiteiten ontwikkelen om de cultuur te behouden”, licht Zinaida Weimans-Huur toe. Zij is assistent jeugdambassadeur en organiseerde in Abenaston een bijzonder cultuuroverdrachtevenement. De dans en culinaire tradities werden door de ouderen aan de jongeren gepresenteerd.

Een jongeman drinkt uit een kalebas tijdens de dag van culturele overdracht op Abenaston. Foto: collectie Zinaida Huur.

Oude dansen
"Ik heb zoveel bijzondere dingen gezien en geproefd. Ik heb echt veel geleerd", zegt Raynell Enfield die heel trots is op de jeugdambassadeur uit Sipaliwini. In Abenaston waren de dorpen Pokigron, Kajapati en Amaka vertegenwoordigd. Er werd eerst gedanst. Diverse oude dansen werden uit de kast gehaald zoals 'de Adande'. "Deze is een dans die uitbeeldt hoe de schepen vroeger uit Afrika naar Suriname kwamen." Een andere dans is de 'Pon baka Jana'. De dans heeft volgens Weimans karakteristieken van de 'seketi', maar er wordt veel gesprongen.

Origineelst
Er was een wedstrijdelement aan het geheel verbonden. De deelnemers moest proberen ouderwetse gerechten te bereiden en die op een zo traditioneel mogelijke manier te presenteren. "Bij de oude keuken werden er geen productie als ketjap en maggi gebruikt", meent Weimans. De groep uit Amaka streek met de hoogste eer. Zij hebben een makoekoe gemaakt. Dat is de bekende 'ijzeren' drievoet waarop men kookt, maar dan van klei gemaakt. Ook in hun presentatie waren ze het origineelst. "Het water werd opgediend in een oude kruik. En de tafel werd gedekt op de vloer, voor de voeten van de man zoals dat vroeger werd gedaan en niet op een tafel."

Foto @ Nicolaas Porter


Vis of wild vlees
Er werden tal van bijzondere gerechten bereid zoals de adanda mataka. Deze is een afingi (soep) soort; en een mix van pinda, rijst en warme toekoenari. Tokoe bia bia heeft als hoofdingrediënten geraspte cassave (domi) en oker. Van de cassave wordt een soort pap gekookt waarin oker wordt gedaan met warme vis of wild vlees. "Ik heb voor het eerst saina wataa gedronken. Dat is een drank gemaakt van kokosmelk." Weimans geeft aan veel hulp te hebben gehad van collega- jeugdambassadeur Chiva Antomoi en de lokale vrouwenorganisatie Sowkè.

[naar de Ware Tijd, 08/06/2013]

donderdag 2 mei 2013

Kaart “Saamaka-land” 6 jaar na vonnis bijna af


door Louis Alfaisie

De Vereniging van Saramaccaanse Gezagsdragers (VSG) heeft sinds kort een kaart in concept gereed met de demarcatie van het woon- en leefgebied van de stam. Deze kaart komt circa 6 jaar na het vonnis van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens (IACHR), waarin staat dat de Staat Suriname de mensenrechten van het Saamaka-volk aan de Surinamerivier stelselmatig heeft geschonden. Het hof veroordeelde de Staat tot volledige uitvoering van het vonnis, waarin de formele erkenning van hun tribale landrechten als kern wordt genoemd. Het vonnis dateert van november 2007. De concept-kaart is geproduceerd door NARENA van het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek (CELOS) van de Anton de Kom Universiteit van Suriname.

[uit De West, 29-04-2013]



maandag 4 februari 2013

Vinije Haabo winnaar derde subsidieronde Silvia de Groot Fonds


Vinije Haabo
De winnaar van de derde subsidieronde van het Dr. Silvia W. de Groot Fonds is Vinije Haabo. Haabo krijgt het volledige subsidiebedrag van € 10.000 toegewezen voor zijn onderzoek naar de Saramakaanse taal. Jaarlijks is een bedrag van € 10.000 beschikbaar, te verdelen over één of enkele aanvragers. Naast het geldbedrag ontving Haabo het laatste boek van Silvia de Groot, Agents of their own Emancipation. Het bestuur van het fonds hoopt dat het boek hem zal inspireren bij zijn verdere onderzoek. 

Titel onderzoek: Onderzoek naar lexicale verschillen tussen de Saramakaanse dialecten
Vinije Haabo verricht reeds jaren, voornamelijk met eigen middelen, linguïstisch onderzoek naar de Saramakaanse taal. Dit resulteerde onder meer in het concept voor een woordenboek van het Saramakaans dat hij beoogt open access op het internet te publiceren. Zijn werk wordt hogelijk gewaardeerd door prominente wetenschappers, waaronder de antropoloog Richard Price en de taalkundige Maarten Mous. Haabo heeft ondersteuning van het fonds gevraagd om zijn onderzoek te verdiepen door verder veldwerk te verrichten in Suriname, Frans-Guyana en Nederland. Het bestuur van het fonds was unaniem van mening dat deze kandidaat en deze aanvraag bij uitstek in aanmerking komen voor ondersteuning door het Dr. Silvia W. de Groot Fonds.

Vinije Haabo (1971) is van Saramakaanse afkomst. Hij volgde zijn schoolopleiding in Suriname, deels in het binnenland, deels in Paramaribo, waar hij ook een landbouwopleiding volgde aan de Universiteit van Suriname. Vanaf 1999 werkte en studeerde hij in Nederland, thans als freelance schrijver, journalist en onderzoeker.

zaterdag 19 januari 2013

Vader Aarde en de ziel van de mens


door Els Moor

Olof Smit
Allemaal kennen we ‘Moeder Aarde’. Ze is de basis van ons  leven, ze zorgt dat we kunnen eten en drinken en kunnen gaan en staan waar we willen. Momenteel loopt ze gevaar doordat haar eigen kinderen, de mensen, haar vervuilen. Moeder Aarde is het symbool van de vruchtbaarheid. En Vader Aarde? Over hem horen we nooit zoveel, maar hij speelt een belangrijke rol in het onlangs verschenen boek van natuurgenezer Olof Smit; het heet zelfs naar hem. Waar Moeder Aarde  de vruchtbaarheid symboliseert, waardoor we kunnen leven, is Vader Aarde degene die zorgt dat dat ook kan gebeuren, dat er handelingen plaatsvinden. Een prachtig stel dus, die elkaar aanvullen, maar die door de mens die een steeds materialistischer en egocentrischer gedrag heeft gekregen, bedreigd worden. In het boek van Olof Smit is dit een belangrijk thema.  De redding van onze aarde hangt vooral af van het verdwijnen van materialisme door het spirituele te bevorderen, zoals het  bewustzijn van de geneeskracht van de natuur.
Badende Saramaka vrouw

De schrijver is de ík-verteller in het boek dat fictie, spiritualiteit en herkenbare werkelijkheid bevat. Wie is Olof Smit? Gelukkig geeft hij aan het begin een ‘curriculum vitae’. Hij is een witte Nederlander, ‘Bakaa’ zeggen de Saramakaners in het Surinaamse binnenland, waar hij lang verbleef. Hij maakte er ‘Baka’van!  Een ‘vloek’ is een belangrijk motief binnen het boek. Iemand kan geboren worden met een vloek die op hem rust, die hij geërfd heeft van zijn grootouders. Zo iemand is dan zijn hele leven op zoek om deze blokkade te doorbreken. Bij Olof was dat het geval tot zijn dertigste jaar.  Zijn opa was in zijn jeugd de belangrijkste figuur. Zijn vader kwam om in de Tweede Wereldoorlog. Opa was boer die de natuur kende als geen ander en als jongen was zijn kleinzoon vaak met hem bezig op het land en met de dieren. De grote kracht die hij van opa meekreeg, ontdekte hij pas veel later, toen hij dertig jaar was en opa overleden.  Olof werd zelf geen boer, maar kwam via de ‘Koninklijke Academie’in het filmvak terecht. Het land van opa is later opgegaan in een nieuwe stadswijk, groen tussen beton. Olof ontdekte toen hij filmer was,  dat het voorbij was met het liefdevolle kippen kweken zoals opa dat deed: vermeerderingsfabrieken, concentratiekampen voor slachtkuikens die gedood werden als ze ‘rijp’waren voor consumptie.

Een Saramaka familie


Toen hij dertig jaar was verscheen Vader Aarde Olof in een droom, een ‘voorspellende droom’, een belangrijk gegeven binnen de spiritualiteit in dit boek. Voor hem was het het begin van het bewustwordingsproces en van een totaal ander leven. Hij had zijn vloek gezocht en hij vond zijn wezen. Vader Aarde liet hem ontdekken dat zijn aangeboren talent is: met  materiaal uit de vrije natuur, zoals kruiden, mensen  hun vloek helpen bestrijden of genezen van hun ziekte, hoe ernstig ook van aard.  Zo komt Olof in het binnenland van Suriname terecht voor zijn opleiding, in een dorp van Saramakaners. Hij is de ‘Baka’. Wit van lijf, maar zwart van ziel. Zijn Saramakaanse leermeesteres, ‘Mama’, leert hem alles wat hij weten moet om ‘natuurgenezer’te worden. 
In zijn dromen heeft hij nog contact met Vader Aarde die hem veel leert over ‘de ziel’van de mens, de blijvende kern van zijn bestaan.  De oudste menselijke zielen zijn miljoenen jaren oud. Ze hebben veel gezien en meegemaakt  in al die levens en zijn wijs en vooral nieuwsgierig. ‘Wonzen’noemt Vader Aarde die weinige mensen die vanuit vijfentwintigduizend levens hun wijsheid bewaard hebben. Dat betekent: Wijze Oude Nieuwsgierige Ziel. Dat neemt af  bij latere zielen, met nu veel minder levens. De mensen gaan zich vestigen op één plaats,  als landbouwers;  later gaan mensen ook steden stichten. Dan komt materialisme op en verdwijnt wijsheid en nieuwsgierigheid.

Paloemeu


Het zijn mooie beelden van schrijver Olof Smit om de ontwikkeling van  de menselijke maatschappij, naar een voor Vader en Moeder Aarde bedreigend materialisme, duidelijk te maken. De ziel is de kern. De ziel komt van god, maar er is maar één god, voor alle mensen. Zelf moeten de mensen de ontwikkeling van hun ziel sturen, zoals de Wonzen dat gedaan hebben. De  ‘Baka’- leerling van ‘Mama’, hij wordt een steeds knapper natuurgenezer. Hij blijkt inderdaad een ‘natuurtalent’. Mensen die ten dode opgeschreven zijn door malaria en dengue, hij weet ze te redden. Ook mensen met ernstige  psychische problemen al vanaf hun jeugd en zelfs een restauranthouder op wie de vloek rust, dat zijn mooie zaak ten ondergaat, weet hij te helpen.  Vader Aarde verlaat Olof als die zijn eigen  ‘ík’ kent, als hij één is met zichzelf, ziel en verstand op een rij. Vader Aarde heeft dan zijn werk gedaan, evenals lerares ‘Mama’. In zijn dromen krijgt hij wel twee nieuwe raadgevers, Kanta Masi, de broer van de kruidengod Apuku, en Foodoo, beiden  uit de winticultuur. Olof gaat dan weg uit het regenwoud, werkt eerst een tijd als natuurgenezer  in Paramaribo, gaat dan  naar Europa, Amsterdam, en later terug naar de ‘Cariben’, naar Trinidad. Als hij daar met en voor inheemsen gewerkt heeft, bezoekt hij nog eenmaal ‘Mama’in het Surinaamse bos en gaat dan voorgoed terug naar Europa. Als ‘Wonz’ zal hij werken aan meer aandacht voor natuurgeneeswijzen  en spiritualiteit in een wereld waar materialisme hoogtij viert.

Surinamerivier. Foto Settie Loggers


Uitermate boeiende stof dus, in het boek met de titel Vader Aarde en de Aardse Taal. 'Aardse Taal’ heeft betrekking op de zeven Aardse talen die samen de Aardse wet vormen, de taal van de Aarde van de Mens, van het Dier. Van het Vuur, van het Water, van de Plant en van de Lucht, gerelateerd aan  de zeven krachten die het leven op aarde leefbaar maken. Ze  komen ineens schematisch  in beeld in het subhoofdstuk ‘In de dialoog met de Ziel’ en daar blijft het dan bij.  Dat ‘De Aardse taal’ toegevoegd is aan de titel, is dus vreemd binnen de structuur van het boek.      
Zo zijn er meer vreemde zaken binnen de structuur, maar ook binnen het taalgebruik en het perspectief in dit boek. Olof zelf wisselt tussen een persoon die zich kan aanpassen aan het leven in  het binnenland en er snel veel leert, en een echte  vreemdeling met een puur Hollands perspectief en een soms grof taalgebruik dat in dit boek niet thuishoort. Ik vraag me steeds af of hij dat expres doet om de tweeslachtigheid van zijn personage  aan te geven, of omdat hij zich niet aanpast.  Als zijn opa hem vertelt dat de eik waarbij ze staan honderden jaren oud kan worden, veel ouder dan hijzelf, wordt de zesjarige Olof  razend omdat ‘die roteik’ er nog zou zijn als zijn lieve opa doodging. Woorden als ‘kont’ en ‘strond’ en ‘lazeren’ en ‘donder op’ komen voor in het taalgebruik van de verteller. Heel vreemd is het dat de auteur in de eerste honderd bladzijden bijna nooit bij het werkwoord het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ gebruikt. Alle andere, zoals ‘hij’ en ‘zij’ wel. Na pagina 100 als Vader Aarde hem heeft laten zien wie hij is, komt ‘ik’ wel veelvuldig voor’ en soms niet. Is dat opzet? Het zou  geraffineerd zijn: ik weet niet wie ik ben, dus geen ‘ik’. Of is het een slordigheid? Die zijn er namelijk veel meer. Zoals spelfouten, bijvoorbeeld twee woorden die een woord moeten vormen, los schrijven. Saramakaners is soms goed, maar er staat soms ook Saramaccaners, zelfs een keer Sarramaccaners en Saramakanen.  Het perspectief is vaak oerhollands. 'Mama’, zijn boslandcreoolse lerares, kookt lekker, ‘als in een driesterrenrestaurant’, een grapje dat hier niet begrepen wordt, maar Hollandse lezers niet op weg helpt om het binnenland van Suriname te leren kennen. Het hokje waarin ‘Mama’ kookt noemt hij een ‘bijkeuken’. Daar moest ik wel erg om lachen.

Het Brokopondostuwmeer. Foto Hester Jonkhout


In een hangmat, gebonden aan een groenhartboom  brengt Olof een keer de nacht door. De boom spreekt tegen hem. Hij is immers een verre vriend van de eik die Olof als kind zo verachtte. Een leuk moment, maar waarom ‘Greenheart’ en geen ‘groenhart’?  En het dorp waar hij helemaal inburgert, een Saramakaans dorp dus, ligt dat bij de grens met Brazilië? Daar liggen inheemse dorpen, Kwamalasamutu onder andere. Daar is een sjamaan (natuurgeneesheer) die tot ver in het buitenland beroemd is en die Olof veel had kunnen leren. Waarom moest Olof naar Trinidad? Dat is niet zo’n boeiend gedeelte. Het zou toch veel interessanter  zijn als de leerling ook in de leer gegaan zou zijn bij een genezer van een inheems volk in Suriname?

De Saramaccarivier. Foto Charl Danoe


Het is jammer dat een boek met zo’n interessante thematiek wat structuur betreft niet perfect is. Sommige theoretische stukken over spiritualiteit zijn lang en saai binnen het verhaal of niet functioneel, zoals dat over ‘de Taal’ en zomaar ineens een stuk informatie over Londen na de Tweede Wereldoorlog, het ontstaan van ‘multinationals’ volgens een rooms-katholiek concept.
Er zijn overigens ook mooie, beeldende of humoristische passages die het thema goed vorm geven. Een goede redacteur had hulp moeten bieden. Bovendien had een Surinaamse deskundige de gegevens over Suriname kunnen bekijken. Het is niet de eerste keer dat zoiets gebeurt bij een Nederlandse uitgeverij. We hopen dus dat er gauw een herziene tweede druk komt, want de thematiek is zeer de moeite waard, vooral ook met het oog op  de commercialisering van het Surinaamse binnenland (goudzoeken en bos kappen). Dat geeft Olof Smit ook aan. Misschien wil Vader Aarde nog een keertje komen in zijn droom en  over de schouder van Olof meelezen en ‘de ‘Aardse taal’ perfect maken?

Olof Smit: Vader Aarde en de Aardse Taal. Frontier Publishing, zonder  jaar. ISBN 9789078070450 

zaterdag 24 november 2012

Saamaka Akademiya brengt eerste gedichtenbundel uit

door Audry Wajwakana

Paramaribo - Puu A Döö is de eerste marron gedichtenbundel die de Stichting Saamaka Akademiya uitbrengt. ‘Naar buiten brengen’, de letterlijke betekenis van de titel, is de eerste samenwerking van diverse dichters die schrijven in het Saramaccaans, Aucaans en Saakiiki (Aucaners uit de Sarakreek). “De titel kan vergeleken worden met de gebruikelijke marrontraditie wanneer een pasgeboren kind voor het eerst naar buiten wordt gebracht”, legt Ifna Vrede namens de stichting uit. “Dat zullen we vrijdagavond met deze gedichtenbundel doen.”

 De lezing met als titel 'de positie van de Saamaka-tongo in de samenleving' was de eerste activiteit van Stichting Saamaka Akademiya. Foto: Stichting Saamaka Akademiya


Gevoelsuitingen
De stichting is in september van dit jaar opgericht met het doel om de marroncultuur in zijn algemeen in stand te houden, te bevorderen en te onderhouden. De taal in het bijzonder. "Het blijkt dat het dichten in de verschillende marrontalen is toegenomen, vandaar dat wij dit middels deze uitgave verder willen stimuleren", zegt Ifna. Het boek beslaat verschillende gevoelsuitingen van de schrijvers: Willy Patra, Kotoe Agasie, Feloe Kamisa, Dorus Vrede, Angila Albitrouw, Randolf Linda en Ifna Vrede. Deze variëren van ode aan de vrouw tot liefde voor je land. Maar er zijn ook gedichten die gaan over verdriet. Dorus Vrede (64) wordt geïnspireerd om over de natuur te schrijven. Hij is sinds 1978 actief in het schrijven van gedichten en korte verhalen. De schrijver groeide op in het dorp Lombé, waar hij en zijn dorpelingen vanwege de aanleg van het van Blommensteinmeer noodgedwongen moesten verhuizen naar het transmigratiedorp Nyun-Lombe. Vandaar dat zijn werken meer rond het thema van transmigratie en de natuur gaan. de werken van Dorus verschenen in verschillende dagbladen en tijdschriften, zowel in Suriname en als in Nederland, België en Duitsland. "Maar voor deze dichtbundel heb ik nieuwe gedichten geschreven", zegt Dorus.
Angila Albitrouw

Andere opzet
In tegenstelling tot Dorus schrijft Angila Albitrouw (28) over allerlei algemene onderwerpen. In 2002 schreef zij haar eerste gedicht over 140 jaar Keti Koti 'Sama na mi' (Wie ben ik). "Ik dicht overwegend in het Aucaans en mijn thema's gaan meer over identiteit, vrijheid, culturele waarden en normen, zelfwerkzaamheid, stigmatisering, zwart bewustzijn en nog heel veel meer", zegt Albitrouw. Als ode aan de oudste Saramaccaanse dichter Arthur Licht, bekend onder zijn pseudoniem Tulinga, worden ook enkele werken van hem voorgedragen. De presentatie van de gedichtenbundel zal niet zijn zoals een traditionele puwema neti wordt gehouden, waarbij het een af- en aankondigen is van dichters. "Het wordt een vertelling, waarbij de hoofdverteller de puwema's aankondigt, voorafgaand aan een culturele presentatie. De gast zal vanaf hij of zij binnenkomt deel zijn van het geheel", belooft Vrede. Aan het eind van de voordrachten wordt er een samenvatting in het Nederlands gegeven.

[uit de Ware Tijd, 22/11/2012]

woensdag 17 oktober 2012

Saamaka: Kennismaken

door Menno Marrenga     

saamaka1.jpgMenno Marrenga woont al tientallen jaren langs de Boven-Surinamerivier. Hij deelt zijn belevenissen met de lezers.
 
Het was warm en ik moest nog ver. Daarom legde ik mijn korjaal op de zandplaat achter het eiland. Ik baadde en maakte eten klaar: kwak met zout, gemakkelijk voedsel voor lange reizen. Toen kwamen twee jongetjes, wadend vanaf het eiland, uit het dorp daarachter. In dat dorp is een ondernemer die het zonder mijn hulp goed doet, dus ik kom er wel eens, maar niet vaak. De jongens wisten wie ik was, ik zal hen vast wel eens hebben gezien, maar er zijn zo veel van, dat ik ze niet herkende. Ze groetten beleefd en vroegen toen of ik kinderen boeleer.
Ik heb afgeleerd om in Saamaka lollige antwoorden te geven op vreemde vragen. Toen ik net zo oud was, zongen wij ook kindalokka tegen elke vreemdeling, tenzij die Chinees was want dan zongen we pindalekka. Daarom antwoordde ik serieus: “nee, ik boeleer geen kinderen.” Toen was het goed. En kwak lustten ze ook, alleen liever met suiker, maar dat had ik niet.
Even later kwamen twee grote jongens. Zij waren het die gezegd hadden dat ik kinderen boeleer, klikten de twee kleintjes. En inderdaad, de groten droegen onderbroeken, waren van de leeftijd waarop jongens preuts worden en gaan vuilbekken - dat gaat samen. Toen zij klein waren, vertelden hun grote broers dat ik kinderen opat, maar de mode verandert: kannibalisme is passé, pedofilie is in.
Ze groetten beleefd en lustten ook kwak. We converseerden: inderdaad, het blijft droog. Gisteren hadden ze een anaconda gezien, de vis wilde niet bijten en ze hadden al honderd wijven geneukt, die twee. Ik feliciteerde hen met die prestatie: dat is niet mis, dat doe ik jullie niet na. “Kan je voetballen?” vroegen ze toen. Dat kon ik niet. “Achterover koppeltje duikelen?” Ook al niet. “Wat kan je dan wel?”
Bij mannetjes, groot en klein, is de plaats in de pikorde belangrijk. Zolang die niet duidelijk is, is sociaal contact maar beperkt mogelijk. Nu ben ik ouder, groter en blanker, dus rijker en geleerder. Zelfs zonder honderd wijven te neuken, voetballen en achterover koppeltjeduikelen hoor ik boven in de pikorde. Vind ik. Maar zij twijfelden nog, hadden extra bewijs nodig. Wel, dat kunnen ze krijgen. saamaka2.jpg“Ik kan rennen,” antwoordde ik, want dat imponeert toch meer dan fluit spelen of differentiaalvergelijkingen oplossen. En al ben ik bijna zestig, ik heb langere benen en meer uithoudingsvermogen en als de zandplaat maar groot en rul genoeg is, telt dat. Ze namen de uitdaging aan en renden direct weg. En toen pas realiseerde ik me het gevaar. Want er was geen startlijn, ze wachtten niet op een startschot of zo, ze renden gewoon weg en ik moest erachteraan: het werd geen hardloopwedstrijd maar een soort tikkertje. En tikkertje met onbekende kinderen is link. Er hoeft maar zo’n knaapje de dreunende stappen en het gehijg van een reuzenkannibaal steeds dichter bij te horen komen, even te vergeten dat het spel is en te gaan gillen - dan slaat de paniek direct over op de hele groep en binnen het uur gaat het verhaal het dorp door dat ik getracht heb een jongetje te vangen om op te eten of te boeleren. Je weet het toch maar nooit met die blanken. Daarom sprintte ik zo snel mogelijk de kleintjes voorbij en ging achter die van de honderd wijven aan, zo’n mannetjesputter raakt vast niet in paniek. Toen ik die had afgetikt, koos ik de op een na grootste, en toen de kleintjes aan de beurt waren, verklaarde ik me uitgeput - en dat waren zij toen allemaal ook. Maar ik was de kleintjes ruimschoots voorbij gesprint, de verhoudingen waren nu duidelijk en daar ging het om. De pikorde is vastgesteld en de volgende keer dat ik in het dorp kom, heb ik vier gidsen, die alle vier mijn tas moeten dragen en mijn hand moeten vasthouden om de anderen te tonen dat zij niet meer bang voor me zijn.

[uit Parbode, 1 juni 2012]

woensdag 15 augustus 2012

Botopasi inspireert artists in residence

door Tascha Samuel

Paramaribo - De wind waait door de bovenverdieping van Fort Zeelandia. Marja van Putten en Wim Vonk, artiesten ‘in residence’ bij kunstenaar Isodoor Wens, zijn bezig hun tentoonstelling in elkaar te zetten. De expo is open van donderdag 16 augustus om 19:00 uur tot zondag 19 augustus. Het thema Kunst uit Botopasi is afkomstig uit het project van Wens. De kunstenaars hebben tweeënhalve maand gewoond en gewerkt op Botopasi. Wens is geboren op Botopasi en ging op zijn 23ste naar Nederland. Hij studeerde in 1995 van de kunstacademie in Utrecht af en woont er al dertig jaar. “Ik ging om mode te studeren. Ik had namelijk een boetiek en hield van mode maar de kunst trok”, lacht Wens.

Dat was ook even slikken toen hij terugkwam bij zijn ouders. Het concept kunstenaar was onbekend en dan ook nog de vraag ‘wat verdien je eraan’? “Maar toen ik een groot kunstwerk maakte, waren mijn ouders toch wel trots.” In Nederland heeft hij een ruimte genaamd ArtOts - art on the spot.

Isodoor Wens is de intiator van de kunst residence programma in Botopasi waarvan er donderdag een expositie opent. (Foto: Claudio Barker)


Kunstenaars kunnen samenwerken, experimenteren en hun werk tentoonstellen. “Ik heb ook een kamer, en kunstenaar/ docent Wim Vonk bleef een keer drie weken slapen en werkte constant. Toen begon in mij het idee te groeien van ‘artist residence’. Een plek bieden aan kunstenaars waar ze afgezonderd aan hun expressie kunnen werken”, legt Wens uit. In 2011 kwam hij voor de eerste keer met dit project naar Suriname. Toen kwam ik met kunstenaars uit New York, Duitsland en Nederland. De eindexpositie was in december 2011 en was vanwege het tijdstip - december - een beetje onderbelicht.

Ongerept bos
In Botopasi langs de Surinamerivier hebben de kunstenaars zich laten inspireren door de omgeving. Het heeft duidelijk zijn weerslag gevonden in hun werk. Voor Van Putten is de ongereptheid van de natuur één van de mooie dingen. “Het verschil zit er echt in dat je veel meer tijd en aandacht geeft aan je werk. Voor mij is het veel meer hoe je werkt. Ik kijk om me heen en dan die bossen in een wirwar in elkaar in tegenstelling tot de Nederlandse waar elke tak berekend en gepland is, dat spreekt tot me.” Haar werk is een explosie van kleuren waarin groen en bruin worden afgewisseld met felle kleuren. Het oerwoud wordt op levendige wijze gepresenteerd. Voor wat reliëf wordt gezorgd door het plakken van gras en zelfs stukjes oude kerstversierselen waarover heen er geschilderd is.


Botopasi



Kleiliefde
Voor Wim Vonk was het een soort ‘afkic proces’ van het lesgeven. “Ik heb 27 jaar lang les gegeven op de Rietveldacademie. Ik heb na lange tijd weer echt vanuit mijn onderbewustzijn kunnen werken. Helemaal los kunnen gaan.” Vonk straalt als hij vertelt over zijn tijd in Botopasi. Hij kon het ‘leraar zijn’ toch niet omzeilen en heeft ook les gegeven aan nieuwsgierige kinderen die dagelijks bij hem aanklopten. “Soms moest ik ze wegsturen”, vult Wens aan. Vonk ontwikkelde een liefdesrelatie met de aanwezige kleibanken en rotsen die telkens verschenen met het wisselen van de getijen. Met de klei maakte hij unieke werken. Ze lijken op een rustiek maanlandschap of de aarde bekeken vanuit ‘Google Earth’. De klei spreidde hij verdund over aquarelpapier. Hierna trok hij lijnen met Oost-Indische inkt. “Ik liet de inkt maar gaan. Als het uitliep liet ik het gaan.” Boven in de nok heeft Vonk vogels gemaakt uit restmateriaal. Een plastiek lepel wordt een bek, ogen gemaakt van Parbo-doppen. De meest onwaarschijnlijke materialen waaronder ook organisch materiaal bladeren en takken worden een mooie vogel.
Isidoor Wens, Bhèma, Botopasi, 2000

Ook Wens heeft gewerkt met Oost-Indische inkt. Vanuit het thema ‘dragers’ tekent hij op wit karton het leven van marronvrouwen dat vaak bestaat uit het sjouwen van spullen en het vlechten van elkaars haar. De tekeningen zijn vol rondingen en tonen de marronvrouw als krach tig en zelfstandig op een expressieve manier. “Sjouwen gebeurt dagelijks op het hoofd en als je wat meer geld hebt met behulp van een kruiwagen”, legt Wens uit. De expositie is een ode aan Botopasi en wat het te bieden heeft.

In september zal er in Den Bosch, Nederland een gezamenlijke expositie van al de werken van de artiesten die op Botopasi hun inspiratie hebben opgedaan worden gehouden.

 [uit de Ware Tijd, 15/08/2012]