Posts tonen met het label Zielinski Erich. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zielinski Erich. Alle posts tonen

zaterdag 14 september 2013

Drie kunstenaars, drie technieken

Een expositie van brons, keramiek en schilderijen opent op zondag 15 september in de Amsterdamse galerie Stam: Rudy Henriquez vertoont bronzen beelden, Patrick Mezas keramiekwerk en Luurd van der Dussen schilderijen.

Een uiterst gevarieerde tentoonstelling van drie technieken uitgevoerd door drie zeer verschillende kunstenaars.
               
Patrick Mezas (Curaçao 1954) werkt zeer realistisch en wil zijn beelden  zo natuurgetrouw mogelijk weergeven. In de  werkplaats van zijn vader maakte hij als kleine jongen al beeldjes en speelgoed van hout en kon hij zijn fantasie tot leven brengen. Als kunstenaar heeft hij zich door de jaren heen steeds meer toegelegd op het maken van portretten maar Patrick maakt ook stand­beelden, diersculpturen en  reliëfs in opdracht. Zijn werk wordt zowel in brons als kunsthars gegoten of uitgevoerd in klei.

Het robuuste doch sierlijke werk van Rudy Henriquez (Curaçao 1958) heeft een volledig eigen beeldtaal. Op het eerste gezicht lijkt eenvoud het sleutelwoord maar bij nadere beschouwing heeft het vaak een  verrassende diepgang en gelaagdheid. Een duidelijk statement is Rudy niet vreemd….

Luurd van der Dussen  (Haarlem 1967) legt zich toe op het maken van realistische olieverfschilderijen. Zijn stijl houdt het midden tussen fotorealisme en het lossere impressionisme.
In zijn werk laat hij de lichtinval sterk de sfeer bepalen. De onderwerpen van zijn schilderijen variëren van desolate landschappen tot sfeervolle Amsterdamse stadsgezichten.

De tentoonstelling gaat zondag 15 september feestelijk van start.
Om 15.30 uur wordt er officieel geopend en zal er gesproken worden door Maria Elena Cuartas.
Vanaf 14.00 uur bent u echter al van harte welkom.
Maria Elena Cuartas, tweede van links, tijdens het erediner voor Derek Walcott in 2008. Links van haar Tom van Deel, rechts Annette de Vries, Ernestine Comvalius, Aart Broek, Erich Zielinski. Geheel rechts Jos de Roo. Foto Bert Nienhuis


Galerie Stam  15 sep. 2013 tot 2 nov. 2013

Adresgegevens
Galerie Stam, Prinsengracht 356s, 1016 JA Amsterdam
Tel. 06-50975955
Openingstijden:
Wo 11.00 tot 17.00
Do 11.00 tot 17.00
Vr 11.00 tot 17.00
Za 11.00 tot 17.00

zondag 8 juli 2012

Erich Zielinski


Portret van de Antilliaanse schrijver Erich Zielinski, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 49b in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

woensdag 16 mei 2012

De Hemelvaart van Erich Zielinski

door Fred de Haas


Bellen was niet nodig. De deur van het Leidse appartement van Erich Zielinski stond wagenwijd open. ‘Drentabo’ klonk een hartelijke stem. Ik zag een rijzige gestalte in mijn richting komen.

Erich Zielinski. Foto © Nicolaas Porter

September 2010. De tijd van de Slotverklaring. De tijd van 10-10-10. Erich was adviseur voor Curaçao, samen met de gentleman-politicus Don Martina.

Ik kende Erich Zielinski uit de tijd van het Curaçaose tijdschrift Vitó, waarvan hij de oprichter was. Hij liep zich in de zestiger jaren van de vorige eeuw het vuur uit de sloffen om dat deel van de Curaçaose bevolking dat Nederlands las op de hoogte te stellen van de (wan) toestanden op het eiland.

- Waarom ben je eigenlijk plotseling met Vitó opgehouden? Erich zweeg even.
- Ja, weet je, ik ging toen weer studeren… en mijn vrouw vond het ook niet zo leuk…
- Ben je onder druk gezet?

Ik drong niet verder aan. We gingen over naar de actualiteit.

- Ze zouden het Engels als onderwijstaal op de scholen willen invoeren, zei hij.
- Wie?
- Pueblo Soberano. Ze hebben dat stuk van je in de Amigoe gelezen en ze willen dat als uitgangspunt nemen.
- Je kent Wiels goed?
- Ja, en ik probeer hem een beetje in toom te houden. Erich maakte een dempend gebaar met zijn armen.
- Is dat nodig? We lachten allebei wat ongemakkelijk.
- Weet je dat ik er bijna geweest was? Man, ik heb in het ziekenhuis gelegen en ben geopereerd door een arts in Venezuela.
- Ben je nu weer de oude?
- Ik hoop het…
- Was je bang om dood te gaan?
- Helemaal niet. Erich haalde zijn schouders op.
- Heb je mijn laatste boek gelezen? vroeg ie.
- Ja
- Is je iets opgevallen?
- Niet direct.
- Nou dan heb je het niet gelezen. Ik voer daar een tango in. Dat had je op moeten vallen. Jij, als muzikant.
- Ja, dat herinner ik me, maar ik vind een tango nogal gewoon. Dat viel me niet op.

Erich keek me ongelovig aan. Ik had zijn boek écht gelezen en begon over de homoseksuele zoon van de hoofdfiguur. Maar Erich bleef toch vinden dat ik het niet had gelezen. Dat zag ik aan zijn gezicht. We spraken over van alles en nog wat. Maar het was vooral het samenzijn dat van belang was. Na zoveel jaar…

- Ik heb nog wat voor je meegenomen. Erich pakte iets uit zijn tas. In een mapje zaten een paar blaadjes.
- Dat zijn gedichten die je indertijd voor Vitó had geschreven. Ik heb ze al die tijd bewaard.

Er viel even een stilte.

- Wist je dat ze zelfs bij het KITLV (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde) in Leiden een paar afleveringen van Vitó hebben? zei ik.

We stonden op om naar buiten te gaan. Hij zette een pet op zijn hoofd. Ik lachte.

- Je lijkt net op een Zeeuwse boer.
- Een Duitse boer, zei Erich.
- Wat spraken jullie eigenlijk thuis voor een taal in je jonge jaren?
- Een rommeltje van Duits en Papiaments.
- Dan heb je je aardig bekwaamd in het Nederlands in de loop der jaren.
- Ja, de fraters, hè. Die waren goed. Daar leerde je wat van. En later in Nijmegen, de onderwijzersopleiding. Ze hadden me goed ingeprent dat ik met Papiaments niks kon. Die lui wisten hoe ze je een minderwaardigheidscomplex moesten aanpraten. Ik had de hele tijd het gevoel dat ik niks kon en dat mijn taal niet deugde. Ik zag dat Erich emotioneel werd. Hij bleef opvallend stil tijdens de rit.

Curacao, ca. 1969

Na een kwartiertje rijden waren we bij me thuis. Ik nam hem mee naar mijn studeerkamer.

- Ga even in mijn stoel zitten. Kijken hoe dat voelt.

Erich lachte.

- Dan ben ik echt bij je, hè?

Wéér hadden we het over van alles en nog wat. Vooral over het Vitó van de periode waarin Stanley Brown het hoofdredacteurschap van Vitó had overgenomen. Het ging er toen niet zachtzinnig aan toe.

Stanley Brown

In Vitó werd de aanval op de toen regerende DP (Democratische Partij) scherp ingezet. In hun artikelen en in een Open Brief aan de DP werden de grieven breed uitgemeten: de DP hersenspoelde de bevolking via hun kranten (Beurs, La Prensa, Democraat, Antorcha), ze censureerden en blokkeerden de toegang tot radio en TV, ze kochten mensen om, ze deden niets aan het feit dat er Curaçaoënaars in huizen zonder licht, water etc. woonden, de banken wilden geen geld lenen aan niet-DP-ers, er waren geen goede ziektekostenverzekeringen, er was alleen een minimumloon voor bepaalde groepen, met Justitie was het slecht gesteld (klassejustitie). Ricardo Isebia: ‘Resultado di e Gobernacion di Gobierno Democraat (despues di 12 aña) ta mas o menos 15.000 hende sin trabow, i cu Hamber i Miseria ta reina riba nos isla’ (het resultaat van de DP regering, na 12 jaar, was dat er 15.000 mensen zonder werk zaten en dat er honger en ellende op ons eiland heersen), enzovoorts.

De revolutie van idealisten tegen opportunisten was begonnen!, zo luidde het in de ‘Karta abierta pa Partido Democraat’ die als vlugschrift uit de stencilmachine van de hoofdredactie was gerold.


De toenmalige minister-president Efrain -‘Fein’ - Jonckheer verdedigde zijn DP (hij was de oprichter) met hand en tand. Volgens hem had nog nooit iemand op de Antillen honger geleden. Anders hadden de mensen toch niet op de DP gestemd?

- Ja, zo kon je het óók zien.

Jonckheer had overigens ook de pest aan Nederland en daarom weigerde hij, bijvoorbeeld, voor de actie Bon Bini (een grote actie ter bevordering van het toerisme) bloembakken te laten plaatsen in de stad. Bloemen deden teveel denken aan die verdomde Hollanders: ‘Zijn de Antillen onafhankelijk? Vormen zij nog een wingewest (!) van Nederland? Is de Koningin gouverneur van de Nederlandse Antillen of is de gouverneur van de Nederlandse Antillen staatshoofd van Nederland? Welke bevoegdheden heeft de Antilliaanse premier?’ Deze retorische, lichtelijk idiote vragen van Jonckheer aan een zekere mevrouw Kooy van Bon Bini, lagen ten grondslag aan de beslissing om geen bloembakken te plaatsen (zie Jaargang III No. 4 van Vitó). ‘Fein’ wilde wel cactussen laten planten om het typisch Curaçaose karakter te accentueren.



- Ja, dat was zo ongeveer het niveau van de politiek in die tijd!
- Niet veel verschil met nu, vond Erich.
- Lijkt me nu nog erger.
- Is ’t ook.

Ook was Vitó niks te beroerd om te ventileren wat het van de Kerk vond:

‘Keer op keer als we de grote mooie kerken zien die Curaçao bezit, vragen we ons af welke God daar aanbeden wordt. De God van de werkeloze neger uit een krot op Wishi of de God van de Shell-employé op Julianadorp. God is dood. Zijn kerk is één grote trustmaatschappij geworden. […] Vitó houdt de kerk verantwoordelijk voor de armoede, de wanhopige toestand waarin Curaçao verkeert, omdat ze niet mee heeft gewerkt om de oorzaken te verwijderen. De armoede van vandaag is een gevolg van onbeperkte kinderproduktie, niet adequate, verouderde schoolopleidingen die door zijn Nederlandse, katholieke oriëntatie 70% van de bevolking een minderwaardigheidscomplex bezorgt. […] Onze geestelijken hadden in plaats van zich druk te maken over de gouden hemel, de eeuwigdurende zaligheid, het moderniseren van hun kleding, hun kerkliturgie, zich druk moeten maken over het onrecht dat hun parochianen geschiedt’. […] ‘Nu is het te laat. De Curaçaose jongere staat niet alleen onverschillig tegenover de kerk, nee, hij spreekt er zelfs met minachting over. Hij weet dat hij op eigen benen moet staan, dat hij zijn problemen zelf moet oplossen en geen donder te verwachten heeft van pastoors die er geen moer van begrijpen’.

- Dat was in 1967, Erich.
- Hm…je bedoelt..
- Ja, dat bedoel ik.

We bladerden verder in Vitó. Advertenties van S.E.L. Maduro, Interconti, Lam Yuan, Cordia, La Ganga, Esperanza, El Louvre…

- Weet je nog hoe Jaap Kion van de Beurs- en Nieuwsberichten waar jij nog hoofdredacteur van bent geweest die arme Bongers, die toen rector van Maria Immaculata was, onder druk heeft gezet omdat ie had toegestaan dat er op de uitnodigingen van een reünistengroepje een advertentie van Vitó had gestaan?
- Die arme Bongers moest toen in een zoekertje verklaren dat de school niets te maken had met Vitó.
- Toen was ie al Prins Carnaval…

We lachten als een Duitse boer met kiespijn en bladerden verder door de oude jaargang.

Vitó omschreef venijnig en met goed analytisch vermogen de Curaçaose regering uit de zestiger jaren van de vorige eeuw: een klein groepje bestuurders (meestal blanke Protestanten, Joden, Vrijmetselaars en vertegenwoordigers van de katholieke kerk) hield de rest van het eiland (lees: de zwarte Curaçaoënaars) gegijzeld: ‘Nan ta e kolonisadornan moderno ku a bula tuma tur kos ofer ora Ulanda a disidí di duna su kolonianan autonomía. Y al fin al kabo nan a resultá mas teribel, mas fanatiko, mas sinberguensa, mas haragan ainda ke kolonisadornan makamba mes’ (Zij zijn de moderne kolonisators die als de weerlicht de hele zaak hebben overgenomen toen Nederland had besloten zijn kolonies autonomie te verlenen. En uiteindelijk zijn ze nog verschrikkelijker, fanatieker, schofteriger, hebberiger gebleken dan de Hollanders. Vitó, Jaargang III, no 4).

- Het liep toen tegen de verkiezingen en de ene politicus had nog mooiere plannen dan de andere.
- Ze waren allemaal tegen de dictatuur van de DP.

Edsel 'Papy' Jesurun overhandigt een staatkundig rapport aan minister Thom de Graaf, 2004
Papy Jesurun wilde met z’n U.R.A. (Union Reformista Antiyano) een structurele wijziging van de maatschappij bewerkstelligen.

- Alle werklozen inzetten in de soevenirindustrie, lokale artiesten en de folklore stimuleren
- Ja, georganiseerde werkverschaffing invoeren.
- Weg met de dictators. De voorzitter van z’n partij mocht niet herkiesbaar zijn!
- Sociale rechtvaardigheid.
- Papy kreeg trouwens flink op z’n donder in Vitó. Herinner je je die open brief aan de U.R.A. nog?

We lazen nog één keer bladzij 12 van Jaargang III no 1:

‘ […] Vanaf het begin deugde de U.R.A. eigenlijk niet. Hij is nog steeds een met tin en plastic opgevuld N.V.P. wrak, dat elke maand gerubbingcompound wordt om de vlekjes en krassen weg te werken. Als U.R.A. werkelijk de boel wil veranderen, een politieke partij van jongeren zijn, moeten ze ophouden met O.H.-en en doelloos vergaderen. […] Sodemieter die al te democratische, ruggegraatloze Papy Jesurun van de lijst. Die nietszeggende, ambtelijke toeristengids die op zijn borst klopt en zegt: Ik ken de jongeren. Ik ken de arbeider. En dan weer vooraan staat bij Bon Bini-acties en van de U.R.A. een kammetjes en ballpoints uitdelende Dale Carnegie club maakt. […] Als de leden van U.R.A. maar 10% konden opbrengen van de toewijding die de DP-leden hebben zou je hier iets kunnen beleven. Maar de DP-leden hebben iets om in te geloven: geld. De U.R.A-leden hebben geen flikker om in te geloven, geen idealen, geen conceptie. Ze lopen rond en kloppen op hun borst: ‘Wij durven’.

- Papy is later nog gevolmachtigd minister geworden in Nederland

We praten nog wat over een paar andere politici. Juancho Evertsz wilde geen vaste brug over de Annabaai. Was voorlopig niet nodig, vond ie. Hij wilde industrialiseren, de eerste levensbehoeften lokaal laten produceren.

- Juancho had overigens wel goed begrepen dat het Papiaments moest worden gepromoot.
- Ja, alle wetten moesten in het Papiaments worden vertaald, alle vergaderingen in het Papiaments worden gehouden, elke ambtenaar moest Papiaments kunnen spreken, omdat de Nederlandse taal niet goed werd begrepen.
- Hij vond dat de lesmethoden moesten worden aangepast aan de Antilliaanse denkwereld.
- En goede onderwijzers in de eerste klassen die het Papiaments beheersten.
- En ook geen benoemingen in het buitenland van vriendjes, maar alleen van mensen die bekwaam waren.

Weet je nog… die Nederlandse onderwijzer… Pietje van der Hoeven? Typische Hollander: steil en, in zijn geval, betrouwbaar. Pietje was ook tegen de DP. Hij vond dat de Autonomie ten goede moest komen aan de hele bevolking, ongeacht kleur, ras of geloof.

- Hij wilde meer contact met Nederland om de zaken soepeler te laten verlopen.
- En hij wilde ook een eind maken aan die wilde woekering van ambtenaren.
- Ja, maar dat duurde nog 30 jaar voor het zover was.
- Omdat hij onderwijzer was wist hij wat goed was voor de kinderen. Hij wilde o.a. schoolvoeding omdat een kind dat honger heeft niet kan leren.
- Ja, en studiezalen bouwen om de kinderen de gelegenheid te geven te studeren als ze dat thuis wegens ruimtegebrek niet konden.
- Echt een man die verandering wilde brengen in de slechte sociale omstandigheden op het eiland.
- Nihil novi sub sole…
Standbeeld voor Jonckheer voor het Riffort in Otrabanda. Foto © Michiel van Kempen

Wat had Jonckheer de pest aan Vitó! Hij noemde het een blad van vernieling en afbraak.

- En toen kwam Papa Godett
- De rest is geschiedenis…
- We zullen zien wat de huidige regering ervan bakt. Het ziet er niet geweldig uit. Overvallen en geweld. Nauwelijks in de hand te houden misdadigheid. Het onderwijs gaat snel bergafwaarts.
- Machteloze ingezonden stukken in de kranten
- De huidige regeerders hebben nu de kans om er iets van te maken. Als ze die kans niet grijpen dan…

We reden zwijgend terug naar zijn appartement aan de Leidse Morssingel. Rechts van ons het Museum van Volkenkunde, achter ons het Belastingkantoor. We mochten de singel ver genoeg oprijden om bij zijn flat te komen.

- Misschien kan je ooit nog eens wat over Vitó schrijven… het waren toch jongens die durfden…

Ik keek hem aan. Hij had een trieste uitdrukking op zijn gezicht.

- Dat beloof ik.

Erich glimlachte, zette zijn boerenpet op en gaf me een hand.

- Ben je, behalve met de politiek, nog met iets anders bezig? vroeg ik
- Ja, met een nogal ingewikkelde roman. Over een jaar zal ie wel af zijn. Ik speel er zelf een rol in.
- Heb je al een titel?
- De Hemelvaart van Erich Zielinski.

Erich stierf ruim een jaar later. Op 15 februari 2012.

Ik heb mijn belofte aan hem ingelost.

dinsdag 15 mei 2012

Erich Zielinski



Portret van de Antilliaanse schrijver Erich Zielinski, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 49a in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Erich Zielinski: De mens achter de schrijver

 door Quito Nicolaas

In 2008 kwam ik Erich Zielinski voor het eerst tegen in Amsterdam en werd aan hem voorgesteld. Hij gaf mij een stevige hand en zei volgens een goed Antilliaans gebruik: “Ik ken jouw vader heel goed”, en ik keek hem een beetje verbaasd aan. Even was het stil, terwijl hij mijn hand nog vasthield en vervolgde: “Ja jouw vader is toch de duty station-manager bij de KLM en later bij de ALM geweest toch?” Op dat moment moest ik instemmend knikken en werd een basis gelegd voor een vruchtbare relatie. Tijdens de lezing in verband met de eerste Caraïbische Letterendag die we samen hadden bijgewoond, kwam hij naast mij zitten en na afloop spraken we elkaar nog urenlang. Hiermee gaf Zielinski aan dat hij een mensen mens was en veel waarde hechtte aan vriendschap en nieuwe gezichten in zijn vriendenkring.

Het decor

Schrijver Erich Zielinski had het vergeleken bij zijn collega-schrijvers anders en goed aangepakt. Hij hield rekening met z’n lezers en bood ze de nodige variatie aan qua plaats van handeling van zijn verhalen. Zijn debuutroman De Engelenbron speelde zich af op Curaçao. Hij hanteerde in tegenstelling tot andere clichéverhalen, een begrafenisondernemer als importeur van drugs. Voor zijn tweede roman De prijs van de zee had Zielinski zijn geboorte-eiland Bonaire als decor gekozen. In dit boek toonde hij een goede kenner van de vissersgemeenschap Playa Frans op Bonaire en werd een goed profiel van een besloten gemeenschap gegeven. In z’n derde roman Scott Zuyderling had hij het verhaal grotendeels in Nederland gesitueerd, waarin hij zelfs het taboe doorbrak om over een homorelatie te schrijven. Voor z'n romans was Zielinski op het idee gekomen om goed gebruik te maken van de rechtbankverslagen om zodoende zijn verhalen te construeren. Een andere bron dan een procesverbaal van de politie of het verslag van een strafproces is voor een auteur een geschenk uit de hemel.

Stichting Seru di Orashon

Erich toonde zich een een jurist pur sang toen hij besloot om o.a. zijn auteursrechten in de stichting Fundashon Seru di Orashon onder te brengen. Hiermee werden de verdiensten uit de boekenverkoop en andere literaire activiteiten van zijn prive-vermogen gescheiden. Opmerkelijk hierin is de stichtingsnaam Berg van het Gebed die in 2003 werd opgericht. Op zich doet het een beetje religieus aan of is het tenminste een teken dat de auteur rekening hield met het gegeven dat het leven op aarde ooit ophoudt te bestaan. Het gezin Zielinski was zeer gelovig en trouw aan de kerk. Moeder Zielinski gaf pianoles en was een zeer intelligente vrouw. De nalatenschap van de auteur - bestaande uit nog niet gepubliceerde manuscripten - kunnen nu aan de stichting worden overgedragen, voorzover dat nog niet is gebeurd.

Overtuiging

Voor zover bekend had hij weinig over de dood geschreven en evenmin in zijn poëzie kwam dit thema naar voren. In zijn laatste levensjaren en in aanloop naar de staatkundige veranderingen met ingang van 10-10-10, schreef hij een alternatieve staatsregeling voor zijn land Curaçao. Evenals Boeli van Leeuwen schreef hij een juridisch tractaat, ditmaal in de vorm van een ontwerp staatsregeling. B. van Leeuwen werd alom geprezen en vaak geciteerd uit z’n position paper De Nederlandse Antillen tussen Nederland en Venezuela (1972). Met zijn bijdrage in de vorm van een ontwerp en zijn aanwezigheid tijdens de laatste besprekingen in Den Haag 2010, toont Zielinski een ware independendista te zijn. Een besef dat langzaam aan groeide met de veranderingen in de Curaçaose samenleving en de maatschappelijke ontwikkelingen.

Rollen

Als tiener herinner ik mij Erich Zielinski als hoofdredacteur van Beurs & Nieuwberichten, in dezelfde tijd dat Augustin Diaz (ex-statenlid DP) hoofdredacteur was bij La Prensa. Zielinski was een mens die streefde naar veranderingen alsook vooruitgang en was niet verwonderlijk dat hij reeds in de jaren ’60 samen met anderen het blad Vitó oprichtte. In zijn carrière had hij verschillende rollen vertolkt: onderwijzer, bladredacteur, hoofdredacteur, advocaat en schrijver. Ook in literair opzicht wilde hij zich van de Grote Drie: B. van Leeuwen, T. Marugg en F.M. Arion onderscheiden en zijn lezers van een ander soort proza laten genieten. Door alledaagse gebeurtenissen te thematiseren stimuleerde hij een hoger bewustzijn onder zijn lezerspubliek.

[uit Caribe Magazine, 17 februari 2012]

zaterdag 18 februari 2012

Erich Zielinski - In memoriam

Erich Zielinski, november 2009, foto @ Michiel van Kempen


door Ezra de Haan

Als redacteur van Uitgeverij In de Knipscheer heb ik vaak met genoegen naar de verhalen van Erich Zielinski (1942-2012) mogen luisteren. Vrijwel ieder jaar bezocht hij de uitgeverij. Wat als een gesprek begon veranderde al snel in een monoloog. Zielinski was een causeur, een rasverteller. Mensen zoals hij hebben publiek nodig en zodra dat aanwezig is, steken ze van wal. Een gesprek over een nog te publiceren boek mondde uit in de zeer gedetailleerde beschrijving ervan, hoe het boek samenhing met zijn vorige werk, de politieke toestand van de Antillen, pikante anekdotes over alle genoegens van het leven, luid gedeclameerde gedichten in het Spaans of Nederlands en ervaringen uit zijn praktijk als advocaat. Die professie klonk door in de opbouw van zijn betoog. Iedere zijstap die hij tijdens zijn verhaal leek te maken had een bedoeling. Hij wist precies waar hij naartoe werkte. Geen zin, hoe meanderend ook, die niet kloppend was. Bij iedere ontmoeting werd ik mij bewust van zijn kwaliteiten als advocaat en als schrijver. Hij schreef zijn romans met een passie die bewonderenswaardig was. Steeds als hij over De engelenbron vertelde, hoorde ik hoe er emotie doorklonk in zijn beschrijvingen van de ervaringen en emoties van de personages. Hij schaamde zich daar niet voor. Hij vertelde hoe, tijdens het schrijven, de tranen hem soms in de ogen stonden. En ik geloofde hem.

Kort nadat Derek Walcott de Nobelprijs had ontvangen, bezocht ik een lezing van hem in Amsterdam. Tussen de aanwezigen zag ik meteen het gestalte van Erich Zielinski. Lang en groot als hij was, kwam hij mij als een reus voor. Een vriendelijke reus. Charmant als altijd schudde hij mij de hand. Hij vertelde mij dat hij Walcott eens flink de oren zou gaan wassen. Wat hij schreef en zei beviel Erich niet en het werd tijd dat iemand hem eens de waarheid zei. In stilte verheugde ik mij op de confrontatie. Twee intelligente mensen met Caribisch bloed beloofde een stevig verbaal vuurwerk. Erich nam naast mij op de harde, houten banken plaats en wachtte zijn beurt af. Zijn enorme lichaam paste amper en het viel mij op dat hij heftig transpireerde. Ik weet het toen aan drank of emoties. Plotseling stond hij op, boog zich naar mij toe en mompelde: jetlag. Hij was weg voor de boodschap tot mij doordrong. Die dag zag ik hem niet meer terug. Nog steeds vraag ik mij af of hij toen al last kreeg van de ziekte die hem later fataal zou worden.

Een andere ontmoeting met Erich Zielinski vond ook plaats in Amsterdam. Samen met Guus Bauer trof ik Erich, zoals afgesproken, in café de Zwart. We dronken een paar bladen bier leeg, betaalden en liepen daarna meteen door naar boekhandel Selexyz voor de presentatie van een James Bond-boek. De uitgever had als gimmick een kleine bar neergezet waar je cocktails kon krijgen. Shaken, not stirred. Erich wrong zijn corpus tussen de mensen door en bestelde drie cocktails. Waar ik nog aan de drank sipte, sloeg hij het longdrinkglas achterover alsof het een borrel betrof. Een blik naar de barman en het optrekken van zijn wenkbrauwen maakte duidelijk dat hij er nog een wilde. “Drie,’ klonk het rustig maar beslist en een knikje van het grote hoofd gaf aan dat de andere twee voor ons waren. Ik zag dat de barman er onrustig van werd. Er stonden meer mensen op hun cocktail te wachten. Maar of het verstandig was om iemand met het lichaam van een zwaargewicht bokser niet direct te bedienen… Het zweet stond op zijn voorhoofd en in een razend tempo probeerde hij een nieuwe rij cocktails te fabriceren. Erich had zijn glas inmiddels al lang weer achter de kiezen. ‘Jij,’ klonk het weer. Een vinger wees gebiedend naar het glas dat Erich veel te leeg was. En zo ging het door totdat alle flessen op de minibar bijna leeg waren. De barman zag dit met opluchting en durfde daar Erich op attent te maken. Die ging even op de tenen staan, als een grizzlybeer vlak voordat hij met zijn klauwen uithaalt. Weer gingen de zware wenkbrauwen omhoog.
Ik zie daar nog wat rum, ik zie wodka, wat sap… mix dat dan, man!
Weer werd een glas, nu met de laatste restjes, gevuld en soldaat gemaakt. ‘Wat gaan we nu doen?' vroeg hij vervolgens broodje nuchter.

Het was dan ook een grote schok toen we een jaar later op de uitgeverij het bericht hoorden dat hij ernstig ziek was. Alvleesklierkanker en eigenlijk al opgegeven. Erich liet het er niet bij zitten. Hij ging de ziekte als een kerel te lijf, liet zich in Venezuela opereren en pakte daarmee de hoop op de kleine kans om het te overleven. Toen we hem, na zijn operatie weer zagen, was het moeilijk in hem dezelfde vriendelijke reus te herkennen. Erich had niet een maar wel twee of drie jassen uitgetrokken. Hij leek gekrompen,was grijs geworden. Maar zijn strijdlust en energie waren nog altijd aanwezig. Weer vertelde hij over zijn nog te schrijven boeken, de dichtbundel die al af was, zijn nieuwe kijk op het leven en zijn ervaringen als kankerpatiënt. Hij had geen behoefte aan medelijden, wat voor hem telde waren de boeken, zijn personages, een vertaling in het Engels en de mogelijke verfilmingen van zijn romans. Zelfs nadat hij de dood in de ogen had gekeken, wilde hij van geen wijken weten. Helaas was het een strijd die zelfs iemand met de vechtlust van Erich Zielinksi niet kon winnen. Wat van hem resteert zijn prettige herinneringen en de drie prachtige romans die hij schreef: De Engelenbron, De prijs van de zee en Scott Zuyderling. Hopelijk weet hij ons nog met wat nagelaten werk te verrassen als straks zijn laptop en manuscripten boven tafel komen. Curaçao heeft met Erich Zielinski een markant mens en een excellent schrijver verloren.

De tussenlanding op planeet aarde was het leven waard!

In Memoriam Erich Zielinski


door Franc Knipscheer

Tot op het laatste moment wilde ik niet echt geloven dat Erich Zielinski het loodje zou leggen. Hij leek immers een kat met zeven levens te zijn en volgens mij waren die nog niet alle zeven voorbij. Bij het afsluiten van een van die levens kon hij bijzonder troostrijk zijn voor hen die het met de eindigheid van één leven moesten stellen.

Op 11 augustus 2011 mailde hij me nog: ‘Waarschijnlijk ben ik in het najaar in Nederland.’ Dat was een vertrouwenwekkende aankondiging die hij sinds 2004 elk jaar deed en ook nakwam. Zijn bezoeken aan de uitgeverij hadden iets van een jaarlijks uitje, een feestje, dankzij zijn goedgemutstheid (altijd die zwarte alpinopet), met zowel van zijn als van onze kant traktaties op tafel. En natuurlijk werd er ook gewerkt aan de manuscripten. Maar afgelopen najaar is hij niet meer naar Nederland gekomen.

Erich Zielinski bleef altijd iets jongensachtig houden. Hij smeedde plannen, richtte fundashons op, die niet altijd een lang leven beschoren waren. Maar de plannen, de ideeën, dié waren belangrijk, die getuigden van zijn levenslust en enthousiasme. Toch was Erich Zielinski voor mij ook een man van de oude stempel, niet wat leeftijd betreft, maar simpelweg omdat hij moeiteloos lange strofen van de ene grote dichter na de andere (ik herinner me bijvoorbeeld Pierre Lauffer, Pablo Neruda, Koos Schuur) uit het hoofd kon (re)citeren – en inderdaad ongeacht of dat nu in het Nederlands, het Papiaments of het Spaans was. Kom daar nog maar eens om vandaag de dag. Daar was ik strontjaloers op.

Erich Zielinski was ook een ‘family man’. Zijn kinderen en kleinkinderen waren – eerlijk is eerlijk – de werkelijke reden om met regelmaat naar Nederland te komen… Hij mailde vorig jaar: ‘Ik zie van dag tot dag het leven aan: de planten en dieren in de tuin en vooral mijn kleinkinderen wanneer die op bezoek zijn.’

Aan een van zijn doktoren schreef hij bijna een jaar geleden als opdracht in De Engelenbron: ‘Aan een vriend en reisgenoot in de oneindigheid van tijd en ruimte in het universum; de tussenlanding op planeet aarde was het leven waard!’


Foto: @ Carlos E. Tramm

vrijdag 17 februari 2012

Erich Zielinski: 'Wat er ook gebeurt, het leven gaat door.'


door Els Moor

Eergisteren overleed de Antilliaanse auteur Erich Zielinski. In januari 2004 kwam bij uitgeverij In de Knipscheer De Engelenbron uit, debuutroman van de Curaçaose advocaat Erich Zielinski (Bonaire, 1942). Al in juli dat jaar verscheen de tweede druk. De roman had snel succes, mede door de lovende kritieken. Zielinski beschrijft de handel en wandel van personages in de kleurrijke wijk Otrobanda, het decor voor drugs- en andere actuele problematiek. Hij doet dat op een manier die literaire meerwaarde aan de roman geeft, waardoor die uitstijgt boven het genre van de thriller. Als gast van het Winternachtenfestival 'Werelden in ontmoeting', is Zielinski momenteel in ons land. Een mooie gelegenheid voor een gesprek over zijn boek.

Zielinski bezoekt Suriname voor de eerste keer. Hij geniet van wandelingen door Paramaribo, waar hij veel van de Caribische leefwijze herkent, maar ook nieuwe ervaringen heeft. Het multiculturele straatbeeld fascineert hem.
Voor het gesprek gaan we op buiten, naar de gerestaureerde oude koffieplantage Frederiksdorp op de rechteroever van de Commewijnerivier. Op het terras van het hotel van de familie Hagemeyer genieten we van een heerlijke maaltijd.

Erich Zielinski schudt literatuurcriticus Rob Schouten de hand

Het boek ligt op tafel en ik vraag Erich waarover het gaat. 'Het gaat over de mens', zegt hij en neemt een slok bier, 'de mens in Otrobanda die in het leven staat en wat er ook gebeurt, dat leven gaat door.' Hij vertelt dan met verve over de personages die ondanks veelsoortige problemen en tegenstrijdige omstandigheden, leven onder één dak, van een oud huis in Otrobanda, een vriendelijk huis met bomen op het achtererf en voorop een naambordje: De Engelenbron. Zielinski kent het huis; hij heeft er zelf enkele jaren gewoond tijdens zijn kindertijd. De titel - De Engelenbron - waarschuwt de lezers al dat het niet alleen gaat om een drugsgebonden thriller. Wie zijn die personages? De centrale figuur, die banden heeft met alle anderen, is Monchín, oud-politieman. Hij werd ontslagen toen hij tijdens werktijd spiernaakt gesignaleerd werd in een bordeel. Sindsdien probeert hij te overleven, hij is hét voorbeeld van de escapist, die met een vrolijk gezicht aan de realiteit voorbijgaat. Zo vist hij iedere zaterdag met een vissersboot en brengt strijk en zet een tas met inhoud aan Petchie, van wie iedereen weet dat hij banden heeft met de Colombiaanse drugsmaffia. Petchie heeft zijn bijnaam te danken aan het feit dat hij altijd een pet draagt om de bij zijn geboorte ontstane misvorming van zijn hoofd te maskeren. Zelfs als hij, getroffen door een kogel, stervende is, maakt hij een vragend gebaar om zijn pet. Een andere centrale figuur is Hendrik, de zakenman die gedeeltelijk verlamd het bed houdt en met veel liefde verzorgd wordt door zijn Surinaams-Hindostaanse tweede vrouw Rona. Monchín is zijn huurder in De Engelenbron, door wie hij ook te maken krijgt met Aura, een prostituee uit de Dominicaanse Republiek en haar dochter Linda Rosa die in relatie staat tot Petchie.

Door bemiddeling van Petchie slikt Linda Rosa 'bolita's', waarmee ze naar Holland zal vliegen, maar op de airport, voor de ogen van haar moeder, sterft Linda als er een 'bolita' bost [knapt] in haar maag. Petchie krijgt later spijt en wil Aura geld van haar dochter overhandigen. In haar mateloze verdriet en woede schiet Aura Petchie dan dood met het wapen van Monchín dat hij ergens had achtergelaten. Daardoor wordt niet Aura, maar Monchín de gedoodverfde schuldige. Hendrik regisseert vanuit zijn bed de uitvoering van de oplossing om geruisloos en onzichtbaar van het lijk af te komen. Iedereen denkt immers dat Petchie naar Venezuela gevlucht is na de dood van Linda. Met veel moeite gooien de huisgenoten het extreem zware lichaam in de put op het achtererf, waarna nota bene de Colombiaanse drugsbaas het klusje klaart om de put dicht te metselen, zonder dat hij weet wat zich erin bevindt.

'Vormen die drugstoestanden een leidmotief in je boek, zoals bijvoorbeeld in "Blinde muren" van Roué Hupsel', vraag ik de schrijver. 'Nee, de achtergronden waartegen het verhaal zich afspeelt zijn voor mij het belangrijkst. Het gaat om de mens in Otrobanda, vormgegeven in de personages onder het dak van De Engelenbron. Hun levens zijn met elkaar verbonden onder dat dak. Het leven gaat door. Als de Colombiaan zijn job gedaan heeft, vraagt hij aan Monchín: "Ga je zaterdag weer vissen?" Het antwoord is: "Ja, ik ga vissen." De lezers weten dan dat alles gewoon doorgaat.'
Ik constateer dat Erich Zielinski absoluut nergens moraliseert in zijn verhaal. 'Nee', zegt hij met overtuiging, 'als advocaat kijk ik naar de feiten. De lezer is de rechter.'
'Je preekt niet; zelfs Frank Martinus Arion doet dat aan het einde van Dubbelspel', zeg ik. 'Nee, er verandert uiteindelijk niets. We merken alleen dat er solidariteit is ontstaan op het eind. Iedereen moet verder, dus ze slaan de handen ineen. Wel heb ik geprobeerd om de personages uit te tillen boven de alledaagsheid van het leven.' Ik bevestig dit en noem Monchín. 'Ja', knikt Erich en hij kijkt peinzend naar de gerestaureerde oude politiehuisjes aan de overkant van het mooi verzorgde erf, die nu dienst doen als hotelappartementen, 'Monchín heeft een alter ego, broeder Abt, die zijn verlangens naar zuiverheid personifieert. En hij heeft zijn afgedankte politiemotorfiets. Die heeft hij zonder wielen op de put gemonteerd en regelmatig start hij de motor en raast door zijn fantasie. Met broeder Abt praat hij dan over de altiplano in de Andes en hij voelt de wind. Hij ziet Indianen met zwarte hoeden op zich afkomen, die weer verdwijnen achter de bergen. Eigenlijk wil Monchín, de vrouwenjager, in het klooster. Maar niet met z'n motorfiets. Die vergaat immers ook, net als de mens.'

'Het universele thema van de vergankelijkheid heb je prachtig verwerkt', zeg ik. 'Ik zie mijn figuren altijd voor me', zegt Erich, ‘ook Monchín. Er zijn momenten dat je tranen in je ogen krijgt, maar ook dat je lacht. Als de impotent geworden Hendrik 's avonds zijn vrouw de trap op hoort sluipen naar Monchín, en de fles whisky op het nachtkastje grijpt, krijg ik tranen in mijn ogen. Ook om de solidariteit van Monchín die Rona nooit echt van hem zal afpakken.' En hij voegt eraan toe: 'Je moet als schrijver niet blijven hangen aan de slaventijd. Dan groei je niet. Het verleden moet geen stepping stone zijn. Het gaat mij om de nieuwe Caribische mens in mijn werk. We hebben een rijke culturele samenleving dankzij het verleden, en er bestaan ook veel verhalen over. Maar dat is niet voor mij.'

'Hoe werk je, hoe heb je dit boek geschreven?' vraag ik. 'Ik heb veel journalistiek werk gedaan naast mijn advocatenpraktijk. Het schrijven op zich is niet moeilijk voor mij. Met dit verhaal in mijn hoofd heb ik wel een jaar rondgelopen. Iedere dag wandelde ik toen, met een goede vriend. We spraken erover. Toen kreeg ik gele koorts en moest een tijdje thuisblijven. Ik begon te schrijven, met de hand, pen op papier. Een jaar lang. Mijn vriend tikte uit wat ik geschreven had en we spraken erover. Na dat jaar begon het pas echt: slijpen, polijsten, vervangen. Laat 's avonds belde ik vaak nog mijn vriend en besprak wat ik toegevoegd had. Zoals aan het personage Monchín: zijn gesprekken met broeder Abt en zijn motorfiets tillen hem uit boven het gewone escapisme. Als zijn buurvrouw staat te klagen over het lawaai waarvan haar baby niet kan slapen, wordt hij ineens paternalistisch en zegt bijna troostend: "Wees niet bang".' Zielinski moet er zelf weer om lachen.

Erich Zielinski, rechts, met staande Karin Amatmoekrim en links Diana Lebacs

'Wim Rutgers in zijn recensie in Amigoe prees de structuur', merk ik op. 'Dat heeft inderdaad veel tijd gekost, om het zo te krijgen', Zielinski knikt. 'De figuren die eerst min of meer los zijn, komen terug en passen steeds meer aan elkaar. De losse stukken zijn eigenlijk niet los. Even leiden ze een eigen leven, dan komen ze bij elkaar, vermengd met typisch Caribische motieven, zoals de Heilige Maagd, die steeds weer terugkomt. Ook het verschijnsel dat iemands bijnaam zijn "echte" naam wordt.'
Die zorgvuldigheid zit ook in de taal van de roman, heb ik geconstateerd. 'Ik heb de taal proberen uit te tillen boven de anekdote van de Antillen. Michel Angelo wordt genoemd, en Hendrik luistert op zijn bed naar Edith Piaf. Ik wilde geen regionale roman maken, maar vanuit mijn bekende omgeving existentieel bezig zijn met de qualité humaine. Tijdloze kwesties als wonen, voortplanting, liefde. Het universum is tijdloos. Bestaat er toeval in het universum? Een Latijns-Amerikaanse schrijver die ik bewonder om zijn "tijdloosheid" is Miguel Asturias (1899-1973) met zijn Hombres de maiz (1949).'

Erich Zielinski pakt zijn roman, neemt een slokje van de koffie die inmiddels het bier vervangen heeft en leest het slot voor van De Engelenbron:

Zielinski geheel links in gesprek met Isabel Hoving. Achter hem staande Tommy Wieringa in gesprek met Luc Devoldere.

'Rona dweilde de vloer in huis. Het ontsmettingsmiddel met lavendel geurde langs de trap omhoog. Hendrik luisterde naar Piaf: "Et on danse, on danse, on danse..." Bewegingloos, de benen verlamd, de ogen gesloten. Aura kookte soep en proefde met de pollepel uit de pan. Zij zou straks een beetje soep brengen voor die twee daarbuiten bij de put.
De buurvrouw hees zich op het muurtje en schreeuwde: "Coño, begin je weer? De baby slaapt! Mierda!" Monchín liet zich niet storen en bracht de Harley Davidson op kruissnelheid.
Oso Blanco raapte zijn spullen bij elkaar en probeerde met zijn stem boven het gebrul van de motor uit te komen: "Tot zaterdag!"
Maar Monchín hoorde hem al lang niet meer.
"Broeder Abt", sprak hij...'

[uit de Ware Tijd Literair, 11 maart 2006]



Zielinski in gesprek met acteurs Felix Burleson en Paulette Smit


Alle foto's zijn gemaakt tijdens het erediner voor Derek Walcott in 2008, © Bert Nienhuis, Werkgroep Caraibische Letteren

donderdag 16 februari 2012

Erich Zielinski overleden


Schrijver en dichter Erich Zielinski is gisteren, woensdag 15 februari 2012, in Willemstad na een lang ziekbed overleden.

In 2004 maakte Zielinski zijn debuut met de roman De Engelenbron, die zich grotendeels afspeelt in Otrobanda, waar het leven beheerst wordt door de problemen van overleving en drugs. Hoofdpersoon is de oud-politieman Monchín die de alledaagse werkelijkheid probeert te ontvluchten door zich te verplaatsen in zijn verbeelding, wanneer hij op zijn Harley Davidson zit
die met keilbouten verankerd is boven een oude waterput. Het boek werd genomineerd voor de Gouden Strop, en ontving in 2007 op Curaçao de Cola Debrot-prijs.

Zielinski werd op Bonaire geboren als zoon van een Duitse vader en een Curaçaose moeder, maar hij groeide op in het oude stadsdeel Otrobanda op Curaçao. Na zijn opleiding (kweekschool en rechtenstudie) in Nederland keerde Zielinski terug naar de Antillen waar hij werkzaam was als onderwijzer. Hij werd in die tijd oprichter en redacteur van het tijdschrift Vitó, dat in de woelige jaren zestig als ‘kritisch tijdschrift’ tegen het establishment op de Nederlandse Antillen ageerde. Op Curaçao voltooide hij zijn rechtenstudie en vestigde hij zich als advocaat. Begin jaren zeventig was hij korte tijd hoofdredacteur van het niet meer bestaande dagblad Beurs- en Nieuwsberichten, waarna hij toch weer koos voor de advocatuur.

Zijn roman De prijs van de zee (2008) speelt zich af op Bonaire, waar de vondst van een bijna in zee gestorte wagen leidt tot rivaliteit in een vissersdorpje. De korte roman Scott Zuyderling (2009) is grotendeels gesitueerd in Nederland. Advocaat Scott Zuyderling gaat naar de begrafenis in Nijmegen van Ronnie, de zoon van Scotts vriend Armand. Ronnie heeft zelfmoord gepleegd. Scott realiseert zich dat Armand er met hem als zijn beste kameraad nooit over heeft gesproken dat Armand een kind heeft verwekt bij zijn eigen schoondochter (Ronnie’s vrouw). Hij wordt geconfronteerd met zijn eigen geschiedenis en vooral met de verhouding tot zijn homoseksuele zoon.

Zielinksi is auteur van de alternatieve Staatsregeling van Curaçao van politieke partij Pueblo Soberano. Hij noemde het concept ‘een manier om ordening te brengen voor het nieuwe land’.

Erich Zielinski is 69 jaar geworden. Dat hij ruste in vrede.

Voor een recent stuk over zijn drie romans, verschenen op deze blogspot, klik op deze link.

Foto: @ Michiel van Kempen, 2009

donderdag 26 januari 2012

Leven en lezen; Erich Zielinski: de dubbele betekenis van leeftijd

door Wim Rutgers

Lezen doe je op verschillende manieren. Een ‘gewone’ lezer opent een boek, leest dat uit van begin tot einde en laat zich meeslepen door de taal en stijl van de verteller en de gebeurtenissen tot aan de ontknoping aan het einde van het verhaal. Een dergelijke leeswijze is vooral geschikt voor ontspannende lectuur zonder verdergaande pretenties.
Lezers die zich daarnaast ook afvragen waaróm taal en stijl hun zo aanspreken en die zich rekenschap geven van de structuur waarmee de spanning rond de personages in het verhaal is opgebouwd, zetten een volgende stap in het leesproces en gaan meer analytisch te werk. Een derde stap, een stap die voor het lezen van literatuur onontbeerlijke voorwaarde vormt, is de reflectie van de lezer op diepere lagen in het verhaal. Dergelijke lezers lezen niet alleen het verhaal aan de oppervlakte maar proberen het hoe en waarom ervan te achterhalen, te begrijpen en vooral ook persoonlijk beargumenteerd te evalueren. Deze leeshouding naar de onder de verhaallijn aanwezige diepere betekenissen kan een zoektocht inhouden naar wat de auteur met het verhaal zou kunnen hebben bedoeld, maar is in feite de zelfreflecterende leeshouding van de lezer die op zoek gaat naar motieven en de thematiek van het verhaal. Welke levenshouding en ethos drukt de verteller door middel van het verhaal uit, waarin ik me als lezer met mijn levenservaring en leeservaring ten diepste kan herkennen? Dit is de essentiële en existentiële lezersvraag van alle goede literatuur.

Erich Zielinski; foto @ Michiel van Kempen

Met deze gedachte in mijn achterhoofd heb ik de drie romans van Erich Zielinski herlezen, op zoek naar de leeservaring die deze verhalen zowel rationeel als emotioneel in mij oproepen. Indertijd heb ik over de drie afzonderlijke romans geschreven, maar deze keer bestond de uitdaging erin ze gezamenlijk te analyseren en vergelijkend te interpreteren door na te gaan wat ze voor mij persoonlijk te betekenen hebben.

Drie romans, verschenen in het korte tijdsbestek van zes jaar, maar op het eerste oog bij normale lezing geheel verschillend van inhoud en vorm. Maar, vroeg ik me af, zijn die verschillen ook bij nadere beschouwing nog zo sterk? Of is er sprake van drie aparte romans die door een unificerende thematiek deel uitmaken van een gezamenlijk en één ondeelbaar oeuvre?

Op het eerste niveau van onderwerp en inhoud verschillen de drie romans totaal. Het debuut De engelenbron (2003) speelt zich af op Curaçao rond de drugsproblematiek, de tweede roman De prijs van de zee (2008) is gesitueerd in de kleine vissersnederzetting Playa Frans op Bonaire en beschrijft het leven van de vissers die daar een in eigen gemeenschap teruggetrokken leven leiden, in de derde roman Scott Zuyderling (2009) is de setting die van Nederland, rond een succesvolle Curaçaose advocaat op leeftijd die via een sollicitatiegesprek op zoek is naar een geschikte opvolger voor zijn bloeiende praktijk. Grotere verschillen lijken haast niet denkbaar. Maar toch.

Alle drie verhalen spelen zich af in een kort tijdsbestek van een weekend of slechts enkele dagen, de vertelwijze is die van een verteller die de touwtjes zelf stevig in handen houdt en daarbij het gebeuren beurtelings beschrijft vanuit het perspectief van diverse in het verhaal optredende personages, in alle drie werken komen stijlkenmerken als leidmotieven, herhalingen, spiegelingen en ‘flash forward’ voor, evenals de dans, viriliteit en erotiek. In de eerste twee romans is de thematiek verpakt in een intrige die aanleunt tegen de literaire thriller en de traditionele detective. De derde roman is sterker geconcentreerd op de psychologische ontleding van de hoofdpersoon en heeft daardoor een meer verinnerlijkt karakter.

Onthechting
De hoofdpersoon in De engelenbron is de gewezen politieagent Monchín Martina die, nadat hij zes jaar voor zijn pensionering wegens een seksueel schandaal op non actief is gesteld, niet alleen orde in zijn leven wil brengen door een vaste dagelijkse routine, maar essentiëler dan dat streeft naar een leven van onthechting door innerlijke monologen met zijn alter ego Broeder Abt te houden: “Door zijn gedachten te formuleren, meende Monchín greep te krijgen op hetgeen leven betekende, waande hij dat hij even een moment van de kosmos vasthield.” (p. 10) Hij sluit zich min of meer af van de hectische eilandleven op zijn zolderkamer in Otrobanda, in het grote huis waaraan de titel van de roman ontleend is, maar de aarde trekt door Monchín’s hang naar financieel materialisme en zijn onverzadigbare seksuele behoeften, zijn ‘joodse bloed’ zoals Monchín het zelf noemt, die zijn streven naar onthechting doen mislukken en hem in onvoorziene omstandigheden en turbulente gebeurtenissen dompelen. Dat is overigens een kennelijk onoverkomelijke aan de menselijke natuur eigen hebbelijkheid waaraan ook andere romanfiguren lijden en door in de problemen komen. Monchín raakt verstrikt in de machinaties van de drugswereld, wat nog maar net goed afloopt, maar waaraan hij niet te ontkomen weet. Niets menselijks is Monchín vreemd, hoezeer hij ook droomt van een aan de al te menselijke beperkingen ontheven vergeestelijkt leven. De mens is niet in staat zich vrij te maken van zijn eigen en zelfs niet van de menselijke natuur in het algemeen.

Solidariteit
In de tweede roman, De prijs van de zee, is de wereld van de drugs eveneens, zij het veel minder prominent, op de achtergrond aanwezig. Net is in de eerste roman blijkt nieuwsgierigheid een gevaarlijke menselijke eigenschap en is onderlinge solidariteit en volstrekte zwijgzaamheid naar buiten toe, met volkomen overgave aan de aanvaarding van wat een mens overkomt een ideale levenshouding. ‘Een vis sterft omdat hij zijn bek opendoet’, is een van de leidmotieven in de roman.
De in zichzelf besloten geïsoleerde gemeenschap in het Bonaireaanse vissersgehucht Playa Frans vormt ondanks kleine onderlinge rivaliteiten een eenheid, maar ze wordt plotseling uiteengescheurd als twee van de vissers, Djin en zijn jongere broer Roy, een jonge Nederlandse vrouw Elise en haar zoontje uit zee opvissen, waardoor de rust verstoord en de solidariteit bedreigd wordt. Maar na een aantal onvoorzienbare verwikkelingen wordt de relatieve rust hersteld door het vertrek van de vrouw en haar zoontje. De Nederlandse vrouw overdenkt: “Deze mensen gaan met het noodlot om alsof het onvermijdelijk vanzelfsprekend is, inherent aan het dagelijks wakker worden en slapengaan. (…) Misschien is dat de natuur van de jager en de visser, mannen die doden om te leven en daarom het risico dat ieder mens of dier loopt, vanzelfsprekend vinden. Het is iedere dag een weddenschap: de beste wint, de ander verliest het leven.” (p. 169-170) De visserswijsheid vertolkt een gevoel van rechtvaardigheid: Wat de zee je geeft is van jou, maar wat je de zee ontneemt vraagt deze onherroepelijk ooit terug.

Zelfinzicht
De derde roman, Scott Zuyderling, genoemd naar de hoofdpersoon, brengt ons naar Nederland, waar een Curaçaose advocaat geconfronteerd wordt met zijn eigen studietijd maar ook met een verleden dat hij dacht definitief achter zich gelaten te hebben. Scott Zuyderling denkt van een rustige, financieel onafhankelijke levensavond te kunnen genieten, maar wordt mentaal compleet overhoop gehaald omdat de beoogde sollicitant-opvolger getrouwd blijkt te zijn met de homoseksuele zoon van hem zelf. Vervolgens leidt de plotselinge zelfdoding van de zoon van de beste vriend, Scott Zuyderling tot een ontmoeting met zijn ex-vrouw en andere belangrijke personen die hij dacht voorgoed uit zijn leven gebannen te hebben. Het verhaal bevat door middel van een familiegeschiedenis het verloop van een moeizaam proces van aanvaarding van hoe anderen hun leven hebben ingericht en een heroverweging van zowel het eigen verleden als de eigen resterende toekomst. ‘Ik ben een tijger (…) Ik heb nog vele ronden te gaan. De rest was flauwekul,” overweegt Scott Zuyderling, ondanks zijn intussen bereikte gevorderde leeftijd.

De verteller speelt in zijn verhalen met de dubbele betekenis van het woord leeftijd. Leeftijd is niet alleen het aantal jaren dat iemand geleefd heeft, maar vooral de tijd die de mens gegeven is om werkelijk en intens te leven. Leef je leven. In alle drie romans zijn de hoofdpersonen rustzoekers die plotseling in een heftige onvoorziene omstandigheid dat leven overhoop gehaald zien. De rustzoekers staan in alle drie romans op een kruispunt in hun leven. Hoe steken ze over? Komen ze ‘sadder and wiser’ uit de door het in hun leven ontstane plotselinge crisissituatie?
Monchín vervolgt in De engelenbron de door hem ingeslagen weg, gefixeerd op pik en piek. In De prijs van de zee trekt de jongste broer Roy de consequenties en verlaat het geïsoleerde vissersdorp omdat hij tot het inzicht is gekomen geen echte visser te zijn. De overigen weten dat ze in hun kleine gemeenschap niet meer dan halve ruzies kunnen maken en dat ze samen weer verder moeten, maar dat ze dat ook willen en kunnen. De gelederen sluiten zich weer, de rust is teruggekeerd.
Scott Zuyderling is in zijn confrontatie met het eigen verleden en vriendschapsbanden, maar vooral over een hernieuwde afweging van de betekenis van de familiegeschiedenis geestelijk gegroeid door op zijn gevorderde leeftijd gekoesterde vooroordelen op zij te zetten. Het slot van de eerste en derde roman stelt de lezer voor een verrassende paradox. Waar de nog wat jongere Monchín streefde naar vergeestelijking en onthechting – wat hem overigens niet lukte, zoals we zagen - verwelkomt Scott Zuyderling op zijn - hogere - leeftijd nog weer de uitdaging van een nieuwe relatie. Leef het leven tot het einde.
We hebben als lezers hun geschiedenis meebeleefd en ons er misschien zelfs wel in meerdere of mindere mate mee geïdentificeerd. Monchín meende ‘door zijn gedachten te formuleren, greep te krijgen op hetgeen leven betekende’. Schrijven, lezen en leven zijn voor schrijvers zowel als lezers onverbrekelijk met elkaar verbonden.

De romans van Erich Zielinski worden uitgegeven door In de Knipscheer in Haarlem.


[Antilliaans Dagblad, 16 januari 2012]

donderdag 21 juli 2011

De slechtste mens heeft nog iets goeds

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag Annel de Noré en Erich Zielinski.


door Jos de Roo

Hoe schrijvers in het Nederlandstalig Caribisch gebied tegen hun omgeving aankijken, weten we eigenlijk niet, omdat hun werk nauwelijks tot Nederland doordringt. Er is hier wel een uitgebreide migrantenliteratuur, maar daaruit komen we vooral te weten wat de migrant in Nederland ervaart. Twee nieuwe boeken uit het Caribisch gebied zelf laten zien dat schrijvers dáár heel andere oriëntatiepunten hebben.

De Surinaamse Annel de Noré bewijst met de bundel Het kind met de grijze ogen dat haar mooie debuutroman De bruine zeemeermin van vier jaar geleden geen toevalstreffer was. Haar verhalen kennen één opvallende constante: geen van de personages is wat hij lijkt te zijn. Slachtoffers worden daders en keiharde zakenlui veranderen in romantische kunstenaars. Mensen kennen hun ware aard niet, suggereert De Noré, want die begeeft zich tussen tegenpolen: ,,Er is zoveel goeds in de slechtste van ons en zoveel slechts in de beste van ons, dat geen van ons iets kan zeggen over één van ons.''

Een verklaring voor dit antipodisch gedrag is te vinden in het titelverhaal 'Het kind met de grijze ogen'. Daarin wordt verteld over de Indiaanse, mythologische figuur Amanna, symbool voor het leven dat telkens in een andere vorm doorgaat. Toen de Europeanen Zuid-Amerika veroverden, kreeg Amanna een kind van een conquistador en dat heeft ze bij hen achtergelaten. ,,Dit weeskind met onzuiver dubbel bloed werd alleen gelaten bij en tussen zijn bloedeigen vijanden. Maar hij was de eerste van een nieuw volk. Hij zat vol leven.'' Zo maakt De Noré duidelijk dat die mysterieuze spanning tussen tegengestelde polen Surinamers een vitale levenskracht verleent.

Die mengvorm van mythe en alledaagse realiteit tekent ook het verhaal 'De zwarte wolk'. Het speelt zich af tijdens de militaire dictatuur van Bouterse en begint bij een uit de hand gelopen arbeidsconflict, waarbij de sergeanten de macht grijpen. Al gauw krijgt het verhaal een mythologische dimensie. Dat de armoede niet verdwijnt, zou door de bosgeesten komen, die als zwarte wolken de hoofden van hebzuchtige types binnendringen. Pas tijdens een expeditie die bedoeld is om deze geesten uit te schakelen beseft Boss, de expeditieleider, dat het kwaad uit de expeditieleden zelf voortkomt.

Realistischer is De Engelenbron, het debuut van de 62-jarige Curaçaose advocaat Erich Zielinski. Met duidelijk plezier beschrijft hij het bruisende leven in de Curaçaose volksbuurt Otrobanda. Centrale figuur is Monchín, een voormalig motoragent, die ontslagen is omdat hij naakt uit een bordeel de straat opliep. Dat was op zichzelf niet zo erg, maar de kranten gingen erover schrijven, zodat het een politiek gevoelige zaak werd. De macho Monchín heeft groteske trekken die hem onvergetelijk maken. Zo heeft hij zijn motor verankerd op een cementen sokkel, elke maand start hij hem om denkbeeldige ritten op de stilstaande motor te maken. Zielinski's levendige debuut is ook een eerbetoon aan een volk dat zelf de handen uit de mouwen steekt om rond te komen, ook al gaat dat op een manier die de officiële wereld niet accepteert - bijvoorbeeld via de handel in drugs.

Kennelijk leeft bij deze twee Caribische schrijvers het besef dat goed en kwaad met elkaar zijn verbonden. Ze omarmen hun werkelijkheid, al zien ze de fouten van hun landgenoten ook. Ze wijzen niet met een beschuldigende vinger naar Nederland: die werkelijkheid speelt in hun verhalen geen rol.

[uit Trouw, 14-8-2004]

Foto's van Annel de Noré en Erich Zielinski: @ Michiel van Kempen

zondag 17 juli 2011

Herlezen: Barche Baromeo

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag E parto van Barche Baromeo.


De erfenis van Dertig Mei 1969; Een nieuw Curaçao?

door Wim Rutgers


Op 30 mei 1969 trokken grote groepen stakende arbeiders naar het centrum van Willemstad. Vijf jaar later trekken opnieuw een groot aantal mensen, dit keer in lange rijen toeterende auto's naar datzelfde centrum. De eerste tocht ontaardde in plundering en brandstichting; de tweede is ter viering van de geboorte van een baby. De eerste tocht was destructief; de tweede staat in het teken van de creativiteit. De eerste tocht was harde werkelijkheid; de tweede bestaat alleen maar in de fantasie van een auteur.

Barche Baromeo signeert E parto, Curaçao, november 2009
Foto © Michiel van Kempen

Wilfred Florencio (Barche) Baromeo begint zijn nieuwe roman E parto (de bevalling) met wat later wel genoemd is 'de onlusten van dertig mei', hij besluit met een uitgebreide beschrijving van de tweede, gefan¬taseerde, tocht. De verteller is niet geheel negatief over wat er op dertig mei 1969 gebeurde, want hij zegt dat het zaad dat in 1969 gezaaid werd nu eindelijk vrucht draagt. Dat is de eerste en de belangrijkste betekenis van de titel, de geboorte van een nieuwe tijd. Het verhaal begint dan ook op 5 mei, een dag die immers als bevrijdingsdag gevierd wordt.

Experimenteerschool
Tussen de realiteit van het begin en de fantasie aan het einde krijgt de lezer een ietwat ingewikkeld maar boeiend verhaal voorgeschoteld over een onderwijsteam dat in de armoedewijk Pasenshi een experimenteerschool start om daarmee de noodzakelijke onderwijsvernieuwing gestalte te geven. Verhaal en beschouwing, realiteit in de vorm van verwijzingen naar historische gebeurtenissen en personen, en pure fantasie wisselen elkaar af.
De in 1943 geboren Frèt Wilbar (wie herkent niet het anagram) is het centrale personage. Hij is niet alleen leraar, maar ook auteur, ook pop-artiest en een romantische dromer. Hij maakt een prachtige pop-art-collage van de gebeurtenissen en figuren rond dertig mei 1969. In zes stukken is hij bovendien de hoofdverteller van het verhaal, dat hij in het geheim in de kurá van Ma'a Lin geschreven heeft. Ze worden in de roman cursief afgedrukt.
Frèt heeft achtereenvolgens drie vriendinnen: de uit een relatief welgestelde wijk afkomstige Ada, de links-revolutionaire Ida alias Kitty Emmen, en de sociaal voelende Sindia die als het verhaal begint zeven maanden van hem in verwachting is - de letterlijke betekenis van de titel.
De leden van het onderwijsteam van de Skol di Pasenshi en diverse historische en eigentijdse politieke figuren vinden naast deze hoofdpersonages een plaats in het verhaalgeheel. Naast doktoor Da Costa Gomez, Amador Nita en Papa Godett wordt vooral Stanley Brown met nadruk naar voren gehaald. Maar er zijn er vele anderen - te veel om allemaal op te noemen.

Manuscriptfictie
Het onderwijsexperiment kent zijn successen en zijn dalen en in een van de laatste ziet Frèt het niet meer zitten en neemt zes maanden verlof. Sindia ontdekt in een oude koffer een kennelijk opzettelijk voor haar achtergelaten blauwe map, met daarin de verhalen, enkele gedichtjes en beschouwingen van Frèt. Sindia begint te lezen - en wij lezen met haar mee. De fragmenten worden afgewisseld door Sindia's reacties en een verteller die recente gebeurtenissen en het verhaalheden weergeeft. En ingewikkelde maar knappe constructie.

Historie
De Nederlandse auteur Harry Mulisch heeft eens gezegd dat er in een verhaal in feite vijf tijden een rol spelen. Dat zijn naast de vaak onderscheiden verteltijd en vertelde tijd, de tijd waarin de auteur leeft en schrijft, de tijd waarin de lezer het verhaal leest en de tijd die in het verhaal zelf beschreven wordt.

Erich Zielinski en Barche Baromeo, Curaçao, november 2009
Foto @ Michiel van Kempen
Zoals Frèt zijn collage van dertig mei 1969 maakte, zo is ook dit boek een kaleidoscoop, van beschreven gebeurtenissen geworden. Frèt Wilbar stopt zowel veel van de actualiteit rond dertig mei 1969 en de jaren daaraan voorafgaande en erop volgende, als historische gebeurtenissen en personen in zijn geschriften.



Wat is de rol van de geschiedenis? Dertig mei staat niet op zich, maar werd voorafgegaan door de slavenopstand van 1795 met Tula, de emancipatie van 1863 die geen mentale vrijwording voor de massa was, door de havenstakingen van 1922 met Feliz Chacuto, en de onderwijsstaking in de jaren zeventig voor een betere onderwijsinhoud en Papiamentu als voertaal. Sociale aspecten als het armoedige maar solidaire erfleven, de in achterstandwijken zoveel voorkomende tienerzwangerschap, armoede en achterstelling, politieke macht, willekeur en patronage, het zijn allemaal motieven die in het verhaal geweven zijn.

Een nieuwe mens
Zoals Pierre Lauffer indertijd van 'de nieuwe mens' sprak en schreef, zo wil ook Frèt Wilbar een nieuwe mens en een nieuwe maatschappij. Door de ritmiek van het verhaal wordt deze boodschap herhaaldelijk en nadrukkelijk geponeerd. Het onderwijsteam werkt er enthousiast aan, Sindia begint met de actie Mama Pasenshi om de ongewenste tienerzwangerschappen te lijf te gaan. De zelfmoord van het jonge schoolkind Chela leert ons dat de acties jammer genoeg te vaak mislukken.
De verhaalclimax vindt plaats met de officiële opening van de school in de bario Pasenshi, die voortaan - o ironie! - het Dr. Efraim Jonckheer College zal moeten gaan heten. Maar bij de onthulling van deze fraaie nieuwe naam gaat er iets mis... De lezer leze zelf!

Overeenkomst
Het einde van het verhaal met zijn hilarische beschrijvingen doet direct denken aan Dubbelspel. Dat Barche Baromeo in Frank Martinus Arion een voorbeeld gevonden heeft, blijkt eveneens uit de benadrukking van de creativiteit zoals Frank in Nobele wilden de verbeelding aan de macht wilde, uit de beschrijving van de CIA zoals in ander werk van Frank Martinus. Er zijn trouwens meer echo's te onderscheiden. De chaos bij de schoolopening doet mij direct denken aan Bea Vianen, die in Strafhok op vergelijkbare wijze een uit de hand gelopen rechtszitting beschrijft. Maar Baromeo zèlf zal ongetwijfeld aan een pop-art-voorstelling, een happening volgens de tijd van toen, gedacht hebben.

Barche Baromeo heeft met E parto een erudiet boek geschreven dat door zijn ironische stijl en door de ondergraving van zekerheden eveneens heel leesbaar is. In het middendeel worden de beschouwingen wel wat erg uitgebreid en dik aangezet in links radicale richting, maar daarna trekt de auteur het verhaal gelukkig weer vlot.
Barche Baromeo geeft op een tot nu toe in de Papiamentse literatuur ongekende stijl en compositie een beeld - zijn beeld - van dertig mei 1969 en de jaren direct daarna. Het boek is een toren als het met ander recent verschenen werk vergeleken wordt.
Blijft de vraag wat Curaçao met de ontdekte creativiteit moet gaan doen èn de vraag waarom die zo gewenste creativiteit de twee decennia die er sinds 1974 inmiddels ruim verlopen zijn, zo weinig heeft uitgericht. Maar daarvoor hoeft een schrijver zich niet verantwoordelijk te voelen, daarvoor hebben we immers politici. Ze krijgen er van Frèt ongenadig van langs omdat ze het onderwijsexperiment van Skol di Pasenshi afbreken in plaats van helpen op te bouwen èn omdat ze uitsluitend op macht en stemmen uit lijken.

Aan het einde van het verhaal wordt Frèt Wilbar een contract aangeboden, onder meer om E parto in andere talen te vertalen. Dat zou inderdaad geen gek idee zijn.

Barche Baromeo: E parto
Imprenta Intergrafia n.v.
Curaçao 1996
300 pagina's
ISBN 99904 0 185 3

dinsdag 28 juni 2011

Emansipashon di Literatura Hubenil na Kòrsou

Tesina pa Estudio Master Idioma Papiamentu

Skirbí pa: Diana Lebacs


Diana Lebacs, MA in Papiamentu Literatuur, 2011

[Onlangs studeerden op Curaçao de eerste Masters-studenten af in Literatuur. De redactie van CU heeft hun verzocht samenvattingen van hun afstudeerscripties hier te publiceren. Jeroen Heuvel beet het spits af. Hieronder een samenvatting van de scriptie van Diana Lebacs over jeugdliteratuur, een Nederlandstalige samenvatting volgt nog.]

Asesor: Prof. Dr. Wim Rutgers

Mi tesina tin komo título Emansipashon di literatura hubenil Papiamentu na Kòrsou. Mi no a pone literatura hubenil na Papiamentu, pa evitá dos be uzo di ‘na’. Esaki tin mas tantu di aber ku estilo. Mi ke para ketu awor na mi eskoho pa e terminologia literatura hubenil. Den vários buki i artíkulo tokante literatura mi a topa preferensia pa e palabra ‘mucha’. Na Hulandes bo ta topa e terminologianan kinderliteratuur, jeugdliteratuur i awendia adolescentenliteratuur, referiendo na kada grupo meta. Promé ku mi a lesa e motivashon di Rita Ghesquière pa uzo di sierto terminoligia, ya pa mi mes mi tabatin poko duda pa mi uza e terminologia literatura di mucha i buki di mucha. Komo ku e área akí ta unu relativamentu nobo na Kòrsou i komo tal no a publiká muchu estudio di propio suela tokante e tópiko akí, mi tabatin miedu ku e palabra mucha lo restringí mi den mi análisis históriko-deskriptivo i ku konsekuentemente lo mi ta haña mi ta laga sierto buki afó.

Afortunadamente kapítulo 1 di e buki Jeugdliteratuur in perspectief di Rita Ghesquière (2009) a saka mi for di mi duda i mi dilema. Den e kapítulo al respekto e outor ta trese dilanti ku hopi biá ta brua e tres terminologianan den otro. E ta bisa ku literatura hubenil no solamente ta e terminologia mas komun, i ku e tin un nifikashon mas general ku literatura di mucha òf literatura di adolesente. Ta uza e terminologia literatura hubenil komo terminologia sentralisadó i koordinadó pa tantu literatura di mucha komo literatura di adolesente. Mi no por tabata mas felis!

Mas aleu Ghesquière ta bisa ku, den sentido mas spesífiko, hubentut (jeugd) ta referí na e fase di edat entre infansia i adulto. Literatura di mucha i literatura di adolesente semper tin un nifikashon spesífiko, segun Ghesquière. E promé ta referí na buki i teksto pa mucha for di edat di chikitin te mas o ménos edat di 11 pa 12 aña, esta pubertat. Literatura di adolesente ta referí na buki pa edat 15 aña ariba. A base di loke teoria ta bisa, ami a opta pa e terminologia general den mi tesina: literatura hubenil.

E tesina akí ta un análisis históriko-deskriptivo. Punto di salida ta pa mi investigá kon literatura hubenil a originá i kon e fenómeno akí a desaroyá den transkurso di tempu, i kon su situashon ta aktualmente na Kòrsou. E noshon ‘situashon’ ta poko amplio, pues mi ta dirigí mi riba e pregunta si mucha gusta e ofresimentu na buki hubenil na Papiamentu ku aktualmente tin den skolnan. Komo punto di salida di e situashon mi mester a bai bèk te den tempu di nos antepasadonan i, for di ei, kana e kaminda pa mi yega te dia djawe. E buki Kadans, Literatuurgeschiedenis tabata un fuente di informashon valioso pa mi koba den Historia di literatura i skirbimentu tokante historia di literatura for di un perspektiva amplio, pero ku enfoke riba nos region Karibe i Kòrsou.
Loke tabata un wes’i lomba di kita sombré tabata e liña di periodonan den e buki ku ta duna un bista global di e diferente periodonan di kultura i literatura, den un konteksto kultural-históriko i tambe den un konteksto literario. E tabata un bon stándart pa mi liña di tesina.

Den mi Introdukshon mi ta deskribí kon mi a eksperensiá e situashon kultural-literario medio añanan sesenta, na kaminda pa bira maestra di skol básiko. E búskeda den e tempu ei ta pone ku mi ta bai bèk den literatura di nos antepasadonan komo punto di salida. Ei mi ta inventarisá e herensia oral ku nan a laga atras den forma di dicho i proverbio, kantika i kuenta oral, a base di material dokumentá. Mi ta terminá e Introdukshon ku un reflekshon, loke mi ta hasi na fin di kada kapítulo te ku kapítulo 5. Despues di kapítulo 5 ta bini e investigashon i su resultado.

Den kapítulo 2 mi ta trata literatura di fondo relashoná ku mi pregunta di investigashon Kiko ta situashon di literatura hubenil na Kòrsou i di ki forma por optimalisá e situashon akí? Mi ta duna un bista breve di e teoria di historia di literatura i di skirbimentu di historia di literatura, pa mi hinka kontenido di kapítulo 2 den e bon konteksto. Aki tambe mi ta terminá ku un reflekshon.

Kapítulo 3 ta trata e diferente instansianan ku ta saka buki na Papiamentu na Kòrsou. Tres biá e frase ‘Eksistente, pero invisibel’ ta bini dilanti: promé biá den kapítulo2, parágrafo 2.2.2, di dos biá den kapítulo 3, parágrafo 3.1 i por último den kapítulo 5, parágrafo 5.2. Esaki, pa enfatisá e búskeda komo un liña kòrá den e tesina.

Kapítulo 4 ta titulá Kriterio pa balorá buki hubenil. Mi ta elaborá promé riba Historia di literatura hubenil na Europa i e manera ku ta balor’é pa mi tin un kuadro di referensia. Mi ta menshoná e kriterionan literario pa balorá buki segun e argumentonan di Mooij (1979) i Christine Kemmeren (2006).

Den kapítulo 5 mi ta hiba e tesina mas tantu den un direkshon didáktiko, pa mi por yega mas serka di e kontesta riba mi pregunta di investigashon. Pa haña un bista riba situashon di literatura hubenil, mester bai studia e situashon kaminda tin mucha i kaminda tin buki: esei ta na skol. E búskeda ta hibami riba e kaminda di e inovashon radikal ku a tuma lugá den enseñansa na Kòrsou for di aña 2000.
Pa mi splika mi investigashon i tambe e motibu di mi investigashon mi ta duna un deskripshon teóriko di Enseñansa di Fundeshi. Esaki mi ta hasi mediante e Freim di kuríkulo ku gobièrnu a laga desaroyá komo kuríkulo inovativo. Mi tin ku kue a kaminda akí pa mi por yega na e kontesta riba e di dos parti di mi di investigashon ku ta: ......i di ki forma por optimalisá e situashon akí? E kontesta ta pa motivá maestronan den vèlt pero tambe studiantenan (ku ta futuro maestronan) di estudio LOFO (Leraren Opleiding Funderend Onderwijs) ku a start na UNA na aña 2006 pa nan profundisá nan mes i hasi nan mes kompetente den área di edukashon Idioma Literashon i Komunikashon (ILK) ku e dos aktividatnan di lesa Sírkulo literario i Kansrijke taal.

Kapítulo 6 ta deskribí ki método di investigashon a uza, e ta duna un responsabilisashon di e método di investigashon a base di teoria i e ta terminá dunando e resultado, ku alabes ta indiká kon ta pará ku e situashon di literatura hubenil na Kòrsou.

Potrèt @ Michiel van Kempen

Kapítulo 7 ta último kapítulo dje tesina akí. Aki mi ta bini ku un resúmen kòrtiku, un konklushon i algun rekomendashon pa optimalisá e situashon enkontrá. E tesina ta sera ku un bibliografia.

Mi búskeda den e tesina akí pa, mediante un análisis históriko-deskriptivo di literatura hubenil na Papiamentu na Kòrsou mi haña bista riba situashon di literatura hubenil na Kòrsou i wak di ki forma por optimalisá e situashon akí, a habri e siguiente panorama:

En general por bisa ku e proverbio i kantikanan dje dushi tempu bieu ta mas bien edukativo, nan por duna un moral, i vários di nan tambe ta pa duna pleizí. A duna un inventarisashon di e proverbio i kantikanan den e tesina akí kaminda e aksento ta kai riba mucha, pa ilustrá ki kaminda largu, pero signifikante emansipashon di literatura hubenil na Kòrsou a kana. Kiko tabata e forsa ku a pusha e desaroyo akí, i ken ta e personanan ku a piki e antorcha di e vlam di buki hubenil i kore kuné te dia djawe.

Ta importante ku a repasá e diferente ekspreshonnan ku ta forma parti di literatura oral di Kòrsou, pa motibu ku nan tabata fuente di inspirashon pa outornan ku a kuminsá skirbi i publiká nan obranan literarario despues di 30 di mei 1969. E fecha akí a habri un era nobo di konsientisashon i motivashon riba tereno sosial-kultural-literario i artístiko den sentido amplio di palabra. Por mir’é komo un siguiente etapa di emansipashon despues di 1 di yüli 1863, i 15 di desèmber 1954 i ku lo sigui haña mas empuhe despues di 10 di òktober 2010. Elemento i ingredientenan di literatura oral di Kòrsou a haña nan lugá den e obranan original dje outornan ku a kuminsá skirbi despues di trinta di mei 1969, komo símbolo i ekspreshon di un pueblo nobo i hóben, en buska di su propio identidat i kultura na Papiamentu.

Un bista den algun libreria na Kòrsou na 2011, por sierto den un libreria mas ku e otro, ta mustra kuantu buki hubenil, skirbí na Papiamentu, tin awendia na disposishon di hubentut i pa kasi tur edat. Un chekeo na skolnan di Fundeshi i skolnan pa Formashon Básiko, igual. E pregunta ta si e bukinan na Papiamentu tin nan lugá i funshon den e skolnan.

Remarkabel ta, ku ki ora un entidat òf persona bini ku un inisiativa pa lanta un editorial di buki hubenil, ta duna komo motivashon ku no tin sufisiente buki pa mucha. En bèrdat ta asina ku, kompará ku e kantidat di título ku editorialnan na, por ehèmpel, Hulanda ta saka pa aña, e kantidat na Kòrsou ta limitá. Pero mester tene na kuenta tambe ku ainda no tin masha hopi outor riba e isla ku ta skirbi pa mucha. Komo tal, e kantidat limitá di outornan lo no por produsí obranan original masalmente tras di otro.


Potrèt @ Michiel van Kempen

Mester tene kuenta tambe ku e hecho ku e editorialnan djafó ta komersial-profeshonal. Nan merkado ta grandi i e demanda tambe. Meskos ta konta pa e kantidat di outornan afó ku ta entregá manuskrito. Pa dia un editorial Europeo por risibí mas ku shen manuskrito.
Mirando e sirkunstanshanan spesífiko na Kòrsou i poniendo tur kos den nan konteksto históriko i evolushonario, por konstatá ku eskritornan di buki hubenil na Kòrsou ta demonstrá ku nan ta konsiente ku idioma ta un bon instrumento pa desaroyá literatura propio. E ta nesario pa bo yega na un fase den kua por papia di literatura hubenil na Kòrsou. Un kondishon ta ku nos outornan mester ofresé material nobo kontinuamente pa asina hasi e kolekshon mas i mas riku na buki.


Diana Lebacs, Karin Amatmoekrim i Erich Zielinski; potrèt @ Bert Nienhuis

Kambionan den komunidat mundial a kambia e bista ku tabata eksistí riba literatura hubenil i konsekuentemente a produsí otro tipo di buki ku a kondusí na emansipashon di literatura hubenil na e kontinente di Europa. Kapítulo 2 di e tesina akí ta mustra ku kambionan den komunidat di Kòrsou durante e diferente épokanan tambe a kondusí na desaroyo di literatura hubenil riba e isla.

Rita Ghesquière, outor di Jeugdliteratuur in Perspectief (2009) ta bisa ku ‘ta importante ku ta papia ku mucha tokante kontenido di e buki’. E pensamentu akí por bin hunga un ròl importante den loke ta suponé di tuma lugá den inovashon di enseñansa na Kòrsou relashoná ku lesamentu.