![]() |
| Monument voor Baba en Mai, Paramaribo. Foto @ Adri Vollenhouw |
Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
dinsdag 30 juli 2013
Massamoord Mariënburg 111 jaar geleden
maandag 6 augustus 2012
Leo Ferrier
Portret van de Surinaamse schrijver Leo Ferrier, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 145 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten
zaterdag 6 augustus 2011
Atman
Meester Ferrier was anders. Een jonge onderwijzer, maar als meisje van tien zag ik dat niet. Hij was voor mij bijzonder omdat hij op een andere manier lesgaf. Eens per week vertelde hij. Hij las niet voor, nee hij vertelde de verhalen van Anansi uit zijn hoofd. En daarbij zat hij niet stil op zijn stoel, we kregen een complete theatervoorstelling te zien.
Nu weet ik dat meester Ferrier (‘Hoe spreek ik die naam uit meester? A
ls Ferjé of als Ferrier?’ Het mocht allebei.) mij aangezet heeft tot nadenken. Zomaar nadenken. Niet omdat er een probleem is, maar omdat denken leuk is. Drie woorden, maak daar een verhaal van. Of stel een vraag over wat je altijd al wilde weten. Waarom is het water in de rivier zoet en in de zee zout, meester?
Ik zit op het vliegveld te wachten tot de gele deur open gaat. Mijn cd van Kenny B. heb ik al een keer afgeluisterd. Nog een rondje maken? Vooruit dan maar. In de hoek is een kiosk met boeken en tijdschriften. Ik slenter erheen, zo weinig te doen en zoveel tijd om stuk te slaan. Niet echt geïnteresseerd kijk ik naar de uitstalling van boeken voor het raam. Leo Henri Ferrier, de naam staat in schuine letters gedrukt op de pocket. Mijn meester van toen.
Zou hij nog leven? Hoe is het hem vergaan terwijl ik langzaamaan volwassen werd? Was hij werkelijk zoals ik dacht? En dan kom ik er achter dat ik hem net gemist heb. Tot op heden verbonden aan de Stichting Surinaams Museum, lees ik op de achterflap. Het museum waar ik voor heb gestaan, deze zelfde dag nog. We gingen niet naar binnen, de rondleiding was net afgelopen, zo vertelde de suppoost. Ik kan niet meer terug, de vlucht is geboekt en ik word thuis verwacht.
In het boek lees ik over zijn zoektocht. Na de PABO studeerde hij muziek, hoofdvak piano. Belangstelling voor letteren, filosofie en sociologie. Nu weet ik waarom hij mij aanzette tot denken. Niet omdat hij een probleem zag, maar omdat hij denken leuk vond. Van drie woorden kon hij een verhaal maken. Hij wilde altijd weten. En hij had een eigen mening.
Het boek is geschreven in 1968 en in 1996 heeft Ferrier zelf een nawoord geschreven. Suriname is in rustig vaarwater gekomen, al zijn de krassen van de decembermoorden en de binnenlandse oorlog nog diep. Hij schrijft over de stakingen van de beginjaren ’70, de opstand tegen de overheid die werd geleid door een jonge generatie van intellectuelen die vrijwel allen hadden gestudeerd in Nederland.
In die tijd woonde ik in Wageningen, Nederland en ik kwam regelmatig in de Surinaamse sociëteit. De jongens daar (het waren voor het merendeel jongens) hadden grootse plannen met Suriname. Ze waren, net zoals Ferrier beschrijft, op de eerste plaats Surinamer. En, hoe revolutionair de plannen ook mochten zijn, ze hadden tegelijkertijd een grote hang naar de traditionele Surinaamse cultuur. Zodra ze de studie af hadden zouden ze teruggaan, om daar samen een betere wereld te maken.
Ferrier ziet in de hedendaagse kunst het bewijs van zijn stelling dat in Suriname, ondanks alle onderlinge strijd, de mensen op een goede manier samenleven. Ze hebben belangstelling voor elkaar, erkennen elkaars manier van leven en hebben een gezamenlijke Surinaamse identiteit.
Verder op zoek ga ik, als ik thuis ben. Misschien kan ik hem een brief schrijven, hem vertellen dat ik door de jaren heen vaak heb teruggedacht aan de vierde klas van de lagere school. Het jaar waarin hij me leerde denken, mijn leven een zetje in de goede richting gaf. Maar dan lees ik, het is haast terloops vermeld, dat Ferrier in 2006 is overleden. Te laat? Heb ik hem definitief gemist?
Nee. Zijn boek is er nog. Voorin staat het geschreven.
Atman:
Adem, Bewustzijn, het Zelf, de Wereldwet duidt
subjectieve, innerlijke leven aan;
Kennis van Atman leidt tot Onsterfelijkheid.
[Dit artikel verscheen eerder als blog van de Volkskrant]
maandag 4 juli 2011
Herlezen: Leo Ferrier
door Michiel van Kempen
Het zal een jaar of zeven geleden geweest zijn, dat de telefoon ging,
en een stem doorkwam met die typische tijdsinterval van een volle seconde waarop een gesprek van de andere zijde van de oceaan doorkomt. Het was Leo Ferrier (foto rechts). Hij vertelde dat het goed met hem ging en dat hij weer aan het schrijven was. Of hij me wat mocht toesturen ter beoordeling. Hoe zou ik het hem hebben kunnen weigeren? Leo Ferrier had enkele van de mooiste bladzijden uit de moderne Surinaamse literatuur geschreven, daarna was het jaren stil geworden rond hem, maar je hoopte nog altijd dat die enorme creatieve kracht sluimerend was gebleven en in betere tijden tot een nieuw prachtboek zou kunnen leiden, dat, wie weet, weer op hetzelfde niveau lag als Átman. Met dat verbijsterende boek uit 1968 had Leo Ferrier in één klap het Surinaamse proza de moderniteit in gesleurd. Hoe goed en met hoeveel toewijding sommigen vóór hem ook hadden geschreven: ze zaten toch nog met huid en haar vast aan de koloniale tijd. Leo Ferrier zette een andere Surinamer neer: zelfbewust, brutaal, toekomstgericht, maar tegelijk ook vol van de twijfels en de ambiguïteit die elk mens kent die geboren is op het kruispunt van culturen en een breekpunt van de tijd.
Nu ik na het verbijsterende bericht dat hij er niet meer is, de bladzijden van Átman herlees, valt me het nerveuze ritme van zijn zinnen op, die vele korte, soms bijna staccato frasen, die dan weer worden afgewisseld met langere, rustige zinnen vol met prachtige beelden. Ik geloof dat ik niet eerder gezien heb hoe die combinatie van staccato en adagio stilistisch de zuiverst uitdrukking was van een tijd waarin de slagader van de verwachting klopte in een genetisch complex lichaam dat nog niet exact wist welke richting te kiezen.Met Átman schreef Leo Ferrier een absoluut boek, hij was een absoluut kunstenaar die geen genoegen nam met de gulden middenweg, en iemand die zo absoluut leeft voor wat hij doet, kan ook door zijn eigen kunst worden opgevreten. Edgar Cairo was ook zo iemand, en Astrid Roemer: zoekers naar het Ware. Bij Leo Ferrier bleek dat ook uit zijn tweede boek, waarin hij niet de harmonie maar de verwarring thematiseerde. El sisilobi of het basisonderzoek is een ver doorgevoerd vormexperiment, waarin het lijkt alsof Leo Ferrier zichzelf bewust was geworden dat het idealisme van Átman te ver was doorgedreven, dat zijn debuutroman toch niet helemaal zuiver weergaf wat er allemaal in zijn eigen, roerige ziel leefde: de scepsis, de ironie, het cynisme had hij uit zijn eerste boek geweerd. El sisilobi is misschien niet het meest leesbare boek uit de Surinaamse literatuur geworden, maar verbeeldt ongetwijfeld ook een wezenlijk aspect van de Surinaamse ziel.
Toen Átman zijn derde druk beleefde in 1996, schreef Leo Ferrier er een nieuw nawoord bij. Ik vraag me af vanuit welke gemoedsgesteldheid hij dat schreef. Hij gaat terug tot het jaar 1968 en overziet hoe het gegaan is met Suriname: de togetherness van de Surinaamse gemeenschap, de ‘intense vorm van uniteit’, de schoonheid van het land die ‘hartstochtelijk bezongen’ wordt, de muziek die ‘onvoorstelbaar goed’ is, de nieuwe films waarin dat allemaal ‘geniaal aan de orde gesteld wordt’, alle activiteiten die ‘door iedereen druk bezocht worden’ – hij schalt het allemaal zo hard uit, dat het pijn gaat doen aan de oren. Het nawoord ontbeert precies dat wat zijn twee romans zo bijzonder maakt: authenticiteit.Ik legde de hoorn neer en vroeg me af of er in die ene oceanische seconde misschien nog een geluid van de overzijde was gekomen, of ik misschien net te vroeg de hoorn had neergelegd. En of het verstandig was geweest om zo’n absoluut schrijver, die de afgrond van de kunst had doorwaad, aan te moedigen tot nieuw werk. Hoe dan ook, van een nieuwe roman heb ik nooit meer iets gezien.
[verschenen in Oso, 2006, nr. 2]


