Posts tonen met het label Kesteren Karel van. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kesteren Karel van. Alle posts tonen

dinsdag 27 december 2011

Geld ontwikkelingssamenwerking beter besteden

Persoonlijk relaas van ontwikkelingssamenwerker

door Jeroen Heuvel

Veel geld dat bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking gaat verloren, het gaat wereldwijd om miljarden euro’s. Karel van Kesteren legt in zijn boek Verloren in wanorde uit waar het fout gaat en hoe het beter kan. Van Kesteren (1948) is in dienst van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken en hij vervulde functies in Nederland, Colombia, Nicaragua, Spanje, Tanzania en Bulgarije.
Van Kesteren: “De inhoud van dit boek komt geheel voor mijn persoonlijke rekening. Hier en daar bevat het stevige kritiek op de gangbare praktijk van ontwikkelingssamenwerking (OS). Niet in de eerste plaats op die van Nederland, maar veel meer op de praktijk van alle hulpgevende instanties gezamenlijk. Ik betoog dat die gebrekkig in elkaar zit, dat de totale hoeveelheid ontwikkelingsgeld in de wereld niet op de beste manier wordt besteed. Je kunt ook zeggen dat er een deel verloren gaat. ‘Verloren in wanorde’. In de Nederlandse discussie over ontwikkelingshulp wordt aan diverse kanten betoogd dat het bedrag dat Nederland aan OS besteedt, nu 0,8 procent van het bruto nationaal product, omlaag moet. Al hier in dit voorwoord onderstreep ik dat dit boek op geen enkele wijze bedoeld is als een ondersteuning van dat soort pleidooien. De noden in veel delen van de wereld zijn enorm en hulp van buiten kan een heel welkome aanvulling zijn op de eigen middelen daar. Het is ook normaal en een teken van beschaving dat welgestelde mensen bijdragen aan de verbetering van de levenssituatie van minderbedeelden.”



Waarom staat Nederland in het rijtje van landen waar de auteur functies heeft vervuld? Omdat het referentiekader van de auteur zijn land is. Dat komt mooi ter sprake in het volgende fragment. Koningin Juliana kreeg in 1978, ter gelegenheid van haar 30-jarig ambtsjubileum een nationaal geschenk, bestaande uit een som geld van het volk. “Volgens de wens van de koningin moest dat geld worden ingezet voor lotsverbetering van kinderen in de Derde Wereld. Een groep mensen had het plan ontwikkeld om in het district Kaya in Burkina Faso de polio te gaan uitroeien. Daarbij zou dan een nieuw antipolioserum worden gebruikt dat kort daarvoor was ontwikkeld in het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid te Bilthoven. Het plan was om met een team van vliegende dokters alle kinderen in het hele district in te enten en hen zo van de gevreesde ziekte te redden. Dit plan werd besproken in een vergadering van het comité van alle betrokkenen, waarin naast de initiatiefnemers van het plan ook een wat oudere arts zitting had die jarenlang in ontwikkelingslanden had gewerkt. (…) ‘Je kunt wel beweren dat je veel kinderen redt,’ zo betoogde de arts, ‘maar je let helemaal niet op de negatieve effecten van je plan. Je komt daar met een vliegtuig en allemaal prachtige spullen, je vaccineert de kinderen en tegen de tijd dat je de bevolking achterlaat in de stofwolk van het opstijgende vliegtuig, is het personeel van de lokale gezondheidszorg helemaal gedemoraliseerd, omdat ze nog scherper beseffen hoe gebrekkig ze zijn toegerust en hoe schamel hun werkomstandigheden zijn. Het plan draagt dus helemaal niet bij, nee integendeel, doet afbreuk aan waar het echt om zou moeten gaan, namelijk het opbouwen van een lokaal gezondheidszorgstelsel dat in alle opzichten de capaciteit heeft om zelf de bevolking te bedienen. Als je een goed gezondheidssysteem wilt opbouwen in een ontwikkelingsland, zul je eerst nog heel wat kinderen dood moeten laten gaan!’ riep hij in het vuur van het debat uit.” (pp 19-20) Snel resultaat willen hebben is wat de donorlanden willen, politiek kunnen scoren, het ontvangende land willen helpen in een ontwikkeling om zelf de problemen de baas te kunnen is een langzaam traject, dat langer duurt dan de vier of zes jaar tussen twee verkiezingen in.

Door het referentiekader van Karel van Kesteren, durft hij in zijn boek niet de vraag te stellen wat het ontvangende land zelf wil, waar het aan toe is in de ontwikkelingsfase van dat land. Een land is als een kind, het wordt geboren en heeft dan andere behoeftes dan wanneer het een peuter is, een kind, een puber, een adolescent, een volwassene, en zo voort. Hij durft niet de geestelijke realiteit te onderzoeken van ieder volk en de cyclus van groei en verval van landen onder de loep te nemen. Hij wijst wel op de valkuilen van corrupte politici, ambtenaren, beleidsmakers in zowel het donorland als in het ontvangende land.
“De instellingen in Colombia waarmee wij werkten hadden in uiteenlopende mate last van deze politiek geïnspireerde personeelswisselingen. Het ergste was het in de streek Chocó, een slecht toegankelijk gebied aan de kust van de Stille Oceaan, bewoond door afstammelingen van slaven die daar in de 19de eeuw terecht waren gekomen om in de rivier Atrato naar goud te zoeken. Beweerd werd dat die slaven waren aangevoerd door Nederlandse handelaren, zodat de financiering van het ontwikkelingsproject voor de streek met wat goede wil nog als een soort herstelbetaling kon worden geïnterpreteerd. Vanwege de greep van de politici op de regionale ontwikkelingsmaatschappij ging de Nederlandse projectleiding er toe over het project daar meer en meer los van te maken, door onderdelen ervan, bijvoorbeeld de rijstverbouw en de rijstverwerking, in afzonderlijke, nieuwe organisaties onder te brengen, vaak coöperaties van de boeren. De bewoners van de streek werden zo steeds minder afhankelijk van de plaatselijke overheid en dus ook van de plaatselijke politici. Zij vonden het daarom ook niet meer nodig om bij de verkiezingen op die politici te gaan stemmen. Op die manier werd het project een directe bedreiging voor de positie van degenen die het sinds jaar en dag in de streek voor het zeggen hadden gehad – ook ten voordele van hun eigen portemonnee. Op zeker moment kwam het zover dat er op de Nederlandse projectleider werd geschoten.

Conflicten had betrokkene al veel langer, hij – en wij op de ambassade – waren ons er terdege van bewust dat er bij het veranderen van machtsverhoudingen ten gunste van de armen ook verliezers zijn, namelijk de gevestigde elite. En die geeft zich niet zomaar gewonnen. Het motto van de projectleider was dan ook, naar analogie van dat van Rinus Michels, ‘ontwikkelingssamenwerking is oorlog’. Zo letterlijk hadden we het echter niet voorzien. Er zat toen weinig anders op dan hem, tot zijn eigen grote ongenoegen, terug te trekken en te vervangen door een wat minder uitgesproken persoon.” (p 35).
Aan het eind van het meer dan 200 bladzijden tellende boek komt het laatste hoofdstuk. “Het tekortschieten van de organisatie van de hulpverlening is geen nieuwe ontdekking. Er is van veel kanten al op gewezen. In een recent OESO-rapport bijvoorbeeld staat: ‘In een situatie als deze zijn overlappingen onvermijdelijk – net als inspanningen die elkaar tegenspreken of elkaar opheffen. Essentiële middelen worden aldus inefficiënt besteed, en de resultaten die ze opleveren zijn minder dan verwacht zou kunnen worden.’ (…) Precies valt dat verliespercentage niet te berekenen, maar als we het op een getal ergens in het midden houden komen we erop uit dat in de huidige hulppraktijk een derde van het ontwikkelingsgeld verloren gaat. Let wel: dat zijn dan extra verliezen, bovenop de verliezen die in zo’n moeilijke bedrijfstak als ontwikkelingssamenwerking toch al bijna altijd optreden; vermijdbare verliezen dus.’’ (pp 197-198).

Wie betaalt, bepaalt niet
Op de kaft van het door het Koninklijk Instituut voor de Tropen uitgegeven boek staat een foto van een deel van een elektriciteitsmast waar een heleboel draden aan zijn vastgemaakt, zoveel draden dat het een warboel lijkt. Ik denk dat ook hierbij geldt: wat is het referentiekader van degene die het ziet? Iemand die stroom of telefoon krijgt uit deze kluwen zal blijer zijn dan iemand die liever de modernste draden onder de grond ziet. Misschien moet er anders gedacht worden over OS, moet de prijs voor cacao, bananen, rietsuiker, koffie en thee veel hoger worden (dat wil niet zeggen dat de consument er meer voor moet betalen, maar het kan zijn dat donorlanden een eerlijke prijs er voor geven). Van Kesteren geeft ook mogelijke oplossingen. “Een eerste broodnodige verbetering is een veel betere werkverdeling tussen donoren: binnen ontwikkelingslanden, naar sectoren, zoals door de Verklaring van Parijs voorzien, maar ook naar landen. (…) Een tweede verbetering is het aanbrengen van veel meer langetermijnperspectief in het bilaterale OS-beleid van donorlanden. (…) Een langetermijnperspectief wordt nog gemakkelijker als we – en dat is mijn derde verbetervoorstel – ons beleid beperken tot financiering. Het ontvangende land moet zelf de bestemming van het geld kunnen bepalen. Niet onbeperkt natuurlijk, maar op basis van een ontwikkelingsplan dat ook voor de donoren aanvaardbaar is. (…) Vierde verbetervoorstel: ervan uitgaande dat het ontvangende land zelf de bestemming van het hulpgeld moet kunnen bepalen, moeten donorlanden niet langer willen vastleggen dat er van hun OS-begrotingen een bepaald percentage of een vast bedrag naar bijvoorbeeld onderwijs of energie of tropische bossen gaat. (…) Een laatste aanbeveling is dat donorlanden in hun ambtelijke organisaties, in Nederland het ministerie van Buitenlandse Zaken, landen centraal stellen en niet thema’s. Landen die de capaciteit moeten krijgen om zelf de problemen rond kindersterfte, drinkwatervoorziening, energievoorziening en klimaatverandering te kunnen aanpakken.
De auteur wil de keuze leggen waar ze hoort, bij de ontvangende landen, want “waar het uiteindelijk om gaat is het tot stand komen van behoorlijk functionerende staten, met weerbare maatschappijen. Samenlevingen die hun eigen kost kunnen verdienen en zelf hun problemen kunnen aanpakken.” (p 209). De adder onder het gras blijft wie bepaalt wat behoorlijk functionerende staten inhoudt, wat weerbaar betekent en wat het referentiekader is van degene die het voor het zeggen heeft bij het hun problemen kunnen aanpakken.

Karel van Kesteren, Verloren in wanorde. Dertig jaar ontwikkelingssamenwerking, een persoonlijk relaas. 2010 ISBN 978 60 2209 82. Paperback, 216 pagina’s. KIT Publishers.

vrijdag 14 januari 2011

Ontwikkelingshulp in 2 uur en 53 minuten

door Marieke Dijkman

‘100 miljoen Opel Corsa’s. Om die te kopen heb je net zo veel geld nodig als het bedrag dat het Westen sinds de Tweede Wereldoorlog in totaal heeft uitgegeven aan ontwikkelingshulp: 2,3 biljoen dollar. In cijfers: 2.300.000.000.000.'

'Met dat geld kun je ook vierhonderd Betuwelijnen aanleggen of gedurende 10 miljoen jaar het salaris van de Nederlandse premier betalen’, met deze heldere woorden verwelkomt Tobias Reijngoud de lezer.

Ontwikkelingshulp. Het blijft voortdurend een actueel onderwerp, waarvoor veel aandacht is in politiek en media. Op 17 juni 2009 riepen een aantal prominente Nederlanders in een open brief in Trouw nog op tot een ander debat over ontwikkelingssamenwerking. Ze ergerden zich eraan dat de discussie in Nederland zich toespitst op kritiek en op bezuinigingen op het hulpbudget. Niet alleen prominente Nederlanders winden zich op, vrijwel iedereen heeft wel een mening over de zin of onzin van hulp.


Hulp

Er zijn maar weinig onderwerpen die zo veel emotie opwekken als de ‘eenvoudige’ vraag of hulp eigenlijk wel helpt. De geschiedenis van de hulp is bezaaid met zowel mislukkingen als successen. Er zijn goede argumenten vóór hulp en er zijn goede argumenten tegen.


Discussiepunten op een rijtje

Na antwoord te hebben gegeven op de vraag wat ontwikkelingshulp nu eigenlijk is, zet Reijngoud de argumenten van voor- en tegenstanders over de acht belangrijkste discussiepunten op een rijtje: wat gebeurt er nu eigenlijk precies met het hulpbudget? Komt het geld daadwerkelijk terecht bij arme mensen, of verdwijnt het grotendeels in de diepe zakken van corrupte leiders? Helpt hulp arme landen om op eigen benen te staan, of legt het hen juist aan een infuus en maakt het ze afhankelijk van het rijke westen? Is het eigenlijk wel mogelijk om arme mensen met hulp vooruit te helpen; moeten ze niet gewoon harder werken? En hebben hulporganisaties wel echt tot doel om arme landen te helpen, of zijn ze vooral bezig zichzelf in stand te houden?


In vogelvlucht

In het derde hoofdstuk vat Reijngoud zestig jaar ontwikkelingshulp samen; van de eerste landelijke campagne van Novib tot het beleid van de vorige minister voor Ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders.

De almaar groeiende Chinese interesse in Afrika staat in hoofdstuk vier centraal: voor veel Afrikaanse regeringen zijn de hulpdollars uit Beijing een welkom alternatief voor de steun van de traditionele donoren uit het Westen.

In tegenstelling tot de waslijsten van westerse geldschieters stelt China nauwelijks eisen aan het ontvangende land. Tot slot geeft Reijngoud nog een drietal handige overzichten van respectievelijk de grootste hulporganisaties, de belangrijkste hulpwoorden – het kan in een discussie immers nooit kwaad om er wat vakjargon in te gooien – en de meest toonaangevende boeken over hulp en aanverwante terreinen.


Spoedcursus ontwikkelingshulp

Met zijn vlotte pen wapent Reijngoud de lezer met achtergrondinformatie, historische perspectieven en argumenten voor een rationele discussie over de zin en onzin van hulp. Ontwikkelingshulp in 2 uur en 53 minuten is een poging om het maatschappelijk debat over het nut van de hulp op een hoger plan te tillen, weg van de emoties. Reijngoud richt zich hierbij niet op noodhulp maar op ontwikkelingshulp die bedoeld is om landen op te bouwen en die vaak vele jaren achtereen wordt verstrekt.

Dankzij het overzichtelijke en objectieve karakter, de informatieve diagrammen, tabellen en grafieken, en de prikkelende quotes van deskundigen, vormt dit boek een toegankelijke bron voor de geïnteresseerde maar onervaren lezer op dit gebied. Een aanrader voor een ieder die in korte tijd, 2 uur en 53 minuten is de leestijd, meer wil weten over ontwikkelingshulp.

[overgenomen van Nu.nl]

Tobias Reijngoud, Ontwikkelingshulp in 2 uur en 53 minuten. Kosmos Uitgevers. ISBN 9789021545929, € 16,95



.


Andere belangwekkende titels over dit onderwerp:

Doodlopende hulp; Waarom ontwikkelingshulp niet werkt en wat er wel moet gebeuren, door Dambisa Moyo. Amsterdam: Contact, ISBN 9789025431686, € 22,95










Verloren in wanorde. Dertig jaar ontwikkelingssamenwerking, een persoonlijk relaas. door Karel van Kesteren. Amsterdam: KIT, ISBN 978 60 2209 82. € 19,50

dinsdag 29 juni 2010

Ontwikkelingssamenwerking: kwestie van beschaving?

“Het is ook normaal en een teken van beschaving dat welgestelde mensen bijdragen aan de verbetering van de levenssituatie van minderbedeelden.”

Op woensdag 30 juni vindt de boekpresentatie plaats van Verloren in wanorde; Dertig jaar ontwikkelingssamenwerking; een persoonlijk relaas van Karel van Kesteren tijdens het seminar Draagvlak voor duurzaamheid en mondiaal burgerschap in Hotel de Bosrand in Ede.
.



Programma

10:00 Aankomst & thee/ koffie (1e verdieping, Hotel de Bosrand)
10:30 Opening DPRN Task Force & KIT Publishers - Jan Donner (zaal VII/ VIII)
10:45 Lezing Karel van Kesteren (auteur en ambassadeur te Bulgarije)
11:00 Aanbieding eerste exemplaar aan Prof. Peter van Lieshout (voorzitter WRR)
11:05 Reactie Peter van Lieshout
11:30 Einde boekpresentatie

Adres en route

De Bosrand
Bosrand 28 6718 ZN EDE
T +31 (0)318-650150
F +31 (0)318-610580
M info@debosrand.com

Per trein
Per Intercity naar Station Ede-Wageningen. Vanaf het Station per bus (Veolia) richting Apeldoorn (lijn 108), uitstappen bij halte Boschlust. De secundaire weg haaks op de provinciale weg volgen (eveneens de bosrand geheten). De Bosrand uitlopen tot aan het Hotel de Bosrand.
Of neem vanaf het station een taxi (All-Time BCS
06-54395002/www.yourtaxi.nl) of regiotaxi (24 uur van te voren reserveren) naar Hotel de Bosrand, Bosrand 28 in Ede.

Per auto
Vanuit Utrecht: vanaf de A12 vanuit Utrecht, neem afslag A30 richting Barneveld en neem afslag Ede-Noord (afslag 2) richting Ede, ga linksaf de rijksweg (N224) op richting Ede, ga na 4.1 km linksaf de Apeldoornseweg op (N304). Op de N304 bij de eerste rotonde rechts, rechts aanhouden de bosrand op. Deze weg uitrijden tot aan het hotel de Bosrand. (aan het einde van de straat)

Vanuit Arnhem: vanaf de A12, vanuit Arnhem, neem de afslag Ede Oost en draai de N224 rechts op. Volg deze tot de kruising, rechtsaf Apeldoorn N304. Op de N304 bij de eerste rotonde rechts, rechts aanhouden de bosrand op. Deze weg uitrijden tot aan het hotel de Bosrand. (aan het einde van de straat)
Vanuit Amersfoort (A1-A30): vanaf Amersfoort op de A30 neem afslag Ede-Noord (afslag 2) richting Ede, ga linksaf de rijksweg (N224) op richting Ede, ga na 4.1 km linksaf de Apeldoornseweg op (N304). Op de N304 bij de eerste rotonde rechts, rechts aanhouden de bosrand op. Deze weg uitrijden tot aan het hotel de Bosrand. (aan het einde van de straat)

Zie ook het andere bericht op deze blogspot (10 mei)

Bovenste foto: Community Center in Kenia, @ Yeon Choi

maandag 10 mei 2010

Verloren in wanorde

Verloren in wanorde. Dertig jaar ontwikkelingssamenwerking, een persoonlijk relaas

“Het is ook normaal en een teken van beschaving dat welgestelde mensen bijdragen aan de verbetering van de levenssituatie van minderbedeelden.”

De besteding van ontwikkelingshulp is een hot issue. Zeker in tijden waar het minder gaat met de nationale economie. Politici en deskundigen roeren zich over het nut en de noodzaak van ontwikkelingshulp. Met de verkiezingen van 9 juni voor deur en de noodzaak voor harde bezuinigingen zijn er geen heilige huisjes meer in de politiek. De meeste partijen willen tornen aan het budget dat wordt besteed aan hulp en dus aan de norm dat ontwikkelde landen 0,7 procent van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking horen uit te geven. Er liggen voorstellen om tot 20 procent te bezuinigen op het bedrag dat jaarlijks wordt besteed aan ontwikkelingssamenwerking.


Karel van Kesteren houdt een pleidooi voor het behoud van ontwikkelingssamenwerking. Maar het geld daarvoor moet dan wel op de beste manier worden besteed. En dat is nu veel te weinig het geval, als gevolg van de ondermaatse organisatie van ontwikkelingssamenwerking in de wereld.

In Verloren in wanorde beschrijft de auteur zijn breedgeschakeerde praktijkervaringen met ontwikkelingssamenwerking gedurende drie decennia. Daaronder de negatieve gevolgen van het gebrek aan organisatie ervan: “chaotisch en versplinterd optreden van de donorgemeenschap, met als gevolg: overlappingen; activiteiten die elkaar tegenspreken of elkaars effect teniet doen; ‘witte plekken’; onvermogen om grootschalige problemen op een dito schaal aan te pakken; bestendiging van een psychologie van hulpafhankelijkheid bij de ontvangers; marktverstoringen door verborgen subsidies in de economie; overmatig beslag op de instellingen van het ontvangende land; gebrek aan blijvende resultaten door het geïsoleerde karakter van interventies; het ‘leegzuigen’ van lokale instellingen doordat de vele donoren de beste krachten daar wegkopen; bevordering van corruptie door de onoverzichtelijkheid van ontelbare financiële stromen. En ook: een gebrek aan continuïteit omdat de donoren om de paar jaar de prioriteiten omgooien.”

Deze gevolgen zijn niet erg bekend en tellen daarom in de discussies, zoals die over het onlangs verschenen WRR-rapport, nauwelijks mee. Ten onrechte, want de gebreken zijn de oorzaak van miljardenverliezen, ook Nederlands belastinggeld. Wereldwijd kan het in de huidige praktijk naar schatting wel om een derde van alle geld voor ontwikkelingssamenwerking gaan. Voor Nederland is dat 1,6 miljard van de 5 miljard euro aan hulp. Verliezen die zich jaar na jaar herhalen. Een probleem dat op geen enkele wijze wordt aangepakt door de hulp te verlagen. De auteur betoogt met klem dat het bedrag voor de ontwikkeling van arme landen niet lager moet, maar hij legt wel uit waar het fout gaat en hoe het beter kan.

Waar het volgens Van Kesteren om gaat is: “het systeem van besteding te verbeteren, om zo de uitgaven, van wie dan ook, meer rendement te laten opbrengen. Niet als aardigheidje, of vanuit fixatie op theoretische modellen over effectiviteit en kwaliteit, maar omdat het om mensen gaat. De OS-miljarden zijn bedoeld voor het bestrijden van de mensonwaardige armoede waaronder nog steeds een groot deel van de wereldbevolking zucht en ik vind de gedachte onverteerbaar dat we van dat geld zo’n groot deel verloren laten gaan.” Voor verbeteringen in het systeem geeft de auteur aanzetten.

Verloren in wanorde gaat over ontwikkelingshulp aan doorsnee-ontwikkelingslanden, arme maar stabiele landen. Het gaat niet over landen die in extreme omstandigheden verkeren, zoals landen waar het staatsgezag ontbreekt, waar sprake is van gewapende conflicten of waar zulke conflicten net achter de rug zijn. Het gaat ook niet over noodhulp, zoals na natuurrampen of in oorlogssituaties.

Karel van Kesteren (1948) is in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij vervulde functies in Den Haag en in Colombia, Nicaragua, Spanje en Tanzania, en is nu geplaatst in Bulgarije. Verloren in wanorde schreef hij op persoonlijke titel.

Presentatie

De geplande presentatie gaat niet door!!!

De presentatie vindt plaats op 3 juni a.s. in De Rode Hoed, Amsterdam.

Boekgegevens

Titel Verloren in wanorde. Dertig jaar ontwikkelingssamenwerking, een persoonlijk relaas.

Auteurs: Karel van Kesteren, ISBN 978 60 2209 82

Paperback, 216 pagina’s, € 19,50

Uitgever: KIT Publishers

Verkrijgbaar in boekhandel, bij de uitgever en via internet.