Posts tonen met het label Surinaams-Nederlands. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Surinaams-Nederlands. Alle posts tonen

maandag 3 februari 2014

C1000 let op je doekoe via hun Surinaamse rijstverpakking

Foto Patrick Dorder
door Quinsy Gario

Journalist Patrick Dorder ging naar de C1000 om boodschappen te halen en kwam dit pak Surinaamse rijs tegen. Waarom het alleen op dit pak rijs staat en niet op de anderen is de vraag. Al jaren is het voor Nederlandse marketeers een raadsel hoe ze verschillende niet-witte groepen bereiken. Een leuk woordje hier of daar lijkt echter weer een halfslachtige en neerbuigende poging tot contact in plaats van een daadwerkelijke uiting van begrip voor de behoeftes van de groep. In plaats van op de doekoe van haar klanten te letten kan ze beter wat Sopropo verkopen.

[van Roet in het eten]

maandag 30 december 2013

De oudste bronnen van het Surinaams-Nederlands blootgelegd

Ellen Klinkers
door Ellen Klinkers

Dit jaar verscheen het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 van jan van Donselaar. De Nederlandse kolonisten die zich vanaf 1667 in Suriname vestigden, kwamen in een wereld waarin de omgeving en omstandigheden zo verschilden van de Nederlandse dat de eigen taal te kort schoot om die te beschrijven. Er ontstonden nieuwe woorden, woorden die het fundament legden voor het moderne Surinaams-Nederlands.

Eerder, in 1977, publiceerde de bioloog Van Donselaar het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, dat met 6600 ingangen de moderne Surinaams-Nederlandse taal duidt. Het was veel breder van opzet dan deze uitgave, waarvoor Van Donselaar op zoek ging naar de oorsprong van het Surinaams-Nederlands. Die zoektocht resulteerde in een contrastlexicon van ruim 2000 alfabetische gerangschikte woorden, die gangbaar raakten onder Nederlanders in Suriname maar die in het moederland onbekend waren. Want wie wist daar nu wat een matapi, een loosneger of een grietjebuur was? Van Donselaar selecteerde de woorden uit de geschriften van ruim vijftig, overwegend contemporaine, auteurs. De selectie eindigt in het jaar 1876 toen de leerplicht met Nederlands als voertaal werd ingevoerd in Suriname.

Matapi (collectie KIT)


Het boek geeft de betekenis van de woorden en de periode waarin het woord voor het eerst is aangetroffen. Verder wordt vermeld of het een leenwoord is uit een taal die niet in Suriname wordt gesproken, of het een in Suriname nieuw gevormd woord is of dat een bestaand woord er een extra betekenis bij heeft gekregen.
Prof. dr. Nicoline van der Sijs maakte de tekst gereed voor publicatie. Zij deed dat op verzoek van Van Donselaar, enkele maanden voor zijn overlijden op 12 april dit jaar.


J. van Donselaar, Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Amsterdam: Meertens Instituut, 2013. 291 p., ISBN 978 90 7038  977 2, prijs € 25,00.

[uit Oso, 2013, nr. 2]




vrijdag 22 november 2013

‘Lezen leert je beter Nederlands praten’

Maurice Ehlinger - Nu lisant

door Tascha Samuel

Paramaribo - Geny Tawjoeram (13) is één van de vijf jongeren die in de sfeervol versierde tuin van De Surinaamsche Bank is geïnstalleerd als ‘leesambassadeur’. Vanuit de Rahanschool slaagde zij vorig schooljaar en werd ook voorleeskampioen. “Ik zit nu op de Anton Leeuwinschool, een mulo-school te Pad van Wanica, en ik heb altijd veel van lezen gehouden. Mijn moeder koopt boeken voor me. Ik vind dat je veel leert uit boeken en dat je beter Nederlands leert praten. Ik houd van spannende boeken”, lacht Tawjoeram vriendelijk. Ze hoopt als leesambassadeur vooral kinderen op haar nieuwe school te bemoedigen om meer te lezen.

De 13-jarige Geny Tawjoeram tekent vol trots het certificaat waarop staat dat ze nu formeel voorleesambassadeur is.
Foto © Stefano Tull.

  
Feestelijke afsluiting
Woensdag was de speciale feestavond voor de Voorleeskampioenen van 2013 op de dag van de Rechten voor het kind. Voor Stichting Projekten is 2013 het jaar van 'Voorlezen'. In juli werden in samenwerking met de Nederlandse Taalunie de Nationale Voorleeskampioenschappen gehouden. Ruim 45 kinderen in stad en district zijn toen 'gekroond' en deze avond was de feestelijke afsluiting van het project. De kinderen werden vergast op lekkers, drank, een optreden van kinderfavoriet Enver. Uit volle borst zongen ze mee met 'Kan kan man' en 'I Love Suriname'. Ook de jongens van de Mystikalz wisten de kinderen aan het joelen en schreeuwen te krijgen. Flinke kinderen mochten hun kunnen tonen. Er werd gezongen, gedanst en voorgelezen.
Jerrel Pinas en Sharon Pinas. Foto © Guillo Grant

Groeiposters
Jerrel Pinas, hield de aanwezigen een nieuw project voordat te maken heeft met het Kinderboekenfestival. Het thema is 'groei'. In het kader van dat thema zal hij 'groeiposters' maken. "We hebben kinderen gevraagd om na te denken over groei en om daarover een verhaal te schrijven en daar tekeningen bij te maken. De mooiste verhalen komen op een poster met begeleidende teksten. Deze kunnen dan op school gebruikt worden", legt de schrijver uit. Kinderen uit Bukafolo in Sipaliwini hebben prachtige verhalen geschreven. Verhalen over groei van hun gezin, maar ook van het dorp. Doordat er kinderen worden geboren of omdat er meer mensen komen wonen in het dorp 'groeit' hun woonplaats ook. Na de gezelligheid mochten alle kampioenen een speciale leesdoos in ontvangst nemen.

[uit de Ware Tijd, 22/11/2013]


donderdag 14 november 2013

Culinair woordenboek ontsluit culinaire geheimen

Saotosoep

door Tascha Samuel

Paramaribo - Renate de Bies presenteert op 19 november haar culinair vertaalwoordenboek Carisur Culinair Dictionaire. Daarin beschrijft ze niet slechts gerechten, maar ook andere zaken als eetbare flora, fauna en voorwerpen die met eten en drinken te maken hebben. Behalve dat ze woordenboeken samenstelt, is ze lexicoloog: een taalkundige die zich bezighoudt met de bestanddelen van een taal.

Energiek verteld taalwetenschapper Renate de Bies
 over haar onderzoekswerk voor het Surinaams
 Caribisch Culinair woordenboek. F
oto: Claudio Barker.

Eerdere publicaties

"Ik maakte het boekje De economische crisis en de woordenschat. Toen kwam ik erachter dat Surinaamse woorden niet voorkwamen in bekende woordenboeken als Van Dale." In 2008 publiceerde ze het Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands. "Het is de Nederlandse taal zoals wij die in het dagelijks leven gebruiken."
Als voorwerk voor haar nieuwste boek zocht De Bies naar andere vertaalwoordenboeken. Ze vond onder meer de Dictionary of Caribbean English Usage van Richard Allsopp. Toen kreeg de taalwetenschapper de gedachte om vanuit Surinaams oogpunt een vertaalwoordenboek te maken. "Maar als je voor een volledig woordenboek gaat, ben je heel wat jaren bezig. Daarom besloot ik het af te bakenen tot het culinaire", legt De Bies uit.

Geheimen ontsluiten
Maar waarom het culinaire? "Omdat eten een ideale manier is van integratie." De auteur hoopt met het boek een bijdrage te leveren aan de integratie van Suriname binnen het Caribisch Gebied. "Het boek probeert de culinaire gewoonten en geheimen van Suriname te ontsluiten voor het Engelsprekende deel van het Caribisch Gebied en vice versa."


Waardevolle informatie

In haar kantoor op het Universiteitscomplex is ze druk bezig met de voorbereidingen voor de boekpresentatie, maar tussendoor maakt ze ook afspraken met leerlingen. Haar uitstraling is aanstekend enthousiast, vooral wanneer we over het woordenboek beginnen te praten. Vijf jaar heeft ze besteed aan onderzoek: boeken, websites, kookboeken en heel veel kranten moest ze lezen. "Ook in de Ware Tijd heb ik waardevolle informatie gevonden." Ze deed daarnaast veldonderzoek in Guyana, Barbados, Trinidad, St. Maarten en Jamaica. "Ik heb van andere plaatsen vooral veel kookboeken opgezocht." Het boek is nu vooral bedoeld voor de Nederlandssprekenden. De Bies hoopt volgend jaar juni een editie uit te geven die bestemd is voor de Engelssprekenden.

[uit de Ware Tijd, 14/11/2013]

vrijdag 25 oktober 2013

De nieuwe Van Donselaar

Een korjaal van de TRIS

door Lila Gobardhan-Rambocus

Ruim drie maanden na het overlijden van Jan van Donselaar (12 april 2013) verscheen het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876, uitgegeven door het Meertens Instituut te Amsterdam in samenwerking met de Nederlandse Taalunie in Den Haag. In dit woordenboek, niet het eerste van Van Donselaar, worden 2100 woorden onder de loep genomen. Zijn doel was het vastleggen van de voorgeschiedenis van het moderne Surinaams-Nederlands. Deze publicatie werd verzorgd door Nicoline van der Sijs, hoogleraar historische taalkunde, bekend van de vele (woorden)boeken over de geschiedenis van het Nederlands.
Pindasoep met tomtom

In 1976 verscheen als eerste het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands als uitgave van het Instituut A.W. de Groot voor Algemene Taalwetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht. Dit boek beschrijft 1400 Surinaams-Nederlandse woorden. Een tweede, herziene en uitgebreide, druk verscheen in 1989, toen uitgegeven door Dick Coutinho, Muiderberg. De uitbreiding was enorm: 6600 trefwoorden. Voor dit woordenboek kreeg Van Donselaar de Johan de la Court-prijs van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Het is jammer dat dit laatste woordenboek in Suriname nauwelijks verspreid is.

In 2008 publiceerde Renata de Bies WSBN, Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands met ruim 5000 trefwoorden, dat in 2009 in Nederland uitkwam als Prisma Woordenboek onder de titel Woordenboek Surinaams-Nederlands. Over dit woordenboek stelt Nicoline van der Sijs in haar voorwoord bij de laatste Van Donselaar dat dit een aanvulling is op eerder werk van zijn hand. Volgens De Bies gaat het hier om typisch hedendaagse Surinaams-Nederlandse woorden van de laatste 50 jaar, terwijl Van Donselaar voor zijn twee eerdere woordenboeken vooral gebruik gemaakt heeft van eigentijdse schriftelijke bronnen.

Voor zijn laatste publicatie putte Van Donselaar uit schriftelijke bronnen van 1667 tot 1876, het jaar waarin de leerplicht werd ingesteld. Als beginjaar koos de auteur 1667, omdat vanaf toen het Nederlands de officiële taal werd. Veel Nederlands werd er echter niet gesproken en geschreven, omdat de bevolkingssamenstelling gemengd was: naast de indianen, waren er negerslaven, Engelsen en Portugese joden. Suriname was dus meertalig en is dat tot de dag van vandaag gebleven. Via plakkaten werd de bevolking er echter steeds aan herinnerd dat het Nederlands de enige ambtelijke taal was.

Het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 omvat zeven hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt ingegaan op de taal van de Nederlandse bewoners van Suriname tot 1876, het jaar van de instelling van de leerplicht met Nederlands als schooltaal. In hoofdstuk 2 staan de aanwijzingen voor het gebruik van het woordenboek. Bij de opgenomen woorden worden codes vermeld die informatie geven over zaken als de etymologie (herkomst en geschiedenis) van het woord, de tijdvakken en domeinen, waarin het aangetroffen werd. Circa 85% van de woorden kan verdeeld worden over 11 domeinen, die onder te brengen zijn onder de noemer natuur of cultuur. Het gaat hier om woorden voor dieren, wilde planten, cultuurplanten, enzovoort, vallend onder natuur en woorden voor zaken vallend onder de cultuur van de blanken, de slaven of de indianen. In hoofdstuk 3 beschrijft Van Donselaar zijn zoektocht in teksten naar Nederlandse woorden, die hij beschouwt als basis voor het Nederlands dat zich in Suriname ontwikkeld heeft, het Surinaams-Nederlands. Hij somt 54 van de voor hem belangrijkste auteurs over het Nederlands in Suriname tot 1876 op (p. 17-27). In hoofdstuk 4 staat de eigenlijke alfabetische woordenlijst (p. 31-245). Hoofdstuk 5 (p. 247-252) geeft zonder nadere verklaring in ruim vijf pagina's een alfabetische woordenlijst van ‘duistere en/of onbetrouwbare woorden’ die niet als trefwoord zijn opgenomen. 
Sika (tungiasis, zandvlo)

Hoofdstuk 6, getiteld ‘Contraregisters’ is onderverdeeld in drie paragrafen met een alfabetische woordenlijst: 6.1 geeft van hedendaags en/of toenmalig Europees-Nederlands het toenmalig Surinaams-Nederlandse equivalent; 6.2 geeft van het hedendaags (vanaf 1954) Surinaams-Nederlands het (ook) toenmalig Surinaams-Nederlandse equivalent; 6.3 is een lijst van wetenschappelijke namen van dieren en planten met de toenmalig Surinaams-Nederlandse naam, 1667-1876. Hoofdstuk 7 ten slotte bevat een lijst van literatuur en bronnen.

Een willekeurige greep uit de nieuwe Van Donselaar leverde de volgende nog in dezelfde betekenis gebruikte woorden op: bovenwaarts, dam (op plantage), bakove, banaan, bananenbakove, barbacotten, baskiet, binden (van een hangmat), boomrijp, dieken (uitgraven), districtscommissaris, dram, floridawater, gomma, hemd (overhemd), korjaal, kostgrond, laxans, lota, manja, mati, ogr’ai, pindakaas, het plein (officieel het Onafhankelijkheidsplein), rits (zand- of schelprits), sika, singel (dakbedekking), tomtom, treef, trens, uitlopen (vreemdgaan), zure oranje.

Alleen al hieruit zou men kunnen opmaken dat het Nederlands van 1667-1876 inderdaad, zoals Van Donselaar ook stelt, de basis is van het hedendaagse Surinaams-Nederlands. De basis is vooral sterker geworden in de 19de eeuw, toen de opkomende klasse van kleurlingen, gemanumitteerde en vrijgeboren negers er bewust voor kozen het Nederlands te gebruiken. Mede hierdoor konden ze zich onderscheiden van de slaven. De leerplicht, ingesteld in 1876, deed de rest en zorgde ervoor dat het Nederlands, het Surinaams-Nederlands, op grote schaal ingang heeft gevonden en daardoor een belangrijke taal is geworden in het meertalige Suriname, waar de officiële taal nog steeds Nederlands is. Het Surinaams-Nederlands kreeg, net als het Sranan, een unificerende functie, wat inhoudt dat bijna alle meertaligen met elkaar kunnen communiceren in deze twee talen als ze elkaars talen niet verstaan.

De fascinatie van de bioloog Van Donselaar voor de vreemde Nederlandse woorden, die hij tijdens zijn eerste verblijf in Suriname begon op te schrijven, heeft Suriname drie waardevolle woordenboeken opgeleverd, woordenboeken met een schat aan informatie voor de wetenschapper en de geïnteresseerde lezer. 

J. van Donselaar: Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Amsterdam/ Den Haag: Meertens Instituut/ Nederlandse Taalunie, [2013]. ISBN 9789070389772. Prijs: Euro 25,-



woensdag 21 augustus 2013

‘Caribisch Nederlands’

door Fred de Haas


Onlangs las ik in een Curaçaose krant dat het ‘Caribisch Nederlands’ in het Nederlandse Groene Boekje komt.

Kan iemand mij vertellen wat Caribisch Nederlands eigenlijk is? Ik heb jarenlang gedacht dat Caribisch Nederlands ‘fout’ Nederlands was en ik denk dit nog steeds. Ik maak een uitzondering voor het archaïserende Surinaamse Nederlands, maar Antilliaans Nederlands is gewoon fout Nederlands. Ik kan het ook niet helpen. Sidney Joubert en Jules de Palm zullen het ongetwijfeld met mij eens zijn.

Als merkwaardig voorbeeld van een Caribisch ‘Nederlands’ woord dat in aanmerking zou komen voor het Groene Boekje wordt ‘knoek’ genoemd (????). Een woord als ‘knoek’ is een verbastering van ‘kunuku’, dat weer een verbastering is van ‘conuco’, dat op zijn beurt een verspaanst woord is uit het Arowaks.
Het woord ‘knoek’ ben ik al zestig jaar nergens tegengekomen in courante Nederlandse boeken. ‘Knoek’ is geen fout woord, maar moet nodig in het Groene Boekje. Dat wel.

Het Groene Boekje is een vrij gekunsteld en inconsequent boekje dat door mensen met een redelijk verstand allang is vervangen door het Witte Boekje waar goed Nederlands schrijvende journalisten al jarenlang gebruik van maken. Je kan het Witte Boekje gewoon in de winkel kopen.

Ik las verder dat er een conferentie was over ‘Nederlands als vreemde taal in het Caribisch gebied’. Ja, daar moeten nodig ‘specialisten’ voor worden uitgenodigd.

Dames en Heren: ‘Nederlands als vreemde taal’ is overal ter wereld hetzelfde, dus ook in het Caribisch gebied.  In Nederland wordt al jaren ‘Nederlands als vreemde taal’ gegeven op, bijvoorbeeld, Internationale Scholen en cursussen voor asielzoekers met een verblijfsvergunning.
Niets nieuws onder de zon. Pure geldverspilling aan reizen en gewichtigdoenerij. Maar een goede reden kennelijk om weer eens de Oceaan over te vliegen. Kan geen kwaad zolang de
 ‘Antillen’ nog in het Koninkrijk zitten. Een lekker veilig onderwerp trouwens. Hoef je niks te doen aan een Curaçao dat rechtsstatelijk gesproken aan het verdwijnen is. Lekker Nederlands leren als vreemde taal. Wie kan daar nou een buil aan vallen?

Een paar maanden geleden ben ik op een avond geweest van de Antilliaanse Taalvereniging SPLIKA. Het vond plaats in het Curaçao Huis (Kas di Kòrsou) in Den Haag. Het bleek de bedoeling te zijn dat er een lijst zou worden aangelegd van Antilliaanse gebruiken ‘die men zou willen behouden’. Het Meertens Instituut deed ook mee. Lees Het Bureau van Voskuil en je weet meteen met wat voor Instituut je te maken hebt. Op die avond schreeuwde iedereen door elkaar. De krankzinnigste gebruiken zouden vooral behouden moeten blijven. De aanwezigen mochten allemaal wat zeggen. De stomste opmerking werd met applaus ontvangen. Iemand zei dat je vroeger een gele onderbroek moest dragen bij bepaalde gelegenheden. Een welkome bijdrage, constateerde ik.

Ik sla telkens weer achterover van de achterlijkheid van al dat soort ondernemingen. Maar het is weer een mooie gelegenheid om de Oceaan over te vliegen. En niet één keer, maar heel veel keren. Liefst in een gele onderbroek, natuurlijk.


Zoals Julian Coco zei:’agge maor leut het’ (= als je maar plezier hebt). N.B. Coco sprak Nederlands als niet-vreemde taal en bij tijd en wijle ook dialectisch Nederlands. All round. Net als zijn gitaarspel.

Overigens ben ik nog steeds van mening dat het Nederlands vervangen zou moeten worden door het Engels.



woensdag 7 augustus 2013

De erfenis van Jan van Donselaar

Pas verschenen: Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876



Het Meertens Instituut heeft onlangs het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 uitgegeven. Het boek bevat 2100 woorden en vaste verbindingen met hun betekenis en informatie over bijvoorbeeld etymologie en leenwoorden.

In 1667 veroverden de Nederlanders Suriname op de Engelsen. Het Nederlands werd hierbij geëxporteerd naar Suriname en maakte daar vervolgens een geheel eigen ontwikkeling door, met name omdat in Suriname woorden gemaakt moesten woorden voor zaken die in Nederland niet voorkwamen – bijvoorbeeld gebruiken, planten en dieren.

Het woordenboek is samengesteld door de eerder dit jaar overleden bioloog en deskundige op het gebied van Surinaams-Nederlands J. van Donselaar, die in 1977 al het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands publiceerde. Dat boek beschreef het ‘moderne’ Surinaams-Nederlands. Aan het nu verschenen lexicon, dat de daaraan voorafgaande periode omvat, is Van Donselaar de rest van zijn leven blijven werken. Hij heeft het grotendeels kunnen afronden; historisch taalkundige Nicoline van der Sijs heeft er de laatste hand aan gelegd en de publicatie ervan verzorgd.


J. van Donselaar: Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Amsterdam: Meertens Instituut, 2013. 290 pagina’s. ISBN: 978 90 7038 977 2. Het boek is exclusief te koop bij Onze Taal. Prijs: € 25 (voor België € 31)

dinsdag 11 juni 2013

Surinaamse en andere Caraïbische woorden in het Groene Boekje

Een dushi op Aruba. Foto © Raul Neijhorst

In 2015 verschijnt een nieuwe editie van het Groene Boekje. De woordenlijst wordt aangevuld met nieuwe, Surinaamse en Caribische woorden, maar de regels van de spelling van het Nederlands blijven onveranderd. Dat meldt het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie.

De Taalunie legt de spellingregels vast voor de overheid en het onderwijs. Maar de regels veranderen niet, er komen alleen nieuwe woorden bij, zoals euro-islam, fair trade, flatscreentelevisie, mindmapping, op-en-afrelatie, tobintaks, veggiedag en wij-zij-denken. Voorbeelden van mogelijke Caribische woorden zijn bolita, dushi, faderen, gasbom, kets, pika, suikerdiefje, choller en makamba.

maandag 15 april 2013

In memoriam Jan van Donselaar

door Nicoline van der Sijs


Op vrijdag 12 april 2013 is Jan van Donselaar op 84-jarige leeftijd overleden. Jan heeft zijn werkzame leven als bioloog aan de Utrechtse universiteit gewerkt. Taalkundigen kennen hem echter van een heel andere kant, namelijk als de grote specialist op het gebied van het Surinaams-Nederlands en de talen in Suriname.

Dantabai, district Brokopondo. Foto @ Michiel van Kempen


Zijn fascinatie voor het Surinaams-Nederlands ontwikkelde hij tijdens het werk aan zijn proefschrift. Voor dit proefschrift, An ecological and phytogeographic study of northern Surinam savannas, dat in 1963 verscheen, deed Jan met zijn echtgenote Lies veldwerk in Suriname. Hij hield er een levenslange liefde voor dit land aan over. Hij verzamelde tijdens zijn verblijf niet alleen gegevens over de plantenwereld, maar ook alles wat hem opviel aan woorden, betekenissen, klanken en woordcombinaties van het Nederlands zoals dat in Suriname werd gesproken. En zo werd hij de eerste die een systematische en wetenschappelijke beschrijving aanlegde van de verschillen tussen het Europees-Nederlands en het Surinaams-Nederlands.

In 1977 publiceerde hij het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, als uitgave van het Instituut A.W. de Groot voor Algemene Taalwetenschap van de Rijksuniversiteit te Utrecht. In 1989 verscheen een aanzienlijk uitgebreide versie bij uitgeverij Coutinho in Muiderberg. Dit woordenboek bevat 6600 ingangen. Tot zijn teleurstelling werd het niet op grote schaal in Suriname verbreid. De waarde ervan voor onderzoekers werd echter onmiddellijk onderkend: in 1989 kende de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen aan Jan de Johan de la Court-prijs toe.

De begraafplaats van Bigi Poika op de savanne (wit schelpenzand)

Vanaf begin jaren ’90 verzamelde Jan systematisch gegevens over de woordenschat van de Nederlandse bevolkingsgroep in Suriname vanaf het eerste moment dat de Nederlanders zich in Suriname vestigden, in 1667, tot de afschaffing van de slavernij in 1876. Hiermee wilde hij de voorgeschiedenis van het Surinaams-Nederlands beschrijven. Hij is met dit werk doorgegaan tot enkele jaren voor zijn dood. In de tussenliggende jaren heeft hij hierover een groot aantal kortere artikelen gepubliceerd, die telkens weer zijn enorme kennis, belezenheid en eruditie op het terrein van de talen in Suriname toonden. Hij was altijd bereid informatie te delen met andere onderzoekers. Zo heeft hij belangrijke bijdragen geleverd aan verschillende publicaties van mij,zoals Taaltrots, Wereldnederlands en Nederlandse woorden wereldwijd.

Eind vorig jaar heeft Jan de door hem in de loop van de jaren verzamelde gegevens aan mij overgedragen voor publicatie. Over enkele maanden zal zijn Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 postuum verschijnen. Het woordenboek bevat een schat aan gegevens die nooit eerder zijn gepubliceerd. Hiermee heeft Jan een monument nagelaten voor de taal die hem zo lief was, en daarmee ook een monument voor zichzelf.

Van Donselaar heeft ook een pagina bij de DBNL met werken van en over hem.

[overgenomen van Neder-L, 14 april 2013]

zondag 14 april 2013

Van Donselaars Woordenboek van het Surinaams-Nederlands


door J.M. van der Horst

In Suriname worden heel wat verschillende talen gesproken. De situatie is onvergelijkbaar met welk Europees land dan ook. Zeker voor een zo jonge staat zijn de problemen dan ook groot. Wanneer sprekers van de verschillende talen bijeen zijn, wordt meestal gebruik gemaakt van ofwel het Sranan ofwel het Surinaamse Nederlands. Nederlands is er nog steeds de officiële taal maar lang niet alle inwoners beheersen het Europese Nederlands en er is om begrijpelijke redenen ook wel verzet tegen dat Nederlands. Anderzijds is het Nederlands er nog van belang omdat zoveel fundamentele teksten Nederlands zijn. Ook speelt een rol dat het Nederlands ‘van niemand is’, hetgeen politiek een voordeel is. Een keuze voor een of twee inheemse talen zou bepaalde bevolkingsgroepen bevoordelen.

Het Surinaams-Nederlands is een variant van het Nederlands die zich niet scherp laat afgrenzen. Er is Surinaams-Nederlands in gradaties. Er is Surinaams-Nederlands dat vrijwel niet verschilt van het Europese Nederlands en gebruikt wordt door ontwikkelde Surinamers. Maar er is ook een Surinaams-Nederlands met zeer veel eigen woorden en uitdrukkingen. Voor de meeste Surinamers geldt, dat hun Surinaams-Nederlands niet op een bepaald punt van dat continuüm vastligt. In formele situaties wijkt hun taal minder af van het officiële Nederlands terwijl in het alledaagse gebruik veel meer typisch Surinaams-Nederlandse kenmerken voorkomen.
Naast Nederlandse woorden die een ietwat andere betekenis gekregen hebben of in het Algemene Nederlands verdwenen zijn (op iemands hoofd staan: ‘iemand in de weg zitten, iemand tot last zijn’; baldadig: ‘vreselijk’; bout: ‘dijbeen’) zijn er talrijke ontleningen aan het Sranan, het Karaïbisch, het Sarnami, het Javaans en het Engels. Bijvoorbeeld braf: ‘soep’, koepari:‘teek’, doni: ‘dubbeltje’, pitjil (een bepaald gerecht), droppen: ‘laten uitstappen’.



Het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands van J. van Donselaar beschrijft de woorden en woordbetekenissen die men in Suriname gebruikt in het Nederlands van daar voorzover ze niet in een Nederlands woordenboek als Van Dale staan. Daarbij is gestreefd naar volledigheid, ook al erkent de auteur meteen dat werkelijke volledigheid nooit te bereiken valt. Ook zijn zo veel mogelijk woorden opgenomen die in het verleden ooit in Suriname gebruikt werden en terzelfder tijd in Nederland en België niet of op een andere wijze.

Strikt genomen is dit woordenboek de tweede druk van het gelijknamige boek uit 1977. Maar het is dermate uitgebreid dat met meer recht van een nieuw boek gesproken mag worden. Het aantal trefwoorden is uitgebreid van 1400 tot 6600, de inleiding over de Surinaams-Nederlandse woordenschat en de taalsituatie in Suriname is verbeterd en er zijn enkele zeer praktische registers toegevoegd. Omdat een niet onbelangrijk deel van de typisch Surinaams-Nederlandse woordenschat bestaat uit namen van planten en dieren, heeft de auteur registers gemaakt op de Latijnse wetenschappelijke namen met daarachter de SN-benaming. Verder is een lijst met spellingvarianten opgenomen en een contraregister Algemeen Nederlands/ Surinaams-Nederlands.
In zijn huidige opzet is het woordenboek in de eerste plaats bedoeld voor het onderwijs in Suriname zelf. Maar het belang ervan strekt veel verder. Ook bij de vele Surinamers in Nederland en bij al diegenen die met Suriname te maken hebben, zal het zeker zijn weg vinden. En tenslotte is een nieuw woordenboek voor een taal die nog nooit zo in kaart gebracht is, ook taalwetenschappelijk en lexicografisch een belangrijke aanwinst.


J. van Donselaar, Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Dick Coutinho, Muiderberg, 1989, 482 p.

[uit Ons Erfdeel, jaargang 32 (1989)]


Jan van Donselaar overleden

Op vrijdag 12 april 2013 is in Bilthoven overleden de bioloog en 'woordenaar' (zoals het in zijn overlijdensadvertentie staat) Jan van Donselaar. Dr Johannes van Donselaar, geboren op 10 december 1928, is meer nog dan om zijn studies van de flora en fauna van Suriname, bekend geworden met de twee edities (1976 en 1989) van zijn Woordenboek van het Surinaams-Nederlands. Om zijn grote verdiensten voor de biologie en de lexicografie van Suriname zal hij nog lang herinnerd worden. De Werkgroep Caraïbische Letteren condoleert zijn vrouw Lies, zijn vijf kinderen en zijn kleinkinderen met dit verlies.

vrijdag 29 maart 2013

Surinaamse connotaties bij het woord neger


door J. van Donselaar

Foto @ Nicolaas Porter

De zaak
Op 18 juli 2002 was het dan zover. De Commissie Gelijke Behandeling, een rechtscollege van de Nederlandse overheid, deed uitspraak over een al op 6 mei behandelde zaak, die door de Stichting Eer en Herstel Betalingen van Slachtoffers van de Slavernij in Suriname aangespannen was tegen Van Dale. Die stichting wilde dat uitgeverij Van Dale gesommeerd zou worden de woorden neger en creool uit zijn woordenboeken te schrappen. NRC Handelsblad van 7 mei 2002 citeert een woordvoerder van de stichting als volgt: "Wij willen als Nederlandse burgers met een Afrikaans-Surinaamse afkomst niet als ‘neger’ worden beschreven". En op 18 juli schrijft die krant zelf: "De stichting vindt dat de betreffende woorden Afrikaans-Surinaamse Nederlanders aan de koloniale onderdrukking herinneren en zodoende pijn bij hen teweegbrengen." Niettemin (citaat): "De functie van een woordenboek is niet meer dan het registreren van de betekenis van woorden in overeenstemming met het feitelijke woordgebruik", aldus de commissie. Dus : de wens (of eis) van de stichting is ongegrond verklaard.

Wat hier volgt is niet beoogd als commentaar op de formele, juridische of lexicologische kanten van deze zaak. Ik beperk mij tot de achtergrond, in het bijzonder de historische, van wat hiervoor ‘pijn’ genoemd wordt. Inderdaad, de klagers hebben dan wel de kous op de kop gekregen, maar daarmee is voor hen de kous nog niet af. De gedachten en gevoelens die de gewraakte woorden bij hen oproepen, blijven natuurlijk bestaan. Waar komen die vandaan? Om dat te kunnen begrijpen moet je weten wat neger en creool in Suriname betekenden en betekenen en wie het daar gebruikten en gebruiken. Ik zal het hier niet hebben over creool, maar voordat ik over neger begin, eerst nog het volgende.
Foto @ Mark Meijering

De bezwaarden zien zichzelf als van Afrikaans-Surinaamse afkomst. Dat ‘Afrikaans’ suggereert dat hun voorgeslacht Afrikaans zou zijn en dat is weliswaar grotendeels waar, maar niet helemaal. Een deel van deze bevolkingsgroep bestaat namelijk uit gemengdbloedige mensen, waarbij onder de niet-zwarte elementen van hun herkomst het blanke overheerst. Ze variëren in huidskleur, zowel in Suriname als in Nederland, van bijna zwart tot bijna wit. Een en ander had aanvankelijk zijn oorsprong in het geslachtsverkeer tussen negerslavinnen en blanke mannen onder de eerst Engelse en later vooral Nederlandse kolonisten in Suriname. Later trouwden steeds meer zwarte en gemengdbloedige mannen en vrouwen in Suriname en ook in Nederland met blanke Nederlanders.

Etymologie
Hoe komen we aan het Nederlandse neger in de oorspronkelijke en nog steeds meest gebruikelijke betekenis van ‘een zwarte persoon’? Daarover zijn twee (vrij) recente etymologische woordenboeken het niet met elkaar eens. Beide vermelden het voorkomen van het woord van 1654, maar als adjectief (zwart). De Tollenaere (in De Vries & d.T. 2000:264) beschouwt dit jaartal als het eerste, ook voor de persoon, en ontleent het woord aan het Franse nègre. Verder wijst hij op het oudere negro (1617), onveranderd overgenomen uit Spaans en/of Portugees. Van der Sijs echter (in Van Veen & v.d.S. 1997:592) leidt neger - inmiddels aangetroffen in 1644 voor de persoon - rechtstreeks af van dat al genoemde Spaanse/Portugese negro, en zo is het ook in Van Dale overgenomen.

Volgens het WNT zou negro in het Nederlands verschenen zijn in de 16e of 17e eeuw, hoewel het oudste opgenomen citaat van 1617 (zie boven) is. Verder zou de vervanging door neger hebben plaats gehad in de 18e eeuw. Zie echter 1644 hiervoor, terwijl ik voor Suriname de twee woorden naast elkaar gebruikt vind van 1669 tot 1738.
Nog twee pikante bijzonderheden (van Donselaar 1997). Die vondst van 1644 betreft negers als lading van een slavenschip. Dat schip, op weg naar een Zuid-Amerikaanse haven, werd blijkens het desbetreffende jaarverslag van de West-Indische Compagnie, veroverd op de Spanjaarden. En in dezelfde bundel jaarverslagen zit dat van 1636, met daarin het woord negrinne

Een planter met een negrinne


Betekenis en gevoelswaarde
Wat leert deze kennis ons als het erom gaat inzicht te krijgen in wat genoemde Surinamers bezielt als ze neger in toepassing op zichzelf als onjuist of beledigend ervaren? Nog niet veel, maar er is meer.Ten eerste: lees wat het WNT ons weet te vertellen. "Bij Europesche volken zijn de negers vooral bekend geworden als slaven in de koloniën; vandaar dat het woord neger ook in onze taal een zeer gewone term is." Inderdaad, zo begon het, zie dat schip met negers van 1644. Ten tweede: tot 1863, toen de slavernij in Suriname opgeheven werd, had het woord daar vrijwel uitsluitend de betekenis van negerslaaf. Daarna werd het al snel een scheldwoord voor de nakomelingen van de voormalige slaven, ook onder elkaar. Die hadden inmiddels de naam ‘creolen’ gekregen en aanvaard. Ten derde: je zou kunnen denken dat de slavernij nu toch wel ver genoeg achter hen en ons ligt, maar dat is een vergissing. Een eenvoudig rekensommetje wijst uit dat de oudste mensen uit deze groep (boven de 80) zelf nog een grootouder gehad kunnen hebben die hun heeft kunnen vertellen uit zijn/haar eigen jeugd als slavenkind.
Neger-Engelsch woordenboek van H.C. Focke (1855). Collectie Buku

Neger, -neger en neger- in de slaventijd
De koloniale betekenis ‘slaaf’ komt wel heel pregnant naar voren in een geschrift uit 1767, waarin een blanke plantage-opzichter in woede tegen zijn directeur roept: "Gij moet myn niet schelden, ik ben geen Neeger van jou." In de taal van de slaven zelf, het Neger-Engels, was het equivalent van het tweede deel van deze uitroep wellicht de standaardformulering als men een opdracht van een dienaangaand onbevoegde niet wenste uit te voeren. In het woordenboek van Focke (1855:88) staat namelijk bij ningre als voorbeeldzinnetje "Mi a no joe ningre". Tegenwoordig hoor je in Suriname in zo’n geval : "Ik ben je slaaf niet!".

Ter zake. Ik heb 30 samenstellingen uit de slaventijd (1667-1863) gevonden met neger als tweede element. Al deze woorden werden gebruikt door blanke meesters met Nederlands als moedertaal. Een aantal van deze woorden had toen een equivalent met ningre in het toenmalige Neger-Engels. Slaven uit Afrika, dus van overzee aangevoerd, noemde men zoutwaternegers, ter onderscheiding van de in Suriname geboren creolenegers. De overheid bezat eerst sociëteitsnegers (Suriname was aanvankelijk eigendom van de Sociëteit van Suriname), later genoemd landsnegers. In de stad sprak men van fortneger (het Fort = de stad Paramaribo), bij particulieren in dienst als huisneger, tuinneger of grasneger (sneed gras voor de koets- en rijpaarden van zijn meester en deed dienst als palfrenier).
Plantagenegers en - negerinnen op Jamaica

Onder de plantagenegers bestond een sterk gedifferentieerde taakverdeling: huisneger (ook daar); veldneger (de meesten, voor het zeer zware veldwerk), delverneger (grondwerker, nog zwaarder), wachtneger (verzorger en bewaker van de moestuin); jaagneger, vissernegerambachtneger (timmer-, smit-, metsel- en kuiperneger); roei-, boot-, pontenegerkookneger (suikerkoker), loodsneger (werkzaam in de bedrijfsgebouwen) en dresneger(lekendokter).

Als de overheid tijdelijk slaven nodig had voor iets van algemeen belang, dan werden die gevorderd en heetten commandonegers. Was het voor openbare werken, dan werden ze werknegers genoemd, moesten ze mee op een militaire ‘bospatrouille’ om weggelopen lotgenoten op te sporen en te vangen of te doden, dan waren het schutternegers of lastdragernegers.
Huis uit de slaventijd. Foto Peter de Rijk

Ook samenstellingen met neger als eerste element waren talrijk, t.w. ruim 20. Zowel in Paramaribo als ‘op plantage’ woonden de negers in negerhuizen, eenvoudige, lage woningen , veelal voor meerdere gezinnen en dan lang en in naast elkaar gelegen kamers verdeeld. In de stad stonden ze op het ‘erf’ achter het woonhuis van hun meester. Aan de zijkant liep langs dat huis een paadje van het erf naar een poort aan de straat, de negerpoortPlantagenegers hadden vaak een eigen neger(kost)grond (moestuin) en/of er werd negerkost (vooral bananen en knollen) aan hen uitgedeeld. Ze kregen ook naar behoefte een negerhoed, een negermes en een negerpijp, allemaal speciale modellen. De naam voor plantage-opzichter was negerofficier. Slaven liepen om elkaar te bezoeken, al dan niet in het geheim, van de ene plantage naar de andere over negerpaden. De taal van de slaven en de talen van de bosnegers - zie verderop - werden toen nog over een kam geschoren: Neger-EngelsNegernamen waren z.g. ‘dagnamen’, d.z. eigennamen in samenhang met iemands geboortedag (zeven per sexe). De negermacht was de uitdrukking voor de gezamenlijke slaven van één eigenaar, één huishouden, één plantage, of van het hele land, en men hielp elkaar zo nodig d.m.v. negerhuur. Iemand die zijn slaven mild behandelde werd door zijn mede-blanken spottend een negerkoning genoemd. Tenslotte: Negerjaas (een gemene huidziekte), negerpesie (een soort boontje), negervis (ongeschubde vis, niet alleen door de joden maar ook door de andere blanken versmaad) en negerkop (een soort ooievaar met een onbevederde, zwarte kop).

Neger enz. nu
Je zult neger als los woord nu in Suriname vrijwel niet meer horen, zeker niet uit de mond van de creolen zelf. In de literatuur vond ik wel, hoewel verouderend, moorneger, en één keer vernam ik strontnegerZoutwaterneger (hiervoor al genoemd) wordt nog wel eens geringschattend gebruikt voor een creool die dom of achterlijk gevonden wordt. Dat refereert aan de blijkbaar niet verloren notie dat de zoutwaternegers (als hiervoor al genoemd) indertijd bij hun aankomst volstrekt onwetend waren, namelijk over de rol die hun wachtte, en dus nog veel moesten leren. Zeker is ook dat mensen van de andere bevolkingsgroepen onder elkaar in laatdunkende zin soms over de negers spreken als ze de creolen bedoelen. Er zijn wel nog enige denigrerende afleidingen en samenstellingen van neger in algemeen gebruik, i.h.b. onder de creolen zelf. Negerachtig en vernegerd betekenen ‘vulgair, platvloers, achterlijk’. Bij negerziekten, negerdinges en de negerkant gaat het over zekere medische en magische aangelegenheden die men nu formeel beschouwt als ‘bijgeloof’. 

Bosnegers (marrons) in 1883

Bosneger
Een apart geval zijn de bosnegers, ook in de slaventijd al zo genoemd, maar toen ook wel ‘weglopers’, ‘schuilers’ en zelfs al ‘marrons’. Al werden zij nog lang beschouwd als voortvluchtige slaven, in feite waren ze vrij. Ik heb maar één hier relevant woord kunnen vinden dat vóór 1863 op hen betrekking had: Ze verschaften zich daar in het bos negerzout uit de as van zekere palm. Later gingen woorden als bosnegerdorp, bosnegerstam enbosnegertaal tot de normale woordenschat van Suriname horen.
Je leest en hoort nu steeds vaker voor deze mensen boslandcreolen of marrons. Zelf hebben ze daar in het algemeen maling aan. Ze verbouwen bosnegerrijst en bosnegerpinda’s en hun kunstig besneden houten krukjes en kammen zijn in de stad te koop als bosnegerbankje en bosnegerkam, alsmede nog allerlei ander bosnegerhoutsnijwerk.
Ziehier de status en de achtergronden van het woord neger uit het verleden en in het heden, zoals nog altijd vele creoolse Surinamers en hun nazaten in Nederland die in hun gemoed met zich meedragen. Maar (toch maar even): neger kan natuurlijk niet weg uit de woordenboeken. In Afrika wonen toch negers!

Jimmy Hendrix


Verwijzingen
J. van Donselaar, ‘Vroege vondsten van woorden (1624-1644) in de boeken van Ioahannes de Laet.’ De Woordenaar 1,1 [1997], pp. 9-10.
H.C. Focke, Neger-Engelsch woordenboek. Leiden, P.H. van den Heuvell (1855).
P.A.F. van Veen & Nicoline van der Sijs, Etymologisch woordenboek, 2e uitgave. Utrecht/Antwerpen, Van Dale Lexicografie (1997).
J. de Vries & F. de Tollenaere, Etymologisch woordenboek, 21e uitgave. Utrecht, Het Spectrum (2000).
WNT = Woordenboek der Nederlandsche Taal.

[van de site van de Fryske Academy]

donderdag 7 juni 2012

Gasbommen, lemmetjes en rijst zetten (4 en slot)

Nut en noodzaak van taalverbastering in de literatuur

door Karin Amatmoekrim

Ellen Ombre

Natuurlijk was Accord niet de eerste die bijdroeg aan de Surinaams-Nederlandse literatuur. Wij slaven van Suriname van Anton de Kom kan gezien worden als een uitgesproken anti-koloniale roman, waarin de schrijver de geschiedenis van zijn volk uit handen van de kolonisator nam en het zich voor het eerst eigen maakte. Een andere herschrijving van de geschiedenis kwam in de vorm van de postkoloniale succesroman van Cynthia McLeod, Hoe duur was de suiker. Emancipatie op taalgebied nam onder meer vorm in het werk van Edgar Cairo, die met zijn taalexperimenten een lans of drie heeft gebroken. Schrijvers als Astrid Roemer, Thea Doelwijt en Ellen Ombre brachten complexiteit aan in wat te gemakkelijk als een tweedimensionale literatuur gezien kon worden; zij sneden thema’s als homoseksualiteit en gekte aan binnen de eigen Surinaamse literatuur.

Meer nog dan zijn collega-auteurs, maakte Clark de Surinamer bewust van het eigene. Anders gezegd; hij gaf als schrijver van het volk, als geen ander ook een stem aan het volk. Dat deed hij, zoals gezegd, door ook te schrijven in het verbasterde Nederlands van het volk. Hij gaf in feite weer wat hij in het leven zag en hoorde. Salman Rushdie noemde de postkoloniale literatuur een vorm van ‘terugschrijven’ aan de oude overheersers, namelijk; het schrijven van een eigen literatuur en geschiedenis, vaak in de taal van de oud kolonisator.

Dit raakt direct aan Clarks strijd om elke uitdrukking, elk woord, ele schijnbaar verkeerd gebruikte werkwoord precies op de plaats te laten staan waar hij hem bedacht had. Het is een vorm van literaire emancipatie met Clark als fakkeldrager van de postkoloniale literatuur in Nederland.

Maar ook op andere manieren is zijn oeuvre doordrenkt van wat het volk aan verhalen had:

Apoera; foto J. Willemsen

Met De koningin van Paramaribo zette hij een personage neer dat ondanks haar exotische leven – een prostituee in het verre Paramaribo – de universele waarden van een mensenleven vorm gaf. In Tussen Apoera en Orelia maakte hij de gewaagde keuze om te schrijven over een Indiaanse liefdesgeschiedenis in het regenwoud – verder van het bed bestaat voor de Westerse lezer bijna niet. Het is een van de weinige romans die zo uitgebreid ingaat op leven en cultuur van de oorspronkelijke bewoners van Suriname, de indianen, die net als de andere bevolkingsgroepen in dat land voor altijd de gevolgen van de kolonisatie zullen voelen.

Op Tussen Apoera en Orelia volgde Bingo!, over een wijdverspreide verslaving onder de Surinaamse gemeenschap in Nederland. Het is de eerste en enige roman van Clark Accord die zich niet in het land van herkomst afspeelt. De migrant als uitgangspunt is, naast het ‘eigen’ taalgebruik en het vertellen van de eigen geschiedenis, een van de belangrijkste eigenschappen van de postkoloniale literatuur.

Toch schuilt Clarks waarde voor de postkoloniale literatuur er niet alleen in dat hij de geschiedenis herschreef vanuit het eigen perspectief, want dat deden er meer vóór hem. Zijn waarde ligt er ook niet alleen in dat hij universeel maakte wat te vaak als exotisch wordt gezien; de gekoloniseerde mens, die ook de westerling aansprak, personages die de ruimte kregen om voorbij stereotypes te bestaan. Nee, volgens mij bestaat het gewicht van zijn werk vooral uit het bereik ervan.
...een criticus... auteur van een vilein stuk...
Foto @ Nicolaas Porter
Kort na zijn overlijden vond een criticus het nodig om een essay* te schrijven waarin de kwaliteit van Clarks werk ondergeschikt werd genoemd aan zijn rol als jongen van het volk, zijn rol als mediageniek personage waarmee de Surinaamse gemeenschap kan pronken. Een nogal vilein stuk, gezien de timing ervan, maar ook een observatie die niet verder dan de oppervlakte reikt. Accord mocht dan een geliefd persoon zijn, die zich sterk verbonden voelde met ‘zijn mensen’, maar er was duidelijk meer aan de hand dan dat hij enkel een mediageniek persoon was, en een slechts matig getalenteerd schrijver.

De discussie over kwaliteit versus populariteit is hier namelijk volkomen irrelevant. Als we kijken naar wat ik voor het gemak even de autochtone Nederlandse literatuur noem, dan is al jaren duidelijk dat deze opgebouwd is uit een klein plukje literatuur, en een overgrote meerderheid van boeken van discutabele kwaliteit, ik noem ter illustratie, neem het me alstublieft niet kwalijk, KLUUN, Saskia Noort, Esther Verhoef – schrijvers wier boeken keer op keer door de mangel gehaald worden en die er desondanks geen exemplaar minder door verkopen. Hoe relevant is de discussie over kwaliteit versus merknaam dan nog, kan je je afvragen. In de postkoloniale literatuur speelt bovendien een extra kernwaarde, eentje waaraan de westerse literatuur geen boodschap meer heeft. Het gaat dan om het verspreiden van een mens- en wereldbeeld dat tegen de gangbare opvattingen ingaat. En om dat beeld te helpen verspreiden is een zekere mate van geliefdheid bij het publiek noodzakelijk.

Volgens eurocentrische opvattingen is model/actrice Iman Abdulmajid uit Somalië een witte vrouw: een Afrikaanse Kaukasische, ondanks haar bruine huid en Afrikaanse origine.

Terwijl de receptieve kant van het literaire veld zich bezig houdt met de kwaliteit van Clarks werk, gemeten naar wat eurocentrische waarden genoemd kunnen worden, strekt zijn betekenis zich veel verder uit. Zijn boeken hebben nagenoeg elke Surinamer, en een fiks aantal Nederlanders daarbij, bereikt. Daardoor is het beeld van de Surinamer, van binnenuit verteld, in alle glorie en al het verdriet, in al zijn menselijkheid en in al zijn authenticiteit, in de eigen taal, inclusief de uitdrukkingen die bij een ander gewijzigd zouden worden, dat hele eigen beeld van de echte Surinamer, verspreid geraakt onder een ongekend aantal mensen. In het ondergraven van wat men doorgaans leest, daar ligt de waarde van Clarks werk.

Hij bood niet alleen een alternatief verhaal, zoals ook de andere schrijvers die ik eerder noemde, deden. Wat vooral ook van belang is, is dat de verhalen die hij vertelde door het succes ervan een vanzelfsprekendheid kregen die de meeste andere postkoloniale boeken helaas moeten ontberen. Een roman met minder succes heeft immers slechts marginaal invloed op het debat. Clark werd al met zijn debuut het literaire veld in getorpedeerd. Door zijn succes kon niemand meer om hem heen. Door zijn succes kon ook niemand meer om zijn personages en om zijn verhalen heen – hoe exotisch of anders ze ook schenen te zijn. Hij eiste luidruchtig een plek op voor de Surinaams-Nederlandse literatuur. Zijn succes was van een omvang die vooralsnog ongekend was voor een Surinaamse auteur. Het was een succes waarvan de gemiddelde Surinamer niet durft te dromen, misschien vanwege dat idee van inferioriteit waarin hij is geboren, en waaraan Anton de Kom ooit treffend refereerde;

‘Geen volk kan tot volle wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft.’

Clarks succes zaagde aan de poten van dat complex. Boek na boek, na boek, beschreef hij dat de Surinamer het recht had om er te zijn. Dat zijn verhalen de moeite van het vertellen waard waren. Dankzij zijn grote publiek, dat inderdaad misschien nog meer van hém hield dan van zijn boeken, wist hij beweging te krijgen in het vastgeroeste beeld van de Surinamer als buitenstaander in de Nederlandse literatuur.

Clark Accord: bombels en babari

Het is misschien nog te vroeg om te zeggen wat zijn plek in de postkoloniale literatuur precies is. Duidelijk is wel al dat hij de weg vrij maakte middels zijn boeken, maar daarnaast ook met zijn eigen publieke verschijning. Hij liet geen kans onbenut om luidruchtig duidelijk te maken, met veel bombarie, met veel djoegoe djoegoe, met bombels en barbari; hier is de Surinaams-Nederlandse  literatuur – in alle kleuren en klanken van dien.

* Noot van de redactie van CU: Michiel van Kempen, 'Over de liefde voor een schrijver als rolmodel; Clark Accord 1961-2011.' In: De Gids, 174 (2011), nr. 5, pp. 555-562.

Gasbommen, lemmetjes en rijst zetten (3)

Nut en noodzaak van taalverbastering in de literatuur

door Karin Amatmoekrim


Ik noem nu een summier aantal beroemde wetenschappelijke werken, om in elk geval een idee te geven van hoe levend het debat in de postkoloniale literatuurbenadering wereldwijd is; van de Nigeriaanse Achebe naar het Midden Oosten van Saïd naar het Engelse India van Bhaba.

Saint Lucia, 150 jaar afschaffing van de slavernij

Maar niet alleen in de wetenschap is dit debat levendig; ook de bestudeerde literatuur is ongekend rijk in de voormalige koloniën over de hele wereld. In die literatuur staan bepaalde thema’s regelmatig centraal; de eigen identiteit, de eigen geschiedenis, geschreven vanuit het eigen standpunt, een algemene emancipatie van de eigen stem, het eigen zijn van de voormalig gekoloniseerde. Bij die eigen stem hoort de eigen taal. Niet alleen de taal die men van nature sprak (het Afrikaans, het Sarnami, het Javaans, om maar iets te noemen), maar vooral ook de taal die van boven opgelegd is en die in de loop der eeuwen eigen is geraakt. Taal is immers een levend iets; het is alles behalve statisch. Zoals een taal zich op de ene plek ontwikkelt, ontwikkelt hij zich op een andere plek, onder andere invloeden, geheel anders. Op Jamaica heeft zich bijvoorbeeld een rijke literatuur gevormd in het Jamaicaanse Patois. Iets verderop ligt het kleine west-indische eiland St. Lucia, dat de schrijver Derek Walcott voortbracht. Walcott combineert westerse invloeden met de eigen taal en tongval, en in zijn werk is zijn geboorte-eiland nooit ver weg. Walcott won in 1977 de Nobelprijs voor de Literatuur ‘voor zijn poëtische en intelligente oeuvre dat gedragen wordt door een historische visie, als gevolg van een multiculturele betrokkenheid.’

Het monster van het kolonialisme


Een ander voorbeeld van de ontwikkeling van de Engelse taal in de literatuur is natuurlijk het werk van Salman Rushdie. Rushdie schreef al in 1983 in zijn essay ‘Commonwealth Literature Doesn’t Exist’;

 ‘de mensen die ooit werden gekoloniseerd door een andere taal, zijn nu in hoog tempo bezig die taal opnieuw op te bouwen, temmen hem en gaan er steeds ontspannener mee om. Geholpen door de enorme flexibiliteit en omvang van de taal, bakenen ze binnen de uiterste grenzen ruime gebieden voor zichzelf af.’

Vergeleken met de mate waarop en het succes waarmee het Engels zich buiten Engeland en Amerika ontwikkelt, is het met het Surinaams-Nederlands slecht gesteld. Als we daarbij taal zien als een uiting van emancipatie, of als een tool waarmee uitdrukking aan de eigen identiteit gegeven wordt, dan is het betreurenswaardig te noemen dat de ontwikkeling van het Surinaams-Nederlands in de literatuur nauwelijks een plek heeft weten te veroveren.

De reden dat Clark Accord zo nauwkeurig omging met de Surinaams-Nederlandse uitdrukkingen in zijn boeken, lag precies in het verlengde hiervan.

De reden om de typisch Surinaamse uitdrukkingen aan te passen, gaf evenveel aanleiding om er juist aan vast te houden. Creatief gebruik van de Nederlandse taal wordt doorgaans namelijk niet erg op prijs gesteld. Worden schrijvers als Walcott en Rushdie geroemd vanwege de authenticiteit die het Engelse Patois of Hindu-Engels aan hun boeken verleent, in Nederland werkt dat niet zo. Hier deelt de literaire kritiek geen extra punten uit voor boeken waarin de Nederlandse taal verhaspeld wordt, en waarin romanpersonages uitdrukkingen gebruiken die de autochtone Nederlander verkeerd kan interpreteren. Wanneer er in een boek gesproken wordt over een gasbom, doet dat de Nederlandse lezer teveel denken aan de Tweede Wereldoorlog, en dus moet dat typisch Surinaamse woord vervangen worden door ‘gasfles’, ondanks het feit dat er niemand in Suriname is die dat woord gebruikt. Een postkoloniale benadering van deze keuze laat zien hoe groot de machtsverschillen nog altijd zijn.

Het is dan extra jammer dat er in Nederland nauwelijks sprake is van een postkoloniale literatuurkritiek. Bovendien lijkt men hier niet bijster geïnteresseerd in de pluriformiteit binnen de Nederlandse literatuur; migrantenauteurs krijgen een eigen hoekje, maar er wordt niet of nauwelijks bekeken hoe en of ze bijdragen aan het karakter van ‘de’ Nederlandse literatuur. Remco Raben schreef hierover in het Historisch Nieuwsblad:

‘Het is slecht gesteld met het postkolonialisme in Nederland. Waar in Engels- en Franstalige gebieden stevig wordt gedebatteerd over de zin en onzin van dit begrip en de daarbij horende ideeën, zijn dergelijke discussies in Nederland zo goed als afwezig. Dat is vreemd, omdat Nederland verhoudingsgewijs meer (post)koloniale immigranten herbergt dan welk ander Europees land ook.’

De lancune in de ontvangst van de literatuur kan een schrijver slechts beperkt helpen dichten. Clark Accord was het soort geëngageerd auteur dat er zijn uiterste best voor deed. Belangrijker nog was dat hij aan de andere kant van het veld maximaal bijdroeg; binnen de Surinaams-Nederlandse literatuur werd dankzij zijn oeuvre een stevige slag gemaakt. Het succes van zijn debuut zorgde er bovendien voor dat er iets veranderde in de perceptie van de Surinaamse literatuur. Immers, bij een verkoop van 120.000 exemplaren, een succes dat zich vertaalde naar de verkoop in landen over de hele wereld, kan men niet spreken van een boek dat zich in de periferie afspeelt. Het is niet langer een obscuur onderwerp dat slechts een handvol mensen in West-Indië aan zou spreken, hier was een Surinaams boek, geschreven in Surinaams-Nederlands, door een Surinaamse auteur, dat duizenden mensen wereldwijd wist te boeien.

[klik hier voor deel 4 en slot]

Gasbommen, lemmetjes en rijst zetten (2)

Nut en noodzaak van taalverbastering in de literatuur

door Karin Amatmoekrim


Clark begreep precies waar het wrong.

Kleine ingrepen, zoals het vervangen van Surinaamse uitdrukkingen voor de Nederlandse variant, zoals gasbom (voor gasfles), lemmetje (voor limoen) en het veelvuldig gebruikte zetten (voor plaatsen, neerleggen, opscheppen – ‘zet een beetje rijst voor me’), waren in essentie niet klein. Het was een statement; met het vervangen van Surinaams-Nederlandse taalelementen wordt gesuggereerd dat het een minderwaardige want afwijkende versie van onze taal is. Het Algemeen Beschaafd Nederlands geldt daarbij als ijkpunt, en dat wat ervan afwijkt behoeft correctie.
Dat Clark in deze discussie weinig wederhoor vond, ook niet altijd van mij, heeft te maken met de staat van de postkoloniale literatuur in Nederland, of je kan ook zeggen; het ontbreken van een doorontwikkelde postkoloniale literatuur in Nederland.

Vanavond zal ik uitleggen waarom het belangrijk is dat er een discours plaats vindt over deze bijzondere situatie in het Nederlandstalige gebied, en wat de bijdrage van Clark Accords oeuvre daaraan is.

Laat me eerst helder krijgen wat ik bedoel met een postkoloniale literatuur.

Het postkolonialisme is een stroming in de literatuur die zich verzet tegen het westerse kolonialisme en de overblijfselen daarvan. Daartoe breekt het de oude discussies af en vervangt deze door een meer pluriform systeem, waarbij er gezocht wordt naar alternatieve benaderingen. Een postkoloniale literatuurbenadering maakt zichtbaar hoe eurocentrisch de gangbare literaire opvattingen zijn, en dat er ongelijke krachten van culturele representatie werkzaam zijn. Het dwingt herkenning af van de meer complexe culturele en politieke grenzen waarbinnen de literatuur gevangen zit.

Anders gezegd; de postkoloniale literatuur biedt een ander beeld van de wereld die we kennen, of denken te kennen. Het is hetzelfde verhaal, verteld vanuit een ander perspectief. Bijvoorbeeld de geschiedenis van de kolonie, verteld vanuit het gezichtspunt van de gekoloniseerde.

De postkoloniale kritiek beslaat verschillende disciplines zoals de filosofie, economie, antropologie, sociologie, en dus ook de literatuurwetenschap. Het verbindende postkoloniale element zijn de thema’s en de onderwerpen. In de postkoloniale kritiek wordt allereerst de dominante, westerse benadering afgewezen. De machtsverhoudingen die hieruit voort zijn gekomen zorgen ervoor dat de zienswijze van de gekoloniseerde gemarginaliseerd wordt, en dat de eigen cultuur en identiteit als inferieur wordt gezien. Een postkoloniale kritiek heeft deels ten doel om dit in die mate te veranderen dat de eigen identiteit, de eigen culturele uitingen en kunstvormen niet langer als minderwaardig maar juist als verrijkend gezien worden.
Chinua Achebe
Nederland is uiteraard niet het enige westerse land met een koloniaal verleden. Maar terwijl de postkoloniale literatuur in bijvoorbeeld de Engelse en Franse taalgebieden al jarenlang onderwerp van discussie is, kraait er in Nederland zelden een haan naar. De Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe, bijvoorbeeld, verkocht van zijn debuut Things Fall Apart meer dan tien miljoen exemplaren en wordt gezien als een van de belangrijkste schrijvers ter wereld. In 1975 gooide hij hardhandig een knuppel in het hoenderhok toen hij Joseph Conrad, die geldt als een instituut in de Engelse literatuur, “a bloody racist” noemde. Achebe’s  essay  over Conrad is daarmee een van de beslissende momenten in de postkoloniale literatuurkritiek.

Beelden van slavernij en exotisme vormen het object van de postkoloniale cultuurkritiek

Een paar jaar later publiceerde de Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Saïd zijn beroemde boek over het Orientalisme, waarmee hij de westerse benadering van het Midden Oosten veroordeelde. Dat boek werd een van de meest invloedrijke werken in het postkolonialisme. Kritiek op Saïd kwam er in de vorm van de Indiase literatuurwetenschapper Homi Bhaba, die stelde dat er geen sprake is van vaststaande stereotiepen, zoals Saïd beschreef, maar juist van een constant spanningsveld tussen kolonisator en voormalig gekoloniseerde.

[vervolg, deel 3 klik hier]

woensdag 6 juni 2012

Gasbommen, lemmetjes en rijst zetten (1)

Nut en noodzaak van taalverbastering in de literatuur

[Clark Accord als postkoloniaal agitator]

Lezing tbv Memre Clark Accord

door Karin Amatmoekrim

11 mei 2012 – Openbare Bibliotheek Amsterdam
Clark Accord
door Nicolaas Porter


Surinamers douchen niet.

Surinamers baden namelijk. Ook als er geen sprake is van een bad, maar van een douche.

Het werkwoord dat bij die handeling gebruikt wordt, verschilt ook. Een Nederlander zou zeggen; ‘ik heb gedoucht’. Een Surinamer zegt dan; ‘ik ben gebaad’.

Kleine, schijnbaar onbelangrijke nuanceverschillen in een en dezelfde taal.

Clark Accord kon zich er niet alleen heel druk over maken, als het gebeurde dat dit soort typisch Surinaams-Nederlandse uitdrukkingen in zijn teksten voorkwamen, sprong hij er zonder reserves voor op de bres om zeker te stellen dat ze er ongewijzigd in bleven staan.

In twaalf jaar tijd schreef Clark Accord vier romans, twee toneelstukken, een bundel met columns en talloze korte verhalen en artikelen. En al die tijd bleef hij op zoek naar de ultieme redacteur. Niet dat hij nooit goede redacteuren had – hij zorgde ervoor dat hij met de beste kon werken – maar hij wilde er een die niet alleen goed was in zijn werk, een met wie hij kon sparren over de uitdagingen ervan, maar vooral ook een die hem begreep. Eentje die zijn manuscripten niet verbeterde op opmerkingen die wellicht typisch waren voor Suriname, maar niet helemaal klopten in het Nederlands.

Nu weet iedereen die Clark van dichtbij heeft meegemaakt dat hij niet vies was van een zeker diva-esque gedrag, dus het is eenvoudig om zijn zoektocht naar de perfecte samenwerkingspartner aan zijn eigen wispelturigheid te wijten. Toch zat er meer achter dan dat.

Clark was, meer nog dan andere schrijvers-tussen-twee-culturen, uitermate bewust van het mechaniek achter de wereld van de literatuur. Dat is het mechaniek van leesstijlen, traditie en literatuuropvattingen, aangestuurd door machtsverhoudingen die niet altijd even transparant zijn. Wie bepaalt immers wanneer iets juist is, en wanneer niet. En waarom ligt de macht van die bepaling eigenlijk specifiek bij die persoon? Hoe komt het dat de ene lezer het een vindt, en de ander denkt daar precies het tegenovergestelde van? Als er, om nog maar een voorbeeld te geven, in een boek iets gegeten wordt; wie bepaalt dan wat correct Nederlands, of – beter nog – wie bepaalt wat gewenst Nederlands is: ‘hij schept de rijst op’ of; ‘hij zet rijst’?

Clark besefte ten volste dat de keuze van de auteur in dit geval minstens even veel zei over de machtsverhoudingen als over zijn stijl van schrijven.



Tijdens een van onze gesprekken over het schrijverschap en alle ellende die daarmee gemoeid is, beklaagde Clark zich erover dat de uitgeverij had geopperd om Surinaamse uitdrukkingen in zijn boek cursief af te drukken, zoals men dat ook gewoon is te doen met bijvoorbeeld Engelse uitdrukkingen. Een toelichting op de uitdrukking zou onderaan de pagina afgedrukt kunnen worden. Een zinsnede zoals ik zojuist aanhaalde, bijvoorbeeld; ‘ik ga baden,’ zou onderaan de pagina een vertaling kunnen krijgen; ‘ik ga douchen.’

De suggestie kwam de uitgever op een woedende Accord te staan. Zijn tekst moest intact blijven, elk woord stond daarin op de juiste plek. Uitdrukkingen die men niet begreep, kon men plaatsen aan de hand van de geschetste context, brieste hij.

[vervolg klik hier]