Posts tonen met het label sociologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociologie. Alle posts tonen

zaterdag 15 februari 2014

Antropoloog en socioloog Dr Francio Guadeloupe over verzoening

Ingemar Francisca interviewde in het kader van de Verzoendag Antropoloog en Socioloog Dr. Francio Guadeloupe

Francio Guadeloupe
Wat betekent verzoening voor jou?
“Mijn eerste associatie met verzoening is wat zich jaren geleden in Zuid Afrika heeft afgespeeld. Ik denk in de eerste instantie aan “The truth and reconciliation commission”.
Er is echter in mijn optiek een verschil tussen verzoening en vergeving. Verzoening associeer ik met reconciliatie, waarbij een staat of maatschappij als derde partij bemiddelt tussen de conflicterende partijen. Vergeving is echter iets wat ook van persoon tot persoon kan gebeuren zonder tussenkomst van een staatspersoon,  instantie, NGO of stichting. 

Vergiffenis heeft niet perse een derde persoon nodig maar wat het wel nodig heeft is een derde taal. Het spreken van een derde taal is in een conflicterende relatie best lastig. Tijdens een conflict is er sprake van een in-balans in de relatie. Wanneer slechts één partij om vergeving vraagt, wordt er een ongezonde machtsrelatie gevoed die later voor problemen kan zorgen, er ontstaat een nieuwe in-balans. Daarom is een derde taal noodzakelijk, de taal van het “onbewust vergeten”. De derde taal is gebaseerd op een gezamenlijke interesse en doel. Je vergeet als het ware onbewust het leed wat je is aangedaan en schrijft als het ware samen een nieuw verhaal. De derde taal is altijd gebaseerd op iets buiten de relatie en bij verzoening heb je een orgaan of instantie die binnenkomt en het probleem adresseert.
Verzoening en vergeving zijn voor mij twee verschillende dingen die los van elkaar kunnen gebeuren, je hoeft bijvoorbeeld niet eerst te vergeven om te kunnen verzoenen.”

Er is in de maatschappij vandaag de dag erg veel aan de hand, is verzoening volgens jou als antropoloog mogelijk?
“Het klinkt misschien cliché, maar ik denk dat altijd alles mogelijk is onder de juiste omstandigheden. Vanuit een antropologisch perspectief, zie je dat verzoening in veel volken gebeurt met de tussenkomst van een derde. Neem bijvoorbeeld een medicijnman, beide partijen kunnen zich (spiritueel) vinden in de medicijnman als persoon en deze wordt vervolgens gevraagd om in wezen de derde taal te zijn. Er is kwaad geschied in de relatie en door het uitvoeren van bepaalde rituelen wordt het conflict als het ware in een kalebas gestopt en weggegooid. Niet alleen een ‘object’ kan de derde taal zijn maar ook een persoon. Neem bijvoorbeeld Desmond Tutu, hij nam het conflict als het ware in zich op, werd  er ziek van en gaf het vervolgens af. Verzoening is altijd mogelijk mits je de juiste instrumenten hebt.

Er is sprake van conflictoplossing wanneer er bijvoorbeeld een conflict is in de buurt. Neem de zwartenpietendiscussie. De  een ene groep ouders houdt de kinderen thuis en de andere groep vindt het feest met Sint en Piet geen probleem. Een conflict is altijd heel “helder” en je hebt heldere partijen. Er is iets gebeurd en er zijn directe en indirecte betrokkenen. Een conflictbemiddelaar luistert naar de verhalen van beide partijen en er wordt samengewerkt aan een goede oplossing/compromis. Wanneer we spreken van een ‘kwaad’, bijvoorbeeld de zwartepietendiscussie in een grotere en bredere context, m.a.w. hetracisme en achterstelling die donkergekleurde Nederlanders meemaken en aan dit feest koppelen, is er een ‘ritueel’ nodig dat er voor zorgt dat de verhalen, pijn en wederzijdse beschuldigingen van alle partijen worden verteld en opgenomen in een ‘object’ om vervolgens teniet te doen (dit is wat de the truth and reconciliation commission deed). Bij verzoening van een ‘kwaad’, structureel alledaags racisme, heb je te maken met een ‘Collective Fantasy’, een soort van historisch gegronde groepsneurose. Iedereen lijkt normaal te functioneren maar bij het miste geringste wordt er explosief naar elkaar gereageerd en kan niemand meer redelijk werken. In extreme gevallen worden er zelfs instituten bij betrokken—de beschuldiging van institutioneel racisme.”

De marine van Sri Lanka vuurt saluutschoten af bij de 66ste onafhankelijkheidsdag


Wie bepaalt wanneer er sprake is van een conflict of dat er kwaad wordt aangedaan? 
“Het is een gezamenlijke beslissing. Een conflict zorgt ervoor dat een situatie direct onwerkbaar wordt. Een situatie op je werk kan bijvoorbeeld onhoudbaar worden en een persoon in een conflict ervaart pijn. Een kwaad kan daarentegen heel lang voortbestaan. Er worden namelijk instituties opgebouwd die ervoor zorgen dat de situatie houdbaar blijft.”

Is maatschappelijke verzoening mogelijk en  wat moet daarvoor gebeuren?
“Maatschappelijke verzoening is mogelijk wanneer je instituties en organisaties hebt die allemaal erachter staan. Deze organisaties kunnen vervolgens mensen mobiliseren om  gevoelens en acties in een nieuw “object” te plaatsen waar het niet meer van hen is en het vervolgens teniet doen. Op die manier denk ik dat het mogelijk is. Dat wil niet zeggen dat verzoening altijd gerechtigheid met zich meebrengt, dat is iets anders. Verzoening heeft invloed op het conflict en ook op vergiffenis. Het zijn drie verschillende dingen die niet perse samenwerken. In Nederland is er veel sprake van conflictbemiddeling, dit zorgt ervoor dat de samenleving werkbaar is. Hoe je het ook wendt of keert, de Nederlandse samenleving functioneert. Ze kan alleen blijven functioneren omdat er steeds, op verschillende niveaus conflicten worden beslecht.”


Tot slot, Kun je ook verzoenen met jezelf?
“In mijn optiek ben je dood wanneer je compleet met jezelf bent verzoend. Dan houdt de interne dialoog op. Wanneer je ontdekt dat je bijvoorbeeld bi-seksuele gevoelens hebt, kun je jezelf en je verlangens accepteren. Vervolgens kun je de moed opbrengen om de rest van je familie te confronteren. Dat is geen verzoening maar acceptatie en moed. Om te kunnen leven als mens moet je mijns inziens in constant conflict met jezelf zijn. Jezelf continu tegenspreken en inspelen op de situatie en bepaalde verlangens, zo blijf je mens. 
Acceptatie hebben van een bepaald gevoel/verlangen die je hebt, is niet perse vrede hebben met jezelf. Het is het accepteren van het verlangen en daarop willen inspelen. Als je die constante tegenstrijd niet meer hebt, ben je dood.
De poging om te verzoenen met jezelf  is voor mij niet zozeer boven jezelf uitstijgen maar meer een dialoog aangaan met diverse delen van jezelf, gecoördineerd door emotie-redelijkheid om zo in beweging te komen.”


Over Francio Guadeloupe
Francio Guadeloupe (Aruba, 1971) kwam op zijn achttiende van de Antillen naar Nederland. Hij werkte als opbouwwerker en studeerde culturele antropologie en ontwikkelingsstudies in Nijmegen en Amsterdam. Als antropoloog is hij momenteel verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en de University of St Martin. In 2010 verzogrde hij de Rudolf van Lier-lezing van de Werkgroep Caraïbische Letteren.
Voor meer informatie over Francio Guadeloupe, klik hier


[van de website Equilibri]

maandag 10 februari 2014

'Godfather of multiculturalism' Stuart Hall dies aged 82

Sociologist influenced academic, political and cultural debate in Britain for over six decades

by Patrick Butler, social policy editor

Stuart Hall's writing on race, gender, sexuality and identity was
 considered groundbreaking. Photo © David Levene

One of Britain's leading intellectuals, the sociologist and cultural theorist Stuart Hall, has died age 82.

Known as the "godfather of multiculturalism", Hall had a huge influence on academic, political and cultural debates for over six decades.

Jamaican-born Hall was professor of sociology at the Open University from 1979 to 1997, topping off an academic career that began as a research fellow in Britain's first centre for cultural studies, set up by Richard Hoggart at the University of Birmingham in 1964. Hall would later lead the centre and was seen as a key figure in the development of cultural studies as an academic discipline.

But his impact was felt far outside the realms of academia. His writing on race, gender, sexuality and identity, and the links between racial prejudice and the media in the 1970s was considered groundbreaking.

Later he wrote for and was associated closely with the journal Marxism Today in the 1980s. The journal's critique of Thatcherism challenged traditional leftwing thinking that held that culture was determined purely by economic forces, a view that would come to influence the Labour party leaders Neil Kinnock and Tony Blair.

In one of Hall's last interviews, with the Guardian two years ago, he expressed pessimism about politics generally and the Labour party specifically. "The left is in trouble. It has not got any ideas, it has not got any independent analysis of its own, and therefore it has got no vision. It just takes the temperature: 'Whoa, that's no good, let's move to the right.' It has no sense of politics being educative, of politics changing the way people see things."

Hall was born in Jamaica in 1932, receiving a traditional "English" schooling before winning a scholarship to Oxford University in 1951. He took a degree in English but later abandoned a PhD on Henry James to concentrate on politics, setting up the Influential New Left Review journal with the leftwing academics Raymond Williams and EP Thompson.


A documentary about his life by the film-maker John Akomfrah, called The Stuart Hall Project, was shown in cinemas in September. Writing in the Observer, the journalist Tim Adams wrote of the film: "You come to see how pivotal his [Hall's] voice has been in shaping the progressive debates of our times – around race, gender and sexuality – and how an increasingly conservative culture has worked lately to marginalise his nuanced understanding of this country."

Hall had been suffering ill health for some time, and had retreated from public life.

[from theguardian.com, Monday 10 February 2014]

Klik hier voor een interview van de BBC met Stuart Hall.


donderdag 14 november 2013

Lezing “Suriname, gezond en veerkrachtig”

Avondvierdaagse. Foto © Ramon Keijzer
Het Institute for Graduate Studies & Research organiseert een lezing met als titel: “Suriname, gezond en veerkrachtig”. De inleider is Professor dr. E.R. Seydel. Hij zal aangeven waar een samenleving de veerkracht vandaar haalt om antwoord te geven op de vele uitdagingen van verlies, onzekerheid, risico of verdriet. Seydel is hoogleraar Psychologie en Communicatiewetenschap’ aan de Universiteit Twente.

De lezing wordt gehouden op woensdag 20 november 2013 in het IGSR/Staatsoliegebouw op het Universiteitscomplex en vangt aan om 19.00 uur.


[uit GFC Nieuws, 14 november 2013]

zondag 22 september 2013

Verschillen in aanpak seculariteit en ‘moslimschap’

West-Europese natiestaten waren lange tijd ervan overtuigd dat zij hun ‘probleem’ met religie hadden hadden opgelost door te kiezen voor seculariteit. Nu moslimmigranten tot moslimminderheden zijn geworden, is het complexe en kwetsbare evenwicht tussen religie en seculariteit opnieuw gedestabiliseerd. Dit heeft de omgang met moslimgroepen en met hun verlangen om een plek in de samenleving te krijgen er niet eenvoudiger op gemaakt. Dit stelt socioloog Carolina Ivanescu in haar proefschrift Regimes of Secularity. Citizenship, Religion and Muslimness in Rotterdam, Leicester and Marseille waarop zij op  19 september 2013 promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

...selectieve seculariteit...
Ivanescu onderzocht vanuit een historisch perspectief de invloed die veranderingen in houding ten opzichte van religie hebben gehad op moslimimmigranten in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. In de sterk multiculturele steden Rotterdam, Leicester en Marseille bekeek ze vervolgens hun behoeften en de problemen die zij ervaren bij het verwezenlijken daarvan. Zij ging na hoe het lokaal beleid, direct dan wel indirect, uitpakt voor moslimgroepen. Daarnaast onderzocht ze hoe elk van de drie genoemde steden omgaat met grassroots-initiatieven van islamitische groepen.

Ivanescu concludeert dat nationale en lokale overheden, de civil society, alsmede de moslimgemeenschappen zelf ieder een eigen perspectief hanteren op wat ‘moslimschap’ feitelijk inhoud. Daarbij redeneren zij vooral vanuit hun eigen belang. Nationale overheden gaan ervan uit dat het seculiere karakter van de samenleving tot elke prijs moet worden behouden, lokale overheden gaan met dit vraagstuk veel pragmatischer om, terwijl moslimgroepen zich vaak ‘islamitischer’ opstellen dan hun feitelijke opvattingen rechtvaardigen. Zo vinden ze gemakkelijker gehoor bij de autoriteiten.


Het onderzoek brengt verschillende typen seculariteit voor het voetlicht: een gepolitiseerde seculariteit in Nederland, een selectieve seculariteit in het Verenigd Koninkrijk en een voorkeursseculariteit in Frankrijk. Nederland kenmerkt zich door een morele paniek veroorzaakt door de komst van de islam, terwijl Rotterdam daarnaast specifieke genderbenadering hanteert. Het Verenigd Koninkrijk laat een door veiligheidsoverwegingen geobsedeerde visie op radicalisering zien, die een pluraal en multicultureel Leicester uitwerkt in een diversiteitgeoriënteerde benadering. In Frankrijk is de invulling van seculariteit gedomineerd door een bijna algemene blindheid ten opzichte van religie, die in Marseille is gekoppeld aan de wens om een gastvrije, multiculturele stad te creëren.

[van Wereldjournalisten, vrijdag 20 september 2013]



woensdag 18 september 2013

Creool, Marron, Afro-Surinamer

Beeld: Edward Wong Loi Sing  

door Nikki Mulder

In Guyana is het gemakkelijk: iedereen met Afrikaanse roots is African/Black of gemengd. In Suriname is de volkstelling echter aanleiding voor behoorlijk wat discussies over zwart, zwarter, zwartst. Stadscreool, plantageneger, busnengre: het zijn allemaal woorden die uiteindelijk op hetzelfde neerkomen. Of toch niet?

"Carl Breeveld en Ronnie Brunswijk zijn gewoon twee negers, ongeacht of de één nou beter geschoold is dan de ander of er bepaalde tradities op nahoudt." In een ingezonden stuk inde Ware Tijd van 12 september stelt Irwin Maatrijk resoluut dat we moeten ophouden met het indelen van de Afro-Surinaamse bevolking. Volgens hem is het koloniaal om onderscheid te maken tussen Creolen en Marrons. Wat er toe doet, zijn je Afrikaanse wortels.
Foto @ John Taylor

Zijn opiniestuk is een stevig pleidooi voor het aanpassen van een gedateerde administratie. Maar 'Creool' en 'Marron' zijn hoewel niet onbetwist ingeburgerde identiteiten. "Etniciteit geeft aan hoe personen zichzelf zien en hoe ze zich voelen", zegt Iwan Sno, de directeur van het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS). Het heeft daarom minder te maken met vaststaande kenmerken en meer met cultuur, taal en de betekenis die je er zelf aan geeft. Dat maakt etniciteit veranderlijk en wankel, maar niet minder emotioneel beladen.

Blanke Creool
Sno herinnert zich bijvoorbeeld een voorval uit de vorige telling in 2004. "Een blanke man, een geboren en getogen Surinamer, gaf 'creool' op als etniciteit." Niet zo gek met de woordenboekdefinitie van 'creool' in het achterhoofd: een afstammeling van Europeanen in Latijns-Amerika of het Caribisch Gebied. "Maar die veldwerker dacht waarschijnlijk: 'Je bent niet goed snik' en kruiste Kaukasisch/blank aan." Dat schoot de man in het verkeerde keelgat; hij joeg de ABS-teller van zijn erf.

De Verenigde Naties schrijft het stellig in zijn richtlijnen voor volkstellingen: etnische identiteit is iets wat je zelf bepaalt. Overheden of veldwerkers mogen etniciteit dus niet opleggen. Dat zoiets niet altijd even gemakkelijk is in het etnisch meest diverse land van het Caribisch Gebied, weet Sno maar al te goed. Bij elke telling moet daarom kritisch gekeken worden naar de categorieën die het ABS gebruikt om de verschillende bevolkingsgroepen te benoemen. Ook is het nodig dat iedereen ongeveer hetzelfde verstaat onder die groepen. Vooral bij Afro-Surinamers leidt dat tot veel vragen en discussies.

Foto @ Nicolaas Porter


Evenwicht
Creolen zijn historisch gezien een groep waarbinnen veel mensen in elk geval een beetje van gemengde afkomst zijn. Vroeger werd de 'gemengde' bevolkingsgroep door het ABS altijd samengevoegd met Creolen. Dat had een sociaal-politiek voordeel. Deed het ABS dat niet, dan sloeg de demografische balans over naar de Hindostanen. Op papier was er zo een evenwicht tussen de twee groepen. Socioloog Marten Schalkwijk roemt de samenstelling van de Surinaamse bevolking, van wie de grootste groep toch niet groter is dan dertig procent van het totaal. "Dat betekent dat geen enkele groep dominant is en je gedwongen bent om sámen te leven en oplossingen te vinden voor problemen."
Hindostaanse meiden

Dat administratieve evenwicht tussen Creolen en Hindostanen is er inmiddels niet meer. Sinds de vijfde volkstelling in 1980 constateert het statistiekbureau een dalende trend bij de Creoolse bevolkingsgroep. Eerst waren er nog 119.000 Creolen, daarna ongeveer 87.202 en dit jaar telde ABS er nog maar 84.933. In het rapport speculeert de organisatie over een oorzaak: "Hoogstwaarschijnlijk classificeren vele 'Creolen' zich thans als gemengd."
Foto Lousika

Gemengd
Dat zou betekenen dat mensen die zichzelf eerst zagen als Creool, maar gemengde voorouders hadden, zich nu zien als 'gemengd'. Hebben die twee etnische identiteiten dan een andere betekenis gekregen in de tussentijd? Volgens antropoloog Salomon Emanuels is dat niet waarschijnlijk. "Mensen zijn wat ze zijn. Ik denk niet dat er mensen zijn die afstand doen van hun Creoolse identiteit."
Emanuels gelooft er "heilig" in dat de groep van gemengde afkomst alleen maar zal toenemen. "Jonge Surinamers hebben ontdekt dat het niet slecht is om met iemand van een andere groep een relatie te hebben." Maar dat mensen zich opeens anders identificeren, dat denkt hij niet. De antropoloog ziet wel dat er heel veel mensen zijn die vragen hebben over hun identiteit, vanwege opa's en oma's met verschillende huidstinten, haarstijlen en oogkleuren. "Maar dat is niet zodanig dat het aantal Creolen zoveel vermindert", concludeert hij.

Spectaculaire groei
Een andere beweging binnen de Afro-Surinaamse bevolking is de toename van het aantal Marrons, die het rapport zelfs "spectaculair" noemt. Die groei is volgens het ABS niet alleen te zoeken in de vele kinderen die Marronvrouwen krijgen. In 2004 bestond de grote groep mensen van wie de etniciteit niet bekend was omdat mensen dat niet hebben aangegeven vooral uit Marrons. Zij hebben bij de afgelopen telling hun etniciteit wel opgegeven.
Volgens parlementariër Marinus Bee komt dat andere doordat de negatieve bijklank van 'Marron' is afgezwakt. Veel Marrons zijn nu op een positieve manier zichtbaar zijn in onderwijs, sport en politiek. Dat zou betekenen dat de etnische identiteit 'Marron' is veranderd: van een gestigmatiseerde, onderontwikkelde groep naar een identiteit om trots op te zijn.
Foto @ Ingrid Moesan

Wetenschappers wijzen echter ook op een rij andere verklaringen. Emanuels ziet de meest voor de hand liggende reden in de gewenning van boslandbewoners aan onderzoekers. "Vroeger wilde men niet graag meewerken uit achterdocht. Tegenwoordig zijn er zoveel organisaties uit de stad actief, dat Marrons minder wantrouwig zijn." Dat de veldwerkers tegenwoordig niet allemaal alleen maar fotoman zijn, helpt volgens hem ook het cijfer omhoogduwen.

Emanuels gelooft wel dat de politieke participatie van Marrons een verschil maakt, maar op een andere wijze dan dat Bee aangeeft. Het is volgens hem ook zeer van invloed op het vertrouwen in de overheid: "Ze geloven nu dat de belangen overeenkomen. Help je de overheid, dan help je jezelf."

Schalkwijk kijkt iets anders naar de groei van de groep. "Mensen zijn heel trots om Marron te zijn, dus het lijkt me sterk dat ze dat eerder niet wilden aangeven." Als onderzoeker ervaart hij in het binnenland bovendien meer medewerking dan in de stad, waar het vaker voorkomt dat je de toegang tot een erf wordt geweigerd. De socioloog denkt dat het waarschijnlijk is dat men de vraag gewoon niet heeft begrepen in 2004. "Het is ook vreselijk duur om onderzoek te doen in het binnenland. Ik heb geen inzicht in de financiën van ABS, maar ik kan me voorstellen dat je niet drie keer teruggaat naar Kwamala als je budget dat niet toelaat."

Foto: Sylvana Karsters

Wat de teller ziet
Eén manier om er zeker van te zijn dat mensen de 'juiste' etnische identiteit opgeven, is door de veldwerker te laten noteren wat hij of zij ziet. Schalkwijk noemt dat 'dubbele identificatie'. "Het is niet ideaal, maar je hebt wel gegevens." Hij erkent wel dat zoiets bij een 'gewoon' wetenschappelijk onderzoek gemakkelijker is dan bij een volkstelling. Je komt namelijk heel dicht bij het schenden van die heilige VN-regel: etniciteit leg je niet op.
Toch voelt ABS-directeur Sno wel iets voor zo'n controlemechanisme. "Iemand die er in alle opzichten uitziet als een Creool, maar een Chinese naam draagt, heeft natuurlijk het recht om te zeggen dat hij Chinees is. Maar wat ziet de enquêteur?" Het antwoord van de veldwerker zal niet opgenomen worden in de werkelijke telling, maar moet dienen als een test achteraf: hoeveel mensen lijken op de etnische groep die ze opgeven bij de census?
Welke mix? Foto @ Zacharias Jung

Afro-Surinamer
Een andere manier om de lastige invulling van etnische identiteit bij deze groepen op te vangen, is door hetzelfde te doen als Guyana. We nemen gewoon één overkoepelende categorie: Afro-Surinamers. Rudi Bottse, de voorzitter van de Stichting 1 juli Keti Koti, heeft bij het ABS gepleit voor deze paraplugroep. "Dat is de beste benaming voor iedereen van wie de voorouders uit Afrika kwamen. 'Creool' is een nietszeggend, achterhaald begrip", stelt hij. De benaming moet volgens Bottse Afrikaans bewustzijn stimuleren. Wel zou hij graag zien dat er binnen de groep onderscheid gemaakt wordt tussen stads-, plantage- en boslandcreool.
Bottse kreeg zijn zin, maar niet helemaal hoe hij het voor ogen had. 'Afro-Surinamer' is als aparte categorie opgenomen in de volkstelling. "De bedoeling was, lijkt me, om de verschillen tussen Creolen en Marrons weg te werken", zegt Sno, "maar nu is het gewoon een derde groep." Socioloog Marten Schalkwijk noemt die beslissing "een beetje stom". Zoals het nu is opgenomen, overlapt het met andere categorieën en snoept het aantallen van andere groepen.
Emanuels moet lachen om het initiatief. Hoewel hij ook de manier waarop het in het rapport is opgenomen in twijfel trekt, ziet hij er wel potentie in. "Voorstanders zeggen dat Creool en Marron eigenlijk hetzelfde zijn, met dezelfde Afrikaanse cultuur-historische achtergrond. Dat bewustzijn groeit, dus het zal me niet verbazen als deze groep bij de volgende telling zal groeien."
Martha Koenders

De discussies over de namen van etnische groepen onderstrepen hoe uitdagend het is om in zo'n diverse samenleving te werken met statistische categorieën. Sno heeft echter het volste vertrouwen in de statistiek: "Het wordt pas een probleem wanneer de groep 'overige/andere' te groot wordt." Intussen wacht hij op een aanvraag voor een nieuwe etnische categorie "wel met genoeg steun natuurlijk": Surinamer.

[uit de Ware Tijd, 14/09/2013]



maandag 20 mei 2013

Rails worden sterk door dwarsliggers

door Eric de Brabander

Van Nieuwkerk haalt de zweep over Mart Smeets

Afgelopen week zag ik op ‘Uitzending gemist’ een aflevering van De Wereld Draait Door waarin presentator Matthijs van Nieuwkerk Mart Smeets het vuur aan de schenen legde over de doping in de wielrennerij. Hij hield Smeets voor dat in de tijd dat Lance Armstrong de Tour de France overheerste, het binnen de gesloten gelederen van de wielersport, allang duidelijk was dat er op grote schaal met doping gefraudeerd werd. Hij vroeg Smeets, die toch duidelijk tot de fiets-incrowd behoort, of het niet zijn taak als sportjournalist was geweest deze dopingzaken openbaar te maken. Of het niet een schande was dat de journalistiek had meegewerkt aan het boerenbedrog dat de wielersport zoveel jaren was geweest.
Smeets, een grote zelfovertuigde man die al jaren het Nederlandse icoon was van de wielerjournalistiek viel van zijn voetstuk af. Hij haalde ongemeen fel uit naar Van Nieuwkerk. En plein public siste hij: ‘Als je dat denkt dan ben je nog stommer dan dat je eruit ziet.’
Dit televisieoptreden van Mart Smeets vond plaats na de presentatie van Dwarsliggers met als ondertitel Tegenspraak onder schaamteloos leiderschap. Had hij het maar gelezen. Dan was hij misschien niet zo afgegaan.

Aart Broek die van 1981 tot 2001 op Curaçao woonde en werkte, schreef tien jaar geleden het boek De terreur van schaamte waarin hij liet zien dat geweld van Curaçaose en Marokkaanse jongeren in Nederland niet terug te herleiden zijn naar culturele verschillen, maar naar schande en schaamte voor de barrière die ervoor zorgt dat ze geen deel uitmaken van de Nederlandse samenleving. De terreur van schaamte gaf een nieuwe visie over hoe gewelddadig gedrag verklaard maar ook aangepakt kan worden. Het essay was aanleiding voor de Nederlandse politiek om het beleid aangaande Antilliaanse en Marokkaanse jongeren over een andere boeg te gooien.


Laocoon en zijn zonen. Vaticaans Museum
Dwarsliggers gaat op hetzelfde gegeven een stuk verder. Schaamte als oorzaak van falend beleid in bedrijven en overheden. De auteur maakt gebruik van een stuk eigen ervaring toen hij na twintig jaar Curaçao een baan aangeboden kreeg in Katwijk. Een wethouder belastte hem met het tot stand brengen van een fusie tussen twee socialewerkvoorzieningbedrijven. Een fusie die lang gepland en politiek voorbereid was door diezelfde wethouder, maar waar zoveel haken en ogen aan zaten dat ze voor Aart Broek als projectuitvoerder niet haalbaar bleek. Broek, de brenger van de boodschap werd als dwarsligger weggezet. De wethouder sloeg net zolang om zich heen, alle waarschuwingen naast zich neerleggend, tot de fusie tot stand gekomen was. Waarna het met beide bedrijven verschrikkelijk misging.

Bij tegenspraak lijkt het prestige van zittende bestuurders op het spel te staan. Respect wordt schaamte. Om dat te voorkomen worden de gelederen gesloten. De dwarsligger wordt afgeserveerd en de plannen worden, tegen beter weten in, doorgevoerd. Zo is het gegaan met de Betuwelijn, een project dat miljarden verslonden heeft, ondanks alle tegenwerpingen. Zo ging het met de bancaire crisis. De econoom Rajan zette in 2005 al uiteen hoe en waarom de crisis zich zou aandienen bij ongewijzigd kredietverlenend beleid. Hij werd genegeerd. Drie jaar later donderden de eerste financiële instellingen om.
De oorlog in Vietnam is ook zo een enorm fout gelopen debacle waar de waarschuwers als onvaderlandslievend weggezet werden. En dan de vernietiging van Troje waar de waarschuwingen van de hogepriester Laocoon het paard niet de stad in te slepen, in de wind geslagen werden en de historie Laocoon door zeeslangen de Middellandse zee in laat trekken en laat verslinden.
Aart Broek maakt in zijn essay duidelijk dat schaamte niet iets exclusiefs is voor de Japanse, Curaçaose of Marokkaanse samenlevingen die zouden worden gekenmerkt door een ‘schaamtecultuur’.

Schaamteopwekkende praktijken van alle windstreken zijn bijvoorbeeld uitsluiting, langdurige pesterijen op school of op de werkvloer, emotionele verwaarlozing, huiselijk geweld, seksuele intimidatie en verkrachting. Alle vormen van vernedering en uitsluiting leiden tot gedrag dat schaamte en schande dient te voorkomen, ten koste van alles.
 
Tommy Wieringa (met papier in hand) in debat in 2010
In Joe Speedboat, de veelgeprezen roman van Tommy Wieringa is dit een motief. Wieringa zelf zei hierover toen hij over zijn bestseller geïnterviewd werd: ‘Wie niet ziet wat beschaming en uitsluiting tot gevolg heeft is gek. Mensen zijn voor het grootste deel van hun leven op zoek naar warmte. Een aapje dat kan kiezen tussen twee moeders, een van staal met voedsel, of een van badstof zonder, kiest de moeder van badstof. Warmte en genegenheid, eeuwige baby's zijn we, die elkaar vlooien.’

Deze menselijke eigenschap zorgt ervoor dat het op maatschappelijk niveau nogal eens misgaat. De valkuilen die ons beperkte cognitieve vermogen opwerpen vereisen gefundeerde tegenspraak. Kennis over ons individuele cognitieve vermogen, en hoezeer dat gedebiteerd wordt door schaamte, maakt het mogelijk met tegenspraak te leren omgaan.
 
Aart G. Broek. Foto @ Michiel van Kempen
Aart Broek studeerde communicatiewetenschappen, sociologie en criminologie. Hij promoveerde op een onderzoek naar de propagandapraktijk van de Rooms Katholieke missie op de Benedenwinden. Eerdere boeken van hem zijn Het zilt van de passaten; essays over Caribische cultuur, De kleur van mijn eiland; Ideologie en schrijven in het Papiamentu sinds 1863, De terreur van schaamte en Geboeid door macht en onmacht;  De geschiedenis van de politie op de Nederlandse Antillen.
Met Dwarsliggers;  Tegenspraak onder schaamteloos leiderschap, een prachtig in harde kaft uitgegeven boekje van 116 bladzijden, heeft hij laten zien dat het haalbaar is gefundeerde tegenspraak in een organisatie te integreren, waarbij de beheersing van schaamte-ervaringen centraal staat. ‘Rails worden sterk door dwarsliggers’, zo zegt hij zelf. ‘Mensen ook!’
Maar voor Mart Smeets geldt een ander gezegde. ‘Als je geschoren wordt moet je stilzitten.’

[uit Antilliaans Dagblad, zaterdag 18 mei 2013]

Aart G. Broek
Dwarsliggers;  Tegenspraak onder schaamteloos leiderschap
Essay
Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem 2013
Genaaid gebonden, 120 blz., € 17,90
ISBN 978-90-6265-826-8


zaterdag 27 april 2013

De seksuele revo van de kabulavrouw


door Nikki Mulder


 De kabulavrouw fascineert. Ze schaamt zich niet, ze is niet bang voor de roddels van de buren. Ze is de vrouw die je ’s nachts stiekem meeneemt naar huis als iedereen slaapt, niet de vrouw die je zondag aan je moeder voorstelt. Volgens socioloog Gracita Groenefelt is ze de Surinaamse ‘Pretty Woman’.

Gracita Groenefelt 

"Je kent die scène waarin Julia Roberts een chique boetiek binnenstapt? Die afkeurende ogen van de vrouwen in de kledingzaak, dat zijn de ogen van Suriname."
Ze staat het liefst voor het podium of in het midden van de dansvloer; daar waar iedereen haar ziet. Toegezongen en opgehitst door het snelle, ruwe ritme van een kabulaband draait ze haar billen. Haar uiterlijk is haar visitekaartje. Haar nagels en kapsel zijn verzorgd, haar truitje strak en haar short korter dan kort. Ze 'schuurt' met een mannelijke bewonderaar of met een andere danseres, soms is de vloer haar danspartner. De kabulavrouw zorgt voor de show, voor de peper op een party.

Creoolse jongeren dansen uitbundig op kasekomuziek tijdens owruyari. De kabulamuziekcultuur krijgt volgens sociologe Gracita Groenefelt steeds meer een nationaal karakter, doordat de muziek- en dansstijl zich verspreidt onder alle lagen van de bevolking.

Niet iedereen kan deze erotische dans echter waarderen. De geluiden op internet en tijdens inbelprogramma's op de radio zijn niet mals. De kabulavrouwen zijn volgens sommigen "erger danmotyo's" en hebben "geen respect voor zichzelf". Bovenop die afkeuring verbood de districtscommissaris van Paramaribo Zuid-West, Mike Nerkust, in maart de feesten in Pontbuiten en Latour. Ze waren uitgegroeid tot echte streetparties met de bijbehorende geluidsoverlast en liepen bovendien uit de hand.

She doesn't care
Vijf jaar geleden werd masterstudent Groenefelt vooral nieuwsgierig naar de misprezen subcultuur en in het bijzonder naar de vrouwen. "De kabulavrouw lijkt zo zelfverzekerd. Als ze een club binnenkomt, weet ze dat men kijkt. En of dat nou negatief is of bewonderend,she doesn't care." Ook keek ze op van het harde oordeel van buitenstaanders. Alle ogen waren gericht op de kabulavrouw, op haar kleding en haar gedrag. "Maar er wordt nooit gepraat over die mannen: de orgaman, de pokuman, de security guard, de kabulaman, de kiekbreker. Het is alsof zij allemaal onzichtbaar zijn."
Groenefelt wilde het verhaal van de kabulavrouwen vertellen, maar dan zonder een oordeel te vellen. "Everybody has a story", benadrukt ze. Met haar afstudeerscriptie Love me tonight, forget me tomorrow wil ze mensen aanzetten tot nadenken. Volgens haar weet de gemeenschap eigenlijk heel weinig van de kabuladans- en muziekcultuur en wordt er altijd naar gekeken vanuit het gezichtspunt van de buitenstaander. Door de mannen en vrouwen zelf aan het woord te laten, hoopt ze een ander gezicht van de subcultuur te laten zien.

Ruwe muziek
In de beginperiode van haar onderzoek waren de kabulafeestjes nog tamelijk onbekend bij het grote publiek. De muziek ontstond rond de eeuwwisseling en heeft zich ontwikkeld uit kaseko. Groenefelt schrijft in haar scriptie dat kabulabands zoals Aptijt en Avion Boys heftiger, sneller en ruwer spelen dan de klassiekere Creoolse muziekformaties. Hun teksten worden seksueel getinte uitspraken gedaan, waar ook de dansstijl op wordt aangepast.
De keurige, christelijke student trapte haar onderzoek af op een kabulafeest met Avion Boys in Club Starzz. Daar zag ze hoe de bands, de MC, de danseressen en het publiek samen één show maakten. De MC vuurde de meisjes dichtbij het podium aan en ontwikkelde samen met hen een odo voor de avond: "Suma no wani luku unu musugwe, bika wi dati no e gwe.Mi pai (mi moni), efu den no wani luku, den musu wai."

Kabula-lifestyle
Groenefelt bezocht vervolgens alle pai dansi's die ze vinden kon en interviewde orgamannen, muzikanten en kabulamannen en vrouwen. Ze sprak met hen over de muziek, over thuissituaties, liefdesrelaties en hun drijfveren. Volgens haar gaat kabula namelijk niet alleen om die vrouw, en ook niet alleen om de manier waarop ze danst. "Het is een lifestyle", zegt de jonge sociologe met nadruk. "Dansen is daar maar een onderdeel van."

Net als de Amerikaanse hiphopcultuur en de Caribische dancehallcultuur heeft kabula zich volgens Groenefelt ontwikkeld tot een levensstijl. De mensen in het 'kabulasysteem', vooral Creoolse jongeren, hebben een aparte manier van muziek maken, kleden, groeten en spreken. Ook hebben ze speciale ontmoetingsplekken, bijvoorbeeld op de stoep van een Chinese winkel. De meisjes vormen crews of kliekjes waarin ze zich sterk en zelfverzekerd voelen. De jongeren gaan naar de kabulafeesten om te ontspannen, te genieten en om gezien te worden, maar ook om bisniscontacten te leggen. Het is namelijk wel een systeem waar veel geld in omgaat.

De vaak werkeloze vrouwen kunnen op een party bijvoorbeeld hun zakken vullen met geldprijzen. De mooiste of meest sexy dame en die met de kortste rok of short gaat naar huis met bedragen vanaf honderd euro. Ook proberen ze op verschillende manieren geld los te krijgen van mannen; een man "oplichten" noemen ze dat. De heren werken daar aan mee, want: "een man die niet  versiert, een man die geen geld uitgeeft, is een sufferd. Dat is geen man."

Levensgenieter?
Het gaat de kabulavrouwen echter niet enkel om het geld, zegt Groenefelt. Genot en seks, liefde, aandacht en passie zijn voor hen minstens zo belangrijk. Dat kwam vooral naar voren in de persoonlijke gesprekken die ze met de vrouwen had. "Dan was ze opeens niet die wilde, sterke, harde vrouw, maar een vrouw met passie die hunkert naar de liefde van een man." De vraag die door Groenefelt's hoofd spookte, was of de kabulavrouw respect afdwingt met haar gedrag. Verlaagt ze zichzelf tot sensueel plezier voor de hongerige man of is ze een vrijgevochten levensgenieter?
Zelf zeggen de dames dat ze vooral genieten op de feesten. Ze voelen zich erkend, zelfverzekerd, aantrekkelijk en gewild en ze gebruiken hun sensualiteit om geld te genereren en dat gebeurt lang niet altijd door seks. Zij geeft de kabulaman haar lichaam, of het verlangen naar haar lichaam, maar verwacht er wel wat voor terug. De vrouwen in Groenefelts scriptie zijn ervan overtuigd dat een man "van stoute vrouwen houdt" en niet van "vrouwen die doen alsof ze netjes zijn en achter zijn rug om toch uitlopen".
Daarnaast is het ook niet zo dat elke willekeurige man zomaar met haar mag dansen: zíj bepaalt of ze met hem danst. Zij geeft aan of de kabulaman of kiekbreker tegen haar billen aan mag stoten en hoever hij mag gaan op dat continuüm van erotische dans tot seks. Tijdens haar onderzoek zag Groenefelt het een paar keer gebeuren dat de dansende dames een man onomwonden afwezen. "Dan draaiden ze zich om en keken echt met een dreigend, pisnijdig gezicht dat zei: 'Als je durft…!'"

Respect
Toch is het volgens de socioloog niet zo dat ze van mannen het respect krijgt waar ze naar verlangt. De kabulamannen vinden haar "fijn als mati, maar niet als serieuze partner". Ze voldoet ook voor hen niet aan het beeld van de ideale vrouw. "Een ideale vrouw zit rustig thuis. Een man moet haar versieren; zij heeft een afwachtende houding." De kabulavrouw doet het tegenovergestelde: "Ze komt sterk over. Ze vecht, ze scheldt, ze is seksueel vrij."
Ook komt de kabulavrouw volgens Groenefelt niet onder het ideaalbeeld van een vrouw uit en blijft ze de stereotype 'Pretty Woman'. Ze leeft liever niet te lang in het systeem en de beste weg uit de subcultuur is een relatie met een oudere, stabiele man met een vaste job. "Als je doorvraagt, zeggen de meesten dat ze hopen een lieve, rustige man te vinden die hen respecteert. Eigenlijk willen ze ook een nette mevrouw zijn."

Revo
Dat neemt niet weg dat de kabulavrouw misschien wel aan het begin staat van een nieuwe seksuele revolutie in Suriname. "Men doet alsof zij de enige vrouw is die op straat gaat om geld los te krijgen van mannen. Ook high society vrouwen doen het, en ook in het casino vind je er genoeg." Het wijdverspreide credo is volgens Groenefelt: "Als ik je iets geef, kan ik iets anders terug verwachten."
De socioloog vraagt zich sterk af of er niet iets borrelt in de seksuele onderbuik van de samenleving. Ze somt op: "In de dagbladen wordt er geadverteerd met escortservices en erotische massages. De gays houden elk jaar een parade en claimen hun rechten. Je kunt gewoon een bar binnenstappen en tegen een striptease aanlopen." Misschien, stelt Groenefelt voorzichtig, is dit de beginfase van een seksuele revo waarin we steeds openlijker worden over seks.

Beeld: Terence Oosterwolde & Stefano Tull


[uit de Ware Tijd, 27/04/2013]

maandag 15 april 2013

Kabula-vrouwen zijn de laatste in de pikorde

‘Voor een “snel-snel” nummertje of vluggertje zijn kabula-mannen en kiekbrekers er wel te vinden. Maar, als het gaat om het starten van een hechte intieme relatie, rennen zowel kabula-mannen als de kiekbrekers hard weg. Kabula-vrouwen zijn in hun ogen de laatste om tot vrouw te nemen en een serieuze relatie te beginnen.’ Dit komt tot uiting in de scriptie Love me tonight, forget me tamara van drs. Gracita Groenefelt.


De socioloog pakte de theorie van de Female Chauvinist Pig (FCP)-attitude en onderzocht de cultuur binnen het kabula-gebeuren. De FCP-attitude gaat ervan uit dat de hedendaagse vrouw zich als een man mag gedragen en zich net zo machtig moet voelen. Het oude beeld van vrouwen is verdwenen. Ze zijn geen tegenpolen meer van de man en niet langer meer passief, afwachtend, zwak, ondergeschikt en inferieur. Volgens deze theorie zijn vrouwen seksueel vrijgevochten en hoeven ze zich daarom niet meer te schamen voor hun seksualiteit. Het eindpunt van de FCP is dat vrouwen hun seksualiteit mogen inzetten om zaken gedaan te krijgen van mannen. Uiteindelijk zouden mannen meer respect krijgen van deze “seksueel vrijgevochten” vrouwen. Echter komen wetenschappers tot het oordeel dat FCP’s hun einddoel niet hebben gehaald. Groenefelt behoort tot die groep wetenschappers.

“De meeste mannen met wie ze in aanraking komen, willen volgens de meisjes alleen seks met ze hebben….Mannen die ze over het algemeen tegenkomen, koesteren volgens één van de meisjes inderdaad geen diepere gevoelens voor hen en ze tonen dat ook.” Dit is een fragment uit de scriptie waarin kabula-vrouwen hun ervaringen met mannen bespreken.

Op pagina 56 wordt wat de vrouwen zeggen, bevestigd door kabula-mannen. “Ze zijn wel huiverig voor om een liefdesrelatie met hen aan te gaan.” De kiekbrekersmannen gaan zelfs een stapje verder. Zij zeggen dat het een degradatie is om met een kabula-vrouw het bed te delen. Als dat toch gebeurt, zorgt hij ervoor dat zijn omgeving het niet weet. Een liefdesrelatie is uit den boze. “Deze meisjes zijn volgens hem (kiekbreker, red.) geen mensen met wie je zou kunnen optrekken. Ze geven jou een slecht voorbeeld en hij vindt ze onbeleefd en ruw.”

Ook de “orga-mannen” zouden een relatie met een kabula-vrouw als de bliksem vermijden. “Ze staan versteld van hun gedrag”, schrijft Groenefelt. “Om de ernst van de situatie aan te geven, gaf deze orgaman aan dan liever naar de hoeren te gaan dan een relatie te hebben met een kabula-vrouw……Volgens mij zijn ze dommer dan hoeren. Bepaalde van ze. Een hoer is daar om haar geld te verdienen.”


Hoewel de orgaman geen relatie met de kabula-vrouwen wil, heeft hij wel graag die vrouwen op zijn shows. Deze vrouwen spenderen alsof er geen morgen is. Hetzelfde geldt ook voor de mannen. Ook de bandleden keuren het gedrag van de kabula-vrouwen af. Maar ze zullen het ‘nooit’ openlijk zeggen. Ook zouden ze het afkeuren als een vrouwelijk familielid zich op die manier zou gedragen. Een seksuele relatie zien de bandleden wel zitten, een serieuze relatie is dan weer een stap te ver.
Volgens Groenefelt faalt de theorie van de FCP. Mannen hebben door de seksuele revolutie van de vrouw geen respect gehad voor vrouwen, integendeel. De kabula-vrouw die haar lichaam inzet om gunsten van mannen af te dwingen, wordt niet gerespecteerd. Haar lichaam is goed voor de show en seks. Een serieuze liefdesrelatie zou geen enkele man willen aangaan met die vrouwen. Kabula-vrouwen zijn de laatste in de pikorde.

‘Maar…uma na fadon.’ Een geïnterviewde legt uit dat misschien in de buurt waarin zij woont zij niet een man vindt. Maar mannen uit andere streken weten niets van haar gedrag en reputatie. Uiteindelijk gaat het om beeldschone vrouwen van overwegend Creoolse afkomst.

[uit Dagblad Suriname, 15-04-2013]

zondag 7 april 2013

Het diverse zwarte bewustzijn van Antilliaanse Jongeren

door Francio Guadeloupe


Over het zwarte bewustzijn van Antillianen lijken vaak maar twee smaken te bestaan: van ‘slachtoffers van de slavernij’ tot zij die ‘hun slavernijverleden gebruiken om Nederlanders te chanteren’. Francio Guadeloupe ziet op de Antillen dat de werkelijkheid van jongeren vele malen diverser is.

[lees hier verder op Sociale Vraagstukken]

maandag 18 maart 2013

Cariben laten we het onmogelijke vragen


Willem van Lit presenteert: Cariben laten we het onmogelijke vragen. Sinds tweeëneenhalf jaar is het Koninkrijk der Nederlanden op een unieke en merkwaardige manier versplinterd geraakt. De verhoudingen in het Koninkrijk worden echter al tijdenlang gekenmerkt door schijntolerantie, bloedeloze onverschilligheid, hysterie, een cultuur van verzet  en furie. Het Europese Nederland is nadrukkelijker in de verhoudingen verstrikt geraakt.

In dit boek speurt Willem van Lit naar de oorzaken van de obsessie voor schoonheid en schaamte in de relaties binnen het Koninkrijk, waar woede constant lijkt te heersen. De Nederlands Caribische eilanden staan centraal met bijzondere aandacht voor de situatie op Curaçao. Hij vertrekt vanuit een inleiding op het fenomeen woede en de maatschappelijke effecten daarvan op de eilanden. Menselijke relaties zijn door nijd aangetast. Waar komt die gramschap vandaan? Hij staat stil bij de filosofie van de globalisering, de westerse veroverings- en ontdekkingsgeest en wat de pioniers in hun delirium van expansie in vijf eeuwen hebben aangericht. Westerse veroveraars hebben in hun dadendrang in ongeveer 350 jaar circa 11 miljoen West-Afrikanen in ijzers afgevoerd. Door schuld, schaamte en angst is er een verzetscultuur gegroeid, waarin ‘daders’ en ‘slachtoffers’ elkaar in een pathetische omhelzing geklemd houden. Deze verziekende verstrengeling heeft zowel mentale als sociale dimensies. De omhelzing leidt tot een situatie van ‘een voortdurend uitgesteld leven’ (zoals de auteur dat noemt) en is de grondslag voor de ernstige stagnatie van de samenleving. De verschijnselen van schuld en schaamte gaan samen met een bijna onwerkelijke fascinatie voor schoonheid en vitaliteit (van de eilanden, de mensen en hun schitterende omgeving). De patronen worden nog complexer door de verweving van de (dominante) westerse mentale instelling met de restanten van de van oorsprong Afrikaanse. Het fluïdum van de geregeld oplaaiende thymos is levensgevaarlijk in het breekbare huis van schuld en schaamte, waar men gedwongen met elkaar samenwoont.

Pigeon Point, Tobago. Foto © TobagoTours

Tenslotte geeft Willem van Lit een aanzet tot een oplossing voor deze situatie van sociale boycot en blokkade. Zijn stelling is dat het menselijk vermogen tot tolerantie de enige uitweg vormt. Zijn idee van verdraagzaamheid is echter een andere dan waaraan men doorgaans gewend is. “Het is wederzijds, nadrukkelijk wederzijds en nooit eenzijdig, waarbij men de andere de wang toekeert als men op de ene klappen krijgt. Tolerantie komt niet voort uit eenzijdig gepreekte naastenliefde maar uit het op gang brengen van de dialectiek, de wederzijdse bejegening, die niet zómaar ontstaat door er maar enerzijds veel in te pompen”. Hierbij stelt hij een praktisch program voor met leiderschap als vernuft voor het ontwerp van constructieve menselijke betrekkingen in een open samenleving.
Curaçao. Foto © Bea Moedt

Michiel van Kempen, Hoogleraar Nederlands-Caraïbische literatuur Universiteit van Amsterdam schrijft in de aanhef van dit boek: “Willem van Lit dringt diep door in de Antilliaanse samenleving.  Hij speurt naar de historische wortels van cultuur en psyche en verbindt met groot gemak inzichten uit de psychologie, sociologie en de cultuurwetenschappen, om te komen tot soms verrassende vergezichten op verschijnselen waar de Antilliaanse samenleving elke dag mee te maken heeft. Dat levert een boekenkast vol stof tot nadenken op.”
Willem van Lit (1953) heeft in een eerder boek (De Caribische eilanden: het alternatief, 2009) een alternatief geschetst voor de situatie op de Nederlands Caribische eilanden. In dit nieuwe boek verdiept hij de analyse van toen en gaat een stap verder.

Prijs: 20,95 euro (indien in of via de boekhandels in Nederland of België besteld). Tevens online te bestellen via www.freemusketeers.nl of via de schrijver zelf: willemvlit@gmail.com .
Op Curaçao, Bonaire en de overige eilanden kan de prijs door omrekening in plaatselijke valuta en andere omstandigheden afwijken. Vanaf de tweede week van april zal het boek eveneens direct plaatselijk te verkrijgen zijn bij o.a. Mensing’s Caminada op Curaçao.

Op 27 maart 2013 houdt de auteur een lezing over dit boek in Lommel. Klik hier.

Op 8 april a.s. geeft de auteur een lezing bij het Liseo Boneriano op Bonaire vanaf 16.30 uur.
Op 19 april een lezing op Curaçao bij het Landhuis Ascencion vanaf 10.30 uur.
Hierbij bestaat tevens de gelegenheid het boek te verkrijgen.

zondag 17 maart 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (17 en slot)


door Willem van Lit

Het laatste deel van deze serie is het slot van dit boek: de finale overweging over de fatsoenlijke mens en de essentie van de vraag ‘hoe te leven’?



Waar moeten we nu het zwaartepunt van de redenering zoeken? Dat is de kernvraag aan het slot van dit boek. Het draait allemaal om de kwestie van de geprangde stelligheid van de menselijke smet, die de verhoudingen in het Caribische gebied met zoveel wrange verbetenheid bepaalt: daar waar men elkaar in een stalen greep vasthoudt, ziekmakend, wurgend en verstikkend. Hierdoor wordt de algemene ontwikkeling voortdurend geremd. Hoe ontsnapt men aan de terreur van schuld en schaamte, de fascinatie van elkaars vermeende postuur en gruwelijke intentie?
Hende drechi?

Een aantal dagen geleden las ik een discussie over het begrip hende drechi. Het is een begrip dat op Curaçao gebruikt wordt om fatsoenlijke mensen te typeren. Het is vanouds een beladen begrip, want het heeft direct te maken met een (impliciete) veroordeling én dus beschaming van mensen die níet tot deze groep zouden behoren. Vanouds bepaalde de katholieke kerk wie drechi was en wie niet. Daar hoorden bijvoorbeeld niet bij de vrouwen die buitenechtelijk kinderen hadden gekregen, terwijl het meer dan eens gebeurde dat vrouwen (als ‘bijvrouw’) zwanger raakten van hun shon of baas. Die baas kwam er dan zelf wél mee weg, terwijl het kind van de vrouw niet gedoopt kon worden of niet begraven mocht worden in gewijde grond (kindersterfte was in vroeger tijden niet ongewoon). Wie behoort tot de hende drechi? Wie niet? Wie treft de beschaming? Hoe zit men gevangen in het wij/zij-systeem, waar men zwijgend toe behoort of waarvan men buitengesloten is: niemand kent ons, iedereen weet en niemand spreekt. De discussie kwam weer op naar aanleiding van de politieke crisis op Curaçao in september 2012, toen men met trekken en duwen een ministersploeg aan de kant heeft gezet… omdat ze niet zouden deugen, omdat ze ondemocratisch zijn, leugenaars, bedriegers, volksverlakkers, opruiers en racisten.

Curaçao. Foto @ Bea Moedt

Drechi. Wie bepaalt dat dan? Een deel van deze ministers vertegenwoordigt de harde kant van de traditionele ‘slachtoffergroep’, zij die zeggen dat ze het meest te lijden hebben van blank racisme, (neo)kolonialisme en discriminatie. Zij eisen op harde toon onafhankelijkheid. En dit is de groep die opzij werd gezet door degenen die zichzelf als hende drechi zien. Daar ging de discussie over. Het schofferen en het te schande zetten vanuit het wij/zij explodeerden weer eens: schelden, dreigen, hard sarcasme en gitzwarte ironie in de meest banale teksten en afbeeldingen. Met alle geweld en herrie.

En ik maar pleiten voor verdraagzaamheid.

Ik las het boek van Philip Roth over de menselijk smet[1]. Ik schreef soms zelfs mee met wat hij me liet lezen. De uitgangspunten van dit hoofdstuk speelden in mijn achterhoofd mee: vrijheid, waardigheid en waarheid, menselijke waarden. Terwijl de woede-uitbarstingen op Curaçao tot een dieptepunt reikten in september 2012, schreef ik: het is alsof de prestatie van de vrijheid – een essentie om het menselijk bestaan te vervullen – in niets anders dan in schaamte en beschaming is geworteld. Dit laat niets heel van een samenleving waarin alle ruimte tot denken wordt gelaten, máár waarin elke complexiteit die de menselijk verbeelding aanzwengelt niet buiten de onwrikbare trouw aan een canon van traditionele regels mag liggen: de canon van wij en zij. Dit laatste schreef Roth over Coleman Silk die juist wilde ontsnappen aan die dwingende conventies van het wij/zij, het dodelijke mechanisme van schuld en schaamte, waar voortdurend de furie doorheen raast. En als één individu dat al niet kan, hoe zou een hele samenleving daaruit kunnen wegkomen? Silk behield het als geheim en juist daardoor raakte hij verloren en ging hij ten onder in een niemandsland (van: niemand kent mij), waar het iedereen-weet als strikken is uitgezet op een kennelijk doofstomme vlakte (van: niemand spreekt). De hende drechi, de fatsoenlijke mens… In het Europese deel van het Koninkrijk kennen we die als de politiek correcte mensen.

Het streven naar werkelijke autonomie van het individu zit gevangen in die complexen, vervuld van arrogantie en hebzucht tegenover afgunst en woede. Niemand lijkt nog het geheim te kennen van de reële onafhankelijkheid in waardigheid, waarbij men zich kan bekommeren om het ongeluk van anderen. Alles wordt gebagatelliseerd en banaal gemaakt rondom leugens omdat men het geheim niet wíl kennen. Het geheim van de protagonist van Roth die het voor zichzelf wilde houden. Het is het vergeten geheim, dat men vindt buiten de schansen. Het is het avontuur van het concept dat de zin van het leven heet en waarin de essentie en de bedoeling van ‘hoe te leven’ – dit wil zeggen de zoektocht naar de steeds weer verschuivende waarheid – verborgen is. Dit is het beginsel van civilisatie, zoals ik eerder in dit hoofdstuk heb aangegeven. Juist in die bedoeling van hoe te leven wordt het beeld van de mensen ernstig vertekend door het wij/zij, de beschaming en de razernij. Het belemmert de opdracht veranderbaar en zelfredzaam te zijn, de plicht tot oefenen van eerbied, het vermogen tot tolerantie. Wederzijds verziekt.

Vasthouden aan het eigen complex betekent dat men van de ander eist dat hij dat alleen maar respecteert, terwijl men die ander juist negeert en men tegen hem zegt dat hij ons (in dat rotsvaste wij-complex) – hetzij uit hooghartigheid óf uit afgunst – tóch nooit kán en mág snappen: ‘ons heilige geheim ligt verborgen in de geschiedenis, de tradities, en de ideeën, die u nooit zal kunnen begrijpen’. Dit wordt uitgesproken met een narrige ondertoon of met hooghartige onverschilligheid, vlak en emotieloos, afhankelijk van wie het zegt. En dát betreft nu juist de grote leugen omdat men zichzelf het avontuur ontzegt van de dynamiek van authenticiteit en identiteit.

Eliades - Ochun y Yemaya



[1] Roth, Philip, De Menselijke Smet. Uitg. Meulenhoff, Amsterdam, 2000, vert. Else Hoog.

zaterdag 16 maart 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (15)


door Willem van Lit

In dit 15e deel van hoofdstuk 6 de rol van het Europese deel van het Koninkrijk: een sleutelpositie in de ontwikkeling van verdraagzaamheid.

Nogmaals het voortdurend uitgestelde leven
Nogmaals. Op een aantal plaatsen in dit boek heb ik de rol en positie van het Europese deel van het Koninkrijk besproken. Ik kom erop terug omdat hier de sleutel steekt voor de opening.
Abraham M. Chumaceiro (1841-1902)

De houding van de Europese partner is bepalend voor de situatie op de eilanden. Dat is zonneklaar. Deze houding en opstelling zijn door de eeuwen heen steeds gekenmerkt door uitstel. Al in de 19e eeuw liet de bekende Curaçaose publicist Chumaceiro met een verzuchting weten dat Nederland met de gedachte speelde het eiland te verkopen aan Venezuela[1]. Dit wantrouwen speelt in zekere zin nog steeds, hoewel men hierbij momenteel niet direct denkt aan Venezuela. Men heeft echter voortdurend verzuimd een integraal en inhoudelijk plan te maken in een constructieve samenwerking binnen het gehele Koninkrijk. Dit is de strekking geweest van mijn boek ‘De Caribische eilanden, het alternatief’. Voortdurend is men tegen elkaars onverschilligheid, laatdunkendheid en furie  te hoop gelopen. In dit hoofdstuk heb ik stilgestaan bij die houding van schijntolerantie, die alleen bestaat uit desinteresse, onwil en lafheid. Deze houding is voortgezet na 10 oktober 2010 (101010, het magische getal) toen het land Nederlandse Antillen werd opgeheven en de boel herverdeeld werd. Meer dan ooit werd duidelijk dat de Europese partner zich ongemakkelijk voelt bij deze situatie. De bewoners van de eilanden Bonaire, St. Eustatius en Saba – tegenwoordig buitengewone gemeenten van Nederland – ondervinden dit momenteel in grove mate. Veel Nederlandse wetgeving is van toepassing verklaard, maar niet alles: dit laatste betreft dan voornamelijk de sociale wetgeving en voorzieningen. En dit treft de doorgaans arme bevolking het meest. Men weet dat men tweederangsburger is in dit Koninkrijk. Ook op de andere eilanden Aruba, Curaçao en St. Maarten ziet men dit nu duidelijk en het is een nieuwe deceptie. Men weet, meer dan voorheen, dat men binnen de federatie nooit de waardigheid zal verkrijgen, waar men als Nederlander wel recht op kan laten gelden. Een integraal en constructief koninkrijksplan is hierdoor weer verder weg dan ooit. Het zó geprezen tijdstip 101010 dat voor ruimte en vernieuwing moest zorgen, was slechts een volgende fase in de teloorgang door uitstel. Want uitstel is het.
Kunuku-huis Aruba

Waardigheid. Ik gebruik die term hier opzettelijk. Het uitgangspunt van dit hoofdstuk is juist die waardigheid. Echte verdraagzaamheid zal nooit een kans krijgen als dit merkwaardig mechanisme van voortdurend uitstel van wederzijdse acceptatie in stand blijft. Voortdurend wordt het beginsel van het wederzijdse – dat voor de werkelijke oplossing van de broeierige pathetiek moet zorgen – geweld aangedaan.

Het lijkt wel zinloos om erover te praten.

In een juridisch artikel[2] betoogt Michiel Bijkerk, een jurist op Bonaire, dat het Koninkrijk der Nederlanden een federatie is. Hij zegt dat de ware aard van het Koninkrijksstatuut (uit 1954) niet benoemd of juist vaag omschreven wordt. Men benoemt het zelfs onjuist als confederaal. De meesten hebben een onjuiste perceptie van de precieze aard van het Koninkrijk. Hij vervolgt:
Curaçao. Foto @ Bea Moedt

“In het algemeen passen ook politici, zowel Nederlandse als Antilliaanse, het Statutaire samenwerkingsverband toe als ware het confederaal van aard. Dit geschiedt vermoedelijk geheel ondoordacht. De perceptie is nu eenmaal zo en dit aspect wordt ook nooit ernstig ter discussie gesteld. Dan is het dus ook zo. Deze situatie is echter zeer treurig, omdat mede vanwege deze onjuiste perceptie de Caribische delen van het Koninkrijk steeds verder van het Nederlandse koninkrijksdeel afdrijven, dusdanig zelfs dat de Ned. Antillen en Aruba van lieverlede binnen het Koninkrijk een tweederangs-status hebben verkregen. Immers, terwijl alle rijksgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, ontberen de Caribische rijksgenoten behoorlijk bestuur en geldt voor hen een mensenrechtenregime dat niet kan tippen aan wat men in Nederland normaal en zelfs minimaal aanvaardbaar acht. Aldus zijn er in één Koninkrijk met één nationaliteit dus twee rangen van Nederlandse burgers ontstaan. Het is dan ook geen wonder dat het meest gemarginaliseerde deel van de Caribisch-Nederlandse bevolking in groten getale naar Nederland toe vlucht om daar te genieten van wat de Europees-Nederlandse bevolking een minimaal aanvaardbare rechts- en levenstandaard vindt.”

Dat was in 2002. De situatie is sindsdien niet verbeterd met onder andere het opheffen van het land Nederlandse Antillen.

Hij onderbouwt zijn betoog op staatsrechtelijke en volkenrechtelijke gronden. Hij verwijst in dit verband tevens naar het “Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten” (BUPO), dat door de Verenigde Naties is uitgegeven en dat is gebaseerd op de Universele verklaring van de Rechten van de Mens. Met dit artikel wijst hij de Europese partner op de verantwoordelijkheid van gelijkberechtiging van alle burgers binnen het federatief verband van het Koninkrijk.
Transport der koloniale reserve naar Indië, 1896

Ik ga hier niet alle juridische en inhoudelijke argumenten van Bijkerk herhalen. Het is duidelijk dat men binnen de federatie voortdurend aan de verantwoordelijkheden én bevoegdheden voorbijloopt en een echte oplossing van de ziekmakende omhelzing uitstelt. Men loopt hiermee ook voorbij aan hetgeen gedaan moet worden: de opdracht van de federatie om gezamenlijk na te denken over de toekomst. De Europese partner hoopt al eeuwen dat het vanzelf overgaat, maar dan zonder heftige fantoompijn of littekenletsel. U kan en mag gerust zijn: het gaat niet over. Na 101010 is de Europese partner juist meer nadrukkelijk in de verhoudingen verstrikt geraakt. De bestaande situatie is op een merkwaardige manier in strijd met het door Nederland zo gekoesterde Grondwetartikel 1:  “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”. Het is dit fatsoensbeginsel dat in zijn oervorm op een pleintje bij gebouwen van de Tweede Kamer midden in Den Haag nadrukkelijk in steen gehouwen is tentoongesteld. Dit is dan –  ongemakkelijk en onbehaaglijk wel – het formele deel.
...fatsoens- en tolerantiemisverstand... Foto Marek Banovski

Inhoudelijk gezien zal dit fatsoens- en tolerantiemisverstand ook niet worden opgeheven als de partners niet op basis van een integraal plan met elkaar aan het werk gaan. Hierbij zal men de arrogantie, de onverschilligheid en woede (bij de andere partner dan) moeten overwinnen. Het idee hoé, dat heb ik in dit hoofdstuk geschetst.

(wordt vervolgd)



[1] A.M. Chumaceiro ‘Is Curaçao te koop’ (1867) in de bundel Tropentaal van Wim Rutgers.
[2] Michiel Bijkerk Het Koninkrijk de Nederlanden is een federatie, Den Haag 2002. Dit artikel is te vinden via http://www.arcocarib.com/knowledge-center/document/tar-artikel-het-koninkrijk-der-nederlanden-is-een-federatie/