Posts tonen met het label vrijheid van meningsuiting. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vrijheid van meningsuiting. Alle posts tonen

donderdag 6 maart 2014

Apple weigert boek Charles Bukowski vanwege ‘getrimde vagijn’

Apple weigert de verhalenbundel Fuck Machine van Charles Bukowski in de iStore te verkopen. Dat meldt uitgeverij Lebowski vandaag.

“Your content, Fuckmachine en andere verhalen van alledaagse waanzin, has one or more issues that must be resolved”. De issues zijn, naar wij aannemen, titel (waar inderdaad geen woord Chinees bij zit) en afbeelding (van een keurig getrimde vagijn) op het omslag. Wij eisen van Apple dat dit meesterwerk van Bukowski, een American Classic, uiterlijk op zaterdag 8 maart, de dag van de Bukowski Party én Internationale Vrouwendag, te koop zal zijn in de store, anders zetten we een Moszko op de zaak.

Het is deze maand precies twintig jaar geleden dat de Amerikaanse schrijver en dichter overleed. Uitgeverij Lebowski heeft daarom besloten klassiekers uit het oeuvre van Bukowski weer uit te geven.

Het Amerikaanse bedrijf heeft al eerder publicaties geweigerd, onder andere het boek De hartsvriendin van Heleen van Royen wegens links naar pornowebsites.


[naar Tzum, literair weblog, 5 maart 2014]

dinsdag 21 januari 2014

RSF blij met vorderingen onderzoek moord Haïtiaanse journalist

door Ivan Cairo

 Paramaribo - De organisatie Journalisten Zonder Grenzen (RSF) zegt zeer ingenomen te zijn met de justitiële aanklacht tegen negen verdachten in het onderzoek naar de moord op de Haitiaanse journalist en directeur-eigenaar van Radio Haiti Inter, Jean Dominique. Hij kwam in april 2000 samen met de bewaker van zijn radiostation om het leven bij een moordaanslag.

De in 2000 vermoorde directeur-eigenaar van Radio Haïti
 Inter en journalist, Jean Dominique. 
Foto: rapadoo.com

Vrijdag deponeerde een onderzoeksrechter zijn strafdossier bij het gerechtshof op Haiti. In het dossier komt naar voren dat voormalig president Jean-Bertrand Aristide opdracht had gegeven tot de moord op Dominique. De uiteindelijke opdracht zou zijn gegeven door een van zijn naaste medewerkers en senator destijds Myrlande Pavert.

RSF zegt met gemengde gevoelens het bericht over de instaatvanbeschuldigingstelling tegen de negen verdachten te hebben ontvangen. "We verwelkomen deze belangrijke stap, een die evenwel onverwacht kwam na zoveel jaren van stilstand en straffeloosheid in een zaak die door zeven opeenvolgende onderzoeksrechters werd onderzocht", stelt de persvrijheidswaakhond.

Het strafonderzoek werd op 8 mei 2013 heropend toen Aristide als getuige werd gehoord. RSF is van mening dat nu grondig moet worden nagegaan wie waarvoor verantwoordelijk was bij deze moord. "De waarheid moet eindelijk boven tafel, 14 jaar na de moord op Dominique", zegt RSF. Evenals andere journalistenorganisaties vindt RSF dat er alles aan gedaan moet worden om de ex-senator en hoofdverdachte op Haiti te berechten. Ze woont momenteel in de VS. RSF hoopt dat Washington zal meewerken aan haar uitlevering aan Haiti.

[uit de Ware Tijd, 20/01/2014]


dinsdag 10 december 2013

Wederom islamkritiek in de literatuur

door Jerry Dewnarain

In Denemarken is onlangs een aanslag gepleegd op een jonge Palestijnse dichter Yahya Hassan. Deze jongeman staat bekend om zijn kritiek op de islam, het geloof waarin hij zelf ook opgroeide. Zijn gedichten gaan over het ‘hypocriete karakter’ van de Deense moslimgemeenschap. ‘Zo heeft hij gezegd dat moslims frauderen met sociale voorzieningen, dat ze hun kinderen slaan en dat ze niet goed integreren in de Deense maatschappij, omdat ze de Koran blijven aanhangen. Het feit dat hij zelf met school stopte en kruimeldief werd, wijt hij dan ook aan zijn immigrant-ouders en hun generatie’ (www.nos.nl). Dit is natuurlijk maar de mening van één jongeman, maar hij schrijft die op en durft het te publiceren wat hem ‘traditioneel’ de nodige doodsbedreigingen heeft opgeleverd. Geen wonder, want Yahya houdt geen blad voor zijn mond. Hij slaat zelfs niemand in de familie over. In het Nederlandse dagblad Trouw stond het volgende: ‘Hij beschrijft de ooms en neven die uit de Koran citeren, maar stiekem naar porno kijken, alcohol drinken en de sociale dienst oplichten. ... “Ik ben kwaad op mijn ouders en hun generatie. Zij hebben de problemen gecreëerd waarin ik en vele anderen zijn terechtgekomen. Zij hebben ons ermee geïndoctrineerd dat alles wat niet op henzelf lijkt, bestreden moet worden. Daarom loopt er nu een hele generatie van kutbuitenlandertjes rond die de maatschappij waarin ze leven niet erkennen”.’

Foto @ Poprochaiki

Ook in Suriname is dit herkenbaar bij jongeren. Een middelbare scholier schrijft het volgende: ‘Ik heb het verhaal van Yahya Hassan gelezen op internet. Zijn dichtbundel heb ik niet gelezen. Die is nog niet vertaald in het Nederlands, maar ik herken bepaalde dingen sterk. Bijvoorbeeld: ik ga braaf naar de moskee op feestdagen, maar als ik uitga met mijn vrienden dan drinken wij (stiekem) alcohol. Ook gaan we af en toe naar Diamond (seksclub) als we geld hebben. Maar dit doen niet alleen moslimjongeren. Ook mijn vrienden die hindoes zijn, verorberen regelmatig een hamburger met rundvlees bij Burger King. Ook zij gaan naar de hoeren, terwijl zij braaf meedoen aan de kerkdiensten van hun ouders. Ook christenen misbruiken hun kinderen, toch? Zelfs voorgangers vallen hun vrouwelijke leden in de kerk lastig! Paters hebben toch ook lang geleden jongens in de kerk misbruikt? Dus ik vind dat elk geloof zijn vieze kant heeft. Wat wel leuk van Hassan is, is dat hij veel moed heeft om dit te schrijven. Misschien omdat hij in Europa woont, is dat makkelijker. We doen allemaal gelovig als we in de moskee, kerk of tempel zijn, maar achteraf doen we allemaal dingen stiekem die volgens ons geloof verboden zijn. En juist voor die mensen die luidop zingen in de moskee of kerk, moet je oppassen, want juist zij zijn verdacht. Onderling praten wij ook erover, maar als ik dit zou schrijven zoals Hassan dat durft, zou mijn vader mij zeker slaan...’ (H.S.)

Foto @ Nakazanie


Of Hassan een mislukkeling is geworden in de Deense gemeenschap, wat te wijten is aan zijn moslimachtergrond, is voor ons moeilijk te bepalen. Dat hij de schuld van zijn eigen falen in de Deense maatschappij toeschrijft aan zijn geloof komt wel tot uiting in zijn werk. Zijn werk is erg populair in Denemarken. Zijn dichtbundel genaamd Yahya Hassan ging sinds de release op 17 oktober al 32.000 keer over de toonbank. Keerzijde van dit succes: hij is al meerdere keren met de dood bedreigd en tijdens voordrachten krijgt hij politiebewaking. In ieder geval, sinds zijn boek uit is in Denemarken is de discussie over de vrijheid van meningsuiting weer enorm opgelaaid.


donderdag 7 november 2013

JM Coetzee: Universities head for extinction



 
Novelist and academic JM Coetzee's foreword to University of Cape Town fellow Professor John Higgins's new book.


Dear John,

Thank you for letting me see your essays on academic freedom in South Africa. The general question you address - "Is a university still a university when it loses its academic autonomy?" - seems to me of the utmost importance to the future of higher education in South Africa.

Hardly less important is the junior cousin of that question, namely: "Is a university without a proper faculty of humanities (or faculty of humanities and social sciences) still a university?"


As you point out, the policy on academic autonomy followed by the ANC government is troublingly close to the policy followed by the old National Party government: universities may retain their autonomy as long as the terms of their autonomy can be defined by the state.

The National Party had a conception of the state, and the role played by education within the state, to which such tenets of British liberal faith as academic freedom were simply alien. The indifference of the ANC to academic freedom has less of a philosophical basis, and may simply come out of a defensive reluctance to sanction sites of power over which it has no control.

But South African universities are by no means in a unique position. All over the world, as governments retreat from their traditional duty to foster the common good and reconceive of themselves as mere managers of national economies, universities have been coming under pressure to turn themselves into training schools equipping young people with the skills required by a modern economy.

You argue - cogently - that allowing the transient needs of the economy to define the goals of higher education is a misguided and short­sighted policy: indispensable to a democratic society - indeed, to a vigorous national economy - is a critically literate citizenry competent to explore and interrogate the assumptions behind the paradigms of national and economic life reigning at any given moment. Without the ability to reflect on ourselves, you argue, we run a perennial risk of relaxing into complacent stasis. And only the neglected humanities can provide a training in such critical literacy.



I hope that your book will be high on the reading list of those politicians busy reshaping higher ­education in the light of national priorities, as well as of those university administrators to whom the traditional humanities have become alien ground. I hope that, having read and digested what you have to say, those politicians and administrators will undergo a change of heart. But alas, I do not believe that your hopes and mine have much chance of being realised.

There are two main reasons for my pessimism. The first is that you somewhat underestimate, in my opinion, the ideological force driving the assault on the independence of universities in the (broadly conceived) West. This assault commenced in the 1980s as a reaction to what universities were doing in the 1960s and 1970s, namely, encouraging masses of young people in the view that there was something badly wrong with the way the world was being run and supplying them with the intellectual fodder for a critique of Western civilisation as a whole.

Moonrise kingdom


The campaign to rid the academy of what was variously diagnosed as a leftist or anarchist or anti-rational or anti-civilisational malaise has continued without let-up for decades, and has succeeded to such an extent that to conceive of universities any more as seedbeds of agitation and dissent would be laughable.

The response of the political class to the university's claim to a special status in relation to the polity has been crude but effectual: if the university, which, when the chips are down, is simply one among many players competing for public funds, really believes in the lofty ideals it proclaims, then it must show it is prepared to starve for its beliefs. I know of no case in which a university has taken up the challenge.



The fact is that the record of universities, over the past 30 years, in defending themselves against pressure from the state has not been a proud one. Resistance was weak and ill organised; routed, the professors beat a retreat to their dugouts, from where they have done little besides launching the intermittent satirical barb against the managerial newspeak they are perforce having to acquire.

This leads me to the second reason why I fail to share your optimistic faith that the tide may yet be turned. A certain phase in the history of the university, a phase taking its inspiration from the German Romantic revival of humanism, is now, I believe, pretty much at its end. It has come to an end not just because the neoliberal enemies of the university have succeeded in their aims, but because there are too few people left who really believe in the humanities and in the university built on humanistic grounds, with philosophical, historical and philological studies as its pillars.

You argue that only the faculties of humanities are equipped to teach students the critical literacy that allows a culture to continually renew itself. But I envisage a telling question will be asked of you: even if we grant that critical literacy is as important as you claim, do students really need to know about Hesiod and Petrarch, about Francis Bacon and Jean-Paul Sartre, about the Boxer Rebellion and the Thirty Years War, to attain a sufficient competence in such literacy? Can you not simply design a pair of one­-semester courses - courses in which all undergraduates, no matter what their career track, will be required to enrol - one course to be entitled "Reading and Writing", in which students will be trained to dissect arguments and write good expository prose; and the other to be entitled "Great Ideas", in which they will be briefed on the main currents of world thought from Ancient Egypt to the present? A pair of courses like that will not require an entire faculty of humanities behind them, merely a school of critical literacy staffed with bright young instructors.

Basic courses in cultural literacy are not a new idea. They have been mounted at countless American universities under the rubric of "Freshman Composition". These universities have been responding to precisely the same pressure that the humanities in South Africa now feel.

Christian van Minnen - Piggy Boy


There is nothing wrong with arguing that a good humanistic education will produce graduates who are critically literate, by some definition of critical literacy. However, the claim that only the full apparatus of a humanistic education can produce critical literacy seems to me hard to sustain, since it is always open to the objection: if critical literacy is just a skill or set of skills, why not just teach the skill itself? Would that not be simpler, and cheaper too?

I could not be more strongly on your side in your defence of the humanities and of the university as the home of free enquiry. I respect your basic approach, which, as I see it, is to mount a strategic defence of academic freedom, the kind of defence that stands a chance of swaying the relevant decision-makers, as opposed to a quixotic defence that can be easily brushed aside.

But in the end, I believe, you will have to make a stand. You will have to say: we need free enquiry because freedom of thought is good in itself. We need institutions where teachers and students can pursue unconstrained the life of the mind because such institutions are, in ways that are difficult to pin down, good for all of us: good for the individual and good for society.
 
J.M. Coetzee
In institutions of higher learning in Poland, in the bad old days, if on ideological grounds you were not permitted to teach real philosophy, you let it be known that you would be running a philosophy seminar in your living room, outside office hours, outside the institution. In that way the study of philosophy was kept alive. It may be something along the same lines will be needed to keep humanistic studies alive in a world in which universities have redefined themselves out of existence.

Best regards
John Coetzee

This is an edited extract from novelist and academic JM Coetzee's foreword to University of Cape Town fellow Professor John Higgins's new book, Academic Freedom in a Democratic South Africa, published this month by Wits University Press


[from Mail & Guardian, 1 November 2013]

zaterdag 10 augustus 2013

Curaçao filmmaker arrested in Russia

Sharelly Emanuelson

Curaçao documentary filmmaker based in the Netherlands, Sharelly Emanuelson, was arrested by Russian authorities under suspicion of 'proliferating gay propaganda among Russian adolescents' while interviewing people for her latest documentary. Discussing homosexuality with Russian minors is deemed illegal by the country and subject to a 5,150 Euro fine.


Sharelly Emanuelson (1986, Curacao) graduated with a B.A. in Audiovisual Media from the School of the Arts, Utrecht and is currently undertaking a Master in Artistic Research at Royal Academy of Art, The Hague. Her film and video works, such as After the Berlin wall: Vienna (2009), Moments (2013), have been shown at film festivals in the Netherlands and abroad. She won an audience award at the Africa in the Picture film festival (2012). In addition to working on the production of films such as E leyenda di buchi fil (2008) and producing projects such as Yu di korsou performance and film festival, Sharelly curates exhibitions for “Uniarte”, a platform with a focus on Dutch Caribbean art that she founded in 2010.

[Facebook, 22 July 2013]


More: www.sharellyemanuelson.com

vrijdag 29 maart 2013

Artistieke vrijheid niet zonder grenzen

door Ginny Roos en Donovan Mijnals

“Ik denk dat er grenzen zijn, rekening houdend met ethische normen binnen een samenleving”, vindt Carl Breeveld van de éénmansfractie DOE. Net als de politicus delen ook korpschef Humphrey Tjin Liep Shie en de Schrijvergroep ’77 het standpunt dat de expressie van artiesten, zij het in muziek of poëzie, altijd verantwoord moet geschieden.

Reinforcement hield op 23 februari een reünieshow. Djoeka Lawtje werd van het podium gehaald vanwege het gebruik van ongepaste taal. Dit riep de brandende vraag op: in hoeverre bestaat artistieke vrijheid?
 Foto © Irvin Ngariman

Het van het podium verwijderen van Djoeka Lawtje tijdens de reünie van Reinforcement op 23 februari heeft heel wat stof doen opwaaien. Is de artistieke vrijheid grenzeloos?
"Het is niet aanvaardbaar als onder het mom van artistieke expressie personen of groepen worden beklad of dat er tot haat of discriminatie wordt opgeroepen." Breeveld ziet graag dat artiesten meer handelen op basis van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. "Sprekend in een openbare vergadering in De Nationale Assemblée genieten de leden immuniteit. Tóch is het maatschappelijk onacceptabel als daar allerlei groffe, opruiende of racistische taal zou worden gebruikt." Volgens de parlementariër zou zelfcensuur moeten worden toegepast. Dit neemt niets weg van de kunst, maar getuigt juist van verantwoordelijk gedrag.
Zoals gebruikelijk is de politie aanwezig bij shows. Zij kunnen besluiten om een optreden stop te zetten, zoals ze dat bij Djoeka Lawtje hebben gedaan.

"Het komt voor dat sommige artiesten het controversiële opzoeken, omdat dat verkoopt of stoer overkomt. Vloeken en het stimuleren van destructief gedrag is onacceptabel." Hij heeft daarom een oplossing om gevallen als van Djoeka Lawtje tijdens de Reinforcement-reünie te voorkomen: "Ik denk dat er een organisatie van artiesten nodig is, die een 'code of conduct' moet vaststellen." De morele gedragsregels zouden volgens de politicus in samenwerking met andere belangrijke actoren binnen de samenleving moeten worden bepaald. "Dit is belangrijk bij optredens van artiesten voor het grotere publiek en in het bijzonder waar jongeren en kinderen aanwezig zijn. Hierdoor kan optreden door de politie worden voorkomen. De politie is er immers om de openbare orde en veiligheid te garanderen."
Ismene Krishnadath wijst op een goed boek

Literair functioneel
Een 'code of conduct' werd overigens al gehanteerd door Schrijversgroep '77. "Aanvankelijk gaven wij als instructie dat er geen liederlijke taal en beledigingen gebezigd mochten worden", zegt voorzitter Ismene Krishnadath bedachtzaam. Die regel stuitte echter op kritiek van binnen de organisatie zelf. Immers is een schrijversgroep bij uitstek de plaats waar vrijheid in de taal zo breed mogelijk beleefd moet worden. Nadat die kritiek werd geuit, kwam de groep tot de conclusie dat buitensporig taalgebruik wel geoorloofd is, mits het 'literair functioneel' is. Krishnadath zet haar verhaal even 'on hold'. Alsof ze haar woorden wil laten bezinken voordat ze verder uitlegt. "Als je een karakter in een tekst iets wilt laten zeggen, kun je niet om bepaald woordgebruik heen." Op die manier kan het volgens de schrijfster juist de bedoeling van de artiest zijn om een statement te maken.

Toch behoort volgens haar niet zomaar alles onder de noemer 'literair functioneel' geplaatst te worden. Als iemand buiten zijn teksten om zomaar op het podium staat uit te schelden, dan is dat volgens de voorzitter in strijd met de sociale orde. "Ik ken de wet op dit stuk niet zo goed, maar ik weet wel dat je niet beledigend mag zijn", stelt ze. Maar ook bij de evenementorganisaties moet bekend zijn welk vlees ze in de kuip hebben bij hun activiteiten. En op basis daarvan moet vooraf regulerend opgetreden worden, vindt Krishnadath. "Stel een leeftijdsgrens vast", oppert ze. Echter zijn ook de happenings van de schrijversgroep zonder restricties voor eenieder toegankelijk. Daarmee geconfronteerd denkt ze hoorbaar diep na. De uitkomst is echter wel aannemelijk: "We kennen ons publiek. Onze bijeenkomsten worden overwegend door ouderen bezocht. Kinderen komen alleen op speciale gelegenheden."

Asociaal
Het gebruik van krachttermen op het podium waar massa's van jongeren aanwezig zijn staat volgens Breeveld vooral op gespannen voet met opvoedkundige principes. "De clips van 50 Cent, Nelly en dergelijke artiesten laten zien hoe 'gangsters' zijn. Er is geen respect voor anderen en er zijn jongeren die zich graag identificeren met deze artiesten. Dit bevordert a-sociaal gedrag waar we als samenleving als geheel de wrange vruchten van (zullen) plukken." In de muziekindustrie staat achter de titels van bepaalde liedjes 'explicit'  in een rood kader, wat aangeeft dat sommige woorden in de tekst grof, kwetsend of aanstootgevend kunnen zijn. "Deze maatregelen vloeien ook voort uit maatschappelijk verantwoord gedrag, dat steeds aan de basis moet staan van een gezonde samenleving."
Korpschef Humphrey Tjin Liep Shie

Orde en rust
Korpschef Humphrey Tjin Liep Shie bekijkt de situatie vanuit zijn ambt. "In mijn optiek is artistieke vrijheid het recht van de artiest om zich vrijelijk te uiten binnen de grenzen van wat wettelijk toegestaan en maatschappelijk aanvaardbaar is." Echter resulteert deze vrijheid soms in gebruik van krachttermen in het bijzijn van kinderen, het uiten van ernstige beledigingen of oproepen tot rassenhaat die de maatschappelijke orde en rust ernstig kunnen verstoren."De politie zal in twijfelgevallen liever moeten afzien van ingrijpen, maar wanneer zich overduidelijke gevallen voordoen zal moeten worden opgetreden."
Toch zal dat niet impulsief geschieden; "Bij een optreden waar veel publiek aanwezig is zal optreden zorgvuldig moeten worden afgewogen- immers een escalatie kan gevolgen hebben die niet te overzien zijn." Tjin Liep Shie geeft aan dat eventueel het opmaken van proces-verbaal tegen de artiest zou kunnen worden overwogen. "Overigens kan het achteraf een discussie opleveren welke woorden als krachttermen (of liederlijke taal, zoals de wet deze noemt) moeten worden beschouwd. De perceptie over de woorden die als liederlijke taal moeten worden beschouwd, verandert met de tijdgeest." Concluderend stelt de korpschef dat "zoveel mogelijk de artistieke vrijheid gerespecteerd moet worden en slechts in extreme gevallen politieoptreden moet plaatsvinden."

Aanpassen
Ook is interessant te weten wat een artiest zelf denkt over vrijheid en zelfcensuur op het podium. Van rapper en ondernemer Crazy-G is bekend dat hij geen blad voor de mond neemt als hij zijn mening moet ventileren. "Maar ik scheld niet zo gauw uit en zou geen krachttermen gebruiken bij een show waar kinderen zijn", stelt hij. Direct daarop aansluitend vindt de artiest dat hij niet het recht heeft voor een ander te bepalen hoe die zijn show draait. Als individu moet je zelf je grenzen weten te bepalen.
"Maar je moet je ook aanpassen aan je publiek. Efu yu syi taki na wan lo fayaman yu no kan go taki lief", klinkt het relativerend. Ook Crazy-G vindt dat de organisatie verantwoordelijk moet worden gehouden voor hetgeen ze presenteren: zij moeten de artiesten screenen en weten wie ze binnenhalen. "Want dat bepaalt het karakter van een show. Mensen moeten een keus hebben", beoordeelt hij indringend. En dat zou ook tot de rol van de organisatie moeten behoren: het publiek informeren welke show ze voorbereiden en daar restricties op leggen.
Een seksshow in Suriname

Verklaring
Ter illustratie noemt de artiest een fenomeen dat de laatste tijd de kop opsteekt. "Over de seksshows die de laatste tijd worden gegeven, hoor je toch ook niks?" Een retorische vraag. Er is inderdaad opvallend weinig ophef rondom dat relatief nieuwe verschijnsel waarin onder meer mannelijke en vrouwelijke strippers zich van hun beste zijde tonen. Maar die stilte heeft volgens de rapper een logische verklaring. Gegadigden weten vooraf wat voor soort show het is en niet eenieder komt zomaar binnen. "En als ik mijn huiswerk heb gedaan, dan vind ik als organisatie niet dat de politie kan bepalen hoe mijn show eruit moet zien. Trouwens de politie praat zelf ook met krachttermen, hoe kunnen ze dan verwachten dat de gewone man dat niet doet", kan hij niet nalaten op te merken.

[uit de Ware Tijd, 16/03/2013]

vrijdag 2 november 2012

Hennah Buyne overleden

De Amsterdamse oud-wethouder Hennah Buyne is op 1 november 2012 te Amsterdam op 60-jarige leeftijd overleden, zij was al enige tijd ziek.

Hennah Yvonne Buyne werd geboren in 1952 te Paramaribo. Zij kwam op haar negende naar Nederland en ging in Utrecht wonen. Een paar jaar later verhuisde ze naar Groningen, waar haar vader, in Paramaribo huisarts, een baan kreeg bij het Academisch Ziekenhuis. Hennah studeerde rechten in Groningen, was drie jaar officier van justitie en elf jaar rechter in Groningen. In 1994 kwam ze naar Amsterdam. Nadat zij in Amsterdam vier jaar rechter was geweest, werd ze raadsheer (beroepsrechter) in Arnhem. Hennah Buyne volgde in maart 2007 Ahmed Aboutaleb op als wethouder Werk en Inkomen, Educatie, Jeugd en Diversiteit en Grote Stedenbeleid (GSB). Hennah was op een ingelaste vergadering van de hoofdstedelijke PvdA unaniem gekozen als kandidaat-wethouder. Haar belangrijkste concurrenten waren Tweede Kamerlid John Leerdam (inmiddels na schandalen afgetreden) en Mavis Carrilho (zij werd in 2005 zwarte zakenvrouw van het jaar).

Naast haar functie als rechter was Hennah zeer actief in de PvdA. Ze zit in het landelijk presidium van de partij, stond op de lijst voor de Eerste Kamer en zat in een commissie die mogelijke misstanden bij de PvdA Zuidoost onderzoekt. Ze was een socialist in hart en nieren, wilde graag een wethouder worden die terug gaat naar de menselijke maat. Hennah had een mooie staat van dienst en prachtige competenties, en ze had bovenal een groot hart voor de mensen in Amsterdam.

Na precies een jaar is Hennah in maart 2008 uit haar functie van wethouder gestapt. Zij voelde zich te zeer beschadigd door commotie over een lesbrief die onderwerpen als vrijheid van meningsuiting bespreekbaar moest maken onder scholieren. Een passage die waarschuwde voor politici die aan populariteit willen winnen door bepaalde bevolkingsgroepen zwart te maken, veroorzaakte veel ophef. De PVV van Geert Wilders meende dat de tekst over die partij ging. Hennah ontkende een maand eerder tegenover de gemeenteraad zich inhoudelijk met de brief te hebben bemoeid, maar kwam daar een week later op terug. Ze liet weten het boekje wel degelijk persoonlijk te hebben laten aanpassen. Hoewel een door de VVD, een week ervoor ingediende motie van afkeuring tegen Hennah geen meerderheid haalde, besloot zij toch op te stappen. Haar integriteit werd ter discussie gesteld. Dat was een verwijt dat haar in het hart raakte. De suggestie dat ze moedwillig en doelbewust de raad zou hebben misleid, was een grove leugen volgens Hennah. Ze gaf verder aan dat zij zich in het algemeen te weinig door de gemeenteraad gesteund voelde. Haar doelen, motivatie en plannen waren onvoldoende doorgedrongen. Zo ontstond een spanningsveld tussen haar missie voor de stad en haar draagvlak in de raad.

[tekst van SurinamStars.com]

zondag 24 juni 2012

Schrijfster van The Color Purple wil geen Hebreeuwse vertaling

Alice Walker. Foto: @ Tara Todras-Whitehll/AP

Schrijfster Alice Walker wil niet dat haar boek The Color Purple nog in een Hebreeuwse vertaling door een Israëlische uitgever wordt gepubliceerd. De Amerikaanse auteur is tegen het verschijnen van de nieuwe vertaling, omdat ze een fel tegenstander is van de manier waarop Israël de Palestijnse bevolking behandelt.

Walker, die met het boek de Pulitzer Prize won, is een vurige pro-Palestijnse activist. In een brief aan uitgever Yediot Books zegt ze dat Israël ‘apartheid’ bedrijft jegens de Palestijnen. Het persbureau AP kreeg inzage in de brief.

‘Ik zou zo graag willen dat mijn boeken worden gelezen door mensen in uw land’, schrijft Walker. ‘Vooral door jongeren en door dappere Israëlische activisten (joodse en Palestijnse) die zich inzetten voor rechtvaardigheid en vrede. Ik hoop dat dit op een dag, misschien binnenkort, zal gebeuren. Maar nu is niet de juiste tijd.’

De hoofdredacteur van Yediot Books, Netta Gurevich, betreurt Walkers beslissing. Ze liet echter weten dat Walker niet de enige auteur is die weigert haar werk te publiceren in Israël.

De roman, die in het Nederlands is verschenen als De Kleur Paars, gaat over de strijd van zwarte vrouwen tegen hun belabberde positie in het zuiden van de Verenigde Staten in de jaren dertig. Het boek is al eerder in het Hebreeuws gepubliceerd. Walker steunt een beweging die Israël met boycotten en sancties onder druk wil zetten de heerschappij over de Palestijnse gebieden op te geven. Ze zat ook op één van de schepen met activisten die, zonder succes, probeerden Israëls blokkade van de Gazastrook te doorbreken.

[AD.nl]

dinsdag 1 mei 2012

Journalist Gail Eijk met dood bedreigd

Twee gewapende mannen hebben vanmorgen de cameraman van journalist Gail Eijk van Apintie Radio en TV, de programmamaker van In de Branding, klemgereden en hem een vuistvuurwapen in het gelaat gedrukt. ,,Gail e soor wan lo m* p* p* tap In De Branding. Taigi Gail tak au dede!” (Gail vertoont een hoop rotzooi op “In De Branding”. Zeg haar dat ze dood zal gaan”). De journaliste zegt in gesprek met De West, dat zowel zij als de cameraman zich wel degelijk bedreigd voelt. Ze hebben beiden aangifte gedaan bij de politie en alle beschikbare informatie verstrekt, die eventueel zou kunnen leiden tot aanhouding van de twee mannen. De reportageploeg van Apintie heeft geschokt gereageerd op het gebeurde, maar na ruggespraak met de leiding is unaniem besloten dat het programma onverkort wordt voortgezet. Politiewoordvoerder inspecteur Humphrey Naarden zegt, dat hij vanmorgen ook contact heeft gehad met Gail. ,,We nemen de zaak zeer ernstig,” aldus Naarden.

De cameraman werd omstreeks 08:00 uur vanmorgen in de buurt van de Ringweg klemgereden toen hij op zijn brommer onderweg was naar zijn werk. De twee mannen, die hem aan de kant dwongen, zaten ook op een bromfiets, maar waren gemaskerd met panties, die ze over hun hoofd hadden getrokken. Een duorijder sprong van de brommer, trok een wapen vanonder zijn hemd vandaan, greep de cameraman aan zijn kraag en drukte de loop van het wapen in zijn gezicht, waarna het dreigement volgde. Dat het allemaal in zijn buurt gebeurde, geeft Gail het idee dat ze weten waar de cameraman woont.

Gail Eijk doet een camera-inspectie kort voor een opname. De cameraman van de journalist heeft vanmorgen, al kijkend in de loop van een vuistvuurwapen, de boodschap gekregen dat Gail voor haar leven moet vrezen, omdat ze `rotzooi’ op de televisie vertoont.
Gail Eijk doet een camera-inspectie kort voor een opname. De cameraman van de journalist heeft vanmorgen, al kijkend in de loop van een vuistvuurwapen, de boodschap gekregen dat Gail voor haar leven moet vrezen, omdat ze `rotzooi’ op de televisie vertoont.

De politie heeft het sterke vermoeden, dat het dreigement verband houdt met de uitzending van gisteren, waarin een filmpje, dat vermoedelijk is opgenomen met een mobiele telefoon, wordt vertoond. Het filmpje is niet door Apintie, casu quo In De Branding gemaakt. Daarop is te zien hoe een vrouw (Dona W.) op de openbare weg te Kasabaholo een ander tot bloedens toe in elkaar slaat.
Voorbijgangers, die aanstalten maken om het slachtoffer te bevrijden, worden verhinderd door derden die in het gezelschap van de belager zijn en de mishandeling op de video vastleggen. Het filmpje is in de afgelopen dagen door deze personen verspreid. In tegenstelling tot een andere politiebron wil Naarden niet met zoveel woorden zeggen dat de bedreiging direct daarmee samenhangt, maar verklaart wel dat de politie het niet uitsluit en dat ook in die richting onderzoek wordt gedaan.

Zelf durft Gail niet te zeggen uit welke hoe de bedreiging komt. Ze vat de bedreiging wel ernstig op, maar bang is Gail niet. Na de aangifte heeft de politie haar wel enkele handige tips verstrekt met betrekking tot haar persoonlijke veiligheid.

Ze trok vanmorgen overigens ook de aandacht met het opmerkelijke bericht op haar Facebook pagina: ,, Mijn cameraman is onderweg naar het werk onder schot gehouden door twee individuen op een bromfiets. Ze reden op een roodzwarte Yamaha zonder kentekennummer. Mijn cameraman werd gevraagd om het volgende aan mij door te geven: Taigi Gail tak au dede!! Vervolgens heb ik slechts te zeggen “ De mens wikt, doch God beschikt”.” De melding kreeg veel reacties. ,,Ik heb ook veel telefoontjes van collega-journalisten, vrienden en kijkers van mijn programma’s gekregen. We gaan door,” zegt ze verder.

Met een terugblik op het programma zegt ze, dat ze verzuimd heeft om in de aankondiging van de bewuste uitzending van het actualiteitenprogramma te vermelden, dat er schokkende beelden zouden worden vertoond. Met betrekking tot de voor het slachtoffer eventueel vernederende beelden vertelt Gail verder, dat die onbedekt zijn uitgezonden in afstemming met het slachtoffer in het filmpje, dat vindt dat haar onrecht is aangedaan, omdat de politiezaak ter zake mishandeling niet naar tevredenheid zou zijn afgehandeld. In een reactie daarop heeft de afdeling Voorlichting en Publiciteit van de politie laten weten dat het geval zich heeft afgespeeld op 26 februari en dat de verdachte daags daarna op 27 februari al was aangehouden. ,,Er is een strafdossier opgemaakt en opgestuurd naar het Openbaar Ministerie voor verder afhandeling van de zaak,” aldus de politie in een verklaring.

[uit De West, 26 april 2012]

woensdag 18 april 2012

De Ware is De Ware niet meer

door Joshua Taytelbaum

Het doek is gevallen voor de Ware Tijd. Vele malen ben ik de laatste tijd kritisch geweest over het hoofdredactioneel commentaar van de Ware Tijd, maar vandaag is voor mij de grens bereikt, vanaf vandaag is de krant niet langer objectief en serieus te nemen en is zij definitief toegetreden tot propagandateam van het Bouterse-blok. Zij laat zich op sleeptouw nemen door de afdeling Blauwgrond van de NDP, die bij gebrek aan zinnige argumenten alleen maar in staat is om met een complottheorie op de proppen te komen, zoals wij die kennen van andere autoritaire regiems, zie bijvoorbeeld het Syrië van moordenaar Assad op dit moment.
Hoe anders is deze stelling van de Ware Tijd te plaatsen over de door Brunswijk vieze oorlog genoemde Binnenlandse Oorlog: “De nadruk is gevallen op de directe gevolgen van de oorlog, maar er zijn maar weinigen die kennis dragen van de sluwe en vieze rol die vanuit Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden. De broederstrijd is hier aangewakkerd en gefinancierd met steun vanuit Nederland. Daar zaten de venijnige scenarioschrijvers.” Dat Nederland een aandeel heeft gehad in de coup van 25 september 1980 en in de Binnenlandse oorlog staat buiten kijf, maar waar de Nederlandse dossiers helaas voor 60 jaar gesloten blijven, heeft de Ware Tijd kennelijk als enige toegang gehad. Kennelijk vindt de Ware Tijd het voldoende excuus voor alle misdaden tegen de menselijkheid van 8 december 1982 en van de Binnenlandse Oorlog. Tenslotte moet onze moordverdachte president ten koste van de waarheid – en niet te vergeten de objectiviteit van de krant – verdedigd worden.

Let op, hier spreekt niet God, ook niet de afdeling Blauwgrond van de NDP, maar de Ware Tijd in datzelfde hoofdredactioneel commentaar: “Een geestelijke heeft hier tijdens de protestmars in een vraaggesprek recentelijk een deel van de samenleving vernederd door te laten doorschemeren dat een deel van de bevolking dom is. Dit kan nooit Gods goedkeuring wegdragen, maar het is de taal die door de kolonisator wordt gesproken. Deze kruipt in het lichaam van handlangers hier. Zo werkt het systeem. Sommige geestelijke leiders, vakbondsleiders en politici verlenen hand- en spandiensten aan Nederland. Er is goud en olie in de Surinaamse bodem. Nederland zit in grote problemen en wil greep krijgen op de bodemschatten. Tegen die achtergrond beweegt Politiek Den Haag hemel en aarde en reist de hele wereld rond om hun doel van herkolonisatie te versnellen door te proberen Suriname klein te krijgen en een burgeroorlog aan te wakkeren.”

Dit lezende kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de hoofdredacteur van de Ware Tijd haar pen heeft overgedragen aan de voorzitter van de afdeling Blauwgrond van de NDP. Indien dit niet het geval is, dan moet zij evenals Jennifer Geerlings-Simons in dwangbuis worden afgevoerd naar ‘s Lands Psychiatrische Inrichting.

Bouva moet zijn gekleurde bril afzetten






Bouva een slechte ambassadeur voor de NDP
In Times of Suriname van vandaag staat op de voorpagina groot aangegeven dat mede-initiatiefnemer tot wijziging van de amnestiewet 1989/’92 Melvin Bouva niet onder de indruk is van de stille tocht: “Ik zag meer blanken en allochtonen”, zei het enfant terrible van de NDP. Volgens hem wist het overgrote deel van de demonstranten, met uitzondering van de nabestaanden, niet eens waarom het meeliep. Kijk, dat is wat de oppositie onderscheidt van de coalitie, want bij de coalitie was het tijdens de debatten duidelijk dat alle leden – met uitzondering van Noreen Cheung – blindelings de Grote Roerganger volgden, waar tegenover de oppositie haar aanhang massal heeft weten te mobiliseren en motiveren om mee te lopen in een stille tocht, want waarom zouden mensen die van niets weten meelopen? Dat doen alleen betaalde NDP’ers met een bord voor de kop: “Bouterse onze verlosser!” Als Bouva inderdaad van mening is dat de er doorheen gedrukte amnestiewet zal zorgen voor rust en verzoening in de samenleving, dan moet Bouva zijn gekleurde bril afzetten en anders gaan praten, want op deze wijze is hij contraproductief voor zijn eigen ideeën en die van de NDP.

donderdag 5 april 2012

De grenzen van de Surinaamse zelfcensuur

door Harmen Boerboom

“Berichten jullie in Nederland geen nonsens over Suriname hoor! Ze weten je te vinden en slaan je in elkaar.” Ik ben in het centrum van de stad bezig met het maken van straatinterviews naar aanleiding van de omstreden amnestiewet. Een man met zonnebril hangt op zijn scooter tegen een muur en praat met een andere man die al anderhalf uur achter zijn flesje bronwater op een terrasje zit.

De man met de zonnebril en ik kennen elkaar ‘van de straat’. Ik weet niet wie hij is maar wel wat hij doet. Hij is fanatiek aanhanger van President Bouterse en hij is ‘overal’. Ook nu is hij ‘aan het werk’, zo vertelt hij mij. Het inlichtingennetwerk van Bouterse is fijn gemaasd en begint tussen het volk.

Gevoel van de jaren '80
Kritiek op Nederlandse berichtgeving over Suriname is van alle tijden en bovendien vaak terecht. Maar een ‘waarschuwing’ over bestraffen van ‘nonsens’-berichtgeving door Nederlandse journalisten had ik persoonlijk al sinds het einde van de jaren ‘80 niet meer gehoord. De opmerking van de man met de zonnebril tekent de sfeer in een land waar de meningen van de voor- en tegenstanders van de omstreden amnestiewet polariseren. De discussie over dit onderwerp zorgt voor onrust en bij sommigen zelfs voor angst. “Het gevoel van de jaren ’80 komt terug,” vertelt een oudere vrouw die in de koffiebar haar pasteitje eet. “Bouterse voelt zich bedreigd door het aanstaande vonnis van het 8 decemberstrafproces, en dus moet de amnestiewet er snel komen. Hoe? Dat maakt niet uit.”

Strikte scheiding
Er is veel weerstand tegen de wet, niet in de laatste plaats in verband met de timing en de snelheid waarmee de wet in de Nationale Assemblee in behandeling is genomen. Ook internationale rechtsdeskundigen en politici hebben kritiek. Hun argumenten zijn helder: mensenrechtenschendingen kunnen volgens het internationaal recht niet onder amnestie vallen, lopende processen kunnen niet doorkruist worden door nieuwe wetgeving en een strikte scheiding tussen het politieke en het justitiële apparaat is een voorwaarde in een democratische rechtsstaat.

Zwaar op de korrel
Maar de voorstanders van de wet willen dat niet horen. En dus worden er vanuit het kabinet van de president telefoontjes gepleegd met redacties van televisieprogramma’s en kranten. Het actualiteitenprogramma ‘Panorama’ dat wordt uitgezonden op de staatszender ATV kreeg te horen dat er alleen voorstanders van de wet aan het woord gelaten moeten worden. En een ochtendblad kreeg een telefoontje naar aanleiding van een bericht over kritische geluiden in het Europees Parlement. De berichtgeving moest wat positiever zijn. Intussen is via de staatsmedia een regeringsgezinde campagne bezig en worden de oppositie en buitenlandse media zwaar op de korrel genomen door de chef voorlichting van het kabinet van de president.

Grenzen
De tijd waarin censors van de militairen de persvrijheid in Suriname belemmerden ligt ver achter ons. Maar zelfcensuur is in Suriname een bekend verschijnsel en nooit helemaal verdwenen. Bijna iedereen blijft binnen de ongeschreven grenzen, op straffe van het weigeren van medewerking bij interviews of te terugdraaien van de overheidsadvertenties. Die grenzen worden nu opnieuw bepaald en dat zet te denken.
Het effect van de telefoontjes is voor de betrokken journalisten vervelend, maar de meesten blijven hun werk zo goed mogelijk doen. De sturende telefoontjes proberen ze te negeren. Erover klagen kan juist averechts werken.

Mediawerkers
Wilfred Leeuwin van de Surinaamse Vereniging van Journalisten (SVJ) herkent zich niet in het beeld van opkomende intimidatie. Hij heeft slechts één klacht over staatsbemoeienis gekregen: die van 'Panorama'. "Wij kunnen daar weinig tegen doen. Staatsmedia worden gevoed door de overheid en worden daarom door ons op een andere wijze bekeken. We noemen hun medewerkers ook geen journalisten maar mediawerkers. Van de zogenaamde 'vrije media' hebben wij geen klachten ontvangen. Maar als die er zijn dan zullen we die openlijk aanvechten. Staatsbemoeienis en intimidatie worden door de SVJ niet geaccepteerd."

Revolutionaire machinerie
Ik ben intussen klaar met het opnemen van mijn straatinterviews. Veel mensen die ik aansprak liepen door en wilden niet praten. Maar ik heb een paar mooie quotes kunnen optekenen over polarisering in de maatschappij en een grimmiger wordende sfeer in het land. Voordat ik naar huis ga drink ik elders in de stad nog een biertje. Een man aan de tafel naast mij ziet mijn apparatuur en spreekt me aan. “Meneer, u bent journalist? U moet oppassen. Dit land lijkt misschien vrij voor u. Maar de revolutionaire machinerie van dertig jaar terug staat nog in het vet en kan binnen een dag operationeel zijn.”

[RNW, 1 april 2012]

vrijdag 27 januari 2012

Persvrijheid is een groot goed, maar wat doe je ermee?

door Joshua Taytelbaum

De media besteden vandaag aandacht aan de de door Reporters Without Borders (RFS) gepubliceerde lijst met een vergelijkende waardering van de persvrijheid over de hele wereld, waarop Suriname dit jaar is gestegen, of zoals de Ware Tijd het noemt, de persvrijheid is onder Bouterse ‘verbeterd’. Maar goed dat de schrijver van het stuk, Ivan Cairo,' verbeterd' tussen aanhalingstekens plaatst, want het blijft natuurlijk allemaal relatief en het is nooit los te zien van de persoon van de beoordelaar, dus het is ook altijd subjectief. Uit dit rapport blijkt dat Suriname op een ranglijst van 179 landen van de 35e plaats in 2010 is opgeklommen naar de 22e plaats in 2011. Afwezigheid van geweld en ernstige schending van vrijheid van meningsuiting bepalen de score die een land krijgt. We mogen echter pas tevreden zijn als wij samen met het merendeel van de Europese landen ergens in de top eindigen.

Naar zijn mening gevraagd beklaagde de voorzitter van de Surinaamse Vereniging van Journalisten (SVJ), Wilfred Leeuwin, zich erover dat de media worden belemmerd om zelf de informatie te vergaren over processen en besprekingen die gaande zijn, zij moeten het doorgaans stellen met een comminiqué dat de regering uitgeeft op de staatszenders of in haar bij de dagbladen ingesloten katern ‘De Overheid’, dat de samenleving echter alleen maar ‘zoetsappige’ verhaaltjes voorhoudt. Leeuwin maakt echter niet duidelijk op welke wijze zij belemmerd worden, maar waarschuwt enkel voor ‘luiheid’ onder journalisten die zich hiermee tevreden stellen. Voor het eerstvolgende onderzoek zullen Reporters Without Borders zich breder moeten oriënteren, oordeelt Leeuwin in zijn gesprek met Ivan Cairo. Maar als het waar is wat Paul Kraaijer op Facebook beweert, namelijk dat Cairo het contact en dus ook de aangever is voor RFS, dan komt Cairo’s verslag in een heel ander licht te staan, hij mag zichzelf dus prijzen dat Suriname op die lijst is gestegen! Leeuwin had hem dus moeten vragen om aan de RFS door te geven dat ze volgend jaar eigen, onafhankelijke waarnemers moeten sturen, maar zo werken RFS helaas niet.


Wat doe je met je persvrijheid?
De kritiek van Leeuwin is net zo goedkoop als de luiheid die hij zijn collega’s verwijt. Gelijk heeft hij waar hij zegt dat men zich tevreden stelt met de door de overheid gegeven –veelal te oppervlakkige en onvolledige– informatie. Maar als Leeuwin oordeelt dat de overheid tekortschiet, moet hij onmiddellijk daaraan koppelen dat ook de journalistiek tekortschiet door niet zelf op onderzoek uit te gaan en zelf research te plegen. Denk maar niet dat het elders zo zou zijn dat de journalist alles op een presenteerblaadje krijgt aangeleverd. Het is nu juist de taak van de journalist om te beoordelen of de hem verstrekte informatie juist is, en zo niet, zélf op onderzoek uitgaan om de waarheid boven tafel te krijgen, en dat is nu precies waar het de Surinaamse journalistiek aan schort.

Research
Een ‘fraai’ voorbeeld is de ‘affaire’ Sasur, die door de media tot een ware hysterie is opgeklopt zonder dat er ook maar één journalist op het idee is gekomen om te onderzoeken wat Sasur is, hoe Sasur werkt en wat er wáár is van alle smadelijke verhalen die de media ongestraft publiceren. Zelfs Times of Suriname, die op gegeven moment niet anders kón dan constateren dat de media zich met hun hetze tegen Sasur schuldig maken aan machtsmisbruik, heeft het daarbij laten zitten, in plaats van met een op feiten gebaseerd en informatief artikel de zaak voor eens en voor altijd recht te zetten en uit de wereld te helpen. Wat heb je aan persvrijheid als je geen gebruik maakt van die vrijheid? Niets dus, want alle aan de Surinaamse media verbonden journalisten hebben –in strijd met alle journalistieke codes– alleen maar het woord van hun broodheer gesproken.

Dat is behalve een jammerlijke ook een vreemde conclusie, want een journalist zou als geen ander moeten weten wat auteursrechten zijn. De journalisten claimen wel auteursrechten op hun eigen werk, maar als het gaat om de auteursrechten van ‘songwriters/composers’ is het opeens een ver-van-hun-bed show en prediken zij klakkeloos –alsof er geen journalistieke ethiek bestaat– des broodheren woord. Trouwens, mij is bekend dat de Ware Tijd, toen nog met Desi Truideman als hoofdredacteur, zonder toestemming of vermelding van herkomst iets heeft gestolen uit een ingezonden stuk. In dat stuk was een woordspeling verwerkt, er werd naar analogie van SOA’s gesproken over POA’s: Politiek Overdraagbare Aandoeningen. Dat ingezonden stuk is niet geplaatst, maar Wienied maakte er diezelfde dag nog mooie sier mee in de column “Dingen van de dag”. Toen de inzender reclameerde gaven de ‘heren’ niet thuis.
Kortom, de Surinaamse journalisten kunnen maar beter hun huiswerk gaan maken in plaats van genoegzaam achterover te leunen vanwege een hogere ‘ranking’.

Zie ook het eerdere bericht SVJ oneens over 'drastische vooruitgang' persvrijheid

SVJ oneens over 'drastische vooruitgang' persvrijheid

Reporters Without Borders (RFS) heeft op basis van een vragenlijst die ingevuld is door slechts één journalist bepaald dat persvrijheid in Suriname dertien plekken vooruit is gegaan. Suriname klimt op de wereldranglijst naar een gedeelde 22ste plek van 197 landen. De Surinaamse Vereniging van Journalisten (SVJ) is verbaasd over de drastische positieve vooruitgang die Suriname krijgt over persvrijheid.

“De verbazing van de SVJ wordt vergroot als achteraf wordt begrepen dat RFS geen relevante referentie heeft gebruikt om tot deze notering te komen”, zegt de SVJ in een verklaring, ondertekend door voorzitter Wilfred Leeuwin. Op de vragenlijst die een journalist voorgeschoteld heeft gekregen, konden vragen alleen met ‘ja’ en ‘nee’ worden beantwoord. “De SVJ als georganiseerde beroepsinstantie en bewaker van de persvrijheid in Suriname is nimmer hierover geconsulteerd”, staat in de verklaring.

Schouderklopje
Reagerend op het rapport, dat overigens weinig of helemaal geen informatie geeft over het journalistiek gebeuren in Suriname of de beleving van persvrijheid, moet de SVJ constateren dat gezien de genoteerde redenen voor deze drastische vooruitgang, het niets anders is dan een schouderklopje voor instanties en instituten, zoals de overheid, die eventueel een gevaar kunnen vormen voor de persvrijheid in Suriname. Als reden voor deze drastische vooruitgang wordt in het rapport aangegeven dat er zich in 2011 geen noemenswaardige schendingen van persvrijheid hebben voorgedaan en er ook geen fysiek geweld heeft plaatsgevonden tegen journalisten. “Op zich klopt dit en mogen we verheugd zijn dat ‘ook’ in 2011 geen enkele journalist vanwege zijn of haar werk is mishandeld, voor het gerecht is gedaagd of vermoord. Maar voor de SVJ is dat juist de reden waarom 2011 aangemerkt kan worden als het jaar waarin de persvrijheid wel degelijk onder druk is komen te staan. Juist in dat jaar is er verschil te merken en kan een vergelijking gemaakt worden met voorgaande jaren.


Tekening: Ad Kolkman

Als de persvrijheid in Suriname met 13 posities op de ranglijst vooruit gaat ten opzichte van het jaar 2010, is het makkelijk de vraag te stellen wat het verschil is tussen beide meetmomenten. Wat is minder of meer geworden. De SVJ stelt vast dat in 2011 de communicatie tussen de overheid en de vrije media slechter is geworden. De overheid kiest er eerder voor zelf gedoceerde informatie te verstrekken aan de gemeenschap. In 2011 zijn de mediabedrijven Dagblad Suriname en het avondblad De West, waar journalisten werken, vanuit de overheid belemmerd en beknot in de uitoefening van hun werk. In 2011 is de verbale intimidatie naar journalisten toe toegenomen. Hierover zijn bij de SVJ opmerkelijk veel klachten binnengekomen van journalisten. In 2011 is door de regering een aanzet gegeven voor het instellen van een mediaraad. Hierbij moet opgemerkt worden dat de eerste en voorlaatste keer dat er sprake was van een mediaraad, het in de jaren tachtig is geweest.

Contact met RSF gezocht

De SVJ benadrukt dat de vergelijking tussen 2010 en 2011 slechts van toepassing is op de met 13 plaatsen gestegen positie over de persvrijheid in Suriname. Op geen enkele manier wordt hiermee een beoordeling gegeven over de persvrijheid in de periode 2010, die zo zijn eigen kenmerken heeft gehad. Er moet wel worden vastgesteld dat de reden die verantwoordelijk zijn voor de stijging op de ranglijst niet rëeel zijn, omdat in elk willekeurig jaar, na de militaire periode vanaf 1980 die reden consequent is gebleven en niet slechts in 2011 als een ‘mijlpaal’ kan worden aangemerkt.



De SVJ heeft contact opgenomen met het kantoor van Reporters without Borders in Parijs en wacht op een reactie van de organisatie. De hoop is uitgesproken voor een heroriëntatie van hoe het gesteld is met de persvrijheid in Suriname en dat in de toekomst deze miscommunicatie voorkomen kan worden.

[van Starnieuws, 26 januari 2012]

woensdag 28 december 2011

Niggabitch, jodenteef en meer taalvernieuwing

door Jamal Ouariachi

In principe moet eenieder elk woord, hoe erg of grof of beledigend ook, kunnen gebruiken. Zolang je je maar bewust bent van de betekenis van die woorden, en daar ook blijk van geeft. Als je woorden zonder nadenken gaat inzetten, wordt alles betekenisloos. Dat betoogt schrijver Jamal Ouariachi in onderstaand artikel.

Het is natuurlijk even slikken. Je denkt een lekker luchtig blaadje open te slaan over catwalks, modetrends, lifestyle en shoptips, en dan staat daar ineens het woord ‘Niggabitch’. Het gebeurde de lezers van mode-glossy Jackie, toen ze onderstaand onzinstukje over de kledingstijl van zangeres Rihanna onder ogen kregen. Een relletje was geboren: zelfs het onderwerp van spot, Rihanna zélf, heeft zich er inmiddels via Twitter mee bemoeid.



Meteen ontrolden zich de standpunten op internet: wie, zoals Rihanna, laat merken beledigd te zijn door een woord als ‘niggabitch’, neemt de slachtofferrol aan, en dat mag niet volgens ene Ollie of Olaz, en om zijn standpunt kracht bij te zetten, toont hij ons een filmpje van Morgan Freeman – een zwarte man, dus dan zit ’t goed. Wat zegt die zwarte man? ‘Stop calling me a black man.’ Ollie of Olaz heeft het dus niet zo goed begrepen: uit het filmpje kunnen we immers concluderen dat Freeman een woord als ‘niggabitch’ niet zou accepteren. Is hij daarmee een slachtoffer? Blijkbaar impliceert de vrijheid van meningsuiting een verbod op beledigd zijn.

Persoonlijk ben ik van mening dat je racistisch getinte woorden moet kunnen gebruiken, wanneer uit de context blijkt hoe je er werkelijk over denkt. In ironische zin, bijvoorbeeld. Joodse vrienden heb ik wel eens ‘zionistische nederzettingenbouwers’ genoemd. Dat is dan grappig, omdat ik een halve Arabier ben. Ben ik dan een antisemiet? Nee, want beide partijen weten hoe het werkelijk zit. Een Ethiopische vriendin noem ik weleens gekscherend ‘hongerbuikje’. Mag dat? Ik vind van wel, omdat ik daarmee spot met het vooroordeel dat in Nederland over Ethiopië bestaat.

Racistisch getinte woorden kun je ook in historische zin gebruiken. Eerder heb ik eens betoogd dat het belachelijk is om het woord ‘nigger’ te schrappen uit pre-twintigste-eeuwse Amerikaanse literatuur. Het censureren van die woorden is een vorm van geschiedvervalsing.

Gevaarlijk wordt het wanneer de context – ironisch of historisch – verdwijnt. Tegenwoordig is het heel normaal om het woord ‘kutmarokkanen’ te gebruiken. De context waarin Rob Oudkerk – aan wie we dit staaltje taalvernieuwing te danken hebben – dat woord ooit gebruikte, is door bijna iedereen vergeten. En Marokkanen moeten het zich maar laten welgevallen, anders doen ze ‘huilie-huilie’, en dat mag niet.

Op website Geenstijl is een woord als ‘mocrodader’ (of welk woord dan ook met het voorvoegsel mocro-) onderdeel van het dagelijkse jargon geworden. Pownews, het televisiebroertje van Geenstijl, heeft tot grote hilariteit van televisiekijkend Nederland, een ‘neger omdat het moet’ ingevoerd.

Dat mag je allemaal geen racisme noemen.

Want als er één woord verboden is in Nederland, dan is het wel het woord racisme.

Europarlementariërs van de PVV weigerden onlangs op te staan tijdens een herdenking van de slachtoffers van de Arabische Lente. Hou u vast: dat vindt zelfs Geenstijl een daad van racisme. Maar dat mag je eigenlijk niet zeggen, dat PVV’ers racisten zijn. Want dan demoniseer je, en demoniseren, zo weten we sinds Pim Fortuyn, staat gelijk aan oproepen tot moord.

PVV’ers mag je ook niet racistisch noemen, als zij in de rechtspraak onderscheid willen maken op basis van etnische afkomst. Ooit was Vrouwe Justitia blind, maar Geert Wilders heeft herhaaldelijk (voorbeeldje) laten blijken dat hij die blinddoek liever van haar kop rukt – allergisch als hij is voor hoofdbedekkend textiel.

Onlangs stond er bij een Sinterklaasoptocht een Nederlandse jongen van Curaçaose afkomst langs de kant, die een t-shirt droeg met de tekst ‘Zwarte Piet is racisme’. Dat kun je gezeur vinden. Je kunt van zo iemand zeggen dat hij een vrolijk kinderfeest niet moet versjteren. Je kunt zeggen dat Zwarte Piet zwart is omdat hij door schoorstenen kruipt (waarmee de brandschone, kleurige pakjes van de Pieten en hun roodgeverfde lippen overigens niet verklaard zijn, maar goed…).

Wat er echter gebeurde met die jongen, is dat hij door een stel politieagenten met pepperspray bespoten werd, waarna zij hem in een achterafsteegje tegen de grond drukten en arresteerden. Je moet het zien om te geloven hoe onthutsend buitenproportioneel die agenten tekeer gingen – vanwege een tekst op een t-shirt van een zwarte jongen.

Je zou kunnen stellen dat het in een land waar dit alles blijkbaar normaal is, toch niet zo verschrikkelijk schokkend is als een modeblad een keertje het woord ‘niggabitch’ gebruikt.

Maar daar zit nu juist het addertje. Als een journalist en een hoofdredacteur niet door hebben wat de connotatie van een bepaald woord is, duidt dat op intellectuele leegte. En het is die leegte, die zo zorgwekkend is. Niet het vermeende racisme van de Jackie-dames.

Het kost maar een simpel gedachtenexperiment om je iets voor te stellen bij de gevoelswaarde die een woord als ‘niggabitch’ voor zwarte mensen kan hebben. Als ik voor Jackie een stuk zou schrijven waarin ik een bepaald model pruik aan zou prijzen met de mededeling: ‘voor die echte jodenteef-look’, dan heb ik vandaag nog een aanklacht aan mijn broek. En terecht. Al beweer ik nog zo hard dat sommige van mijn beste vrienden joods zijn, dat ik absoluut geen antisemiet of racist ben. Maakt niet uit. Tenzij uit de context volkomen duidelijk is, dat ik het tegenovergestelde bedoel. Dan valt zelfs het gebruik van het woord 'jodenteef' te verdedigen. De grote fout die de Jackie-medewerksters hebben gemaakt, is dat ze dat woord 'niggabitch' te klakkeloos hebben aangewend.

Woorden hebben een betekenis en een gevoelswaarde. Als je die veronachtzaamt, laat je de inhoud uit je denken weglekken.

In principe moet eenieder elk woord, hoe erg of grof of beledigend ook, kunnen gebruiken. Zolang je je maar bewust bent van de betekenis van die woorden, en daar ook blijk van geeft. Als je woorden zonder nadenken gaat inzetten, wordt alles betekenisloos. Ik zou bijna zeggen: ‘dan dooft het licht’ – als die woorden niet zo verschrikkelijk beladen waren...

Jamal Ouariachi is schrijver. Hij debuteerde vorig jaar met de roman De vernietiging van Prosper Morèl. Jamal heeft een eigen weblog waarop dit stuk eerder verscheen, het verscheen ook op Republiek Allochtonië.

dinsdag 15 november 2011

Lied over pandits moet uit de markt

door Sabitrie Gangapersad


Paramaribo - Het liedje ‘Pandit baba’ uit de cd Kisoor and Friends: Angna Mein Baba Dwaare Par Maa, zorgt voor veel kritiek en ophef onder pandits van de Sanatan Dharm. Het hoofdbestuur van de Sanatan Dharm heeft besloten een brief te richten aan de procureur-generaal om de muziekcollectie uit de markt te halen.

De cd is uitgegeven door Satish Music Center (SMC) en het liedje is gezongen door Kisoor Ramdien. Sanatan Dharm heeft zowel met de zanger als met Satish Jhinnoe van SMC gesproken over het lied. “Het is beledigend voor pandits. We weten dat enkelen een scheve schaats rijden, maar met dit lied scheer je ook de goede pandits over één kam. Muziek treedt buiten de grenzen van Suriname. Welk imago creëer je dan? Je kunt merken dat we in het Kalyug tijdperk zijn, de aanvallen op het geloof worden frequenter en heftiger”, merkt een bestuurslid en pandit van de Sanatan Dharm op. Volgens hem komen pandits van de Sanatan Dharm binnenkort met een gezamenlijke verklaring, waarin ze hun afkeuring uitspreken over het lied. “Dit kan niet. Als de pandits er niet waren, waar zou onze cultuur zijn? Dankzij hun is een groot deel van ons erfgoed bewaard gebleven”, merkt zanger en pandit Rayen Kalpoe op.



De hoes van de cd waarop het gewraakte lied staat. (Foto @ Sabitrie Gangapersad)

In het lied wordt bezongen hoe pandits diensten bij mensen afjassen, geld eisen en middels stichtingen en tempels zichzelf verrijken. Zanger Kisoor Ramdien legt uit. “In april had mijn broer een huwelijk en gebedsdienst thuis. Alles was gekookt en klaargezet, maar de pandit kwam niet zelf opdagen. Hij stuurde twee helpers (naws) die het werk moesten doen. Een heleboel dingen gingen die dag verkeerd. Dit is mijn manier om mijn misnoegen en boosheid over pandits te uiten. Ik beledig niet, maar vraag hoe lang ze dit gedrag zullen continueren. Vooral voor arme mensen is het echt moeilijk. Met heel veel moeite sparen ze en zetten alles klaar voor een hoogtijdag om dan een pandit te krijgen die roet in het eten gooit en dingen verkeerd doet”, doet Ramdien zijn verhaal. ‘Pandit baba’ werd enkele jaren geleden door iemand uit Nederland opgenomen. Ramdien heeft het nu nagezongen. “Het is een oud lied en ik had niet verwacht dat het problemen zou geven”, zegt Jhinnoe. Na het telefonisch gesprek met Sanatan Dharm is hij er niet van overtuigd de cd uit de markt te halen. Integendeel. Hij heeft aangifte gedaan bij de politie vanwege de dreigende taal die door de vertegenwoordiger van Sanatan Dharm werd geuit. Het lied is ook door de politie beluisterd. “Als er een correcte manier van overleg was, dan had ik geen moeite om het lied van de cd te halen. Maar ik ben grof bejegend en bedreigd. Ze hebben niet eens geprobeerd om persoonlijk met me te praten. Zaken waren dan anders gelopen.”.

[uit de Ware Tijd, 15/11/2011]

maandag 15 augustus 2011

Schoolboek

Wij en ons verleden. De geschiedenis van ons volk voor het zesde leerjaar van het basisonderwijs is een alleraardigste uitgave. De opzet is zoals van een schoolboek mag worden verwacht. In vogelvlucht worden de belangrijkste ontwikkelingen in de Surinaamse geschiedenis langsgelopen, van de kolonisatie door de Engelsen in 1650 tot en met de verkiezingen van 2005. Elk hoofdstuk is volgens een vast stramien opgebouwd. Eerst wordt het leerdoel omschreven waarna grotendeels chronologisch opgebouwde paragrafen volgen, af en toe onderbroken door vragen en opdrachten die rechtstreeks naar de lopende tekst verwijzen. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met een huiswerkopdracht, een serie vragen en opdrachten die andermaal beogen de verworven kennis te toetsen, en een klassenopdracht.

Van deze actieve werkvormen – waaraan door de samenstellers terecht veel aandacht is besteed – vormen de huiswerkopdracht en de klassenopdracht de meest in het oog springende onderdelen. De huiswerkopdracht doet een beroep op de kritische zin en de creativiteit van het individuele kind. Deze wordt bijvoorbeeld uitgedaagd om in de rol van beleidsmaker te kruipen en na te denken over de bestuurlijke inrichting van Suriname ten tijde van Francis Willoughby. De klassenopdracht laat de kinderen als collectief optreden en gezamenlijk een aspect van de eigen geschiedenis beleven. Kinderen kunnen leiders in hun klas aanwijzen, rond hen politieke partijen formeren en een verkiezingsprogramma opstellen. De leerlingen beoordelen gezamenlijk de prestaties van de partijen en hun leiders. Ook het naspelen van een onafhankelijkheidsviering behoort tot de mogelijkheden van een klassenopdracht.

Als we kijken naar de gepresenteerde stof, dan moet worden geconstateerd dat de samenstellers ook in dit opzicht de lat voor de doelgroep niet te laag hebben gelegd. In een bestek van ruim honderd pagina’s wordt veel behandeld en is er merkbaar naar gestreefd om de beknopte formuleringen niet ten koste te laten gaan van de helderheid en overzichtelijkheid van de beschreven ontwikkelingen. Het helpt dat de helft van het boek gaat over de geschiedenis van Suriname na 1945, maar ook in dat deel ligt het tempo hoog en kunnen gebeurtenissen vaak maar even worden aangestipt. De ingewijde kan het wel volgen, maar om bepaalde aspecten (bijvoorbeeld de economische planpolitiek of de periode voorafgaande aan de staatsgreep van 1980) te laten landen bij de leerlingen zal de docent bij het uitleggen van de stof er niet omheen kunnen de benodigde aanvullende informatie te verstrekken. Het is jammer dat in de controverse die rond Wij en ons verleden is ontstaan, deze didactische aspecten niet de aandacht hebben gekregen die zij toekomen. De politiek is met het werk op de loop gegaan, terwijl niets in het boek aanleiding geeft te veronderstellen dat de samenstellers politieke doelen hebben nagestreefd.

De ophef over Wij en ons verleden draait om een passage over de decembermoorden en om een foto van in Nederland demonstrerende Surinamers tegen het toenmalige regime van legerleider Bouterse. Beide zijn de NDP in het verkeerde keelgat geschoten. Het staatshoofd zou zijn beledigd, de oppositie zou Bouterse een hak hebben willen zetten, de hand van Nederland zou achter de bewoordingen van de samenstellers zitten. Om met die passage te beginnen: daar is weinig mis mee. Wat daar staat, is al sinds jaar en dag gemeengoed en kan gemakkelijk met (binnenlandse en buitenlandse) bronnen worden gestaafd. Hoogstens zou overwogen kunnen worden de eerste regel te herformuleren. Daarin valt te lezen dat Bouterse opdracht heeft gegeven de latere slachtoffers van de decembermoorden te arresteren. Het is aannemelijk dat de bevelhebber de hand in hun aanhouding heeft gehad, maar het staat niet onomstotelijk vast dat de instructie van hem afkomstig was. Een vergelijkbare kwestie is de opmerking in het boek dat het ontslag van Ronnie Brunswijk uit het Nationaal Leger een gevolg was van onenigheid met de legerleiding over zijn salaris en positie. Ook dat is een veelgehoorde verklaring, maar er zijn ook andere lezingen in omloop. In beide gevallen zijn de feiten door gebrek aan historisch onderzoek nog niet onweerlegbaar vastgesteld en dient dus met enige terughoudendheid over deze zaken te worden geschreven.

De foto van de tegen Bouterse demonstrerende Surinamers in Nederland is beladen omdat een van de borden die omhoog wordt gehouden de leus ‘Bouterse moordenaar’ bevat. De samenstellers nemen in hun tekst deze kwalificatie echter niet over noch suggereren zij op enigerlei wijze dat zij het oordeel van de demonstranten onderschrijven. Zij willen laten zien dat eind 1982 de legerleider ook buiten de landsgrenzen omstreden was en dat de decembermoorden op de Surinaamse gemeenschap in Nederland eenzelfde schokeffect hadden als op de bevolking in het land zelf. Om eventuele misverstanden uit te sluiten, is het denkbaar om de foto te vervangen door een afbeelding van demonstrerende vrouwen in Paramaribo in diezelfde maand. Ook met een dergelijke foto kan worden geïllustreerd dat het draagvlak voor de militairen in deze periode danig was afgebrokkeld.

Het boek bevat enkele passages die gebeurtenissen weergeven op een wijze die niet strookt met de bronnen. Ik wil er één passage uitlichten. Over de ontwikkelingen die in 1975 vooruitliepen op de overdracht van de soevereiniteit lezen we: ‘In de Staten van Suriname was het ook onrustig. Drie leden van de coalitie liepen over naar de oppositie waardoor ze elk 19 leden telden. Om de onafhankelijkheid te verkrijgen, moesten minstens 20 leden in het parlement het wetsvoorstel goedkeuren. Bij de stemming in het parlement voor de onafhankelijkheid liep een oppositielid van de VHP, George Hindorie (sic), over naar de coalitie. Dit zorgde ervoor dat de wet werd goedgekeurd met 20 stemmen vóór en 18 stemmen tegen. Nadat de wet ook in Nederland was goedgekeurd, gaf de VHP de strijd op.’

Ik wil niet stilstaan bij de tweede regel waaruit kan worden opgemaakt dat het parlement in die tijd in plaats van uit 39 leden uit 38 leden bestond. Mijn voornaamste punt is dat in het vervolg van de tekst de chronologie van de gebeurtenissen en de gesuggereerde verbanden niet kloppen. Wat gebeurde er? Hindori legde op 14 oktober 1975 een publieke verklaring af waarin hij uitlegde waarom hij was overgestapt van de oppositie naar de coalitie. Van 21 tot 23 oktober en van 27 tot 28 oktober 1975 vergaderden Surinaamse parlementariërs in respectievelijk de Tweede Kamer en de Eerste Kamer over de rijkswet die beoogde de werking van het Statuut voor Suriname te beëindigen. Hindori woonde die debatten niet bij. VHP-leider Lachmon had hem dit verboden. Maar duidelijk was dat de oppositie door het overlopen van Hindori zijn (overigens nooit in de Staten gedemonstreerde) meerderheid kwijt was geraakt. Hindori nam in Paramaribo wel deel aan de debatten over de Surinaamse grondwet en bovengenoemde rijkswet, die plaatsvonden van 16 tot 19 november 1975. Op die laatste dag werden beide wetten met algemene stemmen goedgekeurd. Van de 39 parlementariërs stemden er 36 vóór; drie leden konden door omstandigheden niet aanwezig zijn. De neerslag van deze feiten zou in het boek een plaats moeten krijgen. Het betreft hier immers een kernmoment uit de Surinaamse geschiedenis.

Overeenstemming over feiten is belangrijk, aangezien het feiten zijn die ten grondslag liggen aan een geschiedverhaal. Maar de selectie, interpretatie en ordening van die feiten leidt doorgaans niet tot eenstemmigheid over de weergave van het verleden. In de regel blijven verschillende zienswijzen en opvattingen bestaan, ook nadat historici hun licht over gebeurtenissen hebben laten schijnen. Dergelijke verschillen van inzicht verdienen het om in alle openheid en op basis van argumenten te worden besproken. Maar om dit op een vruchtbare manier te kunnen doen, is historische basiskennis nodig en dienen deelnemers zich bewust te zijn van de kloof die er onvermijdelijk gaapt tussen gebeurtenissen uit het verleden en het verhaal dat historici over dat verleden construeren. Leerlingen in het basisonderwijs mag die kennis en dat bewustzijn niet worden onthouden. Nog een laatste kritische redactieronde en Wij en ons verleden kan ter perse.