Publiceren in eigen beheer
Wanneer is of wordt een schrijver een schrijver? Volgens het
Nederlandse Fonds voor de Letteren zijn schrijvers volgens de website onder
voorwaarden subsidiabel nadat ze tenminste één boek bij een erkende uitgeverij
gepubliceerd hebben. Dat lukt dan misschien nog als je in het Nederlands
schrijft en uitgegeven wordt door een Nederlandse uitgeverij, zoals de laatste
tijd nogal wat Arubaanse schrijvers die in Nederland wonen gedaan hebben en
doen. Maar als je in het Papiamento schrijft, wat dan? Dan wordt het hooguit
een afspraak met uitgeeforganisaties als freemusketeers.nl of lulu.com. waarbij
auteurs dan terecht kunnen en daarbij zelf voorwaarden voor professionele
begeleiding kunnen inroepen. Diverse websites van deze organisaties wijzen de
weg naar zowel de mogelijkheden als de gevaren van deze methode.
Wie deze publicatiemogelijkheid niet wil, kan dan
uiteindelijk kiezen voor publicatie in eigen beheer, waarbij de schrijver alles
in eigen hand houdt: van manuscript tot gedrukte tekst, via een eigen lay out-ontwerp,
illustraties, omslag en alle begeleidende noodzakelijke teksten, waarna nog de
distributie naar boekhandel en bibliotheek volgt. Dan gaat vaak hopeloos mis,
maar als een auteur echt kan schrijven en voldoende kritisch vermogen heeft,
kan ook dit in onze situatie aardige resultaten opleveren.
Een schrijver ben je wanneer je de lezer iets inhoudelijks
en thematisch interessants te bieden hebt en daarvoor dan ook een eigen persoonlijke
stijl en doordachte structuur hebt weten te verwezenlijken. En dat zoiets prima
in eigen beheer kan heeft Carel de Haseth wel bewezen met zijn Katibu di shon (1988), dat eerst in
eenvoudige vorm in eigen beheer werd gepubliceerd en pas later bij een uitgever
terecht kwam, vertaald werd in het Nederlands en Duits en het zelfs tot een
operavoorstelling bracht.
Op Aruba publiceert Jossy Tromp in eigen beheer vanuit het
principe van ‘Book on demand’ en ‘Publishing and print on demand’, een procédé
dat steeds meer gebruikt wordt nu de technische mogelijkheden beschikbaar zijn om
ook (heel) kleine oplagen te drukken. Zo bracht hij niet alleen vijf
verhalenbundeltjes en een dichtbundeltje uit, maar is zijn werk momenteel ook
onderwerp van een dissertatieonderzoek aan de Universiteit van Amsterdam bij
hoogleraar Michiel van Kempen die daar West Indische letterkunde doceert. Twee
succesverhalen van publiceren in eigen beheer, een vorm die in het buitenland
misschien slechts een gering aanzien kent, maar in onze situatie van
kleinschaligheid zeer wel kan voldoen.
De promovendus van Jossy Tromp’s werk is zijn (ei)landgenoot
J.L. (Joe) Fortin (San Nicolas 1967), die nu ook een verhaalbundel van
kwaliteit in eigen beheer op de markt heeft gezet: City Store. De schrijver studeerde Latin American Studies aan de
Universiteit van Leiden en heeft in het verleden ook op ons eiland en elders
daarover lezingen verzorgd.
Lezers moeten zich door de eenvoudige vorm van deze uitgaven
in eigen beheer niet laten bedriegen, want dat zegt in dit voorbeeld niets over
de belangwekkende inhoud. Bij eerste lezing van de elf korte verhalen voelde ik
hoe deze auteur ertoe kwam om juist de verhalen van Jossy Tromp voor een
dissertatie onderzoek te kiezen. Beiden zijn sterk beïnvloed door het
Latijns-Amerikaanse magische realisme, lo
real maravilloso.
Inhoud
In de verhalen van Joe Fortin lopen realiteit en het
magische van fantasie en droom dooreen.
Neem nou bijvoorbeeld het titelverhaal van de bundel: ‘City Store’. Zo’n
verhaal begint heel realistisch als een jeugdherinnering over een jongetje – de
‘ik’ van het verhaal – die als jongste kind thuis erg aan zijn moeder hangt en
met haar boodschappen gaat doen bij de stoffenzaak van Uncle Louis. Heel
herkenbaar. Maar meteen zegt de ik er dan bij dat hij zich niet thuis voelt in
de donkere en sombere winkel, hij geeft de winkelier de naam van Daedalus en
dwaalt er in het labyrint van stoffen op zoek naar de Minotaurus als zijn
moeder haar boodschappen doet. Daarmee wordt het tot dan toe realistische
verhaal in het mythologische getrokken, iets wat direct daarna weer wordt
opgeheven door het dan weer realistische vervolg als ze weer buiten zijn en een
aantal andere winkels bezoeken. Er ontstaat zo een realistisch beeld van San
Nicolas in voorbije tijden. Maar de scène bij Uncle Louis blijft hangen in het
lezersgeheugen. Realiteit en magie wisselen elkaar af.
Als moeder en zoon in de City Store van señor Violinus
belanden, zegt deze tegen het jongetje dat hij dromen verkoopt: ‘ami ta bende
soñonan’. Voor één gulden wil hij een droom aan de ‘ik’ verkopen, voor het
jongetje natuurlijk een hoop geld, maar hij gaat sparen. Hij geeft na verloop
van de tijd inderdaad de gespaarde gulden, maar … krijgt er niets voor terug!
Denkt hij.
De tijd verloopt en na vele jaren sluit City Store bij
gebrek aan clientèle. De nu jongeman geworden ‘ik’ heeft zijn droom nooit
gekregen, maar dan … volwassen geworden constateert hij tot zijn verbazing dat
City Store weer open is, geheel in de stijl van vroeger, alsof de tijd heeft
stilgestaan. Hij gaat naar binnen en praat uitgebreid met señor Violinus en
belooft spoedig terug te komen. Maar als de ‘ik’ dan buiten naar zijn auto
gaat, ziet hij tot zijn schrik en verbazing dat de winkel geheel verwaarloosd
toch nog steeds hermetisch gesloten is, waarbij in de beleving van de ‘ik’
verleden, heden en oneindige toekomst zich verenigen: ‘Mi a para babuca pa mira
door di e bentana susha pa tempo y olvido. Paden tur cos tabata tapa cu stof di
recuerdo. Tabatin un popchi sunu y
tur sushi ta para mira cu wowonan di infinito.’
In de droom herleeft een momentje het verleden. Bij Uncle
Louis aan het begin van het verhaal betrof dit misschien nog kinderfantasie,
maar het visioen rond de City Store van señor Violinus betreft de herinnering
van de volwassene.
Ook overige verhalen ademen een sfeer van het
supra-natuurlijke, zoals het beginverhaal van een gelukkig huwelijk dat evenwel
overschaduwd wordt door kinderloosheid - een realistisch gegeven dat echter
eindigt op wrange bovennatuurlijke wijze. Andere verhalen betreffen een stervensproces,
kinderangsten en verlangens, in jeugdjaren ervaren geheimzinnigheden en gedrag
van volwassenen die zich bedreigend keren zich tegen de ‘ik’. Een verscheidenheid
van onderwerpen maar steeds met een ondergrond van geheimzinnigheid en de ondoorgrondelijkheid
van droom en werkelijkheid. Het slot van de bundel is daarvan een goed
voorbeeld als een dubbelzinnig vampierverhaal over de instructie tot in de
kleinste details hoe deze een naaimachine gebruikt om de juiste kleding te
naaien voor zijn nachtelijke werk, zoals een spin zijn prooi vangt in zijn web:
“Ta mescos cu un cas di haraña bo ta traha.”.
Een personages als Marianita zwerft over het eiland en door
de mondi – su perigrinacion infinito - nadat haar man verdronk bij Boca Mahos,
waarna allerlei geheimzinnige folkloristische veronderstellingen van
volksgeloof rond haar persoon en haar verlaten en verwaarloosde huis ontstaan:
“Kisas e alma di Marianita a podera die cas pa asina forma un simbolo di e
ultimo indjan di e tribo ca tabata biba na e isla.”
Intertekstualiteit
Door intertekstuele verwijzingen uit de mondiale literatuur
verbindt Fortin het eiland met de wereld. In het verhaal ‘Autosugestion’ spreekt
de ik-verteller met een van de Franstalige surrealisten bij uitstek, Comte de
Leautrémont, over diens bekende werk Les
Chants de Maldoror, dat gaat over een misantropisch en volstrekt
kwaadaardig satanische figuur. Het verhaal eindigt met de waarschuwing: “Si bo
sigui mi bos lo bo bira un persona tristo.” Comte de Leautrémont was het
pseudoniem van de uit Uruguay afkomstige Isidor-Lucien Ducasse (1846-1870),
bekend om zijn surrealisme. Daarmee geeft Fortin een heldere hint hoe hij zelf
zijn werk gelezen wil zien.
Voor het gegeven van ‘E yamada di leu’ verwijst de verteller
de lezer nadrukkelijk naar Jorge Luis Borges’ verhaal ‘El otro’ waarin een
oudere auteur een jongere versie van zichzelf ontmoet. Fortin draait dit
gegeven om door van de jongere uit te gaan die een droomvisioen van zelfconfrontatie
krijgt over wie hij in zijn ouderdom zal worden.
In het verhaal over transgender en homoseksualiteit ‘Flor y
sumpiña’ zijn echo’s van de tele-novela Topacio,
die in de jaren tachtig door de Venezolaanse televisie uitgezonden werd.
Carnaval biedt de twee vrienden Flor en Sumpiña de mogelijkheid uit de kast te
komen, maar omdat ze overigens maatschappelijk volstrekt niet worden
geaccepteerd besluit Flor te migreren.
Zo bieden de elf verhalen in de bundel een grote
verscheidenheid aan onderwerpen, waarbij de verteller in weinig pagina’s
mysterieuze en intrigerende verhalen weet neer te zetten. De meeste verhalen
zijn in de ik-vorm, maar er zijn ook enkele verhalen in de derde persoon. Jeugd
en herinnering spelen een belangrijke rol. De auteur hanteert daarbij een
verzorgde taal in een eenvoudige schrijfstijl, met mooie beschrijvingen van
locaties en personages.
We hebben hier te maken met een relatief kleine in eigen
beheer eenvoudig uitgegeven bundel, maar met een inhoud die er wezen mag. Aruba
heeft er een schrijver bij.
J.L. Fortin: City
Store
Imprenta:
Lulu.com
2013
91 pagina’s













