Posts tonen met het label Emmer Piet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Emmer Piet. Alle posts tonen

zaterdag 24 augustus 2013

Een stap terug in de geschiedschrijving van de koloniën


door Angelie Sens

Het kloeke boek Rijk aan de rand van de wereld; De geschiedenis van Nederland overzee 1600-1800  oogt in eerste instantie veelbelovend. De titel lijkt een regelrechte vondst. We kunnen het eerste woord namelijk op twee manieren opvatten: rijk als in imperium en rijk als in vermogend of kapitaalkrachtig. Waarschijnlijk zijn hier beide betekenissen bedoeld. Het vervolg van de titel – ‘aan de rand van wereld’ – is minder gelukkig gekozen. Immers, daarmee wordt Nederland op het eerste oog in het centrum van de wereld geplaatst; een uitgangspunt dat door veel historici niet (meer) als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Maar ook voor Nederland geldt, aldus de auteurs, dat het zich aan de rand van, in dit geval, continentaal Europa bevond en dat het ‘vroegmoderne Nederlandse koloniale rijk een mondiaal randverschijnsel was’ (p. 11). Rijk aan de rand van de wereld hanteert onmiskenbaar een Nederland-centrisch perspectief.


Uw recensent is een groot voorstander van een integrale benadering die Nederland (en in breder verband Europa), Amerika, het Caraïbisch gebied, Afrika en Azië in samenhang en wisselwerking met elkaar behandelt zonder de diverse perspectieven te veronachtzamen. Dat is op zich een lastige klus en het vergt een grote kennis en souplesse van auteurs die een dergelijk ondernemen tot een goed einde willen brengen. Zelf zeggen Emmer (die de West voor zijn rekening neemt) en Gommans (die de delen over de Oost beschrijft) hierover dat ze getwijfeld hebben over het slagen van het in één boek bijeenbrengen van ‘de Nederlandse expansie in Oost en West’. Ze hebben het er toch maar op gewaagd (p. 7).

Je zou verwachten dat de auteurs – de een oud-hoogleraar in de Geschiedenis van de Europese Expansie aan de Universiteit Leiden (Emmer) en de ander hoogleraar Koloniale Geschiedenis en Wereldgeschiedenis (Gommans) aan diezelfde universiteit – de bedoeling hebben gehad om een soortement synthese te schrijven van de geschiedenis van Nederland en de overzeese bezittingen in Oost en West in die belangrijke twee eeuwen tussen 1600 en 1800. Die verwachting komt helaas niet uit. Het boek is veeleer een aaneenrijging van – overigens vaak zeer informatieve – hoofdstukken en paragrafen.

De indeling van Rijk aan de rand van de wereld laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Het volgt allereerst een drieledig geografisch patroon en daarbinnen wordt een regionale en lokale onderverdeling gehanteerd. Eerst komt het perspectief van de Republiek aan bod en de wederwaardigheden van de Nederlandse VOC en WIC. In dit eerste deel worden ook culturele aspecten voor het voetlicht gehaald in een poging ‘het stemgeluid van de niet-Nederlandse “ander” dus steeds luider [te] doen klinken’ (p. 70). De aandacht gaat hier uit naar cartografie, schilderkunst en wetenschap – uitingen van High Culture dus – die kennelijk alleen in de betrekkingen tot Azië gevonden kunnen worden, zo klinkt de boodschap van de auteurs door.
Vervolgens wordt de blik gericht op 'De Atlantische wereld' en de Nederlandse activiteiten in het Caraïbisch gebied, in Brazilië, in Noord-Amerika, in West-Afrika en in Zuid-Afrika. De Kaapkolonie viel trouwens onder het gezag van de VOC en hoorde formeel dus niet bij de West-Indische bezittingen.

De slag bij Negapatam, 6 juli 1782, voor de kust van Coromandel.Olieverf van Dominic Serres (1719-1793)

Het derde deel tenslotte, behandelt 'Moesson-Azië'. Vele handelssteunpunten en koloniale nederzettingen passeren hier de revue: de Indonesische Archipel, Ceylon (Sri Lanka), de Indiase kustplaatsen en -stroken Malabar, Coromandel, Surat, Bengalen, en verder China, Taiwan, Japan en het vasteland van Zuidoost-Azië.

Aan de hand van 'terugblikken' aan het eind van elk der drie delen pogen de auteurs de veelal op zichzelf staande hoofdstukjes nog een zekere samenhang te verschaffen. Ondanks de korte vrijages met 'cultuur' en 'mensen' gaat Rijk aan de rand van de wereld hoofdzakelijk over economische, politieke, militaire en bestuurlijk-administratieve aspecten van de aanwezigheid van Nederlanders buiten Europa. Tegen die achtergrond moeten we dan ook één van de conclusies van de auteurs plaatsen: het is vanaf 1645 alleen maar geleidelijk bergafwaarts gegaan met de Nederlandse expansie en de positie en status van Nederland als koloniale mogendheid. Immers, in 1640-1645 was het Nederlandse koloniale rijk qua omvang op zijn hoogtepunt met de (kortstondige) veroveringen van Brazilië, gebieden in het Caraïbisch gebied, waaronder Suriname, en op de westkust van Afrika.
Amazone-Indiaanse

Laten we inzoomen op 'de Atlantische wereld'. In ruim 130 pagina's beschrijft Emmer twee eeuwen expansie in de beide Amerika's en uiteraard het Caraïbisch gebied, met vanaf einde zeventiende eeuw Suriname en de Antillen als belangrijkste koloniën. Allereerst betoogt hij dat deze laatstgenoemde West-Indische vestigingen onvergelijkbaar zijn met die aan de andere kant van de wereld. Kort gezegd, aldus Emmer: het was grotendeels 'leeg land', en op die plaatsen waar mensen – ‘indianen’ – van oudsher woonden, was vrijwel geen sprake van landgebruik vergelijkbaar met dat in Europa of in Azië bijvoorbeeld. Daar komt bij dat het grootste deel van de bevolking in het Caraïbisch gebied in rap tempo uitgeroeid of gedecimeerd werd. De oorzaak van deze menselijke ramp zoekt Emmer vooral in de ziektes die Europeanen en later ook Afrikanen meebrachten naar de 'Nieuwe Wereld'. In het gebied ontstond een voor Europeanen nieuw soort economie: de plantagelandbouw, hoofdzakelijk gericht op de export en de wereldmarkt. Deze kon alleen maar draaien op slavenarbeid, zo vervolgt de auteur zijn relaas.
Een plantersechtpaar, schilderij van Agostino Brunias

Vervolgens gaat Emmer in op de demografische kwestie onder de titel 'Het Caribisch raadsel', op 'De wereld die de slaven maakten' en op hun 'Verzet' (pp. 173-189). De samenlevingen onder de plantagelandbouw kenden hoge sterftecijfers en lage geboortecijfers; er was nauwelijks sprake van 'natuurlijke aanwas'. Emmer beweert dat hiernaar, ondanks de belangstelling voor dit fenomeen, nog onvoldoende (vergelijkend) onderzoek gepleegd is en dat de argumenten voor het 'demografisch tekort', zoals slechte voeding, de slechte behandeling en de rondwarende ziektes, slechts op hypotheses berusten. Immers, de plantage-eigenaren zorgden voor voedsel en slaven hadden daarnaast de beschikking over eigen tuinen, waarvan de opbrengsten zo overvloedig waren dat wat niet voor eigen gebruik nodig was op de markt verkocht werd. Over de behandeling merkt hij op dat het niet zoveel uitmaakte of slaven slecht, beter of goed behandeld werden, omdat zelfs een goede behandeling niet tot een verhoging van het geboortecijfer leidde. ‘Vooral zwangere slavinnen profiteerden van deze “lotsverbeteringspolitiek”. Zij kregen minder zwaar werk toegewezen, en zowel voor als na de zwangerschap werden ze van alle plantagewerk vrijgesteld. Bleef de baby in leven, dan ontving de moeder soms een premie in de vorm van extra kleding. Grote plantages schakelden artsen in om over de gezondheid van hun slaven te waken’, aldus Emmer (p. 175). Dit citaat is representatief voor de wijze waarop Emmer over dit en verwante onderwerpen schrijft.

...slavernij...

Er is op zich niets mis mee dat Emmer zijn eigen stokpaardjes berijdt. Kwalijker is het dat hij veel, vooral recentere, literatuur grotendeels links laat liggen. In een overzichtswerk, want die pretentie heeft Rijk aan de rand van de wereld, mogen mijns inziens de standpunten in het huidige academische debat en de daarbij horende literatuur niet ontbreken. Als Emmer het heeft over de these van Eric Williams (1944) dat er een direct verband zou bestaan tussen de winsten van de slavenhandel en slavernij enerzijds en de (vroege) industrialisatie van Engeland anderzijds of over de lange(re) termijn consequenties van slavenhandel en slavernij voor Afrika en Zuid-Amerika, merkt hij op: ‘Het is hier niet de plaats om al deze veronderstellingen te toetsen aan de resultaten van het recente historische onderzoek, want voor Nederland lijkt deze discussie nauwelijks van belang. Nederlands was een kleine speler in het Atlantisch gebied en de winsten uit slavenhandel en slavernij kunnen in ons land niet in verband gebracht worden met de industrialisatie.’(pp. 155-156)

Een laatste punt dat ik wil aansnijden is: voor wie is dit boek bedoeld? Welke doelgroepen hebben de auteurs voor ogen? Mij is dat niet duidelijk geworden. Zijn het (eerstejaars) studenten of wellicht de meer algemeen geïnteresseerde lezers, of toch ook de historische gemeenschap?

Kortom, Rijk aan de rand van de wereld is verre van geslaagd als synthetiserend overzichtswerk. Daarnaast is het een onevenwichtig boek, waarin zelfs de op p. 7 geambieerde 'polyfonie' (gelijkwaardige meerstemmigheid) verre van waargemaakt wordt. Het is niet te hopen dat hoogleraren en universitair (hoofd)docenten het als handboek voor hun (eerstejaars) studenten zullen voorschrijven. Dat zou een stap terug betekenen.

Piet Emmer & Jos Gommans, Rijk aan de rand van de wereld; De geschiedenis van Nederland overzee 1600-1800. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 2012. 542 p., ISBN 978 90 351 3345 7, prijs € 29,95.

[uit Oso 2013.1]



zondag 10 maart 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (13)

Pagina's uit Voyage autour du monde


door Willem van Lit

Deel 13 heeft een kort vervolg op de vraag wat het volk wil: de conditie voor democratisering. Daarna de aanzet tot de vraag hoe wen zich kan bevrijden uit de pathetische omhelzing.

Wat wil het volk? (vervolg)
Welvaart democratiseert. Dat is duidelijk. Het is meerdere malen aangetoond. Het brengt verschuiving teweeg in machtsverhoudingen en sociale structuren. Groepen die hierdoor traditioneel hun positie zien wankelen roepen hier wel andere dingen over, bijvoorbeeld dat geld niet gelukkig maakt en dat mensen alleen nog maar denken aan materiële zaken. Indien mensen qua middelen boven armoede uitstijgen, ontwikkelen zij eveneens de condities tot wat men het hogere kan noemen. De piramide van Maslov geeft dat in alle eenvoud weer. Door welvaart en democratisering kan men vrijheid ervaren en kan men actief deelnemen aan de maatschappelijke discussie. Het schept ruimte in betrekkingen en hierdoor kan de ruilinteractie van dienst en wederdienst op gang komen op basis van erkend eigenbelang. Men hoeft dan niet meer afhankelijk te zijn van gunsten, patronage en vernederingen van bedeling. Het is dan ook niet meer zó hard nodig op zoek te gaan naar identiteit die in afkomst genesteld zou zijn, de voedingswortel, enz. om die vervolgens om te zetten in een militante geest en een verzetscultuur. Sommigen zullen ook dit weer jammer vinden, maar dat alles is dan overbodig geworden (zo het al ooit nodig was) als een oude lap, die men als nostalgisch object nog bewaart voor folkloristisch gebruik, zoals de lensu di kabes (hoofddoek). De vrijheid tot ruil van dienst en wederdienst schept mogelijkheden tot hernieuwde empathie, die gebaseerd is op zelfbewuste identiteit. Deze identiteit kent zijn oorsprong in de sociale positie vanuit het beginsel van ‘ken uzelf’, waardig, erkend en onderscheidend van de ander, de uniciteit en authenticiteit in de voortdurend veranderende context van omgang in het dagelijkse leven. Op deze manier ontstaat de mogelijkheid tot het oefenen van verdraagzaamheid: het vermogen tot tolerantie.
...ruilinteractie...

Verdergaande democratisering schept de condities. Het wil nog niet zeggen dat het dan ook daadwerkelijk gebeurt. Men zou kunnen zeggen dat democratisering en welvaart een hygiënische werking hebben op de instelling ervan, de menswaardigheid en de beleving van vrijheid. Het dynamiseren zelf en het beoefenen van eerbied, zoals ik dat eerder heb genoemd, moeten dan nog gaan groeien of tot ontwikkeling worden gebracht.

Ontvlechten uit de pathetische omhelzing
Ik schrijf mezelf naar het einde van dit boek toe: het idee dat ik in een beslissende fase kom. De afgelopen weken heb ik de voorgaande teksten steeds weer doorgelezen. Ik heb andere schrijvers geraadpleegd. Ik heb anderen gevraagd naar hun opvattingen en ideeën en ik heb de actualiteit gevolgd met reacties van het publiek. Doordat ik zó geconcentreerd ben op het onderwerp, denk ik dat ik misschien wel eens overdrijf en de zaken te groots en belangrijk maak.

Professor Emmer stelt in de laatste lezing in de serie over het Nederlands kolonialisme[1] dat dit verschijnsel een reliek is uit het verleden dat na verloop van tijd herdacht zal worden als de gaslamp of de stoomtram. Het heeft uiteindelijk weinig of niets betekend als je het op mondiale schaal bekijkt en in de totale geschiedenis van de mensheid. Dit is in feite zijn eindconclusie; het is nuchter en enigszins teleurstellend of geruststellend misschien, zowel voor degenen die het (schandelijk) object zijn voor het kolonialisme als voor degenen die hun trots en identiteit hebben ontleend aan het bezit van overzeese gebiedsdelen. Teleurstellend, omdat de thymotische energie van bezieling en trots vergeefs is geweest, maar ook omdat ook dezelfde energie van woede en verontwaardiging alleen maar zelfkwelling moet zijn geweest. Geruststellend omdat het verschijnsel als zodanig óver is en de rust is weergekeerd na eeuwen opschudding en ellende. In alle eenvoud lijkt Emmer voorbij te lopen aan de dingen die eens de geesten en de verhoudingen in vuur en vlam hebben gezet. Men vergeet kennelijk heel snel het bestaan van deze gloeiende energie, de dwepende inspanningen, die daarbij een rol speelden. Ik denk dat het toch iets verder gaat dan het uitdoven van de laatste gaslamp of de laatste rit van de stoomtram.
...cynisme en laaiende woede-uitbarstingen... Foto @ Christine Bordeaux

Het draait in de Koninkrijksverhoudingen bij de stagnerende ontwikkelingen nog vaak om lethargie, het cynisme en laaiende woede-uitbarstingen en deze hebben nog steeds een vernietigend effect op het onderlinge vertrouwen. Het stelsel van boosheid ligt als een brei onder de korst van de cultuur van verzet. Die barst regelmatig open, gevoed door de brandstof van beschaming. Maar er zijn wel degelijk mogelijkheden los te komen uit die eeuwigdurend lijkende verwurging. Hierbij moeten we de energie die eerst de woede heeft gevoed op een andere wijze gaan gebruiken. Het moet de kracht zijn die het elan gaat voeden voor verdraagzaamheid, doordat men direct en daadwerkelijk gaat ervaren dat dit iets oplevert. Deze dynamiek moeten mensen gaan ervaren in de sociale betrekkingen, daar waar we in onderlinge afhankelijkheidsrelaties (wat sociale betrekkingen altijd zijn) op basis van eigenwaarde een constructieve werkelijkheid ontwikkelen. Dat zijn grote woorden, maar het gaat in de kern altijd om algemeen menselijke waarden, die gestalte krijgen in de noodzaak tot verdraagzaamheid. Onderlinge afhankelijkheid noodzaakt tot tolerantie. Het gaat daarbij om waardigheid en waarheid, maar ook om vrijheid en broederschap, de wil zich niet af te sluiten van het ongeluk van anderen. Dit is de sociale dimensie die de cultuur steeds weer vernieuwt in een dynamische relatiegerichte identiteit. Iemand zei dat culturen niet kunnen botsen; het zijn mensen die in hun onderlinge betrekkingen – en dus afhankelijkheden – elkaar tegenkomen: de sociale component. En daar ligt het aangrijpingspunt voor het ontwikkelen van het vermogen tot tolerantie.

Foto @ Jeffry Surianto

Het innerlijk besef van de noodzaak tot tolerantie leidt ertoe dat we zullen moeten aangeven hoe deze gerealiseerd zal worden. Als we bedenken dat verdraagzaamheid dé voorwaarde is voor het ontsnappen uit lethargie, de wrange manie, de slopende teloorgang en het bijtend cynisme, dan moeten de uitnodigingen tot verwerkelijking van hernieuwde betrekkingen aanstekelijk, haalbaar en concreet genoeg zijn. Doelstellingen worden doorgaans in de bevelende vorm gesteld: het imperatief van ‘men dient’ of ‘u moet’. Deze dwingende formuleringen nodigen doorgaans niet uit tot veranderingen, zeker niet als het gaat om verziekte verhoudingen waarin het conflict muurvast zit. In deze gevallen helpen ook rationeel bedoelde argumenten niet. De uitnodigingen zullen dus aantrekkelijk moeten zijn (dit is een imperatief aan de inhoud en de vorm). Men zal ze dan ervaren als belangrijk voor de eigen situatie, het antwoord op de vraag: “Wat heb ik er aan? Wat zit er voor mij in?” Dit is het beginsel van de ruilinteractie, zoals ik die eerder heb verwoord. Het zijn de basisvoorwaarden die in elke onderhandelingssituatie naar voren komen. Op deze manier trachten we het vermogen van de redelijkheid op gang te brengen. Het gaat bij het formuleren van de vragen deel te nemen aan hernieuwde betrekkingen om de navolgende elementen:
...tolerantie... uit: Gandalf

·       Toepassen van de ruilinteractie: het belang van alle betrokken groepen centraal zetten;
·       Doelstellingen formuleren in de vorm van uitnodigingen;
·       Doelstellingen formuleren die direct en alleen maar betrekking hebben op de onderlinge sociale verhoudingen;
·       De voortdurende dynamiek weergeven: het oefenen van eerbied. Dit betekent dat de elementen van het voorgestelde programma iteratief geformuleerd zijn: een situatie waaraan voortdurend wordt gewerkt. Tolerantie is geen statisch vermogen.
·       Wederzijdse betrokkenheid centraal zetten. De ruilinteractie mag niet eenzijdig zijn.

(wordt vervolgd)



[1] Emmer, Piet, 2012 – CD “Koloniale geschiedenis, hoorcollege over Nederland en de Europese expansie overzee”, door Leonard Blussé en Piet Emmer. Uitg. NRC Academie. Studium Generale Universiteit Leiden, deel 10, “de Dekolonisatie”. 

donderdag 17 januari 2013

Een feestje voor oude blanken (2)


door Rudie Kagie

Antikoloniale optiek

Sandew Hira

De vooraanstaande Nederlandse academici die álles van slavenhandel en de Gouden Eeuw meenden af te weten, schrokken hevig van de stroom publicaties waarin Hira hun zekerheden bekritiseert, becommentarieert of weghoont. De eminente emeritus-hoogleraar Piet Emmer, auteur van het standaardwerk De Nederlandse slavenhandel 1500-1850, verkondigde de volgens Hira ‘onbeschaafde’ stelling dat het afschaffen van de slavernij een kenmerk van de westerse beschaving was. ‘Maar wie heeft de slavernij dan ingevoerd? Dat waren zeker weer de Marokkanen?’ De historicus Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden en kenner van het koloniale verleden in de West, zou volgens Hira ‘geen wetenschap maar ideologie’ bedrijven, een verwijt dat de geattaqueerde auteur ‘intermenselijk gezien zwaar beneden de gordel’ noemde. Wijlen socioloog Rudolf van Lier, een autoriteit binnen zijn vakgebied, tuimelde bij Hira al eerder van zijn sokkel omdat hij in Samenleving in een grensgebied (1949) schreef dat Suriname tot stand is gekomen door een soort sociaal contract waarbij mensen afspraken om gemeenschappelijke doelen na te streven. Hira wijst erop dat bij zijn weten geen slaaf ooit met zijn meester had afgesproken om hem uit Afrika weg te plukken.

Alex van Stipriaan (links) en Henk den Heijer

De hoogleraren Alex van Stipriaan en Henk den Heijer – ach, best aardige lui om een biertje mee te drinken, maar volgens Hira collectief behept met een naïeve inschatting van wat het mensonterende slavendom in Suriname en op de Antillen aanrichtte. Een dieptepunt dunkt hem de in het najaar van 2011 uitgezonden vijfdelige serie De Slavernij, gemaakt onder auspiciën van Oostindie, Van Stipriaan en Den Heijer en gepresenteerd door Daphne Bunskoek en Roué Verveer, volgens Hira ‘de Sjors en Sjimmie van de NTR’. Op de site van zijn International Institute for Scientific Research (IISR) begeleidde Hira elke aflevering met kritisch commentaar. Wekelijks zag hij de oude leugens over het scherm voorbijtrekken die al eeuwenlang over slavernij worden verkondigd. Het doortrekken van de lijn uit het verleden naar het heden, zoals de makers deden (Roemeense vrouwenhandel of kinderarbeid in India zijn óók vormen van slavernij) berustte volgens hem op een dubbele denkfout. ‘Ten eerste, de transatlantische slavernij was gesanctioneerd door staten en geen aangelegenheid van particulieren. (…) Ten tweede, de moderne slavernij is niet het fundament van de wereldeconomie in wording.’

Sandew Hira zal laten zien hoe je zo’n televisieserie over slavernij ook vanuit een kritische, antikoloniale optiek kunt maken. Hij schreef een script voor een twaalfdelige documentaire over de geschiedenis van zijn geboorteland (Van Columbus tot Anton de Kom) en debuteert tijdens de inmiddels in Nederland en Suriname begonnen opnamen als televisiepresentator. De Surinaamse zender Sky TV zal het resultaat – twaalf afleveringen van veertig minuten – te zijner tijd op het scherm brengen. Boze tongen beweerden dat Bouterse het project financiert, maar hoewel diens politieke partij NDP aan Sky is gelieerd, verzekert Hira dat het project uitsluitend gefinancierd wordt door SKY en IISR en de regering en zijn partij er niets mee te maken hebben. ‘In Nederland zal de serie op dvd worden uitgebracht,’ zegt hij. ‘Nee, niet op de televisie. Misschien dat de publieke omroep over veertig jaar zover is om een zwart geluid te laten horen.’

De controversiële afbeelding op de Gouden Koets. Foto: Peter Hilz


Verzoenende rol

Bij een broodje in het centrum van Den Haag vertelt Barryl Biekman over de wapenfeiten van het Landelijk Platform Slavernijverleden (LPS) dat ze in 1998 hielp oprichten en waarvan ze sindsdien voorzitter is. Ze werd voor haar verdiensten voor de multiculturele samenleving geridderd in de Orde van Oranje Nassau. Dankzij inspanningen van haar forum werd bereikt dat koningin Beatrix tien jaar geleden het slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark onthulde, al was het de toegestroomde menigte helaas niet vergund om een glimp van de ceremonie op te vangen. Nadat de dranghekken tegen de grond waren geduwd, kreeg het tafereel van blanke politieagenten die de nazaten van slaven met getrokken latten op afstand probeerden te houden een naargeestige symboliek, zeker in het licht van de aard van de plechtigheid. ‘Vreselijk dat deze dag in het tegendeel is verkeerd van wat de bedoeling was,’ zou toenmalig burgemeester Job Cohen er later over zeggen.

Dekoloniale geschiedschrijving

Dat in 2002 het instituut voor slavernijverleden NiNsee zijn deuren opende, was eveneens de verdienste van Barryl Biekman en haar landelijk platform. Al botste de radicale visie van de beoogde directeur Rick Derveld met de mening van het dagelijkse bestuur van het NiNsee. Derveld, onlangs overleden, vond dat het NiNsee het zwarte perspectief moest hanteren en vanuit de slachtoffers naar het verleden moest kijken. Die opvatting strookte niet met de verzoenende rol die de door rijk en gemeente gefinancierde instelling was toebedeeld en de directeur werd, terwijl zijn sollicitatie al was goedgekeurd, enkele weken later medegedeeld dat hij niet meer welkom was.

Biekman vindt het jammer dat de noodzaak van het NiNsee niet goed uit de verf is gekomen door de richting waarin het instituut zich heeft ontwikkeld. Ze verwijt het Nederlandse kabinet de ‘hypocriete’ manier waarop en de argumenten waarmee de financiering van het NiNsee is gestopt. Het instituut, dat zowel een nationaal als een internationaal perspectief had moeten hebben, is nu verworden tot een stedelijke instelling die blij mag zijn met de gunsten van de stad Amsterdam. ‘De Nederlandse staat heeft hiermee gedemonstreerd dat zij geen enkele verantwoordelijkheid wenst te dragen voor de verwerpelijke barbaarse handelingen van de slavendrijvers, wettelijk toegestaan door de toenmalige Nederlandse gezaghebbers inclusief het koningshuis.’

De heer Nicolaas op zijn knol

Het was het platform niet alleen te doen om een slavernijmonument en een instituut, maar ook, zegt Biekman, om de bestrijding van ‘alles wat refereert aan de racistische ideologieën die het mogelijk maakten om het slavernijsysteem te consolideren’. ‘Wij zijn sinds 2001 betrokken bij de VN-mensen­rechten­activiteiten die racisme bij de wortel willen aanpakken. En dat heeft zijn nut al bewezen. Dat de slavernij en kolonialisme tot misdaad tegen de menselijkheid zijn verklaard, komt mede door de acties van mensen van Afrik­aanse afkomst wereldwijd. Ook het LPS heeft daaraan een belangrijke bijdrage geleverd. Toen ik dertig jaar geleden als voorzitter van de Afro-Europese Vrouwenbeweging riep dat Sinterklaas een racistisch feest is, kreeg ik nog een storm van verontwaardiging over me heen. Tegenwoordig staat het voortbestaan van Zwarte Piet maatschappelijk ter discussie. De actie van het LPS heeft er in ieder geval voor gezorgd dat de Unesco weet hoe mensen van Afrikaanse afkomst in Nederland over dit festijn denken. Nederland zal het moeilijk krijgen om pakjesavond op de lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed te krijgen.’

Met justitie en politie loopt een levendige correspondentie over de kenmerken die in profielen van verdachten worden gehanteerd. ‘Die zijn doordrenkt van racistische vooroordelen. Men spreekt in rapporten bijvoorbeeld van een negroïde man.’


Een negroïde man
De aanklacht tegen de afbeelding op de Gouden Koets die naar de slavernijperiode zou verwijzen, bleef vooralsnog zonder resultaat. ‘We waren echt geschokt over de wijze waarop dit thema werd opgepakt door het kabinet en de politiek,’ zegt Barryl Biekman. ‘De Gouden Koets is een vernedering voor ons zwarte mensen. Stel je voor dat de koningin zou rondrijden in een koets die refereert aan de Joodse Holocaust! We kwamen met een voorstel: kabinet, we denken graag met jullie mee, vervang dat paneel door een schildering die verwijst naar de multiculturele samenleving. Die koets kan verder blijven zoals die is, maar dat element van de slavernij gaat eruit. Nodig kunstenaars uit om een creatief alternatief te bedenken. Wat denk je? Totaal geen reactie. De vraag is waarom wij niet serieus worden genomen. Er is totaal geen respect voor ons. Vanuit de homobeweging wordt wel begrip gevraagd en worden allerlei maatregelen getroffen om discriminatie tegen te gaan, maar als zwarte mensen iets naar voren brengen, dan heeft dat totaal geen waarde. Daar haat ik Nederland voor, maar dat mag ik niet zeggen, hè?’

De opzet voor het herdenkingsjaar slavernijverleden beantwoordt niet aan de voorstellen die het LPS had ingediend. ‘Ze gaan het breed trekken, met aandacht voor moderne slavernij, prostitutie en kinderarbeid. Terwijl die onderwerpen al nationale aandacht hebben. Kinderarbeid is al strafbaar. Vrouwenhandel is ook al strafbaar. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat er van alles bij de herdenking wordt betrokken om de stilte rond slavernij te consolideren. Een Amsterdamse stichting gaat het organiseren, terwijl dit een nationaal verhaal had moeten worden over de misdaad tegen de menselijkheid die Nederland honderden jaren heeft begaan. Er is net zo lang gesleuteld, genuanceerd en afgezwakt totdat uiteindelijk dit programma eruit rolde.’

[wordt vervolgd]

maandag 16 juli 2012

Reddingsactie NiNsee: Zijn het gezag van Beatrix en 16.000 handtekeningen voldoende?

door Stuart Rahan

Het lijkt wel zwarte pietenspel. Niemand durft de verantwoordelijkheid voor de sluiting van het NiNsee, het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis, op zich te nemen. De politieke beslissing is weliswaar genomen door het kabinet van Mark Rutte, momenteel demissionair, maar onder dwang van gewezen gedoogpartner PVV, de partij van Geert Wilders die ‘vrijheid’ in de naam heeft maar intussen de vrijheid van minderheidsgroepen als de Afrikaanse gemeenschap steeds beperkter wil zien.

Voorzitter van het Landelijk Platform Slavernijverleden Barryl Biekman in geanimeerd gesprek met demissionair premier Mark Rutte afgelopen 1 juli bij de herdenking van 149 jaar afschaffing slavernij. V.l.n.r. Burgemeester van Amsterdam Eberhard van der Laan, NiNsee-voorzitter Eddy Campbell, demissionair premier Mark Rutte, LPS-voorzitter Barryl Biekman (staand), Tweede Kamervoorzitter Gerdie Verbeet en Edwin Abath, gevolmachtigd minister van Aruba.
PVV wil af van de zogenaamde linkse hobby’s waaronder ook het NiNsee valt. CDA en VVD stemden ermee in onder het mom van nationale bezuinigingen. Uit verschillende groepen en individuen klinkt het steeds luider dat het nog niet definitief afgelopen is met het NiNsee. Echter neemt geen groep of individu het initiatief om de genadeslag op het Landelijk Platform Slavernijverleden (LPS) en African and African Descendent (AAD) Netwerk Nederland na te voorkomen. De handelingen van de gemeente Amsterdam missen erkenning voor het NiNsee. Als nationaal documentatie- en informatiecentrum wordt het instituut overgeslagen bij de herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij. Het NiNsee moet voor activiteiten in dat kader aankloppen bij Stichting Herdenking Slavernijverleden 2013 van Joan Ferrier. “De wereld op z’n kop”, beweren tegenstanders van de sluiting.

Cadeau of rechtmatig
Iedereen hoopte op een cadeautje van demissionair premier Rutte toen die voor het eerst zijn gezicht liet zien bij de jaarlijkse herdenking op 1 juli, onlangs in het Oosterpark. “Helaas, ik heb geen cadeau voor het NiNsee meegenomen”, uitte Rutte zich zonder omwegen terwijl niet alleen sprake was van herdenking van de afschaffing van de slavernij maar ook nog het tienjarig bestaan van het met sluiting bedreigde NiNsee. “Het minste wat je mee kan nemen op een jaardag, hoe klein dan ook, is een cadeau”, hoopte het gros van de aanwezigen. Het jammerlijke aan het idee van een cadeau in het geval van NiNsee is dat het instituut geen cadeau behoeft. Het bestaan van NiNsee is geen cadeau voor de Afrikaanse Nederlanders, voornamelijk uit Suriname en de Nederlandse Antillen, maar een verplichting van de Nederlandse staat als erkenning van het Nederlandse slavernijverleden en genoegdoening van de mensenrechtenschendingen. De Nederlandse geschiedenis vertelt in de marge over het slavernijverleden en wie het onderwerp beter wil bestuderen is aangewezen op nationale archieven die hoogdrempelig zijn. Het NiNsee zou dit historische vacuüm moeten invullen, toen in 2002 de regering van Wim Kok zijn verantwoordelijkheid nam en het NiNsee in al haar facetten ondersteunde. Het jaar daarvoor was al toestemming gegeven voor een nationaal monument Nederlands slavernijverleden wat resulteerde in het ontwerp en de bouw van het monument door kunstenaar Erwin de Vries.

Slaaf gehangen aan een haak;
 gravure uit de Italiaanse vertaling van Stedman


Barryl Biekman van het Landelijk Platform Slavernij die op eigen titel spreekt, hekelt de houding van de politieke oppositie momenteel in de Tweede Kamer. “Ooit iets van D66 gehoord? Hebben wij iets aan uitspraken van de SP over excuses terwijl het NiNsee nu ‘aan het sneuvelen’ is?” Zij haalt ook fel uit naar andere zogenaamde Nederlandse historici die nauw betrokken zijn bij het Nederlandse slavernijverleden en de onderwijzing daarvan. “Ook al aan figuren als Piet Emmer gedacht zijn onverbeterlijke rancuneuze rol? Maar als NiNsee een professor Small introduceert, hoor en zie je hem niet. Ik heb ook nog geen reactie gezien of gehoord op Emmer van professor Alex van Stipriaan, Dr. Frank Dragtenstein en Dr. Aspha Bijnaar. Ik wacht af.” Piet Emmer ziet de oprichting van NiNsee als een schuldgevoel bij de Nederlandse politiek en beweert dat vanuit die gedachte, nooit goed wetenschappelijk onderzoek verricht kan worden. Hij is er dan ook niet huiverig voor dat het instituut ophoudt te bestaan: “NiNsee heeft in de afgelopen tien jaar geen enkel uniek onderzoek verricht. Daarom maak ik mij geen zorgen om de sluiting van het instituut. Onderzoek naar het slavernijverleden zal ongetwijfeld voortgang vinden.” “Vooral het onderzoek waarbij de waarheid wordt verdoezeld, de mensenrechtenschendingen in boeken worden weggemoffeld en het economisch profijt wordt ontkent”, merkt Biekman op, als reactie op Emmer.

Hoop op Beatrix
Tijdens dezelfde herdenkingsplechtigheid vroeg NiNsee-voorzitter Eddy Campbell aan demissionair Rutte en burgemeester Eberhard van der Laan om het NiNsee niet te begraven. “Zijn intentie was helder”, memoreert Biekman zijn uitspraak. Campbell beloofde Rutte twee extra zetels bij de komende verkiezingen als deze alsnog met een cadeau op de proppen zou komen. Blijkbaar heeft Campbell een Afrikaanse achterban van wie hij op commando het stemgedrag kan beïnvloeden. En het zijn de komende verkiezingen die bepalend kunnen zijn voor een eventuele doorstart van NiNsee als zelfstandig historisch orgaan als argument om het geweten te sussen.

The fight. Foto @ Nicolaas Porter


Nu het wachten is op de winnaars van de verkiezingen, heeft het LPS alvast het hoogste gezag van Nederland aangeschreven om de politiek te bewegen tot andere inzichten. Koningin Beatrix is in een persoonlijke brief gevraagd haar invloed als staatshoofd aan te wenden het kabinet Rutte de sluiting van NiNsee te doen herzien. In een 36 punten tellende oproep legt het LPS de noodzaak van het voortbestaan van het NiNsee uit. Het NiNsee en het slavernijmonument na parlementaire goedkeuring en zijn gerealiseerd door middel van beschikbaarstelling van overheidsfinanciering. Om de daad bij het woord te voegen schuwt het LPS de confrontatie met het Nederlandse vorstenhuis dan ook niet. “Nederland heeft in vele opzichten, zoals blijkt uit wetenschappelijk onderzoek, geprofiteerd van de trans-Atlantische slavenhandel, slavernij en kolonialisme. Nederland, in casu wordt de Nederlandse regering, daarom verantwoordelijk geacht, is hoofdelijk aansprakelijk voor alles wat ertoe bijdraagt aan de verwerking van het slavernijdossier en de effecten van slavenhandel, slavernij en kolonialisme, mede te financieren.” In de brief verafschuwt het LPS dan ook de houding van staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra, die beweert dat het werkgebied van de activiteiten en projecten van het NiNsee, noch een wetenschappelijke, noch een culturele dimensie heeft en daarom niet tot het OCW-beleidsveld wordt gerekend en om die redenen overheidsfinanciering niet mogelijk is. “Reden te meer om aan te tonen dat Zijlstra de inhoud van zijn functie niet heeft begrepen”, bijt Barryl Biekman van zich af. Voor volgend jaar vraagt het LPS aan Beatrix ook haar invloed aan te wenden om bij de herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij 1 juli uit te roepen tot nationale bezinningsdag en het elke vijf jaar een nationale vrije dag te laten zijn, zoals nu het geval is met de herdenking van de Tweede Wereldoorlog. De brief aan de koningin ging vergezeld van zestienduizend handtekeningen die in de afgelopen periode zijn verzameld.

[uit de Ware Tijd, 14/07/2012]

maandag 19 december 2011

Debat “Slavernij, verleden, heden, toekomst”

Stichting Julius Leeft!, NTR, NiNsee en De Balie presenteren een debat in De Balie in Amsterdam op 19 december 2011. Naar aanleiding van de muzikale geënsceneerde reading “Hoe duur was de suiker?” op 18 december een debat plaatsvinden over “Slavernij, verleden, heden, toekomst”.

In 2013 is het 150 jaar geleden dat Nederland de slavernij afschafte. Aan de vooravond van dat herdenkingsjaar laat SJL zich inspireren door de succesvolle historische roman “Hoe duur was de suiker” van de Surinaamse auteur Cynthia Mc Leod. Het verhaal over een Joodse plantersfamilie en hun slaven aan het eind van de 18e eeuw biedt voldoende stof voor reflecties op onze huidige maatschappij.



Tijdens het debat staat de volgende vraagstelling centraal:
- “Heeft de huidige Nederlandse samenleving nog een verantwoordelijk-heid voor het slavernijverleden of is het gewoon een historisch interes-sant fenomeen.”
- “Is het onderwerp ‘Slavernij’ afgesloten of niet. Moeten de nazaten tot in de eeuwigheid als slachtoffer bestempeld worden en komen ze daardoor nooit los van de slachtofferrol.”


De debatleiders zijn Noraly Beyer en Yoeri Albrecht. De pannelleden zijn: Carla Boos (eindredacteur NTR-serie “De Slavernij”), Francio Guadeloupe, Henk den Heijer, Arthur Kibbelaar, Ernestine Comvalius en Ing Yoe Tan, terwijl Cynthia Mc Leod, Frank Dragtenstein en Piet Emmer vanuit de zaal op de discussie zullen reageren.

Ing Yoe Tan is een Nederlands politicus. Van 1999 tot 2011 was zij namens de Partij van de Arbeid lid van de Eerste Kamer. In de periode 2007 – 2011 was zij vicevoorzitter van de Vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid (Eerste Kamer der Staten-Generaal). In de Eerste Kamer was Tan namens haar partij woordvoerder o.a. BZK, Justitie,Cultuur, Antilliaanse zaken en EPD.Tevens was ze voorzitter van het multi-etnisch vrouwennetwerk in de PvdA Van 1986 tot 2004 was ze als senior-adviseur verbonden aan managementadviesbureau Berenschot . Daarvoor was ze in dienst van achtereenvolgens de Gemeente Amsterdam en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

Ernestine Comvalius is andragoloog en heeft daarnaast o.a. organisatiekunde gestudeerd. Zij is directeur van het Bijlmer Parktheater dat professioneel- en amateurtheater programmeert. Tevens is zij directeur van het Krater Theater. Krater organiseert o.a. het Black Magic Womanfestival en het maandelijkse cabaret- en comedypodium FATU. Krater is ook een aanbieder van cultuureducatieprojecten voor het onderwijs.

Francio Guadeloupe, cultureel antropoloog, docent aan de Universiteit van Amsterdam, afdeling Sociologie en Antropologie. In 1999 behaalde Guadeloupe zijn master in ontwikkelingsstudies aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zijn onderzoek richtte zich op de Afro-Braziliaanse religies Condomblé en Umbanda in Rio de Janeiro en Salvador da Bahia. Op basis van zijn onderzoek publiceerde hij twee boeken A vida e uma dança – The Candomble Trough the Lives of Two Cariocas (Nijmegen, CIDI, 1999) en Dansen om te leven, over Afro-Braziliaanse cultuur en religie (Luyten & Babar, 1999). Belangrijk thema in het werk van Guadeloupe is de manier waarop de erfenis van het kolonialisme en het globale kapitalisme hun invloed uitoefenen op nationalisme, multiculturalisme, media en religie. Hij heeft dit thema uitgewerkt in zijn publicaties over de sociale processen op het Frans-Nederlandse eiland Sint Maarten, op Aruba in Brazilië en Nederland. In 2007 verscheen zijn boek Zo zijn onze manieren, visies op multiculturaliteit in Nederland. Zijn laatste boek Chanting Down the New Jerusalem: Calypso, Christianity & Capitalism in the Caribbean, verscheen in 2010 bij de Univerity of California Press.

Henk den Heijer studeerde maritieme en koloniale geschiedenis aan de Universiteit Leiden waar hij in 1988 zijn doctoraalbul (cum laude) behaalde. Hij deed onderzoek naar de Nederlandse handelsrelatie met West-Afrika in de zeventiende en achttiende eeuw waarop hij in 1997 aan de Leidse Universiteit bij Jaap Bruijn promoveerde. Den Heijer is sinds 2003 docent maritieme geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Hij doet onderzoek naar de Nederlandse handel en scheepvaart in het Atlantisch gebied in de vroegmoderne tijd en naar de ontwikkeling van de visserij in de negentiende en twintigste eeuw. Den Heijer publiceerde onder meer De geschiedenis van de WIC (Zutphen 1994 / 2007) en De geoctrooieerde compagnie. De VOC en de WIC als voorlopers van de naamloze vennootschap (Deventer 2005).

Lily Talapessy (1967) is sinds 1994 verbonden aan het ministerie van Buitenlandse Zaken en werkte onder meer in Zimbabwe en de VS. Tot 2009 was Lily lid van de raad van bewindvoerders van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank in Tunis. Sinds 2009 werkt Lily bij de afdeling gezondheid en aids van het ministerie. Lily studeerde Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam en deed voor de Europese Commissie onderzoek naar de positie van vrouwelijke beta-wetenschappers. Lily neemt deel aan de discussie op persoonlijke titel.

Carla Boos is socioloog en vertaler en was eindredacteur van de televisieserie De Slavernij. Eerder werkte ze aan de televisieseries Na de oorlog en Bestaat Nederland wel? Ze maakte deel uit van de redactie van Andere Tijden en stelde de Andere Tijden jaarboeken samen. Ze maakt deel uit van de jury voor de Libris Prijs voor het beste historische boek en van de adviescomissie Twintigste Eeuw van het Rijksmuseum.

Het debat “Slavernij, verleden, heden, toekomst” is een samenwerking tussen Stichting Julius Leeft!, NTR, De Balie en NiNsee.

Het debat wordt mede mogelijk gemaakt door: Het Amsterdams Fonds voor de Kunst, Telesur, Forum en BKB.

Aanvang: 20.00 uur

Foto: @ National Geographic, Sergi Saribashvili

zaterdag 29 oktober 2011

Slavotainment

door Fred de Haas


Emeritus professor P.C. Emmer van de Universiteit Leiden ergert zich al jaren aan het emotionele gezeur over de Nederlandse slavenhandel. In een artikel in de Volkskrant van woensdag 19 oktober jl. drukt hij dan ook zijn volle tevredenheid uit over de TV-serie De Slavernij die de afgelopen weken in vijf afleveringen is uitgezonden. De serie, gebaseerd op de laatste wetenschappelijke kennis, was luchtig gehouden en zodoende uitstekend geschikt voor consumptie door het grote publiek. Volgens Emmer had de serie in een paar weken meer voor de bewustwording bij het Nederlandse publiek gedaan dan het Tropenmuseum in jaren.

Dit laatste mag dan waar wezen, maar neemt niet weg dat de zwarte, vlot Nederlands sprekende Surinaamse acteur die met hulp van vele anderen in archieven, in Afrika (hij was een Ashanti, hoera!) en ‘op locatie’ in Suriname naging op welke plantage zijn voorouders hadden gewerkt (Barbados, hoera!), NET IETS TEVEEL LACHTE. Hij wekte daardoor de indruk dat het natuurlijk niet was voor te stellen dat zoiets ergs ooit mogelijk was geweest, maar dat het ook héél ver achter de huidige Surinamer en Antilliaan lag. Niet zeuren dus. Zand erover, lachen maar. Er was zelfs een slecht gespeelde scène te zien waarbij een oude, half blinde Surinaamse geschiedenisleraar als veilingmeester optrad en de acteur op een ton stond en op bevel van de veilingmeester zijn gespierde lichaam aan de fictieve kopers liet zien. Leuk, hoor, MAAR NET IETS TÉ LEUK. Bovendien had de oude geschiedenisleraar het over ‘Pico de Indio’ in plaats van over ‘Pieza de Indias’, maar dit terzijde. Een Surinaamse vrouw demonstreerde met wat voor takjes de slaaf soms werd geslagen. Aan de uitdrukking op haar gezicht te zien kreeg je niet bepaald de indruk dat het nou allemaal zo erg was geweest (het waren ook nog dunne takjes) en de vrouw speelde niet overtuigend. Alsof ze haar hadden moeten overhalen. Mooie plaatjes, blauwe luchten, fraaie jungle, gezond ogende en glimlachende vertellers (op wat uitzonderingen na, onder wie een nogal hysterisch pratende mevrouw op een boot).
Slavotainment, dus. Op zich niet erg, maar het doet echt tekort aan wat er in werkelijkheid is gebeurd.

Ook professor Oostindie van de Leidse Universiteit en directeur van het KITLV, Aspha Bijnaar en Alex van Stipriaan, wetenschappelijk adviseurs van de serie, vonden de serie iets te ‘gemoedelijk voortkabbelen’. Achteraf bezien, weliswaar. Vooraf of halverwege zou beter zijn geweest.
De geleerden zijn het dus niet met elkaar eens en professor Emmer, schrijver van het zeer lezenswaardige boek De Nederlandse Slavenhandel (AP, Amsterdam, 2003) verheugt zich erover dat de geschiedenis van de slavenhandel nu eens niet was gebaseerd op emoties maar op ‘de resultaten van wetenschappelijk onderzoek’. Emoties, bah! Niks voor wetenschappers.
Dat laatste mag dan waar zijn, professor, maar je hoeft die wetenschappelijke resultaten nou ook weer niet te presenteren met een blijde lach die aangeeft ‘jongens, het is voorbij, niks meer aan de hand en nu aan het werk!’. Dat wekt nu nèt de verkéerde emoties op en dan zijn we dus weer precies waar we volgens u niet moeten wezen.

Beste Piet, zoals u als geen ander weet, is de slavernij de mentale en fysieke genocide van een ras geweest en, alsof dat nog niet genoeg was, heeft Europa jarenlang geprobeerd die misdaad met de mantel der vergetelheid en vergoelijking te bedekken en bovendien de ‘neger’ overladen met minachting door hem/haar voor te stellen als lelijk en behoorlijk dom. Tot op de dag van heden wordt de zwarte overal gediscrimineerd, misschien niet in de buurt waar Piet Emmer woont, maar wel overal elders.


Piet, hoe komt het, denkt u, dat er op Curaçao – behalve om zuiver opportunistische redenen - zoveel emotioneel verzet tegen de Nederlandse Overheid is? Juist! Omdat er nog steeds een gevoel van minderwaardigheid bij de zwarte bevolking leeft en veel mensen daarom de pest hebben aan het meerderwaardigheidsgevoel van de blanke. Daarom kan je nog steeds niet met een glimlach, wetenschappelijk of niet, over de slavenhandel vertellen. Omdat het beeld van de gekoloniseerde, de slaaf en de vernederde nog steeds onder de oppervlakte zit en niet zomaar oplost door de slavenhandel voor te stellen als een fenomeen waar zelfs elke ‘Nederlandse’ zwarte nu hartelijk om kan, nee móet lachen.

zaterdag 24 juli 2010

Suriname, koloniale mislukking nummer drie

door Piet Emmer

Suriname heeft een veroordeelde crimineel tot staatshoofd gekozen. Is dat erg? Ja en nee. Nee, als we zouden aanvoeren dat er in de Caribische regio wel meer dubieuze personen staatshoofd zijn geworden. Zo heeft in Panama generaal Noriega wellicht nog meer met de drugshandel verdiend dan Bouterse. Op Haïti beschouwde de familie Duvalier (Papa en Baby Doc) de staatskas als hun persoonlijk eigendom, terwijl op het verpauperde Cuba de gebroeders Castro al meer dan een halve eeuw staatshoofd spelen zonder ooit de kiezers te vragen of ze het daarmee eens zijn.

Verbonden
Maar Suriname is niet zo maar een land. Het is een oude kolonie van Nederland en daarom had het Surinaamse electoraat beter moeten weten. Bovendien telt ons land honderdduizenden ex-Surinamers, die zich nauw verbonden voelen met de ontwikkelingen in hun geboorteland. Hoe konden de Surinaamse kiezers de wijze lessen uit de koloniale periode over goed bestuur, het handhaven van de rechtsstaat en het tegengaan van corruptie zo in de wind slaan?

Toch is de verkiezing van Bouterse geen uitzondering die de regel bevestigt. De gedekoloniseerde Nederlandse koloniën kennen een bedroevende aaneenschakeling van staatsgrepen en ondemocratische regimes. Neem Indonesië, dat decennia lang gebukt ging onder Soekarno, wiens regeringsperiode eindigde in een bloedige zuivering met wellicht een miljoen slachtoffers. Daarna volgde de even ondemocratische Soeharto, die zich ontpopte als een efficiënte kleptocraat. Pas de afgelopen tien jaar is er sprake van democratie. Natuurlijk zijn excuses snel gevonden.

Goed bestuur
De bevolking van onze Gordel van Smaragd was wel heel veel groter dan die van het moederland en daarom vergden goed bestuur, de volksgezondheid en het aanleggen van wegen en spoorwegen zoveel energie dat het invoeren van de democratie er een beetje bij inschoot. Bovendien kwam de dekolonisatie onverwacht. In de West met nog geen half miljoen onderdanen moest dat allemaal anders gaan. Daar begon het Nederlandse koloniale bestuur veel eerder dan in Indonesië met onderwijs, want na de afschaffing van de slavernij zou de bevolking alleen aan het werk blijven als zij zich de Westerse normen en waarden had eigen gemaakt.
Die koloniale politiek, in combinatie met missie en zending, zou de bevolking van Suriname en de Antillen veel ‘Nederlandser’ hebben moeten maken dan de Indonesiërs.

In de praktijk blijkt daar maar bitter weinig van. Zo hebben de kiezers op de Nederlandse Antillen een paar jaar geleden de familie Godett in het zadel geholpen. Anthony Godett kon wegens gevangenisstraf voor corruptie geen premier worden en liet zich daarom vervangen door zijn zuster. Zijn minister van Justitie (!), Komproe, belandde in de gevangenis omdat hij zich liet betalen door de internationale prostitutiemaffia.

Er is veel in het verleden van Nederland dat de voormalige koloniën maar beter niet kunnen kopiëren, maar corrupte fraudeurs en criminelen weren uit het landsbestuur wel.

Geen misdadigers
En nu Suriname. Je kiest geen misdadigers in openbare functies, punt uit. Dat de verkiezingen in Suriname geheel democratisch zijn verlopen, maakt de zaak alleen maar erger. Weer heeft het Nederlands kolonialisme gefaald. Dat had naast een rechtvaardig (Nederlands) koloniaal bestuur, een goedkope en efficiënte gezondheidszorg, stevige bruggen, begaanbare wegen, ferme dijken eneen paar nette ambachtsscholen, het bijbrengen van democratisch besef moeten bevatten.

Nu blijken grote delen van de bevolking van de Nederlandse ex-koloniën heel anders over goed en kwaad in de politiek te denken dan het voormalige moederland. Indonesië, de Antillen en Suriname: drie kansen, drie keer fout.

Piet Emmer is emeritus hoogleraar in de geschiedenis van de Europese expansie aan de Universiteit van Leiden

[Overgenomen uit de Volkskrant on-line, 24 juli 2010; zie ook de reactie hieronder]

Foto rechtsboven: Bouterse tijdens de proclamatie
van de Stanfaste-beweging in 1984, foto Michiel van Kempen;
foto links: The Nuba of Kau, @ Leni Riefenstahl

Witte huid, zwarte maskers*)

(de slavernij ondergesneeuwd)

Piet Emmer, emeritus hoogleraar in de geschiedenis van de Europese expansie aan de Universiteit van Leiden, heeft op de Opinie-pagina van de Volkskrant-online van vandaag een artikel gepubliceerd onder de titel “Suriname, koloniale mislukking nummer drie”, naar aanleiding van de verkiezing van Bouterse tot president. Een schandalig artikel! Na lezing voelde ik mij onwel, bevangen als ik was door een volslagen miezerig gevoel bij zoveel superioriteit en zoveel misvattingen als hier geëtaleerd door een ‘wetenschapper’ die een mensenleven lang de expansie van Europa heeft bestudeerd en daarvan zelf niets heeft geleerd. En daarbij gaat het mij niet om de verkiezing van Bouterse, die om het zacht te zeggen een zorgelijke ontwikkeling is, maar om de duiding die Emmer daaraan geeft. Het is de reactie van een ontgoochelde ouder die bij het deraillement van zijn kind theatraal uitroept: “Hoe kun je me dit aandoen, dat heb ik niet verdiend?!”

(Piet Emmer)

Emmer begint met de vraag of het erg is dat een veroordeelde crimineel is gekozen tot staatshoofd, waarop hij zegt: “Nee als we zouden aanvoeren dat er in de Caraïbische regio wel meer dubieuze personen staatshoofd zijn geworden”. Om zich dan te beroepen op zijn en andermans 'verbondenheid' met Suriname, stellende: “Maar Suriname is niet zo maar een land. Het is een oude kolonie van Nederland en daarom [accentuering van mij - RvdM] had het Surinaamse electoraat beter moeten weten. Bovendien telt ons land honderdduizenden ex-Surinamers, die zich nauw verbonden voelen met de ontwikkelingen in hun geboorteland. Hoe konden de Surinaamse kiezers de wijze lessen uit de koloniale periode over goed bestuur, het handhaven van de rechtsstaat en het tegengaan van corruptie zo in de wind slaan?”

Ik kan er niet over uit – en dat zal mij ook wel nooit lukken – hoe een bakra durft te spreken over “de wijze lessen uit de koloniale periode”. Emmer maakt het verderop alleen nog maar erger door mitigerend te spreken over Nederland’s “goed bestuur” in Nederlandsch-Indië: “De bevolking van onze Gordel van Smaragd was wel heel veel groter dan die van het moederland en daarom vergden goed bestuur, de volksgezondheid en het aanleggen van wegen en spoorwegen zoveel energie dat het invoeren van de democratie er een beetje bij inschoot.” Wat een drogredenen! Emmer wil nog steeds niet weten dat de Nederlandse koloniën wingewesten waren in de meest letterlijke zin van het woord. Elke investeringen in deze wingewesten had de verveelvoudiging ervan tot inzet en niet anders: elke geïnvesteerde gulden moest honderd gulden opleveren. Dat er daar toevallig ook nog mensen woonden was van volstrekt ondergeschikt belang.

(Barbertje moet hangen)

Onbegrijpelijk dat Emmer concludeert: “Weer heeft het Nederlands kolonialisme gefaald.” Deze kreet moet een ‘lapsus linguae’ van hem zijn, want hij vervolgt: “Dat had naast een rechtvaardig (Nederlands) koloniaal bestuur, een goedkope en efficiënte gezondheidszorg, stevige bruggen, begaanbare wegen, ferme dijken en een paar nette ambachtsscholen, het bijbrengen van democratisch besef moeten bevatten. Nu blijken grote delen van de bevolking van de Nederlandse ex-koloniën heel anders over goed en kwaad in de politiek te denken dan het voormalige moederland. Indonesië, de Antillen en Suriname: drie kansen, drie keer fout.”

Met andere woorden: “Kind je maakt me te schande, zó heb ik het je niet geleerd!” Voor mij mag van nu af aan alle wetenschappelijke ‘arbeid’ van Emmer ongelezen naar de prullenbak worden verwezen.

*) Mijn variant op “Black skin, white masks” van Frantz Fanon.

[Dit artikel is gelijktijdig gepubliceerd op http://www.surinamestemt.com/]

donderdag 15 juli 2010

Nederlands slavernijverleden leidt tot verhitte discussies

Keti Koti (donderdag 1 juli), de dag waarop Surinamers en Antilianen de afschaffing van de slavernij vieren, is nog maar net een week voorbij of intellectuelen rollen over elkaar heen over het Nederlandse slavernijverleden. Vooral ‘slavernijprofessor’ Piet Emmer weet de aandacht op zich gericht.

Toen emeritus hoogleraar in de geschiedenis van Europese expansie dr Piet Emmer (Universiteit Leiden) zijn boek Who abolished slavery? Resistance and accomodation in the Dutch Caribbean (2008) publiceerde, kwam hem dat naast lofprijzen op felle kritiek te staan. Toen hij uitgerekend op de ‘Dag der Vrijheden’ (Keti Koti) in een publicatie in de Volkskrant aan zijn boek refereerde, wist hij de discussie over het Nederlandse slavernijverleden opnieuw aan te jagen. Intellectueel Nederland kroop weer in de pen om hem goed van repliek te dienen. Zij benadrukten hún visie op de slavernij nog duidelijker op bijeenkomsten. Wat stuit deze criticasters zo tegen de borst dat zij een reactie niet kunnen nalaten?

Politiek correct
Om te beginnen zegt Emmer in het stuk dat Surinamers en Antilianen de afschaffing van de Trans-Atlantische slavenhandel en slavernij te danken hebben aan ‘de kliek deftige, oude, blanke, mannelijke leden van Europese en Amerikaanse parlementen’. ‘Moet je daar een feestelijk gezicht bij trekken?’, vraagt hij zich af. Hij voert aan dat de opstanden van de tot slaaf gemaakten – behalve die in Haïti - vrijwel niets hebben bijgedragen aan het besluit een punt achter de slavernij te zetten. Emmer vindt studies, die het slavenverzet als belangrijkste oorzaak van de afschaffing van de slavernij noemen, maar ‘politiek correct’.

Sociaal-historicus Michaël Deinema, promovendus in sociale geografie en Hebe Verrest, universitair docent ontwikkelingsstudies, beiden verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, haasten zich 4 dagen later in dezelfde krant bezwaar te maken tegen de opvattingen van Emmer. ‘Emmer ziet enkele cruciale en bekende feiten over het hoofd die de gangbare "politieke correcte" interpretaties ondersteunen’, stellen ze. Zij wijzen op de abolitionisten die zich juist door het ‘zwarte verzet’ hebben laten inspireren. ‘Was het toeval dat de eerste golf van het Britse abolitionisme uitbrak net nadat in 1791 de slaven in Saint Domingue in opstand waren gekomen?’ Zo noemen

zij meerdere opstanden in andere ex-koloniën die van grote invloed zijn geweest op de beweging van abolitionisten zoals de beroemde opstand van François Dominique Toussaint Louverture (afbeelding hierboven), die als vrijgemaakte negerslaaf in opstand kwam tegen de Franse kolonisten in Haïti.

Een dag later deed Anil Ramdas, publicist, in NRC Handelsblad er nog een schepje bovenop. Hij vindt het slavernijdebat ‘harteloos en rancuneus’ en noemt Emmer ‘landskampioen zakelijk spreken over de slavernij.’

Koe Bertha
Het is niet de eerste keer dat Piet Emmer het vuur aan de schenen krijgt gelegd. Sandew Hira, historicus en auteur van het boek Decolonizing the mind (2010) wist niet wat hij hoorde toen Emmer de afschaffing van de slavernij als een ‘typisch kenmerk van de Westerse beschaving’ bestempelde. ‘Als de afschaffing van de slavernij een typisch kenmerk is van de Westerse beschaving, dan kan de invoering daarvan geen typisch kenmerk zijn van diezelfde beschaving’, betoogt Hira. Verbolgen is hij over Emmers stelling ‘dat Afrikaanse slaven het brandmerken als een bewijs zagen dat hun nieuwe eigenaar voor hen zou zorgen.’ Emmer zegt geen enkel bewijs te hebben gevonden dat tot slaaf gemaakten het brandmerken als gruwelijk en pijnlijk ervoeren. Deze interpretatie is een gruwel in de ogen van Hira. ‘Is dit serieuze wetenschap van de Universiteit Leiden? Een hoogleraar die zich bezighoudt met slavernijgeschiedenis en die zwarte mensen beschrijft zoals je koe Bertha beschrijft, die stelt dat ze geen notie van vrijheid hadden en dankbaar waren voor hun brandmerk, die concludeert dat ze graag in slavernij wilden leven?' vraagt hij retorisch. 'Die hoogleraar is geen wetenschapper, maar een racistische kwakzalver’, aldus Hira. .



Waar is Emmers bewijs?
Aan de kring van ‘Emmercritici’ kan ook Stephen Small worden toegevoegd. Small werd op 29 juni benoemd tot bijzonder hoogleraar Nederlands Slavernijverleden en erfenis aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. ‘Ik geloof niet dat hij voldoende onderzoek heeft gedaan om tot zulke conclusies te komen. Mijn vraag aan hem is: waar is je bewijs? En zijn je bevindingen gebaseerd op de zienswijze van de witte gemeenschap of heeft de zwarte gemeenschap hier ook aandeel in?’
Small gaat vanaf september één dag in de week onderzoeken hoe men in Nederland omgaat met het slavernijverleden. Hoe denkt men over deze donkere periode in de Nederlandse geschiedenis? Hoe wordt daarover gediscussieerd in boeken, het dagelijkse leven, op school, in de kunst en cultuur sector en in de media? ‘Ik ben specifiek geïnteresseerd in de mening van de zwarte gemeenschap. Juist hún bijdrage maakt het onderzoek wetenschappelijker, rijker en meer humaan.’
De recente en geruchtmakende studie Herstelbetalingen van Armand Zunder is Small niet ontgaan. ‘Zijn boek opent de deur voor het debat over wie nu echt van de slavernij hebben geprofiteerd. Boeken als dat van Zunder zijn belangrijk voor het slavernijdebat’, zegt Small.

‘Witte studies’
De vraag is waarom de overwegend ‘witte studies’ een totaal ander beeld geven van het Nederlandse slavernijverleden dan zwarte onderzoekers? ‘Zij presenteren dit deel van het verleden bewust als fabel dan als systeem van onderdrukking en uitbuiting’, weet Hira. ‘Opvattingen zoals het mijne circuleren in tegenstelling tot in Nederland reeds langer in wetenschappelijk Amerika. Zunder is bijvoorbeeld de eerste die het onderwerp van reparaties in Nederland op de agenda zette.’ Small is het hartgrondig met hem eens. ‘Nederland loopt goed achter op landen zoals Brazilië en de Verenigde Staten.’ Daarmee wil hij niet beweren dat de situatie in die landen perfect is. ‘Maar je ziet dat landen met goed georganiseerde zwarte sociale bewegingen het veel beter doen. Neem als voorbeeld de civil rights movement in the Verenigde Staten die de universiteiten en intellectuelen hebben gedwongen om beter onderzoek te verrichten. Nederland heeft in zijn onderzoeken de zwarte gemeenschap totaal genegeerd.’

Piet Emmer was niet bereikbaar voor een reactie.

[Bron: Wereldjournalisten, 7 juli 2010]

zaterdag 3 juli 2010

Herdenking van de ‘Afschaffing’ van de slavernij


door Fred de Haas

Naar aanleiding van de ‘afschaffing’ van de slavernij heeft de altijd zeer lezenswaardige emeritus hoogleraar Piet Emmer met Seymour Drescher de bundel Who abolished slavery? Slave revolts and abolitionism (New York / Oxford 2010) het licht doen zien. Daarin valt te lezen dat de slavernij met gemak nog wat jaren had kunnen blijven voortbestaan als een aantal parlementen in Europa en Amerika dit zou hebben gewild. Er was immers hoegenaamd geen verzet meer na de slavenopstanden in het Caribisch gebied?

Wat betreft Curaçao: het verzet van Tula en de zijnen werd binnen enkele weken gebroken en daarna herstelde de oude orde zich, zij het dat de bestuurders, angstig geworden, wél rekening gingen houden met mogelijk verzet. Dat bleef echter uit en er was na 1795 (de opstand onder leiding van Tula en Karpata) geen sprake meer van rebellie, laat staan van een revolutie. Het is dus niet zo dat de slaven in het Caribisch gebied zelf gezorgd hebben voor het einde van hun slavernij.
Er is in het Caribisch gebied één uitzondering op die regel: Haïti. Daar werden – na een lange reeks verwikkelingen – de Fransen door Toussaint Louverture en zijn zwarte leger het land uitgedreven. In 1804 werd in Haïti de vrije Republiek uitgeroepen. Dat Frankrijk in 1848 de slavernij afschafte was voor Haïti niet van belang.
.


Auguste François Biard (1798-1882)
L'abolition de l'esclavage dans les colonies françaises en 1848, huile sur toile (Salon 1849)
Versailles, musée national du château et de Trianon, MV 7382
(C) Photo RMN / © Gérard Blot



Wie dezer dagen een aardig boekje wil lezen over de Curaçaose opstand van Tula kan terecht bij ’Tula, de slavenopstand van 1795 op Curaçao’ (Ninsee/Amrit 2009, onder redactie van de huidige directeur van het Ninsee, Artwell Cain).
Het boekje is zeer lezenswaardig, maar men moet er rekening mee houden dat wat erin staat over Tula voor een groot deel ‘van horen zeggen’ is. Wij moeten afgaan op wat pater Schinck heeft opgeschreven over zijn onderhandelingen en contacten met de vrijheidsstrijders en op wat dominee G.B. Bosch nog eens, een twintigtal jaren later, heeft overgedaan. De officiële brieven van de Koloniale Raad zijn wél allemaal authentieke, valide bronnen.

Het enige wat ik echt op het boekje tegen heb zijn de nogal infantiel aandoende waardeoordelen die het bevat. Die passen niet in een geschiedkundig verhaal dat objectief wil zijn. De opmerking van G.B. Bosch ‘Het bekende ontzag voor de blanke kleur, dat hun van hunne jeugd af ingeprent was, en waarvan de invloed niet zo spoedig verdwijnen kon, hield hen terug, eenige wraak aan hunne gevangenen uit te oefenen’ ontlokt het volgende commentaar aan de schrijvers van het boekje:
‘Hij (d.w.z. dominee G.B. Bosch) kon zich niet voorstellen dat het kwam omdat de slaven een hoger niveau van beschaving hadden dan hun meester, dat hun vrijheid niet hoefde leiden tot de onderdrukking van anderen. Dat hogere beschavingsniveau zou later nog eens duidelijk gedemonstreerd worden in de betogen en handelswijze van Tula’. En enkele bladzijden verder: ‘De beschaafde houding van de rebellen staat in schril contrast tot de ongeciviliseerde houding van de blanke meesters’.

Dat is natuurlijk chauvinistische kletskoek. Het was bepaald niet geciviliseerd van Pedro Waccao om schoolmeester Sabel drieënhalf uur lang achter zijn paard aan de ruwe weg over te slepen. En of het geciviliseerd was van rebel Mercier om Sabel met een schot uit zijn lijden te verlossen is ook nog maar de vraag. Ik denk dat men in die tijd voor elkaar nauwelijks in ongeciviliseerdheid onderdeed.

Onderbelicht, maar wel vermeld, blijft ook dat Tula werd verraden door een zwarte Curaçaoënaar. Maar verraders heb je nu eenmaal overal. Het waren immers ook slaven die hebben meegeholpen om Karpata te vangen. Vervelend, maar waar.

In Nederland is op 1 juli de ‘afschaffing’ op passende wijze herdacht. De demissionaire vicepremier Rouvoet kon zich in zijn toespraak tijdens de herdenking op 1 juli jl. in Amsterdam niet voorstellen hoe onze voorouders de slavenhandel met hun geweten in overeenstemming hadden kunnen brengen.

Nou, ik kan me dat wél voorstellen. We wisten toch dat God altijd aan onze kant stond? De strenge gouverneur-generaal van ‘Ons Indië’ Jan Pieterszoon Coen schreef al aan de Heren XVII in ± 1617 : ‘Ontziet uwe vijanden niet, daar en is ter wereld niet dat ons kan deren, want God met ons is’. En onze voormalige minister-president Colijn, die in Indië meehielp een opstand neer te slaan, schreef aan zijn vrouw in ±1894 dat het ‘onaangenaam werk’ was om vrouwen en kinderen neer te schieten, maar dat de soldaten ze ‘met genot aan hun bajonetten regen’. En hij vervolgde: ‘Danken we, mijn lieveling, den Heere onzen God voor zijne weldaden ende zegeningen. Hij heeft ons in de ure des gevaars bewaard. Zij Hij ons ook verder nu nabij’.

Het was allemaal veel eenvoudiger dat we dachten, meneer Rouvoet. Zó deden we dat met ons geweten. God was met ons!

zondag 7 juni 2009

Gruwelijkheid en stilte

Het is een zonnige vrijdagmiddag. Op het Rapenburg hangt een serene rust. De lome stilte wordt sporadisch onderbroken door een voorbijrijdende auto of een schallende kinderstem. Niemand die er aandacht aan schenkt of er hinder van ondervindt. De auto heeft zijn bewegingen aangepast aan het bedaarde ritme van de dag. De kinderstem wordt gedempt door een onzichtbaar geluidsscherm dat de gracht omgeeft. Alleen de vogels kennen geen reserves. Uitgelaten kwetteren zij hun lied.

Kort vóór 14.00 uur wandelen de eerste mensen de tuinzaal van het Snouck Hurgronje huis binnen. Zij zijn gekomen om het afscheid van Piet Emmer als economisch historicus van de Universiteit Leiden te vieren. Het programma blinkt uit door eenvoud. Er is een inleidend woord van de decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen. Er is een lezing van Stanley Engerman, economisch historicus van de Universiteit van Rochester en co-auteur van de spraakmakende studie Time on the Cross. Er is een paneldiscussie waaraan behalve Engerman en Emmer ook Seymour Drescher deelneemt, historicus van de Universiteit van Pittsburgh en auteur van het niet minder spraakmakende Econocide. Ten slotte is er de aanbieding van een liber amicorum aan de scheidende hoogleraar waarin bijdragen zijn gebundeld van collega’s en promovendi.

Anders dan de reputatie van de Amerikaanse gasten zou doen vermoeden, worden er deze middag geen opmerkelijke uitspraken gedaan of vernieuwende inzichten gepresenteerd. Engerman schetst de ontwikkelingen in het slavernijdebat in de afgelopen decennia en zoomt, zijn specialisme getrouw, vooral in op de economische aspecten van het slavernijonderzoek. Het debat dat erop volgt is een beschaafde uitwisseling van standpunten tussen drie geleerden op leeftijd, die elkaars werk grondig kennen en veel denkbeelden en opvattingen delen. Ondanks herhaalde verzoeken van gespreksleider Gert Oostindie om zich uit te spreken over de toekomst van het slavernijdebat laat het drietal zich niet verleiden tot het doen van voorspellingen. Alleen Emmer lijkt te beseffen dat het publiek een beetje dreigt weg te soezen bij de rimpelloze conversatie. De provocateur in hem laat nog een keer luid en duidelijk van zich horen (‘Het voornaamste manco van het slavernijsysteem was dat het slaven niet voorbereidde op de markt’), maar tegelijk toont hij de grootmoedigheid om zelfkritisch op zijn eigen werk terug te kijken (‘Misschien heb ik in mijn onderzoek te weinig rekening gehouden met de culturele aspecten van slavernij’). Maar dergelijke uitlatingen zijn schaars. De vredige stemming en zomerse temperaturen zijn er niet naar om het feestje met vuurwerk op te luisteren.

Ongebruikelijk helder voor de tijd van het jaar valt het daglicht in het statige pand naar binnen. Onvermoeibaar kwinkeleren de vogels in de tuin erop los. Flarden van hun liederen vliegen door de open deuren naar binnen en draaien parmantig cirkels rond de woorden van de sprekers. De sereniteit van de middag is een weldadig bad, waarin lichaam en geest zich behaaglijk wentelen.

Desondanks denk ik aan verwante ervaringen waarbij gruwelijkheid en stilte elkaar in een ongemakkelijke omhelzing geklemd hielden en vogelgeluiden en mensenstemmen als enige de rust verstoorden. Toen ik rondwandelde in Auschwitz. In Majdanek. In Westerbork. De zon hoog aan de hemel, de natuur op zijn vredigst en de sporen van het kwaad binnen handbereik. Ik denk aan het verstild door Billy Holiday gezongen ‘Strange Fruit’, dat de uitwassen van slavernij en rassenhaat zo navrant voor het voetlicht brengt. Ik stel mij voor dat het lied door de tuinzaal klinkt en dat voor een moment de vogels ophouden met kwetteren en de mensen stoppen met spreken. Tijd en ruimte voor emotie. De economisch historicus vreemd, want niet inpasbaar in trends, formules en modellen. Maar het afscheid van een specialist op het gebied van slavernij waardig.